Een groot vriend van me—een vriend van tien jaar her—kwam mij eenigen tijd geleden opzoeken, en zeide mij dat hij geen enkel woord geloofde van wat tegen mij beweerd werd, en verzekerde mij nadrukkelijk dat hij mij voor volkomen onschuldig hield en voor het slachtoffer van een afgrijselijk complot. Zijn woorden deden mij in tranen uitbarsten. Ik vertelde hem, dat, al mocht onder de uitgebrachte beschuldigingen veel zijn, dat geheel onwaar was en mij aangewreven door weêrzinwekkende boosaardigheid, mijn leven toch vol pervers genot geweest was, en dat ik, indien hij dat niet als een feit aannam en het zich volkomen indacht, onmogelijk langer met hem bevriend kon zijn of nog ooit in zijn gezelschap verkeeren. Het was een vreeselijke slag voor hem, maar nog zijn wij vrienden, en ik bezit zijn vriendschap niet op grond van leugenachtige aanspraken. Zooals ik al zeî, het is pijnlijk de waarheid te zeggen. Maar gedwongen liegen is veel erger.
Toen ik bij de eindzitting van mijn proces op de zondaarsbank zat te luisteren naar Lockwoods vernietigende aanklacht tegen mij—het klonk als een stuk uit Tacitus of uit Dante, als een van Savonarola's boetpredikingen tegen de Roomsche pausen—, herinner ik mij hoe, midden in den walg van afgrijzen voor wat ik hoorde, plotseling de gedachte bij mij opkwam, hoe grootsch het zoû wezen, indien ik zelf daar stond en al deze dingen tegen mij inbracht. Ik zag toen op eenmaal in dat het waardeloos is, wat men van iemand zegt. De vraag is wie het zegt. Het allerhoogste levensoogenblik eens menschen, ik heb daaromtrent geen twijfel, is wanneer hij nederknielt in het stof en zich op de borst slaat en al de zonden van zijn leven uitspreekt.
Gevoelsaandoeningen, zooals ik ergens in Intentions zeg, zijn krachten beperkt in uitgestrektheid en in duur evenzeer als de krachten der physische energie. De kleine wijnbeker die gemaakt is om een zekere hoeveelheid in te houden, houdt zooveel in en niet meer, al staan al de purperen kuipen van Bourgondië boordevol wijn en zinken de treders tot hun knieën in de saamgelezen druiven van de steenige wijngaarden van Spanje. Geen dwaling is meer algemeen dan dat men denkt dat zij die de oorzaak of aanleiding xijn van des levens groote treurspelen, de gevoelens zouden deelen, die passen bij de tragische stemming; geen dwaling is noodlottiger dan het van hen te verwachten. De martelaar in zijn "mantel van vlammen" moge het aangezicht van God aanschouwen, maar voor hem die de takkebossen opstapelt of in de vlammende houtblokken rakelt, is het geheele tooneel niet meer dan het kelen van een os is voor den slager, of het vellen van een boom voor den kolenbrander in het bosch of het vallen van een bloem voor den man die het gras neêrmaait met de zeis. Groote hartstochten zijn voor de grooten van ziel, en groote gebeurtenissen kunnen alleen gezien worden door hen die op dezelfde hoogte staan als zij. Wij denken dat wij onze gevoelsaandoeningen voor niets krijgen. Dat is niet zoo. Zelfs de uitgelezenste en meest zelfopofferende aandoeningen moeten betaald worden. Vreemd genoeg, dit juist maakt haar uitgelezen. Het verstands-en gevoelsleven van de doorsneê-menschen is een zeer verachtelijk gedoe. Volmaakt als zij hun denkbeelden borgen uit een soort gedachten-leesgezelschap—den Zeitgeist van een eeuw zonder ziel—en hen aan het eind van iedere week beduimeld terugzenden, zoo beproeven zij altijd hun aandoeningen op crediet te krijgen of weigeren de rekening te betalen als die aangeboden wordt. Wij moeten die levensopvatting te boven komen; zoodra wij te betalen hebben voor een aandoening, leeren wij haar soortelijke waarde kennen en behalen winst met die kennis. Bedenk dat de sentimenteele altijd een cynicus is in zijn hart. In werkelijkheid is sentimentaliteit enkel cynisme op zijn uitgaansdag. En al is cynisme vermakelijk om zijn intellectueelen kant, nu het heerenmanieren heeft aangeleerd en in fatsoenlijk gezelschap komt, kan het toch nooit meer zijn dan de volmaakte philosophie voor een man zonder ziel. Het heeft zijn maatschappelijke waarde, en voor een kunstenaar zijn alle wijzen van uitdrukking belangwekkend. Maar op zichzelf is het een poovere zaak, want daar is niets wat zich ooit aan den waarachtigen cynicus openbaart.
Ik ken in de geheele dramatiek niets onvergelijkelijkers uit het oogpunt van kunst, niets suggestievers in zijn verfijndheid van waarneming, dan Shakespeare's karakter-teekening van Rosencrantz en Guildenstern. Zij zijn akademie-vrienden van Hamlet. Zij zijn zijne kameraden geweest. Zij brengen met zich herinneringen aan aangename dagen samen doorgebracht. Op het oogenblik dat zij hem ontmoeten in het spel, wankelt hij onder het gewicht van een last ondragelijk voor iemand van zijn gemoedsaard. De dooden zijn gewapend en wel uit het graf gekomen om hem een zending op te leggen, die tegelijk te groot en te min voor hem is. Hij is een droomer en hij wordt opgeroepen om te handelen. Hij heeft den aanleg van den dichter, en men vraagt hem het op te nemen met de alledaagsche verwikkeldheid van oorzaak en gevolg, met het leven in zijn praktische toepassing, waarvan hij niets afweet, en niet met het leven in zijn ideëele wezenheid, dat hem zoo welbekend is. Hij heeft geen flauw begrip van wat hij doen moet, en zijn krankzinnigheid is het veinzen van krankzinnigheid. Brutus gebruikte den waanzin als een mantel om het zwaard van zijn bedoelingen, den dolk van zijn streven te verbergen, maar bij Hamlet is de waanzin slechts een masker waarachter zich zwakheid verschuilt. In gril en kortswijl ziet hij een kans tot uitstel. Aldoor speelt hij met de daad zooals een kunstenaar zijn spel drijft met een levensbeschouwing. Hij wordt de bespieder zijner eigen handelingen, en terwijl hij luistert naar zijn eigen woorden, weet hij dat het slechts "woorden, woorden, en nog eens woorden" zijn. In steê te beproeven de held van zijn eigen geschiedenis te zijn, tracht hij de toeschouwer van zijn ondergang te wezen. Hij gelooft in niets, zichzelf meêgerekend, en toch baat zijn twijfel hem niet, daar deze niet voortkomt uit bewuste twijfelzucht, maar uit een verdeelden wil.
