WeRead Powered by ReaderPub
Dionyzos cover

Dionyzos

Chapter 7: VI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een reeks lyrische overdenkingen en verhalende gedichten roept de wijngod en zijn mythologische kring op, waarbij rituele uitbundigheid en sensuele verbeelding centraal staan. De teksten contrasteren een noordelijke melancholie met zuiderlijke hartstocht en verkennen de tweeslachtigheid van de ziel die tussen ingetogen verdriet en extatische bevrijding zweeft. Beelden van marmer, saters, fluitspel, wijngaarden en ochtendlandschappen vormen het vocabulaire van zowel intieme klaagzangen als feestelijke gezangen. De samenstelling wisselt korte oden met langere beschrijvingen en ekphrases, steeds terugkerend op thema’s van verlangen, troost en transformatie.

The Project Gutenberg eBook of Dionyzos

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Dionyzos

Author: Louis Couperus

Release date: March 31, 2022 [eBook #67746]
Most recently updated: October 18, 2024

Language: Dutch

Original publication: Netherlands: L. J. Veen, 1904

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DIONYZOS ***
[Inhoud]

[Inhoud]

DIONYZOS

DIONYZOS
L. J. VEEN—AMSTERDAM

[V]

[Inhoud]

DIONYZOS-STUDIËN.

[Inhoud]

I.

Na de Kleine Zielen,
en vóor Dionyzos.…

O, Dionyzos—druivenperser—god,

Dien ik gedenk, wanneer mijn morgens dwalen

Langs lange marmergodenvolle zalen,

Na ’t scheemren veler kleiner Zielen lot;

O, Dionyzos, laat uw lach en spot

En spel en sterke levenswellust stralen,

Hel glanzend goud vol zuider-idealen,

En schenk mij in uw schalen ’t nieuw genot!

Mijn ziel is twee: een kind van noordewee,

Duikt zij deemoedig onder noordeluchten

En voelt zich éen met grauwe lucht en zee.

Maar als de schemervizioenen vluchten

Na ’t kleurloos schaadwen duistrer kleinen leed,

Slaakt zij naar blaùwe lucht haar jubelkreet;

[VI]

[Inhoud]

II.

Voelt zij zich, Dionyzos, met u één,

Blaakt zij uw leven meê: verwonderd blikken

Haar heldrende oogen naar die oogenblikken

Terug, waarin zij welkte in geween.

Zij weent niet meer; en wil niet meer gesteen

En starende oogen, en het stootend snikken;

Niet meer het onder Noodlot onverwrikken

En scheemren, samen met die Zielen kleen.

Zij schiep ze, Dionyzos, maar, geschapen,

Strijkt zij de hand zich langs de smarteslapen

En zucht zij op, heel diep uit ùwe ziel!

En lachen zoû zij willen zonder reden,

Een kind gelijk, dat gij, o mijn aanbeden

Genot! verlost van weemoeds noodlotwiel!

[VII]

[Inhoud]

III.

Nu, lachend, speuren mijn begeerige oogen

Naar iedren sater, dien ik, marmer, zie,

Beschonken, neêrgezonken op éen knie,

Den wijnzak drukkende; dra zat gezogen,

Loert naar een nymf hij met zijn scheel gespie:

Zijn dronken vingers bootsen, lustgebogen,

Krampbevende haar lichaam na: gedoogen

Zal hij het nooit, dat zij hem snel ontvlie.

Zijn lach grijnst breed; zijn spitse ooren trillen,

Zijn lippen, droesemrood nog, zouden willen

Haar lippen bijten met zijn dronken zoen.

In ’t marmer is zijn wil veronverwrikbaard;

Hij weet—en van voldoening spitst zijn sikbaard—

Dat Dionyzos haar geen hulp zal doen!

[VIII]

[Inhoud]

IV.

O, Dionyzos, laat uw godeleven

Ik zonhel, etherdiep nu gadeslaan

Langs purperwanden van het Vaticaan;

De zalen door, waar vaag de schimmen zweven

Der badgenooten van Diocletiaan,

Die zich UW ranken om de slapen weven!

O, laat mijn loome voeten dwalen, beven

Mijn dronken ziel bij ’t Kapitool-ingaan!

Ik zoek U slechts, ik zoek UW ruige saters!

Mijn zinnen smachten naar hùn dolle schaters,

Mijn heet hart hijgt naar uwer faunen zang:

Nòg spelen fluit zij als Praxiteles

Hun vingers leerde, parelgamma-les,

Op rietjes, drie kort en vier rietjes lang!

[IX]

[Inhoud]

V.

Mijn Dionyzos, dien ik al zoo innig

Zie voor mijn zuidelijke ziel, o zeg,

Moet ik nog wachten, vóor ik om u leg

Mijn beide handen, u omvat beminnig,

En geef mijzelven aan uzelven weg?

Vinden uw saters mij te droef diepzinnig

Of zal hun spot mij heeklen veel te vinnig

Omdat ik, u omhelzende, overleg …?

Maar zoo mijn noordelijke ziel blijft treuren,

Zult gij, o blijde god, niet waardig keuren,

Wie U wil zeggen met te doffen klank;

Mijn ziel is twee: ik hoor haar stem nòg klagen:

Haar woord moet schel zijn als een cymbelsprank,

Om u te heerlijken langs myrtehagen!

[X]

[Inhoud]

VI.

