WeRead Powered by ReaderPub
De vroolijke vrouwtjes van Windsor cover

De vroolijke vrouwtjes van Windsor

Chapter 18: VIERDE BEDRIJF.
Open in WeRead

About This Book

A comic play set in a provincial town follows a vain, aging gallant whose attempts to court two married women trigger a cascade of domestic pranks and retaliatory schemes by those women. Parallel episodes involve young lovers, mistaken identities, disguises, and practical jokes that reveal hypocrisies and social pretensions. The action alternates broad farce and pointed wit, highlighting female resourcefulness as the wives orchestrate humiliations that restore local equilibrium while offering satirical observations on honor, marriage, and communal life.

[Inhoud]

VIERDE BEDRIJF.

[Inhoud]

EERSTE TOONEEL.

Een straat.

Juffrouw Page, vrouw Haastig en William komen op.

Juffrouw Page.

Is hij al ten huize van den heer Ford, denkt gij?

Vrouw Haastig.

Zeker, hij is er al, of hij komt er zoo dadelijk; maar hij is echt separaat dol, dat zij hem in het water gesmeten hebben. Juffrouw Ford laat u vragen, dat gij terstond bij haar komt.

Juffrouw Page.

Ik kom op ’t oogenblik; ik moet eerst nog maar mijn jonge mensch hier naar school brengen. Zie, daar komt zijn onderwijzer juist aan: ’t is vandaag een vrije dag, naar het schijnt.

(Sir Hugo Evans komt op.)

Hoe is het, Sir Hugo? geen school vandaag?

Evans.

Neen, heer Slapperman heeft frijaf checheven aan de knaapjes om te spelen.

Vrouw Haastig.

O die goeie mensch!

Juffrouw Page.

Sir Hugo, mijn man zegt, dat mijn zoon niets ter wereld leert uit zijn spraakkunst. Wees zoo goed en vraag hem eens het een en ander uit zijn taalboek.

Evans.

Kom hier, William, houd den kop op, kom!

Juffrouw Page.

Komaan, jongen, het hoofd op; antwoord uw meester; wees niet beschroomd.

Evans.

William, hoeveel chetallen is in het nomen?

William.

Twee.

Vrouw Haastig.

Nu, dan moet ik zeggen, ik dacht, dat er een meer zou wezen, want ze zeggen altijd: „Alle goeie dingen zijn drie.”

Evans.

Stil met uw chereutel!—Wat is slecht in het Latijn, William?

William.

Malus.

Vrouw Haastig.

Wel wel, die wat mal is, is daarom nog niet slecht, zeker niet.

Evans.

Chij sijt een schrikk’lijk onnoozelheid persoon, frouw; ik pit u, stil.—Wat is lapis, William?

William.

Een steen.

Evans.

En wat is een steen, William?

William.

Een kei.

Evans.

Neen, het is lapis. Ik moet u pitten, houd uw prein pij malkaar.

William.

Lapis.

Evans.

Prafo, William. Fan wie, William, worden de artikels ferleend?

William.

De artikels worden ontleend van het pronomen en de declinatie [312]is: singulariter nominativo, hic, haec, hoc.

Evans.

Nominativo hig, haeg, hog;—ik pit u, let wel op. Genitivo: hujus. Nu, hoe is de accusativus naamfal?

William.

Accusativo: hinc,— 47

Evans.

Ik pit u, heb uw chedachten, kind. Accusativo: hung, hang, hog.

Vrouw Haastig.

Hong hang hoog. Dat is een echte galgentaal, dat Latijn.

Evans.

Houd toch op met uw chesnater, frouw. Wat is de naamval in den focativus, William?

William.

O, vocativo,—o,—

Evans.

Petenk toch, William, de focatief is caret.

Vrouw Haastig.

Een karretje, goed op een zandweg.

Evans.

Frouw, houd op.

Juffrouw Page.

Stil toch!

Evans.

Hoe is de genitivus in de pluralis, William?

William.

De genitivus?

Evans.

Ja.

William.

Genitivo: horum, harum, horum.

Vrouw Haastig.

Wat, harem en hoerem! Maar eerwaarde! O jongen, jongen, dat is geen taal voor kinderen!

Evans.

Schaam u, frouwmensch!

Vrouw Haastig.

Gij doet verkeerd met het kind zulke woorden te leeren.—Hij leert het kind van hikken en van hakkelen; en dat doen ze wel van zelf; en dan dat hoerem, o, foei!

Evans.

Frouw, sijt chij maanziek? hebt chij tan cheen pechrip fan cheslachten en de numeri en de casus? Chij sijt een dwaas kristensmensch, als ik er maar een kan wenschen.

Juffrouw Page.

Ik bid u, zwijg.

Evans.

Seg mij nu, William, een paar declinaties fan de pronomens.

William.

O hé, die heb ik vergeten.

Evans.

Het is: qui, quae, quod; als chij vercheet uw qui’s, uw quae’s, uw quod’s tan moest chij worden chepritst. Cha nu heen en speel; cha.