Van dit alles worden Guildenstern en Rosencrantz niets gewaar. Zij buigen en meesmuilen en glimlachen, en wat de een zegt, herhaalt de ander als een ziekelijke echo. Wanneer ten slotte, door middel van de marionettenvertooning van het tooneelspel in het tooneelspel, Hamlet 's konings "geweten betrapt", en den rampzaligen schelm in angst en beven van zijn troon jaagt, zien Guildenstern en Rosencrantz in zijn gedraging niet meer dan een vrij pijnlijke inbreuk op de hofetikette. Zoo ver kunnen zij het brengen in "het gadeslaan van des levens schouwspel met geëigende ontroeringen". Zij branden zich aan Hamlets geheim en weten er niets van. Ook zoû het niet baten hen in te lichten. Zij zijn de kleine bekers die een zekere hoeveelheid kunnen inhouden en niet meer. Tegen het eind van het stuk wordt er op gezinspeeld dat zij, gevangen in een listigen val die voor een ander gezet was, een gewelddadigen en plotselingen dood hebben gevonden of mogelijk zullen vinden. Maar zulk een tragisch uiteind, al kleurt Hamlets humor het eenigszins met de verrassende vergelding die op het tooneel mogelijk is, bestaat in de werkelijkheid niet voor persoonlijkheden als zij. Zij sterven nooit. Horatio, die, "om Hamlet en zijn zaak naar waarheid voor te dragen aan de onbevredigden",
een als Horatio sterft, al is het niet voor de oogen der toeschouwers, en laat geen broeder na. Maar Guildenstern en Rosencrantz zijn even onsterfelijk als Angelo en Tartuffe, en behooren met hen op hetzelfde plan gesteld te worden. Zij zijn de bijdrage van het moderne leven tot het antieke ideaal der vriendschap. Wie een nieuw "De Amicitia" schrijft, moet daarin een nis voor hen uitvinden en hen prijzen in Tusculaansch proza. Zij zijn typen voor altijd vastgesteld. Hun de les te willen lezen zoû "gebrek aan waardeeringsvermogen" bewijzen. Zij zijn enkel buiten hun sfeer, anders niet. Verhevenheid van ziel is niet aanstekelijk. Hooge gedachten en hooge aandoeningen zijn, door het feit zelf van haar bestaan, vereenzaamd.
Als alles goed gaat, reken ik vrij te komen tegen het eind van Mei en hoop dan dadelijk met Robbie en More naar een of ander buitenlandsch dorpje aan zee te gaan. De zee, zooals Euripides zegt in een van zijn Iphigeneia-drama's, wascht der wereld smetten en wonden weg.
Ik hoop minstens een maand met mijn vrienden samen te zijn om vrede en evenwicht, een minder bedrukt hart en een zachtere gestemdheid te winnen; en dan als ik mij sterk genoeg voel, zal ik door tusschenkomst van Robbie schikkingen nemen om te gaan wonen in een of andere rustige buitenlandsche stad, bijvoorbeeld Brugge, waarvan jaren geleden de grauwe huizen en groene grachten en koele stille wandelwegen mij bekoorden. Ik voel een ongewoon verlangen naar de groote eenvoudige dingen van den oertijd, zooals naar de zee die niet minder dan de aarde aandoet als een moeder. Het komt mij voor dat wij allen te veel naar de natuur kijken en te weinig met haar leven. In de houding der Grieken tot haar onderscheid ik iets zeer gezonds. Zij hadden nooit den mond vol van zonsondergangen, zij kenden geen lange besprekingen over de vraag of de schaduwen op het gras werkelijk paars zien of niet. Maar zij zagen dat de zee voor den zwemmer was, en het zand voor de voeten van den hardlooper. Zij hielden van de boomen om de schaduw die zij werpen, en van het woud om zijn stilte op den middag. De wijngaardenier omwond zijn haren met klimop om de stralen van de zon te weren als hij bukte over de jonge scheuten, en voor den kunstenaar en den athleet, de beide typen die Griekenland ons geschonken heeft, vlochten zij in kransen de bladeren van den bitteren laurier en van de wilde eppe, die anders den menschen tot geen dienst zouden geweest zijn.
Wij noemen onzen tijd den tijd der nuttigheid, en daar is niet éen enkel ding waarvan wij het nut kennen. Wij zijn vergeten dat het water kan reinigen, en het vuur zuiveren, en dat de aarde ons aller moeder is. Het gevolg is dat onze kunst, een kunst van maneschijn, speelt met schimmen, terwijl de Grieksche, de kunst van zonneschijn, de dingen rechtstreeks hanteert. Ik ben overtuigd dat in de krachten der elementen loutering te vinden is, en ik wil tot hen wederkeeren en leven in hun tegenwoordigheid.
Niet zonder reden of doel heb ik mij in mijn levenslangen dienst der letteren gemaakt
Ik mag niet bang zijn voor mijn verleden; als de menschen mij vertellen dat het onherroepelijk is, zal ik hen niet gelooven; verleden, heden, toekomst zijn éen oogenblik in de oogen van God, onder wiens oogen het ons trachten moet zijn te leven. Tijd en ruimte, opvolging en uitgestrektheid, zijn enkel toevallige staten der gedachte; de verbeelding laat hen achter zich en beweegt zich in een vrije sfeer van ideëele bestaanswijzen. De dingen zijn in hun wezenheid wat wij hen believen te maken; een ding bestaat naar de wijze waarop wij het bezien. "Waar anderen", zegt Blake, "enkel den dageraad zien komen van over den heuvel, zie ik de zonen Gods jubelen van vreugde." Wat der wereld en mijzelf mijn toekomst leek, verbruide ik toen ik mij door smading liet verlokken tot een proces tegen Queensberry; eigenlijk verbruide ik haar lang vóordien. Wat voor mij ligt, is mijn verleden. Ik moet dat leeren aanzien met andere oogen om te maken dat God het met andere oogen aanziet. Dit kan ik niet door het te negeeren of gering te schatten of te prijzen of te loochenen; het is enkel mogelijk door het aan te nemen als een onvermijdelijk deel van de ontwikkeling van mijn leven en aanleg: door mijn hoofd te buigen onder al wat ik geleden heb. Hoe ver ik verwijderd ben van den waarachtigen stand der ziel, komt duidelijk aan den dag uit dezen brief met zijn veranderlijke onzekere stemmingen, zijn haat en bitterheid, zijn bestrevingen en zijn tekortschieten in het verwezenlijken dier bestrevingen. Maar vergeet niet in welk een schrikkelijke school ik voor mijn taak zit, en bij mijn onvolledigheid en onvolmaaktheid kunnen mijn vrienden nog veel winnen. Zij kwamen tot mij om levensgenot en kunstgenot te leeren. Misschien ben ik uitverkoren om hun iets wonderbaarlijkers te onderwijzen, de beteekenis van smart en hare schoonheid.
Natuurlijk zal voor iemand zoo modern als ik, "enfant de mon siècle", alleen al de aanblik der wereld steeds een verrukking zijn. Ik beef van het blijde bedenken dat op den eigen dag waarop ik uit de gevangenis kom, zoowel de goudenregen als de seringen zullen bloeien in de tuinen, en dat ik zal zien hoe de wind het luchtige goud tot rustelooze schoonheid aanzet en het bleeke purper der trossen doet deinen, zoodat het mij wezen zal als ademde ik onder den hemel van Arabië. Linnaeus viel op zijn knieën en weende van vreugde toen hij voor het eerst zag de wijde heide van een of andere Engelsche hoogvlakte geel van de taankleurige reukige bloesems der gemeene brem; en ik weet dat mij, die geen verlangen kan denken zonder bloemen, tranen wachten ergens in de bladen eener roos. Zoo ben ik altijd geweest van jongen af. Daar is niet éen tint verscholen in den kelk van een bloem of in de ronding eener schelp, of, door een ragteeder medevoelen met de ziel zelf der dingen, doet zij mijn diepste wezen aan. Evenals Gautier ben ik altijd een geweest van hen "pour qui le monde visible existe".
Toch ben ik mij nu bewust dat achter al deze schoonheid, hoezeer zij mij voldoening geeft, een geest verscholen is, waarvan de kleurige vormen en gedaanten slechts wijzen van openbaring zijn, en met dezen geest begeer ik in harmonisch verband te komen. De zin-tastbare uitdrukkingen van menschen en dingen ben ik moede geworden. Het mystieke in de kunst, het mystieke in het leven, het mystieke in de natuur—dat is het waar ik naar speur. Het is een volstrekte behoefte voor mij het ergens te vinden.
