Derde deel.
„En hij zal vele aanhangers krijgen.”
I.
De oase in de woestijn.
In de lente van 1894 begon men den Etnaspoorweg aan te leggen, en in den herfst van 1895 was die gereed. Hij steeg op van de kust, omringde den berg in een halven cirkel, en bereikte dan de zee.
De trein vertrekt en komt elken dag, en de Mongibello ligt geboeid, maar verzet zich niet. Vreemdelingen rijden verbaasd door de zwarte, grillige lavastroomen, door de witte amandelwouden, en de donkere, oude steden der Saracenen.
„Zie eens, welk een sprookjesland!” zeggen ze.
In den trein is altijd wel iemand, die vertelt van den tijd toen het Christusbeeld nog in Diamante was. Welk een tijd, welk een tijd! Iederen dag verrichtte het beeld nieuwe wonderen. Men kan ze niet eens alle verhalen, maar hij maakte het leven in Diamante zoo blijde, dat de uren van den dag elkaar volgden als een rij lachende Horen.
Men geloofde, dat de zandlooper van den tijd gevuld was met schitterend stofgoud.
Indien iemand gevraagd had wie in dien tijd in Diamante regeerde, zou men geantwoord hebben: „het Christusbeeld.” Alles voegde zich naar zijn wil. Niemand trouwde of speelde in de loterij of bouwde een huis zonder hem om raad te vragen. En heel veel messteken werden terwille van het beeld niet uitgedeeld en menige oude veete werd bijgelegd en menig bitter woord om zijnentwil niet uitgesproken. Men moest wel goed zijn, want men merkte, dat het beeld hen bijstond, die vreedzaam en hulpvaardig waren. Hun schonk hij goede gaven, vreugde en rijkdom. Indien nu de wereld slechts was geweest, zooals zij had moeten zijn, dan was Diamante spoedig een rijke en machtige stad geweest. Maar in plaats daarvan, verwoestte het deel der wereld, dat niet aan het beeld geloofde, al zijn werk. Het baatte niet veel hoeveel geluk hij ook om zich heen verspreidde.
De belastingen werden al hooger en verslonden al den rijkdom. En dan de oorlog in Afrika. Hoe konden de menschen gelukkig zijn als hun zonen, hun geld, hun muilezels naar Afrika moesten? En de oorlog was niet voorspoedig, men leed nederlaag op nederlaag. Hoe kon men gelukkig zijn, wanneer de eer van het vaderland op het spel stond?
Sinds de spoorweg gereed was, merkte men, dat Diamante gelijk was aan een oase in een woestijn.
De oase is blootgesteld aan het stuifzand, de roovers en de wilde dieren der woestijn. Zoo ook Diamante.
De oase moest zich uitbreiden over de geheele woestijn om zich veilig te gevoelen. Diamante begon te gelooven, dat het niet gelukkig kon worden, vóórdat de gansche wereld zijn Christusbeeld aanbad.
Nu geschiedde het, dat alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had, mislukte.
Zoo verlangde donna Micaela en geheel Diamante Gaetano terug te hebben. Toen de spoorweg gereed was, trok donna Micaela naar Rome en smeekte om zijn invrijheidstelling. Men weigerde het haar.
De koning en de koningin hadden haar wel willen helpen, maar ze konden niet. Ge weet, wie toen minister in Italië was, hij regeerde met ijzeren hand. Denkt ge, dat hij den koning toestond genade te schenken aan een Siciliaanschen oproerling?
Men wenschte vurig, dat het Christusbeeld van Diamante de vereering zou ten deel vallen, die hem toekwam. Donna Micaela ging om die reden op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan.
„Heilige vader,” zei ze, „laat u verhalen wat er geschied is in Diamante op den Etna.”
En nadat ze al de wonderen van het beeld verteld had, verzocht ze, dat de paus de oude kerk San Pasquale zou laten reinigen en inwijden en priesters zou aanstellen voor den eeredienst van het Christusbeeld.
Maar evenals in het Quirinaal, kreeg donna Micaela in het Vaticaan een weigerend antwoord.
„Waarde vorstin Micaela,” zei de paus, „deze gebeurtenissen die gij verhaalt, erkent de kerk niet als wonderen. Maar toch behoeft ge niet te wanhopen.
„Indien het Christusbeeld in uw stad wil worden aangebeden, dan zal het nog een teeken geven. Het zal Ons zijn wil zoo duidelijk toonen, dat Wij niet behoeven te twijfelen. Vergeef een ouden man, mijn dochter, dat hij voorzichtig moet zijn.”
Nog een derde zaak had men in Diamante gehoopt. Men had verwacht eindelijk iets te zullen hooren van Gaetano. Donna Micaela reisde ook naar Como, waar hij gevangen zat. Zij had aanbevelingsbrieven van hooggeplaatste ambtenaren in Rome, en ze was zeker, dat ze hem spreken zou.
Maar de directeur van de gevangenis had haar naar den dokter gezonden.
Deze verbood haar met Gaetano te spreken.
„Ge wilt den gevangene zien?” zei hij. „Neen, dat kan niet. Ge zegt, dat hij u liefheeft en meent, dat ge gestorven zijt? Laat hem dat gelooven. Laat hem dat gelooven!
„Hij heeft leeren berusten, hij wordt niet meer gekweld door verlangen. Wilt ge, dat hij opnieuw zal beginnen te verlangen, als hij hoort, dat ge leeft? Wilt ge hem dan dooden? Ik wil u één ding zeggen. Indien hij weer naar het leven gaat verlangen, zal hij binnen drie maanden dood zijn.”
Donna Micaela begreep, dat zij er van moest afzien hem te spreken.
Maar welk een teleurstelling! Welk een teleurstelling!
Toen zij thuis kwam, had zij een gevoel als iemand, die zóó levendig gedroomd heeft, dat hij wanneer hij ontwaakt, zich zelf niet kan losrukken uit zijn droom.
Zij kon maar niet begrijpen, dat al haar verwachtingen vernietigd waren.
Zij betrapte zich keer op keer, dat zij dacht: „Toen ik Gaetano bevrijdde.” Maar nu had zij heelemaal geen hoop meer hem te bevrijden.
Nu eens dacht zij aan de eene, dan eens aan de andere onderneming, die zij wilde beginnen. Zou zij het moeras dempen, of zou zij marmer uit den Etna graven?
Zij kon maar geen besluit nemen.
En dezelfde lusteloosheid, die over donna Micaela gekomen was, drukte de geheele stad.
Het bleek immers dat alles wat afhankelijk was van menschen, die niet geloofden aan het Christusbeeld van Diamante, verkeerd ging en mislukte.
Zelfs de Etnaspoorweg werd verkeerd bestuurd. Voortdurend grepen er ongelukken plaats, ook waren de prijzen der biljetten te hoog.
De menschen begonnen weer gebruik te maken van omnibussen en wagens.
Donna Micaela en ook anderen dachten er aan het Christusbeeld in de wereld te voeren. Zij zouden den ongeloovigen toonen dat hij gezondheid, vreugde en geluk schonk aan allen, die vreedzaam, vlijtig en goed voor hun naasten wilden zijn.
Indien de menschen dat maar eerst begrepen, zouden ze zich wel bekeeren.
„Het beeld moest op het Kapitool staan en de wereld regeeren,” zei het volk in Diamante.
„Allen, die ons regeeren, zijn onbekwaam,” zeiden ze. „Wij willen bestuurd werden door het heilige Christuskind. Hij is machtig en weldadig. En indien hij regeerde, dan zouden de armen rijk worden, en de rijken hebben reeds genoeg. Hij weet wie het goede wil. Indien hij de macht had, dan zouden degenen, die nu geregeerd worden, zitting krijgen in de raadszaal. Hij zou over de wereld gaan met ploeg en scherpe egge, en hetgeen nu onvruchtbaar in den grond ligt, zal ontkiemen en een rijken oogst dragen.”
Doch voordat deze plannen ten uitvoer gebracht konden worden, kwam in de eerste dagen van Maart 1896 het bericht van den slag bij Adua. De Italianen waren verslagen en duizenden van hen waren gedood of gevangengenomen.
Eenige dagen later trad het ministerie in Rome af.
En de man die nu de macht in handen kreeg, vreesde den toorn en de wanhoop der Sicilianen. Om hen te verzoenen hergaf hij de vrijheid aan eenige gevangen socialisten. De vijf mannen, waarnaar het volk het meest verlangde, werden in vrijheid gesteld. Dat waren Da Felice, Bosco, Verro, Barbato en Alagona.
Ach, donna Micaela trachtte blij te zijn, toen zij dit hoorde. Ze beproefde niet te schreien.
Zij had geloofd, dat Gaetano gevangen zat, opdat het Christusbeeld de muren zijner gevangenis zou kunnen neerhalen. Deze beproeving had God hem opgelegd, opdat hij genoodzaakt zou zijn het hoofd te buigen voor het Christusbeeld en te zeggen:
„Mijn God en Meester.”
En nu had niet het beeld hem bevrijd. Hij zou een heiden blijven gelijk vóór zijn gevangenistijd.
Dezelfde gapende kloof zou tusschen hen beiden zijn. Zij trachtte verheugd te zijn. ’t Was immers reeds een groot geluk dat hij vrij was. Wat was zij en haar geluk in vergelijking daarmee!
Maar zoo ging het nu met alles wat Diamante gewenscht en gehoopt had.
II.
In Palermo.
Eindelijk, eindelijk is het één uur ’s nachts.
Degenen, die bang zijn zich te verslapen, staan op van hun bed, kleeden zich aan en gaan op straat.
En zij, die opgebleven zijn en tot nu toe over de tafeltjes in de café’s gehangen hebben, rijzen op nu zij schreden hooren op het steenen plaveisel. Ze schudden den slaap van zich en gaan naar buiten. Zij sluiten zich aan bij de spoedig aangroeiende menschenmassa, en de trage tijd begint iets vlugger te gaan.
Menschen, die elkaar slechts oppervlakkig kennen, drukken elkaar de hand met warme hartelijkheid. Dezelfde blijdschap trilt in alle harten. En menschen die anders nooit een voet op straat zetten, zijn hedennacht buiten, oude professoren, voorname edellieden en fijne dames. Allen zijn even verheugd.
„Mijn God, dat hij nu terugkomt, dat Palermo hem nu weer terugkrijgt,” zeggen ze.
De studenten, die den geheelen nacht hun lievelingsverblijf in Quattro Canti niet verlaten hebben, verschijnen nu met fakkels en gekleurde lampions.
Zij zouden die niet aansteken voor vier uur ’s morgens als de verwachte aan zal komen, maar tegen twee uur begint nu en dan eens een student te probeeren of zijn fakkel wel branden wil. Dan steken ze allen hun fakkels aan en begroeten het licht met luid gejuich.
’t Is onmogelijk in het donker te staan, als zulk een groote blijdschap in het hart vlamt.
De vreemdelingen in de hotels worden gewekt.
„Er is hedennacht feest in Palermo, o signori.”
„Ter eere van wien is er feest?” vragen de vreemdelingen.
„Ter eere van een der socialisten, dien de regeering in vrijheid gesteld heeft. Hij komt hedenmorgen met de stoomboot van Napels.”
„Wat is hij voor een man?”
„Hij heet Bosco, het volk heeft hem lief.”
En er heerscht bedrijvigheid in de gansche stad.
Een der geitenherders op den Monte Pellegrino is ijverig bezig kleine ruikertjes van bellis te binden, die zijn geiten in den halsband zullen dragen.
En daar hij honderd geiten heeft en alle halsbanden dragen.... Maar het moet. Zijn geiten kunnen zich den volgenden dag niet in Palermo vertoonen, zonder versierd te zijn ter eere van den feestdag.
De naaisters hebben tot middernacht moeten werken om alle nieuwe kleedingstukken gereed te hebben, die den volgenden dag gedragen zullen worden. En als zoo’n ijverig naaistertje klaar is met het werk voor anderen, dan mag ze aan zichzelf denken.
