BESLUIT.
Op het oogenblik, dat ik aan het slot van dit boek zou beginnen, komt de illustre meester binnen, terug van de groote herfstjachten. Toussenel brengt mij een nachtegaal.
Ik had hem gevraagd, mij met zijn raad bij te staan, mij te helpen bij de keuze van een zingenden nachtegaal. Hij antwoordt niet, maar hij komt; hij raadt niet, maar zoekt en vindt; geeft, en vervult mijn illusie!... Dat is wèl vriendschap.
Welkom vogel! welkom, om de lieve hand die u geeft, en om onze heilige muze, het genie dat in u woont.
Wilt ge wel voor mij zingen, en met uwe groote en vredebrengende liefdemacht, de harmonie teruggeven aan een hart, verslagen door het wreed geschiedverhaal der menschheid?
Het was een familie-gebeurtenis. Wij zetten den armen gevangen kunstenaar in het raamkozijn, maar zoo, dat hij achter een gordijn verborgen was. Nu was hij alleen en tòch in gezelschap, en hij kon zich geleidelijk gewennen aan zijne nieuwe verplegers; het terrein verkennen, en zich bewust worden, dat het hier een veilig, goedgezind en vreedzaam tehuis voor hem was.
Er was geen andere vogel in de kamer. Maar ongelukkig wist het huis-roodborstje, dat vrij in mijn studeerkamer rondvliegt, er binnen te dringen. Ons gaf dat geen zorg, omdat hij den heelen dag, zonder het zich aan te trekken, velerlei vogels ziet: sijsjes, bloedvinken en puttertjes; maar het zien van den nachtegaal ontstak in hem eene uitzinnige woede.
In de onverschrokkenheid van zijn blinde drift, zonder te zien, dat het voorwerp van zijn haat tweemaal zoo groot is als hijzelf, gooit hij zich met snavel en klauwen op de kooi; hij had hem willen vermoorden. Maar de nachtegaal in doodsangst, stoot rauwe kreten uit en roept om hulp in jammertonen. De andere, teruggehouden door de tralies, maar vlakbij, met zijn nagels vast in de lijst van een schilderij, knarst en blaast met schel gepiep, en doorboort den vijand met zijn blik.
Woord voor woord, zei hij het volgende: „Koning van den zang, wat wilt ge hier!... Is het niet genoeg, dat in de bosschen uw zang alles overstemt en beheerscht; onze zangen doet zwijgen, onze geneuriede wijsjes onderdrukt, en alléén, de eenzaamheid vult?... Neemt ge mij nu ook nog het bestaan dat ik mij hier maakte, dit kunstboschje, waar ik mij in den winter ophoud? Dit boschje, waarvan de takken boekenplanken zijn, en boeken de bladeren!... Nu komt ge u indringen in wat het mijne is, deelen in de gepeinzen van mijn meester, den glimlach van mijne meesteres!... Wee mij—ik had liefde gevonden!”
In waarheid bereikt het roodborstje een intieme verstandhouding met den mensch. De ondervinding van een geheelen winter heeft mij bewezen, dat hij verre het bijzijn van den mensch verkiest boven het gezelschap van zijn soort. Als wij afwezig zijn, mengt hij zich in het gebabbel van de volière-vogels; maar komen wij terug, dan verlaat hij die onmiddellijk en zet zich nieuwsgierig vóór ons; hij blijft waar wij zijn en schijnt te zeggen: „Zoo, zijn jelui daar? Waar ben je toch geweest?... En waarom laat je het huis zoolang alleen?”
De woedende aanval van het roodborstje, die wij al gauw vergeten waren, bleef zijn schuw slachtoffer nog bij. De nachtegaal bleef nog altijd angstig fladderen; hij was niet tot rust te brengen. Men paste goed op, dat niemand in zijne nabijheid kwam. Zijne meesteres had de allernoodigste zorg op zich genomen. Het bijzondere mengsel, het uitsluitend voedsel, waarmede men deze vurige levensenergie kan onderhouden, een mengsel van bloed, hennep en maanzaad, werd zorgvuldig door haar bereid: vleesch en bloed zijn de grondstoffen, hennep is het kruid, dat de zinnenroes kweekt; het maanzaad neutraliseert die. De nachtegaal ís het éénige wezen, dat men onophoudelijk slaap en droomen moet bijbrengen.
