WeRead Powered by ReaderPub
De reis om de wereld in tachtig dagen cover

De reis om de wereld in tachtig dagen

Chapter 13: Elfde Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The story follows a methodical gentleman who wagers he can circumnavigate the globe within eighty days; he departs with a newly hired valet and encounters delays, accidents, and a variety of cultural encounters while traveling by trains, steamers, and other means. A persistent detective, convinced the traveler is linked to a crime, pursues the party, and along the way the traveler rescues and accompanies a young woman. The narrative combines brisk travel adventure and comic character contrasts with practical problem-solving, reflections on technology and punctuality, and a mounting tension as the journey becomes a race against time that resolves in an unexpected way.

Tiende Hoofdstuk.

Waarin Passepartout maar al te blij is dat hij met het verlies zijner schoenen er af komt.

Iedereen weet dat Indië, deze groote omgekeerde driehoek, wiens basis in het noorden en toppunt in het zuiden gelegen is, een oppervlakte heeft van veertien honderd duizend vierkante mijlen, en een zeer ongelijk verspreide bevolking telt van honderd tachtig millioen inwoners. Het britsche Gouvernement oefent onbepaald gezag uit over een zeker gedeelte van dit onmetelijke land, en heeft te Calcutta een gouverneur-generaal, als ook gouverneurs te Madras, Bombay en Bengalen en een luitenant-gouverneur te Agra.

Wierp hij twee tegenstanders op den grond.... Blz. 50.

Maar eigenlijk Engelsch-Indië heeft niet meer dan een oppervlakte van zeven honderd duizend vierkante mijlen, met een bevolking van honderd a honderd tien millioen inwoners. Daaruit blijkt Bladzijde 45genoegzaam, dat de koningin over een aanzienlijk deel van dit grondgebied niet regeert, en inderdaad, de woeste en geduchte hindoesche rajahs in het binnenland zijn nog geheel onafhankelijk. Bladzijde 46

Sedert 1576—toen de eerste engelsche kolonie gesticht werd op de plek waar het tegenwoordige Madras ligt—tot het jaar, waarin onder de Cipayers een groote opstand plaats had, was de beroemde Indische Compagnie alvermogend. Zij annexeerde langzamerhand de verschillende provinciën, die zij van de rajahs kocht tegen renten, welke zij niet of bijna niet betaalde; zij stelde haren gouverneur-generaal en alle verdere ambtenaren in burgerlijke of militaire betrekkingen aan; maar nu is zij te niet gegaan, en de engelsche bezittingen in Indië behooren rechtstreeks aan de kroon.

Het karakter des lands, de zeden, de ethnographische indeeling van dit uitgestrekte schiereiland wijzigen zich elken dag. Voorheen reisde men er met verschillende ouderwetsche vervoermiddelen, te paard, te voet, met karren, kruiwagens, draagstoelen, op den rug van bedienden, in koetsen enz. Thans zijn het stoombooten, die met groote snelheid den Indus en den Ganges bevaren, terwijl een spoorweg Indië in zijne geheele breedte doorsnijdt en zich in verschillende takken splitst, zoodat Bombay en Calcutta slechts drie dagen van elkaar verwijderd zijn.

De spoorweg doorsnijdt Indië niet in eene rechte lijn; de afstand hemelsbreed is niet meer dan duizend of elf honderd mijlen en de treinen, die slechts met een matige snelheid rijden, zouden geen drie dagen noodig hebben om het van het eene einde naar het andere einde over te steken; maar deze afstand wordt wel een derde grooter door de bocht over Allahabad, dat in het noorden van het schiereiland is gelegen.

Ziehier in het kort de richting van den Great Indian Peninsular Railway. Wanneer hij het eiland Bombay verlaat, passeert hij Salsette, komt op het vasteland juist tegenover Tannah, doorsnijdt het oostelijk gedeelte van de bergketen Ghâtes, strekt zich vervolgens naar het noorden uit tot aan Burhampore, slingert zich door het nagenoeg onafhankelijke landschap van Bundelkund, buigt zich tot Allahabad en dan naar het oosten, ontmoet daar den Ganges bij Benares, verwijdert er zich een weinig van, om vervolgens weder door het zuid-oosten over Burdivan en de fransche stad Chandernagor te Calcutta te eindigen.

Het was 's namiddags half vijf toen de Mongolia te Bombay aankwam, en de trein naar Calcutta vertrok precies om acht uur.

Mijnheer Fogg nam dus van zijne medespelers afscheid, verliet de mailboot, gaf aan zijn bediende eenige inlichtingen omtrent boodschappen, die deze te doen had, en beval hem zeer uitdrukkelijk aan om vooral vóór acht uur aan het station te wezen; en met zijn gelijkmatigen tred, den slinger van een klok gelijk, begaf hij zich naar het bureel voor de paspoorten.

Te Bombay dacht hij er evenmin aan om iets te gaan zien Bladzijde 47van de wonderen, noch het stadhuis, noch de prachtige bibliotheek, noch de vesting, noch de dokken, noch de katoenmarkt, noch de winkels, noch de moskeeën, noch de synagogen, noch de armenische kerken, noch den prachtigen afgodstempel van Malabar-hill, versierd met zijne twee veelhoekige torens. Hij bezichtigde ook niet de meesterstukken van ivoor, noch die geheimzinnige onderaardsche begraafplaatsen, welke aan de zuid-oostzijde der reede verborgen zijn, noch de kanherische grotten op het eiland Salsette, bewonderenswaardige overblijfselen der boeddhistische bouwkunde. Niets van dat alles. Toen hij van het bureel der paspoorten terugkwam, begaf Phileas Fogg zich bedaard naar het station en ging daar dineeren. Onder de verschillende gerechten prees de kastelein hem zeer aan een ragout van inheemsche konijnen, die uitstekend moest wezen.

Phileas Fogg bestelde zulk een konijnenragout, proefde dien zeer nauwkeurig, maar ondanks zijne gekruide saus, vond hij hem afschuwelijk.

Hij liet den logementhouder komen.

“Mijnheer,” zeide hij, hem strak aanziende, “is dat konijn?”

“Ja, mylord,” antwoordde deze zonder blikken of blozen.

“En het heeft niet gemauwd, toen men het doodde?”