Ze zet een paar veeren op haar hoed en trekt de rozetten wat hooger. Heden moet zij mooi zijn!
Huis aan huis begint men te illumineeren. Hier en daar ontsteekt men vuurwerk. Knallers en sissers kronkelen zich omhoog op iederen hoek der straten.
De bloemenwinkels aan den langen Via Vittorio Emanuele zijn telkens en telkens geheel uitverkocht.
Steeds meer en meer witte oranjebloemen worden er gevraagd. Geheel Palermo is vervuld van den zoeten oranjegeur.
De portier van Bosco’s huis heeft geen oogenblik rust. Prachtige taarten en torenhooge bouquetten worden voortdurend langs de trappen opgedragen. Welkomstgedichten en telegrammen met gelukwenschen stroomen van alle kanten. Er schijnt geen einde aan te zullen komen. De arme bronzen keizer op Pazzi Bologna, de leelijke Karel de Vijfde, die mager en ellendig is als Giovanni in de woestijn, heeft op een onbegrijpelijke wijze een bloemruiker in de hand gekregen. Als de studenten, die in de nabijheid in Quattro Canti zijn, dat hooren, trekken ze in een goed geordenden optocht naar het standbeeld, verlichten hem met hun fakkels en roepen een „lang zal hij leven” voor den ouden despoot.
Een van hen ontneemt hem den ruiker om dien aan den grooten socialist te geven.
Daarna trekken de studenten naar de haven.
Lang vóórdat zij daar aankomen, zijn hun fakkels uitgebrand, maar daar bekommeren zij zich niet om. Zij hebben de armen om elkaars hals geslagen, en zingen luid. Nu en dan onderbreken zij hun gezang om te roepen: „Weg met Crispi! Leve Bosco!” Dan valt het gezang opnieuw in, maar wordt weer afgebroken, omdat zij, die niet zingen kunnen, de zangers omhelzen.
Gilden en broederschappen komen in optocht uit de stadswijken, waar hetzelfde handwerk reeds meer dan duizend jaar uitgeoefend wordt. Daar zijn de metselaars met hun zangkoor en vaandels, de mozaïekwerkers en de visschers.
Als de vereenigingen elkaar ontmoeten, groeten zij elkaar met de vaandels. Nu en dan staan ze stil om toespraken te houden. Men spreekt over de vijf socialisten, de vijf martelaars, die de regeering nu eindelijk aan Sicilië teruggeschonken heeft.
En de menschenmassa jubelt:
„Leve Bosco! Leve Da Felice! Leve Verro! Leve Barbato! Leve Alagano!”
Maar als iemand, die het rumoer der straten wil ontvluchten, naar de haven gaat, vraagt hij verbaasd:
„Waar ben ik hier? Madonna Santissima, waar ben ik gekomen?”
Want hij had gedacht, dat het nog rustig en stil zou zijn aan de haven.
Maar alle booten en sloepen in de haven van Palermo zijn in beslag genomen door verschillende vereenigingen en gezelschappen. Ze drijven in de haven, heerlijk versierd met gekleurde Venetiaansche lampions, en ieder oogenblik stijgen er van deze booten groote bundels raketten omhoog.
Over de ruw houten banken heeft men prachtige kleeden en dekens gespreid en daarop zitten de dames, de schoone dames van Palermo, gekleed in lichte zijde en donker fluweel. Kleine ranke bootjes zweven over het water, nu eens in groote groepen, dan weer elk afzonderlijk. De masten en raas der groote schepen prijken met wimpels en lampions, de kleine havenstoombootjes glijden over het water, met bloemguirlandes om de stoompijpen.
En onderwijl weerkaatst en spiegelt het water al het licht, zoodat de schijn van een lantaarn tot een heelen vuurstroom wordt, en de waterdruppels die van de roeispanen vallen, worden gelijk vloeibaar goud.
Op de kade staan honderdduizenden menschen, uitgelaten van vreugde. Ze kussen elkaar, ze juichen en zijn gelukkig.
Ze zijn hun vreugde niet meester, velen van hen weenen.
Vuur is vreugde. ’t Is goed dat men vuren ontsteekt.
Plotseling vlamt een groot vuur op den Monte Pellegrino en daarna stijgen hooge vlammen op van de geheele getakte bergketen, die de stad omringt. Het vlamt op den Monte Falcone, op San Martino, op den berg der duizenden, waarover Garibaldi trok.—
Maar op zee vaart de groote stoomboot van Napels, en op deze stoomboot bevindt zich Bosco, de socialist.
Hij kan dien nacht niet slapen. Hij loopt heen en weer op het dek. Zijn oude moeder, die naar Napels gegaan is om hem te halen, komt uit haar hut om hem gezelschap te houden. Maar hij kan nu niet met haar spreken. Spoedig zal hij weer thuis zijn. O, Palermo! Palermo!
Meer dan twee jaar heeft hij gevangen gezeten. Twee lange jaren van kwelling en verlangen. En zijn die ergens goed voor geweest? Zie, dat zou hij zoo gaarne willen weten.
Heeft het zijn zaak iets gebaat, dat hij gevangen gezeten heeft? Heeft Palermo aan hem gedacht? Heeft zijn lijden der zaak een enkelen aanhanger doen winnen?
Zijn moeder zit ineengedoken op de kajuittrap te rillen van de koude. Hij heeft het haar gevraagd, maar zij weet niets. Zij spreekt over den kleinen Francesco en de kleine Lena, hoe zij gegroeid zijn. Zij weet niets van hetgeen, waarvoor hij strijdt. Maar nu nadert hij zijn moeder, grijpt haar bij de hand en voert haar naar de verschansing. Hij vraagt haar of zij niet iets ziet daar ver in het zuiden. Zij ziet met haar droeve oogen over de zee en ziet slechts den nacht, slechts den donkeren nacht op zee. Ze ziet niet dat er een vuurwolk gloeit aan den horizon.
En hij hervat zijn wandeling en zij kruipt onder de beschermende tent. Hij behoeft niet met haar te spreken, ’t is haar reeds een geluk hem weer bij zich te hebben na een scheiding van twee lange jaren. Hij was veroordeeld tot vier en twintig jaar gevangenisstraf, en zij had niet gedacht hem ooit weer te zien. Maar de koning had hem genade verleend, de koning was een goede man. Indien hij slechts de macht had zoo goed te zijn, als hij was.
Bosco wandelt rusteloos op het dek en vraagt den matrozen of ze niet een vuurgloed daar ginds aan den horizon zien.
„Daar is Palermo,” zeggen de zeelieden. „’s Nachts zweeft er altijd zoo’n lichtschijn boven de stad.”
Het kan niets zijn, dat hem aangaat, hij wil zich zelf overtuigen, dat men niets voor zijn ontvangst doet. Hij kan toch niet verlangen, dat alle menschen opeens socialisten geworden zijn.
Maar na een tijdje denkt hij: „Er moet toch iets buitengewoons gaande zijn.” Alle matrozen verzamelen zich op het voordek.
„Palermo staat in brand,” zegt een matroos.
Ja, dat kon wel het geval zijn.—En hij lijdt vreeselijk, omdat hij verwacht, dat men iets tot zijn ontvangst zou doen. Maar nu bemerken de zeelieden de vlammende vuren op de bergen. Neen, het kan toch geen brand zijn. ’t Is zeker een heilige dag. Ze vragen elkaar welk feest heden gevierd wordt. Hij tracht ook te gelooven dat het zoo is, en vraagt zijn moeder of het een feestdag is.
Ze komen al nader bij Palermo. Het gedempte feestgeruisch van de groote stad dringt tot hen door.
„Geheel Palermo zingt en juicht vannacht,” zegt een der zeelieden.
„Er is zeker een telegram gekomen van een overwinning in Afrika,” meent een ander.
Niemand denkt er aan dat het ter eere van Bosco kan zijn. Hij gaat naar het achterdek, hij wil niets meer zien. Hij wil zichzelf niet met ijdele verwachtingen kwellen. Zou geheel Palermo illumineeren voor een armen socialist?
Nu komt zijn moeder bij hem. „Kom mee,” zegt ze. „Zie eens hoe Palermo schittert van licht, ’t moet zeker een koning zijn, die heden verwacht wordt. Kom mee om Palermo te zien.”
Hij denkt na. Neen, hij gelooft niet dat de koning Palermo heden bezoekt. Maar hij waagt het niet iets anders te denken, nu niemand, zelfs niet zijn moeder....
Opeens schreeuwen allen op de stoomboot luid. ’t Klinkt als een noodkreet. Een groot pleizierjacht stuurt recht op hen aan en glijdt nu zacht naast de stoomboot.
Het geheele jacht schijnt slechts uit bloemen en licht te bestaan. Roode en witte draperieën hangen over boord. Bosco staat op de stoomboot en vraagt zich af welke tijding deze schoone bode zal brengen. Daar slaat het zeil om en op het witte vlak schittert hem tegemoet: „Leve Bosco.” ’t Is zijn naam! Niet die van een koning of van een zegevierenden generaal! Niemand dan hem geldt deze hulde. Zijn naam, zijn naam!
Het jacht werpt eenige vuurraketten omhoog, een regen van gouden sterren valt neer.
De boot stoomt de haven binnen. Een donderend gejubel weerklinkt; de menschen weenen van blijdschap en vervoering.
Maar Bosco voelt, dat hij zulk een hulde niet verdient. Hij zou willen knielen voor deze menschen, die hem huldigen, en hen smeeken hem te vergeven, dat hij niets vermag, niets gedaan heeft voor hen allen.
Door een bizonder toeval is donna Micaela dien nacht in Palermo. Ze is daar voor een van de ondernemingen, die ze meent te moeten beginnen om het leven te kunnen uithouden. Zij is daar óf voor de marmergroeve óf voor het moeras, dat zij wil dempen.
Zij staat beneden bij de haven, zij, zooals alle anderen. Men ziet haar aan, als zij zich een weg baant naar het strand, een hooge, donkere vrouw, met een voornaam uiterlijk, een bleek gelaat met sprekende trekken en smeekende, verlangende, hartstochtelijke oogen.
Terwijl het volk jubelt en juicht, voert donna Micaela een hevigen strijd. „Indien dit nu Gaetano was,” denkt zij, kon ik dan, zou ik dan....
„Indien al deze menschen jubelen om hem, zou ik dan...”
Er heerscht zulk een vreugde in de stad, grooter dan zij ooit gezien heeft. De menschen hebben elkaar lief als broeders. En dat is niet alleen omdat een socialist thuis komt, maar omdat ze gelooven, dat de aarde spoedig gelukkig zal zijn. Indien hij nu kwam, nu deze blijdschap rondom mij opbruist, denkt zij. Kon ik dan, zou ik dan....
Ze ziet hoe het rijtuig van Bosco door de menschenmenigte tracht te dringen. Het gaat stap voor stap; langen tijd moet het stilstaan. Er zullen vele uren noodig zijn, voordat het rijtuig voorbij de haven is.
Indien hij het was, en ik zag hoe alle menschen zich om hem verdrongen, kon ik het dan laten mij in zijn armen te werpen? Kon ik...
Zoo spoedig zij uit het gedrang komen, neemt ze een wagen en rijdt door de vlakte van Conca d’oras naar de groote domkerk der Noorsche koningen te Monreale.
Ze treedt binnen en staat oog in oog met het schoonste Christusbeeld, dat menschelijke kunst geschapen heeft. Hoog op het koor zit de gezegende Christus in stralend mozaïek, machtig, mystisch en majestueus.
Ontelbaar zijn de pelgrims, die naar Monreale trekken om troost te zoeken in het aanschouwen van zijn aangezicht. Ontelbaar zijn de velen, die in verre landen naar hem smachten.
De grond trilt onder de voeten van hem die dit Christusbeeld voor de eerste maal aanschouwt. Zijn oogen dwingen den vreemdeling de knieën voor hem te buigen. Zonder dat de bezoeker het weet, stamelen zijn lippen:
„O God! Mijn God!”
