WeRead Powered by ReaderPub
De reis om de wereld in tachtig dagen cover

De reis om de wereld in tachtig dagen

Chapter 7: Vijfde Hoofdstuk.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The story follows a methodical gentleman who wagers he can circumnavigate the globe within eighty days; he departs with a newly hired valet and encounters delays, accidents, and a variety of cultural encounters while traveling by trains, steamers, and other means. A persistent detective, convinced the traveler is linked to a crime, pursues the party, and along the way the traveler rescues and accompanies a young woman. The narrative combines brisk travel adventure and comic character contrasts with practical problem-solving, reflections on technology and punctuality, and a mounting tension as the journey becomes a race against time that resolves in an unexpected way.

Daar was-dan ook geen lezer. Blz. 22.

Maar de trein had Sydenham nog niet gepasseerd, of Passepartout uitte een kreet van wanhoop.

“Wat is er?” vroeg Fogg. Bladzijde 22

“Ik heb ... in mijne gejaagdheid ... in mijn ... iets vergeten....”

“Wat?”

“Om de gaskraan in mijne kamer uit te draaien!”

“Zoo vriend,” antwoordde Fogg koel, “dan brandt die voor uwe rekening!”

Vijfde Hoofdstuk.

Waarin een nieuw efect aan de Londensche Beurs komt.

Toen Phileas Fogg Londen verliet, dacht hij zeker niet dat zijn vertrek zulk een opzien zou baren. Eerst bracht het verhaal der weddenschap eene ware gisting te weeg onder de leden der Reform-club; vervolgens plantte zich die beweging voort door de dagbladen en correspondentiën tot het londensche publiek en al de inwoners van het gansche Vereenigde Koninkrijk. De reis om de wereld werd besproken, betwist, ontleed, met zooveel hartstocht en ijver, alsof er sprake was van eene nieuwe Alabama-quaestie.

De een was de partij van Phileas Fogg toegedaan, de ander—en deze had weldra verreweg de meerderheid—was tegen hem. Een reis om de wereld in tachtig dagen was goed in theorie en op papier; in dat minimum van tijd, met de middelen van aansluiting, die tegenwoordig in gebruik waren, was zij niet alleen onmogelijk, maar onzinnig.

De Times, de Standard, de Eveningstar, de Morning Chronicle en twintig andere bladen, die veel gelezen werden, verklaarden zich tegen den heer Fogg. Alleen de Daily Telegraph was tot op zekere hoogte van zijne meening.

Phileas Fogg werd voor dwaas, buitensporig, ja gek verklaard, en in zijn medeleden van de Reform-club werd het zeer afgekeurd dat zij zulk eene weddenschap hadden aangenomen, die duidelijk een verzwakking van Fogg's geestvermogens verried.

Zeer heftige, maar logische artikels verschenen over deze quaestie. Men weet dat Engeland in alles, wat met aardrijkskunde in verband staat, steeds veel belang stelt. Daar was dan ook geen lezer, tot welken stand hij behoorde, die niet de kolommen, welke over de zaak van Phileas Fogg handelden, verslond. Bladzijde 23

In de eerste dagen waren eenige vermetelen, hoofdzakelijk vrouwen, op zijne hand, vooral toen de Illustrated Londen News zijn portret uitgaf naar de photografie die in de archieven van de Reform-club bewaard werd.

Eenige heeren durfden zeggen:—Wel zeker, waarom niet? Men heeft toch nog wel buitengewoner dingen gezien! Dit waren vooral de lezers van de Daily Telegraph. Maar men zag al spoedig dat dit blad zelf begon te wankelen.

En waarlijk, den 7en October verscheen er in het maandschrift van het Koninklijk Aardrijkskundig genootschap een artikel dat de quaestie uit verschillende oogpunten behandelde en zonneklaar bewees dat deze onderneming dwaasheid was. Volgens dit artikel was alles in het nadeel van den reiziger, zoowel de hinderpalen, die de menschen, als die, welke de natuur tegen de verwezenlijking van zijn plan zouden opwerpen. Om in dit plan te slagen, moest men een wonderdadigen samenloop aannemen van de uren van vertrek en aankomst, een samenloop die niet bestond en die niet bestaan kon.

Waar alles zeer nauwkeurig is ingericht als in Europa, dat men in betrekkelijk korten tijd doorreist, daar kan men rekenen op de stipte aankomst der treinen; maar wanneer men slechts drie dagen heeft, om van het eene eind van Indië naar het andere te komen en acht dagen voor de Vereenigde Staten, kon men dan staat maken op de elementen van zulk een vraagstuk? En dan nog de ongelukken, die aan de machines konden overkomen, het derailleeren, de botsingen, het slechte weder, de ophooping van sneeuw, was dat alles niet tegen den heer Fogg? Zou hij niet gedurende den winter op de mailbooten blootgesteld zijn aan stormen en zware mist? Is het dan zoo zeldzaam dat de beste Transatlantische booten dikwijls een oponthoud hebben van twee of drie dagen? Er was maar eene vertraging noodig, en de geheele keten van aansluiting was onherstelbaar verbroken. Zoo Phileas Fogg slechts eenige uren te laat kwam voor éen mailboot, zou hij immers moeten wachten tot de volgende vertrok, en zelfs door dit kleine oponthoud zou zijne reis onherroepelijk mislukt zijn. Dit artikel maakte veel opgang. Bijna alle bladen namen het over, en de acties “Phileas Fogg” daalden geducht.

