WeRead Powered by ReaderPub
De reis om de wereld in tachtig dagen cover

De reis om de wereld in tachtig dagen

Chapter 35: Drie en Dertigste Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The story follows a methodical gentleman who wagers he can circumnavigate the globe within eighty days; he departs with a newly hired valet and encounters delays, accidents, and a variety of cultural encounters while traveling by trains, steamers, and other means. A persistent detective, convinced the traveler is linked to a crime, pursues the party, and along the way the traveler rescues and accompanies a young woman. The narrative combines brisk travel adventure and comic character contrasts with practical problem-solving, reflections on technology and punctuality, and a mounting tension as the journey becomes a race against time that resolves in an unexpected way.

Twee en Dertigste Hoofdstuk.

Waarin Phileas Fogg een directen strijd voert tegen het noodlot.

De China scheen bij haar vertrek tevens Fogg's laatste hoop medegenomen te hebben.

Geen der mailbooten toch die rechtstreeks dienst doen tusschen Amerika en Europa, noch de Fransche mailbooten, noch de stoombooten van de Witte-Ster-lijn, noch die van de Compagnie Inman, of de Hamburgsche lijn konden den gentleman in zijn plannen dienen.

De Pereire van den franschen maildienst vertrok eerst twee dagen later; bovendien voer zij niet rechtstreeks naar Liverpool of Londen, maar naar Havre, en de reis van daar naar Southampton zou de laatste kansen van Fogg hebben verijdeld. Aan de booten van Inman viel niet te denken. Deze zijn vooral ingericht voor landverhuizers; hare machines zijn zwak, zij gebruiken evenveel zeil als stoom en hare snelheid is dan ook zeer middelmatig. Voor de overvaart van New-York naar Engeland zouden zij meer tijd verreizen dan Phileas Fogg noodig had om zijne weddenschap te winnen. Bladzijde 197

De wolven uit de prairiën, mager en uitgehongerd. Blz. 195.

Al deze mededeelingen vond de gentleman in zijne Bradshaw. Passepartout was verpletterd: die vijf en veertig minuten welke men te laat was gekomen om de mailboot te halen, maakten hem Bladzijde 198diep rampzalig. Zijne schuld was het, de zijne alleen, daar hij, in plaats van zijn meester te helpen, voortdurend hinderpalen op diens weg had opgehoopt. En wanneer hij in zijn geest alle bijzonderheden van de reis terug zag, wanneer hij dacht aan het louter weggeworpen geld dat alleen ten zijnen behoeve noodig was geweest; wanneer hij daarbij overwoog, dat die ontzaglijke weddenschap, nog vermeerderd met de aanzienlijke kosten van de reis, die nu noodeloos was geworden, den heer Fogg geheel ruïneerde, dan verwenschte hij zich zelven.

Fogg deed hem nochtans geen enkel verwijt, de aanlegplaats van de fransche mailboot verlatende, zeide hij slechts:

“Wij zullen morgen overleggen. Kom mede.”

Fogg, Aouda, Fix en Passepartout trokken den Hudson weder over en stegen in een rijtuig, dat hen naar het Sint-Nikolaas-hotel in Broadway bracht. Eenige kamers werden daar ter hunner beschikking gesteld, en de nacht ging voor Fogg spoedig voorbij, daar hij zeer gerust sliep, maar hij duurde voor Aouda en de andere reizigers lang, omdat hunne gejaagdheid hun niet toeliet te rusten.

Den anderen dag zou het den 12den December zijn. Van den 12den 's morgens zeven ure tot den 21sten 's avonds kwart voor negenen was negen dagen, dertien uren en vijf en veertig minuten. Zoo Fogg dus den vorigen dag met de China vertrokken ware, een der beste stoomschepen van de Cunard-lijn, zou hij te Liverpool en te Londen op den bepaalden tijd zijn aangekomen.

Fogg verliet zijn hotel alleen, na aan zijn knecht bevolen te hebben te wachten en mevrouw Aouda te verzoeken zich gereed te maken.

Hij begaf zich naar de oevers van den Hudson en onder de schepen, die voor anker lagen op de kade of op stroom, zocht hij nauwkeurig diegenen uit, welke op het punt waren te vertrekken. Vele schepen hadden reeds hunne bestemming en waren klaar om met den vloed in zee te steken, want in deze groote en bewonderenswaardige haven van New-York gaat er geen dag om, dat er geen honderd schepen naar alle deelen van de wereld vertrekken. Maar de meesten waren zeilschepen en konden dus Fogg niet dienen voor zijne plannen.

De laatste poging van den gentleman scheen dus te mislukken, toen hij vóor de batterij een scherp gebouwd stoomschip voor anker zag liggen, dat zich gereed maakte om te vertrekken. Phileas Fogg riep een bootje aan, sprong er in en bereikte met een paar slagen de scheepstrap der Henrietta. De kapitein van de Henrietta was aan boord. Fogg klom op het dek en vroeg naar den kapitein. Deze kwam dadelijk te voorschijn.

Hij was een man van omstreeks vijftig jaar, een echte zeerob, met groote oogen, verbrand gelaat, rood haar en een ruw voorkomen. Hij had niets van een beschaafd man. Bladzijde 199

“Gij zijt de kapitein?” vroeg Fogg.

“Dat ben ik.”

“Ik ben Phileas Fogg, uit Londen.”

“En ik Andrew Speedy, uit Cardiff.”

“Gij gaat vertrekken?”

“Over een uur.”

“Gij gaat naar...?”

