DERDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een open veld nabij het koninklijk landhuis Frogmore.
Sir Hugo Evans en Simpel komen op.
Evans.
Ik pit u nu, chij heer Slapperman’s choete petiente en friend Simpel met name, welken weg hebt chij uitgesien naar Sinjeur Cajus, die sich een Tokter noemt van de medicijnen?
Simpel.
Wel, Sir, naar het kleine park toe, naar het groote park toe, overal naar toe, den weg af naar oud-Windsor toe, en overal naar toe, behalve den weg naar de stad.
Evans.
Tan fraag ik u recht tringend, siet ook taar na toe.
Simpel.
Goed, Sir. (Hij verwijdert zich.)
Evans.
Chot pehoete mij! wat pen ik fol chalsucht en hartkloppingen!—Ik sal plij sijn, als hij mij betroochen heeft!—Wat pen ik melancholie!—Ik wil den schurk sijne urinechlasen op sijn pol stuk slaan, als ik er maar een choete gelegenheid toe find;—Chot sta mij pij!
(Hij zingt).
„Aan helt’re peekjes, bij wier fal
„De fogel singt zijn matrichal,
„Taar sprei’ mijn rosenpet sijn cheuren,
„En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren.
„Aan helt’re—”
Chot sij mij chenatig, ik heb chroote lusten tot weenen.
„De fogel singt sijn matrichal,—
„Aan Papels waat’ren saten wij,—
„En prijk’ en glans’ in tuisend kleuren.
„Aan helt’re—”
Simpel
(terugkeerend). Daar komt hij, Sir Hugo, ginds, van dien kant.
Evans.
Hij is welkom.—
„Aan helt’re peekjes, bij wier fal—”
De hemel sij met het recht? Wat is hij foor wapens?
[302]
Simpel.
Geen wapens, Sir. Het is mijn meester en de heer Zielig en nog een heer; zij komen van Frogmore, daar over den dijk, van dezen kant.
Evans.
Wees zoo choed, en cheef mij mijn opperkleed, of neen, houd het op uw armen.
(Hij haalt een boek te voorschijn.)
(Page, Zielig en Slapperman komen op.)
Zielig.
Ah, ziedaar onze eerwaarde! Goeden morgen, beste Sir Hugo. Ja, ja, houd eens een speler van zijn dobbelsteenen of een geleerde van zijn boek af, dat zou een wonder wezen.
Slapperman
(ter zijde). O lieflijke Anna Page!
Page.
God zegen’ u, beste Sir Hugo. 41
Evans.
Hij segen’ u uit sijn parmhartigheid, u allen!
Zielig.
Wat! het zwaard en het boek? doet gij aan die beide, eerwaarde heer?
Page.
En altijd zoo jeugdig, zonder overkleed, op dezen ruwen, rheumatieken dag!
Evans.
Tat heeft sijn chronden en sijn oorzaken.
Page.
Wij komen u een goeden dienst doen, eerwaarde heer.
Evans.
Seer choed, wat is het?
Page.
Daar ginds is een zeer waardig gentleman, die naar het schijnt van iemand beleedigd is en daardoor het zoo te kwaad heeft met zijn eigen waardigheid en bedaardheid, als iemand maar ooit gezien heeft.
Zielig.
Ik heb menig dozijntje jaren achter den rug, maar dit is mij nog nooit voorgekomen, dat een man van zijn stand, zijn waardigheid en geleerdheid zichzelven zoo schrikkelijk vergeet.
Evans.
Wie is het?
Page.
Ik geloof, dat gij hem kent; het is de heer dokter Cajus, de beroemde Fransche geneesheer.
Evans.
Chods marteling en sijn heilige wil sij met mij! Ik hoorde u al soo lief fan een schotel soep met mij spreken!
Page.
Waarom?
Evans.
Hij heeft niet zóóveel kennis van Hippocrates en Galenus, en hij is een schelm povendien; een laffe schelm, zooals gij er maar een verlangen kunt te sien.
Page.
Ik sta er u voor in, dit is de man, die met hem moest vechten.
Slapperman
(ter zijde). O lieflijke Anna Page!
Zielig.
Het lijkt wel zoo, om die wapens.—Houdt hen van elkaar;—daar komt dokter Cajus.
(De Waard, Cajus en Rugby komen op.)
Page.
Neen, neen, beste eerwaarde heer, houd uw degen in de scheede.
Zielig.
En gij ook, beste heer dokter.
Waard.
Ontwapen hen en laat hen samen redetwisten. Laat hen hunne armen en beenen heel houden en ons arm Engelsch verminken!
Cajus.
Ik u bid, laat mij spreek een woord voor uwe oor; waarom wilt gij niet komen om mij te ontmoet?
Evans
(zacht tot Cajus). Ik pit u, plijf petaard; alles op sijn tijd!
Cajus.
Bij Kod, gij zijt de lafaard, de ’aas, de ’ond.
Evans
(zacht tot Cajus). Ik pit u, laat ons niet tot lacherij worden voor andere menschen haar spot; ik raad het u in friendschap en ik sal u foldoening cheven op die eene of antere manier.—(Luid.) Ik wil uw urineglazen om uw schelmschen narrepol slaan, om uw versuimen van uw afspraken en pestellingen. 92
Cajus.
Diable!—’Ans Rugby,—mijn waard de la Jartière, ’eb ik niet kewach op hem om hem dood te slaan? ’eb ik niet? op de plaats, die ik ’ebbe besteld?
Evans.
Zoo waar ik een christenziel ben, nu, siet chij, dit is de pestelte plaats. Ik toe peroep op mijn waard van de Kouseband.
Waard.
Stilte, zeg ik, Gallia en Gaelia, Franschman en Wallisman, zieledokter en lijfdokter!
Cajus.
Ja, dat is zeer koed; excellent!
Waard.
