WeRead Powered by ReaderPub
De zoon van Kazan cover

De zoon van Kazan

Chapter 16: XIV. De dochter van den storm.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces the life of a young canine born to a blind she-wolf and a dog, beginning with his sheltered infancy in a dark den and his gradual discovery of sight, movement, and the wider world. As he grows he experiences the pull between wild instincts and emerging bonds, encountering both the hazards of the wilderness and interactions with humans that test loyalty, courage, and identity. The book moves through episodic scenes of survival, coming-of-age trials, and shifting loyalties, exploring themes of nature versus nurture, belonging, and the thin line between feral freedom and domestication.

XII.
Mc Taggart ontvangt zijn antwoord.

Achter het venster, haar gelaat verborgen door de plooien der gordijnen, die zij er zelf voor gemaakt had, zag de Wilg, wat er buiten gebeurde. Nu glimlachte zij niet. Haar adem ging snel en zij rekte haar lichaam uit; Bush Mc Taggart bleef stilstaan, een paar meter van haar venster af en drukte Pierrot, haar vader, de hand. Zij hoorde Mc Taggart's ruwe stem, zijn luidruchtige begroeting en zag hem Pierrot toonen wat hij onder den arm droeg. Zij verstond duidelijk zijn verhaal, hoe hij het dier gevangen had in een konijnenstrik. Toen wikkelde hij de deken los. Nepeese uitte een kreet van verbazing. In een oogwenk stond zij buiten, naast hen. Zij keek niet naar Mc Taggart—liet haar oogen geen sekonde rusten op zijn rood gelaat, gloeiend van voldoening en opwinding.

„Het is Baree!” riep zij.

Zij nam het bundeltje uit Mc Taggart's arm en wendde zich tot Pierrot.

„Vertel hem, dat Baree van mij is,” zeide zij.

Zij haastte zich weer naar binnen. Mc Taggart keek haar na, verstomd van verbazing. Toen keek hij naar Pierrot. Zelfs een halfblinde had kunnen zien, dat deze even verbaasd was als hijzelf. Nepeese had niet tegen hem gesproken, tegen hem, den agent van Lac Bain! Zij had zelfs niet naar hem gekeken! En zij had den hond van hem afgenomen met even weinig omslag, alsof hij een man van hout geweest was. Zijn gelaat werd hoe langer hoe rooder, terwijl hij van Pierrot naar de deur keek, waardoor zij verdwenen was en die zij achter zich gesloten had.

Op den vloer van de hut viel de Wilg op haar knieën en maakte de deken heelemaal open. Zij was niet bang van Baree. Haar oogen lachten. Haar lippen waren geopend. En toen, terwijl Baree als een in elkaar gekromd hoopje over den grond rolde, zag zij, dat zijn oogen dicht zaten en dat er geronnen bloed kleefde aan zijn kaken en het licht verdween van haar gelaat even snel als wanneer de zon door een wolk verduisterd wordt.

„Baree,” riep zij zachtjes. Baree, Baree!—”

Zij lichtte hem met beide handen van den grond. Baree's kop zakte machteloos opzij. Zijn lichaam was zoo stijf, dat hij zich bijna niet bewegen kon. Zijn pooten waren gevoelloos. Hij kon nauwelijks uit zijn oogen kijken. Maar hij hoorde haar stem! Het was dezelfde stem, die tot hem gekomen was, dien dag, dat hij gewond was; de stem, die hij gehoord had, toen hij zich omstrikt had gevoeld door heur haren in de kloof—dezelfde stem, die hem had willen overreden, onder het rotsblok uit te komen! Zij deed hem beven. Zij scheen het trage bloed opnieuw op te jagen door zijn aderen en hij opende zijn oogen wijder en zag weer die prachtige sterren, die hem zoo zacht tegengeglansd hadden op den dag van Wakayoo's dood. Een der lange vlechten van de Wilg viel over haar schouder en hij snoof weer den geur van heur haar op, terwijl zij hem streelde en tegen hem praatte.

Toen stond zij plotseling op en verliet hem en hij bewoog zich in 't geheel niet, terwijl hij op haar wachtte. Zij was dadelijk weer terug met een kom warm water en een doek. Zacht waschte zij hem het bloed uit oogen en bek. En Baree verroerde zich nog steeds niet. Hij ademde nauwelijks. Maar Nepeese zag, dat er huiveringen door zijn lichaam schoten, terwijl haar hand hem aanraakte, als elektrische schokken.

„Hij heeft je met een knuppel geranseld,” prevelde zij, haar donkere oogen vlak bij die van Baree. „Hij heeft je geslagen! Zoo'n beest!”

Zij werden gestoord. De deur ging open en Mc Taggart stond naar hen te kijken, met een grijns op zijn roode tronie. Oogenblikkelijk liet Baree blijken, dat er nog leven in hem zat. Hij sprong van onder Nepeese's hand uit met een plotselingen snauw en keerde zich naar zijn vijand. Het haar op zijn rug stond overeind als een borstel, zijn tanden glinsterden dreigend en zijn oogen gloeiden als kolen vuur.

„Er zit iets duivelsch in hem,” zeide Mc Taggart. „Hij is woest—uit de wolven geboren. Je moet voorzichtig zijn, of hij zal je hand afbijten, Ka Sakahet!” Het was de eerste maal, dat hij haar dezen liefkoozenden naam gaf, die in de Cree-taal „liefste” beteekent! Haar hart klopte onstuimig. Zij boog een oogenblik het hoofd over de samengeklemde handen, en Mc Taggart, die dit gebaar voor verlegenheid aanzag, legde zijn hand liefkoozend op heur haar. Door de open deur had Pierrot het woord verstaan en nu zag hij de streeling en hij hief de hand op, als om een ontheiliging uit zijn gezicht te verbannen.

Mon Dieu!” hijgde hij.

Het volgende oogenblik uitte hij een kreet van verbazing, die vermengd werd met een gil van pijn, door den agent geuit. Snel als het weerlicht was Baree naar voren gesprongen en had zijn tanden in Mc Taggart's been geklemd. Zijn scherpe tanden beten diep in het vleesch, voor deze zich door een geweldigen schop wist te bevrijden. Met een vloek trok hij zijn revolver uit den bolster. De Wilg was hem echter voor. Zij sprong met een lichten kreet op Baree toe en nam hem in haar armen. Toen zij naar Mc Taggart opkeek, waren haar zachte hals en half ontbloote schouder vlak bij Baree's slagtanden. Haar oogen bliksemden den agent tegen.

