Eerste deel.
„Daar zal groote nood heerschen.”
I.
De Mongibello.
Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der oude Alagona’s geweest, dan zou men hem misschien hebben laten verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.
Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.
Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster wilde nemen.
Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!
Hij zou immers monnik worden.
Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het haar niets baatte hem dat te vragen?
Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar de ontvangkamer.
Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs alleroudste kaftan.
Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.
„God zij geloofd, hij is een echte Alagona!” riep zij en kuste hem de hand.
Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!
Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet waar Diamante lag?
De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.
„Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?”
„Neen.”
Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. „De Monte Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?”
Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, nadat zij hen aan het lachen gebracht had.
„Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te zien?” vroeg ze vlug.
„Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn aangezicht.” Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.
Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.
En ’t was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.
Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een echte Alagona.
En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden te rijden.
En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen beschutting kon vinden bij onweer.
Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, ’t water daarin was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, leemvulkanen en zwavelgroeven.—En ’t zou jammer voor Gaetano zijn, indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.
Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als een caroussel. Gaetano zou hem ’s morgens en ’s avonds willen zien, als hij rood was, en hij zou hem ’s nachts willen zien als hij wit getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht dat op Sicilië was tot recht te maken.
En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur nog niet uit zijn grot was gekomen.
Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. ’t Was zoo grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.
De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.
Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.
Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, zoo te heeten.
Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.
Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog was hij niet in dat net gevangen.
Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.
En ’t ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.
Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa Agatha van Catania.
En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.
Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het was een merkwaardige signora!
Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:
„Donna Elisa, ik wil monnik worden.”—„Zoo, werkelijk?” zei ze. Toen vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts steenen, geen enkele grashalm!
Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!
Neen, nooit!
De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.
Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.
Kon dat iets anders zijn dan de cactus?
Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?
Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft toovenaar.
De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.
Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.
De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal en moet ze!
O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.
Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.
Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.
En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.
Na een tijdje voelde Gaetano zoo’n grooten lust om Donna Elisa’s hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets eens merken, als hij haar hand kuste?
Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het geheel niet.
Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.
En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!
Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, die juist bij de hand lag.
Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.
Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.
Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona’s op den Etna en op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de bergen rondom geweest waren.
Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De gansche zee zag men daar.
Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar pater Jozef werd zeer ongeduldig.
„Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa,” zei hij heel vriendelijk.
Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was te zien. Wat ze Gaetano ’t allereerst wilde wijzen, was het groote huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.
Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en toen de oude Alagona’s in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.
Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen der Alagona’s gebrand.
Dat zou hij toch zeker willen zien?
Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in ’t geheel niets van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote praalwoning, waar de oude Alagona’s gedanst en gespeeld hadden. Er was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar zij zou er met hem heengaan.
Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?
O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles boven staan, zooals het stond.
Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. ’t Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn hoofd had gezet.
Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.
Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te vertellen, hoe zij het zelf had.
Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.
Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te snijden, want hij was artist, signor Antonelli.
En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen als hij bij haar wilde komen.
Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.
Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij het wagen haar te streelen?
Hij keek tersluiks naar pater Jozef.
Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij gewoonlijk deed.
Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.
Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, die Luca heette.
Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in den winkel kon laten helpen.
En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.
Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.
Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude Alagona’s was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar gezegd:
„Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier hebben.”
Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.
Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen te zijn.
En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, dat Gaetano zelf zou beslissen.
En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de laatste van zijn geslacht was.
Gaetano gleed zacht van donna Elisa’s schoot.
Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.
Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.
Pater Jozef kwam hem te hulp.
„Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano.”
„De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden,” zei hij verklarend tot donna Elisa.
Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, maar ze had tranen in de oogen.
„Zeker, zeker moest hij zich bedenken,” zei zij.
„Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en vele priesters en een groote menigte monniken.
„Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.
„Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou morgen terugkomen.”
Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, maar hij kon niet.
Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.
