WeRead Powered by ReaderPub
De republiek van Plato cover

De republiek van Plato

Chapter 6: Voetnoten
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A Socratic dialogue led by Socrates interrogates the nature of justice, contrasting conventional views with Thrasymachus's claim that justice serves the powerful and answering Glaucon's challenge about its intrinsic value. To define justice the interlocutors construct an ideal city, outlining social classes, the education and censorship suited to guardians, and the specialization of roles. The conversation develops into a wider account of the soul's tripartite structure and its harmony as justice, argues for rule by philosophically trained leaders, presents metaphors for knowledge such as the allegory of the cave and the theory of forms, and traces how political regimes decline through successive stages.

Voetnoten

[1] De Godin Bendin, wier dienst eerst onlangs uit Thracie naar Athene was overgebragt.

[2] Ieder der mededingers zat te paard. Ieder wachtte zijnen voorman op, die hem de fakkel brandend moest brengen, opdat hij die brandend aan den volgenden zou overgeven.

[3] Seriphus is een der nietigste eilandjes van den Griekschen archipel.

[4] Cicero heeft reeds gezien, dat Plato Cephalus verwijdert, om zulk een eerbiedwaardig persoon niet in eene met zijne jaren minder strookende rol te doen optreden (Zie Stallbaums noot). Hij komt slechts in de inleiding voor, waar Plato hem waarschijnlijk vermeld heeft, om daardoor aan zijne inborst hulde te doen, en tevens het einde van het geheele werk voor te bereiden, door de rust en kalmte, die een regtvaardig leven bij het naderen van den dood geeft, hier aanschouwelijk voor te stellen.

[5] De Grieken noemden alles toespijs behalve het brood.

[6] De citherspeler is natuurlijk maar een voorbeeld, daar Socrates hier even goed alle andere kunstenaars en alle andere kunsten had kunnen noemen.

[7] De sophisten verwijten Socrates bij Plato telkens, dat hij alleen vraagt en nooit zijne meening zegt; en zij houden het vragen voor veel gemakkelijker dan het verklaren en beredeneren van zijn eigene meening. Dit laatste is wel op zich zelf waar, doch hij, die de Socratische vraagmethode eenigzins opmerkzaam beschouwd heeft, zal toestemmen, dat zij lang en breed van het gewone vragen verschilt, en eigenlijk een andere vorm van bewijs is, daar Socrates zijne vragen steeds zóó inrigt, dat op elke vraag maar één antwoord kan gegeven worden, en dat antwoord telkens het punt aangeeft, dat door den gang der redenering gevorderd wordt.

[8] Dit ziet op het Grieksche bijgeloof, dat zou iemand door een’ wolf werd aangezien voor hij zijne oogen op den wolf gevestigd had, daardoor zijne stem verloren ging.

[9] Het is bekend, dat Socrates doodarm was en toch van niemand geld vorderde, hoewel hij ongevraagde geschenken gaarne aannam; hetwelk hier niet op hetzelfde neêrkwam, dewijl hij den schijn van onderwijs te geven zoo veel mogelijk vermeed. Deze zijne onbaatzuchtigheid wordt door zijne leerlingen telkens in het licht gesteld, en met de inhaligheid der Sophisten vergeleken.

[10] Socrates was door het orakel van Apollo te Delphi de wijste der stervelingen genoemd. Hij zelf stelde die wijsheid daarin, dat alleen hij niet meer kennis voorwendde dan hij werkelijk bezat, maar ronduit zijne onwetendheid bekende. Apologie, hoofdst. V-IX. Zijn doel was klaarblijkelijk zijne toehoorders zelve aan het denken te helpen, zonder voor zich iets anders te verlangen dan den roem, dat hij hun den eersten stoot had gegeven. Zie Theaetetus. Hoofdst. VI. VII.