„U hebt hem geslagen!” riep zij. „Hij haat u—haat u!”

„Laat hem loopen!” schreeuwde Pierrot in doodsangst. „Mon Dieu!—hoor je me niet!—laat hem los of hij zal je verscheuren!”

„Hij haat u—haat u—haat u!” herhaalde de Wilg nog steeds in het gezicht van den verstelden Mc Taggart. Toen, plotseling, wendde zij zich tot haar vader. „Neen, hij zal me niet verscheuren,” riep zij. „Kijk! Het is Baree. Heb ik het u niet gezegd? Het is Baree! Is het niet het beste bewijs, dat hij mij verdedigde—tegen hem!”

„Tegen mij?” hijgde Mc Taggart, terwijl zijn gelaat betrok.

Pierrot trad naar voren en legde zijn hand op Mc Taggart's arm. Hij glimlachte.

„Laten we het hen maar tusschen hen beiden laten uitvechten, M'sieu,” zeide hij. „Het zijn twee kleine heethoofden, die twee en wij zijn hier niet veilig. Als zij gebeten wordt—”

Hij haalde de schouders op. Er was een groote last van hem afgewenteld. Zijn stem was zacht en overredend. En nu was de boosheid geweken van het gezichtje van de Wilg. Zij wierp Mc Taggart eerst een blik toe, vol coquetterie en zij glimlachte even tegen hem, toen zij tegen haar vader sprak.

„Ik kom dadelijk bij u, mon père,—bij u en M'sieu den agent van Lac Bain!”

Er waren twee onmiskenbare kleine duiveltjes in haar oogen, dacht Mc Taggart—duiveltjes, die hem vol toelachten, terwijl zij dit zeide, zij zetten zijn hersens in brand en deden zijn bloed golven. Die oogen—vol dansende heksen! Wat zou hij ze temmen en er mee spelen—nu al heel spoedig! Hij volgde Pierrot, geheel onder de bekoring van deze vrouw, die spoedig zijn eigendom zou zijn. In zijn opwinding voelde hij de pijn van Baree's tanden niet meer.

„Ik zal u mijn nieuwe dog-cart laten zien, die ik in elkaar getimmerd heb voor van den winter, M'sieu,” zeide Pierrot, terwijl hij de deur achter hen sloot.


Een half uur later kwam Nepeese de hut in. Zij kon zien, dat Pierrot en de agent over iets gepraat hadden, wat haar vader onaangenaam was. Zijn gelaat stond strak. Zij ontdekte in zijn oogen een gloed, dien hij trachtte te dooven, zooals men vlammen onder een deken smoort. Mc Taggart's kaken waren op elkaar geklemd, maar zijn oogen flikkerden van blijdschap, toen hij haar zag. Zij wist, waar het om ging. De agent van Lac Bain had Pierrot's antwoord gevraagd en Pierrot had hem gezegd, op haar aandringen—dat hij daarvoor bij haar moest zijn! En nu zou hij komen! Zij keerde zich om, terwijl haar hart sneller klopte en haastte zich een klein paadje af. Zij hoorde Mc Taggart's stappen achter zich en wierp hem over haar schouder een vluchtigen glimlach toe. Maar zij klemde haar tanden op elkaar. Haar nagels waren in haar handpalmen gedrukt.

Pierrot bleef onbewegelijk staan. Hij keek hoe zij verdwenen aan den zoom van het bosch, Nepeese nog steeds eenige passen voor Mc Taggart uit. Er steeg een zucht uit zijn borst op.

Par les mille cornes du diable!” vloekte hij binnensmonds. „Is het mogelijk, dat zij glimlacht, van harte glimlacht tegen dien ellendeling? Neen! dat kan zij niet meenen. En toch, als het eens zoo was....”

Een van zijn bruine handen klemde zich krampachtig om het hoornen heft van het mes, dat aan zijn gordel hing en langzaam begon hij hen te volgen.

Mc Taggart maakte geen haast om Nepeese in te halen. Zij volgde een smal paadje, dat tot diep in het bosch doorliep en daar was hij blij om. Zij zouden alleen zijn—ver van Pierrot af. Hij bleef tien passen achter haar en opnieuw glimlachte de Wilg tegen hem, over haar schouder. Zij bewoog haar lichaam met snelle golvende bewegingen. Zij mat voortdurend den afstand tusschen hen beiden, maar Mc Taggart giste niet, dat zij daarom telkens zoo naar hem omkeek. Het was hem voldoende als zij maar door bleef loopen. Toen zij van het smalle weggetje afweek en een zijpad insloeg, dat nog ternauwernood gebaand was, sprong zijn hart op van verwachting. Als zij zoo doorging, zou hij haar heel spoedig voor zich alleen hebben—op geruimen afstand van de hut. Het bloed vloog hem naar het gezicht. Hij zeide geen woord, uit vrees, dat zij zou blijven stilstaan. Voor zich uit hoorde hij het gekabbel van water. Het was de kreek, die door den afgrond stroomde.

Nepeese ging regelrecht op dit geluid af. Met een lachje zette zij het op een holletje en toen zij aan den rand van den afgrond stond, was Mc Taggart volle vijftig meter achtergebleven. Twintig voet recht onder haar was een diepe poel tusschen de rotswanden, een poel, zoo diep, dat zij wel blauwe inkt leek. Zij keerde haar gelaat naar den agent van Lac Bain. Nooit had hij haar zoo volkomen een rood dier toegeschenen. Tot op dit oogenblik was zij niet bang geweest. Maar nu—in een sekonde joeg hij haar angst aan. Voor zij zeggen kon, wat zij zich had voorgenomen, was hij naast haar en had haar gelaat tusschen zijn twee groote handen genomen, terwijl zijn ruwe vingers krampachtig wroetten tusschen haar zijden lokken.

„Ka Sakahet!” riep hij hartstochtelijk. „Pierrot heeft gezegd, dat je mij je antwoord zoudt geven. Maar ik heb geen antwoord meer noodig! Je bent van mij! Van mij!”