Juffrouw Page.

Hij weet er toch meer van dan ik dacht.

Evans.

Hij is een choede wierige kop. Faarwel, mistress Page.

(Sir Hugo Evans af.)

Juffrouw Page.

Goeden dag, beste Sir Hugo.—Ga naar huis, jongen.—Kom, wij houden ons te lang op.

(Allen af.)

[Inhoud]

TWEEDE TOONEEL.

Een kamer in het huis van Ford.

Falstaff en Juffrouw Ford komen op.

Falstaff.

Juffrouw Ford, uw leedwezen heeft mijn lijden verslonden. Ik zie, dat gij toewijding bezit in uw liefde en dit zweer ik u te vergelden tot de breedte van een haar toe; niet alleen, juffrouw Ford, met eenvoudige liefdediensten, maar met al het toebehooren, bijbehooren en ceremonieel der liefde. Maar zijt gij nu veilig voor uw man?

Juffrouw Ford.

Hij is op de vogeljacht, waarde Sir John.

Juffrouw Page

(achter het tooneel). Hola, lieve juffrouw Ford, hola!

Juffrouw Ford.

Spoedig, Sir John, spoedig! die kamer in.

(Falstaff af.)

(Juffrouw Page komt op.)

Juffrouw Page.

Zeg eens, mijn waarde, er is toch niemand hier in huis behalve gijzelf?

Juffrouw Ford.

Wel neen, niemand dan mijn eigen volk. 14

Juffrouw Page.

Is dat waar?

Juffrouw Ford.

Ja zeker.—(Fluisterend.) Spreek wat luider.

Juffrouw Page.

Nu waarlijk, ik ben blij, dat gij niemand hier hebt.

Juffrouw Ford.

Waarom?

Juffrouw Page.

Waarom? wel, vrouwtje, uw man heeft weer zijn oude vlagen. Hij gaat daar ginds zoo te keer tegen mijn man; hij schimpt op alle getrouwde mannen en hij vloekt op alle Eva’s dochters zonder onderscheid, en slaat zich op het voorhoofd en schreeuwt: „Bot uit, bot uit!” zoodat alles, wat ik ooit van dolheid gezien heb, zacht en kalm en geduldig was in vergelijking met de woede, die hem nu bevangen heeft. Ik ben blij, dat de dikke ridder niet hier is.

Juffrouw Ford.

Waarom? spreekt hij dan van hem?

Juffrouw Page.

Van niemand anders dan van hem; en hij zweert, dat hij de vorige maal, [313]toen hij hem zocht, in een waschmand het huis is uitgedragen; hij verzekert aan mijn man, dat hij op dit oogenblik hier is, en hij heeft hem en de rest van het gezelschap hun vogeljacht doen opgeven, om nog eens een proefje van zijn argwaan hier te geven. Maar ik ben blij, dat de ridder niet hier is; nu kan hij zich van zijn eigen dwaasheid overtuigen.

Juffrouw Ford.

Is hij al dicht bij, juffrouw Page?

Juffrouw Page.

Vlak bij, aan het eind van de straat, hij zal zoo dadelijk hier zijn.

Juffrouw Ford.

Ik ben verloren! de ridder is hier.

Juffrouw Page.

Wat! O, dan komt gij geheel te schande, en hij is een kind des doods. Foei! wat zijt gij voor een vrouw!—Hij moet weg, hij moet weg! Liever nog schande, dan moord en doodslag!

Juffrouw Ford.

Maar waar zal hij heen? waar blijf ik met hem? zou ik hem weer in de mand stoppen?

(Falstaff komt weder te voorschijn.)

Falstaff.

Neen, ik ga niet weer in de mand. Kan ik niet weggaan eer hij hier is?

Juffrouw Page.

Ach God, drie broeders van Ford houden aan de deur de wacht met pistolen, opdat er niemand ontkome, anders zoudt ge nog kunnen wegsluipen vóór hij er is. Maar wat doet gij hier? 55

Falstaff.

Wat moet ik doen?—Ik wil in den schoorsteen kruipen.

Juffrouw Ford.

Daar schieten zij altijd hun vogelroeren in af.

Juffrouw Page.

Kruip in de bakoven.

Falstaff.

Waar is die?

Juffrouw Ford.

Daar zal hij ook zoeken, op mijn woord; geen kast of koffer, geen kist of spinde, geen kelder of put, of hij heeft een kort overzicht van al die plaatsen, en hij doorzoekt die op het lijstje af; er is geen mogelijkheid om u in huis te verbergen.

Falstaff.

Dan zal ik er uit gaan.

Juffrouw Page.

Als gij er uit gaat in uw eigen gedaante, dan zijt gij des doods, Sir John. Ja, als gij in een vermomming er uit kondt komen,—

Juffrouw Ford.

Hoe kunnen wij hem vermommen?

Juffrouw Page.

