Zestiende Hoofdstuk.
Waarin Fix het doet voorkomen niets te weten van de zaken, waarover men hem spreekt.
De Rangoon, een der mailbooten van de P. en O. Compagnie, die de Chineesche en Japansche zeeën bevaart, evenaarde de Mongolia in snelheid, maar niet in goede inrichting. Mevrouw Aouda Bladzijde 89had hier dan ook niet zulk een goede plaats bekomen, als Fogg wel gewenscht had. Maar het was slechts een tocht van elf of twaalf dagen en de jeugdige vrouw was geen lastige reisgezellin.
In al zijn eenvoud zeer bevallig. Blz. 96.
Gedurende de eerste dagen van dezen overtocht maakte Aouda nadere kennis met Fogg. Bij elke gelegenheid betoonde zij hem de grootste dankbaarheid. De flegmatieke gentleman hoorde haar, althans oogenschijnlijk, met de meeste kalmte aan, zonder dat eenig woord of gebaar de minste aandoening verried. Hij zorgde altijd dat het de jonge vrouw aan niets ontbrak. Op bepaalde uren kwam hij bij haar, zoo niet om tot haar te spreken, dan toch om naar haar te luisteren. Hij nam jegens haar de grootste beleefdheid in acht, maar met het bevallige en werktuigelijke van een automaat, wiens bewegingen geheel voor dit doel waren ingericht. Mevrouw Aouda wist niet wat zij er van denken moest, maar Passepartout had haar eenigszins ingelicht omtrent het zonderlinge karakter van zijn meester. Hij vertelde haar ook welke weddenschap dezen de reis om de wereld deed maken. Mevrouw Aouda had er om geglimlacht, maar in elk geval had zij haar leven aan hem te danken, en haar redder kon in hare achting niet dalen, daar zij hem steeds door de oogen harer dankbaarheid zag.
Mevrouw Aouda bevestigde het verhaal, dat de hindoesche gids van hare treurige geschiedenis gedaan had. Zij behoorde inderdaad tot het ras, dat de eerste plaats inneemt onder de Indische volksstammen.
Vele parsische hoofden hebben groote zaken in Indië in den katoenhandel gedaan. Een van hen, Sir James Jejeebhoy, was door het Engelsche Gouvernement tot den adelstand verheven, en mevrouw Aouda was familie van dezen rijken koopman, die te Bombay woonde. Zij was zelfs een nicht van sir Jejeebhoy, den achtbaren Jejeeb, dien zij te Hong-Kong hoopte aan te treffen. Zou zij bij hem een toevluchtsoord en hulp vinden? Zij was er niet zeker van. Op dezen twijfel antwoordde Fogg, dat zij zich daarover niet ongerust moest maken en dat alles zich wel schikken zou. Dit was altijd zijn laatste woord.
Begreep de jonge vrouw dit raadselachtige woord? Wie zal het zeggen? Altijd vestigde zij op Fogg hare groote oogen, vochtig als de heilige meren van den Himalaya. Maar de onhandelbare Fogg, nog geslotener dan ooit, scheen de man niet om zich in dit meer te werpen.
Het eerste gedeelte van den overtocht met den Rangoon had plaats onder de gunstigste omstandigheden. Het weer was kalm en dit geheele gedeelte van de onmetelijke baai, welke de zeelieden de Golf van Bengalen noemen, was zeer ten voordeele van de snelheid der mailboot.
Weldra was de Rangoon in het gezicht van den grooten Andaman-achtigen berg de Saddle-Peak, welke eene hoogte heeft van tweeduizend vierhonderd voet, en tot signaal strekt voor de schepen.
Men volgde de kust op korteren afstand, maar de wilde Papoea's, Bladzijde 91die het eiland bewonen, vertoonden zich niet. Die volksstam staat op het laagste standpunt van beschaving, maar men pleegt onrecht, wanneer men hen onder de menscheneters rangschikt.
Het panorama, dat deze eilanden opleverden, was prachtig. Onmetelijke bosschen van palmboomen, arers, bamboes, muskaatboomen, teaks, djattiboomen, reusachtige slingerplanten en varen, bedekten den voorgrond, terwijl de achtergrond gevormd werd door de bevallige lijnen van het gebergte. Langs de kust wemelde het van oeverzwaluwen, wier nesten eetbaar zijn en een geliefkoosd gerecht uitmaken in het Hemelsche Rijk. Maar dit landschap vol afwisseling, dat de Andamannische Eilanden opleveren, was spoedig voorbij en de Rangoon naderde snel de straat van Malakka, waardoor men in de Chineesche Zee komt.
Wat deed gedurende dezen overtocht de inspecteur Fix, die zoo ongelukkig was medegesleept op de reis om de wereld? Bij het vertrek uit Calcutta had hij zich op de Rangoon kunnen begeven, zonder door Passepartout te worden opgemerkt, en hij hoopte verborgen te blijven totdat de mailboot Hong-Kong zou hebben bereikt.
Het zou hem dan ook inderdaad moeielijk zijn gevallen om de oorzaak te verklaren waarom hij zich aan boord bevond, zonder de achterdocht te wekken van Passepartout, die hem nog te Bombay waande. Maar de omstandigheden brachten mede dat hij de kennis met Foggs bediende vernieuwde.
Al de hoop van den inspecteur van politie was thans op één punt van de wereld gevestigd, op Hong-Kong. Daar moest hij den dief vatten of deze ontsnapte hem voor altijd. Hong-Kong was dan ook het laatste engelsche grondgebied op de geheele reis. Was men dit voorbij, dan zou China, Japan of Amerika een veilig toevluchtsoord voor Fogg opleveren. Wanneer hij te Hong-Kong eindelijk het bevel tot inhechtenisneming vond, dat hem ongetwijfeld nagezonden was, dan zou Fix de heer Fogg arresteeren en hem aan de politie aldaar overleveren. Maar na Hong-Kong was een mandaat tot inhechtenisneming niet meer voldoende. Dan zou er een akte van uitlevering noodig zijn; dit ging met allerlei oponthoud, vertraging en hinderpalen gepaard, waarvan de schurk gebruik zou maken, om ten slotte toch te ontkomen. Mislukte alzoo zijne poging te Hong-Kong, dan was het hoogst moeielijk, zoo niet ondoenlijk om zich van hem meester te maken.