“Bordeaux.”

“En uw lading?”

“Alleen ballast, geen lading. Ik ga vracht halen.”

“Hebt gij passagiers?”

“Geen passagiers. Nooit passagiers. Redeneerende en in den weg loopende lading.”

“Uw schip loopt goed?”

“Tusschen de elf en twaalf knoopen. De Henrietta is goed bekend.”

“Wilt gij mij en drie andere passagiers naar Liverpool brengen?” vroeg Fogg.

“Waarom niet liever naar China?”

“Ik zeg Liverpool.”

“Neen.”

“Neen?”

“Neen. Ik ben uitgeklaard voor Bordeaux, en ik ga naar Bordeaux.”

“Tot elken prijs?”

“Tot elken prijs.”

De kapitein had gesproken op een toon, die geen tegenspraak gedoogde.

“Maar de reeders van de Henrietta....” hernam Phileas Fogg.

“De reeders—ben ik,” antwoordde de kapitein, “het schip behoort mij toe.”

“Ik huur het van u.”

“Neen.”

“Ik koop het.”

“Neen.”

Phileas Fogg fronste zelfs het voorhoofd niet. Nochtans was de toestand zeer ernstig. Te New-York was het niet als te Hong-Kong en de kapitein van de Henrietta was een gansch ander man dan de patroon van de Tankadère. Tot dus verre had Fogg alle hinderpalen met geld weten te overwinnen. Thans leed ook dit middel schipbreuk.

Toch moest er een middel worden gevonden om de Atlantische zee over te steken met een schip—tenzij men dit niet met een luchtballon wilde doen, wat zeer gewaagd was en waartoe bovendien thans geen gelegenheid bestond.

Het scheen intusschen dat Fogg een idee had, want hij zeide tot den kapitein: Bladzijde 200

“Welnu, wilt gij mij naar Bordeaux brengen?”

“Neen, al betaaldet gij 200 dollars.”

“Ik bied er u twee duizend.”

“Per persoon?”

“Per persoon.”

“En gij zijt met u vieren?”

“Met ons vieren.”

Kapitein Speedy krabde zich het oor, zoodat hij er bijna het vel afhaalde.

Acht duizend dollars te verdienen zonder zijn koers te veranderen, dat was wel de moeite waard om zijn tegenzin voor passagiers te overwinnen. Passagiers tegen twee duizend dollars het stuk, dat zijn geen passagiers meer; dat is eene kostbare lading.

“Ik vertrek ten negen ure,” zeide kapitein Speetly droog. “Zijt gij dan met de uwen hier?”

“Wij zullen ten negen ure aan boord zijn,” antwoordde Fogg even kortaf.

Het was half negen. De Henrietta te verlaten, zich in een rijtuig te zetten, naar het Sint-Nicolaas-hotel te rijden, terug te keeren met Aouda, Passepartout en den onafscheidelijken Fix, aan wien hij welwillend eene plaats aanbood, dit alles deed hij weder met de kalmte, die hem geen oogenblik verliet.

Toen de Henrietta de haven verliet waren zij alle vier aan boord.

Toen Passepartout vernam wat deze overtocht aan zijn meester kosten zou, uitte hij een van de gerekte O's, die den geheelen toonladder doorliepen.

Wat den inspecteur Fix betreft, deze zeide bij zich zelven dat in elk geval de engelsche bank niet zonder schade er af zou komen. Immers wanneer men aannam dat Fogg nog niet eenige zakken guinjes over boord wierp, dan zou er meer dan acht duizend pond aan den zak met banknoten ontbreken.

Drie en Dertigste Hoofdstuk.

Waarin Phileas Fogg toont op de hoogte van den toestand te zijn.

Een uur later verliet de stoomboot de Henrietta het lichtschip van den mond der Hudson, voer de Sandy-Hook-kaap om en stak in zee. Zij hield de richting der kust van Long-Island met de baak van Fire-Island in het verschiet en zette met snelheid koers naar het oosten.

Den anderen morgen, 13 December, des middags, klom een man Bladzijde 201op de brug, die het dek overspande. Men zou denken, dat het kapitein Speedy was. Deze was het evenwel volstrekt niet, maar Phileas Fogg esq.

“Zeeroover,” riep Andrew Speedy uit. Blz. 206.

Bladzijde 202

Wat kapitein Speedy betreft; deze zat goed en wel achter slot in zijn hut en schreeuwde op een toon, die overtuigend bewees dat zijne woede tot den hoogsten top was gestegen.

Wat er gebeurd was, is in korte woorden mede te deelen. Phileas Fogg wilde naar Liverpool, de kapitein wilde er hem niet brengen. Toen had Phileas Fogg aangenomen om zich naar Bordeaux te laten brengen, en gedurende de dertig uren, dat hij aan boord was, had hij zóo goed met zijne banknoten gewerkt, dat de stuurman, de matrozen, de stokers—eene samengeraapte equipage, die niet op den besten voet met den kapitein stond—hem toebehoorde. Dit was de oorzaak, dat Phileas Fogg het bevel voerde in plaats van kapitein Speedy, dat deze in zijne hut was opgesloten en de Henrietta koers zette naar Liverpool. Dit alleen bleek nog uit de wijze waarop Fogg bevelen gaf, dat hij een goed zeeman was.

Hoe dit voorval afloopt, zal men later vernemen. Intusschen Aouda was zeer ongerust, al liet zij er niets van blijken. Fix was eerst geheel verbijsterd. Wat Passepartout betreft, deze vond de zaak aanbiddelijk mooi.

