3.
Elizabeth had het boek uitgelezen en klapte het dicht. Dan stond ze op, liep 't huis om en ging naar binnen. De hond Juno, volgde haar op de hielen. Hij had genoeg van 't zonnig plekje bij den drempel en liep loom achter haar aan. Binnen plofte hij neer in de koelte der kamer, moe van zijn zonnebad.
De kat had alleen even door een spleet van zijn groene oogen gegluurd en sliep dan weer door.
Binnen in de kamer, op het evenals deur en zolderbalken botergeel geverfde boekenrek, dat den geheelen wand innam, zat Pierrot. Achteloos bevallig leunde hij met hoofd en rug tegen den muur; het eene been strak vooruitgestrekt op de bovenste plank, waarop de groene gemberpot stond met Oost-Indische kers; het andere slap neerhangend langs het rek. Aan een lint om den linkerschouder hing de guitaar; de rechterhand met het bloementuiltje rustte mat op zijn knie.
De schoon aangevoelde kleuren van zijn kleedij pasten zich wondermooi aan bij de kamertinten van zonnig geel en dieppaars. Sterk teekende het somber donker van zijn omhulling zich af tegen 't gele houtwerk."
Zoodra Elizabeth de kamer binnentrad, bleef haar blik op hem rusten en toen ze nu neerzat op de rustbank óver hem en opnieuw het boek opensloeg bij de bladzijden waarin zij een vouw had gelegd, vroeg ze zich af—telkens het herlezene met hem vergelijkend—op wien van de hier beschreven Pierrots hij nu wel 't meest geleek. Heelemaal zooals hij, had ze er in dit boek geen ontmoet.
Toch had de lectuur haar veel geleerd; allereerst over masker en pantomime, waarvan, zooals het heette: "la Grèce nous ayant donné le vocable..., Rome nous a donné la chose." En ook over den eersten "Piero" uit den troep der Italiaansche Zanni, die onder Ganassa in de 16e eeuw voor 't eerst naar Frankrijk kwamen en zich Gelosi noemden, "jaloux de plaire",—hetgeen ze dadelijk den Parijzenaar deden—had ze veel belangwekkends gelezen. Zóó werd Molière getroffen door de verschijning van Pierrot, dat hij in zijn Donjuan, dezen naam gaf aan den minnaar van Charlotte.
Veel vond ze ook over het algemeen type, in dit boek dat een verzameling was van fragmenten, losse, onuitgegeven bladzijden en persoonlijke herinneringen en indrukken van.... "des délicats enfiévrés de rêve" en dus door Pierrot bekoord. Maar het geheim van de Venetiaansche pop werd hierdoor niet geopenbaard.
Op een schrijven naar het oude paleis waar ze hem kocht, antwoordde men, dat er een tusschenpersoon bestond, die de bestellingen aannam en afleverde, daar de maker of ontwerper blijkbaar onbekend wilde blijven. De leegte in de vitrine, ontstaan door de verkochte pop, was met de copie aangevuld; maar kwam het door andere kleurcombinatie..., hoe trouw ook nagevolgd, 't werd niet meer wat het origineel was geweest. Er ontbrak iets.
—Geen wonder. Copie van bezieling! Zooiets moois maak je maar éénmaal—begreep Elizabeth.
Maar des te gretiger zocht ze nu naar al wat met de Pierrot-figuur samenhing. En dit bleek niet gering; want bijna elk artiest, schilder, dichter of musicus, onderging de bekoring van dit bleek, geheimzinnig gezicht, waarin alleen de oogen leefden, de gevoelige mimiek en het levende vibreerende gebaar, alles uitdrukken zonder woorden; het sprakeloos-welsprekende, dat deed ontroeren, schaterlachen of huiveren.
De beschrijvingen van zijn verschijning liepen ver uitéén. Iedereen zag in deze "vlinder van de verbeelding" weer iets anders. Alleen voor Rivière's Pierrot-opvatting kon Liesbeth niets gevoelen. Hij zag in hem de incarnatie van den duivel in de wereld. Niet de Pierrot in het traditioneel costuum, maar een bleeke man met donkere oogen; groot, welgebouwd, met een hart van brons en stalen spieren; een die, levend in de maatschappij, waar hij over een enorme macht beschikt, "ferait toujours le mal, impassible et souriant."
Nee, dan voelde ze meer voor de geestige typeering van den aan Pierrot gepaarden harlekijn: "un vieux beau, qui passe sa soiree au cercle, sa journée a la bourse; qui a l'oeil encore vif, la jambe encore leste et qui dissimule ses rhumatismes et non ses vices...."
"Je moest een Franschman zijn om 't zóó te kunnen zeggen!" dacht Liesbeth bekoord en het boek doorbladerend, liet ze de vele Pierrots waarvan het verhaalde, aan haar verbeelding voorbijgaan:
Pierrot blanc—in wien zij zag een tot wezen geworden manestraal. Pierrot noir; voor haar het niet te ontwijken noodlot; Pierrot gaie, triste ou tragique; rusé, dupe ou victime.... mais avéc quelquefois des revanches....
Maar 't langst bleef ze nadroomen over dien eenen, droeven nar, die toen hij jong en vroolijk was, met zijn grappige mimiek Parijs veroverde, dat hem omtroetelde en toejuichte, maar hem aan zijn lot overlaat, wanneer hij ontgoocheld en doodelijk gewond, niet meer lachen kan. Onder 't kille licht van een lantaarn—zijn "cierge d'agonie"—ligt hij te zieltogen, terwijl door de straten de processie voorbijgaat van het gouden kalf, eenige godheid van dezen tijd, rondgedragen op het satijn van courtisanen-schouders. Maar Pierrot sterft als alles waarin hij heeft geloofd, als alles wat hij heeft lief gehad."
"Was dit soms de geschiedenis van háár pathetische pop? Voor wie zou dit smartelijk masker, de bevrijding van een niet langer te dragen obsessie zijn geweest?" peinsde Elizabeth.
Altijd weer spon haar verbeelding een nieuw weefsel om dit bleeke, fascineerende hoofd. Trouwens...., hoe vélen werden getroffen door dit geheimzinnig wezen, met de éene uitdrukking als een verheven verstarring, zoo sterk erin vastgelegd? En hoe leende zich zijn suggestieve figuur, voor verdichtsel en anecdote!"
