HOOFDSTUK IX.
Vier Iersche Kinderen en een Hond.
Zij werd den volgenden ochtend wakker met een gewaarwording alsof zij nog nooit zóó lekker geslapen had! Even nog bleef zij met half gesloten oogen liggen, droomerig beseffend hoe prettig het was, niet, als op Hill House, veel te vroeg door het wreede gelui van een bel te worden gewekt en juist dacht zij erover op te gaan staan, toen de deur zacht geopend werd. Een net dienstmeisje trad binnen, opende vlug de gordijnen, deelde haar mede dat het half acht was en verdween weer.
"Hoe heerlijk, de zon schijnt!" riep Hedwig en zij sprong het bed uit en liep naar het raam toe om naar het uitzicht te kijken.
"Wat prachtig!"
Het was een kreet van louter verrukking. Had zij ooit eerder zoo iets gezien?
Het was warm, een echte zomerdag, en zij duwde het raam open, dronk de zoele lucht in en keek opgetogen om zich heen.
Tegen den muur bij haar venster bloeiden de zwellende knoppen van een donkerroode klimroos. Beneden, in het park van het kasteel, verspreidden de rose en witte bloemtrossen van een rij acacias, tusschen wuivend groen, hunne fijne geuren in het rond, wedijverend met de witte meidorens, die van bovenaf gezien, een gedeelte van den tuin als in bruidstooi hulden. Diep in het dal zag zij het schilderachtige Glengariff liggen omgeven door woeste, bijna zwarte rotsen en steile bergen, die hunne scherpgekante toppen in plechtigen ernst omhoog hieven, terwijl aan hun voet en op de hellingen dichte bosschen en malschgroene grasvelden groeiden, in vroolijke tegenstelling met de somberheid daar boven. In lieflijke kalmte, onder de bekoring der krachtige zonnestralen, lag de baai; over het glinsterend groene water hing een wonderschoon licht, dat ook over de talrijke eilandjes zijn glans wierp. En door al de zoete geuren heen van rozen, meidorens en acacia in haar nabijheid en van den overvloed van bloeiende struiken verderaf, meende Hedwig ook iets te proeven van de reine zeelucht, die haar zoo lief was.
"Hè, wat een genot!" Zij kon er haast niet toe komen zich aan te gaan kleeden, maar zij begreep dat ze voortmaken moest en keerde zich met een zucht van het raam af. Zij moest haar koffer ook nog geheel uitpakken en zij trok dus eerst maar even de aardige muiltjes aan en de wit-serge peignoir, die Mrs. Rowley haar geschonken had, haar plagend omdat zij er trotsch op was dat het wit haar zoo goed stond. "Neen meisje, niet ijdel wezen," zei ze, toen zij neiging voelde om even in den spiegel te kijken van de groote hangkast, waarin zij den vorigen avond hare japonnen had geborgen. Zij knielde bij den koffer neer, doch bijna op hetzelfde oogenblik sprong zij weer op. Wat was dat toch voor gefluister bij haar deur? Zij bleef heel stil staan om goed te kunnen luisteren, toen glimlachte ze, zij had duidelijk kinderstemmen gehoord. Nu drong ook het korte, half ingehouden geblaf van een hond tot haar door. Daar klonk het luid: "Kijk nu, ik heb je wel gezegd dat je hem steviger vast moest houden!" De deur vloog met een ruk open en een prachtige St. Bernhards-hond stoof naar binnen, sprong tegen haar op, besnuffelde haar aan alle kanten en legde toen vertrouwelijk zijne beide ruige voorpooten op hare schouders.
Zonder de minste verlegenheid te toonen, in tegendeel schaterend van het lachen en in de handen klappend van pret, bleven de vier kinderen in de deuropening staan. De twee oudste meisjes van dertien en veertien jaar, bogen de hoofden nieuwsgierig voorover om beter in de kamer te kunnen zien, terwijl het achtjarige, blonde zusje en het aardige broekmannetje van vijf, uit alle macht Bruce, den hond, toeriepen dat hij "Mam'selle" een kus moest geven!