“Tusschen de tien en elf knoopen” had kapitein Speedy gezegd, en inderdaad de Henrietta legde met deze snelheid de reis af.

Zoo dus de zee niet te onstuimig werd, zoo de wind niet naar het westen liep, zoo er geen ongeluk aan het vaartuig overkwam, en zoo de machine niet brak, kon de Henrietta in de negen dagen van den 12den December tot den 21sten de drie duizend mijlen afleggen, die New-York van Liverpool scheiden. Intusschen wanneer men aangekomen was, zou de zaak der Henrietta bij die van den diefstal aan de Bank gevoegd, Phileas Fogg misschien nog verder brengen dan hem lief was.

Gedurende de eerste dagen ging de tocht uitnemend. De zee was niet zeer onstuimig, de wind bleef in het noordwesten, de zeilen stonden bij, en tusschen de schoeners liep de Henrietta als eene ware trans-atlantische boot voorbij.

Passepartout was verrukt. De laatste daad van zijn heer, waarvan hij de gevolgen niet wilde inzien, had hem met bewondering vervuld. Nooit hadden de matrozen vroolijker en handiger passagier aan boord gehad. Hij was voor de bemanning de vriendelijkheid zelve en verbaasde iedereen door zijne gymnastische toeren. Aan de schepelingen gaf hij de mooiste namen en de lekkerste borrels. Zij manoeuvreerden volgens hem als gentlemen en de stokers stookten als helden. Zijn goed humeur en zijn spraakzaamheid deelden zich aan allen mede. Hij had het verleden, de overwonnen hinderpalen en de doorgestane gevaren vergeten. Hij dacht slechts aan het doel dat men op het punt was te bereiken en somtijds kookte hij van ongeduld alsof ook hij verwarmd werd door Bladzijde 203het vuur van de Henrietta. Nu en dan draaide hij om Fix heen en zag hem aan met veelbeteekenenden blik, maar zonder een woord tot hem te zeggen. Tusschen de twee voormalige vrienden bestond niet de geringste vertrouwelijkheid meer. Bovendien Fix begreep er niets meer van. De verovering van de Henrietta, het omkoopen van hare equipage, die Fogg, welke commandeerde als een geboren zeeman, dat alles ging zijn verstand te boven. Hij wist niet wat hij er van denken moest. Maar een heer, die begon met een vijf en vijftig duizend pond te stelen, kan wel eindigen met het stelen van een schip. En Fix geloofde natuurlijk dat de Henrietta onder het bestuur van Fogg volstrekt niet naar Liverpool ging, maar naar eenig oord op de wereld, waar de dief, die nu zeeroover was geworden, rustig in veiligheid was. Men moet erkennen, dat die onderstelling voor de hand lag en de detective begon ernstig berouw te gevoelen, dat hij zich in deze zaak had gemengd.

Wat kapitein Speedy betreft, deze bleef maar altijd schreeuwen in zijne hut en Passepartout die in last had om voor diens onderhoud te zorgen, moest daarbij de grootste voorzorgen in acht nemen, hoe sterk hij ook was. Fogg zelf scheen geheel vergeten te zijn dat er nog een kapitein aan boord was.

Den 13den passeerde men het uiteinde van de kaap New-Foundland. Dit was een kwaad punt. Des winters vooral heeft men hier vaak met mist en storm te kampen. Sedert den vorigen avond was de barometer plotseling gedaald en voorspelde eene aanstaande verandering van weer. Werkelijk veranderde de temperatuur gedurende den nacht; de koude werd sterker en terzelfder tijd draaide de wind naar het zuidoosten.

Dit was een nieuwe hinderpaal. Fogg moest, om niet af te wijken, de zeilen bergen en meer stoom maken. Toch ging het schip zoo snel niet meer, daar de golven onophoudelijk tegen de zijden sloegen. Het stampte geweldig, wat zijne snelheid zeer verminderde. De wind nam langzamerhand toe, en men voorzag reeds het geval dat de Henrietta zich niet meer op de golven zou kunnen houden. Zoo zij zich bergen moest, wist men niet waar en alle kansen waren tegen. Het gelaat van Passepartout betrok evenals de hemel, en twee dagen lang onderging de arme knecht de doodelijkste kwellingen. Maar Phileas Fogg was een moedig zeeman, die het hoofd aan de zee wist te bieden. Hij ging altijd door zonder stoom te minderen. Zoo de Henrietta niet over een golf kon, ging zij er dwars door heen, zoodat het dek overstroomde, maar zij kwam er toch. Somtijds lag de schroef uit het water en maalden de schroef bladen als bezetenen door de lucht, wanneer een berg van water de kiel boven de golven deed rijzen. Maar de boot ging altijd voorwaarts. Bladzijde 204

De wind stak echter niet zoo hevig op als men wel gevreesd had. Het was niet een van die orkanen, die met een snelheid van negentig mijlen in het uur voorttrekken. Het bleef bij hevige stormvlagen, maar ongelukkigerwijze blies de wind altijd uit het zuidoosten, zoodat men geene zeilen kon bijzetten. Toch was het, zooals men zien zal, zeer noodig dat men den stoom te hulp kwam.

Den 11den December was de vijf en zeventigste dag na het vertrek uit Londen. De Henrietta had nog geen oponthoud gehad, dat tot ongerustheid aanleiding gaf. De helft van den overtocht had men achter den rug, en de slechtste gedeelten waren voorbij. Zoo het zomer ware geweest, zou men zeker geweest zijn, dat de tocht gelukt was. In den winter was men blootgesteld aan het slechte jaargetijde, Passepartout zeide niets. Hij koesterde veel hoop, en zoo de wind hem al tegen was, rekende hij op den stoom.