O lieve tijd, dat weet ik niet. Geen vrouwerok is wijd genoeg voor hem; anders kon hij een kap opzetten en een kindoek en een zakdoek nemen, en zoo ontsnappen.

Falstaff.

Lieve vrouwtjes, bedenkt toch iets; het onmoog’lijkste nog eer dan een ongeluk.

Juffrouw Ford.

Wacht! de moei van mijn meid, het dikke wijf van Brentford, heeft boven een rok hangen.

Juffrouw Page.

Op mijn woord, die zal hem passen; zij is even dik als hij; en dan is er ook nog haar linnen kap en haar kindoek.—Vlug naar boven, Sir John.

Juffrouw Ford.

Ga, ga, beste Sir John; juffrouw Page en ik, wij zullen wat linnen zoeken voor hoofdbedekking.

Juffrouw Page.

Vlug, vlug! wij komen u zoo dadelijk opdirken; schiet ondertusschen den rok vast aan.

(Falstaff af.)

Juffrouw Ford.

Ik gaf er wat voor, dat mijn man hem in die verkleeding aantrof; hij kan dat oude wijf van Brentford niet uitstaan; hij zweert er op, dat zij een tooverkol is en hij heeft haar het huis verboden en een pak slaag beloofd, als zij hier durft komen.

Juffrouw Page.

De hemel voere hem voor uws mans knuppel, en de duivel voere vervolgens den knuppel bij het slaan!

Juffrouw Ford.

Maar komt mijn man werkelijk daar aan?

Juffrouw Page.

Ja, in allen ernst, hij komt; en hij praat van de mand ook; de hemel weet hoe hij er van gehoord heeft.

Juffrouw Ford.

Daar zullen wij achter zien te komen; ik zal den knechts last geven de mand weer weg te dragen, zoodat zij hem weer aan de deur er mee ontmoeten, evenals de vorige maal.

Juffrouw Page.

Goed, maar hij kan zoo dadelijk hier wezen; wij moeten hem nu dadelijk als de heks van Brentford gaan uitdossen. 100

Juffrouw Ford.

Ik zal eerst aan de knechts zeggen, wat zij met de waschmand te doen hebben. Ga maar naar boven; ik breng dadelijk een paar doeken voor hem.

(Juffrouw Ford af.)

Juffrouw Page.

Aan de galg met dien ontuchtigen schelm! wij kunnen hem niet genoeg beetnemen.

Bedriegen kan, zoo leere ons doen, de schijn;

Een vrouw kan vroolijk en toch eerbaar zijn; [314]

Zij is niet slecht, die gaarne schertst en lacht;

Neem eer voor stille waat’ren u in acht.

(Juffrouw Page af.)

(Juffrouw Ford komt weder op, met haar twee Bedienden.)

Juffrouw Ford.

Vlug, mannen, neemt de mand weer op uw schouders; uw meester is vlak bij de deur; als hij u gelast haar neer te zetten, dan gehoorzaamt gij. Vlug, haast u!

(Juffrouw Ford af.)

DE VROOLIJKE VROUWTJES VAN WINDSOR.

Vierde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Eerste Bediende.

Komaan dan, neem op.

Tweede Bediende.

De hemel geve, dat zij niet weer vol riddervleesch zit.

Eerste Bediende.

Dat hoop ik niet, ik draag al zoo lief zulk een klomp lood.

(Ford, Page, Zielig, Cajus en Sir Hugo Evans komen op.)

Ford.

Ja, maar als het toch waar blijkt te zijn, vriend Page, weet gij dan een middel, om mij zotskap-af te doen zijn?—Ah! zet die mand neer, schurken!—Laat er iemand mijn vrouw roepen!—Jong vleesch in een mand!—O gij schurken van koppelaars! Het is een bende, een troep, een samenrotting, een samenzwering tegen mij. Maar nu zal de duivel te schande worden.—Vrouw, vrouw! zeg ik.—Er uit, er uit, gij!—Zie eens, vrouw, wat fraaie wasch gij naar de bleek stuurt.

(Juffrouw Ford komt weder op.)

Page.

Neen, dat gaat al te ver! Heer Ford, men kan u niet meer vrij laten rondloopen; men moest u boeien aanleggen.

Evans.

Neen, dit is maansiekte; dat is tol als een tolle hond.

Zielig.

Inderdaad, heer Ford, dit is niet welgedaan; inderdaad.

Ford.

Dat zeg ik ook, heer.—Kom hier, juffrouw Ford; juffrouw Ford, de eerbare vrouw, de zedige vrouw, dat deugdzaam wezen, dat een jaloerschen gek tot man heeft!—Ik verdenk zonder eenigen grond, mejuffrouw, niet waar?

Juffrouw Ford.

Dat doet gij,—de hemel zij mijn getuige!—indien gij mij van eenige oneerbaarheid verdenkt.

Ford.

Goed gezegd, stalen voorhoofd; houd maar vol.—Voor den dag, kerel!