“Alzoo,” dacht Fix onophoudelijk bij zich zelven, gedurende de lange uren, die hij in zijn hut doorbracht, “alzoo zal de volmacht te Hong-Kong zijn en dan neem ik mijn man gevangen, of zij zal er niet wezen en dan moet ik hem noodzaken daar te blijven. Mijne pogingen zijn mislukt te Bombay en te Calcutta. Bladzijde 92Mislukken zij ook te Hong-Kong, dan is mijne reputatie verloren. Ik moet dus slagen, het koste wat het kost. Maar welk middel aan te wenden om, zoo dit mogelijk is, het vertrek van dien verwenschten Fogg te beletten?
Als uiterste middel had Fix besloten alles aan Passepartout te bekennen en hem op de hoogte te stellen van den meester, dien hij diende, maar wiens medeplichtige hij zeker niet was. Als Passepartout volkomen ingelicht was, zou hij zeker vreezen in de zaak betrokken te worden en de wijste partij kiezen. Maar dit was een gewaagd middel, dat slechts in het uiterste geval kon worden beproefd. Een enkel woord van Passepartout aan zijn meester zou onherroepelijk alles bederven.
De inspecteur van politie verkeerde dus in de grootste verlegenheid, maar de tegenwoordigheid van mevrouw Aouda aan boord van de Rangoon, in gezelschap van Phileas Fogg, opende hem een nieuw uitzicht. Wat was die vrouw? Door welken samenloop van omstandigheden was zij de gezellin geworden van Fogg? Blijkbaar moest de ontmoeting tusschen Bombay en Calcutta hebben plaats gehad. Doch in welken hoek van het schiereiland? Was het enkel het toeval dat Fogg en zijne jeugdige reisgezellin te zamen had gebracht? Of had de reis in Indië door den gentleman ondernomen slechts ten doel om deze schoone vrouw op te zoeken? Want schoon was zij. Fix had haar maar al te goed in de gerechtszaal te Calcutta gezien.
Men kan denken hoe nieuwsgierig de inspecteur daarnaar was. Hij vroeg zich af, of er niet een misdadige schaking was gepleegd. Ja! Dat moest wel zoo zijn. Deze gedachte vatte post in zijn hoofd, en hij besefte al het voordeel, dat hij uit dezen toestand kon trekken. Of die jonge vrouw getrouwd was of niet, er was hier eene schaking gepleegd en het was zeer goed mogelijk, dat hij den schaker te Hong-Kong in eene verlegenheid kon wikkelen, waaruit hij zich niet door geld kon losmaken. Maar hij mocht niet wachten tot de Rangoon te Hong-Kong was aangekomen. Fogg had de slechte gewoonte om van de eene boot op andere te springen, en vóór de zaak nog een aanvang had genomen, kon hij reeds ver weg zijn.
Het noodzakelijkste was dus om de engelsche overheid te waarschuwen en op den passagier van de Rangoon de aandacht te vestigen vóór hij nog aan land was. Niets nu was gemakkelijker daar de mailboot te Singapore binnenliep, en Singapore stond in verbinding met de chineesche kust door de telegraaf. Intusschen vóór hij iets ondernam en om zekerder te zijn, besloot Fix Passepartout eerst eens te ondervragen. Hij meende dat het niet moeielijk zou zijn om den bediende aan het praten te krijgen en besloot dus om zich aan hem bekend te maken. Bladzijde 93Er was niet veel tijd te verliezen. Het was de 30ste October, en den anderen morgen moest de Rangoon te Singapore het anker werpen. Fix dan ging dien dag aan dek, met het plan om Passepartout Bladzijde 94het eerst en wel met de grootste verbazing aan te spreken. Passepartout liep heen en weer op het voordek, toen de inspecteur naar hem toesnelde, met de woorden:
Hij verbaasde de bemanning door zijne behendigheid. Blz. 102.
“Wat, mijnheer? zijt gij op de Rangoon?”
“Mijnheer Fix aan boord!” antwoordde Passepartout zeer verrast, toen hij zijn metgezel van de Mongolia herkende. “Hoe nu? gij verliet mij te Bombay en ik ontmoet u weer op de reis naar Hong-Kong. Maar, zeg eens, maakt gij ook de reis om de wereld?”
“Neen,” antwoordde Fix, “ik ben van plan, om ten minste eenige dagen te Hong-Kong te vertoeven.”
“Zoo,” antwoordde Passepartout, die een oogenblik verbaasd scheen. “Maar hoe komt het dat ik u aan boord nog niet gezien heb sedert wij Calcutta verlaten hebben?”
“Och, ik was een weinig zeeziek.... Ik ben daarom in mijne hut gebleven.... Ik schijn beter tegen de lucht der Indische zee te kunnen dan tegen die van de Golf van Bengalen. Hoe gaat het uw meester, Phileas Fogg?”
“O uitnemend, en altijd even precies als zijn reisboek! Geen dag te laat! Maar mijnheer Fix, gij weet zeker nog niet dat wij nog eene jonge dame bij ons hebben.”
“Een jonge dame?” herhaalde de inspecteur, die volstrekt niet scheen te begrijpen wat de andere bedoelde.
Passepartout had hem spoedig op de hoogte van de zaak gebracht. Hij vertelde wat er in den afgodstempel te Bombay voorgevallen was, het aankoopen van den olifant voor twee duizend pond en de geschiedenis met de sutty, de schaking van Aouda, de veroordeeling door de rechtbank te Calcutta en de invrijheidstelling onder borgtocht. Hoewel Fix het laatste gedeelte er van kende, nam hij toch den schijn aan, alsof hij er niets van wist, en Passepartout, aangemoedigd door het aandachtig luisteren van zijn toehoorder, vertelde maar door.
“Maar,” vroeg Fix, “is uw meester van plan om deze jonge vrouw mede te nemen naar Europa?”
“Neen, mijnheer Fix, dat niet; hij is slechts van plan om haar naar een harer bloedverwanten, een rijken koopman te Hong-Kong, te brengen.”