Dien dag nu kwam de machinist op het dek, om met Fogg te spreken en had met hem een lang onderhoud.

Zonder te weten waarom—ongetwijfeld uit een voorgevoel—was Passepartout zeer onrustig. Hij had wel een zijner ooren willen geven om met het andere te hooren wat zijn meester zeide. Hij kon echter eenige woorden opvangen, onder anderen:

“Gij zijt zeker van hetgeen gij daar zegt?”

“Zeker, mijnheer. Vergeet niet, dat wij sedert ons vertrek al onze vuren deden branden.”

Passepartout, die dit gesprek hoorde, voelde zijne beenen onder zich wegzinken; Fogg verroerde zich niet.

“Gij begrijpt wel dat ik, zoo ik den tijd te New-York had gehad, mij dan voorzien zou hebben van kolen, maar herinner u, gij kwaamt om kwart over achten en ten negen ure zijn wij vertrokken. De Henrietta is er op ingericht om zoowel met stoom als met zeilen de reis te maken, en hoewel zij steenkolen genoeg had om rustig van New-York naar Bordeaux te varen, zij heeft er niet genoeg om met alle kracht van New-York naar Liverpool de reis te maken.”

“Ik zal er over denken,” antwoordde Fogg.

Passepartout had thans alles begrepen. Hij werd doodelijk ongerust.

Er zouden weldra geen kolen meer zijn.

“O!” dacht hij, “als mijn meester ook dit bezwaar overwint, is hij bepaald een knappe kerel.”

Toen hij Fix ontmoette, kon hij niet nalaten dezen op de hoogte der zaak te brengen.

“Gij gelooft dus,” vroeg de inspecteur, terwijl hij op zijne tanden beet, “dat wij naar Liverpool gaan!”

“Wel zeker.”

“Stommerik!” hernam de inspecteur, terwijl hij de schouders ophaalde en zich omkeerde. Bladzijde 204

De bemanning legde daarbij een ongekenden ijver aan den dag. Blz. 208.

Passepartout was op het punt om hem opheldering van dat woord te vragen, waarvan hij trouwens de beteekenis zeer goed begreep, maar hij overwoog bij zich zelven, dat de ongelukkige Fix toch Bladzijde 205al teleurgesteld genoeg moest zijn en zijne eigenliefde zich zeer vernederd moest gevoelen, omdat hij zoo dom was geweest om een verkeerd spoor te volgen, dat hem eene reis rondom de wereld had doen maken, en hij stapte dus maar over de beleediging heen.

Wat stond Phileas Fogg nu te doen? Dit was moeielijk te gissen. Het scheen evenwel dat de reiziger het wist, want denzelfden avond liet hij den machinist bij zich komen en zeide:

“Stook zoo hard gij kunt en ga daarmede voort tot alle brandstoffen op zijn.”

Eenige oogenblikken later stegen er uit de schoorsteenen der Henrietta weder dikke rookkolommen op.

Het schip ging dus zoo snel mogelijk vooruit, maar de machinist deed den 18den, twee dagen later, weten, dat er in den loop van dien dag gebrek aan steenkolen zou zijn.

“Goed,” zeide Fogg. “Laat het vuur even fel branden.” Men bezware integendeel de veiligheidskleppen.

Tegen den middag van dien dag deed Phileas Fogg, na hoogte genomen te hebben en te hebben berekend, waar men zich bevond, Passepartout bij zich komen, en beval hem kapitein Speedy voor te brengen. Men had hem even goed kunnen gelasten een tijger los te laten en terwijl hij naar beneden ging, mompelde Passepartout dan ook bij zich zelven:

“De kerel zal bepaald dol zijn.”

En inderdaad eenige minuten later was het of er een bom op het dek viel. Die bom was kapitein Speedy. Alles kondigde aan dat zij zou springen.

“Waar zijn wij?” waren de eerste woorden, die hij uitte te midden van allerlei ontboezemingen van drift, en als de man eenigen aanleg voor eene beroerte had gehad, zou hij zeker zijn bezweken.

“Waar zijn wij?” herhaalde hij met een gezicht dat dreigde te barsten.

“Op zeven honderd zeventig mijlen van Liverpool, kapitein;” antwoordde Fogg dood kalm.

“Zeeroover,” riep Andrew Speedy uit.

“Ik heb u doen komen, mijnheer”....

“Zeeschuimer!”....

“Mijnheer,” ging Fogg voort, “ten einde u te verzoeken om uw schip te verkoopen.”

“Neen, bij alle duivels! neen!”

“Ziet ge, ik zal verplicht zijn om het te verbranden.”

“Mijn schip verbranden!”

“Ja, ten minste het bovengedeelte, want wij hebben geen brandstof meer.”

“Mijn schip verbranden!” riep kapitein Speedy, die ter nauwernood Bladzijde 207de woorden kon uitspreken, “een schip, dat 50,000 dollars waard is!”

“Hier hebt gij er 60,000,” antwoordde Phileas Fogg den kapitein een tros bankbiljetten voorhoudende.

Dit maakte een onbeschrijfelijken indruk op Andrew Speedy. Op een Amerikaan maken 60,000 dollars altijd zekeren indruk. De kapitein vergat oogenblikkelijk zijn toorn, zijne gevangenschap en al zijne grieven tegen zijn passagier. Zijn schip was twintig jaar oud. Het was eene schitterende zaak. De bom kon niet meer springen. De heer Fogg had de lont verwijderd.