Wie terecht stond, staat terecht voor zijn heele leven, evenals alle vonnissen doodvonnissen zijn. En ik heb driemaal terechtgestaan. Den eersten keer verliet ik de getuigenbank om gevangen gezet te worden, den tweeden keer om teruggebracht te worden naar het huis van bewaring, den derden keer om voor twee jaar naar de gevangenis te gaan. De maatschappij, zooals wij die eenmaal hebben ingericht, zal mij geen plaats willen geven en heeft die ook niet beschikbaar, maar de natuur wier zoete regen valt op onrechtvaardigen en rechtvaardigen zonder onderscheid, heeft kloven in de rotsen waar ik mij zal kunnen verschuilen, en heimelijke dalen waar ik ongestoord zal kunnen weenen. Zij zal den nacht behangen met sterren dat ik dolen kan in de duisternis zonder struikelen, en zal den wind zenden over mijn voetsporen dat niemand mij zal kunnen achtervolgen om mij kwaad te doen: zij zal mij reinigen in hare groote wateren en met hare bittere kruiden mij heelen.
BIJLAGEN
VIER BRIEVEN UIT DE GEVANGENIS TE READING AAN ROBERT ROSS
I
Mijn waarde Robbie,
Ik zag gaarne dat Gij dadelijk aan den advocaat den Heer—per brief liet weten dat, aangezien mijne vrouw beloofd heeft, bij geval van vroeger overlijden, mij een derde deel van haar vermogen na te laten, ik niet het minste bezwaar heb tegen haar wensch om mijn recht op het vruchtgebruik af te koopen. Ik gevoel dat ik zulk een leed over haar gebracht heb, en zulk een ongeluk over mijne kinderen, dat ik geen recht heb haar wenschen in eenig ding tegen te gaan. Zij was minzaam en goed jegens mij, toen zij mij hier bezocht. Ik vertrouw haar tenvolle. Wilt Gij hier dadelijk voor zorgen, en ook aan mijne vrienden mijn dank overbrengen voor hun goedheid? Voor mijn gevoel handel ik naar plicht, wanneer ik dit aan mijn vrouw overlaat.
Schrijf ook, als Gij wilt, aan Stuart Merrill te Parijs of aan Robert Sherard om hun te zeggen hoe gelukkig ik was met de vertooning van mijn stuk, en breng mijn dank over aan Lugne-Poë[1]. Het is een heel ding dat ik in een tijd van smaad en schande nog als kunstenaar beschouwd word. Ik zoû wel willen dat het mij meer vreugde gaf, maar ik schijn dood voor alle aandoening behalve die van hartzeer en wanhoop. Wees toch zoo goed aan Lugne-Poë te laten weten dat ik gevoelig ben voor de eer die hij mij heeft aangedaan. Hij is zelf dichter. Ik vrees dat het U moeilijk zal vallen dezen te lezen, maar daar men mij geen schrijfgereedschap veroorlooft, schijn ik het schrijven te hebben verleerd. In elk geval neem het niet kwalijk. Bedank More voor de moeite die hij genomen heeft met de boeken. Ongelukkig krijg ik hoofdpijn als ik mijn Grieksche en Romeinsche dichters lees. Ik heb er dus niet veel aan gehad. Maar het was buitengewoon vriendelijk van hem de boeken voor mij aan te schaffen. Vraag hem mijn dankbaarheid te uiten aan de dame die te Wimbledon woont. Wacht niet te lang met een antwoord, en vertel mij wat van de literatuur, van nieuwe boeken, enz.—ook van het stuk van Jones en van Forbes-Robertson als tooneeldirecteur—en van elke nieuwe strooming in het tooneelleven te Parijs of te Londen. Beproef ook onder oogen te krijgen wat Lemaître, Bauer en Sarcey gezegd hebben over Salomé, en geef er mij een kort overzicht van; schrijf aan Henri Bauer dat ik getroffen ben door zijn vriendelijk opstel; Robert Sherard kent hem persoonlijk. Het was lief van U mij op te zoeken. Gij moet den volgenden keer weêr komen. Ik heb hier de verschrikking om mij van den dood, waarbij de nog grooter verschrikking komt van te leven, en in stilzwijgen en ellende....[2]
...Ik denk altijd aan U met diepe genegenheid. Ik zag graag dat Ernest in Oakley Street mijn handkoffer haalde, mijn pels, mijn kleêren en de exemplaren van mijn eigen werken, die ik aan mijn lieve moeder schonk. Informeer bij Leverson, op wiens naam mijn moeders graf genomen werd.
Steeds Uw vriend,
Oscar Wilde.
Noten:
II
...De laatste punten die uitsluitend zaken betreffen, zal More Adey wel zoo vriendelijk zijn te beantwoorden. Men zal geen bezwaar maken dat ik zijn brief ontvang, als die enkel over zaken loopt. Zijn schrijven, bedoel ik, zal Uw letterkundigen brief niet in den weg staan, waarvan de directeur mij zooeven Uwe vriendelijke aankondiging heeft voorgelezen.
Over mijzelf, mijn waarde Robbie, heb ik weinig wat U aangenaam kan zijn, mede te deelen. De weigering om mijn straftijd te verkorten was mij als een loodzware sabelhouw. Een dof gevoel van smart versuft mij. Ik had geteerd op hoop, en nu teert het ziele wee na zijn lang vasten tot verzadiging toe op mij, alsof zijn eigen honger het had uitgemergeld. Toch zijn er vriendelijker elementen werkzaam in deze bedorven gevangenislucht dan vroeger: menigmaal is mij medegevoel betoond, en ik gevoel mij niet langer volslagen verstoken van menschelijke invloeden, wat voordien een bron van verschrikking en kwelling voor mij was. En ik lees Dante, en maak uittreksels en aanteekeningen om het loutere genot van met pen en inkt bezig te zijn. En het lijkt mij dat het mij in vele opzichten beter gaat, en ik ben van plan hier Duitsch te gaan studeeren. Inderdaad schijnt de gevangenis mij de aangewezen plaats voor zulk een studie. Toch heb ik een doorn in mijn vleesch—even pijnlijk, schoon van een andere soort, als die waarvan Paulus spreekt—een doorn dien ik nog in dezen brief moet uittrekken. Hij is het gevolg van een bericht dat Gij mij op een stuk papier geschreven hebt toegezonden. Ik gevoel dat, als ik hem verheimlijkte, hij in mijn geest groeien zoû (zoo als vergiftige dingen groeien in het donker) en met éen vermeerderen de andere schrikkelijke gedachten die aan mij knagen. Want voor hen die eenzaam en zwijgend in banden zitten, is de gedachte niet, zooals Platoon het voorstelt, een "gevleugeld levend wezen", maar een dood ding dat afgrijzen teelt, evenals een poel die gedrochten toont aan de maan.
Ik doel natuurlijk op Uwe woorden, dat de sympathie der anderen van mij vervreemdde of dreigde te vervreemden om de diepe verbittering mijner gevoelens, en ik geloof dat mijn brief werd uitgeleend en getoond aan derden.... Welnu, ik houd er niet van, dat mijn brieven te kijk gegeven worden als curiositeiten: dat is bijzonder grievend voor mij. Ik schrijf U open en eerlijk als aan een der bemindste vrienden die ik heb en ooit gehad heb, en, op een enkele uitzondering na, raakt de sympathie en vooral het verlies der sympathie van anderen mij zeer weinig. Geen man van mijn positie kan in levens slijk vallen zonder zich heel wat medelijden te berokkenen van zijn minderen; ook weet ik dat, wanneer een tooneelspel te lang duurt, de toeschouwers moede worden. Mijn tragedie heeft veel te lang geduurd, haar hoogtepunt is voorbij, de afloop is alledaagsch; en ik ben volkomen overtuigd dat, als het einde komt, ik wederkeeren zal als een onwelkom bezoeker voor een wereld die mij niet gebruiken kan, un revenant zooals de Franschen zeggen, een spook wiens gelaat vergrauwd is van lange gevangenschap en verwrongen van lijden. Schrikkelijk zijn de dooden wanneer zij rijzen uit hun graven, maar de levenden die uit hun graven komen, zijn nog schrikkelijker. Van dit alles ben ik mij maar al te zeer bewust. Wanneer iemand achttien vreeselijke maanden lang in een gevangeniscel geweest is, ziet hij de dingen en de menschen zooals zij werkelijk zijn. Dat gezicht verkeert iemand in steen.