“Gemauwd! Maar! mylord! een konijn! Ik bezweer u....”

“Mijnheer de logementhouder,” hernam Phileas Fogg koel, “zweer niet, maar herinner u slechts dit: vroeger werden de katten in Indië als heilige dieren beschouwd. Dat was een goede tijd.”

“Voor de katten, mylord?”

“En ook voor de reizigers.”

Toen Fogg deze opmerking gemaakt had, vervolgde hij rustig zijn diner.

Eenige oogenblikken na den heer Fogg, kwam ook de inspecteur Fix, die eveneens de Mongolia verlaten had, bij den directeur van politie te Bombay. Hij maakte zich als detective bekend, alsmede de zending waarmede hij belast was, en zijn toestand tegenover den vermoedelijken dief. Toen vroeg hij of men een bevel tot inhechtenisneming ontvangen had?

Men had niets ontvangen. Ook kon dat bevel nog niet zijn aangekomen, daar het eerst na Fogg moest zijn afgezonden.

Fix was zeer teleurgesteld. Hij vorderde van den directeur een bevel tot inhechtenisneming van den heer Fogg. De directeur weigerde. De zaak betrof de politie in de hoofdstad en deze alleen kon dus ook het bevel uitvaardigen. Deze vastheid van beginselen, deze strenge inachtneming der wet is zeer verklaarbaar door de engelsche zeden, die, in zake van persoonlijke vrijheid, volstrekt geen willekeur toelaten.

Fix drong er ook niet meer op aan, en begreep dat hij het bevel Bladzijde 48tot inhechtenisneming moest afwachten. Maar hij besloot toch zijn geheimzinnigen schurk niet uit het oog te verliezen, zoolang deze te Bombay vertoefde. Hij twijfelde er niet aan of Phileas Fogg zou eenige dagen te Bombay blijven,—men weet, dit was ook Passepartout's overtuiging—zoodat het bevel van inhechtenisneming nog altijd vroeg genoeg zou aankomen.

Maar na de laatste bevelen, die zijn meester hem gegeven had, toen hij de Mongolia verliet, begreep Passepartout wel, dat het te Bombay evenzoo zou gaan als te Suez en te Parijs: dat de reis hier niet zou eindigen en zij ten minste nog tot Calcutta zou worden voortgezet en misschien nog wel verder. Hij begon zich dan ook af te vragen of die weddenschap niet ernstig was gemeend en of het noodlot hem niet medesleepte—hem die zoo rustig hoopte te leven—om een reis om de wereld te maken in tachtig dagen.

In afwachting wandelde hij na eenige hemden en sokken gekocht te hebben, de straten van Bombay eens door. Er heerschte groote drukte, en te midden van Europeanen van elken landaard, zag hij Perzen met puntige mutsen, Bunhyas met ronde tulbanden, Armeniërs met lange kleederen, Parsis met zwarte bisschopsmutsen enz. Het was juist het feest, gevierd door de Parsis of Goeboes die rechtstreeks afstamden van de volgelingen van Zoroaster, welke de meest nijvere, beschaafde, ontwikkelde en aan hun landaard getrouwe Hindoes zijn en tot welk ras de rijkste kooplieden onder de inboorlingen van Bombay behoorden. Dien dag vierden zij een soort van godsdienstig carnaval met optochten en allerlei vermakelijkheden, waarbij ook bayadères tegenwoordig waren in rooskleurige tulle gekleed, behangen met goud en zilver, en die op de tonen der viool en van den tam-tam bewonderenswaardig dansten, ofschoon zij geen oogenblik de regelen der welvoegelijkheid overschreden. Het zal wel overbodig zijn te zeggen, dat Passepartout deze merkwaardige plechtigheden beschouwde met wijd opengespalkte oogen en ooren om des te beter te zien en te hooren, en dat zijne houding en zijn gelaat volkomen geleken op die van een kind, dat pas kwam kijken.

Ongelukkig voor hem en voor zijn meester, wiens reis hij dreigde in gevaar te brengen, dreef hem zijne nieuwsgierigheid verder dan hem wel betaamde.

De rookwolken slingerden zich spiraalsgewijze. Blz. 54.

Wel begaf Passepartout, na dit carneval der Parsis nog eenigen tijd te hebben aanschouwd, zich naar het station, maar toen hij het prachtige afgodsbeeld van Malabarhill voorbij ging, rees het noodlottige plan bij hem op, om het inwendige ook eens te bezichtigen. Twee dingen waren hem evenwel geheel onbekend: ten eerste dat de toegang tot sommige hindoesche afgodstempels den christen verboden is, en ten tweede, dat de geloovigen er zelven Bladzijde 49niet mogen ingaan zonder hunne schoenen aan de deur uit te doen. Men moet hierbij opmerken, dat het engelsche Gouvernement, om politieke redenen, den godsdienst van dit land eerbiedigt en Bladzijde 50tot in de kleinste bijzonderheden koel doet eerbiedigen, en dat een ieder, die deze regels overtreedt, streng gestraft wordt.

Passepartout, die volstrekt geen kwaad vermoedde en als een onnoozel reiziger het inwendige van Malabar-hill met zijn verblindende brahmaansche versierselen van klatergoud bewonderde, werd plotseling op de geheiligde steenen geworpen. Drie priesters snelden in vreeselijke woede naar hem toe, trokken hem zijne schoenen en kousen uit en begonnen hem duchtig te slaan, waarbij zij onverstaanbare kreten deden hooren.

Maar de vlugge en sterke Franschman was met een sprong weder op de been, en met een stomp en een schop wierp hij twee van zijne tegenstanders op den grond, die erg in hun lange kleederen verward geraakten, waarop hij zoo gauw hij kon den tempel uitliep, zoodat hij al spoedig den anderen Hindoe vooruit was, die hem was nageloopen en het volk op hem aanhitste.

Vijf minuten voor achten, dus slechts eenige minuten voor het vertrek van den trein, kwam Passepartout, blootshoofd, barrevoets, in de verwarring zijn pakje met boodschappen verloren hebbende, aan het station van den Great Indian Peninsular Railway.