“Er is niets aan te doen!” prevelde de detective bij zich zelven, zijne teleurstelling trachtende te verbergen. “Een glaasje gin, mijnheer Passepartout?”
“Zeer gaarne, mijnheer Fix. Het is niet meer dan plicht, dat wij op onze ontmoeting op de Rangoon drinken.” Bladzijde 95
Zeventiende Hoofdstuk.
Waarin verschillende zaken ter sprake komen gedurende den overtocht van Singapora naar Hong-Kong.
Na dien dag ontmoetten Passepartout en de detective elkander vaak, maar de inspecteur hield zich op een afstand van zijn reisgezel en moedigde hem volstrekt niet tot spreken aan. Een of tweemaal zag hij Fogg; deze vertoefde het liefst in de groote kajuit van de Ragoon, hetzij hij daar mevrouw Aouda gezelschap hield of dat hij, volgens zijn onveranderlijke gewoonte, whist speelde.
Wat Passepartout betreft, deze overpeinsde ernstig hoe het toch kwam, dat Fix dezelfde reis deed als zijn meester. En waarlijk, men moest er wel eenigszins verbaasd over staan. Deze vriendelijke heer, voor een ieder even beleefd, en dien hij het eerst te Suez ontmoette, die zich ook op de Mongolia had ingescheept, die te Bombay weer aan wal stapte, waar hij zeide te wonen, en dien men nu weer op de Rangoon ontmoette, om naar Hong-Kong te reizen, in één woord, die de reis van Fogg stap voor stap volgde, was wel een onderwerp, de moeite waard om er over na te denken.
Er bestond hier minst genomen een zonderling toeval. Wie kon die Fix toch zijn? Passepartout was op het punt om zijn muilen er om te verwedden—hij had ze nog zuinig bewaard—dat Fix op denzelfden tijd als Fogg Hong-Kong, en waarschijnlijk wel met dezelfde mailboot, zou verlaten.
Passepartout had er een eeuw over kunnen denken, zonder dat hij ooit zou geraden hebben, met welke zending de inspecteur wel belast was. Nooit zou hij kunnen gissen, dat Phileas Fogg vervolgd kon worden als een dief, die een reis om de wereld maakt. Maar, daar de menschelijke natuur meebrengt, dat men aan alles eene uitlegging wil geven, kwam Passepartout eensklaps tot eene verklaring van de bestendige tegenwoordigheid van Fix, en inderdaad zijne uitlegging was zeer aannemelijk.
Volgens hem kon en moest Fix niemand anders zijn dan een agent, door de leden van de Reform-club aangesteld, om Fogg overal na te gaan, ten einde te zien of deze de reis om de wereld nauwkeurig en volgens het overeengekomen reisplan volbracht.
“Dat is zoo; dat kan niet missen!” herhaalde de eerlijke knecht onophoudelijk, trotsch op zijn doorzicht. “Hij is een spion, dien deze heeren ons achterna zenden. Dat is toch onwaardig. Die Bladzijde 96eerlijke, achtenswaardige Fogg! Hem door een spion te laten bespieden! Dat zal u duur te staan komen, heeren der Reform-club.”
Passepartout besloot, hoe blijde hij ook met zijne ontdekking was, er niets van aan zijn meester te zeggen, vreezende dat deze zich gekrenkt zou gevoelen door het wantrouwen van zijn tegenpartij. Maar hij besloot toch Fix eens bij gelegenheid uit te lachen, zonder zelfs iets te laten ontglippen, dat hem compromitteeren kon.
Woensdag den 30sten October, des middags, stoomde de Rangoon de Straat van Malakka binnen, die het schier-eiland van dien naam scheidt van Sumatra. Bergachtige en steile, maar schilderachtig gelegen eilandjes, benamen aan de reizigers het gezicht op het groote eiland. Den anderen morgen, ten tien ure, had de Rangoon reeds een halven dag gewonnen op den door het reglement bepaalden tijd, en liep zij de haven van Singapore binnen, ten einde daar een voorraad steenkolen in te nemen.
Phileas Fogg schreef dit voordeel op zijn lijst van winst, en ditmaal ging hij aan land, vergezeld van Aouda, die haar wensch te kennen had gegeven om eenige uren te rijden.
Fix, wien elke daad van Fogg zeer verdacht voorkwam, volgde hem zonder opgemerkt te worden. Een zekere angst kwelde hem onophoudelijk; hij vreesde dat Fogg, als hij zich op niet-engelsch grondgebied bevond, daar zou willen blijven; dan was de geheele zaak ongetwijfeld voor het oogenblik verloren.
Passepartout lachte reeds bij voorbaat bij de gedachte hoe Fix daarin te werk zou gaan; intusschen bracht hij zijn tijd door om zijn gewone boodschappen te verrichten.
Het eiland Singapore is niet groot en ook niet indrukwekkend van voorkomen. Het heeft geen bergen, althans geen steile. Toch is het in al zijn eenvoud zeer bevallig. Het is een park doorsneden van tallooze wegen. In een fraai rijtuig, bespannen met vurige paarden, die uit Nieuw-Holland waren aangebracht, zaten Aouda en Fogg; zij reden door een dicht palmbosch met prachtig gebladerte, hier en daar afgewisseld door kruidnagelboomen, waarvan de vruchten gevormd zijn door den knop zelven van de half ontloken bloemen. Hier neemt de peperstruik de plaats in van de doornige heggen der europeesche velden; sagoboomen, hooge varenkruiden met prachtige takken, wisselen deze tropische Flora af; muskaatboomen, met hun schitterend gebladerte, vervulden de lucht met een doordringenden geur. In het bosch ontbrak het niet aan vroolijk dartelende apen en in het diepst der bosschen verscholen zich de tijgers. Hem wien het soms mocht verwonderen, dat deze roofdieren op dit betrekkelijk kleine eiland nog niet tot het laatste toe verdreven zijn, zal men antwoorden dat zij van Malakka komen, door de straat over te zwemmen. Bladzijde 97
Passepartout zag een aantal inboorlingen in het geel gekleed. Blz. 105.