Zij uitte een kreet. Het was een hijgend, gebroken geluid. Zijn armen omknelden haar als ijzeren banden, die haar teeder lichaam verbrijzelden, haar den adem benamen, de wereld bijna zwart voor haar maakten. Zij kon niet worstelen, noch gillen. Zij voelde den heeten hartstocht van zijn lippen op haar gelaat, hoorde zijn stem—en toen kwam er een oogenblik vrijheid en kon zij weer lucht halen in haar benauwde longen. Pierrot riep haar. Hij was den tweesprong genaderd en riep den naam van de Wilg!

Mc Taggart bracht zijn heete hand over haar mond.

„Geen antwoord geven,” hoorde zij hem zeggen.

Kracht, woede, haat vlamden in haar op en heftig sloeg zij die hand naar beneden. Er was iets in haar mooie oogen, dat macht had over Mc Taggart. Zij brandden als het ware in zijn ziel.

Bête noire!” hijgde zij, terwijl zij zich geheel van hem bevrijdde. „Beest! Zwart beest!” Haar stem trilde en haar gelaat gloeide. „Kijk—ik wilde je mijn poel laten zien—en je vertellen wat je van me weten wilde—en jij—jij hebt gekneld als een beest—je hebt me platgedrukt als een groote rots! Kijk—daar beneden—daar is mijn poel!”

Zij had niet gedacht, dat het op deze wijze zou gebeuren. Ze had zich voorgesteld, te glimlachen, zelfs hardop te lachen in dit oogenblik. Maar Mc Taggart had ze in de war gestuurd—al haar zorgvuldig overlegde plannen! En toch, terwijl zij naar beneden wees, keek de agent van Lac Bain een oogenblik in de diepte. En toen begon zij te lachen—lachend gaf zij hem plotseling een duw in den rug.

„En dat is nu mijn antwoord, M'sieu le Facteur van Lac Bain!” riep zij schamper, toen hij hals over kop in den diepen poel tuimelde tusschen de rotsen.


XIII.
De verlokking der Vrouw.

Op een open plek staande, had Pierrot gezien wat er gebeurd was en hij hijgde naar adem. Hij trok zich terug tusschen de balsemstruiken. Dit was geen geschikt oogenblik om zich te vertoonen. Zijn hart klopte als met hamerslagen, maar zijn gelaat straalde van vreugde.

Op haar handen en knieën gebogen, tuurde de Wilg over den rand van de kloof. Bush Mc Taggart was verdwenen. Hij was weggezonken als een groot blok hout en het water van den poel had zich boven zijn hoofd gesloten met een plonsend geluid, dat wel een uiting van triomf leek. Hij kwam nu weer boven en begon met armen en beenen te slaan, om zich drijvend te houden, terwijl de stem van de Wilg in schampere kreten tot hem doordrong.

Bête noire! Bête noire!—Beest!—Beest!—”

Zij wierp driftig kleine stokjes en kluitjes aarde op hem en opkijkend, nadat hij zijn evenwicht had herkregen, zag Mc Taggart haar zóo ver over den rand leunen, dat zij bijna leek te vallen. Haar lange vlechten glansden in de zon, haar oogen lachten en terwijl haar lippen hem uittartten, zag hij het blikkeren van haar witte tanden.

Beest! Beest!

Hij begon te zwemmen, steeds naar haar opkijkend. Op honderd meter afstand stroomde het water over een leisteenbodem en zou hij aan land kunnen klimmen en een heel eind liep zij met hem mee, lachend en schimpend, terwijl zij takjes en kiezelsteentjes naar hem mikte. Hij merkte op, dat geen van deze stokjes en steentjes groot genoeg waren om hem pijn te doen. Toen hij eindelijk zijn voet op vasten bodem zette, was zij verdwenen.

Snel liep Nepeese terug langs het paadje en bijna in Pierrot's armen. Zij hijgde en lachte toen zij een oogenblik stilhield.

„Ik heb hem het antwoord gegeven, Nootawe! Hij is in den poel!”

Zij verdween als een vogeltje tusschen de balsemstruiken. Pierrot deed geen poging, haar terug te houden of te volgen.

Tonnerre de Dieu!” grinnikte hij—en ging juist den tegenovergestelden kant op.

Nepeese was buiten adem, toen zij de hut bereikte. Baree, die met een leeren riem aan een tafelpoot vastgebonden lag, hoorde haar een oogenblik bij de deur stilstaan.

Toen trad zij binnen en kwam regelrecht op hem toe. Gedurende het halve uur van haar afwezigheid had Baree zich ternauwernood bewogen. Dat halve uur en de weinige minuten, die er aan vooraf waren gegaan, hadden een ontzaglijken indruk op hem gemaakt. Natuur, erfelijkheid en instinkt waren aan het werk, brachten orde in zijn verwarde gevoelens en deden een nieuw begrip tot hem doordringen. Een snelle en woeste ingeving had hem Mc Taggart doen aanvliegen, toen deze zijn hand op het hoofd van de Wilg had gelegd. Het was geen verstand geweest. Het was een teruggaan tot het oudste verleden van den hond, tot op dien dag, lang geleden, toen Kazan, zijn vader, om soortgelijke redenen, een bruut van een man gedood had in een tent. Het was het stille verbond tusschen den hond—en de vrouw. En hier was weer de vrouw in het spel. Zij had den grooten, verborgen hartstocht wakker geroepen, die in Baree was en dien hij van Kazan geërfd had. Hij wist, dat hij dit schepseltje, dat nu door de deur binnengetreden was, geen leed mocht doen. Hij beefde, toen zij opnieuw bij hem neerknielde en, door de lange reeks van jaren, overheerschte Kazan's bloed, zijn wolvennatuur onderdrukkend, zijn woesten aard en—met zijn kop plat op den grond, jankte hij zachtjes en kwispelstaartte.

Nepeese gaf een kreet van vreugde.