Denk niet dat ik wien ook verwijt zoû willen maken van mijne ondeugden. Mijn vrienden hadden daarmeê even weinig te maken als ik met de hunne. De natuur was in dit opzicht ons aller stiefmoeder. Wat ik hun wel verwijt, is dat zij den mensch dien zij te gronde richtten, niet waardeerden. Wat kon het hun schelen zoolang mijn tafel rood was van wijn en rozen? Mijn genie, mijn leven als kunstenaar, mijn werk en de rust die ik daarvoor noodig had, golden hun niets. Ik geef toe dat ik mijn hoofd kwijt raakte. Ik was buiten zinnen, onmachtig tot oordeel. Ik deed den éenen noodlottigen stap. En nu zit ik hier op een houten bank in een gevangeniscel. In alle treurspelen is een belachelijk element. Gij kent het in het mijne. Denk niet dat ik mijzelf geen verwijt maak. Ik vervloek mijzelf dag en nacht om de dwaasheid dat ik iets buiten mij mijn leven liet beheerschen. Als er een echo was in deze muren, zoû zij voor eeuwig het woord "dwaas" herhalen. Ik schaam mij uitermate over mijn vriendschappen.... Want naar hun vrienden kan men de menschen beoordeelen. Het is de toets voor iedereen. En ik onderga als een grievende verlaging de schaamte over mijne vriendschappen waarvan gij een volledig verslag kunt lezen in mijn proces. Het is voor mij een dagelijksche bron van geestelijke vernedering. Aan sommige van haar denk ik nooit. Zij vallen mij niet lastig. Maar wat doet het er toe?.... Om de waarheid te zeggen, lijkt mijn geheele tragedie mij belachelijk en niets meer. Want doordat ik mij liet lokken in een val ... in den vuilsten modder van Malebolge, zit ik nu tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade. Er zijn plaatsen waar het niemand geoorloofd is te lachen behalve werkelijk krankzinnigen, en zelfs in hun geval is het nog een inbreuk op het voorgeschreven gedraganders geloof ik dat ik er om zou kunnen lachen.
.... Laat overigens niemand veronderstellen, dat ik anderen onwaardige beweegredenen toeschrijf. In waarheid waren zij in het leven beweegredenen rijk. Beweegredenen zijn intellectueele dingen. Zij hadden enkel hartstochten, en dergelijke hartstochten zijn valsche goden die slachtoffers eischen tot elken prijs, en in dit geval een slachtoffer hebben gehad, bekranst met laurier.
Nu heb ik den doorn uitgetrokken. Die weinige neêrgekrabbelde woorden van U woekerden vreeselijk. Nu denk ik enkel aan Uw ophanden herstel en hoe gij mij eindelijk het wonderbaarlijke verhaal van.... schrijven zult.
Breng mijne dankbare groeten over aan Uw lieve moeder en ook aan Aleck. De "Vergulde Sphinx"[3] is, denk ik, even bewonderenswaardig als ooit. En zend uit mijn naam al wat er goeds is in mijn gedachten en gevoelens en alle herdenken en vereering die zij wil aannemen, aan de dame te Wimbledon, wier ziel een heiligdom is voor de gewonden en een huis van toevlucht voor de lijdenden. Laat dezen brief niet zien aan anderen, en kom in Uw antwoord niet weêr terug op wat ik geschreven heb. Vertel mij van die wereld van schimmen, waar ik zooveel van gehouden heb. En ook van het leven en van de ziel. Ik ben benieuwd naar de angels die mij hebben, en in mijn smart is medelijden.
De Uwe,
Oscar.
Noten:
III
Mijn waarde Robbie,
Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven. Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt, moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden—niet noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch, en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven. In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen helpen.
Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer meisjes-typisten—op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen geheugen hebben voor wat belangrijk is—naar Hornton Street of Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen: "Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "Epistola in Carcere et Vinculis"....
Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan. Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan. Zij vinden hun uiting.
Steeds de Uwe,
Oscar.
IV
Overweeg thans, mijn waarde Robbie, mijn voorstel. Ik denk dat mijn vrouw die in geldzaken zeer eergevoelig en hooghartig is, de £75, gestort voor mijn aandeel, zal terugbetalen. Zij zal het ongetwijfeld doen. Maar ik vind dat het van mijne zijde behoort te worden aangeboden, en dat ik niets bij wijze van inkomen van haar mag aannemen. Ik kan aannemen wat in liefde en genegenheid voor mij gegeven wordt, maar ik zoû niet kunnen aannemen wat mij met tegenzin of met voorwaarden wordt uitgekeerd. Eer zoû ik mijn vrouw haar volkomen vrijheid geven. Zij kan dan hertrouwen. In elk geval vertrouw ik dat zij, als zij vrij was, mij vergunnen zoû van tijd tot tijd mijn kinderen te zien. Daar heb ik behoefte aan. Maar eerst moet ik haar haar vrijheid geven, en het is het beste, dit als een man van eer te doen door met gebogen hoofd in alles te berusten. Overweeg de zaak nog eens in haar geheel; want door U en Uw slecht overlegd optreden is de moeilijkheid ontstaan. En laat mij weten hoe Gij en anderen er over denkt. Natuurlijk hebt Gij uit bestwil gehandeld. Maar Uw kijk op de zaak was verkeerd. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik geleidelijk kom tot den geestesstand van te denken dat al wat gebeurt, om bestwil gebeurt. Mogelijk is het wijsgeerig inzicht of een gebroken hart of godsdienst of de stompe gevoelloosheid van de wanhoop. Maar, wat er de oorsprong van zij, dit gevoel is machtig in mij. Mijn vrouw aan mij te binden tegen haar wil zoû verkeerd zijn. Zij heeft volkomen recht op haar vrijheid. En dan zoû het mij een genoegen zijn, niet door haar ondersteund te worden. Door haar onderhouden te worden is vernederend. Bespreek deze zaak met More Adey. Verzoek hem U den brief te laten zien, dien ik hem geschreven heb. Vraag uw broeder Aleck mij zijn raad te willen geven. Hij heeft een uitnemend oordeel.
Maar nu wat anders. Ik heb nooit gelegenheid gevonden U te bedanken voor de boeken. Zij waren allerwelkomst. Dat men mij de tijdschriften niet toestond, was een slag voor mij, maar Meredith's roman was verrukkelijk. Welk een gezonde kunstenaarsnatuur! Hij heeft volkomen gelijk met zijn betoog dat het gezonde het meest wezenlijke bestanddeel in de romankunst is. Toch heeft tot op dezen dag alleen het abnormale uitdrukking gevonden in het leven en de litteratuur. Rossetti's brieven zijn afgrijselijk, in-'t-oog-loopend vervalscht door zijn broeder. Toch wekte het mijn belangstelling te zien hoe mijn oudooms Melmoth en mijn moeders Sidonia twee van de boeken waren, die zijn jeugd boeiden. Wat de samenzwering tegen hem betreft in later jaren, ik geloof dat die werkelijk bestond, en dat de fondsen verschaft werden door Hake's Bank.[4] Het gedrag van een merel in Cheyne Walk lijkt mij zeer verdacht, al zegt William Rossetti: "Ik kon niets buitengewoons in het zingen van den merel ontdekken." Stevensons brieven zijn ook een groote teleurstelling. Ik zie dat een romantische omgeving de slechtst mogelijke omgeving is voor een romantisch schrijver. In Gower Street had Stevenson een nieuwen Trois Mousquetaires kunnen schrijven. Op Samoa schreef hij brieven aan de Times over de Duitschers. Ik zie ook de sporen van een vreeselijke inspanning om een natuurlijk leven te leiden. Om hout te hakken tot eenig nut voor zichzelf of voordeel voor anderen, moet men niet instaat zijn te beschrijven hoe men het doet. Feitelijk is het natuurlijke leven het onbewuste leven. Stevenson verruimde enkel den kring van het kunstmatige leven door zich aan het delven te zetten. Uit het geheele onverkwikkelijke boek heb ik éen les gehaald. Als ik mijn toekomstig leven doorbreng met Baudelaire te lezen in een koffiehuis, zal ik een natuurlijker leven leiden dan wanneer ik heggen zoû gaan knippen of cacao planten in slijkpoelen. En Route wordt erg overschat.