Maar het was alles nutteloos. Drie dagen bracht hij door in hevige onrust, en in zijn wanhoop weigerde hij het voedsel. Het deed mij pijn, en ik gevoelde wroeging. Ik, die zóó de vrijheid liefheb, ik had een gevangene gemaakt en een gevangene die ontroostbaar was!.... Toch had ik mij lang bedacht, toen ik wenschte een nachtegaal te bezitten; voor mijn genoegen alleen zou ik er nooit toe besloten hebben. Ik wist heel goed, hoe drukkend het gezicht van zulk een gevangene op den geest moet werken: een gevangene, die zoo intens het verlies van de vrijheid voelt. Maar hoe hem vrijheid te geven? Het vraagstuk van de slavernij is een der moeilijkste vraagstukken; de verdrukker wordt gestraft, door de onmacht zijne fout weer goed te maken. Mijn gevangene, die, vóór hij bij mij kwam, al twee jaar in de kooi had geleefd, kon niet meer vliegen en was niet meer in staat zijn voedsel te zoeken, en al ware hem beide mogelijk, tusschen vrije vogels kon hij niet meer wezen. Hun fiere gemeenschap veroordeelt en doodt onmiddellijk wie gekerkerd is geweest en niet van smart daarover bezweek.
Wij zouden niet gemakkelijk een weg uit dit dilemma gevonden hebben, als de zang ons niet was te hulp gekomen. Een zacht, weinig gevariëerd lied op een afstand, en vóóral tegen den avond gezongen, scheen zijne zinnen te vangen. Als men naar hem keek, luisterde hij minder aandachtig en werd onrustig; maar sloeg men geen acht op hem, dan kwam hij heel vooraan in de kooi en strekte zijn slanken nek (van een bekoorlijk muisgrijs); ook richtte hij nu en dan het kopje op en zijn oog stond levendig en nieuwsgierig. Het was duidelijk, dat hij gretig deze onverwachte verkwikking genoot, en hij genoot met waardigheid en met fijne, gevoelige aandacht.
Een oogenblik later nam hij met diezelfde gretigheid zijn voedsel. Hij wilde weer leven en verslond het maanzaad—de vergetelheid....
Vrouwenzang—Toussenel heeft het gezegd—trekt hen in 't bijzonder aan. Niet het luchtige liedje van een fleurig jong meisje, maar een zachte, weemoedige melodie. Het „Ständchen” van Schubert had een groote aantrekkelijkheid voor den onze. Hij schijnt zijn eigen wezen te voelen en te herkennen in de teederheid en diepte van de Germaansche ziel. Toch is zijn stem niet teruggekomen. Toen hij bij ons gebracht werd, was juist zijn Decemberzang begonnen. Maar al die verschillende aandoeningen: het transport, de verandering van omgeving, plaats en personen, de onrust van dien geheel anderen toestand, en vóóral de woeste aanval van het roodborstje, hadden hem te zéér aangegrepen. Hij is rustiger geworden en heeft ons vergeven; maar de muze, die zoo dikwijls werd onderbroken, blijft zwijgen. Zij zal eerst met de lente weer ontwaken.
Hij is nu overtuigd, dat zij die zingt, hem zeker geen kwaad wil; hij begrijpt haar, denk ik, ongeveer als een ander type van nachtegaal. Zij mag hem vrij dichtbijkomen en zelfs haar hand in zijn kooi steken. Hij volgt heel aandachtig haar bewegingen, maar hij verroert zich niet.