Gedurende de eerste dagen na het vertrek van den gentleman, waren er groote zaken gedaan tusschen hen, die aan het welslagen van zijne onderneming geloofden of twijfelden. Men kent de buitensporigheid der Engelschen in het wedden. Op dat gebied zijn zij nog veel hartstochtelijker en standvastiger dan de spelers op het hunne. Wedden is een eigenschap van het engelsche karakter. Niet alleen gingen dan ook verschillende leden der Reform-club aanzienlijke weddenschappen aan, maar het groote publiek deed hetzelfde. Bladzijde 24Phileas Fogg werd als een wedrenpaard ingeschreven in een soort van studbook. Men maakte van hem een beurs-effect, dat terstond getaxeerd werd. Men vroeg en bood “Phileas Fogg's” aan en deed er ontzaglijke zaken in. Maar vijf dagen na zijn vertrek en na het artikel van het Maandschrift van het Aardrijkskundig Genootschap begonnen de aanbiedingen de overhand te nemen. De “Phileas Fogg's” daalden. Men bood ze met stapels aan. Eerst werden zij genomen vijf voor een, toen tien, en nu nam men ze niet dan twintig, vijftig, en eindelijk honderd voor een.

Slechts éen aanhanger bleef hem getrouw, het was de lamme lord Albemarle. Deze achtenswaardige gentleman vastgenageld aan zijn stoel, had wel zijn geheele fortuin willen geven om een reis om de wereld te doen, al was het ook in tien jaar, en wedde vijf duizend pond sterling voor Phileas Fogg. Wanneer men hem de dwaasheid en het nuttelooze tevens van het plan onder de oogen bracht, antwoordde hij eenvoudig: Zoo de zaak uitvoerbaar is, dan is het goed dat een Engelschman haar het eerste volbrengt.

De voorstanders van Phileas Fogg verminderden hoe langer hoe meer; iedereen, en niet zonder reden, was tegen hem; men nam hem niet dan tegen honderdvijftig, à twee honderd voor één, totdat zeven dagen na zijn vertrek er iets geheel onverwachts gebeurde, hetwelk oorzaak was, dat men hem in het geheel niet meer nam.

In den loop van dien dag ten negen ure des avonds, ontving de directeur van politie in de hoofdstad een telegram van den volgenden inhoud:

“Van Suez naar Londen.

“Rowan, directeur van politie, hoofddirectie Scotlandplace.

Ik volg dief Bank, Phileas Fogg. Zend onmiddellijk bevel tot inhechtenisneming naar Bombay (Engelsch Indië).

Fix, detective.”

De detective. Blz. 28.

De uitwerking van dit telegram liet zich terstond gevoelen. De algemeen geachte gentleman verdween eensklaps om plaats te maken voor den dief der banknoten. Zijn photographisch portret, dat met die van al zijn medeleden, in het archief berustte, werd vergeleken. Trek voor trek gaf het den man weer, wiens signalement bij het ingestelde onderzoek was opgemaakt. Men herinnerde zich al het geheimzinnige van Phileas Fogg's leven, zijne afzondering, zijn plotseling vertrek, en het was boven allen twijfel verheven, dat deze persoon, onder voorwendsel dat hij een reis om de wereld Bladzijde 25ging maken, die op eene onzinnige weddenschap berustte, geen ander doel had gehad dan de engelsche politieagenten van het spoor te leiden. Bladzijde 26

Zesde Hoofdstuk.

Waarin de agent Fix een rechtmatig ongeduld aan den dag legt.

Het telegram omtrent Phileas Fogg kwam onder de volgende omstandigheden in de wereld.

Woensdag den 9en October wachtte men te Suez ten elf ure de mailboot Mongolia van de P. & O. Company, eene schroefboot metende twee duizend achthonderd ton, en van vijf honderd paardenkrachten nominaal. De Mongolia deed de reis geregeld van Brindisi naar Bombay door het kanaal van Suez. Het was een der snelste schepen van de Compagnie, en de reglementaire snelheid, namelijk 10 mijlen in het uur van Brindisi naar Suez, en 9-7/8 mijlen van Suez naar Bombay, had het nooit noodig gehad. Twee heeren wachtten op de aankomst der Mongolia, te midden van de inboorlingen en vreemdelingen, die in groote menigte deze stad bezoeken, nog niet lang geleden slechts een dorpje, maar waaraan thans het reuzenwerk van de Lesseps eene schoone toekomst voorspelt.

Een van deze twee heeren was de consulaire agent van het Vereenigde Koninkrijk, te Suez gevestigd, en die—ten spijt van alle ongunstige voorstellingen van het Britsche Gouvernement en van de sombere beschouwingen van den ingenieur Stephenson—iederen dag toch de schepen zag voorbijvaren, op deze wijze den ouden weg van Engeland naar Indië om de Kaap de Goede Hoop tot de helft verkortende. De ander was een klein mager man, met een slim, eenigszins zenuwachtig gelaat, die onophoudelijk zijne wenkbrauwen fronste. Onder zijne lange wimpers zag men zijne levendige oogen schitteren, maar hij bezat de kracht die te temperen. Op dit oogenblik legde hij duidelijke blijken van ongeduld aan den dag; hij liep heen en weder en kon geen minuut op dezelfde plaats blijven staan.

Die man heette Fix. Hij was een van die detectives of engelsche politie-agenten, welke naar de verschillende havens waren gezonden nadat de diefstal aan de engelsche bank was gepleegd. Aan hem was het opgedragen nauwkeurig toe te zien op al de reizigers, die den weg over Suez namen en te onderzoeken of een van hen ook verdacht mocht zijn. In dat geval moest hij diens spoor volgen, totdat hij in het bezit zou wezen van eene volmacht om hem te arresteeren. Bladzijde 27

Juist twee dagen geleden had Fix van den directeur der londensche politie het signalement ontvangen van den vermoedelijken dief. Het was dat van den heer, dien men in het betaalkantoor van de engelsche bank had gezien.

De detective, die blijkbaar zeer belust was op de aanzienlijke premie, welke hem was toegezegd ingeval hij mocht slagen, wachtte dus met een licht te verklaren ongeduld de aankomst der Mongolia.

“En gij zegt, mijnheer de consul,” vroeg hij wel voor de tiende maal, “dat de boot niet lang meer weg kan blijven?”

