WeRead Powered by ReaderPub
De Wonderen van den Antichrist cover

De Wonderen van den Antichrist

Chapter 28: XI. Overwinningen.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A sequence of visions, legends and short narratives examines the coming of a messianic figure who outwardly resembles Christ yet brings deception and turmoil. Through prophetic dreams, sibylline revelations and episodes drawn from folk tradition, various observers—both powerful and humble—encounter miraculous signs, moral dilemmas and the persuasive comforts offered by a false savior. Scenes shift between hushed, sacred nights and public disturbance, creating an eerie tone that probes the boundary between genuine holiness and convincing illusion. The collection blends parable and folklore to explore faith, doubt and communal response to charismatic authority.

XI.

Overwinningen.

In lang vervlogen dagen woonde de groote wijsgeer Empedokles op Sicilië. Hij was de schoonste en meest volkomen mensch, zoo heerlijk en wijs, dat men geloofde, dat hij een tot mensch geworden god was.

Empedokles bezat een landgoed op den Etna; een avond gaf hij een feest aan zijne vrienden. Op het feest sprak hij zulke wijze woorden, dat zijn gasten riepen:

„Gij zijt een god, Empedokles, gij zijt een god!”

Toen de feestgenooten vertrokken waren, dacht Empedokles:

„Ik heb het hoogste bereikt, dat men op aarde kan begeeren. Nu moet ik sterven, voordat tegenspoed of zwakheid mij terneerdrukt.”

En hij steeg op tot den top van den Etna en wierp zich in den brandenden krater.

„Als niemand mijn lijk vindt,” dacht hij, „zal men denken, dat ik levend onder de goden opgenomen ben.”

Maar den volgenden dag zochten zijn vrienden hem in de villa en op den ganschen berg. Zij kwamen ook bij den krater en daar vonden ze Empedokles’ schoenen. En zij begrepen, dat Empedokles den dood in den krater gezocht had om gerekend te worden tot de onsterflijken.

En dat zou hem gelukt zijn, indien de berg zijn schoenen niet had opgeworpen.

Toch werd juist door deze sage Empedokles’ naam nooit vergeten, en velen zochten naar de plaats, waar zijn villa eens gestaan heeft.

Geschiedschrijvers en schatgravers hadden er naar gezocht, want de villa van den wijsgeer was natuurlijk vol van de heerlijkste marmeren en bronzen beelden en mozaïekwerk.

Donna Micaela’s vader, cavaliere Palmeri, had zich vast voorgenomen, dat hij het probleem van de villa zou oplossen. Iederen morgen reed hij op zijn ponny Dominico weg om de villa te zoeken. Hij was toegerust als een geschiedvorscher met een schraapijzer in den gordel, een spade op zij en een grooten ransel op den rug.

Iederen avond als cavaliere Palmeri thuis kwam, vertelde hij donna Micaela van Dominico.

Gedurende deze jaren, dat ze samen op den Etna gezocht hadden, had Dominico zich tot een archeoloog ontwikkeld.

Dominico week af van den weg, zoodra hij een ruïne ontdekte. Hij stampte op den grond, wanneer hij meende, dat men opgravingen moest doen. Hij hinnikte verachtelijk en wendde den kop af, wanneer men hem een nagemaakte oude munt vertoonde.

Donna Micaela hoorde met veel geduld en belangstelling naar haar vaders verhalen. Zij was overtuigd dat, wanneer de villa eindelijk gevonden werd, Dominico de eer zou krijgen van de ontdekking.

Maar cavaliere Palmeri vroeg zijn dochter nooit naar haar onderneming. Nooit toonde hij eenige belangstelling voor haar spoorweg. ’t Was bijna, alsof hij niet eens wist waarvoor zij werkte. Dat was trouwens zoo vreemd niet, hij toonde nooit eenige belangstelling voor zijn dochter.

Eens, toen ze ’s middags aan den maaltijd zaten, begon donna Micaela plotseling over den spoorweg te spreken.

Ze had een paar heerlijke overwinningen behaald, zei ze. Eindelijk had zij overwonnen.

Hij moest hooren welke nieuwtjes zij heden had. Het zou geen stoomtram worden tusschen Catania en Diamante, zooals zij eerst gedacht had. Neen, het zou een spoorweg rondom den Etna worden.

Door Falco’s dood had zij niet alleen een machtigen vijand minder, maar nu geloofde het volk ook, dat de groote Mongibello en alle heiligen aan haar zijde stonden. Daarom was er een beweging onder het volk ontstaan om geld te verzamelen voor den spoorweg. In alle Etnasteden waren bijdragen daarvoor geteekend. Er was reeds een maatschappij gevormd.

Heden was de concessie gekomen. Morgen zou men in ernst met den arbeid aanvangen.

