The Project Gutenberg eBook of De reis om de wereld in tachtig dagen
Title: De reis om de wereld in tachtig dagen
Author: Jules Verne
Release date: February 1, 2004 [eBook #11318]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman & the PG Distributed Proofreaders Team
De Reis om de Wereld
in
Tachtig Dagen.
Jules Verne
Naar de 30e Fransche uitgave door
Gerard Keller.
Zevende druk.
Amsterdam
Uitgevers-maatschappij “Elsevier”
Eerste Hoofdstuk.
Waarin Phileas Fogg en Passepartout elkander wederkeerig aannemen, den een als meester, den ander als knecht.
In het jaar 1872 werd het huis no. 7 in Saville Row, Burlington Gardens, waarin Sheridan in 1814 overleed, bewoond door Phileas Fogg esq., een der zonderlingste en meest bekende leden van de Reform-club te Londen, al deed hij ook al wat in zijn vermogen was om de aandacht niet op zich te vestigen.
Een der welsprekendste redenaars, waarop Engeland zich verheffen mag, had dus tot opvolger Phileas Fogg, een raadselachtig persoon, van wien men niets wist, dan dat hij een hoogst wellevend man was en een der schoonste gentlemen uit de aanzienlijkste kringen.
Men zeide dat hij op Byron geleek—wat zijn hoofd aangaat, want zijne voeten waren onberispelijk—maar een Byron met baard en knevel, een kalme Byron die duizend jaar had kunnen leven zonder oud te worden.
Ofschoon zonder eenigen twijfel Engelschman van geboorte, was hij misschien geen Londener. Men had hem nooit aan de beurs of aan de bank gezien, noch in eenig kantoor der City. Noch de bassins, noch de dokken te Londen hadden ooit eenig schip bevat, dat Phileas Fogg tot reeder had. Hij was lid van geen enkele administratieve commissie. Zijn naam was nog nooit genoemd in een gezelschap van advocaten, noch in Temple-bar, noch in Lincolns-inn. Nooit had hij gepleit voor de Court of Chancery, of voor Queens-bench, of voor de Rekenkamer of voor het kerkelijk Hooggerechtshof. Hij was noch fabrikant, noch grossier, noch winkelier, noch landbouwer. Hij was geen lid van het Koninklijk Britsch Instituut, noch van het Londensch Instituut, noch van Bladzijde 2de Maatschappij van Werklieden, noch van het Russels Instituut, noch van het Westersch Genootschap van Letterkunde, noch van de Vereeniging voor Rechtsgeleerdheid, noch van het Vereenigd Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dat onder rechtstreeksche bescherming staat der Koningin. Hij behoorde ook tot geen dier tallooze andere vereenigingen en genootschappen, waaraan Engelands hoofdstad zoo rijk is: van de maatschappij Armonica af tot het Entomologisch Genootschap, dat voornamelijk werd opgericht om schadelijke insecten uit te roeien.
Phileas Fogg was lid van de Reform-club en van niets anders.
Wie zich verwonderen mocht, dat zulk een geheimzinnig man onder de leden van dien aanzienlijken kring werd opgenomen, vindt daarvan de verklaring in de omstandigheid, dat hij was voorgesteld door de gebroeders Baring, bij wie hij een open crediet had. Altijd werden zijne wissels op zicht betaald en geboekt op zijn rekening-courant, waarop hij altijd als crediteur stond.
Was deze Phileas Fogg rijk? Zonder eenigen twijfel. Maar hoe had hij fortuin gemaakt? Dat wisten zelfs de best ingelichten niet, en Fogg was wel de laatste, aan wien men het zou durven vragen. In elk geval, hij was in geen opzicht verkwistend, maar ook nooit gierig; overal waar de steun werd gevraagd voor eene goede, nuttige of loffelijke zaak, droeg hij in stilte en zelfs onbekend bij.
Niemand was zoo weinig spraakzaam als deze gentleman. Hij sprak zoo min mogelijk en die stilzwijgendheid verhoogde nog het geheimzinnige, dat hem kenmerkte. Nochtans lag zijn leven voor ieder open, maar wat hij deed was zulk een mathematische herhaling van hetzelfde, dat de verbeelding, hiermede niet voldaan, er meer achter wilde zoeken.
Had hij gereisd? Dit was waarschijnlijk, want niemand had beter de wereldkaart in zijn hoofd. Zulk een afgelegen plekje was er niet, of hij kende het in alle bijzonderheden. Nu en dan, maar altijd in weinige woorden, kort en duidelijk, nam hij de dwalingen weg, die voortsproten uit de praatjes omtrent verloren geraakte reizigers; hij gaf de meest waarschijnlijke verklaring van hun lot en zijne woorden schenen vaak geïnspireerd door een visioen, wanneer later bleek dat alles zich had toegedragen gelijk hij gezegd had. Hij moest overal geweest zijn—althans in zijn geest.