“Neen, mijnheer Fix,” antwoordde de consul. “Zij was gisteren al lang in het gezicht bij de haven van Port-Saïd en wat zijn honderd zestig kilometers voor zulk een snelloopende boot? Ik verzeker u, dat de Mongolia altijd den prijs van vijf en twintig pond verdiend heeft, dien het Gouvernement heeft gesteld voor elke vier en twintig uren, die zij binnen den bepaalden tijd aankomt.”

“Komt deze mailboot rechtstreeks van Brindisi?” vroeg Fix.

“Ja, van Brindisi, waar zij de post naar Indië heeft opgenomen, en dat zij zaterdag ten tien uur verlaten heeft. Heb dus geduld, zij zal zoo dadelijk komen; maar ik begrijp waarlijk niet hoe gij met het signalement, dat ge nu hebt, uw man kunt herkennen, zoo hij al aan boord van de Mongolia is.”

“Mijnheer de consul,” antwoordde Fix, “die menschen ruikt men meer dan dat men ze wel herkent. Men moet ze ruiken, en de reuk is een bijzonder zintuig, dat het gehoor en het gezicht steunt. Ik heb in mijn leven verscheidene van die heeren ontmoet, en zoo de dief zich aan boord bevindt, maak er dan gerust staat op, dat hij mij ook niet ontglippen zal.”

“Ik help het u wenschen, mijnheer Fix, want het is een belangrijke diefstal.”

“Een prachtige diefstal,” antwoordde de agent opgetogen. “Vijf en vijftig duizend pond! Zulke buitenkansjes hebben wij niet dikwijls! De dieven beteekenen tegenwoordig niet veel! Het ras der Sheppards sterft uit! Men laat zich nu voor eenige shillings oppakken!”

“Mijnheer Fix,” antwoordde de consul, “gij praat er zoo zeker over, dat ik van harte wensch dat gij slagen zult; maar ik geloof, dat in de omstandigheden waarin gij verkeert, dit moeielijk gaan zal. Weet ge wel, dat volgens het signalement, dat ge gekregen hebt, deze dief zeer veel op een eerlijk man gelijkt?”

“Mijnheer de consul,” antwoordde de inspecteur van politie op beslissenden toon, “de groote dieven gelijken altijd op eerlijke lui. Gij begrijpt toch wel dat voor hen, die een schurkengezicht hebben, slechts éen weg open staat, namelijk om eerlijk te blijven, anders zouden zij ingerekend worden. De eerlijke gezichten zijn het, Bladzijde 28waarop men vooral moet passen. Een moeielijk werk, ik beken het, en dat geen handwerk is, maar eene kunst.”

Men ziet dat Fix niet zonder een weinig eigenwaan was. Onderwijl kwamen er hoe langer hoe meer wandelaars op de kade. Het wemelde er van zeelieden van verschillenden landaard, kooplieden, makelaars, kruiers en fellahs. De mailboot kon blijkbaar ieder oogenblik aankomen.

Het weer was dien dag vrij mooi, doch nog al koud door den oostenwind. Eenige minaretten staken boven de stad uit en werden verlicht door de bleeke zonnestralen. Een havenhoofd van twee mijlen lengte strekte zich ten zuiden als een arm van de reede van Suez uit. Vele visschersbooten en kustvaarders zwierven op de golven der Roode Zee rond; in eenige daarvan herkende men door hun sierlijken bouw nog het model der oude galei.

Onder deze menigte rondwandelende, nam Fix, krachtens de gewoonte aan zijne betrekking eigen, iedereen in het voorbijgaan op.

Het was juist half elf.

“Maar zij komt niet!” riep hij wanhopend uit, toen hij de klok hoorde slaan.

“Zij kan niet ver meer af zijn,” antwoordde de consul.

“Hoe lang zou zij te Suez toeven?” vroeg Fix.

“Vier uren. Juist den tijd om kolen in te nemen. Van Suez naar Aden, aan het uiteinde van de Roode Zee, is de afstand dertien honderd en tien mijlen en moet men een voorraad van brandstoffen innemen.”

“En van Suez gaat deze boot rechtstreeks naar Bombay?”

“Rechtstreeks zonder ergens aan te leggen.”

“Welnu,” zeide Fix, “zoo de dief dezen weg en die boot heeft gekozen, dan moet het zijn plan zijn om te Suez aan wal te gaan, ten einde langs een anderen weg in een der hollandsche of fransche bezittingen in Azië te komen. Hij zou in Indië niet veilig zijn, want dat is engelsch grondgebied.”

“Als het ten minste geen schrander man is,” antwoordde de consul. “Een engelsch misdadiger is altijd beter te Londen verborgen dan in den vreemde.”

Na dit gezegde, dat stof tot veel nadenken gaf aan den inspecteur, ging de consul naar zijn bureau niet ver van daar. Fix bleef alleen achter, in een zeer zenuwachtigen toestand, en met het bepaald voorgevoel, dat de dief zich aan boord der Mongolia moest bevinden. En waarlijk, zoo deze schurk Engeland verlaten had met het plan om naar de Nieuwe Wereld te gaan, moest de weg over Indië wel de voorkeur hebben boven de Atlantische Zee, daar deze minder bewaakt werd of moeielijker te bewaken was dan laatstgenoemde. Fix bleef niet lang aan zijne overpeinzingen overgelaten. Bladzijde 29Een schril gefluit kondigde de nadering der mailboot aan. Alle kruiers en fellahs haastten zich naar de aanlegplaats, en er ontstond een gedrang, dat de ledematen en kleederen der reizigers Bladzijde 30niet weinig in gevaar bracht. Een tiental bootjes verlieten den oever om naar boord van het stoomschip te roeien.

Iemand die de fellahs van zich stootte. Blz. 30.

Weldra zag men de reusachtige Mongolia tusschen de oevers van het kanaal doorstoomen, en toen het elf uur sloeg, liet de stoomboot het anker vallen, terwijl haar stoom met een groot gedruisch uit de pijpen omhoog steeg.

Er waren tamelijk veel passagiers aan boord. Eenigen bleven op het dek om het schilderachtige stadsgezicht te genieten, maar de meesten lieten zich met de bootjes naar wal roeien.