Toen Aouda en Fogg een paar uren door dit landschap gereden hadden, keerden zij in de stad terug, die bestaat uit een hoop zware en lage huizen, allen met prachtige tuinen, waarin Bladzijde 98mangostanen, ananassen en andere van de schoonste vruchten der wereld groeien.
Ten tien ure kwamen zij weer op de mailboot, gevolgd, zonder dat zij het wisten, door den inspecteur, die ook in de kosten van een rijtuig had moeten vervallen.
Passepartout wachtte hen op het dek van de Rangoon. De zorgende knecht had eenige mangoestanen gekocht, een vrucht welke de grootte heeft van een gewonen appel, die van buiten bruin, en van binnen vuurrood is, en wier witte pit, welke tusschen de lippen smelt, voor de ware liefhebbers een onvergelijkelijk genot oplevert. Hij was zeer in zijn schik dat hij deze aan Aouda kon geven, die er hem recht vriendelijk voor bedankte.
Ten elf ure had de Rangoon hare lading steenkolen ingenomen en lichtte het anker. Eenige uren later verloren de reizigers de hooge bergen van Malakka uit het gezicht, welks bosschen de prachtigste tijgers tot een schuilplaats verstrekken.
Singapore is ongeveer dertien honderd mijlen verwijderd van Hong-Kong, een klein eiland op de chineesche kust, dat aan Engeland behoort.
Phileas Fogg moest dien afstand is zes dagen afleggen, ten einde den 6en November te Hong-Kong te zijn om van daar met de boot naar Yokohama, een van de grootste japansche havens, te komen.
De Rangoon was zwaar geladen. Een aantal reizigers hadden zich te Singapore ingescheept: Hindoes, Ceylaneezen, Chineezen, Maleiers, Portugeezen, die voor het grootste gedeelte allen tweede klasse reisden.
Tot nog toe had men vrij goed weder gehad, maar thans kwam er verandering met het laatste kwartier der maan. De zee werd onstuimig. Nu en dan stak de wind hevig op, maar gelukkig woei hij uit het zuidwesten, zoodat de stoomboot nog sneller liep. Toen het weder bedaarder werd, liet de kapitein de zeilen bijzetten. De Rangoon, als een brik getuigd, stoomde dikwijls met haar beide marszeilen en haar fok; zij ging dan ook veel sneller door den stoom en door den wind. Zoodoende naderde men met een korten en soms zeer zwaren golfslag de kust van Annam en Cochinchina.
Maar het was meer de schuld der Rangoon dan wel van de zee, dat bijna alle passagiers zeeziek werden en op die wijze de reis moesten maken. De schepen der Peninsular Company toch, die op de Chineesche zee dienst doen, zijn allen zeer slecht gebouwd. De verhouding tusschen hun diepgang en hun omvang is zeer slecht berekend, en hiervan is het gevolg dat zij weinig weerstand aan de zee bieden en aan slingeren onderhevig zijn.
Men moest nu, uithoofde van het slechte weder groote voorzorgen Bladzijde 99nemen, en met halve kracht stoomen. Dit tijdverlies scheen Fogg volstrekt niet te verontrusten, maar Passepartout was er zeer over uit zijn humeur. Hij gaf de schuld aan den kapitein, aan den machinist, ja aan de Compagnie, en wenschte een ieder naar de maan, die zich met het transport van reizigers bemoeit. Misschien was het wel de gaskraan, die altijd nog voor zijne rekening in Saville Row brandde, welke hem zulk een haast deed maken om verder te komen.
“Gij hebt dus wel haast om te Hong-Kong te komen?” vroeg de detective hem eens.
“Ja, ik ben er zeer verlangend naar,” antwoordde Passepartout.
“Meent gij dat mijnheer Fogg haast heeft de mailboot naar Yokohama te nemen.”
“Ja, hij heeft ontzaglijk veel haast.”
“Gelooft ge dus nog aan die zonderlinge reis om de wereld?”
“Stellig. En gij, mijnheer Fix?”
“Ik? Neen, ik geloof er niet aan.”
“Grappenmaker!” zeide Passepartout, knipoogend.
Dit woord gaf aan den agent veel stof tot nadenken. Het verontrustte hem, zonder te weten waarom. Zou de Franschman hem begrepen hebben? Hij wist het niet. Maar dat hij detective was, dat wist hij zelf toch maar alleen, hoe zou Passepartout dit hebben ontdekt? En toch, toen hij zoo met hem sprak, had Passepartout eene nevengedachte. Op een anderen keer ging de knecht zelfs nog verder; toen kon hij zijn tong niet meer beheerschen.
“Zeg eens, mijnheer Fix,” vroeg hij aan zijn reisgezel, “als wij te Hong-Kong zijn, zullen we dan uw aangenaam gezelschap moeten missen?”
“Wel,” antwoordde Fix, eenigszins verlegen, “misschien ... maar ik weet nog niet. Misschien....”
“O,” zeide Passepartout, “als gij bij ons bleeft, zou het een waar genot voor mij zijn. Een agent van de Peninsular Company blijft niet onderweg steken. Gij gingt eerst maar tot Bombay, en waarlijk nu zijt gij al in China! Amerika is niet ver meer, en van Amerika naar Europa is maar een stapje!”
Fix keek den spreker strak aan, maar deze had het onschuldigste gezicht van de wereld; hij achtte het daarom het best om maar met hem mee te lachen. Passepartout echter, wiens tong nu los was, ging voort en vroeg:
“Dat baantje geeft je zeker veel?”
“Zoo, zoo,” antwoordde Fix zonder blikken of blozen. “Er zijn goede en kwade zaken. Maar gij begrijpt wel, dat ik niet voor mijn eigen kosten reis.”