En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak hij in tranen uit. ’t Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar kon vertrekken!
Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.
„Dat is de Mongibello, de Mongibello,” zei pater Jozef, „niemand kan den Mongibello weerstaan.”
Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.
„’t Is de berg, die hem lokt,” mompelde pater Jozef. „De Mongibello is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem te lokken.”
Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. ’t Was alsof de aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.
„’t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt,” zei pater Jozef. „Hij zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen naar den hemel.”
Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, waar hij op donna Elisa’s schoot werd gezet.
„Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen,” zei pater Jozef. „Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of gij hem behouden kunt.”
Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa’s schoot zat, voelde hij zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.
II.
Fra Gaetano.
Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op een gouden stoel met zilveren zonneschermen.
Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort.
De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen.
Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een heilige zag.
Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak.
„Gezegend! gezegend! gezegend!” zeiden allen als uit één mond. De meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid, daarvoor was de eerbied te groot.
En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden.
„Gezegend! gezegend!” klonk het over de geheele markt. „Gezegend zijn uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!”
De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, maar toch was het alsof een storm door de lucht voer.
Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik.
Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou.
Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn stem boven alle andere uitklonk.
Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis.
Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed.
Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje, zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij wilde wegloopen.
Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden door de menschen.
Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten om legenden te vertellen.
Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa’s tuin en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen.
Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel.
Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden.
Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen.
Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap.
Dat was de deur van donna Elisa’s kamer en Gaetano waagde het niet verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der trap om te wachten.
Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen.
En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar Palermo was gekomen om hem te halen.
Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa trachtte te troosten. ’t Was zoo jammer voor haar, dat zij niet begreep, welk loon haar wachtte.
Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de beroemde heremiet fra Gaetano.
Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige doeken, dekens en kransen.
Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden van haar weggeloopen was.
„Gaetano,” zou donna Elisa dan antwoorden, „gij geeft mij een zee van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?”
Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem vinden zou.
En dan zou ze hem niet laten gaan.
Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En ’t was niet alleen donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn, wanneer hij terugkwam als een heilig man.
Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen toestroomen.
Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en roepen: „Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!”
En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor donna Elisa’s winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen.
Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand kussen.
Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen.
En Giannita, donna Elisa’s peetdochter, zou voor Gaetano buigen en hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou zoo gelukkig zijn.
O!.... Gaetano sprong op en ontwaakte. ’t Was klaarlichte dag en donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en zijn bundeltje aan de voeten.
Donna Elisa en Pacifica schreiden. „Hij wilde wegloopen van ons,” zeiden ze.
„Waarom zit je daar, Gaetano?”
„Donna Elisa, ik wilde wegloopen.”
Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof het de natuurlijkste zaak ter wereld was.
„Wilde jij wegloopen?” riep donna Elisa.
„Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden.”
„En waarom zit je dan hier?”
„Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben.”
Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was.
Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten leed en schreide bitter.
„Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa,” zei Gaetano.
„Gij blijven!” riep donna Elisa uit. „Ge moogt gerust gaan. Zie hem aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij is een avonturier.”
’t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona’s stam.
„Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa,” zei de knaap. „Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: „Wij zullen vader gaan zoeken!” En wij gingen. Het werd avond, het regende hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg.
„Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan om heremiet te worden.
„Want, donna Elisa, ik moet God dienen.”
Donna Elisa gaf zich nu gewonnen.
„Ja, ja, Gaetano,” zei zij, „maar het doet mij zoo’n verdriet. Ik kan niet verdragen dat je van mij weggaat.”
„Neen, maar ik ga ook niet weg,” zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk, dat hij lust gevoelde te lachen.
„Ik zal niet weggaan.”
„Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt komen?” vroeg donna Elisa ootmoedig.
„Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets anders gedacht.”
„Wat hebt ge bedacht?” vroeg zij treurig.
„Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat, donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja, donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig.
„Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa, ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, maar moeder.
„Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, en maakte hem los.
„Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij niet boos op mij was.
„Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel zat en die waren zoo mooi.
„Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?” vroeg moeder.
„Ja,” antwoordde ik.
„Dan kan je God daarmee dienen,” zei moeder.
„Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?”
„Neen,” zei moeder.
„En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij.”
Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan.
„Wat meende moeder daar nu mee?”
Donna Elisa stond verbaasd.
Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte.
„Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden, donna Elisa!”
III.
De godszuster.
Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt.
Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste toevertrouwen, zonder bedrogen te worden.
Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.
Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om godszusters en broeders te zoeken.
En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de dochter van donna Olivia die groenten verkocht.
Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls over, wat zij voor haar zou kunnen doen.
Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.
Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad.
Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.
Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora’s jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het geheel niet opmerkte.
Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.
Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.
Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden beiden:
„Zuster, zuster, zuster mijn,
Ik ben dijn en gij zijt mijn.
Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,
Dijn mijn vreugd’, dijn mijn prijs,
Dijn mijn plaats in ’t Paradijs.”
Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar.
„Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster,” zei de kleine signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan.
Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden, toen ze van elkaar gingen.
Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania.
Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.
Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer donker in Giannita’s kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op een kier gezet om wat meer licht te hebben.
Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe Rosa Alfari voorbij.
Donna Oliva’s winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag men de omtrekken van Giannita’s mooi hoofd.
Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.
Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht alleen naar Catania te reizen.
„’t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt,” zei zij. „Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee uur in Catania kom?”
Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:
„Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?”
Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.
Maar Rosa Alfari werd ijverig. „God, kind, wil je met mij gaan?” zei zij. „Wil je het werkelijk?”
Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. „Of ik wil,” zei zij, „ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!”
Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk, haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen.
Dat was een heerlijke reisgenoote!
„Maak je maar klaar,” zei de oude vrouw. „Je gaat om tien uur met mij mede, dat is afgesproken.”
Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te moede weer in haar nabijheid te zijn.
Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, dat zij ooit gezien had. ’t Was bijna haar afgod geworden.
Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen verlaten, maar was bij hem gebleven.
„Ik wil trachten haar te zien,” dacht Giannita.
En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.
En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita’s hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster verlangd.
Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar te trouwen.
Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft kon uitnoodigen.
Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was?
Dat zou glans geven aan haar geheele reis.
Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen aan. „Giornale da Sicilia!” schreeuwde hij. „De zaak Palmeri! Groote oplichterijen!”
De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij ijlde.
„Wat zeg je?” schreeuwde zij. „Je liegt, je liegt!” en zij was op het punt hem te slaan.
„Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat,” zei de knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte zij de zaak Palmeri.
„Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij onze lezers daarvan op de hoogte stellen.”
Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting trilde, toen zij het eindelijk begreep.
De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.
En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.
Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf jaar voor ’t eerst weer in Catania kwam. „Heere God,” zei zij. „Wat moet dit alles beteekenen?”
Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te zeggen, wat er gebeurd was.
Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag moest zijn?
„Hoor eens, donna Alfari,” zei zij. „Ge moogt doen wat ge wilt, maar ik moet naar de terechtzitting.”
Giannita’s houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in haar besluit doen wankelen.
„Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te nemen?” zei zij tot Rosa Alfari.
Geen oogenblik twijfelde Giannita.
Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank der aangeklaagden.
Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita herkende hem dadelijk.
Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van God was.
Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.
Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri.
Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.
In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.
„Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt,” zei ze, „omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien kunnen beloonen.”
Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar.
Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de arme Giannita van Diamante ben?
Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.
Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! „Zeg de signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet haar spreken.”
„De signorina zal over een half uur het paleis verlaten,” zei de bediende.
Giannita geraakte buiten zich zelf: „Maar ik ben haar godszuster, haar godszuster, versta je mij niet?” zei ze tegen den knecht. „Ik moet haar spreken.”