Rondom op de tempelwanden stralen de wereldgebeurtenissen in de mozaïek. Die voeren de gedachten slechts tot hem; zij zijn daar slechts om te zeggen:
Het gansche verleden behoort hem, het heden is van hem en evenzoo behoort hem de geheele toekomst.
De mysteriën van leven en dood sluimeren in zijn hoofd.
Daar woont de geest, die het lot der wereld bestuurt.
Daar heerscht de liefde, die de wereld verlossen zal.
En donna Micaela roept hem aan:
„Gij, Gods zoon, verlaat mij niet! Laat geen mensch de macht hebben mij van u te scheiden!”
III.
De thuiskomst.
’t Is een wonderlijk gevoel thuis te komen. Terwijl ge nog op reis zijt, kunt ge niet denken, dat het zoo wonderlijk zal zijn.
Wanneer ge komt bij Reggio aan de straat van Messina en Sicilië uit de zee ziet opduiken als een nevelland, wordt ge haast ongeduldig.
„Is het niets anders?” zegt ge. „Dat is immers een land zooals alle andere.”
En als ge bij Messina aan land stapt, zijt ge nog steeds ongeduldig. Er moest iets gebeurd zijn, er moest iets geschied zijn, terwijl ge weg waart. Ge hadt niet dezelfde ellende, dezelfde lompen, denzelfden nood moeten terugvinden, die ge bij uw vertrek verlaten hebt. Wel ziet ge dat de lente gekomen is. De vijgeboomen dragen reeds bladeren, de wijnstokken zenden ranken uit, die in een paar uur zichtbaar groeien, en een menigte erwten en boonen liggen op de kade.
Slaat ge een blik op de heuvelen rondom de stad, dan ziet ge dat de grauwe cactusplanten, die langs de rotshellingen groeien, bedekt zijn met vuurroode bloemen, die schitteren als kleine, vurige vlammen. ’t Schijnt alsof de fichedenda’s vol vuur zijn, dat nu is uitgebroken.
Maar hoewel de cactus in vollen bloei staat, is hij nog even grauw, stoffig en met spinnewebben bedekt als altijd. En ge zegt tot u zelf, dat Sicilië gelijkt op den cactus. Hoe vele lenten er ook over het eiland gegaan zijn, het blijft toch altijd het land der grauwe armoede.
Ge kunt niet begrijpen, dat alles precies gelijk is gebleven. De Scylla en de Charybdis hadden moeten bruisen gelijk in vroeger dagen. De steenen reuzen in den Girgentitempel moesten opgestaan zijn met geboeide leden. Selinunts tempel moest verrezen zijn uit zijn puinhoopen. Heel Sicilië moest ontwaakt zijn.
Als ge nu van Messina langs de kust reist, zijt ge nog steeds ongeduldig. Ge ziet, dat de boeren nog steeds het land bewerken met houten ploegen en dat hun paarden er nog even mager, ellendig en uitgehongerd uitzien, als vóór uw vertrek.
Ja, alles is precies gelijk gebleven. De zonneschijn valt neer op de aarde als een regen van kleuren, de pelagonia’s bloeien aan den wegkant, de zee ligt zacht blauw en streelt het strand.
Woeste bergen met hooge kruinen verheffen zich langs de kust. Het hooggebergte van den Etna verrijst aan den horizon. Plotseling bemerkt ge, dat er iets wonderbaarlijks geschied is. Ge zijt niet meer ongeduldig, integendeel, ge verheugt u over de bloeiende velden, de bergen en de blauwe zee.
Ge wordt teruggevoerd tot de schoone aarde als een van haar verloren bezittingen. Ge hebt geen tijd aan iets anders dan aan haar te denken. Eindelijk komt ge in de nabijheid van uw echt thuis, waar ge uw kindsheid hebt doorgebracht.
Hoe hebt ge zulke goddelooze gedachten kunnen hebben, terwijl ge weg waart? Dit arme thuis wildet ge nooit weerzien omdat ge daar te veel geleden hebt?—
Dan aanschouwt ge opeens de oude bergstad op eenigen afstand, en die ziet er vroolijk lachend uit en voelt zich volkomen onschuldig.
„Kom, heb mij opnieuw lief,” zegt ze.
En ge kunt niet anders dan gelukkig en dankbaar zijn, omdat ze uw liefde wil aannemen.
O, als ge nu komt op den zigzagweg, die naar de stadspoort voert! De schaduw van een olijfboom valt over u. Wil hij u liefkoozen? Een kleine hagedis komt te voorschijn op een muur. Ge moet staan blijven om naar haar te kijken. Kan zij niet een oude kennis zijn, die u goedendag wil zeggen?
Plotseling wordt ge angstig. Uw hart begint te kloppen en te hameren. Ge herinnert u, dat ge niet weet wat ge zult hooren, als ge thuis komt. Geen brief hebt ge geschreven, niemand hebt ge ontvangen. Alles wat u aan uw thuis kon herinneren, hebt ge van u gewezen. Dat was het verstandigste nu ge toch nooit weer thuis zoudt komen. En tot dit oogenblik was alles wat uw huis betrof, dood voor u.
Maar nu weet ge niet, hoe ge het leven zult kunnen uithouden indien er thuis iets veranderd is. ’t Zal u zulk een groot verdriet veroorzaken, indien de Monte Chiaro slechts één palm verloren heeft, indien er slechts één enkele steen losgeraakt is uit den stadsmuur.
Zou de groote agave nog op het vooruitspringende rotsblok staan? Neen, de agave is er niet meer, die is omvergehakt. En de steenen bank aan den weg is gebroken. Die bank zult ge missen, het was altijd zulk een heerlijk rustpunt. En zie, op het groene veld onder den amandelboom is een schuur gebouwd. Nu kunt ge u nooit meer uitstrekken op dat bloeiende klaverveld.
Ge wordt angstig bij elke schrede. Wat zult ge nu zien? Zoo ontroerd zijt ge, dat ge voelt dat ge in tranen zoudt uitbarsten, indien ge slechts hoordet, dat er een der oude bedelaarsters gestorven is, terwijl ge afwezig waart.
Neen, ge wist niet dat het zoo wonderlijk is, thuis te komen. Ge kwaamt eenige weken geleden uit de gevangenis, en de lusteloosheid der gevangenis lag nog over u. Ge wist nauwelijks of ge wel naar huis zoudt reizen. De geliefde was dood, ’t was al te vreeselijk de oude wonde opnieuw open te rijten. Zoo liept ge lusteloos rond, maar eindelijk vermandet gij u. Gij moest toch naar uw oude, arme moeder. En nu ge daar gaat, voelt ge, dat ge hebt verlangd naar elken steen, iederen grashalm.
Dadelijk nadat Gaetano in den winkel kwam, heeft donna Elisa zich voorgenomen: „Nu zal ik met hem spreken over Micaela. Misschien weet hij nog niet eens dat zij leeft.” Maar zij stelt dat minuut na minuut uit, niet alleen omdat zij hem een tijdje voor zich alleen wil houden, maar ook omdat hij, zoodra hij Micaela’s naam hoort, liefdesmart en pijn zal gevoelen. Want Micaela wil niet met hem trouwen, dat heeft ze donna Elisa duizenden malen gezegd.
Zij wil hem bevrijden uit de gevangenis, maar ze wil niet de vrouw van een vrijdenker worden.
Slechts een half uur wil donna Elisa Gaetano voor zich zelf behouden, slechts een enkel half uurtje.
Maar zoo lang zal zij zeker niet kunnen zitten met zijn hand in de hare en hem duizenden vragen doen, want het volk heeft zijn komst reeds vernomen. Opeens staat de straat vol menschen, die hem allen willen zien. Donna Elisa heeft den grendel voor de winkeldeur geschoven, want zij wist immers, dat zij geen oogenblik rust zou hebben, zoodra men Gaetano ontdekt heeft. Maar het baat haar heel weinig.
De menschen kloppen op de ramen en rammelen aan de deur.
„Don Gaetano,” roepen ze. „Don Gaetano!”
Gaetano verschijnt lachend op de trap. Ze zwaaien met hun mutsen en roepen luid hoera. Hij ijlt tusschen de menschenmenigte en omhelst den een na den ander. Maar dat is niet alles wat ze verlangen. Hij moet op de trap een toespraak tot hen houden; hij moet hun vertellen hoe hard de regeering voor hem geweest is en hoe hij geleden heeft in de gevangenis.
Gaetano lacht nog steeds en gaat op de trap staan.
„De gevangenis,” zegt hij, „wat zal ik u daarvan vertellen? Ik heb elken dag mijn soep gehad, elken middag, dat is meer dan velen van u kunnen zeggen.”
De kleine Gandolfo zwaait zijn muts en roept:
„Nu zijn er heel wat meer socialisten in Diamante, dan toen ge weggingt, don Gaetano.”
„Hoe zou dat anders kunnen zijn,” lachte hij. „Alle menschen moeten socialist worden. Is het socialisme dan iets gevaarlijks, iets afschuwelijks? Het socialisme is een idylle. ’t Is een idylle van een eigen thuis, van gezegenden arbeid, zooals iedere mensch dat droomt in zijn jeugd. Een heele aarde vervuld van....”
Hier zwijgt hij plotseling. Toevallig heeft hij een blik geworpen op het zomerpaleis. Daar staat donna Micaela op een der balkons en kijkt naar hem.
Hij denkt geen oogenblik, dat zij een visioen of een spookverschijning is. Hij ziet dadelijk dat zij leeft. Maar juist daarom.... Of het nu ook kwam omdat de gevangenistijd zijn krachten verzwakt heeft, en hij zich nu niet beheerschen kan.... hij voelt dat hij zich niet staande kan houden. Hij grijpt met de handen in de lucht, tracht tegen den deurpost te leunen, maar ’t helpt niets. Zijn beenen dragen hem niet langer, hij valt van de trap en slaat met een harden bons zijn hoofd tegen de steenen.
Hij ligt daar als voor dood.
Ze vliegen allen op hem af, dragen hem naar binnen, ijlen naar een dokter, spreken allen tegelijk en slaan duizenden middeltjes voor om hem te helpen.
Donna Elisa en Pacifica krijgen hem eindelijk in een der slaapkamers. Luca jaagt de menschen uit het huis, en stelt zich op wacht voor de gesloten deur. Donna Micaela, die met de anderen naar binnen gekomen is, neemt hij het eerst van allen bij de hand en brengt haar buiten de deur. Zij vooral mag niet binnen blijven. Luca heeft zelf gezien hoe Gaetano als door den bliksem getroffen neerstortte, toen hij haar zag.
De dokter doet alle mogelijke moeite om Gaetano weer tot het leven te roepen. Maar dat gelukt hem niet, Gaetano ligt daar als versteend. De dokter meent dat hij in een gevaarlijken toestand is, hij weet niet of hij hem nog kan redden. De bezwijming op zich zelf beteekent immers niets, maar de slag op de harde steenen....
Binnenshuis heerscht groote drukte, maar de arme buitengeslotenen kunnen niets anders doen dan wachten en wachten.
Ze staan den geheelen dag voor donna Elisa’s deur. Daar staan donna Emilia en donna Concetta, vroeger bestond er niet veel vriendschap tusschen haar beiden, maar heden staan ze naast elkaar te treuren.
Vele angstige oogen turen door het winkelraam van donna Elisa’s huis. De kleine Gandolfo en de oude Assunta van de domtrap en de arme stoelmatter staan daar den heelen namiddag zonder een oogenblik rust te nemen. ’t Is vreeselijk, dat Gaetano zal sterven, nu zij hem juist weer terug hebben gekregen.
De blinden staan daar te wachten alsof ze hopen, dat hij hun het gezicht terug zal geven, en arme menschen, zoowel van Geraci als van Corvaja, wachten in angstige spanning hoe het met hun jongen Heer, den laatsten Alagona, zal afloopen.
