WeRead Powered by ReaderPub
De Scheepsjongens van Bontekoe cover

De Scheepsjongens van Bontekoe

Chapter 35: PADDE’S BROEK
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De vertelling volgt drie jonge bemanningsleden die vertrekken op een overzeese handelsreis en leren voor het schip te zorgen terwijl zij herhaalde gevaren trotseren: hevige stormen, een verwoestende brand die hen in kleine booten dwingt, haaien en het leven als gestrande bemanning. Hun tocht voert van het dagelijkse werk aan boord naar ontmoetingen met verre eilanden en lokale gemeenschappen, ruilhandel en conflicten, vreemde dieren en heimwee. Door ontberingen, praktische vaardigheden, vriendschap en vindingrijkheid rijpen de jongens en keren ze uiteindelijk terug, gevormd door ervaringen die hun blik op de wereld veranderen.

[Inhoud]

PADDE’S BROEK

Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij honderden tegelijk.

Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er een oogje op vallen liet, blonken van het goud.

„Goeden morgen!” zei de zon.

De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan de branding.…. In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen.

Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend.…. Padde’s blauwgespikkelde broek!

Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom wilde schieten, het andere einde van de broek [302]te pakken. Het aapje kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden.….

Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen.

Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in de buurt!” troostte hij.

Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg, doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem wil aankomen?”

Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze.

„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf.

„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen sprongen op een anderen tak over.

„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van innigen afkeer weer op den grond. [303]

„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog iets steviger vast.

„Mislukt.….!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan denken de lui, dat je óók een Arabier bent.”

„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!”

Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!” zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?”

„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo.

„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.”

„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?”

„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij zijn!”

„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg Hajo weifelend.

Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n fikken door de lus steekt, is er meteen bij!”

„Ja, maar, als ie nou.….”

„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag te slaan.

In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe, lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot kort boven de plaats waar [304]de broek lag. Joppie vermoedde nieuw gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden.

Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben, indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen. Hij loerde, loerde.….

Harmen zag er uit als een echte menscheneter!

De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht, en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag, greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net zoo.

Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. [305]Hajo vlocht voor de beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter! Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend aanvuurden.

Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan? Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was. Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile, kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad in.

Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met witte bloemen overdekten struik.

Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun kooitjes opgesloten, krekels. [306]

Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene.

„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne is dapperder!”

Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!”

„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan. „Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving .…!”

Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen waar deze weg heenvoert.”

Minta ampoen, toean besar, minta ampoen.…. Vergeving, groote heer.….!”

Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden, die ver, heel ver het bosch inging.….! Met hun bruine armpjes wezen ze in Oostelijke richting.

„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst, maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte wereldburgers afscheid. [307]

Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in. Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer!

Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust.

Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan.

Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in.

Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt: manggah!

Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen: het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren.

Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt lagen de varenschermen; [308]daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje.

Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen.

Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen.….

Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in het gras.

Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg, vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden.

„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept als een verroeste koffiemolen!”

„Een koffiemolen.….!” zuchtte Padde.

„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend.

Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens!

De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler. Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend vooraan. De anderen floten mee:

„Daar komen de Spekken!

Rom-rom.

Ze willen ons nekken!

Rom-rom.

Slaat op den trom!!

Ze willen ons nekken!

De Spekken!

[309]

Trek nu van leer!

Rom-rom.

Stelt u te weer!

Rom-rom.

Sluit u in drom!!

Sla ze op hun bekken!

De Spekken!”

Op eens stonden de jongens voor een ravijn.

Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem; tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs de breedgekroonde varens.

Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld. Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op, hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de schaduw terug, een vallend herfstblad.

De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen; met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen. Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de keel.….! [310]

Flakkerdeflak! Piiiiiiep!

„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen.

Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog. Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op. „’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.”

Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar.

„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem.

„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo.

Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille, geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee groen-gouden oogen fonkelden.….

Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in.

[311]