Baree!” fluisterde zij, zijn kop tusschen haar twee handen nemend. „Baree!”—

Haar aanraking deed hem rillen. Zijn lichaam schokte en zij voelde de siddering en het bracht een dieperen glans in haar oogen. Zacht streelde haar hand zijn kop en rug. Het scheen Nepeese toe, dat hij geen adem haalde. Onder deze liefkoozing sloot hij zijn oogen. Het volgende oogenblik praatte zij tegen hem en op den klank van haar stem sprongen zijn oogen open.

„Hij zal hier komen—die ellendeling!—en hij zal ons willen vermoorden,” zeide zij. „Hij zal jou doodmaken, omdat je hem gebeten hebt, Baree! Oef! Ik wilde, dat je grooter en sterker was, dan kon je zijn hoofd voor me afbijten!”

Nepeese was bezig, ingehouden lachend, den leeren riem los te maken van den tafelpoot. Zij was niet bang. Het was een geweldig avontuur—en zij sidderde van opwinding bij het denkbeeld, dat monster van een man verslagen te hebben, op haar eigen manier. Zij zag hem weer in den poel, worstelend en spartelend als een groote visch. Hij zou op het oogenblik zeker bezig zijn, naar boven te klauteren in de kloof—en zij lachte opnieuw, terwijl zij Baree onder haar arm opnam.

„O—Oopi—Nao—wat ben je zwaar!” hijgde zij. „En toch moet ik je wel dragen, want we moeten hollen!”

Zij haastte zich naar buiten. Pierrot was nog niet teruggekomen en zij sprong snel tusschen de balsemstruiken aan den achterkant van de hut, met Baree in haar arm gekneld, die wel een volle zak leek, in het midden met een touw dichtgebonden. Zoo zou hij zich hebben uitgedrukt, als hij had kunnen praten. Maar hij voelde toch geen neiging om zich los te wringen. Nepeese snelde zoo met hem voort, tot haar arm pijn deed. Toen bleef zij stilstaan en zette hem neer, stevig den riem vasthoudend, die om zijn nek gebonden was. Zij was voorbereid op een grooten ruk, waarmee hij zijn vrijheid zou trachten te herwinnen. Zij verwachtte, dat hij een poging daartoe zou doen en bleef naar hem kijken, terwijl Baree, voor het eerst weer buiten, om zich heen keek. En toen begon de Wilg zachtjes tot hem te spreken.

„Je gaat me niet wegloopen, Baree. Neen, je blijft bij mij en wij zullen dat beest van een man vermoorden, als hij me nog eens durft aandoen, wat hij vandaag gedaan heeft. Bah!” Zij wierp het losse haar naar achteren, van haar gloeiend gelaat, en voor een oogenblik vergat zij Baree, terwijl zij zich die halve minuut aan den rand van de kloof weer voor den geest haalde. „Neen, je mag niet wegloopen—je moet me volgen,” fluisterde zij. „Kom!”

De riem snoerde zich vaster om Baree's nek, terwijl zij hem dwong, haar te volgen. Hij voelde zich, alsof hij opnieuw in den konijnenstrik gevangen zat en hij zette zich schrap en liet heel even zijn tanden zien. De Wilg trok niet aan. Zonder vrees legde zij haar hand opnieuw op zijn kop. In de richting van de hut hoorde zij iemand roepen en op het geluid hiervan nam zij Baree weer op onder haar arm.

Bête noire!—Bête noire!” riep zij minachtend, maar zoo zacht, dat het maar over een kleinen afstand te hooren was. „Ga terug naar Lac Bain—Owases—jij wild beest!” Zij baande zich snel een weg door het bosch. Het werd dichter en donkerder en er waren geen paden meer. Drie maal in het volgende half uur bleef zij stilstaan, om Baree neer te zetten en haar arm rust te geven. Elken keer trachtte zij hem liefkoozend over te halen, haar te volgen. Den tweeden en derden keer wiegelde Baree zich kwispelend heen en weer, maar verder dan deze uiting van zijn voldoening over den keer, dien de zaken genomen hadden, wilde hij niet gaan. Wanneer de riem zich vernauwde om zijn nek, zette hij zich schrap, en gromde hij en beet woedend naar den riem. Dus ging Nepeese er mee voort hem te dragen. Eindelijk kwamen zij aan een open plek. Het was een kleine weide in het hartje van het bosch, niet meer dan drie- of viermaal zoo groot als de hut; het gras vormde hier een groen, zacht tapijt en was bezaaid met bloemen. Dwars door deze oase vloeide een stroompje, waar de Wilg overheen sprong met Baree onder haar arm en aan den anderen oever van dit beekje stond een kleine tepee, vervaardigd van versch-afgesneden balsem- en dennetakken.

Baree drong zich tegen den muur van de tepee aan en keek nauwlettend toe bij wat er nadien gebeurde. Geen beweging van de Wilg ontging hem. Zij straalde van geluk. Zij wierp haar armen in de lucht en haar lach, welluidend als een vogeltriller, deed Baree verlangen, met haar mee in het rond te springen tusschen de bloemen. Een tijdlang scheen Nepeese hem te vergeten. Haar wild bloed golfde onstuimig van vreugde over de overwinning op den agent van Lac Bain. Zij zag hem weer in den poel spartelen; stelde zich hem nu voor in de hut, doorweekt en woedend, vragend aan „Mon Père”, waar zij naar toe was gegaan. En „Mon Père” zou hem schouderophalend antwoorden, dat hij het niet wist, dat zij waarschijnlijk het bosch ingeloopen was. Het kwam niet in haar hoofd op, dat zij, door Mc Taggart deze poets te bakken, met dynamiet speelde. Zij voorzag niet het gevaar, dat, had zij het begrepen, in een oogwenk den blos van haar wangen zou hebben weggevaagd en het bloed in haar aderen doen stollen—; zij giste niet, dat Mc Taggart nu een doodelijker bedreiging voor haar geworden was dan alle wolven uit het bosch tezamen. Want de agent had haar in zijn armen gehad, hij had haar hart tegen het zijne voelen kloppen, de warme zachtheid van haar lippen en gelaat, de zijden streeling van heur haar—en dit had de hitte van zijn verlangen opgevoerd tot het kookpunt. Nepeese wist, dat hij boos was. Maar wat had zij te vreezen? „Mon Père” zou ook boos zijn, als zij hem vertelde, wat er aan den rand van de kloof gebeurd was. Maar zij zou het hem niet vertellen. Hij zou hem anders best kunnen vermoorden. Een handelsagent was een persoon van gewicht. Maar Pierrot, haar vader, was nog machtiger. Zij had in hem een onbegrensd vertrouwen, dat zij van haar moeder geërfd had. Op het oogenblik zou zij hem zeker terug sturen naar Lac Bain, zeggende, dat hij daar zijn eigen zaken maar moest behartigen. Maar zij wilde niet naar de hut teruggaan, om zelf te kijken. Zij zou hier wachten. „Mon Père” zou wel begrijpen en hij wist, waar hij haar vinden kon, wanneer Mc Taggart weg was. Maar het zou zoo grappig zijn, hem stokjes na te werpen!