Hij had hen allen lief, en hij had zulk een groote macht en kracht, indien hij slechts in het leven bleef....
„God heeft zijn hand van Sicilië genomen,” zeggen ze. „Allen, die het volk willen helpen, laat hij sterven.”
Den geheelen namiddag, den avond tot middernacht staan de menschen voor donna Elisa’s huis.
Precies klokslag twaalf verschijnt donna Elisa in de winkeldeur, en daalt van de trap.
„Is hij gered?” roepen ze allen.
„Neen, zijn toestand is nog hetzelfde.”
Allen zwijgen, eindelijk vraagt een bevende stem:
„Is het erger?”
„Neen, neen, het is niet erger. Zijn toestand is hetzelfde, de dokter is bij hem.”
Donna Elisa heeft een zwarte sjaal over het hoofd geworpen, ze draagt een lantaarn in de hand. Zij gaat op straat, waar de menschen dicht op elkaar gedrongen staan en liggen.
„Is Gandolfo hier?” vraagt ze.
„Ja, donna Elisa.” Gandolfo komt te voorschijn.
„Ga met mij mede om je kerk voor me te ontsluiten.” Allen die donna Elisa’s woorden verstaan hebben, begrijpen dat ze wil gaan bidden in San Pasquale om het Christusbeeld te smeeken voor Gaetano’s leven. Ze staan allen op en willen met haar gaan.
Donna Elisa is zeer getroffen door dit medelijden, ze heeft een gevoel alsof haar hart grooter wordt.
„Ik zal u iets vertellen,” zegt ze met bevende stem.
„Ik heb gedroomd. Ik weet niet hoe het kwam, dat ik opeens in slaap viel, maar terwijl ik zoo bedroefd bij Gaetano’s bed zat, sliep ik in. Nauweljks had ik mijn oogen gesloten, of ik zag het Christusbeeld met zijn kroon en gouden schoentjes, zooals hij in San Pasquale’s kerk staat. En hij zei tot mij: „Maak de arme vrouw, die in mijn kerk ligt te bidden, tot de echtgenoote van uw zoon, dan zal hij genezen.”
„Nadat hij dit gezegd had, ontwaakte ik, en toen ik mijn oogen opsloeg, was het mij alsof ik het Christusbeeld door den muur zag verdwijnen. En nu moet ik naar de kerk om te zien of er een vrouw is.
„Maar gij hoort allen, dat ik heilig beloof, dat indien er eenige vrouw in San Pasquale is, ik doen zal wat het beeld mij bevolen heeft. En indien het ook het armste meisje van de straat is, ik zal haar als mijn dochter beschouwen en haar maken tot mijn zoons echtgenoote.”
Als donna Elisa dit gezegd heeft, gaat ze door allen gevolgd naar Pasquale. Alle arme menschen zijn in gespannen verwachting. Ze kunnen zich nauwelijks bedwingen om donna Elisa niet voorbij te snellen om te zien of er ook iemand in de kerk is.
Denk eens, indien het een zigeunerin was, die daar vannacht beschutting zocht. Wie anders kan ’s nachts in de kerk zijn dan een arme verlaten stakker?
’t Is een vreeselijke gelofte, die donna Elisa gedaan heeft.
Eindelijk hebben ze de Porta Etnea bereikt en nu gaat het vlug heuvelafwaarts.
Maar zie, de kerkdeur staat open. Er is dus werkelijk iemand. De lantaarn trilt in donna Elisa’s hand.
Gandolfo wil die voor haar dragen, maar zij behoudt die.
„In Godsnaam, in Godsnaam,” mompelt zij, terwijl zij de kerk binnentreedt.
Het volk dringt om binnen te komen. Men drukt elkaar bijna dood, maar van spanning zwijgen allen. Niemand zegt een woord. Allen staren naar het hoogaltaar. Is daar iemand? Is daar iemand? De kleine lamp boven het beeld werpt slechts een zeer zwakken lichtschijn. Is er iemand?
Ja, er is iemand. Er ligt een vrouw voor het altaar geknield. Zij bidt en heeft het hoofd zoo diep gebogen, dat men niet kan zien, wie zij is.
Nu zij schreden achter zich hoort, richt zij den langen gebogen hals op, en ziet om. ’t Is donna Micaela.
In het eerste oogenblik is zij verschrikt en ziet er uit als wilde ze vluchten. Donna Elisa is ook verschrikt, ze zien elkaar aan, alsof ze elkaar nooit tevoren gezien hebben.
Maar nu zegt donna Micaela heel zacht:
„Ge komt om voor hem te bidden, schoonzuster,” en ze schuift een weinig ter zijde, opdat donna Elisa voor het beeld zal kunnen knielen.
Donna Elisa’s hand beeft zoo, dat ze de lantaarn op den grond moet zetten, haar stem is heesch, als zij vraagt:
„Is niemand anders dan gij hier vannacht geweest, Micaela?”
„Neen, niemand anders.”
Donna Elisa moet tegen het altaar leunen om niet te vallen, donna Micaela ziet dat. Zij is dadelijk bij haar en legt den arm om haar middel.
„Ga zitten, ga zitten!” en donna Micaela knielt neer.
„Is het zoo slecht met hem? Wij zullen voor hem bidden.”
„Micaela,” zegt Elisa, „ik dacht dat ik hier geholpen zou worden.”
„Ja zeker, dat zult ge ook.”
„Ik droomde, dat het beeld tot mij kwam, en mij beval hier heen te gaan.”
„Hij heeft ons reeds zoo vele malen geholpen.”
„Maar hij zei tot mij: Maak de arme vrouw, die voor mijn altaar ligt, tot de echtgenoote van uwen zoon, dan zal hij genezen.”
„Wat zei hij?”
„Ik zou de vrouw, die hier bad, tot mijn zoons echtgenoote maken.”
„En dat wildet ge? Gij wist immers niet wie gij hier zoudt vinden?”
„Onderweg deed ik de belofte—en zij die mij volgden, hebben het gehoord—dat wie het ook zou zijn, ik haar in mijn armen zou nemen en naar mijn huis zou voeren. Ik dacht dat God een arme vrouw wilde helpen.”
„Ja, dat is zeker ook het geval.”
„Ik was zoo bedroefd toen ik zag, dat niemand anders hier was dan gij.”
Donna Micaela geeft geen antwoord, ze ziet slechts naar het beeld. „Wilt ge dat? Wilt ge dat?” vraagt ze ontroerd.
Donna Elisa gaat door met klagen. „Ik zag hem zoo duidelijk, en hij heeft ons nog nooit bedrogen. Ik dacht dat een arm meisje, dat geen thuis had, om een man gesmeekt had.
„Zoo iets is wel eens vroeger voorgekomen. Wat zal ik nu doen?”
Zij klaagt en jammert, en zij kan de gedachte maar niet uit haar hoofd zetten, dat het een arme vrouw moet zijn.
Op ’t laatst wordt donna Micaela ongeduldig.
Zij grijpt haar bij den arm en schudt dien. „Maar donna Elisa, donna Elisa.”
Donna Elisa hoort haar niet; ze jammert maar steeds.
„Wat zal ik doen, wat zal ik doen?”
„Maar maak dan de arme vrouw, die hier ligt, tot de echtgenoote van uw zoon, donna Elisa!”
Donna Elisa ziet op en aanschouwt een bekoorlijk stralend gelaat!
Maar slechts een oogenblik, want donna Micaela verbergt het haastig aan donna Elisa’s schouder.
Donna Elisa en donna Micaela gaan te zamen terug naar de stad. De straat kronkelt zich zoo, dat ze donna Elisa’s huis niet kunnen zien, vóórdat zij er heel dicht bij zijn. Als zij het eindelijk in het gezicht krijgen, zien ze dat de winkelramen verlicht zijn. Vier groote waskaarsen branden achter de trossen rozenkransen.
De twee vrouwen drukken elkaar de hand. „Hij leeft, hij leeft,” fluisteren zij.
„Ge moogt hem niets zeggen van hetgeen het beeld u bevolen heeft,” zegt donna Micaela.
Voor den winkel omhelzen zij elkaar en gaan elk naar haar huis. Na een tijdje verschijnt Gaetano op de winkeltrap. Een oogenblik staat hij stil, terwijl hij de frissche nachtlucht inademt. Dan ziet hij, dat er nog licht brandt in het zomerpaleis aan de overzij van de straat.
Gaetano ademt diep en heftig, hij schijnt haast bevreesd om verder te gaan. Plotseling ijlt hij weg als iemand, die een onafweerbaar ongeluk tegemoet gaat.
De poort van het zomerpaleis is niet gesloten, hij springt de trap op en rukt de deur der muziekzaal open zonder aan te kloppen.
Donna Micaela zit te denken of hij nog hedennacht zal komen of wachten zal tot den volgenden morgen.
Dan hoort zij schreden op de galerij.
Een angstig gevoel grijpt haar aan. Hoe zal hij nu zijn? Zij heeft zoo ongelooflijk naar hem verlangd. Zal hij nu werkelijk zoo zijn, dat eindelijk al haar verlangen bevredigd wordt?
En zullen er geen nieuwe muren tusschen hen oprijzen? Zullen ze elkaar één keer alles kunnen zeggen? Zullen ze nu over liefde of over socialisme spreken?
Als hij de deur openrukt, tracht ze hem tegemoet te gaan, maar zij kan niet. Heel haar lichaam trilt, ze gaat zitten en bedekt haar oogen met de handen. Zij verwacht dat hij haar in zijn armen zal sluiten en haar kussen zal. Maar dat doet hij stellig niet. Gaetano pleegt niet te doen, wat men van hem verwacht.
Zoodra hij uit zijn bezwijming ontwaakte, heeft hij zich in de kleeren geworpen om naar haar te gaan. Hij is eigenlijk uitgelaten vroolijk, hij zou willen, dat ook zij het zoo licht opnam. Hij wil niet ontroerd zijn. Hij kan nu geen aandoening verdragen, ’s voormiddags is hij toch ook in onmacht gevallen. Hij staat stil naast haar tot zij haar kalmte herwonnen heeft.
„Gij hebt geen sterke zenuwen,” zegt hij.
Dat is alles wat hij zegt.
Zij en donna Elisa en alle menschen in Diamante zijn overtuigd, dat hij gekomen is om haar in zijn armen te sluiten en haar te zeggen, dat hij haar liefheeft.
Maar juist daarom is het Gaetano onmogelijk. Sommige menschen hebben een oppositiegeest, ze kunnen nooit doen, wat men verwacht, dat zij zullen doen.
Gaetano begint haar van zijn reis te vertellen. Hij spreekt niet eens over het socialisme. Hij spreekt van den trein, den conducteur en het eigenaardige reisgezelschap.
Donna Micaela ziet hem aan, haar oogen beginnen al inniger te smeeken. Gaetano schijnt blij en gelukkig te zijn haar te zien. Maar waarom kan hij niet zeggen, wat hij moet zeggen?
„Hebt ge met den Etnaspoorweg gereisd?” vraagt zij.
„Ja,” antwoordt hij en begint kalm uit te weiden over het nut en de schoonheid van dezen nieuwen spoorweg. Hij weet in het geheel niet hoe die tot stand is gekomen.
Gaetano zegt tot zich zelf dat hij een barbaar is. Waarom zegt hij haar niet de woorden waarnaar zij smacht? Maar waarom zit zij daar ook zoo onderdanig?
Waarom toont zij, dat hij slechts zijn hand behoeft uit te strekken om haar te nemen?
Hij is jubelend, stralend gelukkig weer in haar nabijheid te zijn, maar zij is hem zoo zeker, zoo zeker.—’t Is zoo aardig haar een weinig te plagen.
Het volk staat nog op straat, en alle menschen voelen zich verheugd alsof ze een dochter uithuwelijken.
Zij hebben slechts geduld gehad om Gaetano tijd te geven zich te verklaren.