Zoo herinnerde ze zich een geestig verhaal over Gustave Debureau—een der beroemde Pierrot-figuren, lieveling van de Parijzenaars,—die overdag nooit lachte, zelfs niet glimlachte, om toch maar niets uit te geven van zijn vroolijkheid voor 's avonds, wanneer zijn grappen met goud werden betaald. Die, een dag nadat de "ville de lumière" hem een frénétieke ovatie bracht.... stierf, zonder dat hem iets anders kon worden verweten dan een onverklaarbare afkeer voor den nachtegaal.
En niet alleen het groote publiek en de artiest, ook bekende persoonlijkheden onder filosofen en vorsten, hadden zijn gratie en geestige, soms lugubere grappen, zijn tragisch masker en subtiel gebarenspel lief.
Toen Rome, door hongersnood bedreigd, alle vreemdelingen buiten zijn muren dreef...., werd voor de pantomimen een uitzondering gemaakt; en de Romeinsche, cynische filosoof Demetrius, riep na een voorstelling van maskers en mimieker uit: "O bewonderingswaardige menschen, die met de handen schijnt te spreken! Het is geen tooneelspel, dat ik heb aanschouwd, het is het ding zelf!"
Eeuwen later, toen Napoleon op den langen weg van Parijs naar St. Cloud den beroemden Pierrot zich zag haasten naar zijn troep, die hem naar het kermisterrein was voorgegaan,... liet de keizer zijn rijtuig stilhouden, opende het portier en deed den moeden wandelaar naast zich neerzitten. Zooals Bonaparte ook eens een kanten écharpe nam van het corsage eener prinses van geboorte, om met eigen handen de kanten doek om de schouders te werpen van Mad^m Sagui, bezweet van vermoeienis en inspanning na een harer gevaarlijkste toeren.
Zoo had Pierrot overal de harten gegrepen. Ook door de kunst van zijn zwijgen. Hoe had zij zelf dikwijls ademloos van spanning zijn stilten beluisterd, plotseling gebroken en opgelost door een simpel of pathétisch gebaar. Want ook van de schoonheid van het gebaar, bezat hij als geen ander het geheim. "Le geste, le grand geste éloquent et splendide."
Hier werd Elizabeth in het memoriseeren gestoord door den hond, die recht vóór haar ging zitten, eerst de eene, dan de andere voorpoot op haar knie duwde en haar daarbij aldoor smeekend aanzag, een dringende vraag in de oogen.
—Ja Juun, ook jouw gebaar heeft geen woorden noodig—lachte zij.
"Je akkertje òm, hè? 't Is je tijd, beest! Kom dan maar!"
Zoodra Liesbeth het boek neerlei, sprong de hond onstuimig tegen haar op, plofte met beide voorpooten tegen haar schouders en trachtte, uitzinnig van blijdschap, haar gezicht te likken.
—Koest Juun, koest!—weerde ze streng. Nadat ze dan het raam en de voordeur had gesloten en buiten trad, werd het tusschen hen een stoeien in aanval en afweren over 't grasveld tot aan de heg, waar, eenmaal op den weg bij de open velden gekomen, hij uitbundig-blaffend vooruitstoof, in zijn vreugdevaart een zwerm vogels verschrikkend, die klapwiekend opvlogen uit de versche voren van een voor 't winterkoren omgeploegden akker.
Maar even later, uitgeloopen, kwam hij hijgend terug, de roode natte tong uit den bek. Dan wreef hij zijn kop tegen haar aan of duwde zijn vochtige snoet in de palm van haar hand.
"O, de liefde en gehechtheid van een lief dier...! 't Is iets kostbaars en 't kwetst je nooit in je teederheid.... zooals de menschen 't zoo dikwijls doen die je zuiverst bedoelen bezoedelen. Als je eenmaal door den leugenachtigen omgang van de menschen-onder-elkaar had heengekeken.... en een te rechten rug had om al maar weer te bukken, te buigen.... en vooràl.... als je je niet van binnen verharden kon voor hun grofheid...., dan hield je 't op den duur in de samenleving niet uit. Je trok je terug en vluchtte de stilte in, zooals zij had gedaan, wèg van laster en intrige die, als je eigen leven er al vrij van bleef, dat van je vrienden vergalde of havende. Hier was ze veilig met haar liefste bezittingen. Hier, aan 't gulle hart van de natuur, was ze genezen van veel wat vroeger onheelbaar scheen. Ze werd weer gelukkig, voor zoover dat zonder Heinz mogelijk was. En hoeveel dragelijker was ook het gemis van hem..., hier, in zelfgekozen eenzaamheid, dan vroeger onder de menschen, die ze elkaar zulke lage, wreede dingen zag aandoen, dat ze eindigde met bijna niemand meer te durven vertrouwen. Hoe werd in de vijandige wereld die ze had verlaten, het fijne vertreden, het spontane hartsgebaar gehoond. Het sluwe en hardvochtige alleen zegevierde. Of zag ze niet ver genoeg?
Maar zóó leed ze onder den geest die de menschen in en na den oorlog beheerschte, dat het haar de afzondering had ingedreven, waar geen nijd en hebzucht loerde...., en geen afgunst....
Stil...., ze mocht nooit vergeten hoe zij zelf, die tot haar dertigste jaar dit gevoel alleen bij naam kende en nooit een ander iets had misgund wat ze zelf niet bezat, toch óók onverwacht door dit minderwaardige werd overvallen. Ze woonde 't eens bij, hoe tactloos wreed een vrouw haar moeder-weelde uitstalde voor een eenzame, kinderlooze. Het oude verwelkte meisje, had ze zien krimpen van pijn. Met verknepen lippen had ze zich van deze pralende Niobe afgewend.
Datzelfde voelde zìj..., toen die éene vrouw met tartend vertoon haar huwelijksgeluk uitstalde in het eerste jaar na Heinz' dood.
