VIII.
Twee canzones.
Het was de morgen na den dag, dat San Pasquale’s klokken geluid hadden en donna Elisa zat in haar winkel geld te tellen. Den vorigen dag, toen alle menschen zoo angstig waren, had zij ongelooflijk veel verkocht, en ’s morgens, toen zij in haar winkel kwam, was zij bijna verschrokken. Want de geheele winkel was als uitgeplunderd, de medaillons waren weg, de waskaarsen waren weg en evenzoo de groote trossen rozenkransen. Al die mooie heiligenbeeldjes van Gaetano waren van de planken gehaald en verkocht, en het deed donna Elisa werkelijk veel verdriet, niet meer deze groote schare heilige mannen en vrouwen om zich heen te zien.
Toen trok zij de geldlade uit en die was zoo boordevol, dat zij die nauwelijks kon openschuiven. En terwijl zij haar geld telde, schreide zij, alsof al de geldstukken valsch waren. Want wat baatte het haar al deze vuile bankbiljetten en deze groote bronzen munten te bezitten, nu zij Gaetano verloren had! En zij dacht dat indien hij slechts één dag langer in huis was gebleven, hij niet had behoeven te vertrekken, want nu had zij geld in overvloed.
Terwijl ze daar zoo zat, hoorde zij den postwagen voor haar deur stilhouden.
Maar zij keek niet eens op, wat gaf zij er om wat er gebeurde, nu Gaetano weg was. Toen werd de deur geopend, de winkelbel luidde hevig. Ze schreide slechts en telde. Toen zei iemand:
’t Was Gaetano.
„Mijn God, waarom ben je teruggekomen?” riep zij.
„Ge hebt immers al uw beelden verkocht, ik ben thuis gekomen om nieuwe beelden voor u te snijden.”
„Maar hoe weet je dat?”
„Ik was vannacht om twee uur bij den postwagen. Rosa Alfari heeft mij alles verteld.”
„Hoe gelukkig, dat je naar den postwagen ging! Hoe gelukkig, dat je den inval kreeg om naar den postwagen te gaan!”
„Ja, was dat niet gelukkig,” zei Gaetano.
Nauwelijks een uur later stond Gaetano weer in zijn werkplaats en donna Elisa die niets in haar leegen winkel te doen had, kwam onophoudelijk in de deur der werkplaats om naar hem te kijken.
Neen, dat hij nu werkelijk daar weer stond te snijden! Ze kon geen vijf minuten voorbij laten gaan, zonder naar hem te kijken.
Maar toen donna Micaela hoorde, dat Gaetano weer terug was, voelde zij geen vreugde, maar veeleer toorn en wanhoop.
Want zij was bang, dat hij als een verleider zou komen om haar te verlokken.
Zij had immers gehoord dat een rijke Engelsche dame naar Diamante was gekomen op den dag, dat San Pasquale’s klokken geluid hadden.
En zij was zeer getroffen, toen zij hoorde dat het juist de dame met het Christusbeeld was. Hij was dus dadelijk gekomen, toen zij hem aangeroepen had.
De regen en het klokgelui was zijn werk!
Zij trachtte haar hart te verblijden met de gedachte, dat er een wonder was geschied om harentwille.
Het moest haar meer zijn dan alle aardsch geluk en liefde, dat zij zich omgeven gevoelde door Gods genade. Zij wilde niet dat eenig aardsch gevoel haar rukken zou uit deze gezegende geestvervoering.
Maar toen zij Gaetano op straat ontmoette, zag hij nauwelijks naar haar en wanneer zij hem trof bij donna Elisa gaf hij haar niet de hand en sprak in het geheel niet tot haar.
Want de waarheid was, dat hoewel Gaetano thuis was gekomen, omdat het hem te zwaar viel zonder donna Micaela te vertrekken, hij haar niet wilde verleiden of verlokken.
Hij zag dat zij onder bescherming der heiligen stond en zij was hem zoo heilig geworden, dat hij nauwelijks waagde van haar te droomen.
Hij wilde in haar nabijheid zijn, niet om haar lief te hebben, maar omdat hij geloofde dat uit haar leven heilige daden zouden opbloeien. Gaetano verlangde naar een wonder, gelijk een bloemkweeker smacht naar de eerste roos in de lente.
Maar toen de weken gingen en Gaetano nooit donna Micaela trachtte te naderen, begon ze te twijfelen en te denken, dat hij haar nooit had liefgehad. Zij zeide tot zichzelf dat hij haar de belofte, om met hem te vluchten, slechts ontlokt had om haar te toonen, dat de Madonna wel een wonder kon verrichten.
Maar als dat zoo was, begreep ze niet, waarom hij zijn reis niet vervolgd had, maar teruggekeerd was.
Dat veroorzaakte haar onrust. Zij meende haar liefde niet te kunnen bedwingen, indien zij niet wist dat Gaetano haar liefhad. Zij woog het voor en het tegen, en ze werd al meer overtuigd, dat hij haar nooit had liefgehad. Terwijl donna Micaela dit dacht moest zij don Ferrante gezelschap houden, hij was lang ziek geweest, en had een paar aanvallen van beroerte gehad. Hij was van het ziekbed opgestaan als een gebroken man. Opeens was hij oud, stompzinnig en bang geworden, zoodat hij nooit meer alleen durfde zijn. Hij ging nooit meer naar den winkel, in alles was hij een geheel ander mensch geworden.
Een groote lust om voornaam en schitterend te zijn had zich van hem meester gemaakt.
Het scheen alsof de arme don Ferrante door hoogmoedswaanzin aangegrepen was.
Donna Micaela was zeer goed voor hem en zat urenlang met hem te tobben.
„Wie zou dat zijn,” placht zij hem te vragen, „die eens op de markt stond met pluimen op den hoed, tressen op de uniform, en een sabel op zij en die zoo schoon speelde, dat men zei, dat zijn muziek verheven was als de Etna en machtig als de zee? En wie was het, die toen een arme signorina in rouwgewaad zag, die het niet waagde haar gelaat aan de menschen te toonen en haar den arm bood? Wie kon dat zijn? Kon het don Ferrante zijn, die de gansche week in een kort buis en puntige muts in zijn winkel stond? Neen, dat kon niet mogelijk zijn. Zoo iets kon een oude koopman niet doen!
Don Ferrante lachte. Juist zóó wilde hij dat men tegen hem sprak. Zij moest hem ook vertellen hoe het zou zijn, als hij aan het hof kwam.
Wat de koning en wat de koningin zou zeggen.
„De oude Alagona’s zijn dus tot nieuw leven gekomen,” zou er aan het hof gezegd worden.
„Wie heeft het geslacht doen herleven?” En men zou vragen en vragen. Die don Ferrante, vorst van Sicilië en grande van Spanje, is dat dezelfde man, die in zijn winkel te Diamante stond en de voerlieden uitschold?
„Neen,” zou men zeggen, „dat kan niet dezelfde man zijn. Het kan onmogelijk dezelfde zijn.”
Dit vond don Ferrante prettig, en hij wilde hebben dat zij zoo dag in, dag uit met hem sprak.
Het verveelde hem nooit en donna Micaela was zeer geduldig jegens hem.
Maar eens toen zij zoo met den zieke zat, kwam donna Elisa binnen.
„Schoonzuster, indien gij de legende van de heilige maagd van Pompeje bezit, wilt ge mij die dan leenen?” vroeg zij.
„Wat! wilt gij gaan lezen?” zei donna Micaela.
„De hemel beware mij, ge weet wel, dat ik niet lezen kan. ’t Is voor Gaetano, dat ik het u vraag.”
Donna Micaela bezat de legende van de heilige maagd van Pompeje niet. Maar dat zei ze donna Elisa niet; zij ging naar haar boekenrek en nam een klein boek, dat een verzameling Siciliaansche liefdesliederen bevatte, en gaf dat aan donna Elisa, die het weer aan Gaetano bracht.
Maar nauwelijks had donna Micaela dit gedaan of een hevig berouw maakte zich van haar meester.
Zij vroeg zich af wat zij bedoeld had door zoo te handelen, zij, die geholpen was door het heilige Christuskind.
Zij bloosde van schaamte toen zij er aan dacht dat ze een teeken had gezet bij een der kleine liederen, dat zoo luidde:
O, had ik antwoord op één enkle vrage!
’k Heb het gevraagd aan den dag, aan de sterren,
Zelfs aan de vogelenschaar en de wolken.
’k Goot reeds het lood in het kokende water,
Blaadje na blaadje der bloeme ik plukte.
’k Lokte de zwarte, de waarzegster buiten,
’k Smeekte ten slotte de engelenscharen.
Mint hij mij nog, gelijk eens hij wel deed?
Zij had zeker gehoopt dat zij antwoord zou krijgen.
Haar geschiedde recht indien Gaetano haar verachtte en haar onbeschaamd noemde.
Toch had zij niets kwaads bedoeld. Het eenige dat zij begeerd had, was te weten of Gaetano haar liefhad.
Weer verliepen eenige weken en donna Micaela zat nog steeds bij don Ferrante.
Maar op een dag had donna Elisa haar mee naar buiten gelokt.
„Ga met mij mede naar mijn tuin, schoonzuster, en kijk eens naar mijn grooten magnolieboom.
„Ge hebt nog nooit zoo iets moois gezien.”