Toen Fix aan de aanlegplaats kwam, was hij Fogg gevolgd naar het station. Hij begreep dat de schurk Bombay ging verlaten. Hij had terstond zijn plan gevormd en wel om hem te volgen tot Calcutta en, zoo het noodig was, nog verder. Passepartout zag Fix niet, daar deze zich schuil hield, maar Fix hoorde Passepartout zijn lotgevallen in korte woorden aan zijn meester vertellen.

“Ik hoop dat dit u niet meer gebeuren zal,” antwoordde Fogg bedaard, en nam plaats in een der waggons.

De arme knecht volgde met bloote voeten en nog geheel verslagen, zonder een woord te spreken, zijn meester. Fix ging in een anderen waggon, toen eensklaps een gedachte hem weerhield en zijn plan van vertrek wijzigde.

“Neen,” zeide hij, “ik blijf: een vergrijp op het engelsch grondgebied.... Ik heb mijn man.”

Op dit oogenblik deed de locomotief een schel gefluit hooren en de trein verdween in de duisternis. Bladzijde 51

Elfde Hoofdstuk.

Waarin Phileas Fogg voor een ongeloofelijken prijs eene reisgelegenheid aanschaft.

De trein was op het uur vertrokken, dat door het reglement was bepaald. Hij voerde een zeker aantal reizigers mede, eenige officieren, burgerlijke ambtenaren en kooplieden in opium en indigo, die zich om handelszaken naar het oostelijk gedeelte van het schiereiland begaven.

Passepartout was in denzelfden coupé gezeten als zijn meester. In een anderen hoek zat een derde reiziger. Deze was de brigade-generaal Francis Cromarty, een der whistspelers op de reis van Suez naar Bombay, die zich naar zijne troepen te Benarès begaf.

De heer Francis Cromarty was een lang, blond man van vijftig jaar ongeveer, die zich bijzonder onderscheiden had tijdens den opstand der cipayers en voor een inboorling kon doorgaan. Van zijne vroegste jeugd af had hij in Indië geleefd en slechts zelden had hij zich in het moederland vertoond. Hij was een zeer geleerd man, die volgaarne allerlei merkwaardige bijzonderheden zou hebben medegedeeld omtrent de gewoonten, de geschiedenis en het bestuur van Indië, indien Phileas Fogg de man ware geweest om hem die te vragen. Maar deze vroeg niets. Fogg reisde niet, hij beschreef slechts een omtrek. Hij was een vast lichaam, een kring beschrijvende rondom den aardbol, volgens de wetten der werktuigkunde. Op dit oogenblik berekende hij bij zichzelven hoeveel uren hij sedert zijn vertrek uit Londen had afgelegd en hij zou zich in de handen hebben gewreven, indien het in zijn aard gelegen had zulk eene nuttelooze beweging te maken.

De heer Francis Cromarty had de zonderlingheid van zijn reisgezel zeer goed opgemerkt, al had hij hem slechts kunnen bestudeeren met de whistkaarten in de hand. Hij had dus recht te vragen of er een menschelijk hart klopte onder dit koude omhulsel, of Phileas Fogg een gemoed had, vatbaar voor de schoonheden en voor zedelijke natuur. Voor hem was dit nog twijfelachtig. Van alle zonderlingen, die de generaal ontmoet had, was er geen een te vergelijken met dit voortbrengsel der wiskundige wetenschappen.

Philias Fogg had tegenover den heer Francis Cromarty geen geheim gemaakt van zijne reis om de wereld noch van de voorwaarden, waaronder hij die volbracht. De generaal zag in die Bladzijde 52weddenschap slechts eene buitensporigheid zonder nut, waaraan vooral ontbrak het “rond gaan goeddoende”, dat elk redelijk man moet bezielen. Zooals deze gentleman reisde, ging hij bepaald rond zonder iets te doen, voor zich zelven zoo min als voor anderen.

Een uur nadat hij Bombay had verlaten, had de trein de viaducts gepasseerd, het eiland Salsette doorsneden en volgde hij den weg over het vasteland. Bij het station Callian liet hij rechts den tak liggen die over Kandallah en Pounah naar het zuidoosten van Indië loopt, en bereikte hij het station Pauwell. Daar drong hij het oostelijk Ghates-gebergte met zijne vele ketenen binnen, waarvan de onderste zijden van basalt zijn gevormd en de kruinen met dennenbosschen zijn begroeid.

Van tijd tot tijd wisselden Phileas Fogg en Francis Cromarty een enkel woord. Op dit punt vatte de generaal het gesprek weder op, dat telkens afgebroken was en zeide:

“Vóor eenige jaren, mijnheer Fogg, zoudt gij op deze plek een oponthoud hebben gevonden, dat uwe reis onmogelijk had gemaakt.”

“Waarom, mijnheer Francis?”

“Omdat de trein ophield aan den voet van dit gebergte, dat men in een palankijn of op een bergpaard had moeten oversteken tot het station Kandallah op de tegenover liggende helling.”

“Dit oponthoud zou volstrekt geen beletsel zijn geweest voor het nakomen van het programma mijner reis,” antwoordde Fogg; “ik heb wel degelijk op eenige hinderpalen gerekend.”

“Intusschen, mijnheer Fogg,” hervatte de generaal, “hebt gij toch gevaar geloopen u eene groote moeielijkheid op den hals te halen door dat avontuur van uw bediende.”

Passepartout, die zijne voeten onder zijn reisdeken had verborgen, sliep gerust en dacht er niet aan dat het gesprek hem gold.

“Het engelsch gouvernement,” ging sir Francis voort, “is zeer streng, en terecht, voor zulke overtredingen. Het stelt er boven alles prijs op, dat men de zeden en den godsdienst der Hindoes eerbiedigt en als men uw bediende gevangen genomen had....”

“Welnu, als hij gevangen was genomen,” antwoordde Fogg, zou hij veroordeeld zijn en zijne straf hebben ondergaan en daarna weder rustig naar Europa zijn teruggekeerd. Ik zie volstrekt niet in, in welk opzicht dit de reis van zijn meester had kunnen vertragen.”