“En het ijzeren karkas en de machine, mijnheer. Is de zaak in orde?”

“Geheel in orde.”

Andrew Speedy nam oogenblikkelijk den tros met bankbiljetten aan en deed die in zijn zak verdwijnen.

Bij dit onderhoud werd Passepartout doodsbleek. Wat Fix betreft, hij dacht een beroerte te krijgen. Weder werden 12,500 pond weggegooid en bovendien liet die Fogg het geraamte van het schip en de machine aan den verkooper, terwijl deze juist de geheele waarde van het schip uitmaakten. Maar daartegenover stond, dat de diefstal aan de bank vijf en vijftig duizend pond sterling bedroeg.

Toen Andrew Speedy het geld had opgestoken, zeide Fogg:

“Wat gij ziet, mijnheer, verwondere u niet. Gij moet weten dat ik twintig duizend pond verlies, wanneer ik den 21sten December, kwartier voor negenen niet te Londen ben. De mailboot van New-York heb ik niet kunnen halen en daar gij mij niet naar Liverpool woudt brengen....”

“En daar heb ik zeer goed aan gedaan, bij de vijftig duizend duivels der heil” riep Andrew Speedy uit, “daar ik er veertig duizend dollars bij win.”

Toen ging hij op kalmer toon voort:

“Wil ik je eens wat zeggen, kapitein?....”

“Fogg.”

“Kapitein Fogg, er is iets van een Yankee in u.”

Na dit compliment—althans in zijn oogen—aan zijne passagier, wilde hij gaan toen Fogg hem vroeg:

“Alzoo behoort dit schip nu aan mij?”

“Van de kiel tot den mast, voor zoover het hout is, natuurlijk.”

“Laat al het hout in het binnenste van het schip afbreken en stook met die stukken,” beval hij.

Men begrijpt hoeveel hout men moest verbranden om den stoom op voldoende drukking te houden. Dienzelfden dag gebruikte men de kajuiten, de hutten, de slaapplaatsen en de campagne.

Den volgenden morgen, 19 December, verbrandde men de ra's Bladzijde 208stengen en verschansingen. Men kapte de masten en hakte ze klein. De bemanning legde daarbij een ongekenden ijver aan den dag en Passepartout hakte, sneed, zaagde en werkte voor tien. Het scheen dat een geest van vernieling zich van allen meester had gemaakt.

Den 20sten gingen de valluiken, de verschansingen en een gedeelte van het dek in het vuur, de Henrietta werd stuk voor stuk gesloopt. Maar dien dag zag men de Iersche kust en de baak van Fastnet.

Tegen tien uur in den avond was men echter nog niet verder dan de straat van Queenstown gevorderd. Phileas Fogg had nog vier en twintig uren om Londen te bereiken, en dien tijd had de Henrietta noodig om te Liverpool te komen, wanneer zij met vollen stoom voortging. Maar de stoom zou weldra aan den stoutmoedigen Brit ontbreken.

“Mijnheer,” zeide kapitein Speedy, “ik beklaag u waarlijk, alles werkt tegen: wij zijn nog slechts voor Queenstown.”

“Zoo,” zeide Fogg, “is dat stadje, waarvan wij hier de lichten zien, Queenstown?”

“Ja.”

“Kunnen wij de haven binnenloopen?”

“Niet vóór drie uur met hoog water.”

“Dan zullen wij wachten,” zeide Fogg bedaard, zonder dat op zijn gelaat een spoor te lezen was van zijn vast besluit, dat hij ook dezen laatsten hinderpaal zou overwinnen.

Queenstown toch is een haven op de Iersche kust, waar de transatlantische booten de brievenmail afgeven. Die mail wordt naar Dublin vervoerd door expres-treinen, die steeds gereed staan. Van Dublin gaan zij naar Liverpool, met extra-stoombooten, die twaalf uren vóor hebben op de snelste booten der transatlantische maatschappijen. Van die twaalf uren, welke de amerikaansche mail vóor was, wilde Fogg ook gebruik maken. In plaats van den volgenden avond met de Henrietta te Liverpool aan te komen, zou hij er des middags zijn en alzoo den tijd hebben om vóor kwart voor negenen te Londen te wezen.

Tegen één uur in den morgen kwam de Henrietta met hoog water in de haven van Queenstown, en Phileas Fogg, na een stevigen handdruk van kapitein Speedy ontvangen te hebben, liet hem de karkas van zijn schip, die nog de helft van de koopsom waard was. De passagiers gingen terstond aan wal. Fix had op het oogenblik een onbedwingbaren lust om zijn man te arresteeren. Nochtans deed hij het niet. Waarom niet? Welken strijd voerde hij dan in zijn binnenste? Was hij ten aanzien van Fogg van meening veranderd? Begreep hij dan eindelijk dat hij zich vergist had? Toch liet Fix den heer Fogg niet los. Met hem, met Aouda en met Passepartout, Bladzijde 209die zich zelfs geen tijd gaf om adem te halen, nam hij plaats in den trein, die van Queenstown ten half twee ure in den morgen naar Dublin vertrok, daar met het aanbreken van den Bladzijde 214dag aankwam en waarvan de reizigers zich terstond aan boord begaven van een der stoombooten, wier ruimte bijna geheel door de machines is ingenomen en die trots alle weer en wind binnen den bepaalden tijd den overtocht maken.