Stilte, zeg ik; hoor den waard van de Kouseband. Ben ik politiek? ben ik slim? ben ik een Macchiavelli? Zou ik mijn dokter kwijtraken? Neen; hij geeft mij de drankjes en de sprankjes. Zou ik mijn eerwaarde, mijn priester, mijn Sir Hugo kwijtraken? Neen, hij geeft mij de spreekwoorden en de nietwoorden.—Geef mij de hand, aardeman, zoo!—Geef mij de hand, hemelman; zoo!—Kinderen der wijsheid, ik heb u beiden bedrogen; ik heb u op verkeerde plaatsen besteld; en daar staat gij nu met heldenharten en heelhuids; en laat nu gebrande sek het einde zijn.—(Tot Zielig.) Kom, neem hun zwaarden in [303]beslag.—Volgt mij, vredeskerels, volgt mij, volgt mij.
Zielig.
Op mijn eer, een dolle waard!—Volgt hem, gentlemen, volgt hem.
Slapperman
(ter zijde). O lieflijke Anna Page!
(Zielig, Slapperman, Page en de Waard af.)
Cajus.
Ah, ’eb ik verstaan? ’ebt gij met ons de sot gespeeld? ha! ha!
Evans.
Dat is fraai; hij heeft ons sijn spotternij chemaakt.—Ik wensch met u friend te sijn, en laat ons onse reins samenstooten om wraak te hebben op dezen schurftigen, schoftigen, petriechelijken knaap, tien waard van de Kousepand.
Cajus.
Bij Kod, met al mijn ’art. Hij mij beloofd te breng waar is Anna Page; bij Kod, hij mij ook ’eef bedroog.
Evans.
Nu choet, ik wil hem sijn hersenpan inslaan.—Ik pit u, kom mee.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een straat in Windsor.
Juffrouw Page en Robert komen op.
Juffrouw Page.
Neen, ga maar vooruit, kleine jonker; gij waart gewoon achterna te loopen, maar nu zijt gij een voorlooper. Wat bevalt u beter, mijn oogen te geleiden of uw oog te hebben op uws meesters hielen?
Robert.
Nu waarlijk, ik ga liever voor u uit als een man, dan dat ik hem volg als een dwerg.
Juffrouw Page.
O gij zijt een kleine vleier; ik zie het al, gij wordt nog eens een hoveling.
(Ford komt op.)
Ford.
Verheugd u te zien, juffrouw Page. Waar gaat gij naar toe?
Juffrouw Page.
Wel, om de waarheid te zeggen, heer, naar uw vrouw. Is zij thuis?
Ford.
Ja en zoo lui als zij groot is; zij verveelt zich uit gemis aan gezelschap. Ik geloof, dat, als uw mannen dood waren, gij samen zoudt trouwen.
Juffrouw Page.
Wees daar verzekerd van,—met twee andere mannen.
Ford.
Waar hebt gij dien aardigen weerhaan vandaan? 18
Juffrouw Page.
Ik kan voor den drommel niet zeggen, hoe de heer heet, waar mijn man hem van gekregen heeft.—Hoe heet uw ridder ook al weer, kereltje?
Robert.
Sir John Falstaff.
Ford.
Sir John Falstaff!
Juffrouw Page.
Ja juist, ik kan nooit op zijn naam komen. Hij en mijn man zijn dikke vrienden!—Uw vrouw is dus wezenlijk thuis?
Ford.
Ja zeker, dat is zij.
Juffrouw Page.
Met uw welnemen, heer; ik ben ziek van verlangen om haar te zien.
(Juffrouw Page met Robert af.)
Ford.
Heeft Page zijn hersens nog? heeft hij oogen? heeft hij gedachten? Voorwaar, zij zijn alle ingeslapen; hij heeft er geen gebruik van. Wel, die knaap draagt een briefje twintig mijlen ver, even gemakkelijk als een kanon op twintig dozijn passen het wit raakt. Hij werkt de verliefdheid van zijn vrouw nog in de hand; hij geeft aan haar dwaasheid vrijen loop en gelegenheid. En nu is zij op weg naar mijn vrouw, met Falstaff’s jongen bij haar! Een man kan deze hagelbui reeds in den wind hooren rommelen. En Falstaff’s jongen bij haar! Een fraai complot! en in vollen gang; en onze afvallige vrouwen deelen de verdoemenis samen. Nu, ik wil hem betrappen, en dan mijn vrouw martelen, aan die schijnheilige juffrouw Page dien geborgden sluier van zedigheid afrukken, en Page kenbaar maken als een zorgeloozen Actæon, die zijn lot zelf gewild heeft; en bij deze heftige maatregelen zullen al mijn buren uitroepen: „getroffen!” (De klok slaat.) De klok geeft mij daar mijn wachtwoord aan, en mijn overtuiging gebiedt mij te gaan zoeken; daar moet ik Falstaff vinden.—Ik zal hier eer om geroemd dan uitgelachen worden, want even zeker als de aarde vast en hecht is, is Falstaff daar; ik ga.
(Page, Zielig, Slapperman, de Waard, Sir Hugo Evans, Cajus en Rugby komen op.)
Page, Zielig en de Overigen.
Gegroet, heer Ford.
Ford.
Op mijn eer, een schoon gezelschap. Ik heb juist iets fijns thuis en ik noodig u allen uit met mij mede te gaan.
Zielig.
Ik moet mij verontschuldigen, waarde heer Ford. 54
Slapperman.
En ik ook, heer. Wij hebben afgesproken, bij juffer Anna te komen eten; [304]ik zou haar mijn woord niet willen breken, zelfs voor meer geld niet dan ik noemen kan.
Zielig.
Wij zijn al een poos doende geweest met een huwelijk tusschen Anna Page en mijn neef Slapperman, en vandaag zullen wij het antwoord krijgen.
Slapperman.
Ik hoop, dat ik u voor mij heb, vader Page.
Page.
Dat hebt gij, vriend Slapperman, ik ben geheel voor u;—maar mijn vrouw, heer dokter, staat geheel en al aan uw kant.