Maar nu moet hij dat zeker wel gedaan hebben.
En zij beginnen te roepen:
„Leve Gaetano! Leve Micaela!”
Donna Micaela ziet met een onbeschrijflijk gepijnigden blik op. Hij moet toch begrijpen, dat zij daaraan geen schuld heeft. Zij gaat naar de galerij en zendt Lucia naar beneden met het verzoek of zij daarbuiten stil willen zijn.
Als zij weer in de kamer komt, is Gaetano opgestaan. Hij reikt haar de hand, hij wil gaan.
Donna Micaela geeft hem de hand zonder bijna te weten wat zij doet. Maar plotseling trekt zij haar hand terug.
„Neen, neen!” zegt zij.
Hij wil gaan en wie weet of hij morgen terugkomt. En zij heeft niet met hem gesproken, ze heeft geen woord gezegd van hetgeen haar op het hart ligt.
Het behoefde tusschen hen niet te zijn als tusschen gewone verliefden. Hij had immers haar leven het leven gegeven, gedurende zoovele jaren. Of hij haar nu sprak van liefde of niet, dat was haar onverschillig. Zij wilde hem zeggen wat hij voor haar geweest was.
En juist nu. Men moet den tijd gebruiken waar het Gaetano geldt. Zij waagt het niet hem te laten gaan.
„Ge moogt nog niet vertrekken,” zegt zij. „Ik moet u iets zeggen.” Zij zet een stoel voor hem gereed, zelf neemt zij iets achter hem plaats. Zijn oogen stralen al te vroolijk hedenavond, die doen haar pijn. Dan begint zij te spreken. De groote, verborgen schatten van haar leven legt zij voor hem bloot. Dat waren al de woorden, die hij tot haar gesproken heeft, al de droomen, die hij haar heeft doen droomen. Zij heeft niets verloren. Alles heeft zij gespaard en verzameld; het is de gansche rijkdom van haar arm leven geweest.
In het begin spreekt zij haastig, alsof zij een les opzegt. Zij is bang voor hem; zij weet niet of het hem aangenaam is dat ze spreekt. Dan waagt ze het hem aan te zien. Nu is hij ernstig, nu is hij in het geheel niet vroolijk meer.
Hij zit stil te luisteren alsof hij geen lettergreep wil verloren laten gaan. Zoo straks was zijn gelaat ziekelijk aschgrauw, maar nu verandert het plotseling. Zijn aangezicht begint te schitteren als van een zalige.
Zij vertelt en vertelt. Zij ziet aan hem, dat ook zij nu schoon is. Hoe zou het ook anders kunnen zijn. Eindelijk, eindelijk kan zij hem alles zeggen.
Ze mag hem zeggen, hoe de liefde tot haar kwam en haar sedert nooit weer verliet. Eindelijk mag zij hem zeggen, wat hij voor haar geweest is.
Woorden kunnen het niet genoeg uitdrukken. Ze grijpt zijn hand en kust die.
Hij laat dat geschieden zonder zich te verroeren. De kleur van zijn gelaat wordt niet hooger, maar doorschijnender, klaarder. Zij moet aan Gandolfo denken, die zei, dat Gaetano’s gezicht zoo bleek werd, dat het lichtte.
Hij valt haar niet in de rede. Zij vertelt hem van den spoorweg, verhaalt van de wonderen van het Christusbeeld. Nu en dan ziet hij haar aan. Zijn oogen stralen haar tegemoet. Hij lacht haar volstrekt niet uit.
Zij zou gaarne willen weten wat hij nu denkt. Hij ziet er uit, alsof hetgeen zij hem vertelt niet veel nieuws voor hem is. Hij schijnt alles reeds te weten wat zij zegt.
Kwam het misschien, omdat de liefde, die hij voor haar gevoelt, juist zoo is als haar liefde voor hem? Wekte die in hem ook het edelste, dat in zijn ziel sluimerde? Was die ook de verheffende kracht van zijn leven geweest? Had die vleugels gegeven aan zijn kunstenaarsziel? Had die hem de armen en onderdrukten doen liefhebben? Bezielt die liefde hem, zoodat hij voelt dat hij een kunstenaar, een apostel is, en niets te hoog is voor hem?
Daar hij nog steeds zwijgt, denkt zij, dat hij zich misschien niet wil binden aan haar. Hij heeft haar lief, maar hij wil misschien een vrij man blijven. Hij meent misschien, dat zij niet past voor de vrouw van een socialist.
Haar bloed begint te koken. Zij denkt, dat hij misschien meent, dat zij bedelt om zijn liefde.
Zij heeft hem bijna alles verhaald, wat gebeurd is in den tijd, dat hij afwezig was. Nu breekt zij plotseling haar verhaal af.
„Ik heb je liefgehad,” zegt zij. „Ik zal je altijd liefhebben en ik zou gewenscht hebben, dat je mij nog éénmaal zeidet, dat je mij liefhebt. Dan zou de scheiding gemakkelijker te dragen zijn.”
„Werkelijk?” zegt hij.
„Kan ik ooit je vrouw worden?” zegt ze; haar stem beeft van smart. „Ik vrees niet meer zooals vroeger je leer, ik ben niet meer bang voor je armen; ook ik wil de aarde herscheppen zooals gij. Maar ik ben een geloovige. Hoe zou ik met je kunnen leven als je daarin niet gelijk met mij denkt? Of zou je mij tot ongeloof willen verleiden? Dan zou de wereld dood voor mij zijn. Alles zou doel en beteekenis voor mij verloren hebben. Ik zou een rampzalig, ellendig mensch zijn. We moeten scheiden.”
„Werkelijk?” Zijn oogen beginnen te schitteren van ongeduld.
„Nu moet je gaan,” zegt ze stil. „Ik heb je alles verteld, wat ik zeggen wilde. Ik zou gewenscht hebben, dat je mij iets te zeggen hadt gehad. Maar misschien is het zoo beter voor ons beiden. We moeten de scheiding niet zwaarder maken, dan zij reeds is.”
Gaetano’s eene hand grijpt hard om haar handen, met de andere houdt hij haar hoofd vast, zoo kust hij haar.
Was zij waanzinnig, dat zij kon denken, dat hij door iets, iets ter wereld zich van haar zou laten scheiden?
VI.
Slechts van deze wereld.
Toen zij opgroeide, zeiden alle menschen van haar: „Zij wordt een heilige, zij wordt stellig een heilige.”
Haar naam was Margherita Cornado. Zij woonde in Girgenti, dat aan de Zuidkust van Sicilië in het groote mijndistrict ligt.
Toen zij nog een kind was, werkte haar vader in de mijnen, later kreeg hij een kleine erfenis, zoodat hij niet meer behoefde te werken. Er was een klein, smal, armoedig dakterras op het huis van Margherita Cornado in Girgenti. Een steile, smalle trap leidde daarheen, en men moest door een lage deuropening kruipen om op het terras te komen.
Was men daar, dan zag men niet alleen een menigte daken, maar ook de lucht boven de stad, die doorpriemd was met de talrijke torens en spitse gevels der kerken. En iedere gevel en elke toren was een trillend kantwerk van beelden, loggia’s en sierlijke baldakijns.
Achter de stad zag men een groote vlakte, die neerdaalde tot de zee, en daaromheen een halven cirkel van bergen, die de vlakte bewaakten.
De vlakte glansde gloeiend rood, de zee email blauw en de berghelling goudgeel. Het geheel deed denken aan den kleurengloed en de pracht van het Oosten.
Maar men zag nog veel meer dan dit. Oude tempels lagen verstrooid over het dal. Ruïnes en merkwaardige oude torens schitterden in den zonneschijn. ’t Was een heele sprookjeswereld.
Toen Margherita Cornado opgroeide, placht zij het grootste gedeelte van den dag hier door te brengen. Maar zij keek niet naar het heerlijke landschap. Haar geest was door iets anders in beslag genomen.
Haar vader had haar verteld van het leven in de zwavelmijnen, waar hij gewerkt had. Terwijl Margherita Cornado daar op het frissche terras zat, vertoefde ze in gedachten steeds in de donkere, benauwde mijngangen.
Zij kon niet nalaten aan al de ellende te denken, die in de mijnen heerschte. Vooral moest zij aan de kinderen denken, die het erts uit de mijnen aansleepten.
„De kleine wagens” noemde men hen. Dat woord bleef steeds in haar geheugen haken.
Arme, arme wagentjes! kleine mijnwagentjes!
Zij kwamen ’s morgens vroeg bij de mijn, en volgden dan elk hun arbeider in de groeve. Zoodra hij erts genoeg uitgehakt had, belastte hij zijn „wagentje” met een mand vol erts en dan begonnen dezen op te stijgen. Verscheidenen van hen ontmoetten elkaar onderweg en vormden dan een langen optocht. Ze begonnen dan te zingen:
De tocht is gedaan met pijn en nood,
Met den twintigsten ben ik misschien reeds dood.
Als zij eindelijk in het daglicht kwamen, ledigden zij hun manden met erts en wierpen zich op den grond om een oogenblik uit te rusten. De meeste knapen sleepten zich dan naar de zwavelhoudende waterpoelen, die dicht bij de mijnschacht waren en dronken van het stinkende water.
Maar spoedig moesten ze weer naar beneden en ze verzamelden zich bij de schacht. En terwijl ze naar beneden klauterden, riepen ze:
„Mijn God, mijn God, erbarm u onzer! erbarm u onzer!”
En elken keer, dat de wagentjes boven kwamen, werd hun gezang klagender. Ze snikten en schreiden, terwijl ze opstegen uit de mijn.
De wagentjes baadden in zweet, de zware manden groeven diepe wonden in hun schouders.
Terwijl ze op en neer gingen zongen ze:
Zeven tochten gedaan in pijn en nood,
’t Leven is erger dan de dood.
Gedurende heel haar jeugd had Margherita Cornado medelijden gevoeld met deze ongelukkige kinderen.
En juist omdat zij altijd aan hun rampzalig lot dacht, geloofde men dat zij een heilige zou worden.
Ze vergat hen ook niet, toen zij ouder werd. Zoodra zij volwassen was, ging zij naar Grotte, waar de meeste mijnen zijn, en als dan de wagentjes in het daglicht kwamen, verkwikte zij hen bij de schacht met helder, zuiver water. Zij droogde het zweet van hun gelaat, zij verbond de wonden aan hun schouders.
’t Was niet veel, wat zij voor hen doen kon, maar toch geloofden de wagentjes, dat zij het leven niet meer konden dragen, indien Margherita Cornado niet kwam om hen te troosten.
Maar ongelukkig voor de wagentjes, was Margherita zeer schoon. Eens zag een der mijningenieurs haar, terwijl zij hen troostte, en hij kreeg haar dadelijk zeer lief. Een paar weken later kwam Margherita Cornado in het geheel niet meer bij de mijnen in Grotte. Zij zat thuis in Girgenti aan haar uitzet te naaien. Ze zou trouwen met den mijningenieur. Zij zou een goede partij doen en verwant worden aan de eersten der stad. Nu kon zij zich immers niet meer bekommeren om de wagentjes.
Een paar dagen voor de bruiloft kwam de oude bedelaarster Santuzza, die Margherita’s peettante was, bij haar en verlangde haar te spreken. Ze begaven zich naar het dakterras om ongestoord te kunnen zijn.
„Margherita,” zei de oude vrouw, „gij leeft in zulk een glans en heerlijkheid, dat het misschien weinig baat nu tot u te spreken over degenen, die in nood en kommer leven. Die allen hebt ge geheel vergeten.”
Margherita berispte haar, omdat zij zoo kon spreken.
„Ik breng u de groeten van mijn zoon Orestes. Het gaat hem slecht, hij heeft uw raad noodig.”
„Ge weet dat ge vrij tot mij kunt spreken, Santuzza,” zei het meisje.
„Orestes werkt niet langer in de mijnen van Grotte, hij is vertrokken naar Racalmuto, en hij heeft het daar zeer slecht.