Ludovisi-Buancampagni.

Ik zie slechts u, ik zie u overal,

Zie, kind, u op Silenos’ armen slapen,

Zie, knaap, u schoonste, onder alle knapen,

Zie, jongling, zwelgen u bij fluitgeschal;

Ik zie u, Wellust! ranken om de slapen,

Den nadroom van ’t genot in ’t oog en tal

Van rijpe trossen al geparst, schijnt pal

Gij open-oogs en staand, éven te slapen.

Uw oog alleen is moê, uw glimlach moê,

Maar nooit is moê uw onverzaadlijkheid:

Gij hebt geen pooze ook maar u neêrgevlijd:

Terwijl uw rechte haar pijnappelroê

Omspant, bespeur ik, Dionyzos, hoe

Het panthervel ligt zonder plooi gespreid.…

[XI]

[Inhoud]

VII.

Biga-zaal.

Ik zie u in de Karre-zaal gebaard:

Sardanapalus schijnt ge in marmren vouwen,

Met zorg u omgeplooid door mantelvrouwen;

Maar ’k wist u niet zoo trotsche wijze en aard.

De marmren zegekar schijnt u bewaard;

Der marmren zegerossen zult GIJ hoûen

De strengen in uw vuist en door den blauwen

Droomether neemt ge apotheoze-vaart!

Laat scheren van uw ronde wang dat kruiven,

En vàllen van uw schouder ’t lijnwaadhuiven,

Hoe liefdevol ook iedre vouw er strijkt.

Zie, vlàk bij rijst gij, zaalge god van druiven,

Naakt,—baardeloozen lach—vermenschelijkt,

Naar mijn verlangen plots verwenschelijkt!

[XII]

[Inhoud]

VIII.

Lateraan.

Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes,

Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt.

De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes

En hebben dra den vollen tros geplukt.

Zij hellen, lachend overlangs gebukt,

En bieden andren goodjes keer op keertjes

’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes,

Het godje tuimelt, als omver gerukt.

Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol

Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol:

Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen

Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee

De trossen dansend treden: Evoë!

Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen!

[XIII]

[Inhoud]

IX.

Nu wil ik in u zoeken, hier ter steê,

De blijde godlijkheid van Zeus, uw vader;

Nu wil ik speuren in uw marmren ader

’t Bloed, gloeiend in uw moeder, Semele;

Daar zij verbrandde in zalig blakenswee,

Zoodra haar Zeus in open bliksems nader

Zich openbaarde: een glorensfelle dader,

Wiens gloed zelfs blusschen zoû geen wereldzee!

Zeg, zijt gij zoon van moeder, vader, beiden?

God, zijt gij overwinnaar als hij was,

Die u verwekte in ’t hijgende verscheiden

Dier bruid, versmeltende als een blonde was.…

Maar zoo genot en lust u overvielen,

Zoû ’k in uw oog en lach zien moeders ziele …?

[XIV]

[Inhoud]

X.

God, die den wijnstok plant, ’k wil niet vergeten

U op uw zegetocht plots te doen treffen

Eenzame vrouw in sluimers onbeseffen,

En weenensrood de scheelen toegekreten.

Gij kunt—ontwaakt—haar morgenzonnig heffen

Uit nachtschaûw en uit nood: aarzlend gezeten

Op panther tam zal Ariadne u weten

Een god! en haar bewogen ziel vereffen.…

Troosten voor wien ondankbaar haar verliet,

Moet purpren arbeid, dans en spel en lied:

Eén lange wingerd zal uw reis bekransen;

En zoo Silenos zat en wagglend vliedt

Voor tergende menaden uit, mag niet

Dan èindlijk lachen Ariadne en glansen …?

[XV]

[Inhoud]

XI.

Ik weet, gij hadt nooit zoo verlaten bruid

Aan ’t hart gebeurd, kronende uw gemalin

Des purpren nektarrijks triumfgodin,

Zoo niet naar week gevoel uw ziel ging uit.

Gij zijt niet slechts de wijngod, die bij fluit

En cymbel ’t spranklend leven drinkt als in

Eén volle schaal, nooit zwelgenszat uw zin:

’k Vermoed, dat gij een eedler wezen duidt;

Zijt gij dan ’t enthoeziaste medelijden?

Weldaadge liefde, die wil troost bereiden,

En rozenbed mocht aan vertwijfling spreiden?

En was het u niet hooger zielsverrukken

Aan Noodlots reuzeklauw die vrouw te ontrukken,

Om haar uw druivediadeem te drukken?

[XVI]

[Inhoud]

XII.

O, Dionyzos, laat mij dan geheel

U weten, god en mensch u voelen; laat

Uw leven, lichaam en uw rond gelaat

Mij zoo vertrouwd zijn of ik met u speel!

Godlijke broeder, menschlijk kameraad!

’k Wil woorden schakelen tot schel juweel;

Vangen in klare zinnen ’t blauw gestreel

Latijnscher lucht, die koeplend om mij staat!

Ik wil geheel u in mij voelen trillen,

Mij voelen zoo in u, of samen willen

We ons beider ziel aan éenen dronk verspillen;

Bezit ik u, bezit gij mij zoo vast,

Dat ik uw gast ben, gij mij wordt tot gast,

Dan zeg ik zùidlijk hoe uw wijnstok wast!

Rome, Februari III. [1]