Een ding intusschen was zeker: dat Phileas Fogg sedert vele jaren Londen niet had verlaten. Zij, die de eer hadden hem wat nader te kennen dan anderen, verklaarden dat, behalve op den weg, die den kortsten afstand vormde van zijn huis naar de club, niemand hem ooit elders gezien had. Hij bracht zijne dagen door met lezen en whisten. Bij dit spel, waarbij niet gesproken wordt en dat dus geheel overeenstemde met zijn karakter, won hij meest altijd, maar die winst stak hij niet op; hij bestemde ze voor liefdadige Bladzijde 3doeleinden. Bovendien gaf Fogg steeds doorslaande blijken dat hij speelde om het spel maar niet om de winst. Het spel was voor hem een strijd, een worsteling tegen moeielijkheden, maar eene worsteling zonder beweging, zonder zich te verplaatsen, zonder zich te vermoeien en dat kwam volkomen met zijn inborst overeen.
Phileas Fogg had, zoover men wist, geen vrouw of kinderen—wat den besten kan gebeuren—en ook geen bloedverwanten of vrienden, wat zeker minder algemeen voorkomt. Hij leefde alleen in zijn huis in Saville Row, waar niemand ooit tot hem doordrong. Zijn huiselijk leven was dus volkomen onbekend. Aan een enkelen knecht had hij genoeg. Hij ontbeet en dineerde in zijn club op dezelfde, met chronometrische juistheid afgepaste uren, in dezelfde zaal, aan dezelfde tafel, nooit zijne collega's onthalende of vreemde gasten noodigende. Hij ging naar zijn huis alleen om te slapen, precies te middernacht, zonder ooit gebruik te maken van de goed ingerichte slaapvertrekken, die de club ter beschikking houdt van hare leden. Van de vier en twintig uren bracht hij er tien door in zijne woning met slapen of de zorg voor zijn toilet. Als hij wandelde, was het altijd met denzelfden tred in de voorzaal met ingelegden vloer of in de galerij om het huis, waarover een glazen dak zich uitstrekte, rustende op ionische kolommen van rood porfier. Als hij ontbeet of dineerde was het steeds uit de keuken, de spijskamer, den kelder, den vischvijver en het roomhuis der club, die het beste van hun voorraad voor zijne tafel opleverden; het waren de bedienden uit de club, deftig in het zwart gekleede personen met vilten zolen onder hunne schoenen, die de spijzen opbrachten in het eigen servies der club en op het eigen fijn damast tafellaken plaatsten; de kristallen glazen, eigen model van de club, bevattende zijn sherry, zijn portwijn en zijn bordeaux, vermengd met kaneel en aromatische kruiden; eindelijk was het ijs der club, met groote kosten uit de amerikaansche meren aangevoerd, dat zijne dranken bewaarde en frisch hield.
Als op deze wijze te leven iets zonderlings heeft, die zonderlingheid heeft toch hare goede zijde.
Het huis in Saville Row was niet buitengewoon prachtig, maar onderscheidde zich door bijzonder gemakkelijke inrichting. De nooit wisselende gewoonte van den heer des huizes maakten dat de dienst zeer gemakkelijk te verrichten was. Phileas Fogg eischte slechts van zijn eenigen bediende eene stiptheid en eene regelmatigheid zonder wederga. Den dag, waarop wij hem het eerst ontmoeten, den 2den October, had hij zijn knecht James Forster uit zijn dienst ontslagen, omdat deze zich aan het misdrijf had schuldig gemaakt, dat hij hem scheerwater had gebracht van 88 graden Fahrenheit in plaats van 86 graden, en hij wachtte diens opvolger tusschen elf uur en half twaalf.
Bladzijde 4Phileas Fogg zat in zijn leunstoel, de beenen tegen elkander gesloten als een soldaat op een parade, de handen rustende op zijn knieën, het bovenlichaam recht op, het hoofd stijf en starend op de pendule, een zeer samengesteld uurwerk, dat uren, minuten, seconden, dag der week, datum en jaartal aanwees. Als het half twaalf sloeg, moest Fogg, krachtens zijne dagelijksche gewoonte, zijn huis verlaten en zich naar de Reform-club begeven.
Op dit oogenblik werd aan de deur van zijn klein salon geklopt en James Forster, de ontslagen knecht, trad binnen.
“De nieuwe bediende,” zeide hij.
Een man van dertig jaar kwam binnen en groette.
“Gij zijt een Franschman en heet John?” vroeg Phileas Fogg.