Na een poosje keerde zij naar Baree terug. Zij bracht hem water en gaf hem een stukje rauwe visch. Urenlang waren zij alleen en met de uren groeide het verlangen bij Baree aan, het meisje te volgen bij elke beweging die zij maakte, naar haar toe te kruipen op de plek waar zij zat, haar japon, haar hand aan te raken—en haar stem te hooren. Maar hij toonde dit verlangen niet. Hij was nog een wild beest, half wolf, half hond en hij bleef stil liggen. Met Umisk zou hij gespeeld hebben. Met Oohoomisew zou hij gevochten hebben. Aan Bush Mc Taggart zou hij zijn slagtanden getoond hebben en ze diep in zijn vleesch begraven hebben, als hij er de kans toe kreeg. Maar met het meisje was het iets anders. Hij was begonnen haar te vereeren. Als de Wilg hem losgemaakt had, zou hij niet weggeloopen zijn. Als zij hem verlaten had, zou hij haar gevolgd zijn—op een afstand. Zijn oogen weken nooit van haar af. Hij keek toe, terwijl zij een klein houtvuurtje begon te bouwen en een stuk visch kookte. Hij keek naar haar, terwijl zij haar middagmaal gebruikte. Het was al heel laat in den middag, toen zij dicht bij hem kwam zitten, met haar schoot vol bloemen, die zij tusschen haar glanzende vlechten begon te steken. Toen begon zij Baree speelsch met de punt van een dier vlechten te slaan. Hij schrok terug onder die zachte aanraking en Nepeese, met dat zachte keellachje, trok zijn kop in haar schoot, waar de bloemenafval lag. Zij praatte tegen hem. Haar hand streelde zijn kop. Toen bleef deze stil liggen, zóó dicht bij hem, dat hij zijn warme, roode tong wel had willen uitsteken en haar liefkoozen. Hij ademde den bloemengeur in en lag doodstil. Het was een heerlijk oogenblik. Nepeese, die op hem neerkeek, zag hem onbeweeglijk liggen.

Zij werden gestoord. Het was een droge stok, die knapte. Pierrot was door het bosch komen aansluipen, geruischloos als een kat, en toen zij opkeek, stond hij aan den rand van de open plek. Baree wist, dat het niet Mc Taggart was. Maar het was toch een man-dier! Oogenblikkelijk verstrakte zijn lichaam onder de hand van de Wilg. Hij trok zich langzaam en voorzichtig terug van haar schoot en toen Pierrot naar voren kwam, gromde hij. Dadelijk was Nepeese opgesprongen en naar Pierrot toegesneld. De uitdrukking op zijn gelaat joeg haar schrik aan.

„Wat is er gebeurd, mon père?” riep zij.

Pierrot haalde zijn schouders op.

„Niets, Nepeese—behalve dat je duizend duivels hebt opgeroepen in het hart van den agent van Lac Bain, en dat—”

Hij zweeg toen hij Baree zag en wees naar hem.

„Vannacht, toen M'sieu de agent hem in zijn strik gevangen heeft, heeft hij in M'sieu's hand gebeten. M'sieu's hand is zoo opgezwollen, dat zij nu tweemaal zoo dik is als anders, ik kan zien, dat zijn bloed zwart wordt. Het is pechipoo.”

Pechipoo!” hijgde Nepeese.

Zij keek Pierrot in de oogen. Zij waren donker en er lag een sombere gloed in—van opwinding, dacht zij.

„Ja, het is bloedvergiftiging,” vervolgde Pierrot. Hij knikte en wierp haar over zijn schouder een loozen blik toe. „Ik heb de medicijn weggestopt en hem gezegd, dat hij zoo gauw mogelijk naar Lac Bain terug moest gaan. En hij is bang—die duivel! Hij wacht nog steeds. Terwijl die hand zwart wordt, is hij nog bang om alleen terug te reizen en dus ga ik met hem mee. En—luister eens, Nepeese. Wij zullen bij zonsondergang vertrekken en er is iets, wat je weten moet, voor ik wegga.”

Baree zag hen daar, vlak bij elkander, in de schaduwen, die de hooge sparren afwierpen. Hij hoorde het zachte gemurmel van hun stemmen—voornamelijk die van Pierrot—en ten laatste zag hij hoe Nepeese haar beide armen om den hals van haar vader sloeg en Pierrot weer wegging door het bosch. Baree dacht, dat de Wilg daarna nooit weer zijn kant uit zou zien. Langen tijd bleef zij staren in de richting, waarin Pierrot verdwenen was. En toen zij eindelijk bij hem terugkwam, geleek zij in 't geheel niet meer op de Nepeese, die zich bloemen in het haar had gestoken. De lach was van haar gelaat en uit haar oogen verdwenen. Zij knielde naast hem neer en nam met plotselinge heftigheid zijn kop tusschen haar handen.

„Het is pechipoo, Baree,” fluisterde zij. „Jij bent het geweest—jij—die dat vergif in zijn bloed gebracht hebt—en ik hoop, dat hij eraan sterven zal! Want ik ben bang—bang!”

Zij huiverde.

Misschien deed in dit oogenblik de Groote Geest der dingen Baree begrijpen—dat zijn dag thans gekomen was, dat de zon voor hem in 't vervolg niet aan den hemel stond, maar verpersoonlijkt werd door dit meisje, wier hand op zijn kop rustte. Hij jankte zachtjes en voetje voor voetje kroop hij dichter naar haar toe, totdat eindelijk zijn kop weer in haar schoot rustte.