Fix sloeg met de grootste aandacht ieder, die het schip verliet, gade.

Op dit oogenblik kwam er iemand, die op ruwe wijze de fellahs, welke hem met hunne aanbiedingen overstelpten, van zich stootte, naar hem toe en vroeg hem zeer beleefd of hij hem ook het bureel van den engelschen consulairen agent kon aanwijzen. Hij liet hem te gelijk een paspoort zien, waarop hij zonder twijfel verlangde dat men het engelsche visa zou stellen.

Fix nam werktuigelijk het paspoort en met een vluchtigen blik las hij het signalement. Een moeielijk te onderdrukken beweging maakte zich van hem meester. Het papier trilde in zijn hand; het signalement op het paspoort was volkomen hetzelfde als dat, hetwelk hij van den directeur van politie uit de hoofdstad ontvangen had.

“Dit paspoort is niet van u?” zeide hij tot den reiziger.

“Neen,” antwoordde deze, “het is van mijn meester.”

“En uw meester?”

“Hij is aan boord gebleven.”

“Maar,” hernam de agent, “men moet zich altijd in persoon bij den agent aanmelden, ten einde zijn identiteit te bewijzen.”

“Hoe zoo? is dat noodig?”

“Dat is noodzakelijk.”

“Waar is het bureel?”

“Daar op den hoek van het plein,” antwoordde de inspecteur, naar een huis wijzende, dat niet meer dan tweehonderd schreden van hem verwijderd was.

“Dan zal ik mijn meester gaan halen, die het intusschen volstrekt niet aangenaam zal vinden om zoo gestoord te worden.”

Toen groette de reiziger Fix en ging weer naar de stoomboot terug. Bladzijde 31

Zevende Hoofdstuk.

Dat alweer de nutteloosheid van een paspoort in politiezaken bewijst.

De agent spoedde zich naar het consulaat. Hij werd terstond op zijn dringende vraag om den consul te spreken, tot dezen toegelaten.

“Mijnheer de consul,” zeide hij, met de deur in het huis vallende, “ik heb reden om te gelooven dat onze dief op de Mongolia is.”

En Fix vertelde wat er tusschen den bediende en hem was voorgevallen.

“Mij is het wel, mijnheer Fix,” antwoordde de consul, “en ik wil het gezicht van zoo'n schurk wel eens zien. Maar misschien zal hij niet eens aan mijn bureel komen, zoo hij 't is voor wien gij hem houdt. Een dief is er niet op gesteld om eenigen indruk van zich achter te laten, en bovendien is de formaliteit der viseering van paspoorten niet verplichtend.”

“Mijnheer de consul,” antwoordde de inspecteur, “zoo het een schrandere kerel is, zooals men wel denken moet, dan zal hij komen!”

“Om zijn paspoort te laten viseeren?”

“Ja. De paspoorten dienen nergens anders toe dan om een fatsoenlijk man in zijne bewegingen te hinderen en een schurk in zijne vlucht behulpzaam te zijn. Ik ben overtuigd dat dit paspoort in orde zal zijn, maar ik vertrouw dat gij het niet viseeren zult.”

“Wel waarom niet? Zoo het paspoort in orde is,” antwoordde de consul, “dan heb ik het recht niet om mijn visa te weigeren.”

“In elk geval, mijnheer de consul, ben ik wel genoodzaakt om dien man hier te houden, totdat ik het bevel tot arrestatie uit Londen ontvangen heb.”

“Wat dat betreft, mijnheer Fix, dat is uwe zaak,” antwoordde de consul, “maar ik heb daartoe geen recht....”

De consul eindigde zijn volzin niet. Er werd geklopt en de klerk kondigde twee vreemdelingen aan, waarvan een dezelfde bediende was, waarmede de detective had staan praten.

Het waren inderdaad de heer en zijn knecht. De eerste reikte zijn paspoort over en vroeg eenvoudig, of de consul er zijn visa op wilde stellen.

Deze nam het paspoort en las het zeer aandachtig, terwijl Fix, die in een hoek gezeten was, den vreemdeling gadesloeg of liever met de oogen verslond. Bladzijde 32

Toen de consul het stuk gelezen had, vroeg hij: “—Gij zijt mijnheer Phileas Fogg, esquire?”

“Ja, mijnheer,” antwoordde de gentleman.

“En deze man is uw bediende?”

“Ja, een Franschman. Passepartout is zijn naam.”

“Gij komt uit Londen?”

“Ja.”

“En gij gaat naar?”

“Bombay.”

“Best, mijnheer. Gij weet dat deze formaliteit met uw paspoort onnoodig is, en dat wij ook het vertoonen van het paspoort niet meer vorderen?”

“Ik weet het, mijnheer,” antwoordde Phileas Fogg, “maar ik wensch door uw visa mijn reis naar Suez te constateeren.”

“Zooals gij wilt, mijnheer.”

Toen de consul het stuk geteekend en gedateerd had, drukte hij er zijn stempel op. Fogg betaalde het visa, en na een koelen groet verliet hij het bureel, gevolgd door zijn knecht.

“Wat zegt ge er van?” vroeg de agent.

“Wel,” zeide de consul, “hij heeft het voorkomen van een fatsoenlijk man.”

“Dat is wel mogelijk,” antwoordde Fix; “maar dat is hier de quaestie niet. Vindt gij niet, mijnheer de consul, dat deze kalme gentleman trek voor trek gelijkt op den dief, waarvan ik het signalement heb ontvangen?”

“Ik geef het u toe; maar gij weet dat alle signalementen....”

“Ik moet er het mijne van hebben,” antwoordde Fix; “de knecht schijnt mij minder ondoordringbaar toe dan de meester; bovendien is hij een Franschman en Franschen praten graag. Tot straks, mijnheer de consul.”

Met die woorden ging de inspecteur heen om Passepartout op te zoeken.