En zij was met donna Elisa naar den tuin gegaan.
Donna Elisa’s magnolie was gelijk de stralende zon, die men voelt vóórdat men haar ziet. Op verren afstand zweefde de geur reeds in de lucht en het was een gegons van bijen en een gekweel van vogels!
Toen donna Micaela den boom zag, kon zij nauwlijks ademhalen. Hij was heel hoog en groot van een schoonen regelmatigen groei en zijn groote, breede bladeren hadden een frissche donkergroene kleur. Maar nu was hij geheel bedekt met groote rose bloemen, die hem versierden en verlichtten, zoodat men meende, dat hij in feestgewaad was en men voelde hoe er een meesleepende vreugde van uit den boom stroomde. Donna Micaela werd als bedwelmd, zij voelde hoe een vreemde onweerstaanbare macht zich van haar meester maakte. Zij trok een der rechte takken naar zich toe, spreidde de bloemen uiteen en zonder deze af te breken, begon zij met een naald letters te prikken in de bloembladeren.
„Wat doet ge daar, schoonzuster?” vroeg donna Elisa.
„Niets, niets.”
„In mijn tijd plachten de jonge meisjes minnebrieven te prikken in de magnoliebloemen.”
„Misschien doen zij dat nog.”
„Neem u in acht, ik zal het nakijken, zoodra ge vertrokken zijt.”
„Gij kunt immers niet lezen.”
„Maar ik heb Gaetano toch.”
„En Luca, het is ’t beste, dat ge u tot Luca wendt.”
Maar toen donna Micaela thuis kwam, had zij berouw. Zou donna Elisa werkelijk de bloem aan Gaetano toonen? Neen, neen, donna Elisa was daarvoor te verstandig. Maar indien hij haar gezien had van uit het raam van zijn werkplaats? Nu ja, hij zou haar wel geen antwoord geven. Maar zij maakte zich belachelijk.
Neen nooit, nooit meer zou zij zoo iets doen. Het was immers het beste voor haar, dat zij niets wist. En toch was zij verlangend naar het antwoord dat zij krijgen zou. Maar er kwam geen antwoord.
En zoo verliep er weer een week. Toen kreeg don Ferrante den inval, dat hij ’s middags wilde rijden. In het wagenhuis van het zomerpaleis was een ouderwetsche galakoets, die zeker meer dan honderd jaar oud was. Die was zeer hoog, met een zeer kleinen en nauwen wagen, die in leeren riemen schommelde tusschen de achterwielen, welke zoo groot waren als het waterrad van een molen.
Die koets was wit gelakt met gouden randen, de banken waren bekleed met rood pluche, en op de portieren waren wapens geschilderd.
Eens was het een groote eer geweest in dien wagen te rijden, en als de oude Alagona’s door de corso reden, stroomden de menschen uit hun huizen of hingen over hun balkons om hen te zien. Maar toen werd die getrokken door vlugge paarden van Berberie, toen droeg de koetsier een pruik en de bedienden livrei, en ze reden met geborduurde leidsels. Maar nu wilde don Ferrante zijn oude paarden voor de koets spannen, en zijn ouden winkelbediende op den bok zetten.
Toen donna Micaela hem zei, dat dit niet kon, begon don Ferrante te schreien. Wat zou men wel van hem denken indien hij zich ’s middags niet in zijn wagen op de corso vertoonde.
Dat was immers het laatste, wat een voornaam man naliet. Hoe zou iemand begrijpen dat hij een man van hooge geboorte was, indien hij niet op en neer reed in den ouden wagen der Alagona’s?
Het was het gelukkigste oogenblik, dat don Ferrante na zijn ziekte genoot, toen hij voor de eerste maal uitreed.
Hij zat rechtop en boog en knikte zeer genadig naar alle kanten. En de menschen van Diamante bogen en namen den hoed zoo diep af, dat deze over den grond sleepte. Waarom zou men don Ferrante deze vreugde niet gunnen?
Donna Micaela reed ook mee, want don Ferrante waagde het niet alleen te rijden. Zij was niet gaarne meegegaan, maar toen had don Ferrante geschreid en haar er aan herinnerd, dat hij haar gehuwd had, toen zij arm en veracht was. Zij moest niet ondankbaar zijn en vergeten wat hij voor haar gedaan had. En waarom wilde zij niet in zijn wagen rijden? Het was de mooiste oude wagen van gansch Sicilië.
„Waarom wil je niet met mij rijden?” zei don Ferrante. „Vergeet niet, dat ik de eenige ben, die je liefheeft. Zie je niet dat je vader niet eens van je houdt? Je moet niet ondankbaar zijn.”
Op deze wijze had hij donna Micaela gedwongen plaats te nemen in den ouden galawagen.
Maar het ging in ’t geheel niet, zooals zij verwacht had. Er was niemand die lachte. De vrouwen negen even diep en de mannen bogen even statig alsof de wagen honderd jaar jonger was geweest. En donna Micaela kon op geen enkel gelaat een glimlach bespeuren.
In geheel Diamante zou er geen mensch te vinden zijn, die zou hebben willen lachen. Want men wist heel goed hoe veel donna Micaela te stellen had met don Ferrante.
Men wist hoe lief hij haar had en hoe hij schreide, als zij hem slechts een oogenblik verliet. Men wist ook hoe hij haar kwelde met zijn jaloezie en haar hoeden vertrapte, als deze haar goed stonden, en haar nooit geld gaf voor nieuwe kleeren, opdat niemand haar schoon vinden en haar liefhebben zou. Maar tegelijkertijd zei hij haar altijd, dat zij zoo leelijk was, dat niemand anders dan hij het kon uithouden haar gezicht dagelijks te zien. En omdat men dit alles wist, was er niemand in Diamante die lachte.
Haar uitlachen, die zich zoo aftobde met een zieken man!
De menschen in Diamante waren vrome Christenen en geen barbaren.
Zoo reed de galawagen tusschen vijf en zes uur in zijn oude verbleekte pracht de corso op en neer. In Diamante reed die geheel alleen, want behalve deze waren er geen voorname wagens, maar men wist toch dat op denzelfden tijd alle equipages in Rome naar Monte Pincio reden, en in Napels naar Villa Nazionale en te Florence naar de Cascines en in Palermo naar La Favorite. Maar toen de wagen voor de derde maal naar de Porta Etnea reed, weerklonk er een vroolijk hoorngeschal. En door de poort zwaaide een groote, hooge jachtwagen in Engelschen stijl.
Die moest ook voor ouderwetsch doorgaan. De postillon die als voorrijder op een groot paard reed, droeg een pruik en een lederen broek. De wagen geleek op een oude diligence, met een hooge, dichte coupé, waarop de reizigers zaten.
Maar alles was nieuw, de paarden waren schoone, sterke dieren, de wagen en het tuig glansden en de reizigers zelf waren eenige jonge heeren en dames uit Catania, die een uitstapje op den Etna maakten. En zij konden niet nalaten te lachen, toen zij den ouden galawagen voorbijreden. Zij bogen over het hek van den wagen om er naar te zien, en hun lachen klonk zeer luid en helder tusschen de hooge, stille huizen van Diamante.
Donna Micaela gevoelde zich plotseling zeer ongelukkig.
Ze herkende in de reizigers haar oude kennissen. Wat zouden zij zeggen, als zij thuis kwamen?
„Wij hebben Micaela Palmeri in Diamante gezien,” en dan zouden zij vertellen en lachen, en vertellen en lachen.
Haar geheele leven scheen haar één groote ellende. Zij was niets anders dan de slavin van een dwaas. Haar gansche leven zou zij niets anders doen dan tobben met don Ferrante.
Toen zij thuis kwam, was zij geheel uitgeput. Zij was zoo moede en krachteloos, dat zij zich nauwelijks de trappen op kon sleepen.
Onderwijl prees don Ferrante zijn geluk, dat hij deze voorname menschen ontmoet had, en dat zij zijn staatsie gezien hadden. Hij zei tot donna Micaela, dat nu niemand er meer naar vragen zou of zij leelijk was en of haar vader gestolen had. Nu wist men dat zij de echtgenoote was van een voornamen heer.
In den namiddag zat donna Micaela stil bij don Ferrante en liet haar vader met hem spreken. Toen begon een mandoline zacht te zingen onder de vensters van het zomerpaleis. Het was een enkele mandoline zonder begeleiding van een gitaar of viool.
Niets kon zoo teeder en luchtig zijn, niets lieflijker of roerender. Men kon niet gelooven dat het menschelijke handen waren, die de snaren der mandoline aanraakten. Het was alsof de bijen, krekels en sprinkhanen een concert gaven.
„Er is weer iemand verliefd op Giannita,” zei don Ferrante. „Dat is nog eens een vrouw, die Giannita! Ieder kan zien dat zij mooi is. Als ik jong was, zou ik ook verliefd worden op Giannita. Zij weet te beminnen.”
Donna Micaela zweeg. Hij had gelijk, dacht zij. De mandolinespeler minde Giannita. Dezen avond was Giannita thuis bij haar moeder, anders woonde zij nu in het zomerpaleis.
Donna Micaela had in dit opzicht haar wil doorgedreven, nadat don Ferrante zoo lastig was geworden.