“Jean, met uw welnemen,” antwoordde de binnenkomende, “Jean Passepartout, een naam, dien ik behouden heb en dien ik verwierf door mijn talent, om mij in alle omstandigheden te schikken. Ik geloof dat ik een eerlijke jongen ben, mijnheer, maar ik moet oprecht zijn en u zeggen, dat ik van alles bij de hand heb gehad. Ik ben reizend zanger geweest, oppasser in een paardenspel, ik heb op het trapèze gewerkt als Léotard en koord gedanst als Blondin; toen ben ik onderwijzer in de gymnastiek geworden, ten einde meer partij van mijne talenten te trekken en eindelijk was ik sergeant bij de pompiers te Parijs. Ik heb onder mijne papieren hoogst belangrijke brand-rapporten. Maar sedert vijf jaren heb ik Frankrijk verlaten en daar ik het huiselijk leven genieten wilde, ben ik kamerdienaar in Engeland geworden. Thans ben ik zonder betrekking en daar ik vernomen heb, dat de heer Phileas Fogg de meest stipte en minst onbestendige man uit het vereenigd koninkrijk is, ben ik zoo vrij mij bij u aan te bieden, in de hoop hier rustig te leven en zelfs mijn naam van Passepartout te vergeten.”
“Passepartout bevalt mij,” antwoordde de gentleman. “Men heeft u bij mij aanbevolen. Ik heb goede berichten omtrent u. Kent gij mijne voorwaarden?”
“Ja, mijnheer.”
“Goed. Hoe laat hebt gij 't?”
“Twee en twintig minuten over elven,” zeide Passepartout, uit de diepte van zijn vestjeszak een ontzaglijk zilveren horloge te voorschijn halende.
“Gij gaat achter,” zeide Fogg.
“Houd mij ten goede, mijnheer, dat is onmogelijk.”
“Gij gaat vier minuten achter. Maar dat doet er niet toe. Het is genoeg, dat het verschil bekend zij. Van dit oogenblik af, elf ure negen en twintig minuten in den morgen van Woensdag 2 October 1872, zijt gij in mijn dienst.”
Phileas Fogg.
Na dit gezegd te hebben stond Phileas Fogg op, nam met zijn Bladzijde 5linkerhand zijn hoed, zette dien met de beweging van een automaat op zijn hoofd en vertrok zonder een woord meer te zeggen. Passepartout hoorde de voordeur sluiten; het was zijn meester, Bladzijde 6die heenging; toen hoorde hij haar nogmaals dichttrekken; het was zijn voorganger, die insgelijks heenging.
Passepartout bleef alleen in het huis no. 7 van Saville Row.
Tweede Hoofdstuk.
Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk zijn ideaal gevonden heeft.
“Op mijn woord van eer,” sprak Passepartout bij zich zelven, toen hij van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, “ik heb bij madame Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn nieuwe meester.”
Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te Londen een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en vreemdelingen wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak missen om wezenlijke menschen te schijnen.
In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht, had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar met een edel, schoon gelaat, hooge gestalte, die door eene zekere gezetheid niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een effen rimpelloos voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met prachtige tanden. Hij scheen in de hoogste mate te bezitten wat de beoefenaars der gelaatkunde “de rust der beweging” noemen, eene uitdrukking eigen aan allen, die meer handelen dan leven maken. Kalm, flegmatiek, met een helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij de volmaakte type van die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak in hun vaderland aantreft en waarvan Angelica Kauffman zoo treffend de schier academische figuur door haar penseel heeft weergegeven. In zijne verschillende levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den indruk van een wezen, wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren, zoo volmaakt als in een chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas Fogg was dan ook de nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar was in de “uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;” want bij den mensch zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen, welke de hartstochten en neigingen uitdrukken.
Bladzijde 7Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd den kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar het plafond, geene enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal intusschen begrijpen, dat hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt, ging hij met niemand om.
Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft, deze was een echte Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had hij naar een meester gezocht, aan wien hij zich hechten kon.
Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo's met trotsche houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met een van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals van een vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur, wangen zoo rond dat hij zelf ze zien kon, breede borst, krachtige gestalte, breede spieren en bezat eene herculische kracht, die door de lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was ontwikkeld. Zijne donkere haren waren altijd een weinig in wanorde. Zoo de beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden, om het haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om het zijne in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende om zijn toilet te voltooien.
Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt en nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding blijken. Na zijne min of meer onstuimige jeugd, verlangde hij bovenal naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid Bladzijde 8van het Parlement, kwam vaak, na den nacht in de oester-huizen van Haymarket te hebben doorgebracht, op de schouders van politie-agenten te huis. Daar Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij dat de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit, zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood zich dus aan en werd aangenomen op de wijze, als wij mededeelden.
Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van Saville Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk, puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar een slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in alle eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij op de tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was volkomen naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden haar in gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen stond eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde met de pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken gaven altijd dezelfde seconde aan.
“Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed,” sprak Passepartout bij zich zelven.
Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule hing. Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te doen. Het bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas Fogg opstond, tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club begaf om te ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en geroosterd brood ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater ten negen ure zeven en dertig, het haar in orde brengen ten negen ure vijftig enz. Van half twaalf des voormiddags tot twaalf ure 's nachts, op welk uur de stelselmatige Engelschman zich te rust begaf, was alles bepaald, voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier in dit programma te bestudeeren en de verschillende punten er van in zijn geheugen te prenten.
Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde en bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een nummer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren vermeld waarop de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen, alsmede de tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen. Bladzijde 9
Jean Passepartout.
Kortom, dit huis in Saville Row, dat in de dagen van den beroemden maar losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest, bevatte thans de gemakkelijkste meubels, die van Bladzijde 10eene onbekommerde levenswijze getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken, want deze zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest, daar de Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de een van werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer stond eene brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de dieven als tegen de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet, geen enkel voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de bewoner zeer vredelievend was.
Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven:
“Het bevalt me; 't is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk man. Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek te bedienen.”
Derde Hoofdstuk.
Een gesprek dat Phileas Fogg duur te staan kan komen.
Phileas Fogg had om half twaalf zijn huis in Saville Row verlaten, en na vijf honderd vijf en zeventig maal zijn rechtervoet vóor zijn linker en vijf honderd zes en zeventig maal zijn linker vóor zijn rechter voet gezet te hebben, kwam hij in de Reform-club, een groot gebouw in Pall Mall, dat niet minder dan drie millioen pond gekost heeft.
Phileas Fogg ging terstond naar de eetzaal, waarvan de negen ramen uitkwamen op een fraaien tuin met boomen, die reeds eene gele herfsttint kregen. Daar nam hij aan de tafel plaats, waar zijn couvert hem reeds wachtte; zijn ontbijt bestond uit een bijgerecht, gekookte visch met “reading sauce,” biefstuk met champignons, een gebak gevuld met rabarberstelen en kruisbessen met een stukje Chesterkaas, en bij dat alles voegde hij eenige kopjes thee, bepaald uit China gezonden voor de Reform-club.
Om dertien minuten voor éenen stond de gentleman op en begaf zich naar de groote zaal, eene prachtige kamer, versierd met schilderijen Bladzijde 11in rijke lijsten. Een bediende legde daar de onopengesneden Times neer vóor zijne plaats, en Phileas Fogg maakte ze los met een vastheid van hand, die getuigde dat hij in dit moeielijk werk zeer ervaren was. Met deze lectuur was Phileas Fogg bezig tot kwart over drieën; de Daily Telegraph, die daarop volgde, duurde tot het diner. Dit diner was ingericht op dezelfde manier als het ontbijt, slechts met bijvoeging van de “royal british sauce.” Twintig minuten vóor zessen verscheen de gentleman weder in de groote zaal, en daar verdiepte hij zich in den Morning Chronicle.
Een half uur later kwamen de verschillende habitués van de Reform-club opdagen en namen plaats bij den haard, waarin een lekker vuur brandde. Dit waren Phileas Fogg's gewone medespelers in het whistspel: de ingenieur Andrew Stuart, de bankiers John Sullivan en Samuel Fallentin, de brouwer Thomas Flanagan en Gauthier Ralph, een van de directeuren der engelsche bank, allen rijke en aanzienlijke personen, zelfs in die club, onder wier leden men de voornaamste industrieele en financieele beroemdheden telde.
“Wel! Ralph,” begon Thomas Flanagan, “hoe staat het met den diefstal?”
“Ja,” antwoordde Andrew Stuart, “de bank is haar geld kwijt.”
“Ik vertrouw integendeel,” zeide Gauthier Ralph, “dat wij den dief wel zullen krijgen. Men heeft zeer handige inspecteurs van politie naar Amerika en naar de voornaamste havens van Europa gezonden, zoodat het dien heer moeite zal kosten om hun te ontsnappen.”
“Men heeft dus het signalement van den dief?” vroeg Andrew Stuart.
“Het is eigenlijk geen dief,” antwoordde Gauthier Ralph ernstig.
“Hoe? Is het geen dief, die vijf en vijftig duizend pond sterling aan bankpapier gestolen heeft.”
“Neen,” zeide Ralph.
“Is het dan iemand, die zaken aan de beurs doet?”
“De Morning Chronicle verzekert dat het een gentleman is.”
Hij, die dit zeide was niemand anders dan Phileas Fogg, wiens hoofd even uitstak boven een stapel couranten welke voor hem lagen. Tegelijkertijd groette Phileas Fogg zijn collega's, die zijn groet beantwoordden.
De zaak waarover men sprak en waarover de verschillende dagbladen van het Vereenigde Koninkrijk zoo ijverig van gedachten wisselden, was drie dagen geleden, den 29en September gebeurd. Een lias banknoten, de aanzienlijke som van vijf en vijftig duizend pond sterling vertegenwoordigende, was weggenomen van het tafeltje van den eersten boekhouder der engelsche bank.
Bladzijde 12Aan hem, dien het verwonderde dat zulk een diefstal zoo gemakkelijk kon gebeuren, gaf de onder-directeur, Gauthier Ralph, eenvoudig ten antwoord, dat juist op dat oogenblik de kassier bezig was om een quitantie te registreeren en dat men niet op alles te gelijk kan letten.