Ik, die in geen muzikale verhouding tot hem sta, was er nieuwsgierig naar, of hij mij ook zou aannemen. Ik drong mij niet onbescheiden op, wetende dat op sommige oogenblikken, een blik alléén, hem zelfs verontrust. Ik bleef dus heele dagen verdiept in oude boeken en middeneeuwsche schrifturen, zonder naar hem om te zien. Maar hij keek wel naar mij, en heel nieuwsgierig ook, als ik ten minste alleen was; want was zijn meesteres tegenwoordig, dan vergat hij mij geheel, dan was ik een niets voor hem.
Zoo was hij gewoon mij te zien, zonder dat het hem onrust gaf, als een vreedzaam onschadelijk wezen, dat rustig en bedaard zijn gang ging. De haard met het vuur, en bij dat vuur die stille lezer, dat was zijn beschouwingskringetje, in de stille, haast eenzame uren, als zijn uitverkoren gezelschap niet aanwezig was.
Gisteren, toen ik alleen was, ben ik voor het eerst bij zijn kooi gegaan en ik heb tegen hem gesproken, zooals ik het tegen mijn roodborstje doe; hij maakte geen beweging en scheen niet angstig; hij bleef stil zitten kijken met een zachtzinnige expressie. Toen zag ik, dat de vrede was gesloten en dat hij mij had aangenomen.
Van morgen heb ik het maanzaad in de kooi gelegd, en hij verschrikte niet. Nu zal men hierop zeggen, dat de gever altijd welkom is. Maar ik leg er nadruk op, dat ons verbond pas een dag oud is, en gesloten werd vóórdat ik ooit iets gegeven had, en dus geheel belangeloos.
Zoo is dan in minder dan een maand, de meest sensitive van onze kunstenaars, het schuwste en vreesachtigste van alle wezens, verzoend geworden met het menschdom.
Wel een treffend bewijs, dat er een natuurlijke band bestaat, een oeroud verdrag, tusschen ons en de instinctive wezens, die wij onze minderen noemen.
Dit verdrag, dit eeuwig verband, dat zelfs onze ruwheid en de wreedheid van ons verstand niet konden verbreken; dit verbond, waartoe die arme onnoozelen zoo gemakkelijk terugkomen, en waartoe ook wij zullen komen, als wij éénmaal in waarheid menschen zullen zijn,—juist hiermede wilde ik mijn boek besluiten; het was het slot, dat ik zou gaan schrijven, toen de nachtegaal mij werd gebracht.
De vogel zelf is mijn levend slot geworden, in zijne verzoeningsgezindheid tot ons, zijne tyrannen.
De reizigers, die het eerst hun voet gezet hebben in de landen, nog nooit door menschen betreden, hebben éénstemmig verzekerd, dat geen dier: noch zoogdier, noch amphibie, noch vogel, ooit voor hen gevlucht was. Zij kwamen integendeel naderbij, om hen te bezien, met een soort van welwillende nieuwsgierigheid—waarop wij dan antwoordden met een geweerschot.
En zelfs nu, na al de wreedheden, die de mensch hun aandeed, aarzelen zij nooit, in gevaar zich tot hem te wenden.
Dè oude en natuurlijke vijand van de vogels, is de slang; van de viervoeters, de tijger. En hun beschermer is de mensch. Als de wilde hond maar in de verte de lucht krijgt van leeuw of tijger, drukt hij zich tegen ons aan.
En in zijn doodsangst voor de slang, vóóral wanneer zijn nog veêrloos broed wordt bedreigd, weet ook de vogel een roerende taal te vinden, waarmee hij onze hulp inroept, en ons dankt als wij den vijand hebben gedood.
Dat is de reden waarom de kolibri zoo gaarne nestelt in de nabijheid van den mensch. En waarschijnlijk is het dezelfde oorzaak, die in den tijd dat de aarde wemelde van reptielen, de zwaluwen en ooievaars er toe bracht, bij ons te komen wonen.
Nòg een belangrijk punt: de angst van de vogels voor de hand van den mensch wordt dikwijls aangezien voor wantrouwen. Dat wantrouwen zou zeker niet ongegrond zijn. Maar al ware het ongegrond, dan is toch in ieder geval de vogel een uiterst fijn georganiseerd wezen, dat geen aanraking verdragen kan.