Maar wie het dan ook gold, het mandolinespel behaagde donna Micaela. Het klonk zoo liefelijk, zacht en vertroostend. Ze ging stil naar haar kabinet om beter te kunnen luisteren in de eenzaamheid.
En sterke zoete geur sloeg haar tegemoet. Wat was dat? Haar handen begonnen te beven, voordat ze een kaars en lucifer vond. Op haar werktafel lag een groote, wijd opengesprongen magnoliebloem.
Op één der bladen was geprikt:
„Wie heeft mij lief?” En nu stond daaronder:
„Gaetano.”
Naast de bloem lag een klein wit boek met liefdesliederen.
Bij een der kleine canzones stond een teeken:
Nooit van mijn liefde heeft iemand geweten.
Heimlijk en stil werd des nachts zij geboren,
Zachtjes toch slopen mijn droomen tot u.
Gierig bewaakte ik angstig mijn schat.
Spoedt zich mijn biechtvader eens naar mijn sterfbed,
Zullen mijn lippen ’t geheim nog bewaren.
Sluitend de deur, werp ’k den sleutel in d’afgrond.
’k Neem mijn geheim naar de eeuwigheid mee.
De mandoline bleef doorspelen. Er klinkt iets van frissche lucht en zonneschijn in den klank der mandoline. Iets dat verkwikt en versterkt. Iets van de vertroostende zorgeloosheid der schoone natuur.
IX.
De vlucht.
In dezen tijd bevond het kleine beeld van Aracoeli zich nog in Diamante.
De Engelsche dame die het beeld bezat, was zoo verrukt over Diamante, dat zij het niet verlaten kon. Zij had voor haar rekening de geheele eerste verdieping van het hotel gehuurd, en die geheel voor zich ingericht. Zij kocht voor groote sommen alles wat ze maar kon krijgen aan oud aardewerk en oude munten. Zij kocht mozaïekwerk, altaarschilderijen en heiligenbeelden. Toen kreeg zij den inval, dat zij zich een verzameling wilde aanschaffen van alle heiligen der kerk.
Zij hoorde spreken van Gaetano en zond hem een boodschap, dat hij bij haar in het hotel zou komen.
Gaetano verzamelde in der haast alles wat hij in den laatsten tijd gesneden had en nam dat mee naar miss Tottenham. Zij was zeer tevreden over zijn kleine beelden en wilde ze alle koopen.
Maar de vertrekken van de Engelsche dame waren gelijk de rommelkamers van een museum. Al het mogelijke werd daarin gevonden, maar alles was wanordelijk en slordig. Daar stonden halfvolle koffers, daar hingen mantels en hoeden, daar lagen schilderijen en gravures, daar waren reisboeken, theeserviezen en spiritustoestellen, daar werden hellebaarden, misboeken, mandolines en wapenschilden gevonden.
Dat opende Gaetano de oogen. Hij bloosde plotseling, beet zich op de lippen, en begon zijn beelden in te pakken.
Hij had een beeld van het Christuskind gezien; het was het verworpen beeld, dat midden tusschen al die wanorde stond, met zijn kroon vol deuken op het hoofd en zijn koperen schoentjes aan de voeten. De verf was van zijn gezicht verdwenen, de ringen en sieraden, die hem bedekten, waren verroest, en zijn kleertjes waren geel van ouderdom. Toen Gaetano dit zag, wilde hij zijn beelden niet aan miss Tottenham verkoopen, maar stil heengaan.
En toen zij hem vroeg wat hem deerde, voer hij tegen haar uit:
„Wist zij dat vele der zaken, die zij bezat, heilig waren? Wist zij of wist zij niet, dat dit het heilige Christuskind zelf was? En zij had het drie vingers van de eene hand laten verliezen en de steenen uit zijn kroon laten vallen, en het daar vuil, verroest en ontheiligd laten liggen. Indien zij zoo het beeld van Gods zoon behandelde, hoe zou ze dan niet alle andere verwaarloozen? Hij wilde haar geen heiligenbeelden verkoopen.”
Toen Gaetano op deze wijze tegen miss Tottenham uitvoer was ze verrukt, verrukt!
Hier was het ware geloof en heilige toorn.
Deze jonge man moest kunstenaar worden.
Naar Engeland moest hij gaan. Zij wilde hem naar den grooten meester zenden, haar vriend, die de kunst trachtte te herscheppen; naar hem die den menschen wilde leeren schoon huisraad, schoone kerkinrichtingen te vervaardigen, en die een heele schoone wereld wilde scheppen.
Zij regelde en schikte alles en Gaetano liet haar stil geworden, omdat hij nu liefst Diamante wilde verlaten.
Hij zag dat hij het leven daar niet meer kon uithouden en hij geloofde dat het God was, die hem aan de verleiding onttrok.
Hij verliet Diamante geheel onbemerkt. Donna Micaela wist nauwelijks iets van de geheele zaak, vóórdat hij weg was. Hij had het niet gewaagd bij haar te komen om afscheid te nemen.
X.
De sirocco.
Hierna verliepen twee jaren volkomen stil. Het eenige, dat in Diamante en op geheel Sicilië gebeurde, was dat de menschen al armer en armer werden.
Toen brak de herfst aan, en het was de tijd, dat de wijn geoogst moest worden.
In dien tijd plegen de lieflijke canzones van de lippen te stroomen; in dien tijd springen er nieuwe en schoone melodieën uit de mandoline.
Dan pleegt de jeugd in scharen naar de wijngaarden te trekken, en er is arbeid en gelach den ganschen dag, dans en gejubel den geheelen nacht en men weet niet meer wat slaap is.
Dan koepelt de blauwe luchtzee zich schooner dan ooit boven den berg. Dan tintelt de lucht van vroolijke invallen, dan vliegen fonkelende blikken als bliksemstralen door de lucht, dan ontvangt deze niet alleen warmte en licht van de zon, maar ook van de stralende gezichten der jonge vrouwen van den Etna.
Maar in dezen herfst waren alle wijngaarden verwoest door de phylloxera. Geen druivenplukker drong zich tusschen de wijnranken, geen lange rij van vrouwen met volle manden op het hoofd kronkelde zich naar de wijnpers en ’s nachts werd er niet gedanst op de platte daken.
In dezen herfst welfde zich geen klare, heldere Octoberlucht boven den Etna. En als om de natuur in overeenstemming te brengen met den nood, kwam de beklemmende verstijvende woestijnwind van Afrika, stof en nevel met zich voerend, en verdonkerde het gansche luchtruim. Nooit, zoo lang deze herfst duurde, voelde men een frisschen bergwind. Voortdurend blies de met ongeluk bezwangerde sirocco.
Soms was die zoo droog en stoffig, en zoo verschroeiend heet, dat men de deuren en vensters sluiten en in huis moest blijven om niet te versmachten.
Maar meestal was die lauw, vochtig en drukkend. En de menschen kenden geen rust, de zorg verliet hen dag noch nacht en de ellende stapelde zich boven hun hoofd, als de sneeuwlagen op de hooge bergen.
En de onrust kwam ook tot donna Micaela, terwijl zij nog steeds zat bij haar ouden man, don Ferrante.
Gedurende dezen herfst hoorde zij nooit een lach, nooit een lied. De menschen slopen elkaar voorbij, zoo vol toorn en vertwijfeling, dat zij bijkans schenen te bersten.
En zij zeide tot zich zelf, dat zij zeker zonnen op een oproer. Zij begreep dat zij in opstand moesten komen.
Wel zou het zeker niemand helpen, maar er bleef hun geen ander middel over.
In het begin van den herfst had zij op haar balkon gezeten en de menschen op straat hooren spreken. Ze spraken altijd over den nood.
„De oogst van het graan en van den wijn is mislukt, er is gebrek aan zwavel en aan oranjeappels, al Sicilië’s geel goud is verongelukt. Waarvan moest men dan leven?”
En donna Micaela begreep dat dit vreeselijk was.
Graan, wijn, oranjeappels en zwavel, al hun geel goud! Zij begon ook te begrijpen, dat de ellende grooter was dan de menschen konden dragen en zij was wanhopig, dat het leven zoo hard was.
En zij vroeg zich af waarom de menschen gedwongen waren zulke bovenmatig hooge belastingen te betalen. Waarom moest er accijns op zout zijn, zoodat een arme vrouw geen recht had naar het strand te gaan om een emmer zout water te halen, maar het zout tegen hoogen prijs moest koopen in de winkels der regeering?
En waarom moest er een belasting op de palmboomen zijn? Nu velden de boeren met toorn in het harte de oude boomen, wier kronen zoo lang boven het edele eiland gewuifd hadden. En waarom moest er belasting op de vensters zijn? Wat wilde men toch daarmee? Was het de bedoeling, dat de arme menschen hun vensters weg zouden nemen en hun kamers zouden verlaten om in de kelders te gaan wonen?
In de zwavelmijnen waren werkstakingen en woelingen uitgebroken en de regeering zond troepen om het volk te dwingen weer aan den arbeid te gaan. Donna Micaela vroeg zich af of de regeering niet wist, dat men in het geheel geen machines in de mijnen gebruikte. Had zij nooit gehoord, dat het kinderen waren, die het erts uit de diepe schachten sleepten?
De regeering wist niet, dat deze kinderen slaven waren; zij kon immers niet weten, dat hun ouders hen verkocht hadden aan de patroons. Of indien de regeering dit wist, waarom hielp ze dan de mijneigenaars?