Cajus.
Ja, bij Kod, en het meisje mij bemin; mijn minnevrouw ’Astick mij dat ’eef vertel.
Waard.
Wat zegt gij dan van den jongenheer Fenton? hij zingt en springt en danst; de jeugd ziet hem uit de oogen; hij maakt verzen; hij spreekt zondagsche taal; hij geurt naar April en Mei; hij wint het, hij wint het, hij draagt het geluk in zijn zak; hij wint het.
Page.
Met mijn goedvinden niet, dat beloof ik u. Dat jonge mensch is onbemiddeld; hij heeft verkeerd met den wilden prins en met Poins; hij is mij te hooggeboren en weet te veel. Neen, hij zal met den vinger van mijn vermogen geen knoop leggen op zijn geluk; wil hij haar hebben, dan moet hij haar nemen zonder bruidschat; mijn have en goed luistert naar mijn toestemming en mijn toestemming gaat dien kant niet uit.
Ford.
Ik bid u dringend, komt bij mij aan tafel, ten minste een paar van u. Gij krijgt, behalve het onthaal, nog een vermakelijkheid: ik zal u een wonderdier laten zien.—Heer dokter, gij moet meê,—en gij ook, heer Page,—en gij ook, Sir Hugo.
Zielig.
Nu, gaat dan, en vaart wel.—(Tot Slapperman.) Dan hebben wij in Page’s huis des te meer vrijheid om het hof te maken.
(Zielig en Slapperman af.)
Cajus.
Ga naar ’uis, John Rugby; ik kom zoo dadelijk.
(Rugby af.)
Waard.
Vaartwel, mijn harten! Ik ga naar mijn braven ridder Falstaff, om met hem een flesch sek den hals te breken.
(De Waard af.)
Ford
(ter zijde). En ik hoop hem eerst nog wat versch van ’t vat te laten proeven; en hij zal dansen, om zijn eigen hals te bergen.—Gaat gij mede, heeren?
Allen.
Komaan dan, wij willen uw wonderdier gaan zien.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een vertrek in het huis van Ford.
Juffrouw Ford en juffrouw Page komen op.
Juffrouw Ford.
Hé, John! hé, Peter!
Juffrouw Page.
Vlug, vlug! Is de waschmand—
Juffrouw Ford.
Ja zeker, zeker!—Hé, Robert, kom toch!
(Twee Bedienden komen op, met een waschmand.)
Juffrouw Page.
Komt, komt, komt!
Juffrouw Ford.
Hier, zet hier neer!
Juffrouw Page.
Zeg aan hen, wat ze te doen hebben; wij moeten voortmaken.
Juffrouw Ford.
Nu, John en Peter, zooals ik al gezegd heb, staat hier vlak naast in de brouwerij klaar; en zoodra ik u roep, schiet gij toe en neemt zonder vertoef of aarzelen deze waschmand op de schouders, en draagt die zoo vlug ge kunt naar de bleek op de Datchetwei, en schudt ze leeg in de modderige sloot daar bij de Theems. 16
Juffrouw Page.
Gij zult het juist zoo doen?
Juffrouw Ford.
Ik heb het hun meer dan eens gezegd; zij weten wat zij te doen hebben.—Gaat nu, en komt, zoodra gij geroepen wordt.
(De Bedienden af.)
Juffrouw Page.
Daar komt de kleine Robert.
(Robert komt op.)
Juffrouw Ford.
Nu, hoe is het, mijn nest-sperwertje, wat brengt gij voor nieuws?
Robert.
Mijn meester, Sir John, is de achterdeur binnengekomen, juffrouw Ford, en wenscht u te spreken.
Juffrouw Page.
Gij klein vastelavondpopje, heb je eerlijk gezwegen?
Robert.
Ja, daar wil ik op zweren; mijn meester weet volstrekt niet, dat gij hier zijt. Hij heeft mij met eeuwigdurende vrijheid gedreigd, als ik er u iets van verklap; want hij zwoer, dat hij mij dan zou wegjagen.
Juffrouw Page.
Gij zijt een flinke jongen; dit stilzwijgen van u zal u een snijder zijn en u een nieuw pak maken.—Ik ga mij verschuilen.
Juffrouw Ford.
Doe dat.—Ga, zeg aan uw meester, dat ik alleen ben. (Robert af.)—Juffrouw Page, vergeet uw wachtwoord niet.
[305]
Juffrouw Page.
Neen, daar sta ik u voor in; als ik dat mis, moogt gij mij uitfluiten.
(Juffrouw Page af.)
Juffrouw Ford.
Nu aan ’t werk, wij willen die verdorven vochtigheid, dien dikken waterpompoen eens duchtig onder handen nemen;—wij willen hem leeren, tortelduiven van kraaien te onderscheiden.
(Falstaff komt op.)
Falstaff.
Is nu mijn hemelsch kleinood mijn? O, nu moge ik sterven, want ik heb lang genoeg geleefd; nu ben ik aan den eindpaal van mijn eerzucht! O welk een zalig uur!
Juffrouw Ford.
O waarde Sir John!
Falstaff.
Juffrouw Ford, mooipraten kan ik niet; ik kan niet babbelen, juffrouw Ford. God vergeev’ mij de zonde, die ik in mijn wenschen bega, ik wilde, dat uw man gestorven was; tegenover den fiersten lord zou ik verklaren, dat ik u tot mijn lady zou maken.
Juffrouw Ford.
Ik uw lady, Sir John! ach, ik zou een treurige lady zijn. 57
Falstaff.
Laat het Fransche hof mij een tweede zoo wijzen. Ik zie, hoe uw oog met den diamant zou wedijveren; gij bezit die echt schoon gebogen wenkbrauw, die bij iedere haardracht goed staat, bij het scheepssnebbekapsel, bij het amazonenkapsel, bij elk kapsel naar den Venetiaanschen smaak.
Juffrouw Ford.