(Hij haalt waschgoed uit de mand.)

Page.

Dat gaat te ver.

Juffrouw Ford.

Schaamt gij u niet? laat die hemden met rust.

Page.

Ik zal u wel krijgen!

Evans.

Tat is onferstandig. Wilt gij uw frouw haar hemden uitsmijten? Kom, laat dat.

Ford.

De mand zal leeg, zeg ik.

Juffrouw Ford.

Waarom, man, waarom?

Ford.

Mijnheer Page, zoo waar ik een man ben, in deze mand is gisteren iemand mijn huis uitgedragen geworden. Waarom zou hij er niet weer in zijn? In mijn huis is hij, dit is zeker; mijn berichten zijn echt; mijn jaloerschheid is gegrond.—Er uit met de geheele wasch!

Juffrouw Ford

(de wasch uit de mand halend). Daar! Zoo gij daar een man vindt, sterve hij den dood van een vloo.

Page.

Hier is geen man.

Zielig.

Zoo waar ik een eerlijk man ben, dit is niet welgedaan, heer Ford; gij maakt uzelven te schande.

Evans.

Heer Ford, chij moet liefer pitten, en niet folgen de verpeeltingen fan uw hart; tit is jaloerschheden.

Ford.

Nu ja, hier is hij niet, dien ik zoek.

Page.

Neen, en nergens anders dan in uw brein.

Ford.

Helpt mij nog deze eene maal mijn huis doorzoeken; als ik niet vind, wat ik zoek, verschoon dan mijn buitensporigheid niet in het minst; maak mij dan voor eeuwig tot onderwerp van spot aan tafel en laat het een spreekwoord worden: „zoo jaloersch als Ford, die een holle noot doorzocht om zijns vrouws lief te vinden.” Doet mij nog slechts eenmaal het genoegen en zoek het huis met mij door.

Juffrouw Ford.

Hé, juffrouw Page, kom met de oude vrouw beneden; mijn man wil boven op de kamer zijn.

Ford.

Oude vrouw! wat is dat voor een oude vrouw?

Juffrouw Ford.

Och, het is de moei van onze meid, de oude vrouw Brentford.

Ford.

Wat, die heks, dat oud wijf, die oude tooverkol! Heb ik haar mijn huis niet verboden? Die heeft hier een boodschap te doen, niet waar? Wij zijn onnoozele mannen; wij weten niet, wat er binnengesmokkeld wordt onder de leus van waar te zeggen. Zij geeft zich af met tooveren, met beheksen, met horoskooptrekken en al zulke duivelskunsten, die boven ons bereik zijn; wij weten niets.—[315]Kom beneden, gij tooverkol, gij heks; kom beneden, zeg ik.

Juffrouw Ford.

Neen, lieve, beste man! O lieve heeren, laat hem toch de oude vrouw niet slaan!

(Falstaff komt weder op, in vrouwenkleederen, geleid door juffrouw Page.)

Juffrouw Page.

Kom, moeder Smeer; kom, geef mij de hand.

Ford.

Ik zal haar smeren. (Hij geeft Falstaff stokslagen.) Mijn huis uit, gij heks, gij tooverkol, gij stinkdier, gij oud vel! voort! voort! Ik zal u bezweren, ik zal u waarzeggen! 196

(Falstaff af.)

Juffrouw Page.

Schaamt gij u niet? Ik geloof, dat gij de arme vrouw hebt doodgeslagen.

Juffrouw Ford.

Ja, zoo ver zal hij het nog brengen.—Het doet u veel eer aan.

Ford.

Aan de galg met die heks!

Evans.

Pij ja en neen, ik cheloof, die frouw is intertaat een heks; ik houd niet fan frouwen met een chrooten paard; ik heb onder haar kintoek een chrooten paard chesien.

Ford.

Wilt gij meegaan, heeren? Ik bid u, gaat mede en ziet de uitkomst van mijn jaloerschheid. Als ik nu op een valsch spoor geblaft heb, geloof mij dan nooit meer, als ik aansla.

Page.

Laten wij zijn gril nog eens gehoor geven. Komt, heeren!

(Ford, Page, Zielig, Cajus en Evans af.)

Juffrouw Page.

Op mijn woord, hij heeft hem allererbarmelijkst geslagen.

Juffrouw Ford.

Neen, bij Gods bloed, dat heeft hij niet; hij deed het zonder het minste erbarmen, dacht mij.

Juffrouw Page.

Die knuppel moet gewijd en bij het altaar opgehangen worden, want hij heeft een echt godzalig werk gedaan.

Juffrouw Ford.

Wat dunkt u? kunnen wij, onder borgtocht van vrouwelijke eerbaarheid en met de getuigenis van een goed geweten, hem nog verder met onze wraak vervolgen?

Juffrouw Page.

De geest van dartelheid is denkelijk wel bij hem uitgebannen; als de duivel hem niet, met rouw- en afkoop en al, in vollen eigendom heeft, zal hij wel nimmermeer, denk ik, ons trachten te verleiden.