Opeens hoorde zij spreken over een ontzettende menigte misdaden. En opnieuw begon zij te vragen:
Waarom liet men de menschen zoo misdadig worden?
En waarom liet men het volk tot zoo’n groote armoede en ellende vervallen? Waarom moesten ze allen zoo ellendig zijn? Zij wist, dat degenen, die in Palermo of Catania woonden, zoo niet behoefden te vragen. Maar hij, die in Diamante woonde, hij kon niet nalaten te vreezen en te vragen. Waarom liet men de menschen zoo arm worden, dat zij stierven van den honger?
De zomer was nauwelijks verstreken en men was nog maar in het einde van de maand October, toen donna Micaela den dag reeds voor zich zag, dat het oproer zou uitbreken. Ze zag de uitgehongerde menschen door de straten aanstormen. Zij zouden de winkels plunderen en ze zouden de huizen binnendringen der weinige rijken, die in de stad gevonden werden. Voor het zomerpaleis zou de wilde schare staan blijven, en langs de balkons en vensters naar binnen klimmen.
„Hier met de juweelen der oude Alagona’s, hier met don Ferrante’s millioenen!”
Het was immers hun droom, het zomerpaleis! Ze geloofden dat het zoo vol goud was als een sprookjesslot. Maar als zij niets vonden, zouden zij haar het mes op de keel zetten, om haar te dwingen de schatten uit te leveren, die zij nooit bezeten had, en zij zou vermoord worden door de roofgierige bende.
Waarom konden de groote grondbezitters niet thuis blijven? Waarom moesten zij de armen verbitteren met het leiden van een weelderig leven in Rome of in Parijs?
Men zou hen zoo niet haten, als zij op het eiland bleven. Dan zou men niet zulke dure en heilige eeden zweren, alle rijken te zullen dooden.
Donna Micaela wenschte slechts dat zij kon vluchten naar één der groote steden. Maar zoowel haar vader als don Ferrante werd in dezen herfst ziek, en om hunnentwille was zij gedwongen te blijven, waar zij was. En zij wist, dat zij gedood zou worden als een zoenoffer voor de zonden der rijken tegenover de armen.
Gedurende vele jaren hadden de ongelukken zich boven Sicilië opeengehoopt en nu konden ze niet langer tegengehouden worden.
Nu begon de Etna zelf te dreigen met een uitbarsting.
De zwaveldamp gloeide ’s nachts vuurrood en het onderaardsche gerommel werd tot in Diamante gehoord.
De wereld zou vergaan. Alles zou verwoest worden. Wist dan de regeering niets van de stemming van het volk? O, eindelijk, eindelijk had de regeering er kennis van gekregen, en een comité samengesteld. Het was een groote troost, op een mooien dag de gevolmachtigden door de corso te zien komen aanrijden.
Indien het volk slechts begrepen had dat zij het goed met hen meenden. Indien slechts de vrouwen niet in haar deuren hadden gestaan en de fijne heeren van het vasteland bespot hadden, en indien slechts de kinderen niet naast de wagens hadden geloopen en geroepen: „Dief, dief!” Alles wat men deed verhaastte slechts het oproer. En er was niemand die het volk leiden en kalmeeren kon. Er was geen enkele ambtenaar, dien men vertrouwde. Degenen, die zich slechts lieten omkoopen, waren nog de minst verachten. Maar men zei dat de meesten van hen leden van de mafia waren. Men zei, dat zij er slechts aan dachten zich geld en macht toe te eigenen. En naarmate de herfst verstreek, duidden meer en meer teekenen er op, dat er iets ontzettends dreigde.
In de couranten las men dat de arbeiders zich in de groote steden vereenigden en door de straten trokken. En men las ook hoe de leiders der socialisten door het land trokken en opruiende toespraken hielden,
Opeens werd het donna Micaela duidelijk, wat de oorzaak was van alle onrust. Het waren de socialisten, die het oproer verwekten. Het was hun vurige taal, die de gemoederen in beweging bracht. Hoe kon men hen dat laten doen? Wie was dan koning van Sicilië? Heette hij Da Felice of Umberto?
Toen greep ontzetting haar aan.
Het was alsof men alleen tegen haar samenspande. En hoe meer zij over de socialisten hoorde spreken, des te meer vreesde zij hen.
Giannita trachtte haar gerust te stellen.
„Wij hebben geen socialisten in Diamante,” zei zij. „In Diamante denkt men er niet aan om oproer te maken.”
Maar donna Micaela vroeg haar of zij niet wist wat het beteekende, dat de oude spinsters in donkere hoeken zaten en geschiedenissen verhaalden van de groote rooverhelden en den beruchten visscher Giuseppe Alesi, dien men de Massaniello van Sicilië noemde?
Indien de socialisten slechts de menschen tot oproer konden overhalen, zou ook Diamante wel meedoen.
Geheel Diamante wist reeds, dat iets ontzettends dreigde. Men had den grooten zwarten monnik zien spoken op het terras van het palazzo Geraci.
Men hoorde de uilen den ganschen nacht schreeuwen, en sommigen beweerden, dat de hanen kraaiden bij zonsondergang en zwegen bij het ochtendgekriek.
Op een dag in November, was Diamante plotseling vol woeste menschen.
Het waren mannen met roofdiergezichten, ruige baarden, en groote handen aan ontzettend lange armen. Verscheidenen van hen droegen wijde, fladderende linnen mantels en men meende beruchte bandieten en onlangs ontslagen galeiboeven in hen te herkennen.
Giannita vertelde dat al deze woeste menschen in de bergen woonden, en nu over den Simeto waren getrokken, omdat het gerucht verspreid was, dat het oproer in Diamante reeds uitgebroken was. Maar toen alles rustig was en de kazernes vol karabiniers waren, trokken zij weer weg.
Donna Micaela dacht nu voortdurend aan deze menschen en ze was overtuigd dat zij haar moordenaars zouden worden. Zij zag hen voor zich in hun fladderende linnen mantels en met hun roofdiergezichten. Zij wist dat zij in hun berggrotten op de loer lagen, en op den dag wachtten, dat zij schoten en oproerkreten in Diamante hoorden. Dan zouden zij zich met moord en brand op de stad werpen en zich aan de spits stellen van het gansche uitgehongerde volk, generaals en aanvoerders der verwoesting gelijk.
Donna Micaela moest gedurende dezen geheelen herfst zoowel haar vader als don Ferrante verplegen, die beiden maand na maand ziek lagen. Men had haar verzekerd, dat er volstrekt geen gevaar voor hun leven bestond. Zij was zeer blijde don Ferrante in het leven te mogen behouden, want het was haar eenige hoop, dat de menschen hem ten slotte zouden sparen, omdat hij uit een oud geslacht was, dat hoog in aanzien stond.
Terwijl zij daar bij het ziekbed zat, ging haar verlangen dikwijls naar Gaetano en ontelbaar waren de keeren dat zij wenschte dat hij thuis was. Zij zou angst noch doodsvrees gevoelen, indien hij slechts in zijn werkplaats stond. Dan zou er slechts vrede en veiligheid in haar ziel heerschen.
Zelfs nu hij zoo ver weg vertoefde, was hij degene, bij wien zij in gedachten hulp zocht, toen de ontzetting haar tot waanzin dreef.
Toch had zij geen enkelen brief van hem ontvangen, in al dien tijd dat hij weg was; zoodat zij dikwijls geloofde, dat hij haar geheel vergeten had. Op andere tijden wist ze evenwel zeker, dat hij haar liefhad, want dan voelde zij zich zoo onweerstaanbaar gedrongen aan hem te denken, dat zij begreep, dat hij haar in gedachten nabij was en haar riep.
In dezen herfst kreeg zij eindelijk een brief van Gaetano. Ach, welk een brief! Donna Micaela’s eerste gedachte was hem te verbranden.
Ze was naar het terras op het dak gegaan, om alleen te zijn, terwijl zij den brief las. Hier had ze ook eens Gaetano’s liefdesverklaring gehoord. En die had haar volstrekt niet ontroerd. Die had haar geschokt, noch verschrikt. Maar deze brief was iets geheel anders. Hij smeekte haar bij hem te komen, de zijne te worden, hem haar leven te geven.
Toen zij dit las, schrikte zij van zich zelf. Zij voelde hoe zij had willen uitroepen: „ik kom” en weg had willen vliegen. Zij voelde zich tot hem getrokken, meegesleept.
„Laat ons gelukkig zijn!” schreef hij. „Wij verspillen den tijd, de jaren gaan voorbij. Laat ons gelukkig zijn.”
Hij beschreef haar hoe zij zouden leven. Hij vertelde haar van andere vrouwen, die de stem der liefde gehoorzaamd hadden en gelukkig waren geworden. Hij schreef even verlokkend als overtuigend.
Het was niet juist de inhoud, maar de liefde, die in den brief brandde en gloeide en die haar vervoerde. Die steeg op uit het papier gelijk bedwelmende wierook en zij voelde hoe die haar doordrong. Vurig verlangen was het, dat uit elk woord sprak.
Nu was zij niet meer een heilige voor hem, zooals zij vroeger was geweest. Deze brief kwam overweldigend onverwacht na een paar jaar van zwijgen, en zij was ontsteld dat deze haar zoo verrukte.