Een eenvoudige hoofddoek, Sir John, dat is het eenige, wat mij goed staat, en ook dat niet bijzonder.
Falstaff.
Bij den Heer des Hemels, het is zelfverraad van u, zoo te spreken; gij zoudt een volmaakte hofdame zijn, en de vaste tred van uw voet zou, in een half-kringronden hoepelrok, aan uw gang een prachtigen zwier geven. Ik zie, wat gij zijn zoudt, zoo niet Fortuin uw vijandin was, gij, die Natuur tot vriendin hebt! neen, gij kunt het niet verbergen.
Juffrouw Ford.
Geloof mij, er is van dat alles in mij niets.
Falstaff.
Wat heeft dan gemaakt, dat ik u bemin? Laat dit u overtuigen, dat er iets buitengewoons in u is. Zie, ik kan niet mooipraten, niet zeggen, dat gij dit zijt en dat zijt, gelijk zoovelen van die lispelende hagedoornbloesems, die daar loopen als vrouwen in manskleêren en een geur verspreiden als de apothekersstraat in den kruidentijd;—dit kan ik niet; maar ik bemin u, niemand dan u, en gij verdient het.
Juffrouw Ford.
Leid mij niet om den tuin, Sir; ik vrees, gij bemint juffrouw Page.
Falstaff.
Gij zoudt even goed kunnen zeggen, dat ik gesteld ben op een wandeling door de gijzelingspoort, die mij even gehaat is als de rook van een kalkoven.
Juffrouw Ford.
Nu dan, de Hemel weet, hoe ik u bemin, en dit zult gij, hoop ik, binnenkort ondervinden.
Falstaff.
Blijf bij die gezindheid; ik zal mij die waardig toonen.
Juffrouw Ford.
O, ik moet u zeggen, dit doet gij reeds, want anders kon ik niet zoo jegens u gezind zijn.
Robert
(achter het tooneel). Juffrouw Ford! juffrouw Ford! daar staat juffrouw Page voor de deur, geheel in het zweet en buiten adem en doodelijk verschrikt, en zij moet volstrekt u oogenblikkelijk spreken.
Falstaff.
Zij moet mij niet zien; ik wil mij verschuilen achter het wandtapijt.
Juffrouw Ford.
Ik bid u, doe dat, want zij is een erg praatzieke vrouw.
(Falstaff verbergt zich.)
(Juffrouw Page en Robert komen weder op.)
Wel, wel, wat is er?
Juffrouw Page.
O juffrouw Ford, wat hebt gij gedaan? Gij zijt geschandvlekt, gij zijt verloren, gij zijt voor eeuwig te gronde gericht.
Juffrouw Ford.
Wat is er, lieve juffrouw Page?
Juffrouw Page.
Ach lieve tijd, juffrouw Ford! een zoo braven man te hebben en hem zulk een grond tot argwaan te geven! 108
Juffrouw Ford.
Wat voor een grond tot argwaan?
Juffrouw Page.
Wat voor een grond tot argwaan?—O foei gij! wat heb ik mij in u vergist!
Juffrouw Ford.
Om ’s hemels wil, waarom? wat is er toch?
Juffrouw Page.
Uw man is op weg hier naar toe, ongelukkige, met de gansche overheid van Windsor bij hem, om naar een gentleman te zoeken, dien hij zegt, dat op dit oogenblik hier in huis is, met uw goedvinden, om van zijn afwezigheid boos misbruik te maken. Gij zijt verloren.
Juffrouw Ford.
Ik wil het niet hopen.
[306]
Juffrouw Page.
De Hemel geve, dat het niet waar is, dat gij zulk een man hier hebt; maar zooveel is zeker, uw man komt daar aan, met half Windsor achter zich, om naar zoo iemand te zoeken. Ik ben vooruitgeloopen om het u te vertellen. Als gij u onschuldig weet, nu, dan ben ik er blij om; maar hebt gij een vriend bij u, maak dan, dat hij weg komt. Sta niet onthutst; houd alle vijf bij elkaar; red uw goeden naam, of zeg uw goede dagen voor altijd vaarwel.
Juffrouw Ford.
Wat moet ik beginnen?—Er is een gentleman hier, een dierbare vriend van mij, en ik ducht mijn eigen schande niet zooveel als het gevaar, dat hij loopt; ik gaf wel duizend pond, dat hij het huis uit was.
Juffrouw Page.
O foei, schaam u! Maar loop met uw: „ik gaf,” en „ik gaf!” Uw man is voor de deur, bedenk een middel om dien anderen weg te krijgen; in huis kunt gij hem niet verbergen.—O, wat hebt gij mij bedrogen!—Kijk, daar is een mand, als hij maar eenigszins redelijk is van gedaante, zou hij daar in kunnen kruipen; en werp dan wat vuil goed op hem, alsof het naar de bleek moest,—of, ja het is juist de dag van de wasch, laat hem door uw twee knechts naar de Datchetweide brengen.
Juffrouw Ford.
Hij is te dik om er in te kunnen. Wat zal ik beginnen?
(Falstaff komt voor den dag.)
Falstaff.
Laat mij zien, laat mij zien, laat mij toch eens zien! Ik wil er in; ik wil er in.—Volg den raad van uw vriendin.—Ik wil er in gaan.
Juffrouw Page.
Wat! Sir John Falstaff? Is dàt uw brief, ridder?
Falstaff.
Ik bemin u; help mij van hier; laat mij hierin kruipen; ik zal nimmer—
(Hij kruipt in de mand; zij bedekken hem met vuil goed.)
Juffrouw Page.
Help uw meester bedekken, jongen. Roep uw knechts, juffrouw Ford.—Gij huichelaar van een ridder!
Juffrouw Ford.
Hé, John, Peter, John!
(Robert af.)
(De Bedienden komen weder op.)
Gaat, brengt die wasch weg, vlug! Waar is de draagstok? Kijk nu toch, welk een getreuzel! Brengt het naar de waschvrouw op de Datchetweide. Vlug! voort!