Men moet niet uit het oog verliezen—iets wat de zaak duidelijker maakt—dat deze uitmuntende instelling, de engelsche bank zich zeer veel aan de waardigheid van het publiek laat gelegen liggen. Geen wacht, geen oppassers, geen traliewerk! Het goud, het zilver en de banknoten zijn aan ieders blikken blootgesteld en liggen schijnbaar ter beschikking van den eerstkomende. Men mocht toch de eerlijkheid van elken voorbijganger niet wantrouwen. Iemand, die het best de engelsche zeden heeft bestudeerd, vertelt daaromtrent zelfs het volgende. Eens was hij zeer nieuwsgierig om van nabij een gouden staaf te zien, die zes à acht pond woog en op een tafeltje van den kassier lag, in de zaal, waar hij zich bevond. Hij nam deze staaf, bekeek haar, gaf haar aan zijn buurman, deze aan een anderen, zoodat zij van hand tot hand ging, tot in de donkeren gang en niet dan na een half uur terugkwam, zonder dat zelfs de kassier maar even opgekeken had.
Den 29en September echter liep niet alles op deze wijze af. De lias banknoten kwam niet terug, en toen de prachtige pendule op den schoorsteenmantel vijf uur sloeg en de instelling gesloten werd, had de engelsche bank vijf en vijftig duizend pond op hare onkostenrekening te brengen.
Toen de diefstal goed en deugdelijk was erkend, werden politieagenten “detectives”, gekozen uit de besten, naar de voornaamste havens gezonden, naar Liverpool, Glasgow, Havre, Suez, Brindisi, New-York enz., met belofte dat, zoo zij den dief opspoorden, hun eene premie van twee duizend pond zou worden toegekend en voorts vijf percent van de som welke nog in zijn bezit werd gevonden. In afwachting van de inlichtingen, welke zouden voortspruiten uit het onderzoek, dat terstond was ingesteld, hadden die inspecteurs in last, om met de meeste nauwlettendheid alle reizigers gade te slaan, die mochten aankomen of vertrekken.
“Ja, mijnheer, om vierduizend pond!” Blz. 15.
Nu had men, zooals de Morning Chronide zeide, reden om te onderstellen, dat hij, die de bank bestolen had, geen deel uitmaakte van een der dievengenootschappen in Engeland. Op dien 29en September was een welbekend heer, die er zeer fatsoenlijk uitzag en zelfs een voornaam voorkomen had, in de zaal der uitbetalingen gezien, waar de diefstal had plaats gehad. Door de ingestelde enquête had men vrij nauwkeurig het signalement van dien heer kunnen opmaken, dat nu terstond aan alle detectives in het geheele Rijk gezonden werd. Eenige optimisten—en daaronder Bladzijde 13was Gauthier Ralph—achtten het op dien grond vrij waarschijnlijk, dat de dief niet ontsnappen zou.
Zooals men denken kan, was deze gebeurtenis het onderwerp Bladzijde 14van alle gesprekken in Londen en geheel Engeland. Men twistte er over en men koos zelfs met eenigen hartstocht partij voor of tegen de waarschijnlijkheid dat de politie der hoofdstad in hare pogingen zou slagen. Te verwonderen was het dus niet, dat ook de leden der Reform-club hetzelfde onderwerp behandelden, vooral niet, omdat een van de onderdirecteuren der bank zich onder hen bevond.
De heer Gauthier Ralph twijfelde niet aan den goeden uitslag van het onderzoek en was van oordeel, dat de uitgeloofde premie in hooge mate strekken moest om den ijver en het doorzicht van de politie te versterken. Diens collega Andrew Stuart daarentegen was er verre van af zijn vertrouwen te deelen. De strijd werd dan ook voortgezet aan de whisttafel tusschen de heeren Stuart, Flanagan, Fallentin en Fogg. Onder het spelen spraken de spelers niet, maar tusschen de robbers herleefde het afgebroken gesprek telkens in zijn volle kracht.
“Ik houd vol,” zeide Andrew Stuart, “dat de kansen ten gunste zijn van den dief, die zeer zeker een handig man moet zijn.”
“Kom, kom!” antwoordde Ralph, “er is geen enkel land, waar hij een schuilplaats zou kunnen vinden.”
“Nu nog mooier!”
“Waar zou hij naar toe gaan?”
“Ik weet er niets van,” antwoordde Andrew Stuart, “maar dit weet ik wel, dat de wereld groot genoeg is.”
“Dat was zij voorheen” ... zeide Phileas Fogg half luid; “u moet coupeeren, mijnheer,” ging hij voort, de kaarten aan Thomas Flanagan toeschuivende.