Mijn roodborstje, dat tot een tamme vogelsoort behoort, dat altijd om mij heen is en zoo dichtbij mogelijk, en dat zeker in 't allerminst niet bevreesd is voor zijne meesteresse, siddert er voor door haar hand gegrepen te worden. Het gevoel, dat er langs zijne veêren gestreken wordt, het ontredderen van zijn dons, dat overeind gaat staan, als men hem pakt, het is alles even onaangenaam. En vóóral die hand, die naar voren komt en hem gaat grijpen, maakt hem zenuwachtig en hij wijkt instinctmatig terug, hij kan niet anders.
Als het 's avonds wat laat wordt en hij nog niet in zijn kooi is, weigert hij niet er in te worden gebracht. Maar liever dan zich te zien grijpen, draait hij zich om, en kruipt in een plooi van een gordijn of van een japon, waar hij weet, dat hij onfeilbaar gepakt moet worden.
Dat alles is geen wantrouwen!
De kunst van het tam maken zou niet ver gaan, als zij zich alléén maar bezig hield met het nut dat de mensch kan trekken van de tamme dieren.
Zij moet integendeel in hoofdzaak uitgaan van de beschouwing, welk nut de dieren kunnen trekken van den mensch.
Maar plicht is het, al de bewoners dezer aarde te gewennen aan een samenleven van hooger orde, dat zachtmoediger en vreedzaam is.
In de barbaarschheid, waarin wij nog altijd leven, kennen wij voor het dier eigenlijk maar twee toestanden: absolute vrijheid of absolute slavernij. Maar er zijn ook allerlei vormen van halve slavernij, die de dieren zelve heel gaarne aannemen.
De kleine Chileensche valk (cerviculo) b. v. woont heel graag bij zijn meester. Hij gaat alléén op jacht, en komt trouw iederen avond zijn vangst brengen en ze in den familiekring oppeuzelen. Hij vindt het prettig, als dan de vader hem prijst, de vrouw des huizes hem vriendelijk toespreekt en vóóral als de kinderen hem liefkoozen.
De mensch, die vroeger, toen hij nog slecht gewapend was, door de dieren werd beschermd, heeft zich langzamerhand in staat gesteld hun beschermer te worden, vóóral sedert hij kruit heeft en op een afstand de meest gevreesde schepsels neerbliksemt.
Hij heeft den vogels den onschatbaren dienst bewezen, het getal der luchtroovers aanmerkelijk te verminderen.
Hij kan hun nog een anderen dienst bewijzen, niet minder belangrijk: de onschadelijke soorten 's nachts te beschermen, te beveiligen. De nacht! Slapen! Ganschelijk overgeleverd te zijn aan de vreeselijkste mogelijkheden!....
O! wreede natuur!.... Maar gerechtvaardigd weer, omdat zij hier op aarde een plaats gaf aan het voorziend en nijvere schepsel, dat meer en meer voor de anderen een tweede Voorzienigheid zal worden.
„Ik weet een huis aan de Indre,” zegt Toussenel, „waar de open serres 's avonds alle welgezinde vogels opnemen, die er veiligheid komen zoeken voor de gevaren van den nacht; en wie zich verlaat heeft, meldt zich aan in goed vertrouwen, door tikken met den snavel. Zij vinden het goed in den nacht te worden opgesloten, want zij vertrouwen den mensch volkomen; en 's morgens vliegen zij vroolijk uit en vergelden de gastvrijheid met het schouwspel van hun vreugde, en met hun vrije zangen.”
Ik zal mij wel wachten het maken van huisdieren te bespreken, sedert mijn vriend Isidore Geoffroy Saint-Hilaire op zoo prijzenswaardige wijze die geheel vergeten weg weer opende. De oudheid heeft ons een prachtige nalatenschap vermaakt, en het menschelijk geslacht heeft er al dien tijd op geleefd: de hond, het paard, de ezel, de dromedaris, de olifant, de os, het schaap, de geit en de hoenderachtigen.