Juffrouw Ford.

Zullen wij aan onze mannen vertellen, hoe wij hem bediend hebben?

Juffrouw Page.

Ja, dat in allen gevalle; al was het maar om uw man zijn grillen uit het hoofd te bannen. Als zij het over hun hart kunnen krijgen, den armen liederlijken, dikken ridder nog eens onder handen te nemen, dan willen wij tweeën weer de werktuigen zijn.

Juffrouw Ford.

Ik sta er voor in, zij zullen hem in het openbaar te schande willen maken; en mij dunkt ook, dat de grap niet volkomen is, als hij niet openlijk beschaamd is geworden.

Juffrouw Page.

Kom, dan naar de smidse, en aan ’t smeden; ik wil het ijzer niet koud laten worden.

(Beiden af.)

[Inhoud]

DERDE TOONEEL.

Een kamer in de herberg de Kouseband.

De Waard en Bardolf komen op.

Bardolf.

Heer, de Duitschers verlangen drie van uwe paarden te hebben; de hertog zelf komt morgen aan het hof, en zij willen hem te gemoet rijden.

Waard.

Wat kan dat voor een hertog zijn, die zoo met stille trom komt? Ik heb niets gehoord van zijn komst bij het hof. Laat mij eens met de heeren spreken. Zij spreken Engelsch?

Bardolf.

Ja, heer, ik zal hen bij u roepen.

Waard.

Mijn paarden kunnen zij krijgen, maar ik zal hen laten betalen; zij zullen er voor bloeden; zij hebben mijn huis een week lang in beslag genomen; ik heb mijn andere gasten moeten afwijzen; daarvoor moeten ze afschuiven; zij zullen er voor bloeden. Kom!

(Beiden af.)

[Inhoud]

VIERDE TOONEEL.

Een kamer in het huis van Ford.

Ford, Page, Juffrouw Ford, Juffrouw Page en Sir Hugo Evans komen op.

Evans.

Het is een fan te teuchtelijkste frouwenpersonen, die ik ooit chesien heb.

Page.

En zond hij aan u beiden die brieven tegelijkertijd?

Juffrouw Page.

Binnen een en hetzelfde kwartier.

Ford.

Vergeef mij, vrouw. Doe voortaan wat gij wilt.

’k Verwijt voortaan eer koelheid aan de zon

Dan wulpschen lust aan u. Nu staat uw eer[316]

Voor mij, die pas een ketter was, zoo vast,

Als ooit geloof kan doen.

Page.

Als ooit geloof kan doen. Goed, goed, niet meer

Want de onderwerping zij niet overdreven,

Gelijk voorheen de krenking. Maar onze aanslag

Zij doorgezet; door onze vrouwen worde

Den ouden dikken schelm een samenkomst,

Nog eens, voor ons vermaak, verleend, waarbij

Wij hem betrappen en te schande maken.

Ford.

Geen beter middel, dan wat zij daar noemden.

Page.

Wat! een afspraak om hem te middernacht in het park te ontmoeten? Onzin! hij komt niet.

Evans.

Chij segt, dat hij in te rifier cheworpen, en ferschrikkelijk cheslagen is als een oude frouw; mij dunkt, hij ferschrokken sal sijn en niet komen sal; mij dunkt, sijn fleesch chetuchtigd is en hij niet pecheerlijkheid sal sijn.

Page.

Dit denk ik ook.

Juffrouw Ford.

Uw zorg zij, wàt gij, als hij komt, hem aandoet;

Laat ons de zorg maar over, dàt hij komt.

Juffrouw Page.

Er loopt een sprookje van den jager Hoorne,

Die eens in Windsors park boschwachter was;

Die moet, den ganschen winter door, in ’t holst

Der nacht, steeds waren om een grooten eik,

Als hert, met groot en spitsgetakt gewei;

’t Geboomte doet hij dorren, ’t vee wordt krank;

De melkkoe geeft door hem geen melk, maar bloed;

Hij ratelt huiv’ringwekkend met een ketting;

Gij hebt wel van dat spook gehoord en weet,

Hoe onze suffe bijgeloovige oudjes

Dit sprookje van den jager Hoorne als waar

Tot onzen tijd in omloop deden blijven.

Page.

Zoo is ’t; nog zijn er velen, die bij nacht

Zich bij dien eik van Hoorn’ niet zullen wagen;

Doch waartoe dit? 41

Juffrouw Ford.

Doch waartoe dit? 41 Nu, zie, dit is ons plan,

Dat Falstaff bij dien eik ons zal ontmoeten

Als Hoorn’, met groote horens op den kop.

Page.

Nu, nemen wij dan aan, dat Falstaff komt,

En zoo vermomd; maar brengt gij hem hiertoe,

Wat doet gij dan met hem? wat hebt gij voor?

Juffrouw Page.