Het gesprek werd gedurende den robber niet vervolgd. Maar al spoedig verbrak Andrew Stuart de stilte door te zeggen:
“Hoe, voorheen? Is de wereld misschien kleiner geworden?”
“Zonder twijfel,” hernam Gauthier Ralph. “Ik ben van dezelfde meening als mijnheer Fogg: de wereld is kleiner geworden, omdat men haar nu in tienmaal minder tijd omreist dan honderd jaar geleden. En dat zal in het geval, waarin wij nu verkeeren, de nasporingen zeer bespoedigen.”
“Maar voor den dief is het vluchten nu ook zooveel gemakkelijker geworden.”
“Gij moet spelen, mijnheer Stuart,” zeide Phileas Fogg.
Maar de ongeloovige Stuart was nog niet overtuigd en nauwelijks was het spel uit, of hij zeide:
“Ik moet zeggen, mijnheer Ralph, dat gij al een zeer aardige manier hebt, om te bewijzen dat de wereld kleiner is geworden. Omdat men de wereld kan omreizen in drie maanden....”
“In tachtig dagen,” verbeterde Phileas Fogg.
“Inderdaad heeren,” voegde John Sullivan er bij, “sedert de Bladzijde 15sectie Rothal-Allahabad van den Great-Indian Peninsular-spoorweg, is geopend, maakt de Morning Chronicle de volgende berekening:
| Van Londen naar Suez over den Mont-Cenis en Brindisi, spoorweg en mailbooten, | 7 dagen |
| Van Suez naar Bombay, mailbooten, | 13 dagen |
| Van Bombay naar Calcutta, spoorweg, | 3 dagen |
| Van Calcutta naar Hongkong (China), mailboot, | 13 dagen |
| Van Hongkong naar Yokohama (Japan), mailboot, | 6 dagen |
| Van Yokohama naar San-Francisco, mailboot, | 22 dagen |
| Van San-Francisco naar New-York, spoorweg, | 7 dagen |
| Van New-York naar Londen, mailboot en spoorweg, | 9 dagen |
| ——— | |
| 80 dagen.” |
“Juist, tachtig dagen,” zeide Andrew Stuart, die door onoplettendheid een hooge kaart troefde; “maar daaronder niet begrepen het slechte weer, tegenwind, schipbreuk, derailleeren enz.”
“Alles er onder begrepen,” antwoordde Phileas Fogg, doorspelende, want ditmaal eerbiedigde het gesprek het spel niet meer.
“Zelfs wanneer de Hindoes of de Indianen de rails opbraken,” riep Andrew Stuart; “wanneer zij den trein tegenhouden, de waggons plunderen en de reizigers scalpeeren.”
“Alles er onder begrepen,” herhaalde Phileas Fogg, die zijn spel nederlegde en nog twee troeven in zijn hand toonde.
Andrew Stuart, wiens beurt het was om te wasschen, nam de kaarten op, zeggende:
“Theoretisch hebt ge gelijk, mijnheer Fogg, maar in de practijk....”
“In de practijk ook, mijnheer Stuart.”
“Ik zou het u wel eens willen zien doen.”
“Dit staat aan u. Laten wij samen vertrekken.”
“De hemel beware me!” riep Stuart; “maar ik wil wel wedden om vier duizend pond sterling, dat zulk een reis op zulke voorwaarden onmogelijk is.”
“Integendeel, zeer mogelijk,” antwoordde Fogg.
“Nu, maak ze dan!”
“De reis om de wereld in tachtig dagen?”
“Ja.”
“Ik wil wel.”
“Wanneer?”
“Terstond. Maar het spreekt van zelf, dat ik het op uw kosten doe.”
“Dat is krankzinnigenwerk!” riep Andrew Stuart, die zich ongerust begon te maken over de hardnekkigheid van zijn medespeler. “Kom! laten wij liever spelen.”
“Geef dan nog eens,” zeide Phileas Fogg, “want gij hebt verkeerd gegeven.”
Bladzijde 16Andrew Stuart nam de kaarten met bevende hand, maar eensklaps ze op tafel nederleggende, zeide hij: “welnu, ja mijnheer Fogg, ik wed om vier duizend pond!...”
“Beste Stuart,” zeide Fallentin, “bedaar toch. Het is geen ernst.”
“Als ik zeg: ik wed,” zeide Andrew Stuart, “dan meen ik het ook.”
“Goed,” zeide Fogg. Toen, zich tot zijn collega's wendende, ging hij voort:
“Ik heb twintig duizend pond bij de gebroeders Baring staan. Ik heb ze er gaarne voor over....”
“Twintig duizend pond!” riep John Sullivan. “Twintig duizend pond, die gij door een onvoorzien oponthoud kunt verliezen.”
“Onvoorziene dingen bestaan niet,” hernam Fogg kalm.
“Maar, mijnheer Fogg, de tijd van tachtig dagen is het minimum van tijd, dat men er voor berekend heeft.”
“Een goed besteed minimum is voor alles voldoende.”