„Niet omdat het loon zoo karig is, maar omdat de ingenieur zoo hard is, dat hij de arme menschen tot hun laatsten bloeddruppel pijnigt.”
Santuzza verhaalde nu hoe de ingenieur de arbeiders plaagde. Hij berekende hun arbeidstijd te kort, hij liet hen boete betalen, als zij een dag verzuimden. Hij bestuurde de mijnen niet goed. Instorting op instorting vond plaats. Niemand was zeker van zijn leven zoolang hij onder den grond was.
Margherita, Orestes had een zoon. Een heerlijken knaap, die onlangs tien jaar geworden is. Toen kwam de ingenieur op een dag bij Orestes en wilde den knaap van hem koopen om hem bij de wagentjes te plaatsen.
Maar Orestes wilde niet. Zijn zoontje zou niet vermoord worden door zulk een bovenmatigen arbeid.
Toen dreigde de ingenieur hem, dat hij van de mijn gejaagd zou worden.
Santuzza maakte een pauze.
„En toen?” vroeg Margherita.
„Ja, toen stond Orestes zijn zoon af aan den ingenieur.
„Den volgenden dag sloeg deze den knaap, hij sloeg hem bijna elken dag. De knaap werd al zwakker en zwakker. Orestes smeekte den ingenieur den knaap te sparen, maar hij had geen erbarmen. Hij zei dat de kleine lui was, en hij bleef den knaap vervolgen.—En nu is hij dood. Mijn kleinzoon is dood, Margherita.”
Het meisje had opeens haar gansche geluk vergeten. Opnieuw was zij slechts de dochter van den mijnwerker, de schutspatrones der wagentjes; het arme meisje, dat op het lichte terras placht te weenen over de ellende in de zwarte mijnen.
„Waarom laat men dien man leven?” riep zij uit.
Santuzza keek haar uitvorschend aan. Toen haalde zij een mes uit haar zak.
„Dit zendt Orestes u met duizend vragen,” zei ze.
Margherita Cornado nam het mes, kuste de kling en gaf het terug zonder een woord te spreken.
De avond voor de bruiloft brak aan. De ouders van den bruidegom wachtten op hun zoon. Tegen zonsondergang zou hij uit de mijnen komen. Maar hij kwam niet. Laat in den nacht zonden ze een knecht uit om naar hem te zoeken. Deze vond hem een mijl van Girgenti. Hij lag vermoord aan den wegkant.
Men zocht ijverig naar den moordenaar. Alle mijnwerkers moesten een streng verhoor ondergaan, maar de schuldige werd niet ontdekt.
Geen getuige gaf zich aan, niemand wilde een kameraad verraden. Toen klaagde Margherita Cornado den zoon van haar peetmoeder, Orestes, aan als den moordenaar van haar bruidegom.
Dit deed zij hoewel zij wist, dat haar bruidegom schuldig was aan alles, waarvan Santuzza hem aangeklaagd had. Dit deed zij hoewel zij zelf zijn vonnis geveld had door het mes te kussen.
Maar nauwelijks had zij Orestes aangeklaagd, of ze werd door een hevig berouw aangegrepen, gewetenswroeging verteerde haar.
In een ander land dan Sicilië zou hetgeen zij gedaan had, niet als een misdaad gerekend worden.
Een Siciliaan echter sterft liever dan dat hij als aanklager optreedt.
Margherita Cornado had geen rust, dag noch nacht. In haar hart was een voortdurende, verterende angst, een eeuwige rampzaligheid vervulde haar. Zij werd niet streng veroordeeld, omdat men wist, dat ze den vermoorden had liefgehad en vond, dat Santuzza te wreed jegens haar was geweest. Niemand sprak verachtelijk over haar, niemand wendde het hoofd af om haar niet te groeten.
Maar het hielp haar niet, dat de anderen mild jegens haar waren. Het berouw woonde in haar hart en schrijnde als een open wonde.
Orestes werd veroordeeld tot levenslange galeistraf. Santuzza stierf een paar weken, nadat haar zoon veroordeeld was.
Margherita kon geen vergeving verkrijgen, noch van den een, noch van de andere.
Zij riep de heiligen aan, maar dezen wilden haar niet helpen. Niets ter wereld scheen in staat te zijn om den verpletterenden last der gewetenswroeging van haar af te wentelen.
In dezen tijd verscheen de beroemde Franciscanermonnik fra Gondo in Girgenti. Hij predikte om de menschen op te wekken een pelgrimstocht naar Diamante te doen.
Fra Gondo gaf er niet om, dat de paus het beeld in San Pasquale nog niet als wonderdoend erkend had. Hij had de blinde zangers op hun tochten over het eiland getroffen en hen hooren verhalen van het beeld. Lange, heerlijke nachten had hij gezeten aan vader Elia’s en broeder Tomasso’s voeten en zij hadden hem van het avondrood tot het ochtendkrieken, verhaald van het beeld.
En nu verwees de machtige prediker alle bedroefden naar dezen wonderdoener.
Hij spoorde de menschen aan, dezen heiligen tijd niet ongebruikt te laten voorbijgaan.
„Het Christuskind,” zei hij, „wordt niet genoeg vereerd op Sicilië. Nu is de tijd aangebroken, dat het hier een eigen kerk en eeredienst wil hebben. En om dat te krijgen, laat hij nu wonder op wonder verrichten door het heilige beeld.”
Pater Gondo, die zijn noviciaat doorgebracht had in Aracoeli’s klooster op het Kapitool, vertelde het volk van het Christuskind daar en van de duizenden wonderen, die hij verricht had.
„En nu wil dat goede, kleine kind op Sicilië aangebeden worden,” zei pater Gondo.
„Laat hem niet langer tevergeefs aankloppen, opent de poort voor hem!
„Nu in deze dagen is de hemel mild. Laten wij de eersten zijn, die het beeld erkennen! Laten wij zijn als de herders en wijzen van het Oosten, laat ons gaan naar het heilige kind, terwijl het nog ligt op het stroobed in de armoedige grot!”
Een nieuwe hoop ontwaakte in Margherita Cornado’s hart toen zij dit hoorde. Zij was de eerste, die gehoor gaf aan pater Gondo’s oproeping. Later sloten zich nog anderen bij hem aan.—Veertig pelgrims ondernamen met hem den tocht door de woestijn naar Diamante.
Ze waren allen zeer arm en ongelukkig, maar pater Gondo liet ze onder gezang en gebed optrekken. Spoedig begonnen hun oogen te stralen, alsof de ster van Bethlehem hen voorlichtte.
„Weet ge,” zei pater Gondo, „waarom Gods zoon grooter is dan alle andere heiligen? Omdat hij de ziel heiligheid geeft, omdat hij de zonden vergeeft, omdat hij den geest een zalige rust in God schenkt, omdat zijn rijk niet slechts van deze wereld is.”
Als de kleine schare vermoeid was, wekte hij haar op met verhalen van de wonderen, die het beeld reeds gedaan had. De legenden der blinde zangers werden tot verkwikkende vruchten en opwekkenden wijn voor de moede pelgrims.
En ze schreden met lichten tred verder alsof ze trokken naar Nazareth, om den timmermanszoon te zien.
„Hij zal het lijden van ons nemen,” zei pater Gondo. „Als wij terugkeeren zal ons hart bevrijd zijn van alle kwelling.”
En gedurende den tocht door de verschroeide, gloeiend heete woestijn, waar geen enkele boom schaduw gaf en waar het water bitter smaakte van zwavel en zout, voelde Margherita Cornado dat haar smart draaglijker werd.
„De kleine hemelkoning zal dit lijden van mij nemen,” zei ze.
Op een dag in Mei bereikten de pelgrims eindelijk den voet van Diamante’s berg. Daar eindigde de woestijn, groene olijfbosschen en frissche struiken omringden hen. De berg straalde, de stad straalde. Ze voelden, dat ze op een plaats gekomen waren, die lag onder Gods genade.
Verheugd gingen ze op langs den zigzagweg en met luide, jubelende stemmen hieven ze een oud pelgrimslied aan.
Toen ze den berg een eindweegs beklommen hadden, kwamen de menschen uit Diamante hen juichend tegemoet. Men had den arbeid weggeworpen en was naar buiten gesneld, toen men de eentonige klanken van het oude pelgrimslied hoorde. En het volk van Diamante omhelsde en kuste de pelgrims.
Men had hen reeds zoo lang verwacht, men had niet kunnen begrijpen, waarom ze niet eerder waren gekomen.
Diamante’s Christusbeeld was een machtige wonderdoener, hij was zoo barmhartig, zoo goed, dat alle menschen tot hem moesten komen. Toen Margherita Cornado dit hoorde, had zij een gevoel, alsof haar hart reeds verlost was van alle pijn.
De menschen van Diamante troostten haar.
„Hij zal u stellig helpen, hij helpt u allen,” zeiden ze.
„Niemand heeft nog tevergeefs tot hem gebeden.”
Bij de stadspoort scheidden de pelgrims van elkaar. De menschen van Diamante namen hen mede naar hun huizen, opdat zij zich verfrisschen en verkwikken zouden, na den moeitevollen tocht. Over een uur zouden ze elkaar weer ontmoeten bij de Porta Etnea om samen naar het beeld te gaan.
Maar Margherita had geen geduld om een heel uur te wachten. Zij vroeg den weg naar de kerk San Pasquale en ging daar alleen heen vóór alle anderen....
Toen Pater Gondo en de pelgrims een uur later in San Pasquale kwamen, zagen ze Margherita Cornado liggen voor het hoogaltaar. Ze scheen hen niet te bemerken. Maar toen pater Gondo in haar nabijheid kwam, vloog ze op, alsof ze op den loer gelegen had en wierp zich op hem. Ze greep hem bij de keel en wilde hem worgen.
Zij was groot, en sterk en krachtig gebouwd. Het was een heete strijd vóórdat pater Gondo en een paar pelgrims er in slaagden haar vast te binden. Zij was volslagen krankzinnig en woest.
De pelgrims waren in plechtigen optocht gekomen, ze zongen en hielden brandende kaarsen in de hand.
Het was een lange stoet, want heel veel menschen uit Diamante hadden zich aangesloten bij de pelgrims.
Zij, die het eerst in de kerk kwamen, hielden dadelijk op met zingen, de laatsten hadden echter niets gemerkt en bleven doorzingen. Maar toen verspreidde zich het gerucht van het gebeurde, en waar dit kwam zweeg het gezang. ’t Was droevig te hooren hoe het wegstierf en veranderde in een luid geweeklaag.
Al de moede pelgrims begrepen immers, dat hun tocht vergeefsch was. Hun kwellingen en lijden zouden niet van hen genomen worden. De schoone verwachtingen der laatste hoopvolle dagen werden ruw in hen gedood.
Het heilige beeld zou hun geen vertroosting kunnen schenken.
Pater Gondo zelf was ook verschrikt. Voor hem was het een harder slag dan voor iemand anders; want elk der anderen had slechts zijn eigen leed te dragen, maar hem drukte de smart van al deze menschen op het harte.
Hoe zou hij kunnen verantwoorden al de verwachtingen, die hij opgewekt had?
Plotseling gleed een schoone, kinderlijk vrome glimlach over zijn gelaat. Het beeld wilde zeker het geloof van hem en de anderen op de proef stellen! Indien zij slechts niet wankelden, zouden ze wel geholpen worden.
Hij begon opnieuw het pelgrimsgezang aan te heffen met zijn heldere stem en schreed naar het altaar.
Maar toen hij dichter bij het beeld kwam, onderbrak hij het gezang opnieuw. Hij staarde met wijdopengesperde oogen naar het beeld. Toen strekte hij de hand uit, nam de kroon en bracht die bij zijn oogen.
„Het staat er, het staat er,” mompelde hij, terwijl hij de kroon uit zijn hand liet vallen.