Hedwig lachte mee en legde haar hoofd even tegen den kop van Bruce aan, die vond dat de vriendschap nu gesloten was en naar de kinderen terugliep. "Oh mam'selle! The new man'selle!" riepen de meisjes met eigenaardig welluidende stemmen, die Hedwig prettig in de ooren klonken. Toen vroegen zij met schalksche gezichtjes of zij binnen mochten komen.
Hedwig knikte maar. Wat kon zij anders doen? "Vijf minuten," zei ze en terstond stond het geheele troepje, Bruce incluis, in haar kamer.
"Ziezoo, nu zal ik u eens vertellen wie wij eigenlijk allemaal zijn," zei het tweede meisje, dat een echt bij-de-handje was en er ook zoo uitzag met haar kort, bruin haar, grijsgroene oogen en het brutale wipneusje in het smalle, scherpomlijnde gezicht. "Dit is May," en zij schoof haar ouder zusje naar voren. "Een snoes, vindt u niet?" En May, een mooi meisje met dik, blauwzwart haar en heel donkerblauwe oogen, bloosde even en keek lachend tot Hedwig op. "Dan kom ik," ging het praatstertje voort, "niets mooi, zooals u ziet, maar wezenlijk nogal aardig! Ik heet eigenlijk Kathleen, maar ik word altijd Bunny genoemd, niet omdat ik op een konijntje lijk...."
"Jawel, jawel, daarom juist wel," riep May er tusschen door, doch Bunny legde haar de hand op den mond en vervolgde: "Dàt heelemaal niet, maar omdat Bunny korter en makkelijker is dan Kathleen. Dit is Nesta," en zij duwde het achtjarige meisje naar voren, een teergebouwd kind met donkerbruine oogen en lang, blond haar. "Nesta is een klein beetje een driftkopje, maar anders niet kwaad...."
En Nesta rukte zich los, stampte op den grond en riep half schreiend:
"Ik ben heelemaal geen driftkopje, heelemaal niet! En jij moogt geen leugens vertellen...."
Maar Hedwig had haar bij de hand genomen en keek haar ernstig en doordringend in de oogen. Toen ging het blonde hoofdje langzaam naar beneden en de trillende lippen zwegen.
"En dit is de eenige heer," zei Bunny, met gemaakte deftigheid op haar broertje wijzend. "Zijn naam is Gerald, voorloopig noemt iedereen hem echter Boy. Toch heeft hij zich al vast een mannenstem aangeschaft en daarom wordt hij ook wel eens de thunderboy genoemd, maar dat gebeurt toch niet dikwijls."
"Neen, dat geloof ik dadelijk," zei Hedwig lachend en zij keek naar het stevige figuurtje van den kleinen jongen, die de donkerblauwe oogen van May had en krullend, goudbruin haar, dat hij telkens ongeduldig wegstreek om Hedwig beter te kunnen zien. Hij en de St. Bernhardshond, die trouw naast hem bleef staan, onophoudelijk met zijne verstandige oogen van den een naar den ander kijkend en met zijn staart kwispelend, vormden een alleraardigst schilderijtje.
Hedwig liet de hand van Nesta los, die nog steeds zacht snikte en bij Boy neerknielend, vroeg ze, zóó zacht dat Nesta het niet hooren kon:
"Schreit Boy wel eens?"
Zij schrikte bijna van de grappige, grove stem, waarmee hij antwoordde:
"Boy is geen meisje." Trots Bunny's mededeeling kwam die diepe toon uit dat kleine lichaampje, haar toch nog onverwacht.
"Maar nu, een, twee, drie, de kamer uit," gebood zij eindelijk en de kinderen lachten en gingen heen, met hun aardigen, Ierschen tongval maar al "Oui mam'selle" en "Chère mam'selle," roepend; blijkbaar was hunne laatste gouvernante een Française geweest.
Hedwig haastte zich nu met kleeden en juist was zij klaar, toen de gong voor het ontbijt luidde. Zij vond Bruce, die met zijn slim hondenverstand terstond begrepen had dat zij den langen weg naar de ontbijtkamer niet dadelijk alleen zou kunnen vinden, nog voor de deur liggen en hij ging haar thans voor naar beneden, aldoor even den kop omdraaiend om te zien of zij hem wel volgde. Eindelijk stond hij stil voor de deur der kamer, waar zij wezen moest, zag eerst haar aan en toen naar de deur en liet een kort, gebiedend geblaf hooren.