Toen Fogg het huis van den consul verlaten had, begaf hij zich naar de aanlegplaats. Op eenigen afstand van het schip gekomen gaf hij eenige bevelen aan Passepartout en verdween zelf in zijn hut aan boord der Mongolia. Daar haalde hij zijn opschrijfboekje uit zijn zak en schreef de volgende aanteekeningen:

“Woensdag 2 October,'s avonds 8 uur en 45 minuten Londen verlaten.

“Donderdag 3 October, 's morgens 7 uur 20 minuten te Parijs aangekomen.

“Parijs verlaten donderdag morgen ten 8 ure en 40 minuten.

“Te Turin over den Mont-Cenis aangekomen 4 October, vrijdag 's morgens ten 6 ure 25 minuten.

“Turin verlaten, vrijdag morgen 7 ure 20 minuten.

“Zaterdag 5 October, 's middags 4 uur te Brindisi aangekomen. Bladzijde 33

“Mijn horloge! Een familiestuk....” Blz. 35.

“Met de Mongolia verder gereisd zaterdag avond ten 5 ure.

“Te Suez aangekomen, woensdag morgen 9 October ten 11 uur.

“Totaal der uren van de reis: 156½, en der dagen: 6½. Bladzijde 34

Fogg schreef deze datums op in een reisboek in kolommen verdeeld, die aanduidden—van den 20en October tot den 21en December—de maand, den dag, de uren van aankomst volgens de lijsten, en de uren van werkelijke aankomst in de hoofdstations Parijs, Brindisi, Suez, Bombay, Calcutta, Singapore, Hong-kong, Yokohama, San-Francisco, New-York, Liverpool, Londen, en waarop men ook kon aanteekenen de gewonnen of verloren uren in elke plaats, die men passeerde. Door dit stelselmatig ingerichte reisboek kon men dus van alles rekenschap geven, en Fogg wist altijd of hij voor of achter was.

Hij schreef heden, woensdag 9 October, zijne aankomst, te Suez, die overeenstemde met de aankomst volgens het plan, en waaruit bleek, dat hij noch uren gewonnen, noch verloren had.

Vervolgens liet hij zijn ontbijt in de hut brengen. Wat de stad betrof, hij dacht er zelfs niet aan om haar te gaan zien, want hij behoorde tot die soort van Engelschen, die het land dat zij doortrekken door hunne bedienden laten bezoeken.

Achtste Hoofdstuk.

Waarin Passepartout een weinig meer spreekt dan hem misschien wel betaamt.

In weinig oogenblikken had Fix Passepartout ingehaald. Deze liep te slenteren en rond te kijken, want hij voor zich achtte zich niet verplicht om iets te zien.

“Wel, vriend,” zeide Fix, hem aansprekende, “is uw paspoort al geviseerd?”

“O, zijt gij het, mijnheer,” antwoordde de Franschman, “ik dank u nog wel. Alles is in orde.”

“En nu bekijkt gij de stad eens?”

“Ja, maar wij reizen zoo gauw, dat het mij is alsof ik droom. Alzoo zijn wij te Suez?”

“Te Suez.”

“In Egypte?”

“In Egypte, juist.”

“Dus in Afrika.”

“In Afrika?”

“In Afrika!” herhaalde Passepartout. “Ik kan het niet gelooven. Bladzijde 35Verbeeld u eens mijnheer, dat ik niet verder dacht te komen dan Parijs, en die groote hoofdstad heb ik niet weer gezien dan van zeven uur 's morgens tot acht uur veertig, van het noorderstation tot het station van Lyon en dan nog door de raampjes van een rijtuig bij een slagregen! Ja, ik heb er spijt van! Ik had zoo graag Père-Lachaise en het Cirque in de Champs-Elysées nog eens weergezien.”

“Gij hebt dus wel veel haast?” vroeg de inspecteur van politie.

“Ik niet, maar mijn meester. A propos, ik moet nog sokken en hemden koopen! Wij hebben geen koffers bij ons; niets meer dan een valies.”

“Ik zal u naar een winkel brengen, waar gij alles van dien aard kunt vinden.”

“Mijnheer,” antwoordde Passepartout, “gij zijt wezenlijk de hulpvaardigheid zelve.”

Al pratende wandelden zij samen verder.

“Maak vooral dat ik niet te laat aan de boot kom!”

“Gij hebt nog al den tijd,” antwoordde Fix; “het is eerst twaalf uur!”

Passepartout keek op zijn reusachtig horloge.

“Twaalf uur,” zeide hij. “Wel neen! het is negen uur twee en vijftig minuten.”

“Uw horloge loopt achter,” antwoordde Fix.

“Mijn horloge! Een familiestuk dat al van mijn overgrootvader afkomstig is! Het loopt geen vijf minuten in het jaar achter. Het is een echte chronometer!”

“Ik begrijp al hoe het komt,” antwoordde Fix. “Gij hebt uw horloge geregeld naar de londensche klok, die ongeveer twee uur verschilt met die van Suez. Gij moet altijd zorgen uw horloge te regelen naar de hoofdstad van het land, waarin gij u bevindt.”

“Ik! Aan mijn horloge komen!” riep Passepartout uit, “neen dat nooit!”

“Wel, dan zal het ook niet in overeenstemming blijven met de zon.”

“Des te erger voor de zon, mijnheer! Zij is aan het kortste eind!”

En de brave knecht borg met eene fiere beweging zijn horloge weer in zijn vestjeszak.

Eenige oogenblikken daarna begon Fix weer:

“Gij hebt dus Londen zeer overhaast verlaten?”

“Nu, dat geloof ik! Laatstleden woensdag avond tegen acht uur. Tegen alle gewoonten in, kwam mijnheer Fogg op dat uur van zijn club terug en om negen uur waren wij al op weg.”

“En waar gaat u meester dan naar toe?”

“Altijd maar vooruit! Hij maakt de reis om de wereld!”

Bladzijde 36“De reis om de wereld?” herhaalde Fix.

“Ja, in tachtig dagen! Een weddenschap zooals hij beweert, maar onder ons gezegd, geloof ik er niets van. Dat zou toch wat al te dwaas zijn. Er steekt wat anders achter.”