En welke vorderingen maakten wij in die twee duizend jaar? Welke nieuwe aanwinst van huisdieren? Maar twee, en niet eens heel belangrijk: de invoering van den kalkoen en van den goud-faisant!
Geen direkte arbeid van den mensch heeft zóóveel voor het welzijn op onze aarde gedaan, als het nederige werk van deze bescheiden helpers der menschen.
En om af te dalen tot datgene, waarvan men zoo dwaselijk gewoon is met minachting te spreken: tot den hoenderhof—als men de millioenen eieren ziet, die in Egypte worden uitgebroed, of waarmee Normandië geheele vloten bevracht, die jaarlijks het Kanaal oversteken, dan begint men eerst goed te begrijpen, hoe in de huishouding van den Staat met kleine middelen groote uitkomsten worden verkregen.
Als er in Frankrijk nog geen paarden waren, en iemand zou ze er invoeren, dan zou het daarmede méér veroveren dan met den Rijn, België en Savoye; het paard is zeker drie koninkrijken waard.
En nu is er een dier, dat alléén paard, ezel, koe en geit is, dat al hunne nuttige eigenschappen heeft en bovendien een zeldzaam mooie wol levert; een forsch sterk dier, dat uitstekend groote koude verdraagt; men begrijpt wel, dat ik den lama bedoel, die Geoffroy Saint-Hilaire met zulk een prijzenswaardige volharding zoekt in te voeren. Maar alles schijnt daar tegen samen te spannen; de prachtige kudde van Versailles is bezweken door slechte oppassing, die van den „Jardin des Plantes” zal omkomen door beperkte localiteit en vocht.
Het bezit van den Lama is tienmaal belangrijker dan de verovering van de Krim.
Maar het zij nóg eens gezegd: voor zulk eene overbrenging is een ruim gebruik van middelen noodig en zeer zeker ook eene groote toewijding en teederheid waar het de opvoeding betreft; en dat alles vindt men niet dikwijls vereenigd.
En nu nog een woordje over een nietig feit, maar van vèr-strekkende beteekenis.
Een groot schrijver—maar die geen geleerde was—Bernardin de St. Pierre—had gezegd, dat men er nooit in slagen zou eenig dier over te brengen, wanneer men niet te gelijk de plant importeert, die het bijzonder sympathiek is. Dit gezegde had het lot van vele andere: de geleerden haalden hunne schouders op en spraken van poëzy.
Maar het was niet vergeefs gesproken voor een intelligenten liefhebber, die te Parijs een verzameling van levende vogels had bijeengebracht. Hij had een zeer zeldzame papegaai, die ondanks alle zorg hardnekkig steriel bleef. Toen heeft hij onderzocht op welken boom die soort haar nest maakt en gaf in Hâvre orde, hem dien boom te bezorgen. Levend kon hij niet worden overgebracht; hij kwam zonder blad of twijg, niets dan een levenlooze tronk. Geen bezwaar: de vogel vond in den hollen stam zijn gewone plaatsje en maakte er toen haar nest. Zij vond een maat en grondde er een gezin; kreeg eieren, broedde ze uit, en nu zijn er jongen.
De omgeving voor den banneling na te bootsen: de uiterlijke omstandigheden, de voeding, de plantenwereld, al de bijzonderheden van zijn bestaan dáár, en dat zóó bedriegelijk mogelijk, dat hij er het vaderland door vergeet, daarvoor is het niet genoeg te weten, daartoe is vernuft noodig en de gave der vinding. Maar eene van de moeielijkste opgaven, een van de ernstigste punten van onderzoek en nadenken voor ons, is te bepalen de maat van vrijheid en van onderwerping, van verband en van samenwerking met ons, die ieder wezen kan verdragen.
Dit is een nieuwe kunst, en men zal er niet in kunnen doordringen, zonder diepgaand moreel onderzoek, en een fijnheid en kieschheid van begrip, die nog nauwelijks in den mensch aanwezig zijn, en die er misschien nooit geheel zijn zullen, als niet de vrouw tot de wetenschap wordt toegelaten.