[Bruce.]
Hedwig opende de deur, Bruce volgde langzaam en bleef met den staart tusschen de pooten weifelend staan, toen de stem van Mrs. Balvourneen klagend zeide:
"Och, nu komt die hond toch weer binnen! Ik wil hem hier niet hebben 's ochtends aan het ontbijt, dat heb ik al zoo dikwijls gezegd. Ik kan niet tegen die drukte...."
"Ach Bruce, lieve, beste Bruce! Mag hij niet even een stukje geroosterd brood hebben, moeder?" vroeg Boy smeekend en toen zijn moeder lijdelijk toestemde, na eerst even lijdelijk Hedwig goeden morgen te hebben gewenscht, riep Boy, terwijl hij een smakelijk stukje geroosterd brood in de hoogte hield en zijn stem zoo mogelijk nog grover maakte dan gewoonlijk:
"Zeg dan please, Bruce."
Bruce opende den bek zeer wijd, smakte dien toen snel weer dicht en liet met een tikkend geluid zijn tanden op elkaar klappen, wat bij hem "als 't je blieft" beteekende.
"Daar!" zei Boy, hem de begeerde lekkernij gevend.
"Nu moet hij ook dadelijk weg!" hernam Mrs. Balvourneen en de geduldige Bruce verdween, zooals zijn plicht was.
Eerst nu kwam Mr. Balvourneen binnen, gevolgd door de schare dienstboden en knechten, die iederen ochtend bij de korte godsdienstoefening tegenwoordig waren.
Mr. Balvourneen deed een gebed en las enkele verzen van den negentienden psalm voor. Er was iets kouds en plichtmatigs in de wijze, waarop hij zijn werk deed, toch vonden de woorden, die hij las, warmen weerklank in Hedwig's hart. En, terwijl zij door de wijd openstaande verandadeuren een blik kon werpen op de blauwe lucht en op de steeds wisselende tinten van purper en teerrood en zachtgrijs op de bergen en rotsen en zich koesterde in de zon, die grillige figuren tooverde op het goudlederen behangsel der kamer, luisterde zij met stille vreugde naar wat haar juist hier zoo toepasselijk scheen:
"De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk."
Na het lezen, toen het dienstpersoneel verdwenen was, verzocht Mrs. Balvourneen weer dringend om stilte en de kinderen fluisterden en giegelden onder elkaar, maar van een geregeld gesprek was geen sprake. Mr. en Mrs. Balvourneen bemoeiden zich nauwelijks met Hedwig, schoven haar alleen de verschillende schotels toe en hoopten een paar malen-nogal uit de hoogte-dat zij "zou doen alsof ze thuis was." Hedwig vond het dan ook niet jammer toen het tijd was om met de meisjes naar de leerkamer te gaan en Bridget, de nurse, kwam om Boy mee naar de kinderkamer te nemen. Boy stribbelde tegen, steeds met krachtige stem bewerend dat hij "niet wilde", tot zijn vader hem vierkant opnam en de kamer uitzette, een tooneel, waaraan allen gewend schenen te wezen, want niemand toonde er ook maar de geringste verbazing over. Boy zelf zong spoedig in de gang zijn hoogste lied en liep met klinkende stappen de trap op naar de kinderkamer, die zich naast de leerkamer bevond.
Weer kon Hedwig niet laten vergelijkingen te maken met Hill House, toen zij de leerkamer voor zich zag. Als Miss May en Taffy en Mary Wren nú toch eens naast haar hadden kunnen staan! Wat zouden zij de handen in elkaar hebben geslagen over den rijkdom van boeken op de planken langs de muren, over de groote eikenhouten tafel, de flinke stoelen met hooge ruggen, de nette inktkokers, pennehouders, vloeiboeken en alle mogelijke andere leerbenoodigdheden meer en-zeker het meest haast nog wel over de heerlijke weelde van licht en zon, die door de breede ramen naar binnen stroomde en over de met bloemen gevulde nissen, die zoo'n vroolijk aanzien aan de kamer gaven!