(Ford, Page, Cajus en Sir Hugo Evans komen op.)
Ford.
Ik bid u, komt binnen; als ik geen reden heb voor mijn argwaan, lach mij dan uit, en steek dan vrij met mij den gek; want ik verdien het.—Hé daar, waar brengt gij dat naar toe?
Bedienden.
Wel, naar de waschvrouw, heer.
Juffrouw Ford.
Wel, wat gaat het u aan, waar zij dit naar toe dragen? Een mooi ding, als gij u met de vuile wasch gaat bemoeien!
Ford.
De vuile wasch? Nu, ik wenschte, dat ik mij over geen gewas ter wereld te bekommeren had! Maar ik verzeker u, het wast, het bot uit, en het zal zoo dadelijk niet meer te verbergen zijn. (De Bedienden met de waschmand af.) Heeren, ik heb van nacht gedroomd; ik wil u mijn droom vertellen. Hier, hier, zijn mijn sleutels; gaat op mijn kamers, zoekt, speurt, betrapt; ik sta er voor in, wij drijven den vos uit zijn hol. Wacht, laat ik hem eerst den weg hier versperren. (Hij sluit de deur.) Zoo, drijft hem nu op.
Page.
Beste heer Ford, wees kalm; gij doet uzelf te veel kwaad.
Ford.
’t Is waar, heer Page.—Naar boven, heeren; gij zult een grap beleven; volgt mij, heeren.
(Ford af.)
Evans.
Tat sijn seer phantastieke chrillen en ijversuchten.
Cajus.
Bij Kot, dat is niet de façon de France; het is niet jaloersch in Frankrijk.
Page.
Komt, volgt hem, heeren; laat ons zien, wat zijn huiszoeking oplevert.
(Page, Cajus en Evans af.)
Juffrouw Page.
Nu, is dit niet een dubbel prachtige grap?
Juffrouw Ford.
Ik weet niet, wat mij meer verlustigt, dat mijn man, of dat Sir John zoo gefopt is.
Juffrouw Page.
Wat zal hij er in gezeten hebben, toen uw man vroeg, wat er in de mand was!
Juffrouw Ford.
Ik vrees half en half, dat hij wel een wassching zal noodig hebben; zoodat het werpen in het water hem een ware weldaad zal wezen.
Juffrouw Page.
Aan de galg met dien schelmschen losbol! ik wenschte wel dat het allen van zijn slag even slecht verging!
[307]
Juffrouw Ford.
Het komt mij voor, dat mijn man een bepaald vermoeden heeft, dat Falstaff hier is; ik heb hem nog nooit zoo grof jaloersch gezien als nu.
Juffrouw Page.
Ik zal de eene of andere list verzinnen om daarachter te komen. En wij moeten Falstaff nog meer zulke poetsen spelen; zijn liederlijke ziekte wijkt toch zeker niet voor dit eene drankje. 204
Juffrouw Ford.
Willen wij dit dwaze schepsel, die Vrouw Haastig, naar hem toesturen om dat smijten in het water te verontschuldigen, en hem op nieuw hoop geven om hem nog eens voor een tuchtiging tot ons te lokken?
Juffrouw Page.
Dat willen wij; zij moet hem tegen morgen te acht uren hier bestellen om schadeloos te worden gesteld.
(Ford, Page, Cajus en Sir Hugo Evans komen weder op.)
Ford.
Ik kan hem niet vinden. Het is toch mogelijk, dat de schurk pochte op dingen, die hem onbereikbaar waren.
Juffrouw Page
(zacht tot juffrouw Ford). Hoort gij dat?
Juffrouw Ford.
Ja, ja, stil!—Gij behandelt mij mooi, Ford, erken het zelf.
Ford.
Ja ja, dat doe ik.
Juffrouw Ford.
De Hemel make u beter dan uw gedachten zijn.
Ford.
Amen.
Juffrouw Page.
Gij doet uzelven veel kwaad, heer Ford.
Ford.
Ja ja, dit moet ik dragen.
Evans.
Als hier een menschensiel is in het huis en in de kamers en in de kisten en in de kasten, dan vercheve de Hemel mij mijn sonden in het jongste chericht!
Cajus.
Bij Kot, ik ook niet. Daar is geen menschen.
Page.
Foei, foei, heer Ford, schaamt gij u niet? Welk een geest, welk een duivel blies u die inbeeldingen in? Ik zou zulke booze grillen als de uwe voor al de schatten van het kasteel van Windsor niet willen hebben.
Ford.
Het is nu eenmaal een gebrek van mij, heer Page; en ik moet er voor boeten.
Evans.
Ghij poet voor een poos cheweten. Uw frouw is sulk een prafe frouw, als ik wil verlangen onder fijftuisend en fijfhonderd er pij.
Cajus.
Bij Kot, ik zie, zij is een eerlijke vrouw.
Ford.
Nu, ik heb u een onthaal beloofd.—Komt, komt, laten wij in het park gaan; ik bid u, vergeeft mij; ik zal u later wel zeggen, waarom ik zoo gehandeld heb. Kom, vrouw; kom juffrouw Page; ik bid u, vergeeft mij; ik bid u van harte, vergeeft mij.
Page.
Laten wij gaan, heeren; maar, op mijn woord, wij zullen hem plagen.—Ik noodig u morgenochtend bij mij op het ontbijt; daarna gaan wij samen eens op de vogeljacht; ik heb een voortreffelijken valk er voor. Is dit afgesproken?
Ford.
Goed; zeker!
Evans.
Als taar een is, wil ik twee sijn van geselschap.
Cajus.
Als daar zijn een of twee, ik wil zijn de derde.
Ford.
Ik bid u, ga voor, heer Page.
(Ford en Page af.)
Evans.
Ik pit u nu, petenkt morgen dien luisigen schoft, mijn waard van de Kousepand.