Van dat oogenblik af wist pater Gondo, dat hij den verworpeling van Aracoeli voor zich had.
Hij vertelde dit echter niet dadelijk aan het volk, maar zei met zijn gewone zachtmoedigheid:
„Mijn vrienden, ik wil u iets merkwaardigs verhalen.”
En hij vertelde hun van de Engelsche, die het Christusbeeld van Aracoeli had willen stelen. Hij verhaalde hoe het beeld Antichrist genoemd en in de wereld geworpen werd.
„Ik herinner fra Simoni mij nog zoo goed,” zei pater Gondo.
„Hij toonde mij nooit het beeld, zonder te zeggen:
„’t Was deze kleine hand, die aan het klokketouw trok, het was deze kleine voet, die tegen de poort schopte.”
„Maar als ik fra Simoni vroeg, waar het andere beeld gebleven was, zei hij altijd: „Wat zou er van hem geworden zijn? Rome’s honden hebben het zeker verscheurd.”
Pater Gondo sprak nog steeds even kalm en zacht, terwijl hij bukte om de kroon op te rapen, die hij zoo juist had laten vallen.
„Leest dit!” zei hij. En hij liet de kroon van man tot man gaan. De menschen stonden nog met hun brandende kaarsen in de hand, en zij, die lezen konden, lazen en de anderen zagen ten minste, dat er een opschrift was.
En elk die de kroon in de hand had, blies zijn kaars stil uit. Toen het laatste licht gedoofd was, wendde pater Gondo zich tot zijn pelgrims, die zich om hem heen verzameld hadden.
„Ik heb u hierheen gevoerd,” zei hij tot hen, „opdat gij Hem zoudt vinden die de zielen vrede en ingang tot Gods rijk schenkt. Maar ik heb u verkeerd geleid, want dit beeld kan u niets geven. Zijn rijk is slechts van deze wereld. Onze arme zuster is waanzinnig geworden,” vervolgde pater Gondo, „omdat zij hier kwam en hoopte op hemelsche weldaden. Zij verloor haar verstand, toen haar smeekbeden niet verhoord werden. Hij kon haar niet bijstaan want zijn rijk is slechts van deze wereld.”
Hij zweeg een oogenblik en allen zagen naar hem op om te weten, wat zij van dit alles moesten denken.
Toen vroeg hij zacht: „Zal een beeld, dat zulke woorden in zijn kroon voert, nog langer een altaar ontheiligen?”
„Neen, neen!” riepen de pelgrims. Het volk van Diamante stond zwijgend, door ontzetting bevangen.
Pater Gondo nam het beeld tusschen zijn handen, en droeg het met uitgestrekte armen door de kerk naar den uitgang.
Maar hoe zacht en ootmoedig de pater ook gesproken had, zijn blikken hadden den ganschen tijd streng met bedwingende macht op de volksmenigte gerust.
Er was geen mensch, die niet onderworpen was aan zijn machtigen wil. Allen stonden als verlamd en waren niet in staat een eigen gedachte te denken.
Toen pater Gondo den uitgang genaderd was, stond hij stil en keek om. Een laatste bedwingende blik gleed over de menschenmassa.
„Ook de kroon,” zei pater Gondo. En ook de kroon werd hem overgereikt.
Hij plaatste die op het beeld en ging onder den baldakijn, die San Pasquale’s beeld beschermt.
Hij fluisterde een paar pelgrims iets in het oor, dezen gingen haastig weg. Spoedig kwamen ze terug met hun armen vol droge takken. Deze stapelden ze op voor pater Gondo, die den brandstapel aanstak.
Allen, die in de kerk waren geweest, stroomden nu naar buiten. Daar stonden ze nog steeds, verlamd en willoos.
Zij zagen dat de monnik hun geliefd, wonderdoend beeld wilde verbranden, maar zij verzetten zich niet.
Zij begrepen het zelf niet, dat zij niet trachtten het beeld te redden.
Maar toen pater Gondo de vlam zag oplaaien, en wist, dat het beeld volkomen in zijn macht was, richtte hij zich op, zijn oogen bliksemden.
„Mijn ongelukkige kinderen!” zei hij mild, terwijl hij zich tot de menschen van Diamante wendde. „Gij hebt een vreeselijken gast geherbergd. Maar hoe is het mogelijk, dat gij niet reeds vroeger ontdekt hebt, wie hij is? Wat moet ik van u gelooven?” vervolgde hij strenger.
„Gij zegt zelve, dat het beeld u alles gaf, wat gij wenschtet. Zoo is er dus niemand in Diamante, die gedurende al deze jaren gebeden heeft om vergeving zijner zonden en om vrede voor zijn ziel?
„Is het mogelijk? De menschen van Diamante hadden geen andere wenschen, dan prijzen in de loterij, goede jaren, hun dagelijksch brood, gezondheid en geld?
„Niets anders dan wereldsche goederen hebt gij begeerd. Geen uwer had ooit behoefte te bidden om hemelsche genade.
„Kan dat werkelijk mogelijk zijn? Neen, het kan niet zoo zijn,” zei pater Gondo vragend, als vervuld van een blijde hoop.
„Ik ben het, die mij vergis. Gij hebt begrepen, dat ik het beeld niet in de vlammen zou werpen, vóórdat ik u allen gehoord had. Gij wacht slechts tot ik zwijgen en u gelegenheid geven zal te getuigen voor het beeld. Nu zullen velen uwer tot mij komen en zeggen:
„Dit beeld heeft mij tot een geloovige gemaakt,” en anderen zullen getuigen:
„Hij heeft mij vergeving geschonken voor mijn zonden,” en velen zullen zeggen:
„Hij heeft mijn oogen geopend, opdat ik de heerlijkheid des hemels aanschouwen kan.”
„Gij allen zult komen en ik zal tot spot en hoon zijn, en ge zult mij noodzaken het beeld op het altaar terug te brengen, en ik zal moeten erkennen, dat ik mij vergist heb.”
Pater Gondo zweeg en keek het volk afwachtend aan. Een hevige ontroering maakte zich meester van de toehoorders. Velen schenen te willen getuigen, maar zoodra ze een paar schreden gedaan hadden, bleven zij aarzelend staan.
„Ik wacht,” zei de monnik en zijn blikken smeekten den menschen te komen.
Maar niemand kwam. De geheele volksmenigte leed een ondragelijke smart niet te kunnen getuigen om het geliefde beeld te redden. Maar niemand verroerde zich.
„Mijn ongelukkige kinderen,” zei pater Gondo diep bedroefd, „de Antichrist heeft in uw midden vertoefd en hij heeft u geheel in zijn macht. Gij hebt den hemel vergeten. Gij weet niet meer dat gij een ziel bezit. Gij hebt slechts aan deze aarde gedacht.
„Vroeger zei men, dat de menschen in Diamante de vroomste geloovigen waren van gansch Sicilië. Maar nu is dat anders. Diamante’s inwoners zijn wereldlingen, misschien daarenboven nog godlasterende socialisten, die slechts de aarde liefhebben. Zij kunnen niet anders zijn. De Antichrist heeft immers in hun midden vertoefd.”
Toen deze aanklachten neervielen op het volk, scheen het eindelijk in verzet te zullen komen.
Een toornig gemompel ging door de menschenmenigte.
„Het beeld is heilig,” riep een. „Toen hij de stad binnentrok, luidden de klokken van San Pasquale den geheelen dag.”
„Moesten zij u niet waarschuwen voor zulk een ramp?” antwoordde de monnik.
En met stijgende heftigheid slingerde hij zijn aanklachten onder het volk.
„Gij zijt afgodendienaars maar geen Christenen. Gij vereert den Antichrist, opdat hij u bijstaan zal, maar de heilige geest is niet meer in u.”
„Hij was goed en barmhartig gelijk Christus,” riep het volk.
„Dat is juist uw ongeluk,” zei de pater en plotseling was hij vreeselijk in zijn toorn. „Hij heeft Christus’ gedaante aangenomen om u te verleiden.
„Op deze wijze heeft hij u in zijn net gevangen.
„Juist door gaven en zegeningen op u neer te strooien, heeft hij u in zijn net gelokt en u tot wereldlingen gemaakt.
„Kan een uwer het tegendeel bewijzen? Misschien heeft een van u allen gehoord, dat iemand, die hier niet tegenwoordig is, het beeld om een hemelsche genade gesmeekt heeft.”
„Hij heeft den vloek weggenomen van een jettatore,” zei iemand.
„Kan niet alleen degene, die even groot in slechtheid is, als de jettatore, dezen overwinnen?” antwoordde de pater somber.
Toen deed men geen verdere pogingen meer om het beeld te verdedigen. Alles wat men aanvoerde, scheen de zaak slechts erger te maken.
Verscheidenen blikten naar donna Micaela, die ook aanwezig was. Zij stond midden in de volksmenigte, zag en hoorde alles, en toch deed zij niets om haar geliefd beeld te redden.
Toen pater Gondo zeide, dat het beeld de Antichrist was, verschrikte zij hevig, en daar hij later aantoonde, dat men in Diamante slechts wereldsche goederen begeerd had, wies de angst in haar.
Zij waagde het niet zich te verzetten.
Maar toen hij nu zei, dat zij en alle menschen in Diamante onder de macht van den Antichrist waren gekomen, was er iets in haar ziel, dat in opstand kwam tegen zijn woorden.
„Neen, neen!” zei zij, „dat kan niet mogelijk zijn.”
Indien zij moest gelooven, dat een booze geest haar geleid had gedurende zoovele jaren, zou zij haar verstand verliezen.
En haar verstand begon zich te verdedigen.
Toen brak, gelijk een te sterk gespannen snaar, het geloof aan het bovennatuurlijke in haar.
Haar gedachten doorliepen nu met een oneindige haast alles wat zij zelf ervaren had en wat haar bovennatuurlijk geschenen had, en wogen dat nu op de schaal van het koel verstand. Was een enkel dezer voorvallen wel een wonder geweest? Zij zei tot zich zelf, dat het niets dan een toeval was geweest, niets dan een toeval!
’t Was alsof ze een spoel afwond. Van wat ze zelf beleefd had, ging ze over op de wonderen van vroeger tijden. Alles was toeval, werking van een overspannen geest, misschien was het meeste wel verbeelding geweest.
De toornige monnik ging door met het volk te vervloeken. Zij trachtte naar hem te luisteren om afleiding te vinden voor haar eigen kwellende gedachten. Maar zij vond alles wat hij zei waanzinnig en overdreven.
Maar welke machten werkten in haar ziel, dat zij plotseling een vrijdenkster werd?
Zij zag naar Gaetano. Hij was daar ook, en stond in de nabijheid van den monnik op de kerktrap. Zijn oogen rustten op haar.
En even zeker alsof zij het hem gezegd had, wist hij wat zij nu dacht. Maar hij zag er niet verheugd of triomfeerend uit.
’t Was alsof hij pater Gondo in de rede zou willen vallen om haar geloof te redden.
Maar donna Micaela’s gedachten kenden geen verschooning. Ze schreden voorwaarts en plunderden haar ziel.
Heel de bovennatuurlijke, stralende wereld schrompelde ineen, werd tot niets. Zij zeide tot zich zelf, dat men van het bovennatuurlijke niets kon weten. Vele boden waren gegaan van de aarde naar den hemel. Geen enkele was teruggekomen van den hemel naar de aarde.
„Maar ik wil gelooven aan God,” zei ze, terwijl ze haar handen vouwde als om ten minste het hoogste en heiligste te behouden.
„Uw oogen zijn wild en woest,” zei pater Gondo. „God leeft niet onder u. De Antichrist heeft God in uw ziel verdrongen.”
Donna Micaela’s blik zocht opnieuw Gaetano.
„Kunt gij een zoo verlaten en rampzalig wezen iets geven om voor te leven?” schenen haar oogen te vragen.
Zijn blik ontmoette den hare met fier zelfvertrouwen.