Ook dit is reeds bedacht, en wel als volgt:

Mijn dochter Anna en mijn kleinen zoon,

Met drie, vier and’ren van dat slag, vermommen

Wij tot kabouters, elfen, groen en wit,

Met held’re waslichtkroontjes op het hoofd

En ratels in de hand. Zoodra wij beiden

Tot Falstaff zijn genaderd, stormen zij

Woest, plotsling, uit een zaagkuil op ons af

Met een verward gezang; op dit gezicht

Ontvlieden wij verschrikt, in grooten angst;

Doch zij omringen fluks den wulpschen ridder

En knijpen hem op elfenwijs, en vragen,

Hoe hij op ’t uur van de’ elfendans het waagt,

Hij, ongewijde, in zulk een spookgestalte

Hun heil’ge plek te naad’ren.

Juffrouw Ford.

Hun heil’ge plek te naad’ren. En totdat hij

Heeft opgebiecht, wat hij daar doen kwam, gaan

De schijnbare elfen voort met hem te knijpen,

En branden hem met hunne lichten.

Juffrouw Page.

En branden hem met hunne lichten. Heeft

Hij zoo bekend, dan snellen we allen toe,

Onthoornen ’t spook en brengen hem met hoon

Naar Windsor weer.

Ford.

Naar Windsor weer. De kind’ren moeten goed

Geoefend zijn, of doen het niet naar eisch.

Evans.

Ik wil tie kinderen hunne chetragingen leeren, en ik wil self een Hans Aap sijn en ten ridder pranten met mijn licht.

Ford.

Voortreff’lijk; ik zal hun de maskers koopen.

Juffrouw Page.

Mijn Anna zal dan Elfenkoningin,

En fraai gekleed zijn in een wit gewaad.

Page.

Daarvoor koop ik de zijde;—(Ter zijde.) en onderwijl

Moet master Slapperman mijn Anna schaken

En haar in Eton trouwen.—Zend terstond

Op Falstaff iemand af.

Ford.

O, ik ga als heer Beek hem weer bezoeken,

En dan vertelt hij wis mij, wat hij doet;

Hij komt wel zeker.

Juffrouw Page.

Hij komt wel zeker. Twijfel daar niet aan;

Zorg maar voor maskers en de verd’re dingen,

Die voor het elfenspel benoodigd zijn.

Evans.

Aan ’t werk! Tit sijn ferwonderlijke

chenoechens, en recht teuchtsame schelmerijen.

(Page, Ford en Evans af.)

[317]

Juffrouw Page.

Ga, juffrouw Ford, zend op Sir John vrouw Haastig

Fluks af, opdat wij weten, of hij komt.

(Juffrouw Ford af.)

En ik ga naar den dokter, die mijn woord heeft,

Dat hij, geen ander, trouwt met Anna Page.

Die Slapperman heeft land, maar is een ezel;

En toch, mijn man trekt hem aan allen voor;

De dokter heeft goed geld en groote vrienden

Ten hove; hij, geen ander, moge slagen,

Schoon twintigduizend beet’ren om haar vragen.

(Juffrouw Page af.)

[Inhoud]

VIJFDE TOONEEL.

Een kamer in de herberg de Kouseband.

De Waard en Simpel komen op.

Waard.

Waar naar toe, boer? wat wilt gij, dikhuid? Spreek, geef geluid, deel mee, kort, bondig, vlug, snel!

Simpel.

Wel, heer, ik kom van den heer Slapperman, en moet Sir John Falstaff spreken.

Waard.

Daar, boven, is zijn vertrek, zijn huizing, zijn kasteel, zijn staatsiebed en zijn veldbed. ’t Is rondom beschilderd met de geschiedenis van den Verloren Zoon, versch en nagelnieuw. Ga, klop aan en treed binnen; hij zal met u spreken als een anthropophagianer; klop aan, zeg ik.

Simpel.

Daar even is een oude vrouw, een dikke vrouw, op zijn kamer gegaan. Ik zal zoo vrij zijn, heer, van te wachten, tot zij beneden komt, want ik heb eigenlijk met die vrouw te spreken.

Waard.

Wat, een dikke vrouw? de ridder kon wel eens bestolen worden. Ik wil hem roepen.—IJzerridder! Sir IJzer-John! ontlaad uw martiale longen! zijt gij daar? het is uw waard, uw Ephesiër, die u roept.

Falstaff

(van boven). Wat is er, mijn waard?

Waard.

Hier is een Boheemsche Tartaar, die er op wacht, dat uw dikke vrouw beneden komt. Laat haar beneden komen, mijn ijzerman; laat haar beneden komen; mijn kamers zijn fatsoenlijke kamers; foei, heimelijkheden, foei!

(Falstaff komt op.)

Falstaff.

Ja, goede waard, er was daar even een oude dikke vrouw bij mij, maar zij is al weer weg.

Simpel.

Ik bid u, Sir, was het niet de waarzegster uit Brentford?

Falstaff.

Ja zeker, gapermossel. Wat wilt gij van haar?