"Hier zit ik altijd," zei Bunny, haar plaats aan de tafel innemend. "En vandaag moeten wij Duitsch leeren, heeft moeder gezegd. Wij kennen er nog niets van, maar wij zijn heel vlug."
"Zoo!" Hedwig glimlachte. "Dat geloof ik nog maar zoo dadelijk niet."
"'t Is toch zoo," verklaarde Bunny beslist, maar nu liet Boy's diepe stem zich uit de andere kamer hooren:
"Maddy moet ook even bij mij komen kijken!"
"Maddy? O, dat beteekent Mam'selle, dat heeft Boy weer heelemaal zelf bedacht," zei de kleine Nesta met bewondering in haar stem. "Zoo is hij altijd. Hij bedenkt altijd naampjes voor iedereen."
"Dus hier zal ik Maddy heeten," dacht Hedwig lachend. Zij vond het aardig aan haar moeder en Clärchen te kunnen schrijven dat men hier ook al weer een aparten naam voor haar had gevonden!
"Kom nu Maddy, gauw!" riep Boy weer.
"Voor dezen éénen ochtend dan," zei Hedwig naar hem toegaande. "Maar morgen en overmorgen en al de andere dagen nooit weer. De zusjes en ik moeten aan het werk en Boy moet gaan spelen."
"Ja, dat heb ik ook al gezegd," zei Bridget.
"Maar Boy wil van ochtend bij Maddy blijven," verklaarde Boy, de wenkbrauwen fronsend. "Dat moet!"
"Neen, dat kan niet," zei Hedwig beslist. "Boy blijft van ochtend hier in deze kamer."
"En van middag?"
"Van middag gaan wij allen samen wandelen."
"Boy wil nù wandelen."
"Neen, dat gebeurt van middag."
"Och neen, dat moet nu, nù," drong Boy aan en hij ging vlak voor haar staan en deed zijn best heel streng te kijken.
"Neen, volstrekt niet," zei Hedwig, Bridget een wenk gevend, terwijl ze naar de leerkamer terug ging. Zij draaide den sleutel om, om zeker te zijn niet gestoord te worden.
May en Bunny zaten reeds met Duitsche leesboekjes voor zich; de achtjarige Nesta was in een hoekje bij een der ramen gaan zitten, omdat zij toch afzonderlijk werken moest, zooals zij zeide. Voorloopig stelde zij zich tevreden met een fraai geïllustreerd sprookjesboek!
Hedwig beduidde haar dat zij een oogenblikje bij de oudere zusjes moest komen zitten; zij had tot alle drie iets te zeggen, voordat het werk begon. En juist sprak zij erover hoe ze van plan was alles in te richten en dat zij een lijst wou maken en alles opschrijven, toen er uit de kinderkamer een vervaarlijk gegil klonk, dat haar opeens ontsteld zwijgen deed.
"O, het is niets, doet u maar net of u het niet hoort," zei May, goedig haar hand op die van Hedwig leggend. "Dat zijn kunsten van Boy."
"Ja, echte kunsten," zei Nesta, met haar hoofd knikkend tot de blonde haarlokken ervan schudden. "Hij kent er een heeleboel en dit is een nieuwe oorlogskreet."
"I-a-hoep!" klonk het weer van Boy en Nesta vloog naar de tusschendeur, bonsde er tegen en riep luid terug:
"I.. a.. hoep!"
Hedwig stond bedaard op en bracht haar naar haar plaats terug. "Niet weer doen, Nesta, de lessen beginnen nu."
"Maar het is anders wèl genoegelijk zoo'n klein beetje pret tusschenin; vindt u ook niet?" zei Bunny en zij keek Hedwig aan en kneep hare oogen zoo grappig dicht dat Hedwig moeite had ernstig te blijven. Boy liet nog eenmaal zijn krijgskreet hooren, maar toen er geen antwoord kwam en hij te vergeefs aan den deurknop gerammeld had, hield hij zich stil.