Deze kunst vraagt eene oneindige teederheid bij het oordeelen en het begrijpen.
TOELICHTING.
De voornaamste toelichting, die aan een boek moet worden toegevoegd, is ongetwijfeld de formule, waarin men den inhoud samenvat.
Dit boek heeft den vogel beschouwd, op zich zelf, en maar weinig in verband met den mensch.
De vogel, van lager geboorte dan de mensch—ovipare—uit het ei geboren—heeft toch op hem drie dingen vóór, die zijn bijzonder gebied zijn.
I. De vleugel, het vliegvermogen: een vermogen bij hen alléén aanwezig en dat steeds de illusie was van den mensch. Bij de vogels vergeleken, zijn alle wezens langzaam; bij den valk en de zwaluw is het arabisch paard niet meer dan een slak.
II. Het vliegen volgt niet alleen uit de aanwezigheid van vleugels, maar bovendien uit een weergaloos vermogen van ademhaling en gezicht. Men kan met recht van den vogel zeggen, dat hij is: „het kind van licht en lucht.”
III. Een electrisch zeer gevoelig wezen, voelt en vóórziet de vogel de dampkringsverschijnselen, den tijd, de seizoenen. Hetzij doordien hij in zéér nauw verband staat met de aarde, of een verwonderlijk-sterk geheugen heeft in betrekking tot plaats en richting, is hij altijd georiënteerd en vindt altijd zijn weg.
Hij bereikt door intuïtie wat nooit de mensch zou bereiken; dat is vóóral voelbaar in dien verwonderlijken krijg tegen reptiel en insekt. Daarbij gevoegd de immense arbeid van het eeuwig zuiveringsproces, door sommige soorten verricht: het opruimen van alle gevaarlijke onreinheden. Indien die krijg en dat werk één dag verzuimd werden, ware voor den mensch het bestaan op aarde onmogelijk.
Deze dagelijksche overwinning van den zoon des lichts op den dood, op wat in het duister op het leven aast, is het waardig onderwerp voor den zang, voor de hymne van immense vreugde, waarmede de vogel altijd weer den dageraad begroet.
Maar de vogel heeft nog andere talen behalve den zang. Zooals de mensch kan hij spreken en uitspreken en praten. Met ons zijn de vogels de eenige wezens die een taal hebben. De mensch en de vogel zijn de spraak van de wereld.
De vogel, die het vermogen van voorspellen heeft, nadert altijd tot den mensch en de mensch wil hem altijd kwaad. Het is niet onmogelijk, dat hij den mensch vóórziet, zooals hij zeker ééns wezen zal als hij uitgetreden is uit de barbaarschheid, waarin wij hem nu nog kennen.
De vogel herkent in den mensch het eenig, heilig en gezegend wezen, dat de scheidsrechter zal zijn van allen; dat de bestemming van deze wereld moet volmaken met een opperste weldaad: De aaneensluiting van alle wezens, en hunne verzoening.
Dit vreedzaam tot elkaar komen, kan eerst na lengte van tijd gebeuren, en er is toe noodig van onzen kant, een kunst van opvoeden en inwijden, waarvan wij nu eerst beginnen den omvang te beseffen.
INHOUD.