“O, ja, dat behoeft gij mij niet meer te zeggen!” riep Passepartout lachend uit. Bladzijde 100
Toen dit gesprek geëindigd was, keerde Fix naar zijne hut terug om alles nog eens te overpeinzen. De Franschman had zeker alles geraden. Op de eene of andere manier was deze zijne betrekking als detective te weten gekomen. Zou hij zijn meester hebben gewaarschuwd? Was Passepartout Fogg's medeplichtige? Was zijn voornemen ontdekt, en zou hij het dus niet ten uitvoer kunnen brengen. De inspecteur bracht op deze wijze eenige pijnlijke uren door, nu eens geloovende dat alles verloren was, dan weer hopende dat Fogg nog van niets afwist, en ten slotte wist hij niet wat hem te doen stond. Langzamerhand kwam hij weer in zijn normalen toestand, en besloot hij om openhartig alles aan Passepartout te vertellen. Zoo hij geen kans zag om Fogg te Hong-Kong te arresteeren en zoo Fogg zich gereed maakte, thans voor het laatst, om het engelsch grondgebied te verlaten, dan zou hij de geheele zaak aan Passepartout mededeelen. Of de knecht was de medeplichtige van zijn meester, en deze wist alles, in dat geval was zijn zaak geheel verloren; óf de knecht wist niets van den gepleegden diefstal, dan was het zijn belang om den dief aan zijn lot over te laten.
In dien toestand waren de beide mannen tegenover elkander geplaatst, en boven hen stond Fogg in majestueuse onverschilligheid. Hij vervolgde zijn loop om de wereld, zonder zich te bekommeren om de asteroïden, die om hem wentelden. Toch was er in de nabijheid een ster die op het hart van dezen gentleman wel eenige stoornis moest uitoefenen.
Maar neen! De bekoorlijkheden van Aouda schenen, tot groote verwondering van Passepartout, volstrekt geen indruk of Fogg te maken, en de afwijkingen van diens gewonen zielstoestand, zoo zij al bestonden, waren moeielijker te berekenen dan die van Uranus, welke de ontdekking van Neptunus ten gevolge had. Dit verbaasde dag aan dag Passepartout, die in de oogen van de jonge vrouw zulk een gloed van dankbaarheid las. Fogg had ongetwijfeld slechts een hart voor heldhaftige feiten, maar verliefd, neen, dat kon hij niet wezen. Hij scheen er in het geheel niet aan te denken eenige voorzorgen te beramen, zoo de reis soms een anderen keer nemen mocht. Maar Passepartout leefde in voortdurenden angst. Eens toen hij tegen de balustrade van de machinekamer stond te leunen, en naar de ontzaglijke machine keek, werd het schip door een heftige schommeling plotseling op zijde geworpen. De stoom vloog uit alle kleppen.
“Deze kleppen zijn niet genoeg belast!” riep hij uit. “Men gaat niet vooruit!—Kijk dat zijn die Engelschen weer! Als dit een amerikaansch schip was, dan zou men misschien springen, maar in elk geval zouden wij sneller vooruitkomen.” Bladzijde 101
Achttiende Hoofdstuk.
Waarin Fogg, Passepartout en Fix elk hun eigen gang gaan.
Gedurende de laatste dagen van den overtocht was het zeer slecht weder. De wind woei hevig uit het noordwesten, wat voor het schip hoogst nadeelig was. De Rangoon, die vrij onvast van gang was, slingerde geweldig, en de passagiers, hadden alle recht, zoo zij wrevelig waren op die lange golven, welke de wind tegen de boorden van de boot opjoeg.
De 3e en 4e November waren stormachtige dagen. Rukwinden joegen de zee huizenhoog op en de Rangoon moest een halven dag lang alle zeilen reven en met een vierde van haar kracht werken, ten einde niet door den golfslag overweldigd te worden. Alle zeilen waren geborgen, maar zelfs het tuig scheen nog te veel en onophoudelijk hoorde men den wind er door heen fluiten. De mailboot vorderde dus, zooals men denken kan, veel langzamer, en men berekende dat, wanneer de wind niet ging liggen, men twintig uren later zou aankomen dan het reglement bepaalde.
Phileas Fogg was getuige van het schouwspel eener onstuimige zee, die rechtstreeks tegen hem scheen te kampen; maar zijne gewone kalmte verliet hem daarom niet. Geen oogenblik fronste hij zijn voorhoofd en nochtans kon eene vertraging van twintig uren zijn geheele reis verijdelen, daar hij dan de stoomboot naar Yokohama misliep. Maar deze man, men zou schier zeggen, zonder zenuwen, voelde ongeduld noch verveling. Het scheen waarlijk of de stormen in zijn programma stonden. Aouda, die meermalen met hem over het onstuimige weder sprak, vond hem als altijd even kalm als vroeger.
Op Fix had de storm een geheel tegenovergestelde uitwerking. Hij vond hem zeer aangenaam. Zijn vreugde zou paal noch perk gekend hebben, zoo de Rangoon uithoofde van het noodweer een haven had moeten binnenloopen. Al dat oponthoud kwam hem goed te stade, want het zou Fogg noodzaken eenige dagen te Hong-Kong te toeven.
Eindelijk dan was de hemel met zijne stormen op zijne hand. Hij zelf was er wel wat ziek van, maar wat deed er dat toe! Hij telde zijn zeeziekte niet; zoo zijn lichaam er al onder leed, zijn geest was vervuld met innige tevredenheid.
Wat Passepartout betreft, men kan begrijpen met welk eene kwalijk verholen woede hij deze beproeving doorstond. Tot hiertoe Bladzijde 102was alles goed gegaan. De aarde en de zee hadden zijn meester gediend. Stoombooten en spoorwegen hadden hem gehoorzaamd. Wind en storm hadden zich verbonden om zijn reis te bevorderen. Had dan eindelijk het uur der teleurstelling geslagen? Het was of Passepartout zelf de twintig duizend pond uit zijne eigene beurs moest betalen; hij leefde niet meer. De storm maakte hem woedend: die stormvlagen deden zijn toorn zulk eene hoogte bereiken, dat hij de ongehoorzame zee een pak slaag had kunnen geven. Fix hield natuurlijk zijne inwendige tevredenheid zorgvuldig voor hem verborgen en hij deed daar verstandig aan, want als Passepartout die geheime gewaarwording van Fix had vermoed, zou deze het kwaad te verantwoorden hebben gehad.