Nesta kreeg wat schrijfwerk op en de Duitsche les begon met de beide oudsten. Bunny was onuitputtelijk in het bedenken van allerlei aardigheden en wist er zich met verwonderlijke vlugheid door te slaan, als zij een woord verkeerd uitsprak of iets niet begreep. May had die handigheid niet, maar zij deed erg haar best en keek verheugd, toen Hedwig aan het eind der les verklaarde, dat het al veel beter ging dan zij gedacht had. Nu kregen de beide oudste meisjes schriftelijk werk op en moest Nesta een heel eenvoudig Fransch stukje lezen en uitleggen. Het ging niet naar haar zin en meer dan eens sloeg zij ongeduldig met haar vuist op de tafel, maar Hedwig zette door en rustte niet, voordat de geheele bladzijde gelezen was.
Het vroege middagmaal werd, evenals later de thee en het avondeten, door haar en Bridget en de kinderen in de kinderkamer gebruikt en zij begreep dat zij alleen iederen dag aan het ontbijt met Mr. en Mrs. Balvourneen zou aanzitten.
Het speet haar niet. De kinderen trokken haar aan en zij vond het prettig zich geheel aan hen te wijden en, evenals indertijd bij de familie von Zercläre, de rustige avonduren voor zichzelf te hebben of eens een praatje te maken met de vriendelijke Bridget, die doorgaans in de kinderkamer te vinden was.
Bridget ging dien eersten dag ook met haar en de kinderen-Bruce moest met zijn meester uit-wandelen en wees Hedwig den weg naar de lievelingsplek der kinderen in het bosch, waar vlugge beekjes het water over gladde steenen lieten kabbelen en telkens tusschen de donkere, hooge lanen lichte plekken waren, waar de hei reeds roodachtig begon te schijnen en de brem nog in vollen bloei stond.
Het was een vrij lange wandeling en zij moesten eerst een zonnig bergpad over, vanwaar zij herhaaldelijk Glengariff en de baai, thans vol ranke zeilscheepjes en bootjes, zagen liggen. De kinderen waren onvermoeid, groetten ieder, die zij tegen kwamen, met groote hartelijkheid en werden even hartelijk teruggegroet, het allermeest door de jonge boerinnetjes, die in haar aardige, losse kleedij met korte mouwen en rokken, op bloote voeten den berg bestegen, haar mand met eieren onder den arm houdend of minder breekbare waar achter op den rug dragend. Aantrekkelijk zagen de deerntjes eruit met hare heldere oogen, het donkere, onbedekte, krullende of golvende haar en de warmbruine gelaatskleur, door veel beweging in de buitenlucht veroorzaakt. Een van haar, blijkbaar een goede kennis van de kinderen en reeds van verre begroet als "sweet Kate" en "darling Kate", wierp hen in 't voorbijgaan een ruiker margrieten toe en een bosje groen, door Hedwig voor gewone klaver aangezien. Bunny had het 't eerst opgeraapt en kwam er mee naar Hedwig toe loopen, steeds met die eigenaardig welluidende Iersche stem, die Hedwig telkens op nieuw trof, juichend en zingend dat het een aard had.
"Dat treft prachtig dat wij u den eersten dag al shamrock[10] kunnen laten zien!" riep zij uit. "Echte Iersche shamrock! Eenig mooi is die, he?" En zij streelde liefkoozend de fijne blaadjes.
"Shamrock kan nergens anders groeien dan in Ierland," verzekerde nu May, die ook naast Hedwig was komen loopen. "Zooveel menschen hebben al beproefd haar ergens anders te kweeken, maar de shamrock wil maar niet. Is dat niet aardig? Zal ik u eens vertellen wat Ieren doen, als zij naar een ander land reizen, naar Amerika bij voorbeeld? Dan nemen zij een pot met Iersche aarde mee en planten daar hun shamrock in en dan gaat het goed, maar als zij in andere aarde gezet wordt, nooit! O, op St. Patrick's Day, dan zult u eens wat zien...."
"Dat is pas 17 Maart!" viel Bunny in. "Dat duurt nog
zóó lang! Ja, dan is het net of er in Ierland niet
anders groeit dan shamrock, want dan heeft iedereen het
letterlijk aan en dan dragen velen er mooie, groene linten bij. En
dan is er 's avonds een echt Iersch concert, daar worden alleen
maar Iersche liederen gezongen en dan worden er Iersche dansen
gedanst, de jig en de reel en ten slotte zingt
iedereen: "Let Erin remember the days of old...." En nu heb
ik nog vergeten te vertellen dat alle Ieren, die niet in hun eigen
land zijn, dan in brieven shamrock gestuurd krijgen om die
ook op St. Patrick's Day te kunnen dragen...."