XIV.
De dochter van den storm.

Langen tijd bewoog Nepeese zich niet. Zij bleef stil zitten, op dat open plekje in het bosch, haar schoot vol bloemen, terwijl Baree's oogen met ware hondentrouw op haar gelaat gericht bleven.

Enkel en alleen door de macht van haar zachtheid en teederheid en haar vertrouwen in hem had zij Baree voor zich gewonnen. Hij vereerde haar nu als een slaaf. Hij was bereid, zich ten allen tijde te voegen naar haar wil.

Toen zij opkeek, stapelden zich zwarte wolken langzaam op boven de sparretoppen. De duisternis viel in. In het gefluister van den wind en de doodsche stilte van de verdichtende schemering sprak het opkomen van onweer. Vanavond zou er geen zonsondergang te zien zijn. Men zou niet bij het licht der schemering de paden kunnen volgen; er zouden geen maan en geen sterren schijnen; en indien Pierrot en de agent van Lac Bain al niet vertrokken waren, zouden zij zich zeker niet op weg begeven te midden van den zwarten nacht, die spoedig over het land gespreid zou liggen. Nepeese huiverde en stond op. Voor het eerst stond Baree ook op en stelde zich aan haar zijde. Boven hen sneed een bliksemstraal als een mes van vuur door de wolken, oogenblikkelijk gevolgd door een geweldigen donderslag. Baree kromp ineen alsof men hem een slag toegebracht had. Hij had wel een schuilplaats willen zoeken onder de tepee, maar toen hij naar de Wilg keek, had zij iets over zich, dat hem vertrouwen inboezemde. De donder dreunde opnieuw. Maar hij ging niet op de vlucht. Zijn oogen bleven op haar gericht.

Zij stond daar, tenger en recht, in de toenemende duisternis, die door het hemelvuur gespleten werd, het mooie hoofd in den nek geworpen, de lippen geopend, de oogen gloeiend van begeerige verwachting—als een gebeeldhouwde godin, die met ingehouden adem de aanstormende hemelkrachten verwelkomt. Misschien kwam dit, omdat zij geboren was in een nacht van noodweer. Meermalen hadden Pierrot en haar gestorven moeder haar dit verteld—dat zij ter wereld gekomen was op een nacht, toen storm en onweer de wereld tot een hel maakten, toen de rivieren buiten haar oevers getreden en de boomen bij duizenden gevallen waren en het kletteren van den regen op het dak van hun hut haar moeders smartkreten en haar eigen eerste geschreeuw overstemd had. In dien nacht was de Geest van den Storm zeker in haar geboren. Zij hield er van, er naar te kijken, zooals zij het thans deed. Het deed haar alles vergeten buiten de ontzaglijke macht der natuur; haar natuur-ziel sidderde bij dit geweld en dikwijls had zij haar bloote armen omhoog geheven en gelachen van blijdschap als het noodweer boven haar hoofd losbarstte. Ook nu zou zij in de vlakte zijn blijven staan tot de regen begon te vallen, wanneer een janken van Baree haar niet had doen omzien. Toen de eerste dikke droppels als looden kogeltjes begonnen neer te vallen, ging zij met hem in den schuilhoek van balsemtakken.

Nog eens tevoren had Baree een dergelijken nacht meegemaakt—dien nacht, toen hij zich verborgen had onder een boomwortel en een boom zag splijten door het weerlicht; maar nu had hij gezelschap, en de zachte druk van Nepeese's hand op zijn kop en nek vervulden hem met een zonderlingen moed. Hij gromde zachtjes tegen het lawaai van den donder. Hij wilde naar het weerlicht bijten om haar te beschermen. Nepeese voelde zijn lichaam verstijven onder haar hand en eens, toen het een oogenblik stil werd, hoorde zij zijn tanden zenuwachtig op elkaar slaan. Toen begon de regen te vallen. Hij was niet als andere regens, die hij had meegemaakt. Het was een overstrooming, neerploffend uit pikzwarte lucht. Binnen vijf minuten was het takkenhutje totaal doorweekt, na een half uur was Nepeese tot op haar huid toe nat. Het water liep in beekjes langs haar rug en borst, het sijpelde uit haar vlechten, droppelde van haar wimpers en de deken, waarop zij zat, leek wel een natte dweil. Baree voelde zich bijna even ellendig als na zijn bad, volgend op het gevecht met Papayuchisew en rolde zich hoe langer hoe meer in elkaar onder den beschuttenden arm van de Wilg. Het scheen eindeloos te duren voor de donder naar het Oosten wegrolde en het licht begon weg te sterven tot het zoo nu en dan nog maar in de verte opflikkerde. Zelfs daarna bleef de regen nog wel een uur lang vallen. Toen hield hij op, even plotseling als hij begonnen was. Lachend en hijgend sprong Nepeese op. Het water klokte in haar mocassins toen zij naar buiten liep. Zij lette niet op Baree—en hij volgde haar. Door de opening tusschen de boomtoppen zag zij de laatste donkere wolken wegdrijven. Er glinsterde een ster. Daarna nog een en de Wilg bleef naar den hemel kijken tot er zooveel waren, dat zij ze niet meer tellen kon. Het was nu niet donker meer. Een verrukkelijke sterrenlucht overstroomde den hemel na de inktzwarte duisternis van den storm.

Nepeese keek weer neer en zag Baree. Hij stond volkomen los, met de vrijheid aan alle kanten om zich heen. Toch liep hij niet weg. Hij wachtte, zoo nat als een waterrat, met zijn oogen op haar gericht. Nepeese maakte een beweging naar hem toe en aarzelde.

„Neen, je zult niet wegloopen, Baree. Ik wil je los laten. En nu moeten we een vuur gaan aanleggen!”

Een vuur! Iedereen, met uitzondering van Pierrot, zou gezegd hebben, dat zij krankzinnig was. Geen stam of twijg in het bosch, die niet droop van het nat! Zij konden het water aan alle kanten hooren neervallen.

„Een vuur,” zeide zij weer. „Laten we wat wuskwi gaan zoeken, Baree.”