Simpel.

Mijn meester, Sir, mijnheer Slapperman, zag haar over de straat gaan en heeft mij naar haar toe gestuurd, om te hooren, Sir, of een zekere Nym, Sir, die hem een ketting heeft afgezet, den ketting heeft of niet.

Falstaff.

Ik heb met de oude vrouw daarover gesproken.

Simpel.

En wat zegt zij, Sir, als ik vragen mag?

Falstaff.

Wel, zij zegt, dat die eigen man, die den heer Slapperman zijn ketting heeft afgezet, hem die ontfutseld heeft. 39

Simpel.

Ik wenschte, dat ik met de vrouw zelve eens had kunnen spreken, ik had over nog iets anders met haar te spreken, ook van zijnentwege.

Falstaff.

En wat dan? laat hooren.

Waard.

Ja, kom, vlug!

Simpel.

Ik mag het niet verzwijgen, Sir.

Falstaff.

Verzwijg het, en gij zijt des doods.

Simpel.

Nu, Sir, het is verder niets dan van juffer Anna Page, om te weten, of het een geluk is voor mijn meester, als hij haar krijgt of niet.

Falstaff.

’t Is zoo, ’t is een geluk voor hem.

Simpel.

Wat, Sir?

Falstaff.

Als hij haar krijgt of niet. Ga en zeg maar, dat de vrouw mij dat gezegd heeft.

Simpel.

Mag ik zoo vrij zijn, dat te zeggen, Sir?

Falstaff.

Ja, knaap, zoo vrij als gij maar wilt.

Simpel.

Ik dank uw edelheid. Ik zal mijn meester blij maken met deze tijding.

(Simpel af.)

Waard.

Gij zijt een geleerde, gij zijt een geleerde, Sir John. Was er daar een wijze vrouw bij u?

Falstaff.

Ja zeker was er, mijn goede waard, een die mij meer wijsheid geleerd heeft, dan ik ooit te voren in mijn leven leerde; en bovendien had ik geen leergeld te betalen, maar kreeg zelf mijn leergeld in klinkende munt uitbetaald.

(Bardolf komt op.)

Bardolf.

Ach God, heer, afzetterij! zuivere afzetterij!

[318]

Waard.

Waar zijn mijn paarden? geef er mij goede tijding van, kerlino!

Bardolf.

Op den loop met de spitsboeven, want nauwelijks hadden wij Eton achter den rug, of zij wierpen mij, die achter een van hen zat, in een modderpoel, en gaven den paarden de sporen, en gingen er van door als drie Duitsche duivels, drie doctor Faustussen.

Waard.

Zij zijn doorgegaan, hun hertog te gemoet, schurk. Zeg niet, dat zij aan den haal zijn; Duitschers zijn eerlijke lui.

(Sir Hugo Evans komt op.)

Evans.

Waar is onze waard?

Waard.

Wat is er, Sir?

Evans.

Cheef acht op uw opnemingen. Er is een friend van mij chekomen in de stad, en die segt mij van drie Duitsche spitsboeven, die al te waarten van Readings, fan Maidenhead, fan Coleprook heeft afcheset, fan paarden en cheld. Ik seg u uit een choed hart, kijk toe; chij sijt een verstandig man en fol chrappen en spotpetoelingen, en het past niet foor u, dat chij petrogen wordt. Faar chij wel.

(Evans af.)

(Dokter Cajus komt op.)

Cajus.

Waar is mijn waard de la Jartière?

Waard.

Hier, heer dokter, in perplexiteit en een twijfelachtig dilemma. 86

Cajus.

Ik niet kan sek wat het is, maar ’et is mij kewees kezek, dat gij maak groote préparation voor een duc d’ Allemagne; op mijn eer, daar is geen duc, dat de ’of weet te koom. Ik u dat zeg van goed ’art. Adieu.

(Dokter Cajus af.)

Waard.

Houd den dief! schreeuw, schurk, loop!—Help mij, ridder, ik ben verloren!—Vlieg, loop, houd den dief! schreeuw, schurk! Ik ben verloren!

(De Waard met Bardolf af.)

Falstaff.

Ik wenschte, dat de geheele wereld bedrogen was, want ik ben bedrogen, en op stokslagen onthaald er bij. Als het ter oore kwam van het hof, hoe ik getransformeerd ben geweest en hoe mijn transformatie gewasschen en geknuppeld is geworden, dan zouden zij al mijn vet uit mij uitsmelten, drup voor drup, en visscherslaarzen met mij insmeren; ik wed, dat zij mij met hun kwinkslagen zouden geeselen, tot ik ingeschrompeld was als een gedroogde peer. Ik heb geen geluk ter wereld meer gehad, sinds ik dien valschen eed deed bij het primero-spelen. Waarachtig, als ik niet te kortademig was om gebeden op te zeggen, zou ik boete gaan doen.

(Vrouw Haastig komt op.)

Nu, wie stuurt u weer hier?