Zoolang de storm duurde, bleef Passepartout op het dek van de Rangoon. Hij had niet beneden kunnen blijven; hij klom in de mast; hij verbaasde de bemanning door zijne behendigheid en hielp haar met al de vlugheid van een aap. Wel honderd maal richtte hij vragen aan den kapitein, aan de stuurlieden, aan de matrozen, die lachten over zijne teleurstelling. Passepartout wilde volstrekt weten hoe lang de storm zou duren. Men verwees hem naar den barometer, die onophoudelijk bleef stijgen. Of hij hem al schudde, het baatte niets; het schudden zoo min als de scheldwoorden waarmede hij het instrument overlaadde.
Eindelijk bedaarde de storm. De zee werd den 4den November in den loop van den dag kalmer. De wind liep twee streken naar het zuiden om en werd gunstiger. Ook Passepartout's stemming verbeterde nu. Eenige zeilen konden bijgezet worden en de Rangoon hernam hare bewonderenswaardige snelheid.
Maar men kon den verloren tijd niet meer inhalen. Men moest zich wel in zijn lot schikken en eerst den 6den, des morgens ten 5 ure, kreeg men land in het gezicht. In de reis van Phileas Fogg was de aankomst van de boot op den 5den berekend en men had nu den 6den. Men was dus vier en twintig uur ten achter en zou niet naar Yokohama kunnen vertrekken.
Ten zes ure kwam de loods aan boord van de Rangoon en nam plaats bij het roer, ten einde het schip tusschen de ondiepten te sturen tot in de haven van Hong-Kong.
Passepartout had ontzaglijk veel lust om bij dien man inlichtingen te vragen, en van hem te vernemen of de mailboot van Yokohama Hong-Kong verlaten had. Maar hij durfde niet, liever wilde hij nog tot het laatste oogenblik de hoop behouden. Hij had van zijne ongerustheid Fix deelgenoot gemaakt, maar de slimme vos had hem getroost met het vooruitzicht, dat de heer Fogg dan de volgende boot maar nemen moest. Dat antwoord had Passepartout bijna een beroerte bezorgd.
Doch zoo Passepartout zelf het al niet waagde om bij den loods Bladzijde 103inlichting te vragen, de heer Fogg wendde zich tot dezen, na zijn Bradshaw te hebben geraadpleegd, en vroeg wanneer er een boot van Hong-Kong naar Yokohama vertrok.
“Morgen, zoodra het getij opkomt,” antwoordde deze.
“Zoo,” zeide Fogg, zonder eenige verwondering te doen blijken.
Passepartout, die daarbij tegenwoordig was, had den loods wel om den hals willen vliegen. Fix daarentegen had hem wel den nek willen omdraaien.
“Hoe heet de stoomboot?” vroeg Fogg.
“De Carnatic,” antwoordde de loods.
“Moest die boot gisteren niet reeds vertrokken zijn?”
“Ja, mijnheer, maar een harer ketels moest hersteld worden, en daardoor is haar vertrek tot morgen uitgesteld.”
“Zeer verplicht,” antwoordde Fogg, die met zijn automatischen gang zich weder naar de kajuit van de Rangoon begaf.
Wat Passepartout aangaat, deze vatte de loods bij de hand en die stevig drukkende, voegde hij hem toe:
“Loods, je bent een goeie kerel!”
De loods wist niet waaraan hij deze vriendschappelijke ontboezeming te danken had. Na zijn fluitje te hebben doen hooren, begaf hij zich op de brug en stuurde de mailboot tusschen de kleine vloot van prauwen, tankassen, visschersvaartuigen en allerlei andere schepen, welke in de haven van Hong-Kong lagen.
Ten éen ure liet de Rangoon haar anker vallen, en ontscheepte zij hare passagiers.
Het toeval, dit moet gezegd worden, was Phileas Fogg zeer gunstig geweest. Zoo de Carnatic niet genoodzaakt geweest ware hare stoomketels te doen herstellen, zou zij reeds den 5den November zijn vertrokken en de reizigers voor Japan hadden acht dagen lang op eene andere moeten wachten. Fogg was wel is waar vier en twintig uren ten achter, doch dit tijdverlies kon op zijne verdere reis geen nadeelige gevolgen hebben.
De stoomboot toch, die tusschen Yokohama en San-Francisco over de Stille Zuidzee dienst doet, correspondeert met de mailboot uit Hong-Kong, en zij kon dus niet vertrekken vóor dat deze aangekomen was. Men was vier en twintig uren ten achter, maar gedurende de twee en twintig dagen, die men op de Stille Zuidzee moest doorbrengen, kon men die gemakkelijk inhalen.
Phileas Fogg was dus, op vier en twintig uren na, en règle met zijn programma, vijf en dertig dagen nadat hij Londen had verlaten.
De Carnatic moest eerst den anderen morgen ten vijf ure vertrekken; Fogg had dus nog zestien uren voor zich, om zijne zaken te regelen; dat is te zeggen, die, welke mevrouw Aouda aangingen. Toen zij aan land kwamen bood hij de jonge vrouw Bladzijde 104zijn arm en leidde haar naar een draagstoel. Hij verzocht den dragers hem een hotel aan te wijzen, en dezen brachten hem naar het Hotel van de Club. De stoet met den palankijn begaf zich op weg en kwam, gevolgd door Passepartout, behouden aan zijne bestemming.
Een kamer werd Aouda aangewezen en Fogg zorgde dat het haar aan niets ontbrak. Hij zeide haar, dat hij terstond onderzoek zou gaan doen naar haren bloedverwant, aan wiens zorgen hij haar te Hong-Kong zoo overlaten. Hij gaf te gelijker tijd aan Passepartout last, het hotel niet te verlaten, opdat de jonge vrouw daar niet alleen zou zijn.
De gentleman begaf zich regelrecht naar de beurs. Daar zou men ongetwijfeld zulk een achtenswaardig man als Jejeeb kennen, daar deze onder de rijkste kooplieden der stad behoorde.