Cajus.
Dat is koed, bij Kot, van al mijn ’art.
Evans.
Een luisige schoft, met sijn chrappen en pespottingen!
(Zij volgen de overigen.)
VIERDE TOONEEL.
Een kamer in het huis van Page.
Fenton en Anna Page komen op.
Fenton.
Ik zie, uws vaders gunst kan ik niet winnen;
Verwijs mij, Anna-lief, niet meer naar hem.
Anna.
Helaas! wat dan?
Fenton.
Helaas! wat dan? Beslis gij voor uzelf.
Hij maakt bezwaar: te hoog ben ik van afkomst,
En dat ik, door verkwisting veel verarmd,
Met zijn goed geld hiervoor herstelling zoek.
Nog and’re hinderpalen werpt hij op,—Mijn
vroeg’re losheid en mijn wilden omgang,
En zegt mij, dat hij ’t voor onmoog’lijk houdt,
Dat ik u anders liefheb dan om ’t geld.
Anna.
En als hij nu eens waarheid sprak?
[308]
Fenton.
Neen, neen, zoo waarlijk God hierna mij helpe!
Wel, dit erken ik, was uws vaders rijkdom
Mij de eerste grond om naar uw hand te staan;
Maar dra vond ik uw waarde oneindig hooger
Dan gouden baren en verzegeld geld,
En ’t is alleen de schat van u, uzelf,
Dien ’k nu beoog.
Anna.
Dien ’k nu beoog. Mijn waarde master Fenton,
Streef naar mijns vaders gunst, ja, doe dit, heer;
En zoo de tijd, noch diep eerbiedig smeeken
Ons verder brengt, ja, dan,—kom hier en luister.
(Zij treden ter zijde en fluisteren.)
DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.
Derde Bedrijf, Vierde Tooneel.
(Zielig, Slapperman en vrouw Haastig komen op.)
Zielig.
Stoor hun gesprek, vrouw Haastig; mijn neef moet voor zichzelf spreken.
Slapperman.
Ik zal afschieten, raak of mis; voor den drommel, ’t is maar een waag.
Zielig.
Wees niet bedremmeld.
Slapperman.
Neen, zij zal mij niet bedremmelen; daar ben ik niet bang voor,—ik ben alleen wat angstig.
Vrouw Haastig.
Hoor eens, master Slapperman zou graag even met u spreken.
Anna.
Nu goed, ik kom.—(Ter zijde.) Dit is mijns vaders keus.
Ach, welk een wereld leelijke gebreken
Wordt mooi door een driehonderd pond in ’t jaar!
Vrouw Haastig.
En hoe vaart de edele heer Fenton? Ik bid u, een woord met u.
Zielig.
Daar komt zij; op haar af, neef. O knaap, gij hadt me een vader!
Slapperman.
Ik had een vader, juffer Anna; mijn oom kan u aardige grappen van hem vertellen.—Ik bid u, oom, vertel aan juffer Anna eens die grap, hoe mijn vader twee ganzen uit een hok wist te stelen, beste oom. 41
Zielig.
Juffer Anna, mijn neef bemint u.
Slapperman.
Ja, dat doe ik, zooveel als ik eenige vrouw in Glostershire bemin.
Zielig.
Hij zal u een leventje bezorgen als een edelvrouw.
Slapperman.
Ja, dat wil ik, wat er ook gebeure, beneden den rang van een landjonker.
Zielig.
Hij zal u honderd en vijftig pond als weduwgeld vaststellen.
Anna.
Goede heer Zielig, laat hem toch voor zichzelven het hof maken.
Zielig.
Nu waarachtig, ik dank u hiervoor; ik dank u voor die bemoediging.—Zij roept u op, neef; ik ga terug.
Anna.
Nu, heer Slapperman?
Slapperman.
Nu, lieve juffer Anna?
Anna.
Ten uiterste verplicht.—Wat is uw wil?
Slapperman.
Mijn wil? Wel verduiveld, dat is een aardige grap. Ik heb mijn uitersten wil nog niet gemaakt, den hemel zij dank; ik ben geen zoo ziekelijk schepsel, en ik zegen er den hemel voor.
Anna.
Ik meen, heer Slapperman, wat gij van mij wilt?
Slapperman.
O zoo; ja, ik voor mijn deel wilde weinig of niets van u. Uw vader en mijn oom zijn de zaak begonnen. Gaat het goed voor mij, nu goed; zoo niet, nu, wie het geluk heeft, brengt de bruid naar huis. Zij kunnen u zeggen, hoe de zaken staan, beter dan ik; gij kunt het uw vader vragen; daar komt hij.
(Page en juffrouw Page komen op.)
Page.
Zoo, Slapperman!—Bemin hem, dochter Anna.—
Wat zie ik? wat doet meester Fenton hier?
Het past niet, heer, zoo in mijn huis te dringen;
Ik zeide u, heer, mijn dochter is verzegd.
Fenton.
Neen, word niet boos, heer Page.
Juffrouw Page.
En ik zeg ook, vriend Fenton, kom mijn dochter
Niet meer bezoeken.
Page.
Niet meer bezoeken. Juist, ze is niet voor u.
Fenton.
Heer, hoor mij aan.
Page.
Heer, hoor mij aan. Neen, goede master Fenton.—
Vriend Zielig, kom; zoon Slapperman, kom binnen.—
Gij kent mijn wil; gij krenkt mij, master Fenton.
(Page, Zielig en Slapperman af.)
Vrouw Haastig.
Spreek eens met mistress Page.
Fenton.
Daar ik uw dochter, lieve mistress Page.
Voorwaar, oprecht en innig liefheb, moet ik,
Trots weerstand en verwijt, ja onbeleefd,
Steeds voorwaarts met den standaard mijner liefde,
En nooit terug. O gun mij uwen bijstand!
[309]
Anna.
Ach, moeder, geef mij aan dien dwaashoofd niet.
Juffrouw Page.