Vrouw Haastig.

Wel, om de waarheid te zeggen, alle twee de partijen.

Falstaff.

De duivel haal’ de eene partij, en zijn moer de andere! dan zijn zij alle twee verzorgd.—Ik heb om harentwille meer uitgestaan, dan de booze onbestendigheid van ’s menschen natuur vermag te dragen.

Vrouw Haastig.

En hebben zij dan niets uitgestaan? Ja, wel, dat verzeker ik u, en spacieel een van de twee; juffrouw Ford, de goede ziel, is zoo bont en blauw geslagen, dat er geen blank plekje meer aan haar te bekennen is.

Falstaff.

Wat praat gij van bont en blauw? Ik ben geslagen tot alle kleuren van den regenboog; en ik ben op het punt geweest van opgepakt te worden als de heks van Brentford; want zonder mijn bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en mijn slag om de bewegingen van een oude vrouw na te bootsen, zou een schoft van een gerechtsdienaar mij in het krot, in het gemeene krot, als een heks, geplakt hebben.

Vrouw Haastig.

Sir, laat mij eens op uw kamer met u praten; dan zult gij hooren, hoe de zaak loopt, en, ik verzeker u, gij zult op uw dreef zijn. Hier is een brief, die u iets vertellen zal. Goede zielen, wat is dat een gedoe, u bij elkander te brengen! Dit is zeker, een van u leidt geen godzalig leven, dat de hemel u zoo dwarsboomt.

Falstaff.

Kom mede op mijn kamer.

(Beiden af).

[Inhoud]

ZESDE TOONEEL.

Een ander vertrek in de herberg de Kouseband.

Fenton en de Waard komen op.

Waard.

Master Fenton, spreek mij van niets; ik ben door en door neerslachtig; ik wil nergens meer van weten.

Fenton.

Neen, hoor mij aan en help mij bij mijn plan;

Ik geef in goud, ja, op mijn aad’lijk woord,

Een honderd pond u meer, dan gij verloort.

Waard.

Nu dan, ik wil luisteren, master

Fenton; en ik wil ten minste uw geheim bewaren.

[319]

Fenton.

’k Heb u van tijd tot tijd ontdekt, wat liefde

Ik koester voor de schoone juffer Page,

Die ook naar wensch mijn teederheid beantwoordt,

Zoo ver zij voor zichzelve kiezen kan.

En nu heb ik een brief van haar ontvangen,

Welks inhoud u gewis verbazen zal;

Zij spreekt daar van een grap, die met mijn zaak

Zoo innig samenhangt, dat geen van beiden

Alleen te ontvouwen is, maar slechts als de and’re

Ook wordt gemeld. De dikke Falstaff speelt

Een groote rol er in. Het plan der grap

Wil ik u thans geheel ontvouwen. Luister,

Mijn goede waard: van nacht, bij de’ eik van Hoorne,

Speelt tusschen twaalf en een mijn dierbare Anna

Voor Elfenkoningin; ’t waarom staat hier.

In die vermomming,—terwijl and’re grappen

In vollen gang en allerdolst zijn,—moet—

Zoo wil ’t haar vader,—zij door Slapperman

Zich laten schaken en terstond in Eton

Met hem gaan trouwen; zij heeft toegestemd.

Maar, vriend,

Haar moeder, tegen dezen echt gekant,

En zeer voor dokter Cajus, heeft beslist,

Dat die, als and’re grappen allen boeien

Haar eveneens zal schaken en terstond

In de kapel, waar dan een priester wacht,

Haar huwen; hierop nu heeft zij, haar moeder

In schijn gehoorzaam, aan den dokter ook

Haar woord gegeven.—Hoor nu verder nog:

Haar vader meent, dat zij in ’t wit zal zijn,

En in die dracht met Slapperman,—als die

Den tijd gekomen ziet en bij de hand

Haar vat en haar verzoekt hem te verzellen,—

Zal medegaan;—haar moeder echter wil,

Opdat de dokter beter haar herkenne,—

Want alles moet vermomd zijn en gemaskerd,—

Dat zij in groen en los gewaad verschijnt

Met lange linten, wapp’rend om haar hoofd;

En ziet de dokter dan zijn kansen schoon,

Dan knijpt hij haar de hand, en op dit teeken

Beloofde ’t meisje met hem mee te gaan.

Waard.

En fopt zij dan haar vader of haar moeder?

Fenton.

Die beiden, beste waard; zij gaat met mij.

Nu is mijn wensch, dat gij den priester zoekt,

Die tusschen twaalf en eenen in de kerk

Gereed sta, om door ’t plechtig echtverbond

’t Verbond van onze harten te bezeeg’len.

Waard.

Sla gij uw slag, den geest’lijke bestel ik;

Breng gij de bruid, de priester zal er zijn.

Fenton.

Nu dan, voorwaar, blijf ik u immer dankbaar,

En loon u bovendien terstond den dienst.

(Beiden af.)