De makelaar, tot wien hij zich richtte, kende den Parsi inderdaad. Maar sedert twee jaar woonde deze niet meer in China. Toen hij zijn fortuin gemaakt had, was hij naar Europa vertrokken, men meende naar Holland, omdat hij in zijn loopbaan als handelaar veel relatiën met dit land gehad had. Phileas Fogg keerde terstond naar het Hotel van de Club terug. Hij liet aan mevrouw Aouda vragen, of hij een oogenblik bij haar gehoor kon ontvangen en zonder eenige inleiding vertelde hij haar, dat de achtenswaardige Jejeeb niet meer te Hong-Kong woonde, maar naar alle waarschijnlijkheid zich in Holland gevestigd had. Mevrouw Aouda antwoordde hier eerst niet op. Zij streek hare hand over haar voorhoofd, en na zich bedacht te hebben, zeide zij met hare liefelijke stem:
“Wat moet ik nu beginnen, mijnheer Fogg?”
“Wel, dat is heel eenvoudig, mevrouw: mede gaan naar Europa.”
“Maar ik kan geen misbruik maken....”
“Gij maakt volstrekt geen misbruik, en uwe tegenwoordigheid hindert in geenen deele aan mijn reis.—Passepartout!”
“Mijnheer,” antwoordde Passepartout.
“Ga naar de Carnatic en bestel drie hutten.”
Passepartout was recht in zijn schik, dat mevrouw Aouda de reis met hen zou voortzetten, daar deze zeer vriendelijk voor hem was, en verliet dan ook oogenblikkelijk het Hotel van de Club. Bladzijde 105
Negentiende Hoofdstuk.
Waarin Passepartout te veel belang stelt in zijn meester, en wat het gevolg er van was.
Hong-Kong is slechts een eilandje, dat na het verdrag van Nanking van 1842 aan Engeland is afgestaan. Binnen eenige jaren had de takt der Britten om te koloniseeren er een belangrijke stad van gemaakt en er een haven aangelegd, Victoria genaamd. Deze stad ligt aan den mond van de rivier Canton, en is slechts zestig mijlen verwijderd van de portugeesche stad Macao, welke op den anderen oever gebouwd is. Hong-Kong moest noodzakelijk in den handelswedstrijd Macao overwinnen en tegenwoordig gaat het grootste gedeelte van den uit- en invoer van China over de engelsche stad. De dokken, hospitalen, werven, entrepôts en een gothische kathedraal, een gouvernementshuis, mac-adam wegen, alles werkt mede om den bezoeker te doen gelooven, dat eene der beschaafdste steden van de graafschappen Kent of Surrey dwars door de aarde heen zich een weg heeft gebaand en op dit punt van China, nagenoeg bij de tegenvoeters, weder te voorschijn is gekomen.
Met de handen in den zak was Passepartout naar de haven Victoria geslenterd, stilstaande, om de palankijns te zien en de kruiwagens met zeilen, die nog in het hemelsche rijk in gebruik zijn, en al die Chineezen, Japanners en Europeanen, welke zich in de straten der stad verdringen. Nagenoeg hetzelfde als te Bombay en te Calcutta vond hij ook hier. Engelsche steden zijn dan ook over de geheele wereld gezaaid.
Passepartout kwam in de Victoria-haven; hij vond daar een menigte amerikaansche, engelsche, fransche en hollandsche vaartuigen, zoowel oorlogs- als koopvaardijschepen, japansche en chineesche booten, jonken, sempa's, panka's en zelfs booten met bloemen, die drijvende bloemperken in dit water schenen te vormen. Op zijne wandeling merkte Passepartout een aantal inboorlingen op in het geel gekleed, die allen reeds op gevorderden leeftijd waren. Van een chineesch barbier, door wien hij zich liet scheeren, en die tamelijk goed engelsch sprak, vernam hij dat zij allen boven de tachtig jaar oud waren en dat zij op dien leeftijd het recht hadden zich in de keizerlijke kleur, geel, te kleeden. Passepartout vond het zeer dwaas, al wist hij ook niet waarom.
Toen hij geschoren was, begaf hij zich aan boord van de Carnatic Bladzijde 106en daar vond hij den heer Fix heen en weer wandelende op het dek. Op zich zelf had dit niets vreemds, maar op het gelaat van den inspecteur waren duidelijke sporen van groote teleurstelling merkbaar.
“Geen wonder,” dacht Passepartout, “alles loopt ook slecht voor de heeren van de Reform-club; alles loopt ons mee.” En hij sprak Fix aan met een vroolijk gelaat als scheen hij het knorrige uitzicht van den inspecteur niet op te merken. Deze nu had maar al te gegronde redenen om de kans te verwenschen, die zich voortdurend tegen hem verklaarde. Het leed geen twijfel of het mandaat volgde hem, maar het kon hem niet bereiken, dan wanneer hij in deze of gene stad halt hield. Hong-Kong was het laatste engelsche grondgebied, dat zij op hun tocht aandeden en Fogg zou hem ontsnappen, indien het hem niet gelukte dezen hier te doen achterblijven.
“Welnu, mijnheer Fix, hebt ge besloten ons naar Yokohama te vergezellen?” vroeg Passepartout.
“Ja,” antwoordde Fix met kwalijk verbeten woede.
“Kom aan,” riep Passepartout, hartelijke lachende. “Ik wist wel dat gij niet van ons kondt scheiden. Laten wij nu samen maar plaats gaan nemen.”
Beiden begaven zich toen naar het plaatsbureel aan wal en bespraken vier hutten. De bureelist deelde hun echter mede dat, daar de herstellingen van de Carnatic waren voltooid, de mailboot dien avond ten acht ure zou vertrekken en niet den anderen morgen, zooals eerst was aangekondigd.
“Zeer goed,” zeide Passepartout, “dat zal mijn meester bevallen, ik zal hem dadelijk gaan waarschuwen.”
Toen Fix dit hoorde, besloot hij eene uiterste poging te wagen en alles aan Passepartout te zeggen; dit was misschien het eenige middel om Phileas Fogg nog eenige dagen te Hong-Kong te houden.
Het bureel verlatende, stelde Fix zijn reisgezel voor, eenige ververschingen te gaan gebruiken in eene naburige herberg. Passepartout had den tijd en nam de uitnoodiging van Fix aan. De herberg lag aan de kade en zag er uitlokkend uit. Zij traden er binnen. Het was eene groote, net versierde zaal, aan welker uiteinde men een lang rustbed zag met kussens, waarop verscheidene personen lagen te slapen.