O, niemand behoefde ooit zijn geluk voor haar te verbergen. Dat was het niet wat bezeerde! Maar deze vrouw, van wie ze wist dat ze Heinz tot in hun verloving aanhaalde indertijd, deed het uitdagend, met duidelijke bedoeling te kwetsen. Hiertegen was ze in die ontredderde dagen niet bestand geweest. Ze was jaloers, afgunstig geworden. Wel zonder wraakgedachten, maar toch.... een vergift werd het in haar bloed, een kanker, die alles wat van nature zacht in haar was, verhardde. Toen hadden niet ànderen haar in haar verwachting teleurgesteld, maar zichzelve was ze een ontgoocheling geweest. Treurig dacht ze, hoe Heinz, als hij haar ooit zoo had gekend, niet van haar zou hebben gehouden misschien. En dit, meer dan iets anders, deed haar de wrange verbittering bevechten en overwinnen.
Maar dit wist ze nu, na de beschamende maanden: nijd...., nijd is een vuil, een zielsverzwammend gevoel, dat alle goedheid aanvreet en van je vriend een vijand maakt.
Juun rook wild. Huiljuichend stortte hij zich in 't kreupelhout. Nu was ze hem vooreerst kwijt, totdat hij hijgend, achter adem, met trillende, ingevallen flanken thuis zou komen en voor haar voeten neervallen. Soms had hij den verboden buit in den bek.
Elizabeth liep nu verder alleen door de roode najaarspraal. Ze genoot van den helderen herfstdag; van den geur van het loof en van de tintelende atmosfeer. De paden in de diepe najaarslanen, waren bevloerd met een tapijt van bloedroode beukenblâren en verder op, aan beide zijden van den zandweg, stonden de Amerikaansche eiken in herfstgloed, als ontstoken toortsen.
Toch, ondanks het genot dat de wandeling gaf, was ze blij dicht bij huis te zijn. Na het incident met den halfdronken paardenbeul, durfde ze zich niet ver van huis wagen zonder den hond. En ze dacht hoe, wanneer die ruwe kerel z'n driftige bedreiging eens zou hebben volvoerd, het tenminste de moeite waard zou zijn geweest, een slag op te vangen voor zoo'n edel dier.
Ingeboren adeldom bij de menschen? Ze lachte schamper.—"Nee, dat vond ze meer bij de beesten; en vooral bij het paard. Eigenlijk was ze altijd, van kind-af, geschokt geweest door 't paardenleed. Misschien omdat het zoo geduldig en geluidloos was.
Terwijl ze nu verderliep kwam een herinnering in haar op uit den tijd in Freiburg: Achter hun huis een drassig bouwterrein en daarop in druipenden regen, voor een half-uitgeladen kar, een heel oud, triest paard; den kop laag naar den grond, de oogen in zoo duldeloos rampzalig staren...., dat het haar de keel toekneep van ontroering.
Haastig greep ze een homp brood uit den trommel en holde de waranda-trap af, den tuin in, het poortje door. Dan stond ze op 't veld. Het lag leeg. De arbeiders schoftten. Er was alleen, voor de kar, het verlaten paard, onbedekt in noodweer. De regen gudste over hem neer.
Ze was op hem toegeloopen, mompelde troetelwoordjes, terwijl ze hem brood voerde; liefkoosde met streelende handen z'n ouden, pezigen hals, zijn knobbelig voorhoofd. Er was gelukkig niemand die haar kon begluren en uitlachen. En zooals dat paard haar toen had aangezien..., nàgekeken....
... Het was daarna een dagelijksche vreugd gebleven naar hem toe te sluipen, zoodra de werklui weg waren. En dikwijls wanneer ze 's middags de stad in moest en voorbijging aan het veld waarbij het stond, zag ze hoe het dier haar nadering voelde. Dan hief het den kop, bewoog de ooren, in luistering naar haar stem,... die ze dan dempte tot een fluistering; om de steensjouwers die er bezig waren. Dan prevelde ze in 't voorbijgaan gauw iets liefs, dat z'n eenzaamheid omstreelde.
O, het verstond wat ze zei; het was een geheime samenspraak tusschen hen beiden. En als ze dan dacht hoe het uitsterven van't paard wordt voorspeld! Nu óók weer in Carel Scharten's "Bloedkoralen Doekspeld." Ze hoopte dat het nooit zoover zou komen. Moest de wereld dan àl maar nuchterder en leelijker worden? Al het mooie eruit weg, omdat het met de machine vlugger gaat? Zou, in de lawaaiende wereld, op den duur de motor met zijn benzine-stank en rumoer alles overheerschen, er nergens meer stilte, schoonheid zijn en geur? De dagen van de trekschuit schenen haar een paradijs, vergeleken bij dezen tijd van vaart-razernij."
Elizabeth sloeg nu den hoek om en liep het mulle zandpad op naar haar woning. Hoe dichter ze deze naderde, hoe sneller ze begon te loopen, als voortgedreven door onbekenden dwang.
Ze lachte er zelf om. "Waarom zich haasten? Niemand wachtte. Vond Jans haar uit, dan zette zij de pan met eten wel bij de voordeur neer."
Bij de heg zat het katje naar haar terugkeer uit te zien. Zoodra 't haar zag aankomen, liep het miauwend op haar toe; den staart rechtop als een vreugdevaan.
Ze bukte zich, nam 't poesje op dat spinnend het kopje tegen haar kin opstootte en wilde het juist aanhalen met luider woord..., toen ze inhield, bruusk 't katje neerzette en verbaasd naar haar huisje staarde, waar ze een vreemde vrouw zag. Naderbij komend herkende ze aan den Schwarzwälder dracht van het gebloemde japonnetje, een der oudere, ondervoede Duitsche meisjes, kortgeleden bij een rijken boer ingekwartierd. De pan met eten, in blauw-geruiten boeredoek geknoopt, had ze bij de gesloten deur neergezet. Nu liep ze op het raam toe, ging er op de teenen staan en terwijl ze, om het licht af te weren, beide handen drukte ter weerszij van het met blonde vlechten omwonden hoofd, duwde ze het gezicht tot vlak op de ruiten en tuurde de kamer in.
Maar plotseling, als had ze daarbinnen iets ontzettends ontdekt, wierp ze zich met een ruk achterover, en gillend: "der tote Beppo!" nam ze, een hand voor de oogen geslagen, de vlucht, in haar vaart tegen Elizabeth opbotsend, die onhoorbaar over 't gras genaderd was.
—Aber Mädel...., Mädel, was ist denn?—
—Da drinnen! Der tote Beppo mit 'm Sträuszlein!—herhaalde 't meisje ontdaan.
In het van ondervoeding grauwe gezicht, stonden de met diepe wallen blauw-omkringde oogen, opengesperd van ontzetting.