[11] Hieruit blijkt volstrekt niet, dat Socrates die bepaling goedkeurde, daar hij ze hier alleen vasthoudt, om Thrasymachus te bestrijden. Later zal het blijken, dat Socrates (dat is Plato) de regtvaardigheid wel voor nuttig hield, maar toch eene geheel andere bepaling derzelve gaf, en niet haren invloed op andere dingen, maar hare eigene wezenheid zocht uit te drukken. Dit is dan ook het vereischte van eene goede bepaling. Zie Krause, Analytische Logik. p. 501.

[12] Natuurlijk op zich zelve, als ideaal beschouwd. Hier wordt niet gesproken van den toestand waarin de kunsten [en wetenschappen] tegenwoordig zijn, maar zij worden zóó gedacht, als zij zijn zouden, zoo zij geheel aan haar begrip beantwoordden. Overigens merke men hier op dat kunst bij Plato zoowel kunst, in onzen zin, als wetenschap beteekent.

[13] Hier wordt aan de ondervinding eene tegenwerping tegen de wijsbegeerte ontleend. Deze tegenwerping is van denzelfden stempel als wanneer men het zoeken naar waarheid zoekt af te raden door te beweren, dat de menschelijke geest de waarheid (dat is de geheele waarheid) niet vinden kan. Zie Opklimmend deel der Wijsbegeerte blz. 109 (1). De wijsbegeerte stelt idealen, de werkelijke wereld beantwoordt daaraan gebrekkig; des niet te min zijn en blijven die idealen het rigtsnoer waarnaar ieder zich regelen moet. Al is onze eindige natuur buiten staat de volmaaktheid te bereiken, volmaakbaarheid is echter een grondtrek van ons wezen, en een wezen, dat volmaakbaar is, kan meer en meer tot de volmaaktheid naderen. Zie De Godsdienst beschouwd als de oorspronkelijke eenheid en het ware rustpunt van het zelfbewustzijn, door W. Reuter. Medegedeeld met een Voorberigt en Aanmerkingen door J. Nieuwenhuis, blz. 26-32.

[14] Tiranny beteekent hier de aanmatiging van volstrekte oppermagt in een gemeenebest. Zie Bosscha, Schets der algemeene Geschiedenis, blz. 55 (*).

[15] Deze redenering wordt somtijds sophistisch genoemd omdat de kunst van geldverdienen niet als eene afzonderlijke kunst bestaat, maar een toevoegsel is der overige kunsten. Deze aanmerking is onjuist. Al wordt in het dagelijksch gebruik der woorden het geldwinnen niet als eene afzonderlijke kunst beschouwd, zoo is het toch duidelijk, dat elke andere kunst zoowel voor niet en uit zuivere liefhebberij als om geld te verdienen kan uitgeoefend worden. Daar dus het geldverdienen steeds als toevoegsel voorkomt en met geene andere kunst noodzakelijk zamenhangt, zie ik niet in, waarom men het niet als eene afzonderlijke kunst zou mogen beschouwen, daar het toch werkelijk geene geringe bekwaamheid is zijne bedrevenheid in andere vakken tot zijn voordeel aan te wenden. Dus kan men teregt beweren, dat elke kunst haar eigenaardig doel heeft, en zoo ook de kunst van geldverdienen naar geld streeft, en dat, wanneer eene andere kunst ons geld bezorgt, dit veroorzaakt wordt, door dien haar beoefenaar tevens de kunst bezit, de convertir, zoo als Sue zegt, son latin et son grec en argent.

[16] Het is niet onbelangrijk hier de volgende plaats uit Xenophons Gedenkwaardigheden van Socrates te vergelijken. «Wanneer hij zelf iets beredeneerde, nam hij zijnen weg door die punten welke het meest door ieder werden toegestemd, daar hij dit voor de zekerste wijs van redekavelen hield. Daarom was hij ook het meest van allen, die ik gekend heb, in staat zijne toehoorders te overtuigen. En hij zeide, dat ook Homerus Ulysses daarom een overtuigend redenaar genoemd heeft, dewijl hij de kunst bezat, om zijne rede te doen voortloopen langs die punten, welke door de menschen werden toegestemd.»