Daarop hield het gesprek weder op. Gedurende den nacht trok men het Ghates-gebergte door en kwam men te Nassik aan. Den volgenden morgen, 21 October, doorsneed men een betrekkelijk vlak land, door het grondgebied van Khandeish gevormd. De welbebouwde streek was bezaaid met dorpen, waarboven de minaret der pagode de plaats innam van den kerktoren in Europa. Tallooze Bladzijde 53beken, voor het meerendeel uitloopende in de Godavery, besproeiden deze vruchtbare vlakte.

Daar stonden zij tegenover een half getemden olifant. Blz. 58.

Toen Passepartout ontwaakte en om zich heen zag, kon hij zich Bladzijde 54niet voorstellen dat hij in een trein van den Great-Peninsular-Railway het land der Hindoes dwars doorsneed. Het scheen hem ondenkbaar toe en toch was het maar al te waar. De locomotief door een britschen machinist bestuurd en gestookt met engelsche steenkolen stootte hare rookwolken uit, die langzaam nedersloegen op de katoen-, tabaks-, muskaat-, kruidnagel- en peper-plantages. Zij slingerden zich spiraalsgewijze om de groepen palmboomen, waartusschen men de schilderachtige bungalows ontwaarde, alsmede eenige viharis, eene soort van verlaten kloosters en prachtige tempels, bedekt met de rijke ornamenten der indische bouwkunde. Dan weder waren het vlakten, die zich tot den horizon uitstrekten, begroeide moerassen waarin slangen en tijgers huisden, welke verschrikt de vlucht namen voor het dreunen van den trein en eindelijk bosschen, die door den spoorweg waren doorsneden en waarin de olifanten met peinzenden blik de wagens gadesloegen, welke in toomelooze vaart voorbij snelden.

Na het station Mallegaum te hebben aangedaan, passeerden de reizigers die noodlottige streek wier bodem zoo vaak gedrenkt was met het bloed, door de volgelingen der godin Kali vergoten. Niet ver van daar verhieven zich Ellora en zijne bewonderenswaardige pagoden en verder het beroemde Aurengabad, de hoofdplaats van den wreeden Aurengzeba, dat thans de onbeduidende hoofdplaats is van een der afgelegen provinciën van het rijk Nizam. Hier was het, dat Feringha, het hoofd der Thugs, de koning der worgers, zijne heerschappij uitoefende. Die moordenaars vormden eene geheime vereeniging, welke ter eere van de godin van den Dood, haar menschen van elken leeftijd offerden zonder bloed te vergieten en er was een tijd, dat men geen plek vond, waaronder niet een lijk was begraven. Het Britsche Gouvernement heeft deze moorden wel in aanzienlijke mate kunnen beteugelen, maar het vreeselijk genootschap bestaat toch nog en heeft niet opgehouden te werken.

Ten half een hield de trein stil aan het station van Burhampore; daar kon zich Passepartout tegen zeer hoogen prijs een paar schoenen koopen, bezet met valsche paarlen, die hij met een onverholen gevoel van ijdelheid aantrok.

De reizigers ontbeten in allerijl en zetten de reis voort naar het station van Assurghur, na eerst een poos lang den oever te hebben gevolgd van de Tapy, eene kleine rivier, welke in de golf van Cambaye stort, in de nabijheid van Surate.

Het is hier de geschikte plaats om mede te deelen wat er in den geest van Passepartout omging. Tot aan zijne komst te Bombay had hij geloofd en had hij kunnen gelooven, dat daarmede de zaak zou zijn afgeloopen. Maar sedert hij in volle vaart Indië doorkliefde, had er eene omkeering in zijn geest plaats gehad. Zijn natuurlijke aanleg was weder geheel bovengekomen. De phantastische Bladzijde 55denkbeelden zijner jeugd herleefden in hem en hij geloofde in ernst aan de plannen van zijn meester; hij geloofde aan het wezenlijk bestaan van de weddenschap en dus ook aan die reis om de wereld en aan het maximum van tijd, dat niet mocht worden overschreden. Reeds begon hij zich ongerust te maken over een mogelijk oponthoud, over ongelukken, die hun onderweg konden overkomen. Het was of hij zelf belang had in die weddenschap en hij sidderde bij de gedachte, dat hij zelf de verwezenlijking in gevaar had kunnen brengen door zijne onvergeeflijke nieuwsgierigheid. Hij was dan ook veel onrustiger dan Fogg, wiens flegmatiek karakter hem niet ten deel was gevallen. Hij telde en telde nogmaals de dagen, die waren verloopen, verwenschte de halten van den trein, die hij van traagheid beschuldigde, terwijl hij er in zijn binnenste Fogg een verwijt van maakte, dat hij geen premie aan den machinist had uitgeloofd. De goede man wist niet, dat wat mogelijk is op eene mailboot, niet mogelijk is op eene spoortrein, waarvan de snelheid door het reglement wordt bepaald.

Tegen den avond kwam men in de engte van het Sutpore gebergte dat het grondgebied van Khandeish scheidt van dat van Bundelkund. Den anderen morgen, 22 October, toen de heer Francis Cromarty vroeg hoe laat het was, raadpleegde Passepartout zijn horloge en antwoordde, dat het drie uren in den morgen was. Dat beroemde horloge, nog altijd geregeld naar den meridiaan over Greenwich, dat zeven en zestig graden westelijker ligt, liep vier uren achter en moest ook vier uren achterloopen.

Sir Francis herleidde dus het uur door Passepartout opgegeven tot den werkelijken tijd en maakte hem dezelfde opmerking als reeds vroeger Fix had gemaakt. Hij trachtte hem aan het verstand te brengen, dat hij zijn uurwerk regelen moest naar elken nieuwen meridiaan, en dat, wanneer hij altijd oostelijk voorttrok, dus met de zon mede, de dagen zooveel maal vier minuten korter waren als men graden doorliep. Maar het baatte niet. Of de koppige knecht den generaal al of niet begreep, zeker is het dat hij er bij volhardde om zijn horloge niet vooruit te zetten en het onveranderlijk op den londenschen tijd hield. Het was trouwens een onschuldige manie, waarbij niemand schade kon hebben.

Des morgens ten acht ure op vijftien mijlen van Rothal, hield de trein stil te midden van een groot bosch omringd door eenige bungalows en hutten voor arbeiders. De conducteur liep den trein langs en riep de reizigers toe:

“Uitstappen, heeren!”