Elizabeth, die uit den angstigen uitroep begreep, dat ze moest zijn geschrokken van Pierrot's macaber-wit gezicht, zeker in verband gebracht met iets noodlottigs uit het eigen leven, stelde gerust: "het was niets; niets dan een pop waarvan ze waarschijnlijk zoo geschrokken was."
-Het was of hij leefde...!
-Een Italiaansche pop—vervolgde Liesbeth met sussende stem, terwijl zij, een arm om den schouder van 't bevende meisje geslagen, haar meevoerde naar 't zonnig hoekje bij 't veld van zonnebloemen en haar daar met zachten dwang deed neerzitten in een rieten leunstoel.
—Italiaansch?—
Dadelijk reageerde ze op dit woord: "Beppo was óók Italiaan, al had hij een Duitsche moeder. En precies als die —— daarbinnen,"—schichtig wees ze achter zich naar het raam om den hoek—had hij eruit gezien toen hij dood op de steenen lag van hun hof. Alleen niet zoo vreemd gekleed. Ach, God nee! Bloot waren z'n voeten .... en z'n borst.... Hij had niets aan dan "sein Hösele," en in zijn hand hield hij de bloemen!" stamelde 't meisje en barstte in tranen uit.
Aan de hevigheid van 't huilen begreep Liesbeth, dat dit de uiting was van een te lang opgekropte wanhoop; van een lang gesloten bron de eindelijke openstorting.
Achter haar stoel staande, liet ze 't meisje stil uitschreien. Zacht streelde haar hand over 't volle, glanzend blonde haar.
"Entschüldigen Sie, gnädige Frau,... dasz ich so.... Aber das macht der Schrecken,"
Telkens, tusschen 't snikken door, viel een woord ter opheldering.
Als ze dan langzamerhand bedaarde, moedigde Liesbeth aan:
"Zou ze nu in staat zijn zich eens heelemaal uit te spreken? 't Zou haar zeker goed doen. Zij.... kende haar volk heel goed. Haar man, die in den vreeselijken oorlog sneuvelde, was ook uit het Schwarzwald, net als zij.
O—wist ze dat al van Jans?"
"Ja, die had haar met het eten gestuurd en gezegd dat, als de deur gesloten was, ze gerust door 't raam naar binnen mocht kijken; naar de Schwarzwalder klok en naar de pop, waarvan ze in het dorp had hooren spreken; en naar de Duitsche boeken, waarvan Jans zei dat ze er misschien wel eens een zou mogen leenen...?"
En Liesbeth beloofde: "natuurlijk mocht dat. Straks moest ze er zelf maar een uitzoeken binnen."
Maar dadelijk kwam de nerveuse angst terug: "nee, bitte, niet daarbinnen bij de griezelige pop," weerde ze met bange oogen.
"Pierrot werd dan eerst in de kast opgesloten," stelde Liesbeth gerust, maar drong dan aan: "nu moest ze eerst eens vertellen aan wat, aan wie de pop haar herinnerde, dat ze er zóó van was geschrokken.
—Ja, ze schrok wel erg gauw sinds dien vreeselijken nacht!—bekende zij. Dan stamelend, kwam in brokstukken de trieste geschiedenis:
"'t Gebeurde jaren geleden. Ze was pas zeventien; Beppo twintig. Ze was z'n meisje. Z'n vader was een Italiaan, z'n moeder een Zuid-Duitsche. Ze woonden sinds eenige jaren in het kleine stadje. Beppo was anders dan de andere jongens. Fijner. Hij zong bij de guitaar. Hij had een mooie stem en zong wel liedjes waarbij hij zelf de woorden maakte.
Een professor, die eens 'n zomer bij z'n ouders in pension was, las verzen van hem. "Nicht übel, nicht übel!" had hij gezegd en hij beloofde te probeeren een studiebeurs voor hem te krijgen.
Toen brak de oorlog uit....
Ze gingen allemaal, de jongens. Aan de bajonet een bosje bloemen. Haar tuin had ze voor hen geplunderd. Ze sméékten om een ruikertje, wanneer ze aan haar tuintje voorbij gingen.
Toen, na een tijd, kwam bij al de vijanden ook nog Italië. Toen begon de ellende!"
Het meisje zweeg en haalde diep adem, als om den moed tot verdergaan te vinden. Dan vervolgde ze:
"Tusschen Beppo's vader en moeder was altijd alles goed geweest, maar nu speelden zich hevige tooneelen af tusschen deze twee. Ieder koos partij voor z'n eigen land. Beppo's vader werd opgeroepen en ging dadelijk terug naar Italië. De moeder bleef achter met den zoon. Maar dit kon zoo niet blijven. Wanneer hij zich niet liet inlijven bij 't Duitsche leger, werd hij om zijn Italiaanschen vader 't land uitgezet of gevangen genomen.
Ook bij háár thuis, waar 't altijd vrede was, waren nu telkens ruzies. Zij scholden de Italianen uit voor schurken en verraders. Beppo noemden ze nu een jongen van niks met z'n mooie praatjes; een vijand van 't Vaderland. Zij moest de verloving onmiddellijk afbreken!
Wat ze ook aanvoerde ter verdediging van dit moeilijk, ingewikkeld geval..., het hielp alles niets en ze dwongen haar hem ronduit te zeggen, dat hij bij haar thuis niet meer zou worden geduld.
Toen ze hem 's avonds sprak, waar ze elkaar altijd vonden, had ze hem alles oververteld. Hij stoof op: "Wat? Hij een vijand van haar volk? Was z'n eigen moeder dan geen Duitsche? Vechten tegen 't land van z'n moeder en z'n liefste? Nooit!"
En toen ze hem dan zei hoe hij wel zou worden gedwongen partij te kiezen, hij hier alleen zou worden geduld als hij zich liet naturaliseeren en meevocht, riep hij driftig: "Niemand zou hem ooit dwingen partij te kiezen tusschen de twee landen. Hij had ze allebei lief; als z'n vader en moeder. Trouwens, thuis hadden die twee 't hem ook al moeilijk gemaakt met hun getwist en hun eisch: te kiezen tusschen hem en haar. Hij kon zich toch niet in tweeën hakken!
Z'n ouders waren niet meer te herkennen. Als furiën stonden de twee vroeger zoo zachtzinnige menschen tegenover elkaar.