Zóó had zij zich de liefde nooit gedacht. Zou die haar ook in dezen nieuwen vorm behagen? En met angst ontdekte zij dat die haar ook zoo behaagde.
Toen strafte zij hem zoowel als zich zelf door een zeer streng antwoord te schrijven. Dat was moraal, moraal, niets anders dan moraal. Zij was trotsch dat zij zoo geschreven had. Zij ontkende niet dat zij hem liefhad, maar misschien zou Gaetano haar liefdeswoorden niet kunnen vinden, zoo verborgen waren ze onder verwijten. Het was ook beter, dat hij ze niet vond.
Hij schreef haar geen brieven meer. Maar nu kon donna Micaela nooit meer aan Gaetano denken als steun en beschermer. Nu was hij gevaarlijker dan de mannen uit de bergen.
En iederen dag bracht Diamante een onheilspellender bericht. Nu begon iedereen zich wapens aan te schaffen. En hoewel het verboden was die te bezitten, droegen toch alle menschen die in ’t geheim.
Alle vreemdelingen verlieten het eiland, maar in hun plaats werd er van Italië het ééne duizendtal soldaten na het andere gezonden.
De socialisten hielden voortdurend redevoeringen.
Waren zij dan bezeten door een boozen geest, dat zij niet tevreden waren, vóórdat zij het ongeluk opgeroepen hadden!
Eindelijk hadden de oproerlingen den dag bepaald dat de storm zou losbreken. Geheel Sicilië, geheel Italië zou in opstand komen. Het was nu niet meer een holle bedreiging maar werkelijkheid.
Toen kwamen er al meer en meer troepen van het vasteland. En de meesten waren Napolitanen, die in eeuwige veete met de Sicilianen leven.
Het eiland werd in staat van beleg verklaard.
Er zouden geen gerechtshoven meer zijn, slechts de krijgsraad. En het volk vertelde dat de soldaten verlof hadden te plunderen en te moorden naar hartelust.
Niemand wist wat er gebeuren zou. De boeren wierpen verschansingen op in de bergen. In Diamante stonden mannen in groote groepen bijeen op de markt, stonden daar dag aan dag zonder aan den arbeid te gaan. Deze groepen mannen, die gekleed waren in donkere mantels met slappe hoeden, zagen er onheilspellend uit.
Zij droomden zeker allen van het oogenblik, dat zij het zomerpaleis zouden plunderen.
Hoe meer men den dag naderde, dat het oproer zou uitbreken, hoe zieker don Ferrante werd. En donna Micaela begon voor zijn leven te vreezen.
Het scheen haar een teeken, dat zij voorbeschikt was tot ondergang, nu zij ook don Ferrante moest verliezen.
Wie zou haar ontzien, als hij niet meer leefde?
Zij waakte bij hem. Zij en alle vrouwen der wijk zaten in stil gebed bij zijn legerstede.
Maar op een morgen, tegen zes uur, stierf don Ferrante. En donna Micaela betreurde hem, omdat hij haar eenige beschermer was en de eenige, die haar van den ondergang had kunnen redden, en zij wilde den doode alle eer bewijzen, die nog gebruikelijk is op Sicilië. Zij liet de sterfkamer met zwart doek bekleeden en sloot alle luiken, opdat het blijde zonlicht niet in het vertrek zou dringen.
Zij liet ook het vuur dooven in den haard en zond om een blinden zanger, opdat hij elken dag in het paleis zou komen om klaagliederen te zingen. Zij liet het aan Giannita over cavaliere Palmeri te verplegen, opdat zij zelf stil in de sterfkamer zou kunnen zitten tusschen de treurende vrouwen.
Het liep tegen den avond van den sterfdag, men had alle beschikkingen gemaakt en wachtte nu slechts op de witte broeders, die het lijk zouden wegvoeren.
In de sterfkamer was het doodstil. Al de vrouwen van de wijk zaten daar onbeweeglijk met betraande gezichten. Donna Micaela was bleek in haar grooten angst en staarde onafgebroken naar het lijkkleed, dat over den doode gespreid was.
Het was een baarkleed, dat aan het geslacht der Alagona’s behoorde, een reusachtig groot familiewapen prijkte in het midden en het was afgezet met zilveren franje en dikke kwasten. Dit kleed was nooit gespreid over iemand anders dan over een Alagona. Het scheen daar te liggen, opdat donna Micaela geen oogenblik zou vergeten, dat haar laatste steun van haar was genomen en zij nu eenzaam en zonder bescherming stond tusschen het verwoede volk.
Nu kwam iemand binnen om te melden, dat de oude Assunta was gekomen. De oude Assunta, wat wenschte de oude Assunta?
„Assunta was een lofspreekster, ze placht over de dooden te spreken.”
Donna Micaela liet Assunta in de kamer komen. Ze was zooals zij op de domtrap zat te bedelen, met dezelfde gelapte kleeding, denzelfden verschoten hoofddoek en dezelfde oude kruk.
Klein en met gebogen rug hinkte zij naar de kist. Zij had een verschrompeld gelaat, een ingevallen mond en doffe oogen. Donna Micaela zei tot zichzelf dat de hulpeloosheid en de onmacht nu haar kamer binnentraden.
De oude verhief haar stem en begon te spreken uit naam der echtgenoote.
„Mijn heer is dood, en ik ben eenzaam. Hij die mij verhief aan zijn zijde, is niet meer. Hoe vreemd is het, dat mijn huis zijn meester verloren heeft!—Waarom zijn de luiken voor uw vensters gesloten? vragen de voorbijgangers.—Ik antwoord: ik kan het licht niet verdragen, daarvoor is mijn smart te groot, mijn smart is drievoudig.”
„Hoe, zijn er zoo velen van uw geslacht door de witte broeders weggedragen?
„Neen, niemand van mijn geslacht is dood, maar ik heb mijn man verloren, mijn man, mijn man!”
De oude Assunta behoefde niet meer te zeggen. Donna Micaela barstte in klachten uit. Het gansche vertrek was vervuld van het geweeklaag der jammerende vrouwen.
Want er bestaat geen smart zoo groot als het verlies van een echtgenoot. Zij, die weduwe waren, dachten aan hetgeen zij verloren hadden en zij die het nog niet waren, dachten aan den tijd, dat zij niet meer op straat zouden gaan, omdat geen man haar vergezelde, en ze tot eenzaamheid, armoede en vergetelheid gedoemd zouden zijn, en dat zij niets zouden beteekenen, niets zouden zijn, dat zij behooren zouden tot de verworpelingen dezer aarde, omdat zij geen man meer hadden, omdat niemand haar meer het recht tot leven gaf.
Het was in het eind van December, de dagen tusschen Kerstfeest en Nieuwjaar.
Er bestond nog steeds hetzelfde gevaar voor oproer en nog steeds hoorde men dezelfde beangstigende berichten. Er werd verteld dat Falco Falcone een groote rooversbende in de steengroeve verzameld had en dat hij slechts wachtte op den dag, die bepaald was voor het oproer, om Diamante binnen te stormen en te plunderen.
Er werd ook verteld, dat de menschen in verscheidene kleine bergsteden opgestaan waren, de tolkantoren bij de stadspoorten in brand hadden gestoken en de tolkommiezen weggejaagd hadden.
Men wist ook te vertellen, dat de troepen van stad tot stad trokken en allen arresteerden, die slechts verdacht werden, en de menschen bij honderden tegelijk doodschoten.
Elk zei dat men zich wapenen moest voor den strijd. Men kon zich toch niet door deze Italianen laten vermoorden zonder zich te verzetten.
Gedurende dezen tijd zat donna Micaela gevangen bij haar vaders ziekbed evenals zij vroeger bij don Ferrante gezeten had. Zij kon Diamante niet ontvluchten en de angst groeide en groeide in haar zoodat zij niets anders was dan trillende vrees.
Het laatste en het vreeselijkste van alle onheilsberichten betrof Gaetano; ongeveer een week na don Ferrante’s dood was Gaetano thuis gekomen.
En dit had haar volstrekt niet beangstigd, maar integendeel verheugd. Zij had gejubeld eindelijk iemand in haar nabijheid te hebben, die haar beschermen kon.
Terzelfder tijd besloot zij, dat zij Gaetano niet zou ontvangen indien hij bij haar kwam. Zij voelde dat zij den doode nog toebehoorde. Zij wilde liefst Gaetano niet zien vóórdat een jaar verstreken was.
Maar toen Gaetano acht dagen thuis was zonder dat hij naar het zomerpaleis kwam, vroeg zij Giannita naar hem.
„Waar is Gaetano, is hij misschien reeds weer vertrokken daar niemand over hem spreekt?”
„Ach, Micaela,” antwoordde Giannita, „hoe minder men spreekt over Gaetano, hoe beter het is voor hem.”
Zij vertelde donna Micaela nu, gelijk zij een groote schande zou verhalen, dat Gaetano socialist was geworden.
„Hij is daarginds in Engeland geheel veranderd,” zei zij. „Hij gelooft niet meer aan God of aan de heiligen. Hij kust den pastoor niet meer de hand, wanneer hij hem ontmoet. Hij zegt tot alle menschen, dat zij geen tol meer moeten geven bij de stadspoort. Hij spoort de boeren aan hun pacht niet meer te betalen. Hij heeft wapens meegebracht en hij is slechts thuis gekomen om oproer te verwekken en de bandieten te helpen.”