"Lieve, lieve Maddy, ik kom ook bij jou," zongen nu Nesta en Boy en zij liepen van Bridget weg en holden den berg af om met een bons tegen Hedwig en de meisjes aan te vallen.
"Neen, neen, dat gaat zoo niet. Ik ben gesteld op keurige Iersche manieren," zei Hedwig vermanend.
"Keurige Iersche manieren!" herhaalde de thunderboy met grove stem en hij liep met Nesta vooruit op een drafje het bosch in, naar de opene plek, waar zij gewoonlijk speelden.
Het was er lekker koel door de zware boomen rondom en de nabijheid van het water en de kinderen juichten, toen Bridget voorstelde om van de dikke takken, die er lagen en van mos, een huisje te gaan bouwen.
IJverig togen nu alle handen aan het werk. Nesta en Boy hadden het zóó druk dat zij meer dan eens in hun haast tegen elkaar aanstootten en den zoo vlijtig verzamelden mosstapel op den grond lieten vallen. May en Bunny hielpen Bridget en Hedwig de muren vast maken en trapten en drukten het losse mos in elkaar tot het, volgens May, "zoo stevig werd als echte planken." Hedwig genoot de zuivere lucht en het aardige werkje. Zij keek bewonderend naar Bridget's vlugge handen, die de takken tot bogen vormden om het dak te maken. Tusschen de naast elkaar gelegde takken moest weer mos worden bevestigd. "Het dak geeft het meeste werk," zei Bridget, "daar komen wij vandaag niet mee klaar."
"Er zijn nog heel groote gaten in het dak," zei Nesta, die midden in het "huis" naar boven stond te kijken. "Daar komt nog heelemaal de zwarte lucht door."
De zwarte lucht? Hedwig en Bridget keken snel op. Zij waren te zeer verdiept geweest in haar werk om op het weer te letten; nu kwamen zij met schrik tot de ontdekking dat de zon verdwenen was achter steeds donker wordende wolken.
"Hè, net op mijn neus!" riep Boy. "En nu op mijn wang! En daar is er weer een op mijn kin!" Want er begonnen dikke regendruppels te vallen en, wat erger was, er deed zich een dof gerommel hooren tusschen de bergen. Een flauwe bliksemstraal verlichtte het binnenste van het huisje, dichterbij klonk de donder, heel fel scheen plotseling het licht, luider en zwaarder werden de donderslagen en met onstuimige kracht viel de regen in dichte stralen neer.
"Gauw naar huis. Loopen, draven, den kortsten weg nemen!" riep de hevig ontstelde Bridget, Boy bij den arm grijpend. "Voortmaken kinderen, vlug!" riep Hedwig. "Nesta, geef mij een hand, May en Bunny houdt elkaar vast.... Niet bang wezen...."
"Bang? Wie is er bang? Ik niet!" riep Bunny met vuur uit. "En ik blijf hier. Het is veel te prachtig om nu weg te loopen. En wij hebben immers een huis! Kijk, wat blijft het stevig staan! Oef...." En zij sloeg den rok van haar jurk over het hoofd en veegde zich den regen uit het gezicht.
"Ja, ik blijf ook hier; ik wil niet weg, ik doe het niet," riep nu Nesta met haar hooge sopraanstem en Boy rukte zich van Bridget los en riep mee: "Ik ook! Ik ook! Ik wil niet naar huis!"
"Dan gaan wij ook niet, he?" vroeg May, met schitterende oogen tot Hedwig opziende. "Mogen wij blijven?"
"Neen, natuurlijk niet. Wij gaan onmiddellijk naar huis, allemaal," zei Hedwig zeer beslist. "Komaan kinderen, geen gekheid!"
"Gaat allemaal maar weg; ik blijf hier," herhaalde Bunny, die geheel onhandelbaar geworden scheen door het onweer.
"Och, wat moeten wij doen? Wat moeten wij doen?" riep Bridget wanhopig uit, zich met echt Iersche opgewondenheid de handen wringend. "O, hoort toch eens, wat een noodweer! Ach en daar is de banshee, de banshee, ach, ach!"