Het is simpel journalisme. Het doet iemand nooit éen noot hooren van de muziek die het beschrijft. Het onderwerp is natuurlijk kostelijk, maar de stijl is waardeloos, slofferig, slap. Het is slechter Fransch dan dat van Ohnet. Ohnet wil afgezaagd zijn en het gelukt hem. Huysmans wil het niet zijn en is het toch. Hardy's roman is een aangenaam boek, en de stijl volmaakt, en die van Harold Frederic is zeer belangwekkend om zijn inhoud. Daar er zoo goed als geen romans in de gevangenisbibliotheek zijn voor de arme opgesloten kerels met wie ik leef, denk ik later eens de bibliotheek te beschenken met bijvoorbeeld een dozijn goede romans: die van Stevenson (geen aanwezig dan The Black Arrow), enkele van Thackeray (geen aanwezig), van Jane Austen (geen aanwezig), en enkele goede boeken in den trant van Dumas père, door Stanley Weyman bijvoorbeeld of eenig ander modern jong schrijver. Gij noemdet een protégé van Henley[5], nietwaar? Ook den beschermeling van Anthony Hope zouden wij kunnen nemen. Na Paschen zoudt Gij een lijst van zoowat veertien boeken kunnen opmaken en aanvragen ze mij te mogen zenden. Zij zouden goed bevallen aan de enkelen die niet geven om het Journal des Goncourt.[6] Denk er aan dat ik ze zelf wil betalen. Ik zelf vind het afschuwelijk om in de wereld terug te komen zonder een enkel boek in mijn bezit. Zouden er niet onder mijn vrienden zijn, als Cosmo Lennox, Reggie Turner, Gilbert Burgers, Max en anderen, die mij enkele boeken zouden willen geven? Gij weet wat soort boeken ik wensch: Flaubert, Stevenson, Baudelaire, Maeterlinck, Dumas père, Keats, Marlowe, Chatterton, Coleridge, Anatole France, Gautier, Dante en de geheele Dante-literatuur, Goethe en de Goethe-literatuur, enzoovoort. Ik zoû het als een bijzondere vriendelijkheid waardeeren als boeken mij wachtten, en daar zijn misschien wel onder mijn vrienden enkele die het op prijs stellen iets voor mij te doen. Ik ben werkelijk heel dankbaar, al vrees ik dat het dikwijls lijkt van niet. Maar bedenk dat ik naast het gevangenisleven nog onophoudelijke kwellingen heb gehad.
In antwoord op dezen moogt Gij mij een langen brief schrijven enkel over tooneelstukken en boeken. Uw schrift, in Uw laatsten, was zoo verfoeilijk slecht dat het leek of Gij een roman in drie deelen aan 't schrijven waart over de vreeswekkende uitbreiding der communistische denkbeelden onder den gegoeden stand, of U op eenige andere wijze bezig hieldt met het verkwisten van een jeugd die altijd rijk aan beloften is geweest en blijven zal. Als ik U grief door het aan zulk een oorzaak toe te schrijven, stel het op rekening van de overprikkeldheid eener lange gevangenis. Maar schrijf werkelijk duidelijk. Anders lijkt het alsof Gij iets te verbergen hadt.
Daar staat heel wat afschuwelijks in dezen brief, geloof ik. Maar ik moest mij over U beklagen bij Uzelf en niet bij anderen. Lees mijn brief aan More voor. Harris komt mij aanstaanden Zaterdag bezoeken, hoop ik. Groet Arthur Clifton van mij, en zijn vrouw die, vind ik, zoo zeer lijkt op Rossetti's vrouw—hetzelfde prachtige haar—maar natuurlijk een liever natuur is, hoewel Miss Siddal bekorend is en haar gedicht prima.
Steeds de Uwe,
Oscar.
Noten:
TWEE BRIEVEN, OVER HET LEVEN IN DE GEVANGENIS, AAN DE "DAILY CHRONICLE."
I
HET ONTSLAG VAN DEN GEVANGENBEWAARDER MARTIN
WelEdelgeboren Heer,
Met groot leedwezen lees ik in Uw blad dat de gevangenbewaarder Martin van de gevangenis te Reading ontslagen is door de Commissie van Toezicht omdat hij aan een klein kind dat honger had, enkele koekjes heeft gegeven. Op den Maandag voorafgaande aan mijn ontslag zag ik zelf de drie bedoelde kinderen. Zij waren juist gevonnist en stonden in de groote hal op een rij in hun gevangeniskleêren met hun beddelakens onder hun arm op het punt om weggebracht te worden naar de voor hen bestemde cellen. Op dat oogenblik kwam ik door een der zijgangen op weg naar de ontvangkamer om daar een onderhoud met een vriend te hebben. Het waren heel kleine kinderen, de jongste—aan wien de gevangenbewaarder de koekjes gafwas een tenger kereltje waarvoor men klaarblijkelijk geen kleêren had kunnen vinden klein genoeg om te passen. Ik had natuurlijk veel kinderen in de gevangenis gezien in de twee jaar dat ik zelf opgesloten was. Vooral de gevangenis te Wandsworth bevatte steeds een groot aantal kinderen. Maar het kind dat ik in den namiddag van Maandag 17 dezer te Reading zag, was kleiner en tengerder dan een van hen. Ik behoef U niet te zeggen hoezeer ontdaan ik was over het zien dezer kinderen daar; want ik wist welke behandeling hen wachtte. De wreedheid waarmede dag en nacht kinderen in Engelsche gevangenissen worden behandeld, is ongeloofelijk behalve voor hen die haar hebben bijgewoond en de onmenschelijkheid van het stelsel beseffen.
De menschen van tegenwoordig begrijpen niet wat wreedheid is. Zij beschouwen haar als een soort schrikkelijken middeleeuwschen hartstocht, en denken haar verbonden met mannen als Eccelino da Romano en zijnsgelijken, wien het doordacht pijnigen van anderen een feilen roes van genot gaf. Maar menschen van het allooi van Eccelino zijn enkel abnormale typen van een verdorven individualisme. De alledaagsche wreedheid is eenvoudig stompzinnigheid. Het is volslagen gebrek aan verbeelding. Zij is in onze dagen het gevolg van vastgelegde stelselen, van hartvochtig-onwrikbare regelen, en van stompzinnigheid. Overal waar centralisatie is, is stompzinnigheid. Het onmenschelijke in het moderne leven is de ambtelijkheid. Gezag is even afbrekend voor hen die het uitoefenen, als voor hen over wie het wordt uitgeoefend. Van het gevangenisbestuur en van het stelsel dat het toepast, gaat in de eerste plaats de wreedheid uit, waarmeê een kind in de gevangenis behandeld wordt. De menschen die het stelsel handhaven, hebben uitmuntende bedoelingen. Zij die het toepassen zijn eveneens menschlievend in bedoeling. De verantwoordelijkheid wordt geschoven op de verordeningen van tucht. Men gaat van de veronderstelling uit dat een ding dat eenmaal voorschrift is, daarom rechtvaardig is.