De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.
Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht hierheen te gaan.
Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht!
De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op den drempel.
„Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?” vroeg zij.
„Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela.”
Nu snelde Giannita op haar toe. „Zij was volstrekt geen vreemde. Zij was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?”
De signorina luisterde niet naar haar.
„Wat gebeurde er gisteren om vier uur?” vroeg zij met grooten angst in haar stem.
„Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster,” zei Giannita.
De andere keek haar verschrikt aan. „Ga met mij,” zei ze, alsof ze bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde vertellen.
Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.
„Zeg het mij dadelijk!” zei zij. „Pijnig mij niet, zeg het mij zoo vlug mogelijk.”
Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen.
Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het verborgen te houden.
Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo spoedig een antwoord kon geven.
Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd en de woorden stroomden over haar lippen.
Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.
Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar haten! Integendeel! Integendeel!
„Ja, ja,” zei signorina Palmeri. „Zoo is het.” En daar ze zielsbevreesd was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar viel haar voortdurend in de rede.
Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen kon.
„Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten,” zei zij. „Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader verloochend, haar vader verzaakt.
„Giannita kende toch wel het vierde gebod.” Toen barstte zij opnieuw uit in tal van onstuimige vragen.
„Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid.”
Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.
Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet hard jegens haar te zijn.
Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets veel vreeselijkers.
Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van angst heen en weer wiegde.
Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede.
Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin.
Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest dan dat van iemand anders.
Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot haar gezegd:
„Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen heb, maar dat is niet waar.”
Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, op den Etna en over geheel Sicilië.
Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het volk te zeggen:
„’t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen, anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben.”
En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen en over het mooie weer. Plotseling zei hij: „Wil de signorina dit kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?”
Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, ging zij naar haar vader.
„Gij zijt schuldig!” zei ze tot hem. „Ge kunt doen wat ge wilt maar ik kan u niet meer helpen.”
O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was, liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.
Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar doodvonnis verwachtte.
„Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?” riep zij uit. „Je doodt mij.”
Maar ’t was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. „Je moet weten,” vervolgde zij, „dat dit paleis nu verkocht is en dat de kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind.
„Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd, dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen.
„Ik knielde en bad lang. „Help mij in mijn grooten nood,” zei ik tot het Christuskind.
„Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger; juist toen begon een pendule te slaan.
„Er klonken vier slagen en ’t was alsof het vier woorden waren. ’t Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had geantwoord.
„Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond.
„Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken.
„Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van gistermiddag vier uur, werd ik bang.
„Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij, die mijn vader verloochend heb.”
Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos naar hetgeen Giannita zou vertellen.
En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.
„Zie nu eens, is dat niet merkwaardig,” zei ze ten slotte. „Ik ben in twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster zou kunnen helpen.”
Signorina Palmeri’s oogen waren angstig vragend op haar gericht.
Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien te ontvangen.
„Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?” vroeg Giannita „Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien, zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden.”
De signorina boog zich over tot Giannita.
„Nu!” zei zij angstig.
„Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb je lief,” zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om haar godszuster sloeg.
„Heb je niets anders te zeggen?” vroeg de signorina.
„Dat zou ik gaarne willen,” zei Giannita, „maar ik ben immers maar een arm meisje.”
Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was.
„Giannita,” zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, „geloof je dat dit een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden om mijnentwille?”
„Ja, ja,” fluisterde Giannita.
„Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?”
„Ja zeker, hij was het.”
„God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?”
„Neen, God heeft je niet verlaten.”
Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. „Toen jij kwam, Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden,” zei ze daarna. „Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik dacht, dat God mij haatte.”
„Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster,” zei Giannita.
Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.
„Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld gezonden zijt,” zei ze. „Het is immers al voldoende, nu ik weet, dat God mij niet verlaten heeft.”