Phileas Fogg zag den heer Francis Cromarty aan, die niets scheen te begrijpen van deze halt in een bosch van tamarinden en khajoers. Passepartout was niet minder verbaasd; hij sprong den waggon uit en keerde bijna even spoedig terug met de woorden: Bladzijde 56

“Mijnheer, daar is geen spoorweg meer.”

“Wat meent ge?” vroeg Francis Cromarty.

“Ik meen, dat de weg niet doorloopt.”

De brigade-generaal verliet nu ook den waggon. Phileas Fogg volgde hem, zonder zich te haasten. Beiden richtten zich tot den conducteur.

“Houden wij hier stil?”

“Zeer zeker. De spoorweg is niet voltooid.”

“Hoe! Niet voltooid.”

“Neen, er is nog een eind weg, ongeveer vijftig mijlen, tusschen dit punt en Allahabad, waar de weg weder begint.”

“Maar de dagbladen hebben toch de opening van de lijn medegedeeld.”

“Wat zal ik u zeggen, generaal? de dagbladen hebben zich vergist.”

“En gij geeft plaatskaartjes van Bombay naar Calcutta,” hernam de heer Francis Cromarty, die zich begon boos te maken.

“Zeker; maar de reizigers weten wel, dat zij op eigen gelegenheid van Kholby naar Allahabad moeten reizen.”

De heer Francis Cromarty was woedend. Passepartout had den conducteur wel willen doodslaan, ofschoon het diens schuld niet was, en durfde zijn meester niet aanzien.

“Sir Francis,” zeide de heer Fogg eenvoudig, “als gij het goedvindt, zullen wij naar een middel omzien om naar Allahabad te komen.”

“Mijnheer Fogg, dit is een oponthoud dat stellig allernadeeligst moet werken op uw plan.”

“Neen, Sir Francis, het was voorzien.”

“Hoe! wist ge dan dat de weg....”

“Volstrekt niet, maar ik wist, dat vroeg of laat een hinderpaal voor mijne reis zich zou voordoen. Niets is echter verloren. Ik ben nog twee dagen vooruit en die kan ik er aan geven. De stoomboot van Calcutta naar Hongkong vertrekt den 25en des middags. Wij hebben vandaag den 22en en wij zullen bij tijds te Calcutta zijn.”

Tegen dit antwoord met het grootste vertrouwen uitgesproken was niets aan te voeren.

Het was maar al te waar, dat de spoorweg op dit punt ophield. De dagbladen zijn als sommige horloges, die altijd vooruit loopen en zij hadden te voorbarig de voltooiing van de lijn aan het publiek medegedeeld.

Den meesten reizigers was het bekend dat de spoorweg hier eindigde en zij hadden zich meester gemaakt van alle vervoermiddelen, welke in het dorp te bekomen waren: palkigharis op vier wielen, karretjes door reboe's, ossen met bulten, getrokken, reiswagens die op de beweegbare pagodes geleken, palankijns, paarden Bladzijde 57enz. De heeren Fogg en Francis Cromarty, na het geheele gehucht te hebben afgeloopen, kwamen terug, zonder iets te hebben gevonden.

Hij lachte om zijne bokkesprongen. Blz. 60.

Bladzijde 62

“Ik ga te voet,” zeide Phileas Fogg.

Op dat oogenblik kwam Passepartout bij zijn meester terug en met een veelbeteekenenden grijns zag hij naar zijn prachtige, maar zeer onvoldoende muilen. Gelukkig was hij zelf ook op ontdekking uit geweest en met zekere aarzeling, zeide hij:

“Mijnheer, ik geloof, dat ik een middel van vervoer heb gevonden.”

“En welk?”

“Een olifant! Een olifant, die toebehoort aan een Indiër op honderd schreden van hier.”

“Laat ons den olifant gaan zien,” antwoordde Fogg.

Vijf minuten later kwamen Phileas Fogg, sir Francis Cromarty en Passepartout in eene hut waarachter een perk was, dat door hooge pallissaden was afgesloten. In de hut was een inlander, in het perk een olifant. Op hun verzoek bracht de inlander den heer Fogg en zijne twee metgezellen in het perk.

Daar bevonden zij zich in tegenwoordigheid van een half getemden olifant, dien zijn meester africhtte niet om er een lastdier van te maken, maar om in den oorlog te dienen. Met dat doel had hij het aangeboren zachtaardig karakter van het dier gewijzigd; zoodat men het nu geleidelijk tot den hoogsten graad van woede, in het indoesch mutsh genoemd, kon aanhitsen. Tot dat doel had hij hem drie maanden met suiker en boter gevoerd. Die voeding moge minder doelmatig voor dit doel schijnen, het wordt er nochtans met den besten uitslag toe aangewend. Zeer gelukkig voor Fogg was de olifant in quaestie nog slechts sedert korten tijd aan deze methode onderworpen en had de mutsh zich nog niet geopenbaard.

Kiouni—zoo heette het dier—kon evenals alle olifanten langen tijd hard loopen en daar Fogg geen ander vervoermiddel bekomen kon, besloot hij dit te bezigen.

Maar de olifanten zijn duur in Indië en zij begonnen er schaarsch te worden. De mannetjes, de eenigen die in den circus gebruikt kunnen worden, zijn zeer gezocht. Deze dieren telen slechts weinig voort, wanneer zij tam zijn gemaakt, zoodat men ze slechts krijgen kan door er jacht op te maken. Zij worden dan ook met zeer veel zorg verpleegd en toen Fogg aan den inlander vroeg of hij zijn dier wilde verhuren, weigerde deze kortaf.

Fogg hield aan en bood een buitengewoon hoogen prijs, 10 pond sterling per uur. Dit werd geweigerd. 20 pond. Ook dit werd niet aangenomen. 40 pond. Evenmin. Passepartout stampvoette van woede bij elke weigering. Maar de inlander bood weerstand aan de verzoeking.

Nochtans, het was eene goede som. Aannemende, dat de olifant Bladzijde 59vijftien uren noodig had om naar Allahabad te komen, zou hij zijn eigenaar 600 pond of ƒ 7200 opbrengen.

Phileas Fogg maakte zich geen oogenblik driftig. Hij sloeg den inlander voor diens olifant te verkoopen en bood hem 1000 pond sterling. De eigenaar wilde niet toeslaan. Misschien begreep hij, dat hij nog betere zaken kon maken.