Zij behoefde niets meer te zeggen, opdat donna Micaela aangegrepen zou worden door een grooter ontzetting dan zij nog ooit gevoeld had.
Dit was het dus, dat de onheilspellende herfstdagen geprofeteerd hadden. Juist hij moest het zijn, die den bliksem uit de wolken slingerde. Dat zij dit niet reeds lang geleden vermoed had!
Dit was de straf en wraak. Juist hij moest het zijn die het ongeluk opriep.
De laatste dagen was zij kalmer geweest. Zij had gehoord, dat alle socialisten op het gansche eiland gevangen waren genomen. En al de kleine oproervuren, die in de bergsteden ontstoken waren, werden uitgedoofd. Het had bijna geschenen, dat het oproer op niets zou uitloopen.
Maar nu was de laatste Alagona gekomen en hem zou het volk volgen. Er zou beweging komen in de zwarte groepen op de markt. De mannen in de linnen mantels zouden over den Simeto trekken. Falco Falcone’s rooverbende zou uit de steengroeve te voorschijn komen.
Den volgenden avond sprak Gaetano op de markt. Hij had bij de marktbron gezeten en gezien hoe de menschen kwamen om water te halen. Twee jaar had hij de vreugde moeten ontberen, te zien hoe de slanke meisjes de zware waterkruiken op haar hoofd hieven en hoe zij met vaste, statige schreden haar weg vervolgden.
Maar het waren niet alleen jonge meisjes die bij de bron kwamen, maar menschen van elken leeftijd. En toen hij nu zag hoe arm en ongelukkig de meesten waren, begon hij met hen over de toekomst te spreken.
Hij beloofde hun dat er spoedig betere tijden zouden aanbreken. Hij zei tot de oude Assunta, dat zij voortaan haar dagelijksch brood zou hebben, zonder dat zij eenig mensch om een aalmoes zou behoeven te vragen. En toen zij zeide, dat zij niet begreep, hoe dat moest geschieden, vroeg hij haar bijna toornig, of zij dan niet wist, dat de tijd nu gekomen was, dat geen oud mensch of jong kind meer zonder steun en beschutting zou zijn.
Hij wees op den ouden stoelenmatter, die even arm als de oude Assunta en daarenboven nog zeer ziek was, en hij vroeg of zij geloofde, dat men het nog langer zou dulden, dat er geen ziekenhuis of armenzorg was. Kon zij niet begrijpen, dat er in de toekomst voor de ouden en zieken gezorgd zou worden?
Hij zag ook eenige kinderen, van wie hij wist, dat zij voornamelijk leefden van planten en wortelen, die zij aan de oevers der rivier en aan den weg verzamelden, en hij beloofde dat voortaan niemand meer honger zou behoeven te lijden. Hij legde de hand op het hoofd der kinderen en verzekerde zoo trotsch als ware hij de vorst van Diamante, dat zij nooit meer brood zouden derven.
Zij wisten niets in Diamante, zei hij; zij waren onwetend en wisten niet, dat een nieuwe gezegende tijd aangebroken was. Zij geloofden, dat deze ellende steeds zou blijven voortduren. Terwijl hij zoo de armen troostte, hadden al meer en meer menschen zich om hem verzameld. Hij sprong plotseling op den rand der bron en begon te spreken.
„Hoe konden zij zoo onnoozel zijn,” zei hij, „om te gelooven, dat er geen betere tijd zou komen? Zouden de menschen, die de heele aarde bezaten, het dulden dat de ouden verhongerden en de kinderen tot ellendelingen en misdadigers opgroeiden?
„Wisten ze dan niet, dat er schatten verborgen waren in den berg en in de zee en in den grond? Hadden zij nooit gehoord, dat de aarde rijk was? Geloofden ze, dat ze haar kinderen niet voeden kon?
„Ze moesten niet tot elkaar zeggen, dat het onmogelijk was de zaken anders te regelen. Zij moesten niet denken, dat er steeds rijken en armen moesten zijn.
„Ach, zij wisten niets. Zij kenden hun moederaarde niet. Geloofden zij, dat zij een van hen haatte? Hadden zij dan op het veld gelegen en de aarde hooren spreken? Hadden zij gezien hoe de aarde wetten voorschreef? Hadden zij gehoord, hoe zij een vonnis velde? Had de aarde dan bevolen, dat sommigen honger zouden lijden, terwijl anderen aan een overdadig leven zouden sterven? Waarom richtten zij zich niet op om te luisteren naar de nieuwe leer, die over de wereld ging? Verlangden zij het niet beter te hebben? Zij gingen dus gaarne gekleed in lompen? Ze waren dus tevreden met planten en wortelen tot voedsel? Wilden ze dan geen dak boven het hoofd hebben?”
En hij zeide hun, dat het er niets toe deed, niets, in het geheel niets, of zij weigerden te gelooven aan den nieuwen tijd, die in aantocht was. Die zou in ieder geval toch komen.
Ze behoefden immers ook niet ’s morgens de zon uit de zee op te heffen. De nieuwe tijd zou tot hen komen, gelijk de zon kwam, maar waarom wilden zij haar niet tegemoet gaan? Waarom sloten zij zich op en vreesden het nieuwe licht?
Hij sprak lang op deze wijze en steeds verzamelden zich meer menschen om hem heen.
Maar hoe langer hij sprak, hoe schooner zijn taal werd, en hoe helderder zijn stem.
Er kwam gloed in zijn fonkelende oogen en het arme volk, dat naar hem opzag, vond hem schoon als een jongen vorst.
Hij was als een der oude, machtige heeren van zijn stam, die het vermogen bezeten hadden geluk en goud te schenken aan alle menschen in hun rijk.
Zij geloofden hem toen hij zei, dat hij hun geluk kon geven. Ze waren reeds gelukkig en blijde, omdat hun jonge heer hen liefhad.
Toen hij ophield met spreken, begonnen zij te jubelen en riepen dat zij hem wilden volgen, en doen wat hij hun beval. In een oogenblik was hij hun heer geworden. Hij was zoo schoon en zoo heerlijk dat zij hem niet konden weerstaan. En zijn geloof was zoo overtuigend, dat het vervoerde en meesleepte.
Dien nacht was er niet één arm mensch in Diamante, die niet geloofde, dat Gaetano hem onbezorgde en gelukkige dagen zou schenken. Dien nacht zegenden allen hem, allen, die in schuren en hutten woonden. Dien nacht begaven de hongerigen zich ter ruste in de vaste overtuiging, dat ze den volgenden dag bij hun ontwaken een tafel volgeladen met allerlei gerechten voor hun bed zouden vinden.
Want toen Gaetano sprak, was zijn macht zoo groot dat hij den grijsaard kon overtuigen dat hij jong, en den verkleumde, dat hij warm was. Men voelde dat hetgeen Gaetano beloofde, moest komen.
Hij was de vorst van den nieuwen tijd. Zijn handen waren zoo mild, wonderen en zegeningen zouden neerdalen op Diamante, nu hij weer terug was gekomen.
Den volgenden dag toen de zon onderging, kwam Giannita in de ziekenkamer en fluisterde:
„Er is oproer in Paterno, sedert verscheidene uren zijn ze daar aan het schieten, men kan het hier hooren. Er is reeds naar Catania gezonden om troepen. En Gaetano zegt, dat het oproer hedenavond hier zal uitbreken. Hij zegt, dat het tegelijkertijd in al de Etnasteden zal uitbreken.”
Donna Micaela beduidde Giannita, dat zij bij cavaliere Palmeri zou blijven, zelf ging zij over de straat naar donna Elisa’s winkel.
Donna Elisa zat achter haar toonbank voor haar borduurraam, maar zij werkte niet. De tranen druppelden haar zwaar en onophoudelijk langs de wangen zoodat zij moest ophouden met borduren.
„Waar is Gaetano?” zei donna Micaela zonder omwegen. „Ik moet hem spreken.”
„God schenke je kracht om met hem te spreken,” antwoordde donna Elisa. „Hij is in den tuin.”
Donna Micaela ging over den binnenhof naar den door hooge muren omgeven tuin.
In den tuin waren vele kleine paadjes, die zich van terras tot terras slingerden. Er waren ook vele priëelen, grotten en rustbanken. En de tuin was zoo dicht begroeid met stijve agaven, dichte dwergpalmen en stijfbladige ficussen en rhododendrons dat men geen twee schreden voor zich uit kon zien.
Donna Micaela liep langen tijd door deze ontelbare kronkelpaadjes, vóórdat zij Gaetano kon vinden. En hoe langer zij zocht, hoe ongeduldiger zij werd. Eindelijk vond zij hem heel achter in den tuin. Hij bevond zich op het laagste terras, dat uitgebouwd was op één der bastions van de stadsmuren. Daar zat Gaetano kalm met hamer en beitel aan een beeld te werken. Toen hij donna Micaela zag, liep hij haar met uitgestrekte handen tegemoet.
Zij gaf zich nauwelijks tijd hem te groeten.
„Is het waar,” zei zij, „dat gij gekomen zijt om ons in het verderf te storten?”
Hij begon te lachen.