Met haar druipnatte kleeren aan haar lichaam klevend, geleek zij wel een tengere schaduw, zooals zij de doorweekte open plek overstak en zich tusschen de boomen begaf. Baree volgde haar nog steeds. Zij ging regelrecht naar een berk, dien zij dien dag in de buurt ontdekt had, en begon de losse schors af te trekken. Een armvol van dezen berkebast droeg zij tot dicht bij de tepee en daar bovenop hoopte zij lading na lading nat hout, tot zij een hoogen stapel had. Uit een flesch, die in de tepee stond, haalde zij een drogen lucifer en bij de eerste aanraking met het kleine vlammetje daarvan laaide de berkebast op als papier, gedrenkt in olie. Een half uur later zou men het vuur van de Wilg—zoo het niet door het omringende bosch verborgen was geweest—in de hut op een mijl afstands hebben kunnen zien. Zij staakte haar houtopgooien pas, toen de vlammen twaalf voet in de lucht reikten. Toen dreef zij stokken den grond in en spreidde over deze stokken de deken uit, om haar te laten drogen. Daarna begon zij zich te ontkleeden.

Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken. Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde, opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de armen uitstrekte:

„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik het mijn kleeren doe!”

Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving. Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer naar Baree toebuigend fluisterde zij:

„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. Ninga—ja, we zullen gaan!”

Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort, terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar, dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween, zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.

Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en Bush Mc Taggart waren vertrokken.


XV.
Nepeese laat zich gelden.

Het was begin Augustus—„Uitvliegmaand”—toen Pierrot van Lac Bain terugkeerde, en over drie dagen zou Nepeese haar zeventienden verjaardag vieren. Hij bracht van allerlei voor Nepeese mee—haarlinten, echte schoenen, die zij zoo nu en dan droeg, in navolging van de twee Engelsche vrouwen, die in Nelson House woonden en—het mooiste van alles—een lap prachtig rood goed voor een japon! In de drie winters, die zij op de Zendingsschool had doorgebracht, hadden deze vrouwen zich veel met Nepeese bemoeid. Zij hadden haar leeren naaien, zoowel als schrijven, lezen en bidden en er waren tijden, dat de Wilg aandrift kreeg, te doen zooals zij. Zij werkte daarom dan ook drie dagen lang hard aan haar nieuw gewaad en op haar verjaardag vertoonde zij zich aan Pierrot's oogen in een kleederdracht, die hem deed verstommen van bewondering. Zij had heur haar in groote glanzende torsades en in vlechten op de kruin van haar hoofd gelegd, zooals Yvonne, de jongste der Engelsche vrouwen, haar dit geleerd had en in het rijke gitzwart daarvan was een takje van de gloedroode vuurbloem half verborgen. Hieronder en onder den gloed van haar oogen en den rooden blos van haar wangen en lippen, kwam de nieuwe roode japon, aansluitend aan haar sierlijk, slank lichaam volgens een model, dat twee jaar geleden mode geweest was op Nelson House. En onder die japon, die ternauwernood tot over haar knieën reikte—Nepeese had heelemaal vergeten welke lengte ze hebben moest, of anders had zij te weinig stof gehad—stak de coupe de maître van haar toilet uit, echte kousen en de prachtige schoentjes met hooge hakken!

Nepeese was een visioen, bij het zien waarvan de boschgoden in verrukking geweest zouden zijn. Pierrot draaide haar om en om, zonder een woord te zeggen, al maar glimlachend. Maar toen zij hem verliet, een beetje kreupel loopend door de nauwsluitendheid van haar schoenen, door Baree gevolgd, werd die glimlach van zijn gelaat weggevaagd en was dit bleek en strak.

Mon Dieu!” prevelde hij, met een gedachte, die hem pijn deed. „Zij is niet van haar moeders bloed—neen. Zij is Fransch. Zij ziet er uit als een—als een engel.”

Er was een verandering over Pierrot gekomen. Gedurende de drie dagen waarin zij aan haar japon naaide, was Nepeese te opgewonden geweest om deze verandering te bemerken en Pierrot had zijn best gedaan, haar voor haar verborgen te houden. Hij was tien dagen weggebleven op zijn uitstapje naar Lac Bain en hij had Nepeese het heuglijk nieuws meegebracht, dat M'sieu Mc Taggart heel ziek was van de pechipoo—de bloedvergiftiging—nieuws, waarover de Wilg van blijdschap in de handen geklapt had. Maar hij wist, dat de agent beterende was en dat hij weer terug zou komen in hun hut bij den Grijzen Fuut. En als hij nu kwam—

Het was deze gedachte, die hem zoo ongerust deed kijken. En hij kon haar niet van zich afzetten op dezen dag, terwijl haar lach tot hem kwam als een vogellied. Dieu! In weerwil van haar zeventien jaren was zij nog heelemaal een kind! Zij kon zijn vreeselijke visioenen niet vermoeden. En de vrees, haar voor altijd op te wekken uit die mooie kinderdroomen, weerhield hem, haar de heele waarheid te vertellen, zoodat zij alles zou begrijpen. Neen,—dat zou niet gebeuren. Zijn ziel was vervuld van een groote, zachte liefde voor haar. Hij, Pierrot Du Quesne, zou over haar waken. En zij zou lachen, en zingen, en spelen en geen deel hebben aan de zwarte voorgevoelens, die zijn leven kwamen bederven.

Vandaag kwam uit het zuiden Mac Donald, de Gouvernements-kaartenmaker. Hij was een grijze man, met een frisschen lach en een rein hart. Twee dagen bleef hij bij Pierrot. Hij vertelde Nepeese over zijn dochters, thuis; over haar moeder, wie hij een grooter vereering toedroeg, dan welk schepsel ook ter wereld; en voor hij terugkeerde van zijn onderzoek naar den groei van een zekere dennensoort, nam hij fotografieën van de Wilg, zooals hij haar voor het eerst gezien had op haar verjaardag, met hoog kapsel, de roode japon en de hooggehakte schoentjes. Hij nam de negatieven met zich mee en beloofde Pierrot, dat hij er hem op de een of andere wijze een afdruk van zou laten bezorgen. Aldus gaat het Lot te werk, op zijn zonderlinge en oogenschijnlijk onschuldige wijze, terwijl het web van zijn tragediën gespannen wordt.