“Zoo; dan is 't een zonderling, die mijnheer Fogg.”

“Dat zou ik denken.”

“Hij is dus rijk?”

“Dat blijkt, en hij neemt een aardig duitje met zich mede, in geheel nieuwe banknoten. Hij ziet ook op geen geld onder weg. Begrijp eens! hij heeft een prachtigen prijs uitgeloofd aan den machinist der Mongolia, als wij vóór den vastgestelden tijd te Bombay aankwamen!”

“En gij zijt al lang bij uw meester?”

“Ik!” antwoordde Passepartout, “ik ben pas den dag van ons vertrek in zijn dienst getreden.”

Men kan gemakkelijk begrijpen welk een indruk deze mededeelingen te weeg brachten op den reeds overspannen geest van den inspecteur van politie.

Dat overijlde vertrek uit Londen even na dien verbazend grooten diefstal, en daarbij de haast om in verafgelegen landen te komen, dat alles onder voorwendsel van een dwaze weddenschap, paste zoo volkomen in elkaar, dat het Fix wel in zijn vermoeden moest versterken. Hij deed den Franschman nog meer vertellen en verkreeg de zekerheid, dat de knecht zijn meester volstrekt niet kende, dat Fogg zeer op zich zelf te Londen leefde, en dat men den gentleman voor rijk hield, zonder te weten waarmede hij zijn rijkdom verkregen had, dat het een raadselachtig man was enz. Maar tegelijkertijd mocht Fix de zekerheid erlangen dat Phileas Fogg niet te Suez aan land ging maar werkelijk naar Bombay reisde.

“Is Bombay nog ver af?” vroeg Passepartout.

“Vrij ver,” antwoordde de inspecteur, “nog ongeveer tien dagen zeereis.”

“En waar ligt Bombay?”

“In Indië.”

“In Azië?”

“Natuurlijk.”

“Lieve hemel! Weet ge ... daar is iets dat mij geweldig hindert ... mijn kraan!”

“Welke kraan?”

“Mijn gaskraan, die ik vergeten heb uit te draaien en die nu voor mijne rekening brandt. Ik heb uitgerekend dat zij in de vier en twintig uren voor twee shillings verbrandt, juist zes stuivers meer dan ik verdien, en gij begrijpt dat zoo de reis lang duurt....”

Liep zij te Steamer-Point binnen. Blz. 43.

Begreep Fix deze mededeeling over het gas? Het is niet waarschijnlijk; Bladzijde 37hij hoorde er ook al niet meer naar, want hij wist nu wat hem te doen stond. Zij waren thans aan den winkel gekomen. Fix liet zijn metgezel binnen gaan om zijne boodschappen te doen, Bladzijde 38en beval hem aan vooral niet te laat aan de Mongolia te komen. Hij zelf snelde toen in allerijl naar het consulaat.

Nu zijne overtuiging vaststond, kreeg Fix weer al zijn koelbloedigheid terug.

“Mijnheer,” zeide hij tot den consul, “thans twijfel ik er niet meer aan: het is de man, dien ik hebben moet. Hij laat zich voor een zonderling doorgaan, die in tachtig dagen de reis om de wereld wil doen.”

“Dan is hij al een heel slimme vogel,” antwoordde de consul, “en hij denkt weer in Londen terug te komen na de politie van de twee werelddeelen van het spoor te hebben geleid.”

“Dat zullen we eens zien,” antwoordde Fix.

“Maar bedriegt ge u niet?” vroeg de consul nogmaals.

“Neen; ik bedrieg mij niet.”

“Waarom zou deze dief er dan op gestaan hebben, om zijne passage te Suez door een visa bewezen te hebben?”

“Ja, waarom, dat weet ik niet, mijnheer de consul,” antwoordde de detective, “maar luister.”

En in korte woorden vertelde hij den hoofdinhoud van zijn gesprek met den bediende van gemelden Fogg.

“Waarlijk,” zeide de consul, “alle vermoedens zijn tegen dien man. En wat gaat gij nu beginnen?”

“Naar Londen seinen, met het verzoek om mij een bevel tot inhechtenisneming te zenden naar Bombay; mij op de Mongolia inschepen, mijn dief tot in Indië volgen, en daar op engelsch grondgebied hem zeer beleefd aan te spreken met mijn bevelschrift in de eene hand en de andere op zijn schouder.”

Na deze woorden vertrok de inspecteur, en begaf hij zich naar het telegraafkantoor. Daar zond hij den inspecteur der hoofdstad de dépêche, die men kent.

Een kwartier later ging Fix met zijne kleine bagage en een goed gevulde beurs aan boord der Mongolia, en de snelle boot stak met volle vaart de Roode Zee over. Bladzijde 39

Negende Hoofdstuk.

Waarin de Roode en de Indische Zee de plannen van Phileas Fogg schijnen te begunstigen.

De afstand tusschen Suez en Aden is, precies berekend, dertien honderd tien mijlen, en de Maatschappij staat aan elke mailboot een tijdsverloop van honderd dertig uren toe om dit traject af te leggen. De Mongolia, wier vuur zeer goed onderhouden werd, stoomde altijd met die snelheid om binnen de vastgestelde uren aan te komen.

Bijna alle passagiers waren te Brindisi ingescheept en gingen naar Indië. Sommigen begaven zich naar Bombay, anderen naar Calcutta, maar altijd over Bombay, want sedert een spoorweg de geheele breedte van het indische schiereiland doorsnijdt, is het niet meer noodig de zuidelijke punt Ceylon om te varen.