„De sindaco is hier geweest,” zei hij, „en de pastoor is hier geweest. Komt gij nu ook nog hier?”
Het griefde haar, dat hij lachte en dat hij sprak van den sindaco en den pastoor.
Het was toch zeker iets anders en van meer beteekenis, dat zij kwam.
„Wilt gij mij zeggen,” vroeg zij scherp, „of het waar is, dat wij hier vanavond oproer krijgen?”
„O, neen,” antwoordde hij, „hier komt geen oproer.”
En hij zei dat op zulk een moedeloozen toon, dat het haar bijna bedroefde om zijnentwille.
„Ge doet donna Elisa heel veel verdriet,” barstte zij los.
„En u ook, niet waar?” zei hij met lichten spot.
„Ik ben de verloren zoon, ik ben Judas. Ik ben de strafengel die u allen drijft uit dit paradijs, waar men gras eet.”
Zij antwoordde:
„Misschien verkiezen wij onzen toestand boven den gewelddadigen dood.”
„Ja zeker, het is beter te verhongeren. Daaraan is men immers gewoon.”
„’t Is ook niet zoo aangenaam door bandieten vermoord te worden.”
„Maar wat ter wereld wil men met bandieten, als men zich niet door hen wil laten vermoorden?”
„Ja, ik weet wel,” zei zij steeds heftiger, „dat gij wilt dat alle rijken gedood zullen worden.”
Hij antwoordde haar niet dadelijk, maar beet zich op de lippen om zich niet te overijlen.
„Laat mij eens met u spreken, donna Micaela,” zei hij ten slotte. „Laat mij het u eens verklaren.”
En hij trok zijn gelaat in een plooi van geduld, en verklaarde haar het socialisme, zoo duidelijk en eenvoudig, dat een kind het had kunnen begrijpen.
Doch het was er verre van, dat zij hem kon volgen. Misschien had zij het wel gekund, maar zij wilde niet. Zij wilde juist nu niet hooren spreken over het socialisme.
’t Was haar zoo vreemd geweest, toen zij hem nu weer zag. De grond was begonnen te trillen onder haar voeten en een heerlijk en gelukzalig gevoel had haar doorstroomd en haar geheel vervuld.
„Mijn God, daar is hij dien ik lief heb,” zei zij tot zich zelf. „Hij is het werkelijk.”
Voordat zij hem gezien had, wist zij heel goed wat zij tot hem zou zeggen. Zij zou hem teruggebracht hebben tot het geloof zijner jeugd.
Zij zou hem bewezen hebben, dat deze nieuwe leer afschuwelijk en gevaarlijk was. Maar toen kwam de liefde en die maakte haar dom en verward.
Zij kon hem niets antwoorden. Zij was slechts verbaasd, dat hij zoo spreken kon.
En zij vond hem nog veel schooner dan vroeger. Nooit tevoren was zij zoo verward geweest, als zij hem zag. Nooit had hij zulk een indruk op haar gemaakt. Of kwam het, omdat hij nu een vrije sterke man was geworden? Zij werd bang, toen zij voelde hoeveel macht hij over haar had.
Zij waagde het niet hem tegen te spreken. Zij durfde niet eens spreken om niet in tranen uit te barsten. En indien zij gewaagd had te spreken, dan zou zij wel niet over politiek gesproken hebben.
Zij zou hem verteld hebben, wat zij gedacht had op den dag, dat de klokken luidden. Of zij zou hem gesmeekt hebben zijn hand te mogen kussen. Zij zou hem hebben willen zeggen hoe zij van hem gedroomd had. Zij zou hem gezegd hebben, dat indien zij hem niet had bezeten om van te droomen, zij het leven niet uitgehouden had.
Zij zou hem verzocht hebben zijn hand te mogen kussen uit dankbaarheid, omdat hij haar het leven geschonken had in al deze jaren.
Indien er geen oproer zou komen, waarom sprak hij dan over socialisme? Wat ging het socialisme hun aan, die rustig zaten in donna Elisa’s ouden tuin? Zij keek door een kronkelend tuinpad. Luca had houten bogen aan beide zijden geplaatst en langs deze slingerden zich nu guirlandes van lichte rozen, vol kleine knoppen en geurende bloemen. Men was altijd verwonderd, waar men zou komen als men door dit pad ging. En men kwam bij een kleinen, verweerden amor. De oude Luca verstond die zaken beter dan Gaetano. Terwijl zij daar zoo zaten, ging de zon onder en de Etna kleurde zich rozerood. Het was alsof de Etna bloosde van toorn over hetgeen in donna Elisa’s tuin geschiedde. Het was gewoonlijk bij zonsondergang, wanneer de Etna stralend rood was, dat zij aan Gaetano had gedacht.
Het was alsof zij beiden op hem gewacht hadden. En zij beiden hadden gedroomd hoe het zou zijn als Gaetano terugkwam. Zij had slechts gevreesd dat hij al te vurig en te onstuimig zou zijn. En nu sprak hij slechts over deze afschuwelijke socialisten, die zij haatte en vreesde.
Hij sprak zeer lang. Zij zag hoe de Etna verbleekte en bronsachtig bruin werd en toen kwam de duisternis. Zij wist dat de maan zou schijnen. En zij zat onbeweeglijk stil en hoopte op de maneschijn. Zelf kon zij niets meer doen. Zij was volkomen in zijn macht. Maar toen de maneschijn kwam, hielp die haar ook niet. Gaetano bleef slechts doorspreken over kapitalisten en arbeiders.
Toen meende ze dat er slechts één verklaring voor te vinden was. Hij had haar niet meer lief.
Plotseling viel haar iets in. Het was acht dagen geleden, dezelfde dag, dat Gaetano thuis kwam. Toen was zij in Giannita’s kamer gekomen, maar zij had zoo zacht geloopen, dat Giannita haar niet had gehoord.
Zij had Giannita toen als in vervoering met uitgestrekte armen en naar boven gewend gelaat zien staan. En in haar handen hield zij een portret. Nu eens bracht zij het aan haar lippen en kuste het, dan weer hief zij het boven haar hoofd om er in verrukking naar op te zien.
’t Was een portret van Gaetano geweest.
Toen donna Micaela dit had gezien, had zij zich zacht teruggetrokken, gelijk zij gekomen was. En zij had slechts gedacht, dat het jammer was voor Giannita, dat zij Gaetano liefhad. Maar nu Gaetano slechts sprak over het socialisme, moest zij daaraan denken.
Nu begon zij te gelooven, dat Gaetano ook Giannita liefhad. Zij herinnerde zich, dat zij vrienden der jeugd waren. Misschien had hij haar reeds lang liefgehad, misschien was hij teruggekomen om met haar te trouwen.
Donna Micaela kon niets zeggen, zij had geen recht zich te beklagen. Het was nauwlijks een maand geleden sedert zij Gaetano geschreven had, dat het niet goed was dat hij haar liefhad.
Hij boog zich nu tot haar over, keek haar in de oogen, en dwong haar eindelijk te luisteren, naar wat hij zei.
„Ge zult begrijpen, donna Micaela, ge moet het begrijpen. Wat wij hier in het Zuiden noodig hebben, is een wedergeboorte, een herschepping, zooals het Christendom was in zijn tijd. Naar boven de slaven, naar beneden de heeren! Een ploeg, die nieuwe aardlagen opwerpt! Wij moeten in nieuwe aarde zaaien, de oude grond is uitgeput. De oude aardlaag draagt slechts zwakke, ellendige planten. Laat de grondaarde voor den dag komen en ge zult iets geheel anders zien!
„Zie, donna Micaela, hoe komt het dat het socialisme nog leeft, dat het niet vernietigd is? Omdat het met een nieuwe leuze gekomen is. „Denk aan de aarde”, zegt het, evenals het Christendom met de leuze kwam:
—„Denk aan den hemel.”
„Zie om u heen! Zie naar de aarde, is die niet alles wat wij bezitten? Laat ons dan het leven hier zóó inrichten dat wij gelukkig worden. Waarom, o waarom heeft men vroeger niet zoo gedacht? Omdat wij ons te veel bezighielden met het leven hiernamaals. Laat ons verlost zijn van dat hiernamaals.
„De aarde, de aarde, donna Micaela! Ach, wij socialisten, wij hebben haar lief. Wij aanbidden de heilige aarde, die arme, verachte moeder, die rouw draagt, omdat haar kinderen naar den hemel willen opstijgen.
„Geloof mij, donna Micaela,” zei hij, „de nieuwe leer zal in zeven jaren verspreid zijn. Als de nieuwe eeuw aanbreekt, zal zij over de geheele aarde heerschen. Dan zullen de martelaars hun bloed voor haar geofferd hebben, dan zullen de apostelen gesproken hebben, dan zal schare na schare tot haar overgegaan zijn. Wij, de echte zonen der aarde, zullen de overwinnaars zijn. En zij zal zich in al haar schoonheid aan onze blikken vertoonen. Zij zal ons genot, gezondheid, kennis en schoonheid geven.”
Gaetano’s stem begon te trillen, en tranen kwamen in zijn oogen. Hij ging naar den rand van het terras en strekte de armen uit als wilde hij de door de maan beschenen aarde omvatten.
„Gij zijt zoo verblindend schoon,” zei hij, „zoo verblindend schoon.”