Hij las in haar schoone, smeekende oogen hoe haar bevende ziel zich nu vastklemde aan hem om een steun te vinden. Hij twijfelde geen oogenblik, dat hij haar leven niet rijk en heerlijk zou kunnen maken.
Zij dacht aan de vreugde, die zij gevoelde, wanneer zij hem slechts zag. Zij dacht aan de vreugde die opbruiste rondom haar in dien nacht in Palermo. Zij wist, dat die ontsproot uit het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde.
Zou dit geloof en deze vreugde ook haar kunnen bezielen?
Zij wrong haar handen in angst. Zou dit nieuwe geloof het richtsnoer van haar leven kunnen worden? Zou zij zich niet altijd even arm gevoelen als op dit oogenblik?
Pater Gondo boog zich over de vlammen.
„Ik zeg u nog éénmaal,” riep hij, „indien slechts één uwer verklaart, dat dit beeld zijn ziel verlost heeft, zal ik het niet verbranden.”
Donna Micaela voelde plotseling dat zij het arme beeld niet kon laten vernietigen.
De herinneringen van de schoonste uren haars levens waren daaraan verbonden.
„Gandolfo, Gandolfo!” fluisterde zij. Een oogenblikje geleden had zij hem naast zich gezien.
„Ja, donna Micaela.”
„Laat hem het beeld niet verbranden, Gandolfo.”
De monnik had zijn vraag nog eenmaal herhaald, twee malen, drie malen.—Niemand trad naar voren om het beeld te verdedigen. Maar de kleine Gandolfo sloop al nader. Pater Gondo hield het beeld dicht bij de vlammen.
Onwillekeurig had Gaetano zich gebogen; een fiere glimlach gleed over zijn gelaat. Donna Micaela begreep, dat hij voelde dat Diamante hem nu toebehoorde.
Het strenge optreden van den monnik maakte Gaetano tot meester over de zielen.
Zij keek verschrikt rond. Haar blik vloog van aangezicht tot aangezicht. Ging misschien hetzelfde om in de zielen van al deze menschen? Zij meende te zien, dat allen denzelfden strijd voerden als zij zelf.
„Gij, Antichrist,” zei pater Gondo dreigend, „ziet ge wel dat niemand aan zijn zieleheil gedacht heeft, zoolang gij hier vertoefdet?
„Gij zult in de vlammen omkomen.”
En hij legde het beeld op den brandstapel.
Maar het had daar nauwelijks een oogenblik gelegen, of Gandolfo greep het, hief het hoog boven zijn hoofd en snelde er mee heen.
Pater Gondo’s pelgrims trachtten hem te grijpen en het werd een woedende drijfjacht om den krater van den Monte Chiaro.
Maar de kleine Gandolfo redde het beeld.
Een groote reiswagen reed bergafwaarts. De vervolgers hadden Gandolfo bijna ingehaald, toen wist hij geen anderen raad, dan het beeld in den wagen te werpen.
Daarna liet hij zich kalm vangen. Zijn vervolgers spoedden zich nu naar den reiswagen, maar Gandolfo waarschuwde hen:
„Wacht u, de signora in den wagen is een Engelsche.”
’t Was signora Favara, die eindelijk genoeg had van Diamante, en opnieuw de wereld introk. En men liet haar ongedeerd vertrekken.
Geen Siciliaan waagt het zich te vergrijpen aan een Engelsche.
V.
Een fresco van Signorelli.
Een week later was pater Gondo in Rome; hij was op audiëntie bij den ouden man in het Vaticaan, en vertelde, dat hij den Antichrist gevonden had in Christus’ gedaante, en hoe deze het volk van Diamante verleid had tot liefde voor de wereld, en hoe hij het beeld had willen verbranden. Hij verhaalde ook, dat hij het volk niet tot God had kunnen terugvoeren, maar dat het geheel en al tot ongeloof en socialisme vervallen was.
Niemand wilde voor zijn ziel zorgen, niemand wilde aan den hemel denken.
Pater Gondo vroeg, wat hij toch moest beginnen met deze arme menschen.
De oude paus, die de wijste mensch is die nu leeft, lachte niet om pater Gondo’s verhaal, hij was diep bedroefd.
„Gij hebt verkeerd gehandeld, gij hebt zeer verkeerd gehandeld,” zei hij. Hij zweeg een tijdlang en dacht na, toen zei hij: „Hebt ge nooit den dom in Orvieto gezien?”—„Neen, heilige vader.”
„Ga naar Orvieto om den dom te zien,” zei de paus, „en als ge daar geweest zijt, kom mij dan vertellen wat gij gezien hebt.”
Pater Gondo gehoorzaamde; hij ging naar Orvieto en zag den heiligen dom.
Na twee dagen kwam hij terug in het Vaticaan.
„Wat hebt ge gezien in Orvieto?” vroeg de paus.
Pater Gondo verhaalde nu, dat hij in een der kapellen der domkerk fresco’s gezien had van Luca Signorelli, voorstellende „het laatste Oordeel.” Maar hij had noch gezien naar „den Dag des Oordeels,” noch naar „der Dooden Opstanding.”
Hij had al zijn aandacht geschonken aan het groote schilderij, dat de kerkwachter „de Wonderen van den Antichrist” genoemd had.
„Wat hebt ge daarop gezien?” vroeg de paus.
„Ik zag, dat Signorelli den Antichrist geschilderd had als een armen en geringen man, als Gods Zoon was, toen deze hier op aarde vertoefde. Ik zag, dat hij hem gekleed had als Christus en hem Christus’ gelaat had gegeven.”
„Wat zaagt ge nog meer?” vroeg de paus.
„Het eerste dat ik op het fresco zag, was dat de Antichrist zoo preekte, dat de rijken en machtigen hun schatten aan zijn voeten legden.
„Het tweede was, dat een zieke gedragen werd tot den Antichrist en door hem genezen werd.
„Het derde tafereel stelde voor een martelaar, die zijn leven gaf voor de leer van den Antichrist.
„Het vierde dat ik op het groote wandschilderij zag, was dat de menschen zich spoedden naar een grooten tempel des vredes en de booze geest uit den hemel stortte en alle geweldenaars gedood werden door het vuur.”
„Wat dacht gij, toen ge dit zaagt?” vroeg de paus.
„Toen ik dit zag, dacht ik: deze Signorelli was waanzinnig. Meent hij, dat in den tijd van den Antichrist de booze geest overwonnen zal worden, en de aarde heilig zal zijn als het paradijs?”
„Zaagt ge nog meer?”
„Het vijfde tafereel, dat ik zag, was dat monniken en priesters een grooten brandstapel bestegen en verbrand werden.
„Het zesde en het laatste was dat de duivel den Antichrist iets in het oor fluisterde en hem den raad gaf hoe hij moest handelen en spreken.”
„Wat dacht ge, toen ge dit zaagt?”
„Ik zei tot mij zelf: deze Signorelli was niet krankzinnig, maar hij was een profeet. De Antichrist zal zeker komen in Christus’ gedaante en de wereld tot een paradijs maken. Hij zal haar zoo schoon maken, dat de menschen den hemel vergeten. En dit zal de gevaarlijkste verleiding der wereld worden.”
„Begrijpt gij nu,” zei de paus, „dat gij mij niets nieuws verteldet? De kerk heeft altijd geweten, dat de Antichrist zou komen, toegerust met alle deugden van Christus.”
„Wist ge ook dat hij werkelijk gekomen is, heilige vader?” vroeg pater Gondo.
„Zou ik hier jaar na jaar op Petrus’ stoel zitten en niet weten, dat hij gekomen is?” zei de paus.
„Ik zie hoe een volksbeweging ontstaat, die brandt van liefde voor haar naasten en die God haat. Ik zie hoe martelaren hun leven offeren voor het nieuwe geloof aan een gelukkige aarde. Ik zie hoe ze nieuwe vreugde en moed putten uit de leuze: „Denk aan de aarde,” zooals vroeger uit het woord: „Denk aan den hemel.” Ik wist dat hij, dien Signorelli voorspeld had, gekomen was.”
Pater Gondo boog zwijgend het hoofd.
„Begrijpt ge nu, hoe verkeerd gij gehandeld hebt?”
„Heilige vader, verklaar me mijn zonde.”
De oude paus hief zijn blik op. Zijn heldere oogen doorboorden den sluier der toevalligheden, die het leven bedekt, en zagen wat daarachter verborgen was.
„Pater Gondo,” zei hij, „het kleine kind, waarmee ge streedt in Diamante, het kind dat even barmhartig en wonderdoend is als Christus, het arme verachte kind, dat zegevierde over u en dat gij den Antichrist noemt, weet gij wie dat is?”
„Neen, heilige vader.”
„En hij, die op Signorelli’s schilderij zieken genas, rijken bewoog afstand te doen van hun schatten, de wereld in een paradijs veranderde en de menschen verleidde den hemel te vergeten, weet gij wie hij is?”
„Neen, heilige vader.”
„Wie anders kan het zijn dan het Antichristendom, het socialisme?
De monnik zag verschrikt op.
„Pater Gondo,” zei de paus streng, „toen gij het beeld in uw armen hieldt, wildet gij het verbranden. Waarom? Waarom waart ge niet liefdevol jegens hem en droegt hem terug naar het kleine Christusbeeld op het Kapitool, vanwaar hij uitgegaan is?
„Maar zoo handelt gij, gij bedelmonniken. Gij kondt de groote volksbeweging op uw armen nemen als ze nog als een kind in haar windsels ligt, en gij kondt haar leggen aan Jezus’ voeten, en de Antichrist zou zien, dat hij niets anders is dan Christus’ namaaksel en hem erkennen als zijn heer en meester.
„Maar wat doet ge? Gij werpt het Antichristendom op den brandstapel, en spoedig zal het op zijn beurt u daarop werpen.”
Pater Gondo boog zijn knieën. „Ik begrijp u, heilige vader. Ik zal uitgaan om het beeld te zoeken.”
De paus verhief zich majestueus.
„Ge zult het beeld niet zoeken, gij zult het nu ongestoord over de wereld laten gaan. We vreezen hem niet.
„En als hij komt om het Kapitool te bestormen en den wereldtroon te bemachtigen, zullen we hem tegemoet gaan, en we zullen hem tot Christus voeren. We zullen hemel en aarde verzoenen.
„Maar gij handelt verkeerd,” vervolgde hij milder, „wanneer gij hem haat. Hebt gij dan vergeten, dat de Sibylle hem rekende tot een der wereldverlossers?
„Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden aangebeden, Christus of Antichrist.”
„Heilige vader, indien hij de rampen dezer wereld lenigt, en den hemel geen schade berokkent, dan zal ik hem niet haten.”
Een fijn glimlachje gleed over het gelaat van den ouden paus.
„Pater Gondo, sta mij toe, dat ook ik u een geschiedenis van Sicilië verhaal.
„Men vertelt, pater Gondo, dat toen Onze lieve Heer de wereld schiep, Hij eens wilde weten of Hij nog veel te doen had. En Hij zond San Pietro uit om te zien of de wereld gereed was.
„Toen San Pietro terugkwam, zei hij:
„Alle menschen weenen, snikken en klagen.”
„Dan is de wereld nog niet gereed,” zei Onze lieve Heer en Hij werkte verder.
„Na drie dagen zond Onze lieve Heer San Pietro weer naar de aarde.
„Alle menschen lachen, jubelen en juichen,” zei San Pietro, toen hij terugkwam.
„Dan is de wereld nog niet gereed,” zei Onze lieve Heer en werkte verder.
„San Pietro werd voor de derde maal uitgezonden.
„Sommigen lachen en sommigen weenen,” zei hij toen hij terugkwam.
„Dan is de wereld gereed,” zei Onze lieve Heer.
„En zoo zal het zijn en blijven,” zei de oude paus, „Niemand kan de menschen verlossen van hun ellende, maar hem zal veel vergeven worden, die nieuwe moed in hen wekt om die ellende te dragen.”
Einde.