Sir Francis Cromarty trok Fogg ter zijde en raadde hem aan niet verder te gaan en eerst eens te overwegen. Phileas Fogg antwoordde, dat hij niet gewoon was iets te doen zonder vooraf na te denken, maar dat het eene weddenschap gold van 20,000 pond; dat die olifant onmisbaar voor hem was en dat hij hem dus hebben moest, al zou hij er twintig maal den prijs voor betalen.

Fogg keerde daarop tot den inlander terug, wiens kleine oogen, die glinsterden van hebzucht, genoeg bewezen dat het slechts eene quaestie van geld was. Achtereenvolgens bood Fogg hem 1200, 1500, 1800, eindelijk 2000 pond. Passepartout, gewoonlijk vuurrood, werd bleek van ontroering.

Voor 2000 pond stond de inlander zijn olifant af.

“Bij mijn muilen!” riep Passepartout, “dat is een hooge prijs voor olifantenvleesch.”

Toen de koop gesloten was, kwam het er slechts op aan een gids te vinden. Dit was gemakkelijker. Een jeugdige Parsi, met een verstandig uiterlijk, bood zijne diensten aan. De heer Fogg nam hem aan en beloofde hem eene rijke belooning, wat het plichtgevoel van dezen gids in hooge mate ontwikkelde.

De olifant werd terstond voorgebracht en getuigd. De Parsi kende uitstekend het vak van makout of cornac. Hij legde een soort van kleed over het dier en hing aan beide zijden een mand, die echter niet zeer gemakkelijk waren ingericht.

Phileas Fogg betaalde den inlander met banknoten, die hij uit zijn reiszak haalde. Het was Passepartout of hij ze uit zijne ingewanden voelde scheuren. Daarop bood de heer Fogg sir Francis aan, hem naar het station van Allahabad te brengen. De generaal nam dit aan. Een reiziger meer zou het reusachtige dier niet eens voelen.

Daarop kocht men te Khalty eenige levensmiddelen. Sir Francis Cromarty nam plaats in een van de manden. Phileas Fogg in de andere. Passepartout zette zich schrijlings op het kleed tusschen zijn meester en den generaal. De Parsi heesch zich op den nek van den olifant en ten negen ure verliet deze het gehucht en bereikte langs den kortsten weg het dichte gedeelte van het palmbosch. Bladzijde 60

Twaalfde Hoofdstuk.

Waarin Phileas Fogg en zijne metgezellen zich in de indische bosschen wagen, en wat het gevolg er van is.

De gids liet den in aanbouw zijnden spoorweg rechts liggen, omdat deze zeer veel kronkelingen maakte, daar hij door de Vindhias liep en alzoo niet de kortste weg was en deze juist was noodzakelijk voor Phileas Fogg. De Parsi, die goed bekend was met de wegen en paden van het land, beweerde twintig mijlen te winnen, door het bosch midden door te steken, en men vertrouwde geheel op hem.

Phileas Fogg en Sir Francis Cromarty, tot aan den hals in hunne manden verborgen, werden op de alleronaangenaamste manier geschud door den gestrekten draf van den olifant, die door zijn geleider voortdurend tot spoed werd aangezet Maar zij droegen dezen toestand met engelsche onverschilligheid, weinig sprekende en ter nauwernood van elkander notitie nemende.

Wat Passepartout aangaat, deze was op den rug van den olifant gezeten, en blootgesteld aan alle schokken en schuddingen van het dier; maar hij paste, op raad van zijn meester, wel op om zijne tong niet tusschen zijne tanden te houden, want deze zou hij dan zeer zeker hebben afgebeten. De arme knecht, nu eens op den kop dan weer op den rug van den olifant geworpen, voltigeerde als een clown op een springplank. Maar hij had er pleizier in; hij lachte om zijne bokkesprongen, en nu en dan naaide hij uit zijn zak een klontje suiker, dat de schrandere Kiouni met de punt van zijn snuit aannam, zonder een oogenblik zijn regelmatigen tred te laten varen.

Toen zij twee uur afgelegd hadden, liet de gids den olifant stil houden en gaf hem een uur rust. Het dier verslond takken en struiken, na zijn dorst in een plas gelescht te hebben. Sir Francis Cromarty vond deze halt volstrekt niet onaangenaam. Hij was als geradbraakt. Fogg was even vlug alsof hij pas uit zijn bed kwam.

“'t Is of hij van ijzer is!” zeide de majoor, hem met bewondering aanziende.

“Van gesmeed ijzer,” antwoordde Passepartout, die bezig was om een klein dejeuner gereed te maken.

De lijfwachten van den rajah bij helder flikkerende toortsen. Blz. 70.

Ten twaalf uur gaf de gids het sein om weder verder te reizen. Het land begon hoe langer hoe woester te worden. Op de groote Bladzijde 61bosschen volgde kreupelhout van tamarinden en kleine palmboomen, daarop uitgestrekte dorre vlakten, begroeid met lage heesters en bezaaid met syenietblokken. Dit geheele hooge gedeelte Bladzijde 62van Bundelkund wordt door reizigers zeer weinig bezocht; het is bewoond door een dweepzieken volksstam, versteende aanhangers der vreeselijkste instellingen van den hindoeschen godsdienst. De engelschen hebben hun gezag nog niet kunnen uitbreiden over dit gebied, dat geheel onder de heerschappij der rajahs staat, daar het hoogst moeielijk is de bevolking te bereiken in de ontoegankelijke schuilplaatsen der Vindhias.

Verscheidene malen zag men troepen woeste Indiërs, die hun toorn aan den dag legden bij het zien van het vlugge viervoetige dier. De Parsi ontweek hen zooveel mogelijk, daar hij hunne ontmoeting vreesde. Men bespeurde op deze reis zeer weinig dieren, slechts eenige apen, welke dan honderden sprongen en allerlei grimassen maakten en vluchtten, tot groot vermaak van Passepartout.