“Maar om het niet te overschrijden moet men met wiskunstige juistheid van den spoorweg op de mailboot en van de mailboot op den spoorweg overspringen.”
“Ik zal wiskunstig overspringen.”
“Dat is scherts!”
“Een goed Engelschman schertst nooit, wanneer er sprake is van zulk eene gewichtige zaak als eene weddenschap,” antwoordde Phileas Fogg. “Ik wed tegen ieder, die maar wil, twintig duizend pond, dat ik de wereld zal rondreizen in tachtig dagen, dat is duizend negen honderd twintig uren of honderd vijftien duizend twee honderd minuten. Neemt gij het aan?”
“Wij nemen het aan!” antwoordden de heeren Stuart, Fallentin, Sullivan, Flanagan en Ralph, na het met elkander eens te zijn geworden.
“Goed,” zeide Fogg. “De trein naar Dover vertrekt om kwart voor negenen. Daar zal ik mede op reis gaan.”
“Van avond nog?” vroeg Stuart.
“Dezen avond,” antwoordde Fogg.
“Alzoo,” ging hij voort, een zak-almanak raadplegende, “het is heden woensdag, 2 October, ik moet in Londen terug zijn, in deze zaal zelve van de Reform club, op zaterdag 21 December, kwart voor negenen, en zoo ik er niet ben, zullen de twintig duizend pond bij de gebroeders Baring gedeponeerd u rechtmatig toebehooren. Ziedaar een wissel voor die som.”
Eene arme vrouw. Blz. 20.
Er werd een proces-verbaal van de weddenschap opgemaakt en terstond door de zes belanghebbenden geteekend. Phileas Fogg was onder dit alles zeer kalm gebleven. Hij had zeker niet gewed om te winnen, en had slechts zijn twintig duizend pond—de helft van zijn vermogen—verbonden, omdat hij voorzag dat hij het andere gedeelte zou moeten uitgeven, ten einde dit moeielijke, om Bladzijde 17niet te zeggen onuitvoerbare, plan te volbrengen. Wat zijne tegenpartij betreft, deze was meer onder den indruk, niet zoozeer om de waarde van den inzet, dan wel omdat zij er eenig bezwaar in Bladzijde 18maakte om te wedden tegen hetgeen toch onmogelijk kon bereikt worden.
Het sloeg zeven uur. Men stelde Fogg voor om dezen robber te staken, opdat hij zijn toebereidselen voor de reis zou kunnen maken.
“Ik ben altijd klaar,” antwoordde de kalme gentleman, en gaf de kaarten. “Ruiten troef,” zeide hij. “U zit voor, mijnheer Stuart.”
Vierde Hoofdstuk.
Waarin Phileas Fogg zijn knecht Passepartout in de hoogste mate verbaast.
Ten zeven uur vijf en twintig minuten nam Phileas Fogg, na twintig guineas met het whisten gewonnen te hebben, afscheid van zijn collega's en verliet de Reform-club. Tien minuten voor achten was hij in zijne woning terug.
Passepartout, die zijne bezigheden zeer goed kende, stond verbaasd toen hij mijnheer Fogg zich schuldig zag maken aan onnauwkeurigheid, en op dit ongewone uur thuis zag komen.
Volgens zijne gewoonte moest de bewoner van Saville Row eerst ten twaalf uur te huis komen.
Phileas Fogg was terstond naar zijn kamer gegaan en riep: Passepartout!
Passepartout gaf geen antwoord. Dat roepen kon hem niet gelden. Het was nog geen tijd.
“Passepartout,” riep Fogg, nogmaals zonder eenige stemverheffing.
Passepartout kwam boven
“Ik heb u tweemaal geroepen,” zeide Fogg.
“Maar het is nog geen twaalf uur,” antwoordde Passepartout, met de lijst van werkzaamheden, die Fogg hem gegeven had, in de hand.
“Ik weet het,” hernam Fogg, “daarom maak ik er u geen verwijt van. Binnen tien minuten vertrekken wij naar Dover en Calais.”
Een soort van grijns kwam er op het gezicht van den Franschman. Blijkbaar had hij niet goed gehoord.
“Gaat mijnheer ergens anders wonen?” vroeg hij.
Bladzijde 19“Ja,” zeide zijn meester, “wij gaan een reis om de wereld maken.”
Passepartout, met de oogleden en wenkbrauwen opgetrokken, de armen slap langs het lijf en het lichaam in elkander gezonken, was het uitgedrukte beeld der stomme verbazing.
“Een reis om de wereld,” mompelde hij.
“In tachtig dagen,” antwoordde de heer Fogg. “Wij hebben dus geen oogenblik te verliezen.”
“Maar de koffers?”—zeide Passepartout, zijn hoofd schuddende.