Maar ook zij zouden hem niet dwingen de eene of de andere richting uit. Hij vocht niet mee. Niet tegen Duitschland, niet tegen Italië. Schwindel, Schwindel, der ganze Krieg! En hij kon, hij wilde niet dooden!"
Elizabeth gaf het een schok. "Dit waren dezelfde woorden als in den laatsten brief van Heinz!"
Er viel een zwijgen.... In de verte loeide een koe.... Dan was er in de stilte niets dan het gezoem van late hommels en bijën om de zonnebloemen.
Liesbeth, die al den tijd achter den stoel van het meisje was blijven staan, ging nu over haar zitten. Zij nam de nerveuse vingers, die rusteloos aan een losgeraakt rietje van den stoel plukten, in haar beide handen, boog zich tot haar óver en vroeg: "En toen?"
Het klonk als van een kind dat het eind van het onderbroken verhaal niet langer kan afwachten.
—Ik vertelde het thuis, 't Was om niet uit te komen..., zoo hopeloos verward alles.... Ze zagen er alleen gebrek aan moed in; vonden het karakterloos; en toen hij zich tòch bij ons waagde, ondanks het verbod, hebben ze hem de deur uitgegooid, hem 't woord lafaard toegeworpen en dan naar hem gespógen!
.... Nooit zou ze z'n gezicht daar voor de open deur vergeten. Hij stond als verdwaasd. Hij werd doodsbleek zooals die pop binnen. En zoo had hij ook gekeken..., zoo triest, met de oogen neer. Precies als die pop.
Ze had hem willen naloopen, de beleediging goed maken van de woede en verachting der huisgenooten. Maar ze hielden haar vast: "Halt stille!" dreigde grootvader. Ze bewaakten haar dien avond. Ze kon niet wegkomen op het gewone uur. Toen heeft Beppo zeker geloofd, dat ook zij hem verloochend had en niets meer van hem wilde weten.
Dien nacht, het zal één uur zijn geweest, schrikt ze wakker van een schot. Ze denkt eerst dat ze droomt. Dan.... wéér een.... vlak onder het raam van haar kamertje.
Ze vliegt het bed uit. 't Eerste wat ze ziet, bij heldre maan, is tusschen de bloempotten op 't kozijn, zijn guitaar en zijn schrift met verzen, met haar naam: Käthe.
Dan buigt ze zich voorover en ziet naar beneden. En daar, op de steenen, ligt Beppo, plat op den rug; z'n gezicht in 't maanlicht.
Hij lag er met bloote borst en bloote voeten.... Nur in seinem Hösele, wie 'n Bettelbub. Naast hem, op de steenen, de pistool. In z'n hand hield hij een tuiltje van haar bloemen.
Ze was de trap afgevlogen, zóóals ze was. Ze knielde bij hem neer, fluisterde 't hem toe—misschien hoorde hij 't nog—dat ze niet had kunnen komen, dat ze hem "dennoch lieb hatte." Ze kuste hem op den mond. Bloed en schuim was op z'n lippen. En opeens stond het vol buren om hen heen. Na 't eerste schot—dat miste—hadden ze het tweede gehoord en kwamen allen aangeloopen. Plotseling greep een harde hand haar bij den arm; slingerde haar van Beppo weg....; als 'n vod.... Het was zijn moeder.
"Ga jij weg! jij bent de schuld van alles", had ze gezegd; ijzig-kalm. Maar dan was ze over haar zoon neergestort; haar arm schoof ze onder zijn hoofd en met haar gezicht tegen 't zijne, riep ze maar niets dan: "m'n lieve jongen...., Beppo..., m'n lieve jongen!"
O dat zacht gekerm, àlmaar door...., het was niet om te harden, 't Vervolgde haar nog...., nòg.
In een donkeren hoek van den hof, waar de maan niet in scheen, verborg ze zich en drukte de handen tegen de ooren om 't niet langer aan te hooren. En dan zag ze, hoe ze den dooden Beppo optilden en hoe toen zijn moeder, die toch een tengere vrouw was, haar dooden zoon, alleen,—und war doch ein hübscher kräftiger Mensch!—het huis indroeg in haar armen. Bij 't opbeuren vielen een paar bloemen uit het ruikertje, dat hij klemde in z'n doode vingers. Ze raapte de bloemen op. Het laatste wat hij had gestreeld.
—En hoe is het toen met zijn moeder gegaan?—
Elizabeth vroeg het in spanning. Ze wilde 't meisje niet verontrusten, maar ze dacht aan de pop.
—Z'n moeder is nog 't zelfde jaar aan de griep gestorven. Maar haar bedreiging is uitgekomen. Zijn dood vervolgt me. 'k Heb nergens meer rust. En 't allerergste is, dat ze thuis—en ook anderen—nog altijd een lafaard in hem blijven zien!—klaagde Käthe met bevenden mond.
Toen, met een schok, stond Elizabeth recht; ze hief het betraande gezicht van 't meisje tot aan haar blik en zei vast en streng:
—Nee, Mädel! Wie, om anderen niet te vermoorden, zichzelf doodt.... is geen lafaard, maar een held. Dàt verdriet kan 'k tenminste van je afnemen!
—Ich ahnte es ja...., habe es aber nicht gewagt....
—Ach natuurlijk!—dacht Liesbeth bitter.
"Diep-in had dit kind het geweten, maar het nauwelijks durven denken. Ze had immers van kind-af, 't zoo anders geleerd..., thuis, op school."
Toen, als hadden de woorden al die jaren liggen wachten tot op dit oogenblik, stortten zij haar over de lippen:
"O, de meisjes, de vrouwen, die dol op oorlogspoëzie, de kanonnen omkransen, de bajonetten versieren met bloemen uit hun tuintje...., dachten ze dan niet nà bij wat ze deden? Beseften ze niet dat ze de arme drommels, gespannen voor de zegekar van diplomaten en generalen staf, optooiden voor den dood? En de bajonetten, waaraan ze haar bloemen bonden..., straks.... op het slagveld.... ....Stil..., o stil...!" Elizabeth rilde.
"Na den eersten bajonet-aanval had Heinz.... den dood gezocht!"