Slechts ééne gedachte kwelde den armen knecht onophoudelijk. Wat of toch Phileas Fogg met zijn olifant zou doen als hij aan het station van Allahabad zou zijn aangekomen? Zou hij hem meenemen? Dat was toch onmogelijk! De prijs van het vervoer, gevoegd bij den inkoopprijs, zou hem zijn fortuin kosten. Zou men hem verkoopen, of hem de vrijheid hergeven? Men mocht voor zulk een achtenswaardig dier toch wel eenige égards hebben. Zou Fogg hem misschien aan Passepartout present doen? Wat zou hij zelf er dan mee beginnen? Hij kon dit maar niet uit zijn hoofd zetten.

Ten acht uur 's avonds had men de hoofdketen der Vindhias overgestoken, en de reizigers maakten nu eene halt aan den voet der noordelijke helling, in een bouwvallige bungalow.

Men had dien dag ongeveer vijf en twintig mijlen afgelegd en moest er juist nog evenveel afleggen vóór Allahabad bereikt was.

Het was een koude nacht. De Parsi had in den bungalow een vuur van gedroogde takken aangelegd, dat een heerlijke warmte verspreidde.

Het avondmaal bestond uit spijzen, die men te Kholby had gekocht. De reizigers aten met al den eetlust, die van reizigers in hun toestand te verwachten was.

Het gesprek, dat met eenige afgebroken zinnen begon, eindigde weldra met een luid gesnork. De gids overnachtte bij Kiouni, die staande sliep, leunende tegen een grooten boom.

De nacht liep zeer rustig af. Soms hoorde men het gebrul van een tijger of een panter, vergezeld van de schrille kreten der apen. Maar de verscheurende dieren bepaalden zich tot brullen op een afstand en lieten de gasten van den bungalow ongemoeid. Sir Francis Cromarty sliep zoo zwaar als een dapper, doodelijk vermoeid soldaat; Passepartout zeer onrustig; hij zette in zijn droom zijne buitelingen van den afgeloopen dag voort. Wat Fogg Bladzijde 63aangaat, deze sliep even kalm alsof hij in zijn stil verblijf in Saville-Row rustte. Te zes uur in den morgen hervatte men den tocht. De gids hoopte nog denzelfden avond te Allahabad te komen. Zoodoende verloor Fogg slechts een gedeelte van de acht en veertig uren, welke hij sedert het begin van zijn reis uitgespaard had. Men daalde de laagste helling der Vindhias af. Kiouni had weder zijn snellen draf hervat en tegen den middag kwam de gids in het kleine vlek van Rallenger aan, gelegen aan de Kani, een tak van de Ganges. Hij vermeed altijd de bewoonde plaatsen, daar hij zich veiliger achtte in de verlaten streken welke de uiterste glooiing vormen der oevers van de groote rivier.

Het station van Allahabad lag twaalf mijlen noord-oostelijk. Men rustte eenigen tijd in een bosch van bananen, wier vruchten, even voedzaam als brood en even sappig als room, gelijk de reizigers zeggen, uitnemend smaakten.

Ten twee ure bereikte de gids een lommerrijk bosch, dat vele mijlen lang was. Hij reisde het liefst beschut door de boomen, daar hij zich daar het zekerste achtte. Tot nog toe had men geen enkele onaangename ontmoeting gehad en de reis scheen op dezelfde wijze ten einde gebracht te zullen worden, toen de olifant eenige teekenen van onrust liet blijken en plotseling stilstond.

Het was toen vier uur.

“Wat is er?” vroeg Francis Cromarty, zijn hoofd even uit zijn mand stekende.

“Ik weet het niet, generaal,” antwoordde de Parsi, eveneens luisterend naar het dof geraas dat hij meende in het kreupelbosch te hooren.

Weinige oogenblikken later werd dit geluid hoe langer hoe duidelijker. Men zou gezegd hebben, dat het een nog ver verwijderd concert was van menschelijke stemmen en koperen instrumenten.

Passepartout was geheel gehoor en zag met arendsoogen om zich heen. Fogg wachtte zonder een woord te spreken alles geduldig af. De Parsi sprong op den grond, maakte den olifant aan een boom vast en drong zoover mogelijk in het bosch door. Eenige oogenblikken later keerde hij terug met de woorden: “Een optocht van Brahmanen, die in deze richting komen. Zoo het mogelijk is laten wij dan zorg dragen, dat zij ons niet zien.”

De gids maakte den olifant weer los en bracht hem in een boschje, den reizigers aanradende niet af te stijgen. Hij zelf hield zich gereed om terstond zijn olifant te beklimmen en, zoo het moest, te vluchten. Maar hij was van oordeel, dat de geloovigen wel voorbij zouden trekken, zonder hen te zien, daar het dichte geboomte hen geheel verborg. Het geluid der stemmen en instrumenten kwam al nader en nader. Het eentonig gezang werd begeleid Bladzijde 64door trommen en cimbalen. Spoedig zag men het eerste gedeelte van den optocht onder de boomen, ongeveer vijftig passen afstands van Fogg en zijne metgezellen. Zij konden gemakkelijk tusschen de takken door het zonderlinge personeel van deze godsdienstige plechtigheid onderscheiden. In de eerste rij kwamen de priesters, met groote bisschopsmutsen en prachtige kleurige mantels. Zij waren omringd door mannen, vrouwen en kinderen, die een treurzang zongen, van tijd tot tijd afgewisseld door de slagen op tamtams en cimbalen. Achter hen, op eene kar met groote wielen, waarvan de spaken en assen een massa ineengekronkelde slangen voorstelden, zag men een afschuwelijk beeld, dat door twee met kleurige schabrakken versierde zebu's getrokken werd. Dit beeld, met vier armen, donkerrood gekleurd lichaam, woeste oogen, verwarde haren, met de tong uit den mond, die geverfd was door betel, maakte een akeligen indruk. Om zijn hals hing een keten van doodshoofden, om zijn lendenen droeg het een gordel van afgehouwen handen. Het stond overeind op een neergeworpen reus zonder hoofd.

Sir Francis Cromarty herkende dit beeld terstond.

“De godin Kali,” fluisterde hij, “de godin der liefde en des doods.”

“Des doods,” dat stem ik u toe, maar der liefde, neen!” zeide Passepartout zacht. “Die leelijke Goede Vrouw!”

De Parsi wenkte hem, dat hij zwijgen moest.