En donna Micaela meende gedurende een oogenblik zijn smart mee te gevoelen over de verschrikking, die verborgen was onder dit uiterlijk omhulsel van schoonheid. Zij zag het leven met al zijn ellende en lijden, gelijk een modderige beek vol verpestende onreinheden, zich slingeren door die schitterende wereld van schoonheid.
„En niemand kan van u genieten,” zei Gaetano, „niemand kan het wagen van u te genieten. Ge zijt ongetemd en vol nukken en boosaardigheid. Gij zijt de onzekerheid en het toeval, gij zijt het berouw en de kwelling, gij zijt de zonde en de schande, gij zijt het dwangbuis, dat wij willen verbreken, gij zijt alles wat de verschrikking vormt, omdat de menschen u niet beter hebben willen maken.”
„Maar uw dag zal komen,” zei hij jubelend. „Eens zullen ze allen met liefde tot u komen. Ze zullen zich niet aan een droom vastklampen, die niets geeft, noch iets vermag.”
Zij viel hem plotseling in de rede.
Zij begon hem al meer en meer te vreezen.
„Het is dus waar, dat het u niet goed gegaan is in Engeland?”
„Wat meent ge?”
„Men zegt dat de groote meester, tot wien miss Tottenham u zond, gezegd heeft, dat gij— — —”
„Wat heeft hij gezegd?”
„Dat gij en uw beelden in Diamante pasten, maar nergens anders.”
„Wie zegt dat?”
„Men gelooft dat, omdat gij zoo veranderd zijt.”
„Omdat ik nu socialist ben?”
„Waarom zoudt ge dat zijn, indien het u goed ging?”
„O, waarom....? Ge weet dus niet,” vervolgde hij lachend, „dat mijn meester in Engeland zelf een socialist is. Ge weet niet dat hij mij zelf deze leer verkondigd heeft— — —”
Hij zweeg plotseling en vervolgde de woordenwisseling niet. Hij ging naar de bank waar hij gezeten had toen zij kwam en nam het beeld. Dat reikte hij donna Micaela.
’t Was als wilde hij zeggen: „Zie nu zelf of gij gelijk hebt.”
Zij hield het in den maneschijn. Het was een Mater Dolorosa van zwart marmer. Dat kon zij duidelijk zien. Zij kon het ook herkennen. Het beeld droeg haar eigen gelaatstrekken. Een oogenblik bracht dit haar in verrukking. In het volgende werd zij door ontzetting aangegrepen. Hij een socialist, hij, die niet geloofde, waagde het een Madonna te scheppen! En hij had het beeld haar trekken gegeven. Hij sleepte haar mede in zijn zonde!
„Ik heb dit beeld voor u gemaakt, donna Micaela,” zei hij.
O, indien het beeld van haar was! Zij wierp het over de balustrade. Het stiet tegen den steilen bergwand, viel al dieper, rukte steenen los en sloeg zich zelf te pletter. Eindelijk hoorde men het in den Simeto neerploffen.
„Met welk recht schept gij Madonna’s?” vroeg zij Gaetano.
Hij stond zwijgend. Zóó had hij donna Micaela nog nooit te voren gezien.
In hetzelfde oogenblik dat zij tegen hem streed, was zij groot en statig geworden. De schoonheid, die bij haar altijd kwam en ging als een onrustige gast, troonde nu op haar gelaat. Zij zag er koud en ongenaakbaar uit, een vrouw, verleidelijk om te overtuigen en te winnen.
„Gij gelooft dus nog aan God, daar ge Madonna’s beitelt?” vroeg zij.
Hij haalde heftig adem. Nu was het alsof hij verlamd was. Hij was zelf een geloovige geweest. Hij wist hoe diep hij haar gegriefd had. Hij zag dat hij haar liefde verspeeld had. Hij had een vreeselijke, ondempbare kloof tusschen hen gelegd.
Hij moest spreken, moest haar winnen voor zijn overtuiging.
Hij begon te spreken, maar zwak en stamelend.
Ze luisterde stil. Toen viel zij hem medelijdend in de rede.
„Hoe zijt ge zoo geworden?”
„Ik dacht aan Sicilië,” zei hij ontwijkend.
„Gij dacht aan Sicilië,” herhaalde zij nadenkend.
„En waarom kwaamt gij thuis?”
„Ik kwam terug om een oproer te verwekken.”
’t Was alsof ze over een ziekte spraken, een verkoudheid, die hij zich op den hals gehaald had, waarvan hij na een paar dagen genezen zou zijn.
„Ge kwaamt dus thuis om ons in het verderf te storten,” zei ze streng.
„Zooals gij wilt, zooals gij wilt,” zei hij ootmoedig.
„Gij kunt het immers zoo noemen. Zooals het nu loopt, hebt ge zeker gelijk het zoo te noemen. O, indien men mij geen onjuiste mededeelingen gedaan had, zoodat ik niet een week te laat was gekomen! Is het niet juist iets voor ons Sicilianen om ons door de regeering te laten verhinderen in onze plannen?
„Toen ik hier kwam waren alle leiders reeds gearresteerd en het eiland bezet door veertigduizend man. Alles is voorbij!”
Het klonk zoo droevig leeg, toen hij zei: „alles is voorbij.” En om der wille van dit plan, dat tot niets werd, had hij zijn geluk verspeeld. Zijn beginselen en principes schenen hem nu louter spinnewebben, waarin hij gevangen was geweest. Hij wilde zich losrukken om haar te naderen. Zij was het eenige dat hij bezat. Zoo had hij het ook vroeger gevoeld. En nu kwam dat gevoel terug. Zij was zijn eenige schat in de wereld.
„Ze strijden vandaag in Paterno.”
„Dat is slechts een twist bij de stadspoort,” zei hij. „Dat beteekent niets. Indien ik slechts den geheelen Etna had kunnen aansteken, den geheelen stedenkrans rondom den berg. Dan zou men ons begrepen hebben, dan zou men naar ons geluisterd hebben. Nu schiet men slechts enkele boeren dood om eenige honderden hongerige monden minder te hebben. Men scheldt ons niets kwijt.”
Hij rukte aan zijn spinneweb. Kon hij het wagen tot haar te gaan, haar te zeggen, dat dit alles hem onverschillig was? Hij behoefde immers niet aan politiek te denken, hij was toch kunstenaar, hij was vrij en hij wilde haar bezitten.
Op dit oogenblik was het alsof de lucht beefde.
Een schot dreunde door den nacht, toen nog één en nog één.
Zij naderde hem en greep hem bij den pols.
„Is dit het oproer?” vroeg zij.
Schot op schot dreunde door de lucht. Toen hoorde men geschreeuw en geroep van menschen, die door de straten stormden.
„Het is het oproer! het moet het oproer zijn!”
Jubelend kwam het geloof aan zijn zaak weer terug. Haar zou hij ook daarvoor winnen. Vrouwen hadden nog nooit geweigerd den overwinnaar te behooren.
Ze haastten zich beiden zonder een woord te spreken naar de tuinpoort. Daar begon Gaetano te vloeken en te roepen, hij kon er niet uitkomen. Er was geen sleutel in het slot. Hij was opgesloten.
Hij keek rond. Aan drie zijden waren er hooge muren en aan de vierde gaapte de afgrond. Er bestond geen uitweg voor hem. Maar van de straat klonk een vreeselijk tumult; menschen, die schreeuwden en riepen, en schoten die dreunden. En men hoorde hen brullen: Leve de vrijheid, leve het socialisme!
Gaetano wierp zich tegen de poort, en ook hij brulde bijna, hij was gevangen, hij kon er niet bij zijn.
Donna Micaela volgde hem zoo vlug zij slechts kon. Nu zij hem had hooren spreken, dacht zij er niet meer aan, hem terug te houden.
„Wacht slechts, wacht slechts,” riep zij. „Ik ben het, die den sleutel uit het slot heb genomen.”
„Gij, gij?” zei hij.
„Ja, ik nam hem er uit, toen ik kwam. Het viel mij in, dat ik u hier opgesloten kon houden, indien gij oproer wildet maken. Ik wilde u redden.”
„Welk een dwaasheid!” zei hij en rukte haar den sleutel uit de hand.
Terwijl hij naar het sleutelgat zocht, had hij nog tijd iets te zeggen.
„Waarom wilt gij mij nu niet meer redden?”
Zij gaf geen antwoord.
„Misschien opdat uw God gelegenheid zal hebben mij in het verderf te storten?”
Zij zweeg nog steeds.
„Waagt gij het niet mij voor Zijn toorn te beschutten?”
„Neen, dat waag ik niet,” zei ze zacht.
„Gij geloovigen zijt vreeselijk,” zei hij.
Hij voelde dat zij hem losliet. Het trof hem diep en het ontnam hem den moed, dat zij geen enkele poging deed om hem tegen te houden.
Hij draaide den sleutel heen en weer zonder het slot te kunnen openen, verlamd doordat zij daar zoo bleek en koud achter hem stond.
Toen voelde hij plotseling haar armen om zijn hals en haar lippen, die de zijne zochten.
In hetzelfde oogenblik vloog de poort open en ijlde hij weg. Hij wilde haar kussen niet, die hem slechts aan den dood wijdden. In haar oud geloof scheen zij hem huiveringwekkend als een lijk. Als een vluchteling snelde hij heen.