“In naam der koningin zijt gij mijn arrestant,” Blz. 210.

Ten één ure in den namiddag van den 21sten December zette Phileas Fogg den voet op de kade van Liverpool, niet ver van den Victoria-toren. Hij was nog slechts zes uren van Londen verwijderd.

Op dat oogenblik legde Fix zijn hand op Fogg's schouder en, zijn mandaat vertoonende, vroeg hij:

“Zijt gij Phileas Fogg?”

“Ja, mijnheer.”

“In naam der koningin, zijt gij mijn arrestant.”

Vier en Dertigste Hoofdstuk.

Waarin Fix tot betere gedachten komt.

Phileas Fogg was gevangen. Men had hem op het kantoor van inkomende rechten van Liverpool gesloten en hij moest daar den nacht doorbrengen, in afwachting dat hij naar Londen zou worden getransporteerd.

Op het oogenblik der inhechtenisneming had Passepartont zich op den detective willen werpen. Maar de politie-agenten hadden hem tegengehouden. Aouda was verbaasd over de brutaliteit van het feit, en daar zij er niets van wist, begreep zij er ook niets van. Passepartout verklaarde haar alles. Fogg, die eerlijke en moedige gentleman, aan wien zij haar leven te danken had, was als een dief in hechtenis genomen. Over zulk een verdenking was de jonge vrouw in de hoogste mate verontwaardigd. Tranen welden in hare oogen, vooral bij het besef dat zij niets kon doen, niets kon beproeven om haar redder bij te staan.

Wat Fix aangaat, hij had den gentleman gearresteerd, omdat zijn plicht het gebood; of Fogg schuldig was of niet, zou de justitie beslissen. Maar toen kwam er een vreeselijke gedachte bij Passepartout op, de gedachte dat hij ongetwijfeld de oorzaak van dit ongeluk was. En inderdaad waarom had hij het gebeurde voor Fogg geheim gehouden? Waarom had hij, toen Fix hem zoowel zijn Bladzijde 211betrekking van inspecteur van politie als de zending, waarmede hij belast was, had medegedeeld, zijn meester niet gewaarschuwd? Zoo deze gewaarschuwd ware, zou hij immers aan Fix bewijzen hebben gegeven van zijn onschuld? hij zou hem zijn dwaling aangetoond hebben; in alle geval zou hij niet op zijn kosten dien verwenschten agent met zich genomen hebben, wiens eerste zorg was geweest hem te arresteeren, zoodra hij den voet zette op den bodem van het Vereenigde Koninkrijk. Denkende aan zijn schuld en aan zijn onvoorzichtigheid, doorstond de arme kerel de hevigste kwellingen. Hij weende dat men medelijden met hem moest hebben. Hij had zijn hoofd wel willen verbrijzelen.

Aouda en hij waren, ondanks de koude, in de vestibule gebleven. Zij wilden geen van beiden de plaats verlaten. Zij wilden Fogg nog eenmaal wederzien. Wat dezen betreft, hij was goed en wel geruïneerd, en dat juist op het oogenblik dat hij zijn doel zou bereiken. De arrestatie was zijn ongeluk. Toen hij den 21sten December des morgens twintig minuten vóor twaalven te Liverpool aankwam, had hij tot kwart vóor negenen den tijd om zich in de Reform-club te vertoonen;—dus negen uur en vijftien minuten—en hij had slechts zes uur noodig om naar Londen te komen.

Op dat oogenblik zou ieder, die in het kantoor der douanen doorgedrongen was, Fogg gezien hebben, op een bank gezeten even kalm en onverstoorbaar als altijd. Onderworpen kon men niet zeggen, maar ook die laatste slag had hem niet kunnen ontroeren, ten minste zoo scheen het. Woedde in zijn binnenste een verborgen toorn, die te vreeselijker was, omdat hij dien moest bedwingen, maar die op een gegeven oogenblik met onwederstaanbare kracht zou uitbarsten? Niemand weet het. Maar Fogg wachtte daar kalm af.... Wat? Had hij nog eenige hoop? Geloofde hij nog aan de mogelijkheid van een goeden uitslag, toen de deur zich achter hem gesloten had?

Hoe het ook zij, Fogg legde zorgvuldig zijn horloge op tafel en volgde de wijzers met onafgebroken aandacht. Geen woord kwam over zijn lippen, maar zijn blik was somber en strak. De toestand was vreeselijk en voor hen, die in zijn hart niet lezen konden, was die toestand deze: als eerlijk man was Phileas Fogg geruïneerd en tevens was hij gevangen gehouden als een schurk. Dacht hij nog aan redding? Meende hij nog dat uit deze gevangenis het ontkomen mogelijk was? Peinsde hij over eene ontvluchting? Men zou geneigd zijn het te gelooven, want eensklaps stond hij op en onderzocht hij de kamer. Maar de deur was goed gesloten en het venster van ijzeren staven voorzien. Hij ging weder zitten, haalde uit zijn portefeuille zijn reisboek en achter den regel, waarop geschreven stond: Bladzijde 212

“21 December, zaterdag, Liverpool,” voegde hij “tachtigsten dag, elf uur veertig minuten des morgens” en hij wachtte.

Het sloeg een uur op de klok van het gebouw der belastingen. Fogg constateerde dat zijn horloge twee minuten voorliep.

Twee uur! Zoo hij op dat oogenblik een expres-trein nam, kon hij nog te Londen en in de Reform-club zijn vóór kwart voor negenen. Hij fronste even zijn wenkbrauwen.