Ze slikte haar tranen in. Dan zei ze: "Zoolang jelui allemaal dit heldendom verheerlijken en alleen een held zien in wie met een eereteeken op de borst van 't slagveld komt en allemaal zoo'n held willen in je verloofden, je mannen en je zoons..., blijft het vechten tegen wapengeweld een verloren strijd en zal er altijd weer oorlog komen.
Jouw vriendje—ze legde beide handen op de tengere schouders van het meisje—was geen politieke schreeuwer; niet een, die een bom legt voor de deur van een andersdenkende, die zich dan óók weer wreekt op de wraak en zoo tot in 't oneindige...; maar een stille held, die de eene daad deed, zonder waarschuwing of woordenpraal.
En voor jou is er, geloof ik, maar één middel, kind, om te maken dat je rust krijgt over zijn dood: Weiger je eerbied voor wat hij verachtte; haat wat hij heeft gehaat.... En waarom zou je dan bang zijn dat hij je vervolgen zal? Hij hield toch van je? Heeft hij niet, eer hij stierf, zijn liefste schatten op de vensterbank voor je kamertje neergelegd...; die lieve jongen?!"
Toen richtte het meisje zich op uit haar gebogenheid; een glans lag over het teeder gezicht en stamelend:
"Nooit, nooit zou ze dit vergeten...; dezen morgen..., nooit....!" viel ze met niet meer te weerhouden gebaar Elizabeth om den hals.
—Kijk! Hier heb je nu iets uit je eigen land!—
Liesbeth bracht haar voor de oude Schwarzwalder hangklok, met de bonten wijzerplaat, de groote wijzers, de zware koperen gewichten aan lange kettingen en den slanken slinger met onderaan de breede, koperen schijf.
Ze luisterden samen naar zijn regelmatigen, langzamen slag.
—Is 't niet net de bevende stem van een lieve, oude vrouw?
—Es ist wie daheim.
—Toch geen heimwee?
—Een beetje!—bekende Käthe, aarzelend. "O, ze was niet ondankbaar voor al de goedheid van de gulle menschen bij wie ze was! Maar 't bleef nog wat vreemd. En dan.... haar lichaam werd door de goede kost wel gezonder en sterker, maar, niet waar, een bezeerde ziel geneest niet zoo gauw!"
"Hoe goed zegt ze 't! En in den mond van dit meisje was het geen frase. Ze gaf het als een simpel feit en bedoelde 't ook zoo!" dacht Liesbeth.
Toen sloeg de klok twaalf. En nauwelijks was de laatste slag verstild, of van 't gevelkamertje boven, door de balkenzoldering, kwamen de twaalf slagen van een tweede, donkerder gekleurde klokkestem.
Het meisje hoorde het en glimlachte. Zij zwegen beiden. Dan vertelde Liesbeth, hoe zij deze twee klokken in een winkeltje in Schönau kocht. Sinds jaren hadden ze er samen in het winkeltje gehangen. De ééne nam ze toen dadelijk mee naar hun huis in Freiburg; de andere zou haar worden nagestuurd. Er moest eerst iets aan 't binnenwerk gemaakt.
Op een dag komt eindelijk de tweede klok en wordt opgehangen, net als hier, een kamer hooger.
Juist slaat ze drie uur. En nauwelijks is de laatste slag gevallen, of van boven antwoordt de andere klokkestem, met drie plechtige slagen.
Het was alsof deze klok toen opeens een gezicht had, dat verrast luisterde naar de bekende stem van vroeger uit het winkeltje. Als het weerzien van twee gescheiden menschen was het.
—Houdt de gnädige Frau ook zooveel van dingen die een geschiedenis hebben? Hoort en ziet ze daar óók zooveel in? Thuis werd ze altijd om zulke gevoelens uitgelachen.
—Och, lachen om wat je niet begrijpt is gemakkelijk.... "Die oude kast?".... Een familiestuk. Was 't laatst van m'n moeder, 'k Heb altijd het gevoel alsof er wel iets van haar aanraking in moet zijn nagebleven. Na haar dood, ik was toen vijf jaar, gaf Jans, die pas was getrouwd en in die dagen veel bij ons aanliep, me eens uit een van de laden een grooten, rooden appel. Ze knielde bij me neer, draaide den appel om en om, boende hem met een tip van haar boezel tot hij glom. Dan kneep ze me in de wangen en zei: "Nou mot je zelf ook zukke mooie rooie koontjes op je bleeke snoetje zien te krijgen, kleuterke....! Eet je wel genog? Dàn pas weet je dat je genòg het gegeten, as je d'r van hikt of d'r ferm van boert!"
Toen, voor de eerste maal, hoorde Liesbeth van dit vroeg-droeve kind een heldren, jongen lach.
Wat had dit meisje niet al meegemaakt! Ze stond erbij toen de bronzen klokken uit de kerktorens van het stadje werden gehaald. Ze zei het nooit te kunnen vergeten. De schoolkinderen hadden dien dag vrij en zongen hun klokken een afscheidslied toe. Kinderen hadden guirlanden van madeliefjes gevlochten, waarmee ze de klokken versierden, toen ze op den wagen waren geladen, die hen zou wegrijden naar den smeltoven. Dominee had gesproken, als aan een graf.
Van den eersten dag toen de torenstemmen niet meer zongen, den morgen die dood geboren werd, vertelde zij. En van 't laatste, wreedste oorlogsjaar, toen de allerjongsten werden opgeroepen. Eén was er die z'n angst durfde uiten en gilde: "Ich will nicht sterben! Ich bin jùng. Ich will leben! Hilf, Vater! Hilf, Mutter!"
En vader zei: "Sei ein Mann!"
En moeder: "Sei ein Held!"
Maar er waren ook andere moeders, die gek werden van angst om d'r jongens. Eene had zes zoons verloren. Toen de zevende ging,—bijna een kind nog—weigerde ze hem af te staan. Met geweld moesten ze hem uit haar armen losscheuren.
Dien nacht sprong ze uit het raam van de bovenste verdieping....
En dan de stakkert, die waanzinnig werd, omdat haar zoon werd vermist; die iederen morgen, huis aan huis, aanbelde en vroeg: "Is m'n jongen hier soms? Heb je hem nergens gezien?" En weer een andere, die gek werd toen ze 't doodsbericht kreeg van haar laatsten zoon, een broodmes greep, de straat opholde en een agent, dien ze voor een generaal aanzag, te lijf wilde, gillend: "Kinderbeul, moordenaar....!"—
Wat een brok jeugd hadden die jaren, met dagelijksch meegemaakte verschrikkingen, aan dit kind ontstolen!