Een dertigtal bezoekers waren aan kleine tafeltjes van gevlochten matwerk gezeten. Sommigen dronken engelsch bier, ale of porter, anderen sterken drank, jenever of brandewijn. Bovendien rookten de meesten lange rood-aarden pijpen, die gestopt waren met balletjes opium en oranjebloesem. Van tijd tot tijd zag men een der rookers onder tafel glijden; dan kwamen de knechts, namen hem bij het hoofd en de voeten en legden hem op het Bladzijde 107rustbed bij de andere slapers neder. Een twintigtal van die dronkaards lagen daar reeds roerloos naast elkander, in de laatste phase van verdooving.
Fix en Passepartout begrepen dat zij eene herberg waren binnengetreden, die gewoonlijk bezocht werd door de ongelukkigen, welke door het opium-schuiven worden bedwelmd, waarvan het handeldrijvende Engeland jaarlijks voor honderd dertig millioen gulden verkoopt. Ongelukkige millioenen, welke geheven worden met behulp van eene der noodlottigste menschelijke hartstochten!
Het chineesche Gouvernement heeft zulk een misbruik door strenge wetten wel zoeken te verhelpen, maar te vergeefs. Het gebruik van opium dat eerst slechts onder het bereik van den aanzienlijken stand was, drong van lieverlede ook door tot de lagere klassen, en nu is er geen einde meer aan de buitensporigheid door deze bedreven. Overal en altijd schuift men in het Hemelsche Rijk opium. Mannen en vrouwen geven zich aan dezen verderfelijken hartstocht over, en wanneer zij eenmaal aan die inademing gewoon zijn, kunnen zij er ook niet meer buiten, of zij lijden aan vreeselijke maagkrampen. Een goed rooker kan acht pijpen daags rooken, maar hij sterft dan ook in vijf jaar.
In zulk eene herberg nu, waarvan er zeer velen in Hong-Kong zijn, waren Fix en Passepartout binnengegaan, met het doel om zich een weinig te verfrisschen. Passepartout had geen geld bij zich, maar hij maakte gaarne van de mildheid van zijn reisgezel gebruik, die hij hem bij gelegenheid hoopte te vergelden.
Men bestelde twee flesschen portwijn, waaraan de Franschman zich te goed deed, terwijl Fix, die matiger was, hem met de grootste aandacht gadesloeg. Men praatte over allerlei zaken, maar vooral over den goeden inval van Fix om ook eene plaats op de Carnatic te bespreken. En toen zij over de stoomboot, welker vertrek eenige uren was vervroegd, uitgepraat en de flesschen ledig waren, besloot Passepartout zijn meester te gaan waarschuwen, dat zij binnen een paar uur vertrekken zou.
Maar Fix hield hem terug.
“Een oogenblik,” zeide hij.
“Wat wilt gij, mijnheer Fix?”
“Ik heb nog over ernstige zaken met u te praten.”
“Ernstige zaken,” herhaalde Passepartout, zijn glas uitdrinkende, waarin nog enkele druppels waren. “Welnu, daar zullen wij morgen wel eens over spreken, ik heb nu geen tijd meer.”
“Neen nu,” antwoordde Fix, “want het geldt uw meester.”
Passepartout keek op dit gezegde Fix scherp in de oogen. Het gelaat van Fix maakte op hem een zonderlingen indruk. Hij ging weder zitten.
“Wat hebt gij mij te zeggen?” vroeg hij. Bladzijde 108
Fix legde zijne hand op den arm van zijn reisgezel en op fluisterenden toon vroeg hij:
“Gij hebt geraden wie ik ben?”
“Wel zeker,” antwoordde Passepartout glimlachend.
“Dan zal ik u alles bekennen.”
“Nu ik alles weet, vriendje! Wel nu nog mooier. Maar ga je gang. Eerst echter moet ge mij de opmerking vergunnen, dat die heeren noodelooze onkosten hebben gemaakt!”
“Noodeloos,” herhaalde Fix, “ge spreekt er gemakkelijk over. Men kan wel zien, dat gij niet weet welk eene som er mede gemoeid is.”
“Wel zeker, weet ik dat. Twintig duizend pond.”
“Vijf en vijftig duizend!” sprak Fix, de hand van den Franschman drukkende.
“Wat!” riep Passepartout. “Mijnheer Fogg zou het gewaagd hebben ... vijf en vijftig duizend pond!... Welnu eene reden te meer om geen oogenblik tijd te verliezen,” eindigde hij en stond weder op.
“Vijf en vijftig duizend pond!” herhaalde Fix, die Passepartout dwong weder plaats te nemen, na een flesch brandewijn te hebben besteld, “en als ik slaag, krijg ik eene belooning van twee duizend. Wilt gij er vijfhonderd van, onder voorwaarde dat gij mij helpt?”
“U helpen!” riep Passepartout uit, wiens oogen bovennatuurlijk groot werden.
“Ja, mij helpen om dien Fogg eenige dagen te Hong-Kong op te houden.”
“Wat?” zeide Passepartout; “wat verlangt gij? Niet genoeg, dat zij mijn meester doen volgen en zijn goede trouw verdenken, zouden die heeren hem nu ook moeielijkheden in den weg willen leggen! Ik schaam mij over hen.”
“Maar wat meent ge dan toch?” vroeg Fix.
“Wat ik meen? Dat dit een gemeene streek is. Men had even goed hem kunnen bestelen; het geld uit zijn zak kunnen halen.”
“En dat denk ik dan ook te doen.”
“Maar dat is een verraderlijke streek!” riep Passepartout uit, die onder den invloed van den brandewijn opgewonden raakte, want Fix had hem blijven inschenken en hij dronk zonder het te weten. “Dat is een verraderlijke, gemeene streek! En dat zijn gentlemen en collega's.”
Fix begreep er nu niets meer van.
“Collega's,” vervolgde Passepartout; “leden van de Reform-club! Vergeet niet, mijnheer Fix, dat mijn meester een eerlijk man is en wanneer hij eene weddenschap aangaat, wil hij die op loyale wijze winnen.” Bladzijde 109