De huidige behandeling der kinderen is verschrikkelijk, voornamelijk van de zijde van menschen die de bijzondere zielkunde van de kindernatuur niet verstaan. Een kind kan een straf begrijpen, die hem opgelegd wordt door een persoon, bijvoorbeeld een ouder of voogd, en haar met een zekere berusting dragen. Wat het niet kan begrijpen, is een straf opgelegd door de maatschappij. Het kan niet beseffen wat de maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk juist andersom. Diegenen van ons, die in de gevangenis zijn of geweest zijn, kunnen begrijpen, en doen dat inderdaad, wat die collectieve macht die men maatschappij noemt, beduidt; en wat wij ook denken over haar wijze van doen en haar eischen, wij kunnen ons er toe brengen haar te aanvaarden. Straf, aan den anderen kant, die ons opgelegd wordt door een persoon, is iets dat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt te verdragen.
Dientengevolge wordt het kind dat van zijn ouders wordt weggenomen door menschen die het nooit gezien heeft en van wie het niets afweet, en dat te zitten komt in een eenzame onbekende cel, bewaakt door vreemde gezichten, onder voordurende bevelen en bestraffingen van de vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, een onmiddellijke prooi van de eerste en meest voor de hand liggende aandoening die het moderne gevangenisleven veroorzaakt: angst. De angst van een kind in de gevangenis is volkomen mateloos. Ik herinner mij hoe ik eens te Reading, op weg naar buiten ter dagelijksche oefening, in de schemerlichte cel vlak tegenover mijn eigene een kleinen jongen zag. Twee bewaarders—geen onwelwillende menschen—spraken met hem, klaarblijkelijk eenigszins streng, of misschien ook gaven zij hem een of andere nuttige vermaning omtrent zijn gedrag. De éene was bij hem in de cel, de ander stond buiten. Het gezicht van het kind was zoo wit als een doek van louter angst. In zijn oogen was de angst van een gejaagd dier. Den volgenden ochtend hoorde ik onder het morgeneten hem huilen en roepen om naar buiten gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde ik de zware stem van den bewaarder die dienst had, hem zeggen dat hij zich stil moest houden. Toch was hij zelfs nog niet gevonnist voor het kleine misdrijf, wat het ook geweest moge zijn, dat men hem ten laste had gelegd. Hij was eenvoudig in arrest. Dat wist ik, omdat hij zijn eigen kleêren droeg, die er vrij netjes uitzagen. Toch droeg hij gevangenissokken en -schoenen. Hieruit bleek dat hij een heel arme jongen was, wiens eigen schoenen, als hij er had, in slechten staat waren. Rechters en overheden, door de bank een volslagen onwetende classe, geven kinderen vaak een week arrest, en schelden hun dan mogelijk een of ander vonnis kwijt, dat zij recht hebben over hen te spreken. Zij noemen dat "een kind niet naar de gevangenis sturen". Het is natuurlijk een domme kijk op de zaak. De fijne onderscheiding in maatschappelijke positie, of hij in de gevangenis is in arrest of gevonnist, kan een klein kind niet vatten. Enkel daar te zijn is voor hem een afgrijselijk ding. Enkel dat hij daar is, behoort een afgrijselijk ding te zijn in de oogen der menschelijkheid.
Deze angst die het kind, evengoed als den volwassene, aangrijpt en beheerscht, wordt natuurlijk nog op onbeschrijfelijke wijze versterkt door het systeem der afzonderlijke cellen in onze gevangenissen. Een kind gedurende drie-en-twintig van de vier-en-twintig uren op te sluiten in een schemerlichte cel is een voorbeeld van de wreedheid der stompzinnigheid. Als een gewoon mensch, een ouder of een voogd, dit met een kind deed, zoû hij streng gestraft worden. Het Genootschap ter voorkoming van mishandeling van kinderen zoû de zaak terstond ter hand nemen. Van alle kanten zoû de grootste afschuw blijken voor iemand die zich aan zulk een wreedheid had schuldig gemaakt. Een zware straf zoû ongetwijfeld volgen op de gebleken schuld. Maar onze huidige maatschappij doet zelf erger, en voor een kind is het veel erger zoo behandeld te worden door een vreemde onpersoonlijke macht, van wier eischen het geen begrip heeft, dan het zoû wezen om dezelfde behandeling te ondergaan van zijn vader of moeder of iemand dien het kende. De onmenschelijke behandeling van een kind is altijd onmenschelijk, wie haar ook aandoet. Maar onmenschelijke behandeling door de maatschappij is voor een kind des te schrikkelijker omdat geen beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kunnen vermurwd worden om het kind uit de donkere eenzame kamer te laten, waarin het opgesloten zit. Maar een bewaarder kan dat niet. De meeste bewaarders houden veel van kinderen. Maar het stelsel verhindert hen het kind eenigen bijstand te geven. Als zij het zouden doen, getuige Martin, worden zij ontslagen.
Een tweede ding waarvan een kind in de gevangenis te lijden heeft, is honger. Het voedsel dat het krijgt, bestaat uit een stuk gemeenlijk slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water als ontbijt om half acht. Om twaalf uur krijgt het middageten in den vorm van een portie grove maïsbrij; en om half zes krijgt het een stuk droog brood met een kroes water voor avondeten. Deze dagkost is bij een krachtig man altijd aanleiding tot een of andere ongesteldheid, voornamelijk, als in de rede ligt, buikloop met zijn verzwakkende gevolgen. In een groote gevangenis worden dan ook door de bewaarders geregeld stopmiddelen uitgereikt als iets dat van zelf spreekt. Maar een kind is in den regel onbekwaam om het voedsel ook maar te eten. Elk die iets van kinderen afweet, weet hoe licht de spijsvertering van een kind gestoord wordt door een huilbui, door alle soort verdriet en geestelijk lijden. Een kind dat den geheelen dag en misschien den halven nacht in een eenzame schemerlichte cel heeft gehuild en vervolgd wordt door angst, kan zulk grof afschuwelijk voedsel eenvoudig niet eten. Zoo huilde het kleine kind waaraan de bewaarder Martin de koekjes gaf, op Dinsdagmorgen van honger, en was volkomen onmachtig het brood en water dat het voor ontbijt gekregen had, te nuttigen. Nadat het ontbijt was uitgereikt, ging Martin uit en kocht de enkele koekjes voor het kind liever dan het te zien honger lijden. Het was een edele daad van hem, en werd als zoodanig erkend door het kind, dat, volkomen onbekend met de voorschriften van het gevangenisbestuur, een der oudere bewaarders vertelde hoe lief deze jongere bewaarder voor hem geweest was. Het gevolg was natuurlijk een rapport en ontslag.