Drie minuten over half drie hoorde men buiten eenig geraas; deuren werden geopend. Men onderscheidde de stem van Passepartout en die van Fix.

De oogen van Fogg schitterden een oogenblik. De deur van het kantoor werd geopend en hij zag Aouda, Passepartout en Fix, die naar hem toesnelden.

Fix was buiten adem; zijn haren hingen verward over zijn gezicht, en hij kon niet spreken.

“Mijnheer,” stotterde hij, “mijnheer ... vergeving ... een ongelukkige gelijkenis ... dief sedert drie dagen gevangen genomen ... gij ... zijt vrij....”

Phileas Fogg was vrij!” Hij ging recht op den inspecteur af, zag hem strak aan, en maakte nu de eenige snelle beweging, die hij ooit in zijn leven gemaakt had of maken zou; trok zijne beide armen naar achter, bracht ze toen naar voren en met de juistheid van een automaat trof hij met zijn beide vuisten den ongelukkigen inspecteur van politie.

“Goed geraakt!” riep Passepartout.

Fix, die op den grond lag, zeide geen woord. Hij had slechts zijn verdiende loon. Maar Fogg, Aouda en Passepartout snelden oogenblikkelijk heen, sprongen in een rijtuig en binnen weinige minuten waren zij aan het station van Liverpool.

Fogg vroeg of er een expres-trein gereed stond voor Londen....

Het was tien minuten over half drie, en de expres-trein was vijf en dertig minuten geleden vertrokken.

Fogg bestelde een extra-trein.

Er waren verscheidene locomotieven, die zeer snel liepen, maar in verband met den dienst, kon de extra-trein niet vóor drie uur het station verlaten.

Ten drie ure, nadat Fogg aan den machinist eene premie uitgeloofd had, snelde de trein in de richting van Londen, met Fogg, Aouda en zijn trouwen dienaar.

Men moest in vijf en een half uur den afstand afleggen, die Liverpool van Londen scheidt, wat mogelijk was, zoo de weg overal vrij was. Maar men had telkens een gedwongen oponthoud—en toen de gentleman aan het station kwam, stonden alle klokken op tien minuten voor negenen. Bladzijde 213

Hij had eene nota der gasmaatschappij gevonden. Blz. 214.

Phileas Fogg kwam, nadat hij zijn reis om de wereld volbracht had, vijf minuten te laat.

Hij had verloren. Bladzijde 214

Vijf en Dertigste Hoofdstuk.

Waarin Passepartout het bevel van zijn meester zich niet tweemaal laat geven.

Den anderen morgen zouden de inwoners van Saville-Row zeer verwonderd zijn geweest als men hun verteld had, dat de heer Fogg weder in zijn woning teruggekeerd was. Deuren en vensters waren gesloten. Geenerlei verandering had er uitwendig plaats gegrepen.

Inderdaad, nadat zij het station verlaten hadden, had Fogg aan Passepartout gelast eenige levensmiddelen te koopen, en was toen in huis gegaan. Zijne gewone kalmte was niet veranderd onder den vreeselijken slag, die hem trof. Geruïneerd, en door de schuld van dien stommen inspecteur van politie! Na altijd met vasten tred gedurende de lange tochten voortgeschreden te zijn, na duizenden hinderpalen overwonnen te hebben, en nog tijd te hebben gehad om eenig goed te doen op zijn weg, te moeten buigen voor een brutaal feit, dat hij niet had kunnen voorzien en waartegen hij ongewapend was, dat was verschrikkelijk. Van de aanzienlijke som gelds, welke hij bij zijn vertrek medegenomen had, was nog maar een klein gedeelte over. Zijn fortuin bestond slechts uit twintig duizend pond, gedeponeerd bij de gebroeders Baring, en die twintig duizend pond moest hij aan de Reform-club afstaan. Na zooveel verspild te hebben, zou hem de gewonnen weddenschap niet veel verrijkt hebben—het is waarschijnlijk dat hij zich niet wilde verrijken, want hij behoorde tot die menschen, die voor de eer wedden—doch nu de weddenschap verloren was, was hij geruïneerd. Maar hij had zijn partij gekozen, en wist wat hem te doen stond. Een kamer in zijne woning in Saville-Row werd aan Aouda afgestaan. De jonge dame was wanhopend. Door eenige woorden van Fogg had zij begrepen, dat deze eenig noodlottig plan koesterde.

Men weet, tot welke rampzalige uitersten de engelsche monomanen kunnen overgaan, zoo zij door een idee fixe worden beheerscht. Ook sloeg Passepartout, zonder het te laten merken zijn meester gade. Eerst echter was hij naar zijne kamer gegaan en had daar de gaspit uitgedraaid, die nu tachtig dagen brandde.

Hij had in de brievenbus een nota gevonden der gasmaatschappij en hij begreep, dat het meer dan tijd was om die onkosten te doen ophouden, waarvoor hij aansprakelijk was.

De nacht ging voorbij. Fogg was naar bed gegaan, maar had Bladzijde 215hij geslapen? Wat Aouda betreft, zij had geen oogenblik gerust. Passepartout had als een hond voor de deur van zijn meester gewaakt.

Den anderen morgen liet Fogg hem bij zich komen en gaf in korte woorden te kennen, dat hij voor het ontbijt van Aouda moest zorgen. Hij zelf zou zich vergenoegen met een kop thee en een stuk rundvleesch. Aouda zou hem wel verschoonen zoo hij niet aan het ontbijt of aan het diné verscheen, want hij had al zijn tijd noodig om orde op zijne zaken te stellen. Hij zou niet beneden komen. Tegen den avond vroeg hij aan Aouda een onderhoud van eenige oogenblikken.