Alleen lezen, àl maar weer lezen in nieuwe boeken, had er haar doorheengeholpen; deed een oogenblik de ellende vergeten.
Toen bracht Liesbeth haar bij de boeken.
—Las ze alleen Duitsch? Zou ze niet graag ook de andere talen kennen? Zouden ze 't samen eens probeeren? Dan mocht ze iederen dag een uur komen. Met de Hollanders werd begonnen. Want die zijn niet alleen een volk van kaasverkoopers, maar ook van kunstenaars!" leerde zij.
Boven 't boekenrek hing het geschilderd portret van twee kleine kinderen: een broertje en zusje, dicht tegen elkaar aan. Het was door geen beroemd schilder gedaan; toch hing om die kinderen een atmosfeer van verlatenheid, die dadelijk trof: Twee moederloozen, die tegen elkaar aankruipen als vogeltjes in 't leege nest. Het meisje bekeek het aandachtig en zag dan naar Liesbeth.
—Dat bent u zeker? En leeft uw broer nog?
—Nee. Ook dood.—
Ze zei 't met een wonderlijk vlakke stem, in gekunstelde onverschilligheid, als sprak ze van een vreemde.
"Zoek nu maar rustig uit!" zei ze dan en trok het gordijn open, dat voor een muurkast vol boeken hing.
Het meisje was al een tijdlang verdiept in 't nazien van de boeken, toen ze werd overvallen door een onverklaarbare, stijgende onrust. Alsof er iets beangstigends gebeurde achter haar rug.
Ze keek om.
Voor 't raam zag ze Elizabeth staan. Ze stond er uit te staren, zoo lang, zoo stil..., in een zoo beklemmend zwijgen, dat het Käthe huiveren deed. 't Was of hier alleen nog haar zielloos lichaam was.
Dan, opeens, herkende ze in deze wezenloos-stille gestalte voor 't venster, een der vele vrouwegedaanten uit den oorlog. Zoo stond haar moeder...., wanneer ze wachtte op tijding van de jongens. Zoo spokig stond ook haar zuster, wanneer zij uitkeek naar den brief van haar man, die later kwam dan anders. Zoo stonden de meisjes en vrouwen allemaal, allemaal...., in de ondragelijke spanning van het passieve afwachten...., en staarden maar.... staarden maar uit..., door het raam.
En Käthe begreep: dit was het lidteeken, dat de angstdagen van den oorlog in Frau Elizabeth achterlieten. Ze wist het misschien zelf niet eens. Ze deed als een die slaapwandelt.
—Frau Gehrke!—zei ze voorzichtig en lei haar hand zacht op den arm der droomende. Mag ik dit boek van Clara Viebig meenemen?—
Het kostte Elizabeth zichtbaar moeite zich te bezinnen. Maar wonderlijk snel was de overgang van droom naar ontwaken.
Zoodra ze 't meisje zag, met het boek in de hand, was zij de werkelijkheid in en sprak een vast uur af voor Hollandsch lezen. "Morgen wordt ermee begonnen. En wacht, ik zal nog even wat zonnebloemen voor je afsnijden. Ook een paar voor Jans! Die wil je wel even aanreiken?"
Toen het meisje over het grasveld door den boomgaard wegging, zag Liesbeth haar na.
"Hoe anders ging ze heen dan ze was gekomen! Zou ze dit kind, dat zich aan den oorlog had gewond als zij, trachten te genezen? Nog éénmaal liefdevol tot een medemensch gaan, zonder angst zich te kneuzen?
O, dankbaarheid begeerde ze niet. Dáárom ging 't nooit. Als haar vertrouwen maar niet werd gekrenkt!
Als ze zich nu eens op niets dan teleurstelling voorbereidde.... misschien kwam 't dan dit keer juist andersom. Als Käthe's tijd bij den boer om was, zou ze haar bij zich nemen. Ze moest niet te gauw terug onder den druk van dat zieltogend land.
Zie..., nu staat ze stil.... Kan 't niet laten even in 't boek te gluren, het leesgretig kind!
En dáár is Juun! Hij stuift, verschrikt door 't onbeweeglijk-lezend figuurtje, blaffend op zij, besnuffelt Käthe, laat zich, gerustgesteld, door haar streelen en holt dan verder, op 't huis toe; de ooren flappend aan den kop. Midden in zijn vaart staat hij stil voor z'n drinkbak bij de regenton en slurpt het water met gulzige slokken. Dan komt hij binnen en als hij Elizabeth ziet, kijkt hij schichtig, kwispelt aarzelend, den kop omlaag, voorbereid op een bestraffing.
Zij doet haar best een streng gezicht te zetten, dwingt zich te doen alsof ze hem niet bemerkt. Daarmee straft ze hem het meest voor zijn lang wegblijven.
Hij valt neer voor de rustbank, legt den kop op de voorpooten, en kijkt telkens met verlegen knippende oogen naar haar op; snakkend naar een woord of gebaar van verzoening.
En Liesbeth houdt het niet langer uit bij 't kijken van die trouwhartige honden-oogen, die om liefde vragen. Ze bukt zich, neemt z'n donkeren kop tusschen beide handen:
"O Juun.... Juun..., wat kan er niet alles gebeuren terwijl jij weg bent!"
4.
Dien avond—daar 't in de herfstdagen, zoodra de zon onderging, al kil werd in huis—stak Elizabeth inplaats van de lamp, het petroleumkacheltje aan, waarin van onderen het vierkante venstertje rood gloeide.
Het deksel deed ze er niet op, liet het vanboven open: dan valt het schijnsel zóó dat aan de donkere muren, de kamerdingen als opdoemen uit de duisternis. Ze voelt hen aan als liefdevolle wezens om haar eenzaamheid gezet. En nooit spreken deze doode dingen zoo innig en vertrouwd, als wanneer de avond gaat komen.
Het is heel stil. Aan haar voeten ligt Juun, moe van de jacht. Ze hoort zijn slapend ademhalen en er is ook het spinnen van poes in de vensterbank, tusschen de bloempotten, waar ze het duisterend-buitene inkijkt. Ze doet als een weduwe op leeftijd, die goed in d'r duitjes zit, lekker gegeten en d'r middagdutje gedaan heeft en nu voor 't raam, in de schemering, naar de passage kijkt.