Ik wil tevens deze gelegenheid aangrijpen om de opmerkzaamheid mijner lezers op nieuw te vestigen op de Nederduitsche vertaling van Xenophons Gedenkwaardigheden van Socrates, onder den titel: Xenophons, Gedenkwaardigheden van Socrates. Uit het Grieksch vertaald, door Prof. J. ten Brink, in gr. 8vo.

[17] Het hier voorkomende is welligt in veler oogen al te hatelijk, en toch heeft Socrates hier waarschijnlijk niets te veel gezegd. Door de aanhoudende burgeroorlogen en revoluties en door het toenemen in natuurkennis en den daardoor bewerkten twijfel aan de overleveringen, waarop de godsdienst steunde, waren alle beginsels van zedelijkheid ondermijnd, en het was juist bij tijds, dat Socrates door zijne scherpe dialectiek de drogredenen ontzenuwde, waarmede de misdaad in zijnen tijd werd vergoelijkt.

[18] Natuurlijk alleen voor zoo veel de muzijk aangaat. Niet den mensch als mensch, maar den musicus beschouwende, kunnen wij met regt den bekwamen musicus wijs, den onbekwamen niet wijs noemen. In dergelijke redeneringen van Plato komt telkens een werken met abstracties voor den dag, dat, hoezeer de nieuwere wijsbegeerte in het gebied van het afgetrokkene waarlijk niet vreemd is, voor onze ooren vreemd klinkt.

[19] Alle geneeskundigen, voor zoo ver zij dit waarlijk zijn, oordeelen juist ten opzigte van de hoeveelheid en de soort van spijs of drank, die voor de gezondheid goed is. Daarom wil niemand hunner meer hebben dan de juiste maat en dus ieder (natuurlijk, ceteris paribus) even veel.

[20] Deze redenering komt kortelijk hierop neder.

De waarheid is één. Dus wil de kenner der waarheid overal één en hetzelfde. Een volmaakt kenner der muzijk b. v. wil dus in elk geval hetzelfde als ieder ander kenner in dat geval wil; en zóó in ieder vak. Ieder toch, die een vak verstaat, wil wat volgens de wetten van dat vak goed is, en daar dit van ieder kenner geldt, wil de eene kenner niets boven den anderen vooruit hebben. Zoo dus iemand onbepaald meer wil dan elk ander, of hij aan hem gelijk is of niet, is hij zeker geen kenner maar een onwetende. Daar nu het voornaamste kenmerk der onregtvaardigheid juist in het onbepaalde streven naar meer dan elk ander bestaat, vertoont de onregtvaardige zich als een onwetende.

[21] De Sophisten hadden hunne grootste sterkte in geïmproviseerde redevoeringen, doch Socrates wist hen er steeds toe te krijgen, om bedaard met hem te redeneren en liet hen er dan inloopen.

[22] Het is duidelijk, dat Thrasymachus dit niet in ernst zegt, maar alleen om geen gevaar te loopen van wegens kettersche gevoelens veroordeeld te worden. Vrij wat onschuldiger ketterijen toch hadden Anaxagoras bijna het leven gekost, en Protagoras was werkelijk ter dood veroordeeld, omdat hij verklaarde niets over het al of niet bestaan der Goden te durven beslissen; later is Socrates zelf op de beschuldiging, dat hij andere Goden dan de orthodoxen vereerde en de jeugd bedierf, gedoemd om den gifbeker te drinken. In ’t voorbijgaan zij echter aangemerkt, dat deze vervolgingen minder voortsproten uit het denkbeeld, dat de Godheid hulp van menschen behoefde, om hare eer te handhaven, dan wel, omdat de staatsgodsdienst door den staat erkend was, en dus hij, die haar aanrandde, zich tegen den staat vergreep.