Passepartout had de lijst zijner werkzaamheden. Daarna behoefde hij zich slechts te regelen. Toch bleef hij; hij zag zijn kalmen meester voortdurend aan en kon niet besluiten diens kamer te verlaten. Zijn hart was vol en zijn geweten liep over van verwijten, want hij beschuldigde zich meer dan ooit van deze onmetelijke ramp. Ja, zoo hij Fogg gewaarschuwd had, zoo hij de plannen van Fix had ontsluierd, zou Fogg ongetwijfeld den agent niet tot Liverpool hebben medegenomen, en dan....

Passepartout kon niet langer zwijgen.

“Meester! mijnheer Fogg,” riep hij, “vervloek mij. Het is mijne schuld, dat....”

“Ik beschuldig niemand,” antwoorde Fogg op den kalmsten toon. “Ga.”

Passepartout verliet de kamer en ging naar Aouda, aan wien hij de plannen van Fogg mededeelde.

“Mevrouw,” voegde hij er bij, “ik zelf kan niets meer; niets. Ik heb volstrekt geen invloed op den heer Fogg. Gij misschien....”

“Welken invloed zou ik hebben,” antwoordde Aouda. “Mijnheer Fogg staat onder niemands invloed. Heeft hij ooit begrepen dat mijne dankbaarheid jegens hem op het punt was over te vloeien? Heeft hij ooit in mijn hart gelezen? Mijn vriend, gij moet hem geen oogenblik verlaten. Gij zegt dat hij plan heeft om mij heden avond te spreken?”

“Ja, mevrouw. Het is zeker om u eene goede positie in Engeland te verzekeren.”

“Wij zullen dan wachten,” antwoordde de jonge vrouw, die in gepeins verzonk.

Ook dien zondag scheen het huis in Saville-Row onbewoond, en voor de eerste maal, zoolang hij hier woonde, ging Fogg niet ten half twaalf ure naar zijn club.

Waarom zou hij ook naar zijn club gaan. Zijne medeleden wachtten hem immers niet meer. Den vorigen avond toch, den laatsten van den fatalen termijn, den 21sten December, te kwart voor negenen was Fogg niet in de Reform-club geweest; zijn Bladzijde 216weddenschap had hij dus verloren. Het was zelfs niet noodig, dat hij naar zijn bankier ging om de twintig duizend pond te halen. Zijne tegenpartij had van hem een quitantie door hem geteekend; zij behoefde slechts een wissel af te geven op de gebroeders Baring, die hem zouden uitbetalen.

Fogg behoefde dus niet uit te gaan en hij ging dan ook niet uit. Hij bleef in zijn kamer en regelde zijne zaken. Passepartout liep onophoudelijk de trappen van het huis in Saville-Row op en neder. De uren gingen voor den armen knecht maar niet voorbij. Hij luisterde aan de deur van zijn meester en begreep dat hij zoodoende volstrekt niet onbescheiden handelde. Hij keek door het sleutelgat en meende daartoe het recht te hebben. Passepartout vreesde ieder oogenblik een nieuwe ramp. Soms dacht hij ook wel eens aan Fix, maar er had een omkeer in zijn gemoed plaats gehad. Den inspecteur van politie droeg hij geen kwaad hart meer toe. Fix had zich vergist, zooals iedereen ten opzichte van Phileas Fogg gedaan had, maar hij had zich ter goeder trouw vergist, en, hem volgende en arresteerende, had hij slechts zijn plicht gedaan, terwijl hij, Passepartout.... Die gedachte overstelpte hem en hij hield zich voor den ellendigsten mensch op aarde.

Toen Passepartout zich eindelijk al te ongelukkig gevoelde om langer alleen te zijn, klopte hij aan de deur van Aouda, trad hare kamer binnen, ging in een hoek zitten, zonder een woord te spreken, en zag de steeds in gepeins verdiepte jonge vrouw aan.

Tegen half acht des avonds, liet Fogg aan Aouda vragen of zij hem kon ontvangen en eenige oogenblikken later waren hij en Aouda alleen in de kamer.

Phileas Fogg nam een stoel en zette zich bij den schoorsteen, tegenover Aouda. Zijn gelaat teekende volstrekt geen ontroering. De Fogg, die was teruggekeerd, verschilde in niets van den Fogg, die was heengegaan. Hij was altijd even kalm en onverstoorbaar.

Vijf minuten lang bewaarde hij het stilzwijgen. Toen zijne oogen op Aouda slaande, zeide hij:

“Mevrouw, vergeeft gij mij, dat ik u naar Engeland gevoerd heb.”

“Ik, mijnheer Fogg? ik....” antwoordde Aouda, het kloppen van haar hart met moeite bedwingende.

“Sta mij toe mijn zin te voltooien,” hernam Fogg. “Toen ik het plan vormde om u mede te nemen ver van het land, dat zoo gevaarlijk voor u was, was ik rijk, en ik wilde u een deel van mijn fortuin geven. Uw leven zou zoo gelukkig en vrij zijn geweest. Maar nu ben ik geruïneerd.”

“Ik weet het, mijnheer,” hernam de jonge dame, “en ik vraag u op mijn beurt: Vergeeft gij het mij dat ik u gevolgd heb en—wie weet! misschien bijgedragen heb tot uw ongeluk?” Bladzijde 217