Onder de reizigers der Mongolia waren verschillende burgerlijke ambtenaren en officieren van allerlei rang. Van dezen behoorden er eenigen tot het eigenlijk gezegde engelsche leger; anderen commandeerden de inlandsche troepen, bestaande uit cipayers. Allen waren hoog bezoldigd, zelfs nu het Gouvernement de rechten en lasten van de voormalige Indische Compagnie heeft overgenomen. Tweede luitenants hadden ƒ 3,500, brigade-generaals ƒ 30,000, generaals ƒ 50,000. De traktementen der burgerlijke ambtenaren zijn nog hooger. De minste ambtenaren hebben ƒ 6,000;—rechters ƒ 30,000, presidenten van gerechtshoven ƒ 125,000, gouverneurs ƒ 150,000, de gouverneur-generaal ƒ 300,000.

Men leefde dus zeer goed aan boord der Mongolia in dezen kring van ambtenaren, waarbij zich nog eenige jonge Engelschen voegden, die een millioen te verteren hadden, en die in verre landen hunne handelskantoren gingen vestigen. De “purser,” de vertrouwde persoon der Compagnie, gelijk in rang met den kapitein, deed alles op groote schaal. Aan het ontbijt, aan den lunch, ten twee uur, aan het middagmaal te half zes, het souper ten acht ure, bogen de tafels bijna onder de schotels warm vleesch en verdere gerechten, die door de slagers en den kok der mailboot geleverd werden. Onder de vrouwelijke passagiers waren er eenige, die tweemaal daags haar toilet veranderden. Men maakte muziek, men danste zelfs, als de zee het veroorloofde. Maar de Roode Zee is grillig en dikwijls zeer onstuimig, zooals alle lange, smalle zeeën. Als de wind, hetzij van den kant van Azië kwam of van Bladzijde 40Afrika, slingerde de Mongolia, het lange stoomschip, geducht, daar zij de zee dwars inkreeg. De dames verdwenen dan in hare hutten, de piano werd niet bespeeld en natuurlijk eindigde dan ook het zingen en dansen. En toch, ondanks al die rukwinden en de deining, zette de mailboot, voortgedreven door haar ontzaglijk groot stoomwerktuig, zonder vertraging de reis naar de straat van Bab-el-Mandeb voort.

Wat deed Phileas Fogg wel gedurende de reis? Men zou denken, dat hij altijd angstig en onrustig zich bezig hield met de veranderingen van den wind, die misschien nadeelig voor zijne reis konden zijn, of eene onverwachte beweging konden veroorzaken, welke de machine gevaar deed loopen onklaar te worden; in één woord met alle mogelijke gebeurtenissen, die de Mongolia konden noodzaken om in een van de havens binnen te loopen, zoodat zijne reis langer zou duren.

Volstrekt niet, of althans in zeer geringe mate. De gentleman dacht wel eens aan zulke mogelijkheden, maar hij bleef altijd de kalme onbeweeglijke man, het onverstoorbare lid der Reform-club, wien geen ongeluk of toeval kon verrassen. Hij scheen niet meer aangedaan dan de chronometer aan boord. Men zag hem zelden op het dek. Hij gaf zich volstrekt geen moeite om de Roode Zee gade te slaan, zoo rijk aan herinneringen, het tooneel van de eerste gebeurtenissen in de geschiedenis der menschheid. Hij ging niet naar boven om de fraaie steden te zien liggen, die gezaaid zijn langs hare oevers, en waarvan de schilderachtige omtrekken zich somtijds tegen den gezichteinder teekenen. Hij droomde zelfs niet van de gevaren van deze arabische golf, waarvan de oude geschiedschrijvers Strabo, Arianus, Arthemidores, Edrisi zooveel akeligheden hebben verhaald en waarop de zeelieden zich nooit waagden zonder door zoenoffers hunne reis te hebben geheiligd.

Wat deed dan toch deze zonderling, die op de Mongolia gevangen zat? Vooreerst gebruikte hij zijn vier dinés daags, zonder dat eenige slingering of schommeling eene zoo goed georganiseerde constitutie in de war kon brengen. En vervolgens whistte hij.

Ja! Hij had partners aangetroffen, die even dol op het spel waren als hij; een ambtenaar der belastingen, die zich weder naar zijn post te Goa begaf, een predikant, den eerwaarden Decimus Smith, die naar Bombay terugkeerde, en een brigade-generaal van het britsche leger, die zijn regiment te Benares opzocht. Deze drie passagiers hadden voor het whisten denzelfden hartstocht als Phileas Fogg, en zij speelden uren lang zonder een woord te spreken.

Wat Passepartout aangaat, die tot nog toe geen last had gehad van zeeziekte, hij was den geheelen dag in zijne hut op de voorplecht, en ook hij at met evenveel lust als zijn meester. Hij zou er het zijne maar van nemen. Goed gevoed, goed gehuisvest, zag Bladzijde 41hij de wereld en hield zich overtuigd, dat al deze dwaasheden te Bombay wel een einde zouden nemen.

Passepartout slenterde volgens gewoonte.... Blz. 43.

Den dag van het vertrek van Suez, den 29en October, ontmoette Bladzijde 42hij tot zijne blijdschap den gedienstigen heer, tot wien hij zich op den afrikaanschen bodem gericht had.

“Als ik mij niet vergis, mijnheer,” zeide hij, met zijn beminnelijksten glimlach Fix aansprekende, “zijt gij dezelfde heer die zoo vriendelijk waart mij te Suez te helpen.”

“Inderdaad,” antwoordde de detective, “ik herken u: gij zijt de bediende van dien zonderlingen Engelschman.”

“Juist...!”

“Ik heet Fix.”

“Mijnheer Fix,” zeide Passepartout. “Ik ben verheugd u hier aan boord weer te vinden. Waar gaat gij naar toe?”

“Wel, evenals gij, naar Bombay.”

“Des te beter. Hebt gij al meer die reis gemaakt?”

“Verscheidene malen,” antwoordde Fix. “Ik ben agent van de Peninsular-Company.”

“Dus zijt gij in Indië bekend?”

“Wel zeker....” antwoordde Fix, die niet te ver wilde gaan.

“En daar is alles zeer merkwaardig?”

“Zeer merkwaardig. Moskeën, minaretten, tempels, fakirs, afgodsbeelden, tijgers, slangen, bayadères! Maar het is te hopen dat gij daar lang genoeg blijft om het land te zien.”