Er volgden nu weken van kalmte en rust bij den Grijzen Fuut. Het waren heerlijke dagen voor Baree. In het begin was hij achterdochtig tegenover Pierrot. Na een poosje duldde hij hem en eindelijk begon hij hem te beschouwen als een deel van de hut en van Nepeese. Hij werd letterlijk de schaduw van de Wilg. Pierrot merkte deze aanhankelijkheid met groote voldoening op.

„Ah! nog maar een paar maanden—als hij dan M'sieu den agent naar de keel vloog!” prevelde hij op zekeren dag.

In September, toen hij zes maanden oud was, was Baree bijna even groot als Wolvin—zijn beendergestel was zwaar, zijn slagtanden lang, zijn borst breed, en met zijn kaken kon hij een been verbrijzelen alsof het een stok was. Nepeese bewoog zich nooit zonder dat hij bij haar was. Zij zwommen samen in de twee poelen—den poel in het bosch en den poel tusschen de rotsige wanden van de kloof. In het begin was Baree geschrokken als Nepeese van de rots sprong, waarvan zij Mc Taggart naar beneden had geduwd, maar na afloop van een maand had zij hem geleerd, haar na te springen. Laat in Augustus zag Baree voor het eerst leden van zijn eigen geslacht, buiten Kazan en Wolvin. Gedurende den zomer liet Pierrot zijn honden vrij rondloopen op een eilandje, in het midden van een meer, twee of drie mijlen verwijderd, en twee keer per week zette hij zijn netten uit om visch voor hen te vangen. Nepeese vergezelde hem op een van deze uitstapjes en nam Baree mee. Pierrot droeg zijn lange kariboedarmzweep. Hij verwachtte een gevecht. Maar er kwam er geen. Baree vloog met den troep mee op de visch af en at met hen mee. Dit beviel Pierrot.

„Hij zal een pracht van een sledehond zijn,” grinnikte hij. „Het zou het beste zijn, hem een week met den troep samen te laten, Nepeese.”

Weerstrevend gaf Nepeese haar toestemming. Terwijl de honden nog druk aan hun visch bezig waren, trokken zij er stilletjes tusschenuit. Hun kano was al een heel eind weg, toen Baree ontdekte welke poets zij hem gespeeld hadden. Oogenblikkelijk sprong hij het water in en zwom hen achterna en de Wilg hielp hem in de kano te komen.

In het begin van September gaf een voorbijreizende Indiaan Pierrot bericht van Bush Mc Taggart. De agent was heel ziek geweest. Hij was op den dood af geweest door bloedvergiftiging, maar nu was hij weer beter. Bij het begin van den herfst drukte een nieuwe vrees Pierrot. Maar hij zeide er niets van aan Nepeese. De Wilg was den agent van Lac Bain bijna vergeten, want de heerlijkheid van den herfst zat haar in het bloed. Zij ging met Pierrot mee op lange tochten en hielp hem, een nieuwe vallenlijn aanleggen, die in gebruik zou genomen worden bij het vallen der eerste sneeuw en op deze tochten werd zij altijd door Baree vergezeld. Het meerendeel van haar vrijen tijd gebruikte zij om hem op te leiden voor sledehond. Zij begon met een leeren riem en een stok. Het kostte haar een heelen dag voor zij er Baree toe kreeg, den stok achter zich aan te sleepen, zonder dat hij zich ieder oogenblik omkeerde om er naar te bijten of te grommen. Daarna maakte zij nog een tweeden riem aan hem vast en liet hem twee stokken voortsleepen. Op deze wijze bereidde zij hem voor op het sledetuig, totdat, na veertien dagen, hij alles achter zich aansleepte, wat zij verkoos aan hem vast te binden. Pierrot bracht twee honden van het eiland mee naar huis en Baree werd met deze aan het oefenen gezet en hielp mee, de ledige dog-car voorttrekken. Nepeese was verrukt. Toen de eerste sneeuw viel klapte zij in de handen en riep tot Pierrot:

„Over een paar maanden zal ik den besten hond van den troep aan hem hebben, mon père!”

Nu was de tijd voor Pierrot aangebroken om te zeggen wat hij op het hart had. Hij glimlachte. Diantre—wat zou die gemeene agent van Lac Bain woedend zijn als hij merkte hoe hij er tusschen genomen was! En toch—

Hij probeerde zijn stem gewoon en kalm te doen klinken.

„Van den winter stuur ik je weer naar school op Nelson House, ma chérie,” zeide hij. „Baree zal helpen je er heen te trekken, door de eerste zware sneeuw.”

De Wilg was bezig een knoop te leggen in Baree's riem en zij kwam langzaam overeind en keek Pierrot aan. Haar oogen waren groot en donker en kalm.

„Ik ga daar niet heen, mon père!”

Het was voor het eerst, dat zij Pierrot tegensprak—op deze manier. Het ontroerde hem. En hij had moeite haar blik uit te houden. Hij was niet knap in het overbluffen. Zij zag, waar hij aan dacht,—zij scheen in zijn hart te lezen—het leek of zij grooter werd. Haar adem kwam sneller en hij zag haar borst hijgen, Nepeese wachtte zijn antwoord niet af.

„Ik ga daar niet heen, mon père!” herhaalde zij met nog grooter beslistheid en boog zich opnieuw over Baree.

Schouderophalend sloeg hij haar gade. Alles bijeengenomen, had hij geen reden om blij te zijn? Zou het zijn hart geen pijn gedaan hebben als zij blij geweest was, bij de gedachte, hem te verlaten? Hij kwam naast haar staan en legde met groote teederheid zijn hand op haar glanzend haar. De Wilg glimlachte naar hem op. Zij hoorden het geklik van Baree's tanden, toen hij zijn snoet op den arm van de Wilg deed rusten. Voor het eerst sedert weken was de wereld met zonneschijn voor Pierrot vervuld. Toen hij naar de hut terugkeerde hield hij zijn hoofd hooger. Nepeese wilde hem niet verlaten! Hij lachte zachtjes. Hij wreef zich de handen. Zijn vrees voor den agent van Lac Bain was verdwenen. Staande bij de deur der hut keek hij nog eens om naar Nepeese en Baree.

„Alle Heiligen zijn geloofd!” mompelde hij. „Nu—nu—weet Pierrot Du Quesne wat hem te doen staat!”