Rondom het standbeeld was het een gewemel en gewoel en gedrang van oude met okergeel geverfde fakirs met insnijdingen in hun lichaam, zoodat het bloed druppelsgewijze stroomde, welke domme, dweepzieke wezens daardoor te kennen gaven, dat zij zich ter eere van de groote hindoesche geheimenissen onder de wielen van den wagen van Jagernout zouden werpen. Daarachter volgden eenige brahmanen, in hun prachtigst oostersch kleed uitgedost, die eene vrouw, welke nauwelijks overeind kon staan, voorttrokken.

Deze vrouw was jong en blank als eene europeesche. Haar hoofd, hals, schouders, ooren, armen, handen en enkels waren allen met edelgesteenten overladen, zooals kettingen, armbanden, oorbellen en ringen. Een tunica, afgezet met goud, waarover zij een licht mouseline kleedje droeg, deed de vormen harer gestalte in al hunne bevalligheid uitkomen. Achter deze vrouw—wat een zeer scherp contrast opleverde—volgden soldaten met bloote sabels in hunne gordels en pistolen met goud ingelegd; op een draagstoel droegen zij een lijk.

Het was het lijk van een grijsaard, gekleed in het schitterend gewaad van een rajah; hij droeg, evenals bij zijn leven, een tulband met paarlen bestikt, een rok geheel doorweven met Bladzijde 65goud, een kashemieren gordel met diamanten belegd, en de prachtige wapens van een indischen vorst.

Een kreet van schrik steeg uit aller mond. Blz. 74.

Vervolgens kwamen er muzikanten en een achterhoede, uit Bladzijde 66geloovigen bestaande, wier kreten dikwijls het gedruisch der instrumenten overstemden, besloot den stoet.

Sir Francis Cromarty sloeg al deze pracht met treurigen blik gade, en zich tot den gids richtende, zeide hij:

“Een sutty!”

De Parsi knikte toestemmend en legde de vinger op den mond. De lange optocht bewoog zich langzaam tusschen de boomen en weldra verdwenen zijne laatste rijen in de diepte van het bosch

Al verder en verder klonk het gezang. Nog eenige kreten hoorde men in de verte en eindelijk volgde op al dit gedruisch eene doodelijke stilte.

Phileas Fogg had gehoord wat Francis Cromarty gezegd had, en zoodra de optocht voorbij was, vroeg hij:

“Wat is een sutty?”

“Een sutty,” antwoordde de generaal, “is een menschenoffer, maar een vrijwillig offer. De vrouw, die gij daareven gezien hebt, zal morgen bij de eerste schemering verbrand worden.”

“Dat canaille!” riep Passepartout, die een kreet van verontwaardiging niet kon onderdrukken.

“En dat lijk?” vroeg Fogg.

“Is het lijk van een onafhankelijken prins, haar gemaal,” antwoordde de gids, “een rajah van Bundelkund.”

“Wat zegt gij!” sprak Phileas Fogg, zonder dat zijn stem de minste aandoeningen verried. “Vindt men deze barbaarsche gewoonten nog in Indië, en hebben de Engelschen die niet kunnen uitroeien?”

“In het grootste gedeelte van Indië hebben deze offers geen plaats meer. Maar wij oefenen volstrekt geen invloed uit op die onbeschaafde streken, en vooral niet op het grondgebied van Bundelkund. Het geheele noordelijke gedeelte der Vindhias is het bestendig tooneel van moord en plundering.”

“Die rampzalige,” zuchtte Passepartont, “levend verbrand!”

“Ja,” hernam de generaal, “verbrand, en zoo dit niet gebeurde, kunt gij u niet begrijpen in welken ongelukkigen toestand zij door hare bloedverwanten zou worden gebracht. Men zou haar de haren afscheren en zij zou nauwelijks eenige rijstkorrels tot voedsel bekomen; men zou haar verstooten, zij zou als een onrein schepsel beschouwd worden, en in een hoek als een schurftigen hond moeten sterven. Het vooruitzicht op zulk een ellendig bestaan brengt dan ook meer deze ongelukkige tot zulk een opoffering dan de liefde of een dweepzieke godsdienst. Somtijds echter wordt zulk een offer inderdaad uit eigen beweging gebracht, en de krachtigste tusschenkomst van het Gouvernement wordt dan vereischt om het te verhinderen. Eenige jaren geleden, toen ik nog te Bombay woonde, vroeg een jonge weduwe Bladzijde 67de toestemming aan het Gouvernement om zich tegelijk met het lijk van haar echtgenoot te mogen laten verbranden. Zooals gij wel kunt nagaan, weigerde de Gouverneur die toestemming. Toen verliet de weduwe de stad, verborg zich bij een onafhankelijken rajah en volvoerde op deze wijze haar plan.”

Onder het verhaal van den generaal schudde de gids het hoofd en toen deze geëindigd had, zeide hij:

“Het offer dat morgen plaats zal hebben wordt niet vrijwillig gebracht.”

“Hoe weet ge dat?” vroeg sir Francis.

“Dat weet ieder in Bundelkund,” antwoordde de gids.

“Maar deze ongelukkige bood toch volstrekt geen weerstand,” merkte sir Francis op.

“Dat komt omdat men haar bedwelmd heeft met damp van hennep en opium.

“En waar brengt men haar?” vroeg Cromarty verder.

“Naar den afgodstempel van Pijllaji, ongeveer 3 mijlen van hier; daar blijft zij van nacht het uur des offers verbeiden.”

“En dit offer heeft plaats?”

“Morgen, met het aanbreken van den dag.”

Na dit antwoord haalde de gids den olifant weder uit het boschje en wierp zich op den hals van het dier. Maar op het oogenblik toen hij het door een eigenaardig fluiten wilde aansporen om voort te gaan, hield Fogg hem tegen, en zeide tot sir Francis Cromarty:

“Als wij deze vrouw eens gingen redden?”

“Die vrouw redden, mijnheer Fogg,” riep de generaal uit.

“Ik ben nog twaalf uur voor. Ik kan ze aan dit doel geven.”

“Gij zijt een man met een edel hart!” zeide sir Francis Cromarty.

“Somtijds,” antwoordde Phileas Fogg eenvoudig. “Als ik er tijd toe heb.”