Donna Micaela was opgewonden, zij kon niet eten. Haar hart zwol van geluk en dankbaarheid. Ze kon niet laten te spreken over de machtige vervoering, die het volk aangegrepen had. Zij sprak met tranen in de oogen van het Christuskind in San Pasquale.

’t Was roerend te zien, hoe haar gelaat straalde van hoop. ’t Was alsof zij, behalve het geluk waarover zij sprak, nog een heele wereld van gelukzaligheid te wachten had. Dezen avond voelde ze, dat een wijze voorzienigheid haar lot bestierde. Zij begreep, dat Gaetano’s gevangenneming Gods werk was om hem terug te voeren tot zijn oud geloof. Hij zou bevrijd worden door de wonderen van het kleine beeld en dit zou hem bekeeren, zoodat hij weer een geloovige als vroeger zou worden. En zij zou hem toebehooren!

O, God was goed.

Terwijl deze groote gelukzaligheid haar vervulde, zat haar vader koel en onbewogen tegenover haar.

„Dat is heel merkwaardig,” zei hij slechts.

„Ge gaat toch zeker morgen mee naar het feest?”

„Ik weet het nog niet, ik moet naar mijn uitgravingen.”

Donna Micaela begon haar brood heftig te verkruimelen. Ze begon haar geduld te verliezen. Hij had geen deel genomen in haar zorgen, maar in haar vreugde moest hij deelen. Hij moest deelen in haar vreugde!

En plotseling braken de ketenen van onderdanigheid en vrees, die haar gebonden hadden, sedert haar vaders gevangenistijd.

„Gij, die zooveel tochten op den Etna maakt,” zei zij met een zeer vriendelijke stem, „gij zijt zeker ook wel eens in Gela geweest?”

De cavaliere keek op en scheen in zijn geheugen te zoeken:

„Gela, Gela!”

„Gela is een dorp van ongeveer honderd huizen, dat aan de Zuidzijde van den Monte-Chiaro ligt, aan den voet van den berg,” vervolgde donna Micaela met het onschuldigste gezicht van de wereld. „Het ligt ingeklemd tusschen den Simeto en den bergwand, een tak van de rivier neemt dikwijls zijn weg door de straten van Gela, zoodat het een zeer ongewone gebeurtenis is, wanneer men met droge voeten door het dorp komt.

„Het dak der kerk stortte in bij de laatste aardbeving, en men heeft de kerk niet kunnen herstellen, want Gela is zeer arm. Hebt ge werkelijk nooit van Gela gehoord?”

Cavaliere Palmeri antwoordde met onbeschrijfelijken ernst:

„Mijn vorschingen hebben me bergopwaarts gevoerd. Ik heb er nooit aan gedacht de villa van den grooten wijsgeer in Gela te zoeken.”

„Maar Gela is een zeer interessant dorp,” zei donna Micaela. „Ze hebben daar geen aparte schuren. De varkens zijn beneden in de huizen, de menschen wonen een trap hooger. En er zijn heel wat varkens in Gela. Ze bevinden zich daar beter dan de menschen, want de menschen zijn er bijna altijd ziek.

„Er heerscht voortdurend koorts, de malaria is er een trouwe gast. Het is er zoo vochtig, de kelders staan altijd onder water en moerasdampen drukken als een dichte mist op het dorp. In Gela zijn geen winkels, ook geen politie, post, dokter of apotheek. Zeshonderd menschen leven daar geheel vergeten en verlaten.

„Hebt ge nooit gehoord van Gela?”

Zij zag er heel verbaasd uit.

Cavaliere Palmeri schudde het hoofd. „Den naam heb ik wel eens gehoord....”

Donna Micaela keek haar vader onderzoekend aan. Zij boog zich haastig voorover en haalde uit zijn borstzak een gebogen klein mes te voorschijn, zooals gebruikt wordt bij het snoeien der wijnstokken.

„Arme Empedokles,” zei ze en plotseling straalde haar geheele gelaat van schalkscheid.

„Ge waant u opgestegen tot de goden, maar de Etna werpt altijd uw schoenen op.”

Cavaliere Palmeri zonk als door een schot getroffen achterover in zijn stoel.

„Micaela,” zei hij zwak afwerend, als iemand die niet weet hoe hij zich moet verdedigen.

Maar zij was oogenblikkelijk even ernstig en zoo onschuldig als tevoren.

„Men heeft mij verteld,” zei ze, „dat Gela eenige jaren geleden op het punt stond geheel te gronde te gaan. Alle menschen daar verbouwen wijn, en toen nu de phylloxera al hun wijngaarden verwoestte, dreigden zij geheel te verhongeren. ’t Landbouwgenootschap zond hun toen Amerikaansche planten, die niet door de phylloxera aangetast worden. De menschen in Gela plantten deze, maar al de wijnstokken stierven. Hoe zouden de menschen in Gela weten hoe de Amerikaansche wijndruif gekweekt moet worden.