“Ik hoop het, mijnheer Fix. Gij begrijpt dat het toch niet te vergen is van een man met gezond verstand om zijn leven te slijten met over te springen van een boot in een spoortrein en van een spoortrein in een boot, onder voorwendsel de reis om de wereld te maken in tachtig dagen. Ik twijfel er niet aan of al die gymnastiek zal te Bombay wel eindigen.”

“Is mijnheer Fogg welvarend?” vroeg Fix op zijn natuurlijksten toon.

“Zeer welvarend, mijnheer Fix, en ik ook. Ik eet als een wolf, die in langen tijd niets gehad heeft. Het is zeker de zeelucht.”

“Uw meester zie ik nooit op het dek.”

“Neen, nooit. Hij is niet nieuwsgierig.”

“Weet ge wel, mijnheer Passepartout, dat deze beweerde reis om de wereld wel een geheime zending kon verbergen ... bij voorbeeld een diplomatieke missie.”

“Op mijn woord, mijnheer Fix, daar weet ik niets van; dat moet ik u eerlijk bekennen, en het is mij ook geen halve kroon waard om het te weten.”

Na deze ontmoeting spraken Fix en Passepartout nog dikwijls samen. De inspecteur van politie scheen er prijs op te stellen, om met den bediende van den heer Fogg goede vrienden te worden. Dit kon hem bij voorkomende gelegenheid te pas komen. Hij bood hem dan ook dikwijls in de koffiekamer der Mongolia een glas whisky of pale-ale aan, dat de goede jongen altijd zonder eenigen Bladzijde 47omslag aannam en dikwijls ook beantwoordde om geen verplichting te maken; hij vond dien Fix een zeer beleefd gentleman.

Onderwijl ging de mailboot snel vooruit. Den 13en had men Mokka in het gezicht, dat in een ring van verwoeste muren scheen te liggen, waarboven eenige groene dadelboomen. In de verte ontdekte men tegen de bergen de uitgestrekte koffievelden. Passepartout was in verrukking toen hij deze beroemde stad zag, en hij vond zelfs dat zij met hare ronde muren en geslechte vesting, die tot oor moest dienen, veel op een reusachtige kop koffie geleek.

Den volgenden nacht passeerde de Mongolia de straat Bab-el-Mandeb, welke arabische naam beteekent: Poort der Tranen, en den anderen morgen, den 14en liep zij te Steamer-Point ten noordwesten van de reede van Aden binnen. Hier moest zij weder brandstof opdoen.

Een ernstige en belangrijke zaak is de zorg voor de steenkolen der mailbooten, op zulke afstanden van de plaats waar zij worden gedolven. Voor de Peninsular-Company is dit eene jaarlijksche uitgave van acht honderd duizend pond sterling, want men heeft op verscheidene punten in die ver verwijderde zeeën depots moeten vestigen en daar kost het hectoliter kolen veertig gulden.

De Mongolia had nog zestien honderd vijftig mijlen af te leggen vòor zij Bombay bereikte en moest vier uur te Steamer-Point blijven, om haar voorraad in te nemen. Maar dit oponthoud kon aan het programma van Fogg volstrekt geen nadeel doen. Dit alles had men berekend. Daarenboven was de Mongolia, in plaats van in den morgen van den 15en October te Aden te komen, reeds den 14en aldaar gearriveerd. Dit was dus een winst van vijftien uren.

Fogg en zijn bediende gingen nu aan land. De gentleman wilde zijn paspoort laten viseeren. Fix volgde hem onopgemerkt. Toen deze formaliteit afgeloopen was, keerde Phileas Fogg weer naar boord terug, om daar zijn geschorst spel te hervatten.

Passepartout slenterde, volgens gewoonte, door de stad, tusschen Somanlis, Banianen, Perzen, Joden, Arabieren en Europeanen, die de 25,000 inwoners van Aden uitmaken. Hij bewonderde de versterkingen, die deze stad tot een Gibraltar der Indische Zee maken, en de prachtige waterleidingen, waaraan de engelsche ingenieurs, twee duizend jaren na die van koning Salomo, arbeidden.

“Zeer-merkwaardig! zeer merkwaardig!” mompelde Passepartout bij zich zelven, toen hij weer aan boord was. “Ik zie dat het zeer nuttig is om te reizen, wanneer men iets nieuws wil zien.”

Ten zes ure des avonds stoomde de Mongolia weder voort en was spoedig in de Indische Zee. Er waren haar nog honderd acht en zestig uren toegestaan, om den weg van Aden naar Bombay af te leggen. De Indische Zee was haar ook verder zeer gunstig. De wind bleef noord-west. De zeilen kwamen den stoom te hulp. Bladzijde 44

Het schip, dat nu zwaarder belast was, slingerde minder. De passagiers kwamen in nieuwe toiletten op het dek. Het zingen en dansen nam weer een aanvang. De reis werd dus onder de gunstigste omstandigheden volbracht. Passepartout was zeer ingenomen met den aangenamen reisgenoot, dien het toeval hem in den persoon van Fix verschaft had.

Zondag 20 October, tegen 12 uur, kreeg men de indische kust in 't gezicht. Twee uur later kwam de loods aan boord der Mongolia. Aan den horizon teekenden zich de bergen schilderachtig tegen den donkeren hemel af. Weldra zag men de palmen, die boven de stad uitstaken. De mailboot stoomde de haven binnen, welke gevormd wordt door de eilanden Salsette, Colaba, Elephanto en Butcher en ten half vijf lag zij voor de kade van Bombay.

Phileas Fogg had dien dag zijn drie en dertigsten robber gespeeld; zijn partner en hij hadden door vernuftige berekening schlem gemaakt.

De Mongolia moest eerst den 22en October te Bombay aankomen. Zij kwam er den 20en, dus had men sedert het vertrek uit Londen twee dagen gewonnen, wat Phileas Fogg niet naliet terstond in zijn register te vermelden.