Ik ken Martin buitengewoon goed en stond onder zijn toezicht gedurende de laatste zeven weken van mijn gevangenschap. Bij zijn aanstelling te Reading kreeg hij het toezicht over de zijgang C waarin ik opgesloten zat, en dus zag ik hem voortdurend. Ik werd getroffen door de uitzonderlijke vriendelijkheid en goedhartigheid in zijn wijze van spreken tot mij en de overige gevangenen. Vriendelijke woorden beduiden veel in de gevangenis, en met een aangenaam "goedenmorgen" of "goedenavond" maakt men iemand zoo gelukkig als hij dat in de gevangenis wezen kan. Hij was altijd toeschietelijk en welwillend. Ik weet bij toeval van een ander geval af, waarin hij zich zeer vriendelijk betoonde tegenover een der gevangenen, en ik aarzel niet het te vermelden. Een der meest afgrijselijke dingen in de gevangenis is de slechte inrichting op sanitaire gebied. Geen gevangene mag, onder welke omstandigheden ook, zijn cel verlaten na half zes in den namiddag. Indien hij derhalve aan buikloop lijdt, moet hij zijn cel gebruiken als privaat en den nacht doorbrengen in de meest vunze en ongezonde atmosfeer. Enkele dagen vóor mijn ontslag deed Martin met een der oudere bewaarders de ronde met het doel om het uitgeplozen touw en de gereedschappen der gevangenen in te zamelen. Een man die pas gevangen zat, en tengevolge van het voedsel, zooals steeds het geval is, aan hevigen buikloop leed, vroeg den ouderen bewaarder vergunning zijn vuilnisvat te mogen leêgmaken wegens den afgrijselijken stank der cel en de mogelijkheid van een nieuwen aanval in den nacht. De oudere bewaarder weigerde onverbiddelijk; het was tegen de voorschriften. De man zoû den nacht hebben moeten doorbrengen in dezen vreeselijken toestand. Martin echter kon dezen ongelukkige niet in zulk een walgelijken staat zien en zeide dat hij zelf het voor hem zoû doen en deed naar zijn woorden. Dat een bewaarder het vuilnisvat van een gevangene leêgmaakt, is natuurlijk in strijd met de voorschriften, maar Martin bewees deze daad van welwillendheid aan den man uit eenvoudige natuurlijke goedhartigheid, en de man, als van zelf spreekt, was hem er zeer dankbaar voor.
Met betrekking tot kinderen is er in den laatsten tijd heel wat gepraat en geschreven over den bezoedelenden invloed van de gevangenis op jonge kinderen. Wat men beweert, is volkomen waar. Een kind wordt op de ergste wijze bezoedeld door het leven in de gevangenis. Maar de bezoedelende invloed gaat niet uit van de gevangenen. Hij gaat uit van het gevangenisstelsel in zijn geheel: den directeur, den geestelijke, de bewaarders, de eenzame cel, de afzondering, het weêrzinwekkend voedsel, de voorschriften van de commissie van toezicht, de tuchtmatigheid, zooals men den term ijkt, van het leven. Geen voorzorg laat men achterwege om een kind af te zonderen zelfs van het gezicht van alle gevangenen boven de zestien. De kinderen zitten achter een gordijn in de kerk, en worden ter openluchtoefening gestuurd naar nauwe zonlooze binnenplaatsen—soms naar een steenen binnenplaats, soms naar een binnenplaats achter de molens—om te beletten dat zij de andere gevangenen in oefening zouden zien. Maar de eenige werkelijk vermenschelijkende invloed in de gevangenis is die der gevangenen. Hun blijmoedigheid in vreeselijke omstandigheden, hun onderling medegevoel, hun deemoed, hun zachtzinnigheid, de gulle glimlach waarmede zij elkaêr begroeten, hun volkomen berusting in hun straf zijn zonder uitzondering bewonderenswaardig, en ik zelf heb menige deugdelijke les van hen geleerd. Ik bedoel niet voor te stellen dat de kinderen niet achter een gordijn moeten zitten in de kerk, of dat zij lichaamsbeweging behooren te nemen in een hoek van de gemeene binnenplaats. Ik wil er enkel op wijzen dat de slechte invloed op kinderen niet is en nimmer zoû kunnen wezen die der gevangenen, maar is en altijd blijven zal die van het gevangenisstelsel zelf. Daar is geen enkel man in de gevangenis te Reading, die niet met vreugde den straftijd der drie kinderen voor hen zoû hebben uitgezeten. Den laatsten keer dat ik hen zag, was op Dinsdag na hun opneming. Ik was met misschien een dozijn anderen met de openluchtoefening bezig om half twaalf, toen de drie kinderen onder toezicht van een bewaarder vlak langs ons kwamen van de vochtige sombere steenen binnenplaats waar zij oefening hadden gehad. Ik zag het groote medelijden en medegevoel in de oogen mijner gezellen terwijl ze naar de kinderen keken. Gevangenen zijn als stand uiterst vriendelijk en medegevoelig voor elkander. Lijden en de gemeenschappelijkheid van lijden maakt de menschen vriendelijkgezind, en dag aan dag placht ik, terwijl ik de binnenplaats op en neêr stapte, met vreugde en vertroosting te gevoelen wat Carlyle ergens noemt "de stilzwijgende rhythmische bekoring van menschelijke kameraadschap". In dit punt zoo goed als in alle andere zijn philanthropen en menschen van dat slag in den dool. Niet de gevangenen hebben verbetering noodig, maar de gevangenissen.
Natuurlijk behoort geen kind onder de veertien ook maar thuis in de gevangenis. Een kind daarheen sturen is een ongerijmdheid en, evenals zoovele ongerijmdheden, volstrekt rampzalig in zijn gevolgen. Als zij toch naar de gevangenis moeten, behoorden zij overdag in een werkplaats of in een schoollokaal met een bewaarder. 's Nachts behoorden zij te slapen in een slaapzaal met een nachtbewaarder om op hen te passen. Lichaamsbeweging behooren zij minstens drie uur per dag te krijgen. De donkere, slecht geluchte, kwalijk riekende gevangeniscellen zijn verschrikkelijk voor een kind, eigenlijk voor iedereen. Men ademt altijd bedorven lucht in de gevangenis. Het voedsel voor kinderen moest bestaan in thee met boterhammen en soep. De gevangenissoep is zeer smakelijk en gezond. Een besluit van het Lagerhuis kon de behandeling der kinderen in een half uur regelen. Ik hoop dat U Uw invloed daartoe zult aanwenden. De huidige behandeling van kinderen is werkelijk een schimp voor menschelijkheid en gezond verstand. Zij komt voort uit stompzinnigheid.
Laat mij nu nog Uw aandacht mogen vestigen op een ander vreeselijk ding dat voorkomt in Engelsche gevangenissen of liever in de gevangenissen over de geheele wereld, waar het stelsel van stilzwijgendheid en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik bedoel het groot aantal menschen die krankzinnig of zwakhoofdig worden in de gevangenis. In strafgevangenissen is dit natuurlijk heel gewoon, maar in gewone gevangenissen, als waarin ik opgesloten zat, komt het eveneens voor.
Ongeveer drie maanden geleden merkte ik onder de gevangenen die met mij lichaamsbeweging namen, een jongman op, die mij onnoozel of onwijs leek. Elke gevangenis natuurlijk heeft haar halfwijze patiënten, die telkens terugkomen en van wie men zeggen kan dat zij in de gevangenis wonen. Maar het trof mij dat deze jonge man erger onwijs leek dan gewoonlijk het geval is, als bleek uit zijn onnoozele grijns en zijn idiote manier van in zichzelf te lachen en de in 't oog vallende rusteloosheid van zijn eeuwig knijpwringende handen. Al de andere gevangenen merkten de vreemdheid van zijn gedrag op. Van tijd tot tijd verscheen hij niet op de oefening, waaruit ik begreep dat hij straf had en in zijn cel moest blijven. Ten slotte merkte ik dat hij onder voortdurend toezicht stond, en dag en nacht door bewaarders werd bewaakt. Als hij wel op de oefening verscheen, leek hij steeds een zenuwaanval te hebben, en liep geregeld te huilen en te lachen. In de kerk moest hij zitten onder onmiddellijk toezicht van twee bewaarders, die hem den geheelen tijd nauwlettend in 't oog hielden. Soms liet hij telkens het hoofd zakken in zijn open handen, een overtreding van de voorschriften in de kerk, en telkens werd zijn hoofd oogenblikkelijk omhoog geduwd door een der bewaarders, zoodat hij gedwongen werd zijn oogen onafgebroken gericht te houden op de avondmaalstafel. Een anderen keer zat hij te huilen—zonder de minste stoornis te veroorzaken—met de tranen stroomend langs zijn gezicht en een zenuwachtig snikken in zijn keel. Dan weêr grijnsde hij voor zichzelf als een idioot en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kerk uitgestuurd naar zijn cel, en natuurlijk kreeg hij voortdurend straf. Daar de bank waar ik gewoonlijk zat in de kerk, vlak achter de bank was, aan het eind waarvan deze ongelukkige zijn plaats had, had ik ruim gelegenheid hem gade te slaan. Ik zag hem vanzelf ook aanhoudend bij de oefening, en ik zag dat hij bezig was krankzinnig te worden, terwijl men hem behandelde alsof hij zich aanstelde.