Een ratelende donderslag was door een verblindend licht gevolgd, toen dit wegstierf, deed zich een langgerekt, klagend geluid hooren, dat door de bergen weerkaatst werd.
"Biddy," zei May, haar hand op Bridget's arm leggend en bedaard sprekend, hoewel zij doodsbleek zag, "het is alleen het onweer. Je moet niet bang wezen voor de banshee; die is er niet, zegt vader."
Doch Bridget was te zeer buiten zichzelf om naar haar te kunnen luisteren. "We moeten vluchten, vluchten voor de banshee," fluisterde ze, Hedwig angstig aanziende.
"Ja, wij gaan naar huis," hernam Hedwig, die heel bedaard bleef. "Komt kinderen, dadelijk, terstond!"
"Ik wil niet, ik doe het niet!" riep Nesta driftig, Bunny zei nog eens: "Ik blijf hier," en nu nam Hedwig den zeer tegenstribbelenden, gillenden Boy op hare schouders, greep Nesta's hand stevig vast en liet Bridget met May vooruit gaan om den kortsten weg te wijzen.
Nesta schreeuwde het uit. "Ik wil niet! Ik wil mijn zin hebben!" riep zij. "Ik wil niet in den regen loopen...."
Hedwig had moeite haar voort te trekken, maar toen Bunny eieren voor haar geld koos en, zooals Hedwig ook verwacht had, al spoedig achter de anderen aan kwam snellen, ging het beter. Zij nam Nesta van Hedwig over, liet haar nu en dan bij wijze van pretje op een draf loopen en lachte Bridget uit, toen deze nog eens verschrikt riep: "Ach, daar is de banshee weer, de banshee gaat met ons mee naar huis. Als zij van nacht maar niet onder een van onze ramen komt...."[11]
Boy gaf vanaf zijn hooge zitplaats allerlei opmerkingen ten beste. "Maddy's hoed wordt zóó nat!" "Maddy's ooren beginnen te glimmen van den regen!" "Bunny's jurk druipt!" "Wat stapt Nesta lekker in de plassen!" "Vort paardje, vort!" En hij sloeg zijn armen steviger om Hedwig's hals en drukte zijne beenen tegen hare schouders. Hedwig keek om en knikte hem eens toe, waardoor tot groot plezier van Boy, een lange straal water van haar hoed af liep.
Eindelijk, juist toen de regen minder werd, waren zij thuis. Nooit nog had Bridget den weg naar boven zóó lang gevonden, maar toen zij eenmaal het kasteel Balvourneen in het gezicht had, schaamde zij zich haar angst en een weinig verlegen kwam zij Hedwig op zijde, keek haar trouwhartig aan met hare grijze oogen en zei:
"Ik ben een slechte hulp geweest vandaag. Een volgenden keer zal ik niet weer zoo laf zijn!"
Hedwig kon onmogelijk anders antwoorden dan met een
glimlach, zoo hijgde ze van den tocht den berg op met den zwaren
Boy op haar rug.
Daar kwam Bruce aanhollen. Met woeste sprongen en een luid geblaf begroette hij zijn natte kameraden en als om hun te zeggen dat zij toch voort moesten maken, draafde hij toen voor hen uit, om bij den ingang op hen te blijven wachten.
In de vestibule, neergezegen op een der lage stoelen, vonden zij Mrs. Balvourneen. Zij hield hare handen voor 't gezicht, maar liet die met een gebaar van neerslachtige berusting in den schoot vallen, toen zij al de kinderen gezond voor zich zag.
"Is dat uitblijven!" riep ze. "Mijne zenuwen zijn geheel in de war. Ach, mademoiselle Eiche, hoe kondt u zóó ver met die arme, teere kinderen gaan en hen aan dien storm blootstellen? En mijn lief, eenigst zoontje, ach, wat ziet hij er nat en akelig uit! Ga dadelijk naar boven, Bridget, en laat de kinderen allen een warm bad nemen en iets warms drinken en dan naar bed gaan.... Ik kan niet meer spreken, ik ben doodop van al den angst, dien ik doorgestaan heb! Gaat nu allen heen."