“Geen koffers, slechts een reiszak. Doe daarin twee wollen hemden en drie paar kousen en hetzelfde voor u; onderweg koopen wij het overige. Gij haalt mijn overjas en mijn reisplaid. Trek goede schoenen aan. Intusschen wij zullen bijna niet loopen. Ga nu.”
Passepartout had willen antwoorden, maar hij kon niet. Hij verliet de kamer van Fogg, ging naar de zijne, viel op een stoel neder, en mompelde: Wel, wel, dat is me nu toch al sterk. En nu dacht ik zoo rustig hier te zullen leven!
Werktuiglijk maakte hij zijne toebereidselen voor de reis, de reis om de wereld in tachtig dagen! Had hij met een gek te doen? Neen ... het was scherts! Men ging naar Dover, goed. Naar Calais, best. Dat deed den goeden jongen, die sedert vijf jaar den vaderlandschen bodem niet had gedrukt, zelfs genoegen. Men zou misschien zelfs naar Parijs gaan; welnu, hij zou deze groote hoofdstad met genoegen terug zien. Zeker zou een gentleman, die zoo weinig van loopen hield, daar blijven. Ja, ongetwijfeld, maar het was minder zeker, dat die gentleman, die tot nu toe altijd zoo huisvast was, op reis ging, dat hij zich ging verplaatsen.
Om acht uur had Passepartout het eenvoudig valies gereed gemaakt, dat zijn goed en dat van zijn meester bevatte, en verliet, nog half in verwarring zijn kamer, waarvan hij de deur zorgvuldig sloot. Hij kwam nu weder bij Fogg.
Fogg was ook klaar. Onder den arm droeg hij Bradshaw's continental railway-steam-transit and general guide, die alle mogelijke noodige inlichtingen voor de reis bevatte. Hij nam het valies uit de handen van Passepartout, opende het en deed er een lias banknoten in, die in alle landen ter wereld worden aangenomen.
“Gij hebt dus niets vergeten?” vroeg hij.
“Niets, mijnheer.”
“Mijn jas en mijn plaid.”
“Hier zijn ze.”
“Goed zoo, neem nu het valies maar op.” Fogg gaf zijn valies aan Passepartout.
“Draag er goed zorg voor, want er zit twintig duizend pond sterling in.” Bladzijde 20
Het had weinig gescheeld of het valies was uit Passepartouts handen gevallen, alsof de twintig duizend pond sterling in goud waren en daarvan het gewicht hadden.
Toen gingen Fogg en zijn bediende naar beneden en de huisdeur werd op het nachtslot gedaan.
Rijtuigen stonden aan het einde van Saville Row. Phileas Fogg en zijn bediende namen een cab en reden zoo snel mogelijk naar het station van Charing-Cross, waarop een van de takken van den Ooster-spoorweg uitloopt.
Acht uur twintig minuten hield de cab op vóor het hek van het station. Passepartout sprong er uit. Zijn meester volgde hem en betaalde den koetsier.
Op hetzelfde oogenblik naderde eene arme vrouw met een kind aan de hand. Zij liep barrevoets. Haar hoofddeksel was een verflenste hoed, waarvan een armzalige veer afhing; eene shawl in flarden bedekte hare gescheurde plunje. Zij wendde zich tot Phileas Fogg en vroeg een aalmoes.
Fogg gaf haar de twintig guinea's, die hij aan de whisttafel gewonnen had.
“Daar, goede vrouw,” zeide hij, “ik ben blij dat ik u ontmoet heb.”
Daarop ging hij verder.
Passepartont voelde zijne oogen vochtig worden. Zijn meester steeg hooger in zijne achting.
Fogg en zijn bediende gingen terstond naar de wachtkamer. Hier liet Fogg Passepartout twee kaartjes eerste klasse voor Parijs nemen. Toen hij zich omkeerde, zag hij zijn vijf collega's van de Reform-club.
“Mijne heeren,” zeide hij, “ik ga vertrekken, de verschillende visa zullen u in staat stellen om bij mijne terugkomst mijne reis na te gaan.”
“O, mijnheer Fogg, zeide Ralph Gauthier beleefd, “dat is onnoodig. Wij vertrouwen op uw eer van gentleman!”
“Maar zoo is het toch beter,” antwoordde Phileas Fogg.
“Gij vergeet niet, dat ge terug moet zijn?...” merkte Andrew Stuart aan.
“In tachtig dagen,” antwoordde Fogg; “zaterdag 21 December 1872, ’s avonds kwart voor negen.”
“Tot wederziens, mijne heeren!”
Om kwart voor negen namen Phileas Fogg en zijn bediende plaats in denzelfden waggon. Vijf minuten later hoorde men een schel fluitje en de trein zette zich in beweging.
Het was een stikdonkere nacht. Er viel een fijne motregen en het regende gestadig door. Phileas Fogg zat in zijn hoek gedoken en sprak geen woord. Passepartout, nog eenigszins onthutst, drukte onwillekeurig het valies met banknooten stijf tegen zich aan. Bladzijde 21