Dit wil ik niet; ik zoek u wel een beet’ren. 88
Vrouw Haastig.
En dat is mijn meester, de heer dokter.
Anna.
O liever tot aan ’t hoofd in de aard bedolven,
En dan met knollen doodgegooid!
Juffrouw Page.
Kom, wees maar kalm.—Mijn goede master Fenton,
Ik ben niet voor u en niet tegen u;
Mijn dochter zal ik vragen, wat haar hart zegt;
En wat dat spreekt, zoo zal mijn keuze zijn.
Doch nu vaarwel; zij moet volstrekt naar binnen,
Want anders wordt haar vader boos.
(Juffrouw Page en Anna Page af.)
Fenton.
Vaarwel, geëerde vrouw; vaarwel, mijn Anna!
Vrouw Haastig.
Zie, dat is nu mijn werk.—Wat! zeide ik, wilt gij uw kind weggooien aan een dwaas of aan een dokter? Let wel, master Fenton; dit is mijn werk.
Fenton.
Ik dank u; en ik bid u, geef van avond
Mijn Anna dezen ring.—Hier! dit voor u.
(Fenton af.)
Vrouw Haastig.
Nu, de Hemel geve u geluk! Een goed hart heeft hij; een vrouw zou door water en vuur loopen om zoo’n goed hart. En toch zou ik wel willen, dat mijn meester juffer Anna kreeg; of ik zou willen, dat die heer Slapperman haar kreeg; of, eigenlijk, ik zou willen, dat mijnheer Fenton haar kreeg. Ik wil doen wat ik kan voor alle drie, want dat heb ik beloofd en een man een man, een woord een woord, maar speciaal voor mijnheer Fenton.—Och, ik heb nog weer een nieuwe boodschap aan Sir Falstaff van mijn twee juffrouwen; wat ben ik toch een beest, dat ik zoo treuzel!
(Vrouw Haastig af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een kamer in de herberg de Kouseband.
Falstaff en Bardolf komen op.
Falstaff.
Bardolf! hoort gij?
Bardolf.
Hier, Sir.
Falstaff.
Ga een kan sek voor mij halen; doe er een sneê geroosterd brood in. (Bardolf af.) Heb ik dat moeten beleven, in een mand, als een vracht slachtersafval, weggedragen en in de Theems gesmeten te worden? Waarachtig, als ik mij ooit weer zulk een poets laat spelen, dan mag ik mijn hersens laten uitnemen en boteren en aan een hond als nieuwejaars-tractatie geven. De schurken lieten mij zoo onbarmhartig in het water tuimelen, alsof zij een blinden troep jonge honden, van vijftien in een worp, moesten verzuipen; en het is toch uit mijn omvang wel te begrijpen, dat ik een soort van behendigheid in het zinken heb; al was de bodem zoo diep als de hel, naar beneden zou ik. Ik zou verdronken zijn, als de kant niet zandig en ondiep was geweest, een dood, waar ik een afschuw van heb, want het water doet een mensch opzwellen, en wat voor een ding zou ik geweest zijn, als ik opgezwollen was! Ik zou een mummieberg geweest zijn! 19
(Bardolf komt weder op, met den wijn.)
Bardolf.
Daar is vrouw Haastig, Sir, om u te spreken.
Falstaff.
Kom, laat ik wat sek bij het Theemswater gieten, want mijn buik is zoo koud, alsof ik sneeuwballen had geslikt als pillen om mijn nieren af te koelen. Roep haar binnen.
Bardolf.
Kom binnen, vrouwtje.
(Vrouw Haastig komt binnen.)
Vrouw Haastig.
Met uw verlof,—neem mij niet kwalijk,—ik wensch uw edelheid een goeden morgen.
Falstaff.
Neem die bekers weg. Ga en brouw mij een potteken sek, maar lekker.
Bardolf.
Met eieren, Sir?
Falstaff.
Neen, enkel van zichzelf; ik wil geen kippenzaad in mijn brouwsel. (Bardolf af.)—Wat is er?
Vrouw Haastig.
Wel, Sir, ik kom van juffrouw Ford; zij zendt u een vloed van groeten.
Falstaff.
Een vloed! Nu, ik heb overvloed gehad; ik ben in een vloed gesmeten; ik heb mijn buik vol van vloed.
Vrouw Haastig.
Ach, lieve tijd! die goeie ziel, dat was haar schuld niet; zij is zoo giftig op haar knechts, die hebben hun erectie verkeerd begrepen.
Falstaff.
Dat heb ik de mijne ook gedaan, door te bouwen op de belofte van een mal vrouwmensch.
Vrouw Haastig.
O Sir, zij lamenteert er over, dat uw hart zou breken van het te [310]zien.—Haar man gaat van morgen op de vogeljacht; zij vraagt u nog eens bij haar te komen, tusschen achten en negenen. Ik moet haar dadelijk bescheid terugbrengen; zij zal u schadeloos stellen, dat verzeker ik u.
Falstaff.
Nu, ik zal bij haar komen, zeg haar dat. En zeg haar ook, dat zij eens bedenke, wat een mensch is; laat haar eens bedenken, hoe broos die is, en daarnaar beoordeelen, wat ik verdiend heb.
Vrouw Haastig.
Ik zal het haar zeggen.
Falstaff.
Doe dat. Tusschen negenen en tienen, zegt ge?
Vrouw Haastig.
Acht en negen, Sir.
Falstaff.
Goed, ga nu; ik zal zorgen er te wezen.
Vrouw Haastig.
Ik wensch u den vrede, Sir.
(Vrouw Haastig af.)
Falstaff.
Het verwondert mij, dat die heer Beek niets van zich laat hooren. Hij liet mij zeggen, dat ik thuis moest blijven. Zijn geld bevalt mij wel.—O, daar komt hij. 60
(Ford komt op.)
Ford.
Gegroet, Sir.
Falstaff.