„Maar toen kwam er iemand die hun dat leerde.”

„Micaela,” klonk het bijna steunend. Donna Micaela vond, dat haar vader er reeds als een overwonnen man uitzag, maar toch vervolgde zij haar verhaal, alsof zij niets gemerkt had.

„Er kwam iemand,” zei zij met sterken nadruk, „en hij liet zich nieuwe planten zenden. Hij begon deze in hun wijngaarden te planten. Ze lachten hem uit, ze zeiden dat hij zich dwaas aanstelde. Maar zie, zijn planten groeiden, zij stierven niet. En hij redde Gela.”

„Ik vind je verhaal niet zeer amusant, Micaela,” zei cavaliere Palmeri met een poging het af te breken.

„’t Is toch even belangrijk als uw vorschingen,” zei ze kalm. „Maar ik wil u iets vertellen. Op een dag ging ik naar uw kamer om een boek over archeologie te halen. Toen ik zag dat uw boekenkast vol was met geschriften over de phylloxera, den wijnbouw en de wijnbereiding.”

Cavaliere Palmeri schoof heen en weer op zijn stoel als een op heeterdaad betrapte misdadiger.

„Zwijg, zwijg!” zei hij zwak. Hij was nu meer beschaamd, dan toen hij aangeklaagd werd wegens diefstal.

Maar weer schitterde die onderdrukte schalkschheid in haar oogen.

„Ik keek eens naar de brieven, die ge verzendt,” vervolgde zij. „Ik wilde eens zien met welke geleerde mannen ge in briefwisseling waart. ’t Verwonderde mij dat de brieven altijd geadresseerd waren aan presidenten of secretarissen van landbouwvereenigingen.”

Cavaliere Palmeri was niet in staat een woord te spreken.

Donna Micaela genoot onbeschrijfelijk hem zoo machteloos te zien.

Ze keek hem vast in de oogen.

„Ik geloof niet dat Dominico reeds een ruïne weet te onderscheiden,” zei ze. „De vuile kinderen in Gela spelen elken dag met hem en geven hem waterkers te eten.

„Dominico wordt als een god in Gela vereerd, om niet te spreken van zijn— — —”

Cavaliere Palmen scheen een idee te krijgen.

„Je spoorweg!” zei hij. „Wat zei je ook weer van je spoorweg?

„Misschien kan ik toch wel morgen meegaan naar je feest.”

Donna Micaela luisterde niet naar hem. Zij haalde haar portemonnaie uit den zak.

„Hier heb ik een nagemaakte oude munt,” zei ze. „Een Demarata van nikkel. Die heb ik gekocht om aan Dominico te toonen.”

„Hoor nu eens, kind!”

Ze deed juist alsof zij zijn tegenwerpingen niet hoorde.

Nu had zij hem in haar macht. Nu was er meer noodig om haar te verzoenen.

„Eens deed ik uw ransel open om uw vondsten te bewonderen. Het eenige, dat hij bevatte, was een verdroogde wijnstok.”

Zij was louter stralende vroolijkheid.

„Maar kind!”

„Wat moet men daarvan denken? ’t Is misschien wel geen onderzoek naar geschiedkundige overblijfselen, misschien is het wel liefdadigheid, misschien ook wel boete— —”

Nu sloeg cavaliere Palmeri met de vuist op de tafel, zoodat glazen en borden rinkelden. Dit was hem te veel; een deftige, ernstige oude heer kon zoo niet met zich laten spotten.

„Zoo waar als gij mijn dochter zijt, zult ge nu zwijgen.”

„Uw dochter!” zei ze en oogenblikkelijk was haar vroolijkheid verdwenen. „Ben ik werkelijk uw dochter? De kinderen in Gela mogen Dominico streelen, maar ik— —”

„Wat meen je, Micaela? Wat wil je?”

Ze keken elkaar aan. Hun oogen vulden zich gelijktijdig met tranen.

„Ik heb niemand anders dan u!” fluisterde zij.

Cavaliere Palmeri opende onwillekeurig zijn armen. Zij stond aarzelend op, ze wist niet of zij goed zag.

„Ik weet hoe het nu gaan zal,” zei hij morrend. „Geen minuut houd ik nu voor me zelf over.”

„Om de villa te ontdekken?”

„Geef mij een kus, Micaela. Vanavond zijt ge voor de eerste maal, nadat we Catania verlaten hebben, onweerstaanbaar geweest.”

En met een heeschen, wilden kreet, die hem bijna verschrikte, vloog donna Micaela in haars vaders armen.