Voetnoten
[36] Odyss. XI. 488.
[37] Il. XX. 64.
[38] Il. XXIII. 103.
[39] Odyss. X. 495.
[40] Il. XVI. 856.
[41] Il. XXIII. 100.
[42] Odyss. XXIV. 6.
[43] Il. XXIV. 3 sqq.
[44] En van wien men dus verwachten zou, dat hij althans nog iets goddelijks in zijn karakter over had.
[45] Il. XXII. 414.
[46] Il. XVIII. 54.
[47] Il. XXII. 168.
[48] Il. XVI 433.
[49] Il. I. 599.
[50] Odyss. XVII. 383.
[51] Diomedes komt bij Homerus met al zijne dapperheid als een zeer bescheiden karakter voor. In de aangehaalde plaats, Il. IV. vs. 370-418, wordt hij door Agamemnon ten onregte berispt, maar zwijgt uit eerbied voor den Koning. Hierop neemt Sthenelus het woord en weèrlegt Agamemnon vrij vinnig, waarover hij nog door Diomedes bestraft wordt.
[52] Il. IV. 431.
[53] Il. I. 225.
[54] Od. IX. 5.
[55] Od. XII. 342.
[56] Il. XIV. 291.
[57] Od. VIII. 266.
[58] Od. XX. 17.
[59] Il. IX. 496.
[60] Il. XIX. 278.
[61] Il. XXIV. 175.
[62] Il. XXII. 15.
[63] Il. XXI. 233.
[64] Il. XXIII. 144.
[65] Il. XXIV. 16.
[66] Il. XXIII. 175.
[67] In het Grieksch staat hier nog tusschen: van de geesten. Ik heb die woorden weggelaten, omdat wij in het vorige niets van die geesten gehad hebben, en zij zeer ligt door een later Platonicus kunnen ingevoegd zijn, daar die wijsgeeren bijzonder veel werk van daemonen, engelen, geleigeesten enz., maakten. Zie Nieuwenhuis, Initia Philosophiae Theoreticae II. 1. p. 33.
[68] Zoo dit ernstig gemeend is, dan is de stelling, dat Plato zoo maar voort schreef, niet ligt te ontkennen. Ik heb echter in den Phaedo en den Theaetetus reeds zoeken aan te toonen, dat Plato wel degelijk een geregeld plan volgde en niet schreef, zoo als de geest getuigde. Men kan evenwel deze plaats misschien ook zóó uitleggen, dat Socrates zegt: niet wat ons al of niet goed dunkt, maar wat van zelfs uit ons onderwerp voortvloeit, moeten wij onderzoeken.
[69] Het opzeggen van gedichten was in Griekenland een tak van industrie, die tot vergoeding voor de weinige verspreiding der boeken ten gevolge van hunne kostbaarheid diende.
[70] De rollen op het Grieksche tooneel werden allen door mannen vervuld, waarin geene zwarigheid was, dewijl de tooneelspelers gemaskerd waren.
[71] Alle dergelijke beroepen werden door de Grieksche geleerden veracht, omdat zij ze voor geestverdoovend hielden, wegens het werktuigelijke der bezigheid.
[72] Het Grieksche woord, dat hier opvoeders beteekent, drukt slaven uit, die met de zorg voor de kinderen belast werden, iets dat bij de Grieken zeer gewoon was, doch aan hunne wijsgeeren niet weinig ergernis gaf, vooral ook om de verkeerde keus, die vaak daarbij plaats had. Men leest onder anderen in het boekje over de opvoeding, dat aan Plutarchus wordt toegeschreven: Hoofdst. VII. «Hetgeen tegenwoordig door velen gedaan wordt, is allerbespottelijkst. Want van hunne goede slaven maken zij sommigen tot landbouwers, anderen tot schippers, of verkoopers, of huisverzorgers, of bestuurders van geldzaken; maar zoo zij een slaaf hebben, die aan den drank verslaafd en snoepachtig is, en voor niets anders deugt, dragen zij hem de opvoeding hunner zonen op.»
[73] De lier en cither waren aan Apollo gewijd, en Marsyas wordt bij de dichters als de patroon van het fluitspel beschouwd, daar hij de door Athene uitgevondene, maar weggeworpene fluit opraapte, en zich daarop geoefend hebbende, zelfs Apollo tot een muzijkalen wedstrijd durfde uitdagen.
[74] Over dit punt is vooral lezenswaard K. O. Müller, Gesch. d. Gr. Lit., Deel I. blz. 263 volgg.
[75] Een beroemd toonkunstenaar, die te gelijk met Socrates leefde, doch, toen de Republiek werd uitgegeven, waarschijnlijk reeds overleden was.
[76] Hierin ligt eene belangrijke waarheid opgesloten. Wij begrijpen het best redeneringen over zaken, die ons reeds bekend zijn, en het is verkeerd, voordat de toehoorders iets van de feiten weten, hun die feiten te willen verklaren en derzelver onderling verband te doen inzien. Zie H. M. Moll, Latijnsche Spraakkunst, voorberigt, blz. 1.
[77] Socrates zelf was verschrikkelijk leelijk, waarom Alcibiades hem in het Gastmaal met een monsterachtig Silenusbeeld vergelijkt, dat tot koker moest dienen, om een schoon gouden godenbeeldje te bewaren.
[78] Het woord gymnastiek wordt hier in zeer uitgebreiden zin genomen, daar het niet slechts ligchaamsoefeningen aanduidt, maar alles wat tot het bewaren en versterken des ligchaams dienstig is.
[80] Ilias XI. 505, 617, 841. Plato vertelt deze geschiedenis niet volkomen juist, hetgeen waarschijnlijk daaraan moet geweten worden, dat hij ze uit zijn geheugen aanhaalde. Hoe echter die gewonde held heette, en wie hem oppaste, is hier geheel onverschillig; genoeg, dat aan de behandeling der gewonden bij Homerus duidelijk te zien is, dat in die eenvoudige tijden de menschen niet zoo teer waren als tegenwoordig, en zich minder voor alles in acht namen, zonder dat dit hunne gezondheid benadeelde; waaruit blijkt, hoe heilzaam een eenvoudige levenswijs voor den welstand des ligchaams is. Hoezeer naauwkeurigheid in het aanhalen verdient geprezen te worden, is het echter verkeerd op de letter te vitten, zoo de geest maar goed gevat is.
[81] Il. IV. 213.
[82] Zie Phaedo, Hoofdst. XXXIX.