Zoo, heer Beek! Gij komt zeker hooren, wat er tusschen mij en de vrouw van Ford is voorgevallen?
Ford.
Ja zeker, Sir John, daarvoor kwam ik.
Falstaff.
Mijnheer Beek, ik wil u met geen leugens aankomen. Ik was op het aangewezen uur bij haar aan huis.
Ford.
En hoe ging het u, Sir?
Falstaff.
Zeer slecht, mijnheer Beek.
Ford.
Hoe zoo, Sir? was zij van gedachten veranderd?
Falstaff.
Dat niet, mijnheer Beek, maar dat ellendige horenbeest, haar man, die, mijnheer Beek, in een eeuwige onrust van jaloerschheid verkeert, komt me daar op het oogenblik van onze ontmoeting, toen wij elkaar slechts even omarmd, gekust, elkaar onze liefde hadden betuigd, kortom als het ware den proloog van ons stuk hadden opgevoerd; en achter hem komt een gansche bende van zijn rotgezellen, die hij in zijn woede had samengeroepen en aangezet, om, waarachtig, huiszoeking te houden naar het lief van zijn vrouw.
Ford.
Wat! terwijl gij daar waart?
Falstaff.
Terwijl ik daar was.
Ford.
En hij zocht naar u en kon u niet vinden?
Falstaff.
Dit zult gij hooren. Het geluk wilde, dat er een zekere juffrouw Page binnenkwam, die het bericht bracht van de komst van Ford; en die had, bij de verlegenheid van Fords vrouw, een inval; en zoo stopten ze mij in een waschmand.
Ford.
In een waschmand?
Falstaff.
Zoo waar God leeft, in een waschmand! en zij pakten mij in met vuile mans- en vrouwehemden met sokken en vuile kousen en smerige servetten. O, mijnheer Beek, dat was het afschuwelijkste mengsel van gemeene luchtjes, dat ooit een neusgat beleedigde.
Ford.
En hoe lang hebt gij daarin gezeten?
Falstaff.
O gij zult hooren, mijnheer Beek, wat ik heb moeten uitstaan, om ten uwen bate die vrouw tot slechtheid te brengen. Toen ik zoo in de mand gepropt was, werden er een paar van Fords schoften, zijn knechts, geroepen door hun meesteres, om mij, onder den naam van vuile wasch, naar de Datchetlaan te dragen. Zij namen mij op de schouders, en vlak bij de deur ontmoetten zij den jaloerschen schelm, hun meester, die hun een paar keer vroeg, wat zij daar in de mand hadden. Ik sidderde van angst, dat de waanzinnige schelm aan het onderzoeken zou gaan; maar het noodlot, dat hem tot hoorndrager bestemd heeft, hield zijn hand terug. Nu, hij ging op zijn zoek en ik ging als vuile wasch weg. Maar let nu op het vervolg en stel u voor, mijnheer Beek: ik ondervond de verschrikkingen van drieërlei dood: vooreerst, een ondraaglijken angst van ontdekt te worden door een jaloerschen stinkenden belhamel; dan, gekromd te liggen als een goede bilbaokling in den omtrek van een kwartschepel, gevest aan spits, hoofd en hiel; en dan vastgestopt te zijn, als een flesch sterken drank, met stinkend vuil goed, dat in zijn eigen vet verging. Bedenk dit,—een man van mijn slag,—bedenk dit,—die voor de hitte zooveel als boter is, een man van voortdurend dooien en smelten; het was een wonder, dat ik den stikdood ontging. En dan, bij het kookpunt van dit zweetbad, toen ik meer dan half gestoofd was in vet als een Hollandsch gerecht, in de Theems geworpen te worden en afgekoeld, gloeiend heet, in dien stroom, als een hoefijzer,—denk eens aan, sissend heet,—denk eens aan, mijnheer Beek.
Ford.
In allen ernst, Sir, het spijt mij, dat gij om mijnentwil zooveel hebt moeten lijden. [311]Mijn zaak staat dus wanhopig, want gij zult om mijnentwil geen tweede poging wagen?
Falstaff.
Mijnheer Beek, ik wil in de Etna geworpen worden, zooals ik in de Theems geworpen ben, eer ik van de zaak afzie. Haar man is van ochtend op de vogeljacht gegaan; ik heb van haar een tweede uitnoodiging tot een samenkomst ontvangen; tusschen achten en negenen is het uur, mijnheer Beek.
Ford.
Het is al over achten, Sir.
Falstaff.
Is het? dan wil ik mij dadelijk voor mijn afspraak gereedmaken. Kom weer bij mij, zoodra het u gelegen komt; dan zult gij hooren, hoe ik vorder; en ten slotte willen wij aan het geheel daardoor de kroon opzetten, dat zij de uwe wordt. Vaarwel! Gij zult haar hebben, mijnheer Beek; mijnheer Beek, gij zult dien Ford tot horendrager maken.
(Falstaff af.)
Ford.
Wat! hoe! is dit een visioen? is dit een droom? slaap ik? Vriend Ford, ontwaak! Ontwaak, vriend Ford! Er is een scheur gekomen in uw besten mantel, vriend Ford! Zoo gaat het, als men getrouwd is! zoo gaat het, als men waschgoed en waschmanden heeft! Maar goed, ik zal zelf openlijk verkondigen wat ik ben, ik wil het zwijnjak nu vatten; hij is in mijn huis; hij kan mij niet ontsnappen; ’t is een onmoog’lijkheid, dat hij mij ontsnapt; hij kan niet in een stuiversbeursje, niet in een peperbus kruipen. Maar opdat de duivel, die met hem is, hem niet helpe, wil ik de onmogelijkste hoekjes doorzoeken. Al kan ik niet afschudden, wat ik ben, zal toch de gedachte, dat ik ben wat ik verafschuw mij niet mak maken; als ik horens moet dragen tot dolwordens toe, zoo wil ik ook de zegswijze eer aandoen en echt stierlijk dol zijn.
(Ford af.)