| Bladzijde | |
| Vooraf | 5 |
| EERSTE DEEL. | |
| Het Ei | 9 |
| De Pool. De Vogel-visch | 19 |
| De Vleugels | 29 |
| Eerste pogen der vleugels | 41 |
| Triomf van den vleugel. De Fregatvogel | 51 |
| Vogels der waterkanten | 63 |
| De Reigerkolonies in Amerika | 73 |
| De Strijd. De tropen | 83 |
| Het Zuiveringswerk | 97 |
| De Dood. De roofvogels | 109 |
| TWEEDE DEEL. | |
| Het Licht. De nacht | 129 |
| Storm en Winter. De trek | 141 |
| Vervolg van den Trek. De Zwaluw | 155 |
| Harmonieën van de gematigde luchtstreek | 167 |
| De Vogel, arbeider van den mensch | 177 |
| De Arbeid | 189 |
| De Zang | 203 |
| Het Nest | 215 |
| Vogelsteden en republieken | 227 |
| De Opvoeding | 237 |
| De Nachtegaal. De Kunst en het Oneindige | 251 |
| Vervolg van den Nachtegaal | 263 |
| Besluit | 275 |
| Toelichting | 291 |
| In de Afdeeling „Natuurkennis” van de Wereld-Bibliotheek werden o. a. opgenomen: | |
| W. B. 63/66 |
CHARLES DARWIN, De Reis om de Wereld,
vertaald door J. Brandt (met afbeeldingen)
ƒ 0.80; 0.95; 1.10
Dr. A. J. C. Snijders, deze vertaling van den heer Brandt aankondigend in De Tijdspiegel, wijst er op, dat het werk nog steeds actueel is, „en vooral daardoor merkwaardig, dat het niet uitsluitend beteekenis heeft voor den natuur-onderzoeker van beroep. Ook elke leek, die belang stelt in de natuur, zal bij de lezing veel genieten, en men verzuime dus niet, nu het voor een spotprijs in het Nederlandsch verkrijgbaar gesteld wordt, van deze aanbieding gebruik te maken en zich dat genot te verschaffen——— „Nog steeds neemt het verhaal van Darwin's Wereldreis eene eerste plaats in onder de beste reislectuur.” |
| W. B. 13 |
Prof. HUGO DE VRIES, Het Yellowstone Park—Experimenteele Evolutie.
(Met 4 autotypiën),
2e druk, 7e en 8e duizend ƒ 0.20; 0.30; 0.40
Als Prof. Hugo de Vries over Amerikaansche natuurverschijnselen schrijft, en een voordracht in Amerika houdt over den stand van het vraagstuk van het ontstaan der soorten, is de belangstelling natuurlijk groot. En vooral als die voor zulk een prijsje bevredigd kan worden, is het geen wonder, dat een eerste oplaag van 6000 ex. in één jaar tijds uitverkocht is. We zijn dus begonnen met het 7e en 8e duizendtal ter beschikking van gretige lezers te stellen. |
| W. B. 54 |
Dr. H. NABER, De Ster van 1572 (Drebbel),
met vele natuurkundige illustraties
ƒ 0.20; 0.30; 0.40
Voor de meesten onzer is Drebbel een groote onbekende. Dr. Naber doet hem in dit werkje kennen als den grooten voorganger der in de geschiedenis van de natuurkundige ontdekkingen wereldberoemde grootheden; een echt genie, waard om in ons land naast Huygens gewaardeerd te worden. Een lezenswaardig boekje voor den leek; maar ook door de vele reproducties uit het nog onuitgegeven Journaal van Beckman, hoogst belangwekkend voor hen, die zelf de natuurkunde beoefenen. |
| Van MICHELET verscheen nog in de W. B.: | |
| W. B. 3 |
De groote Fransche geschiedschrijver heeft in 1852 de martelaren van den Russischen bevrijdingskamp, den strijd tegen autocratie en bureaucratie geteekend, en den langen duur der worsteling verklaard uit den aanleg van het Russische volk. Dit vooral maakt dit werkje ook voor onzen tijd, nu het schijnt of we het einde der worsteling naderen, diep interessant. |
WERELD-BIBLIOTHEEK.
Verschenen in de Eerste Jaar-Serie:
(Prijs in carton f 7.50; in linnen f 10.—.)
In den Tweeden Jaargang zijn verschenen:
(W.B. en N.B.: in carton f 10.—; in linnen f 12.50.)
WERELD-BIBLIOTHEEK.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.
(Alleen N.B.: in carton f 5.20; in linnen f 7.50.)
In den Derden Jaargang zijn verschenen:
WERELD-BIBLIOTHEEK.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.
In den Vierden Jaargang zijn reeds verschenen:
WERELD-BIBLIOTHEEK.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.