De oude klok tikt in de stilte. Ook om het huis hangt avondlijke rust.
"O de heerlijkheid van een uur als dit, met dingen die je lief zijn en die niet bezeeren....
De vrienden in de stad vonden haar wel te jong voor zulk een leven van afzondering, maar zij genoot ervan. Ook de winter had mooie dagen gebracht, toen bij strenge, plotseling ingevallen vorst, de regenstralen bevroren en als kristallen franje om den dakrand hingen. Later, toen de zon doorkwam, waren de ijspegels als flonkerende krissen....
In die winterdagen was 't den heelen dag vol vogels om het huis. Alle soorten hadden hun eigen etensuur. De brutale musschen waren er altijd 't eerst bij. De lijsters, vinken en roodborstjes kwamen later en in 't middaguur, een zwerm van bonte kraaien, in hun deftige zwarte frak met het onberispelijk strakke, grijs veeren vest. Een carré van vogels was het soms om het huisje geweest. Konijnen, muizen, een egel.... allen dreef de honger naar haar toe. Nee, zij voelde zich hier niet eenzaam; minder dan vroeger, alleen midden in de menschen. En af en toe spoorde ze naar de stad, en dook er onder in de beweging; bezocht schilderijententoonstellingen, tooneel, lezingen en concerten. Maar al gauw vluchtte ze terug.... om de menschen....
En dan was er de post, die de stemmen aandroeg van verre vrienden; de weinigen die na haar genadelooze schifting van betrouwbaar en onbetrouwbaar waren overgebleven. Eén schreef van "hertrouwen, opbouwen van een nieuw geluk...!" Nee, dat was voorbij. Het liefdegeluk had ze in volkomen schoonheid bezeten bij Heinz.... Zij behoorde nu eenmaal tot de vrouwen die eens liefhebben en dan niet meer...."
Peinzensstil, de handen roerloos in den schoot, dwaalde haar blik door de kamer, met de mooie dingen die ze er bijeen bracht en bleef rusten op een door het kachelschijnsel warm belichte reproductie van Fra Philippo Lippi's Madonna: Een droeve moedermaagd. Beschermend is haar arm om het schoudertje van 't heilige kind. Haar hand om zijn hoofdje gevouwen, staart zij visionair zijn toekomst in, van hoon en marteldood, waarvan haar liefde hem niet kan redden. En Liesbeth herinnerde zich hoe een vrouw, die veel leed had gekend, eens tot haar zei: "ik dacht te weten wat verdriet was. Ik wist het niet, eer ik de zielesmart zag van m'n kind en machteloos was het van haar af te nemen."
Zij zelf had lang betreurd geen kind van Heinz te bezitten. Maar dit was haar bespaard: het ongeluk van zijn kind aan te zien.... Toen dacht zij aan de moeder van Beppo en keek naar Pierrot. Het scheen haar een symbool, dat de kachellamp in haar schijnsel op de balkenzoldering en over den hoek van 't boekenrek, waar hij bleek te zwijgen zat, alleen zijn hoofd en de witte hand met de bloemen in zijn lichtcirkel ving en de figuur in 't duister liet.
Sinds 't gebeurde van dien morgen, zag ze hem nu anders dan vroeger; zag ze voor de eerste maal meer in hem dan een tot wezen geworden manestraal, voor wien in de werkelijkheid alle droom wordt onttooverd; meer dan "un pauvre petit gars qui aimait celle qui ne l'aimait pas", of dan een heilig-onnoozele, die liefdevol, argeloos als een kind tot de menschen gaat, beleedigd wordt in zijn teederst gebaren en zich dan afsluit voor iedereen. Meer..., dan wie uit hooghartig idealisme van de "mooie rol" dupe wordt en door de menschen om zijn onbegrepen "beau geste" belachen...., op zijn beurt alle menschen en ook zichzelf bespot, in een tot sarcasme verworden smart....
Meer...., meer zag haar dezen avond uit Pierrot's tragisch masker aan: Niet van één mensch de gebrokenheid, het fiasco, het verbrijzeld vertrouwen en het gewonde hart..., maar de smaad van een ontgoochelde menschheid, die eerst den schandelijken oorlog en nu het even schandelijk naspel beleefde.
Maar in dit uur was er in Elizabeth geen aanklacht tegen de menschen. Tegen niemand. Alleen een wijd meelij, met deemoed, in het besef hoe moeilijk het is in 't klein nooit een kwaad te bedrijven, dat in 't groot, verduizendvoudigd, oorlog maakt. En ieder mensch moest ten slotte beginnen met zichzelf te zuiveren.
Ze wist: tot de menschen teruggaan met het oude argelooze vertrouwen..., dit ging boven haar gebroken kracht. Maar toch kon ze van uit haar stille hoekje een lichtgevende zijn. Dàt dit kon...., dien morgen had het haar bewezen. Trachten zou ze, den tijd te helpen voorbereiden, waarin met edeler wapens werd gestreden.
En woorden zijn als zaad....
"Daar lag hij dood op de steenen van onzen hof. Hij had een bosje bloemen in de hand "und schaute gen Himmel auf."
Toen ze nu in de stilte Käthe's woorden in zich herhaalde, schenen ze haar van een bizondere bedoeling; doorschouwde ze 't geheim verband tusschen 't vinden van Pierrot in Venetië en de ontmoeting van dien morgen. Dit was meer dan toeval..., het was een wonder geweest.
En al zou ze misschien nooit weten wie de maker was van de geheimzinnige pop, ze wist nu waarvoor hij haar werd gegeven.
Als hìj.... had ze zich blindgestaard op de eigen, ééne smart en in dat staren aldoor in zichzelf neergezien... Maar de twee die moedig den eenzamen dood ingingen, zagen den hemel in.
Ook Heinz vonden ze met zijn doode oogen naar de sterren....
Toen stond Elizabeth op. Ze strekte haar arm naar Pierrot in zijn zwijgende vertwijfeling en haar handen vouwend over zijn radelooze oogen, sprak ze in fluistering:
"Ook voor ons ontgoochelden, die 't liefste verloren, komt van de sterren nog altijd het wonder..., het Wonder..., Pierrot!"