Zaterdag vóor een week was ik omtrent éen uur in mijn cel bezig het tingerei dat ik voor mijn middageten gebruikt had, te reinigen en te poetsen. Plotseling werd ik opgeschrikt doordat de stilte van de gevangenis verbroken werd door het meest afgrijselijke en weêrzinwekkende gegil, of liever gehuil; want eerst dacht ik dat men bezig was een of ander dier, een stier of een koe, op onbedreven wijze te slachten buiten de gevangenismuren. Weldra echter bleek het mij dat het gehuil beneden uit de gevangenis kwam, en ik begreep dat men bezig was een of anderen ongelukkige af te ranselen. Ik behoef niet te zeggen hoe gruwelijk en schrikkelijk het mij aandeed, tot ik mij begon af te vragen wie het kon zijn, dien men op zoo weêrzinwekkende wijze afstrafte. Plotseling ging mij een licht op, dat zij waarschijnlijk dezen ongelukkigen waanzinnige aan 't ranselen waren. Mijn gevoelens dienomtrent behoef ik niet te boeken; zij hebben niets te maken met de zaak.
Den volgenden dag, Zondag den 16den, zag ik den armen vent bij de oefening; zijn ziekelijk, leelijk ellende-gezicht was bijna niet te herkennen, opgezwollen als het was van tranen en zenuwlijden. Hij liep in den binnensten kring met de oude mannen, de bedelaars en de kreupelen, zoodat ik hem den geheelen tijd kon waarnemen. Het was mijn laatste Zondag in de gevangenis, volmaakt heerlijk weder, het mooiste weêr van het gansche jaar, en daar in het schoone zonnelicht liep dit arme schepsel, eenmaal gemaakt naar het beeld van God, te grijnzen als een aap en met zijn handen de meest fantastische gebaren te maken alsof hij in de lucht een onzichtbaar snareninstrument bespeelde of bezig was fiches te schikken en uit te deelen in een of ander zeldzaam spel. Onderhand liepen in gore stralen de zenuwlijderstranen waarzonder niemand van ons hem ooit zag, voortdurend over zijn wit gezwollen gezicht. De afzichtelijke en bedachtzame manierlijkheid van zijn gebaren maakte hem gelijk aan een hansworst. Hij was een levend grotesk. Al de andere gevangenen keken naar hem, en niet éen van hen glimlachte. Ieder begreep wat hem overkomen was, en dat men bezig was hem krankzinnig te maken,—dat hij reeds krankzinnig was. Na een half uur werd hij door den bewaarder naar binnen geleid en denkelijk gestraft. Hij was tenminste Maandag niet op de oefening, hoewel ik meen hem even gezien te hebben in den hoek van de steenen binnenplaats onder toezicht van een bewaarder.
Dinsdag daarop, mijn laatsten dag in de gevangenis, zag ik hem bij de oefening. Hij was nog erger dan den vorigen keer, en werd weêr naar binnen gestuurd. Sindsdien weet ik niets van hem, maar van een der gevangenen, die op de oefening vlak bij mij liep, kwam ik te weten dat hij Zaterdagmiddag in het kookhuis vier-en-twintig slagen gekregen had op bevel van de rechters op bezoek en na rapport van den dokter. Het gehuil dat ons allen verschrikt had, was van hem geweest. Deze man is ongetwijfeld op weg krankzinnig te worden. De gevangenisdokters hebben geen verstand van eenige ziekte van den geest. Zij zijn in hun soort onwetende lieden. De pathologie van den geest is hun onbekend. Als iemand krankzinnig wordt, behandelen zij hem alsof hij zich aanstelde. Zij laten hem telkens weêr straffen. Natuurlijk wordt de man hoe langer hoe erger. Wanneer de gewone straffen zijn uitgeput, brengt de dokter rapport uit van het geval aan de rechters. Het gevolg is afranselen. Natuurlijk doet men dat niet met een karwats. Het is wat men "berken" noemt. Het werktuig is een berkeroede. Maar de uitwerking op den rampzaligen halfwijze kan men zich verbeelden.
Zijn nummer is, of was in elk geval, A.2.11. Het gelukte mij ook zijn naam uit te vinden. Hij heet Prince. Daar moet terstond iets voor hem gedaan worden. Hij is soldaat en veroordeeld door den krijgsraad. Zijn straftijd is zes maanden. Hij heeft nog drie maanden voor den boeg.
Mag ik U verzoeken Uw invloed te gebruiken om dit geval te doen onderzoeken en maatregelen te doen nemen dat de waanzinnige gevangene behoorlijk behandeld wordt?
Een rapport van de Medische Commissie baat niets. Men kan het niet vertrouwen. De mannen van het medisch toezicht schijnen het verschil niet te begrijpen tusschen idiootheid en waanzin, tusschen de volkomen afwezigheid van een functie of een orgaan en de ziekte van een functie of een orgaan. Deze man A.2.11 zal ongetwijfeld instaat zijn zijn naam op te geven, den aard van zijn misdrijf, den dag der maand, den datum van aanvang en einde van zijn straftijd, en zal antwoord kunnen geven op iedere gewone eenvoudige vraag. Maar dat zijn geest ziek is, lijdt geen twijfel. Op het oogenblik is een vreeselijk duel aan den gang tusschen hem en den dokter. De dokter vecht voor een theorie. De man vecht voor zijn leven. Ik zoû graag zien dat de man het won. Maar laat het geheele geval onderzocht worden door zaakkundigen die van hersenziekten verstand hebben, en door menschen van menschlievende gevoelens, die nog wat gezond verstand en wat medelijden hebben. Er bestaat geen reden de tusschenkomst in te roepen van de sentimenteelen. Zij schaden altijd.
Het geval is een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die onafscheidelijk is van een stompzinnig stelsel; want de tegenwoordige directeur van Reading is een man van een zachtaardig en menschlievend karakter, en die bij al de gevangenen grootelijks bemind en geacht is. Hij werd verleden Juli aangesteld, en hoewel hij de voorschriften van het gevangenisstelsel niet kan wijzigen, heeft hij den geest gewijzigd, waarin zij onder zijn voorganger werden toegepast. Hij is zeer geliefd onder de gevangenen en onder de bewaarders. Hij heeft inderdaad den geheelen toon van het gevangenisleven veranderd. Aan den anderen kant ligt het systeem natuurlijk buiten zijn bereik, wat aangaat het wijzigen der voorschriften. Ik twijfel niet of hij moet dagelijks veel zien wat hij voor onrechtvaardig, stompzinnig en wreed houdt. Maar zijn handen zijn gebonden. Vanzelf weet ik niets af van zijn eigenlijken kijk op het geval van A.2.11, evenmin als van zijn opvattingen over ons tegenwoordig stelsel. Ik beoordeel hem enkel naar de volslagen verandering die hij te weeg bracht in de gevangenis te Reading. Onder zijn voorganger werd het stelsel toegepast met de grootste hardvochtigheid en stompzinnigheid.
Uw dienstwillige,
OSCAR WILDE.
27 Mei 1897.