Bridget gehoorzaamde terstond, dankbaar dat zij er zoo gemakkelijk af kwam. De "teere" kinderen volgden met Hedwig en Bruce sprong tegen ieder om de beurt op en deelde likken uit op een wijze, die duidelijk toonde hoezeer hij in zijn schik was dat allen weer goed en wel thuis waren.
Toen zij boven gekomen waren, liep May naar Hedwig toe en liet haar triomfantelijk iets kijken. Het was het bosje shamrock, dat zij door allen storm en regen heen, trouw had bewaard. "Voor u," zei ze, Hedwig vroolijk aanziende, "als het uitgespreid wordt, droogt het gauw en dan kunt u ervan in een brief naar huis sturen; dat is zoo aardig, want shamrock hebben zij in Duitschland niet, die groeit heusch alleen maar in Ierland!"
"Dank je wèl," zei Hedwig, het aardige, tot haar opgehevene gezichtje kussend.
"Wij behoeven niet echt naar bed, hoor Maddy," zei Bunny met overtuiging, "het is nog zóó vroeg!" En Nesta en Boy riepen ook terstond: "Ja, nog véél te vroeg!"
Doch Hedwig was onverbiddelijk en liet de orders van Mrs. Balvourneen zóó stipt uitvoeren dat zelfs Bridget er verbaasd over was. Met die nieuwe mam'selle viel blijkbaar niet te gekscheren!
Het gevolg was gelukkig dat geen van allen het minste nadeel van den tocht ondervond. Het mooie huisje van takken en mos kwam enkele dagen later geheel klaar en bleek zooveel aantrekkingskracht te hebben dat de kinderen er slechts zelden toe over te halen waren, hunne dagelijksche wandeling ergens anders heen te richten. Bunny stelde het zich zelfs als een heerlijkheid voor, eens een week in dat huisje te mogen wonen, "middenin het bosch met niets om mij heen dan vogels en bloemen en boomen en water", maar May zeide: "Ik denk dat je toch wel naar Balvourneen terug zoudt verlangen, als je eenmaal in dat kleine huisje zat; en wat zou je dan altijd willen eten?"
"Eten! O, daar kon ik wel een weekje buiten!" beweerde Bunny dan en Hedwig hoorde het haar zeggen en dacht aan het schrale voedsel op Hill House!
Zij voelde zich spoedig thuis op Balvourneen en met de kinderen, doch van de ouders bemerkte zij al heel weinig. Er gingen weken voorbij dat zij hen alleen de korte poos aan het ontbijt sprak en de regeling der lessen en der vrije uren werd nagenoeg geheel aan haar overgelaten. Slechts een enkele maal kwam Mrs. Balvourneen eens de leerkamer in, om dan haastig een paar opmerkingen te maken of lievigheidjes tegen de kinderen te zeggen en hun te vragen of alles wezenlijk ging, zooals zij het prettig vonden. Bunny riep dan geregeld: "Natuurlijk moeder, Maddy is een snoes!" en May herhaalde met vuur: "Ja, een echte snoes!" alleen het driftkopje Nesta, die volstrekt niet vond dat alles naar haar wensch ging, hield zich nukkig stil, wat haar moeder echter, in het begin althans, niet opmerkte.
Een groot genot was voor de kinderen en ook voor Bridget, het verteluurtje Zaterdagsavonds, als allen, ook Boy, wat later op mochten blijven en Hedwig verhalen deed over Duitschland en over Clärchen. Ook van Tieka von Zercläre vertelde zij nu en dan en Nesta kroop altijd dichterbij, als er van Tieka's poppenkamer en de verzameling kinderportretjes sprake was.
Soms mochten de kinderen zelf ook vertellen, wat zij dolgraag deden, Bunny vooral, wier fantasie onuitputtelijk was. Boy's verhalen waren altijd heel kort; gewoonlijk handelden zij over iets lekkers. "Ik droomde van nacht dat ik heel alleen in de eetkamer zat en dat John een groote taart binnen bracht en dat ik die heel alleen op mocht eten. En dat deed ik toen ook en ik werd heelemaal niet ziek en ik had er juist erg graag nog eentje gehad!"
Nesta, die haar moeders lieveling was, vertelde graag-en het trof Hedwig pijnlijk-van een gezonde moeder, die heel veel met hare kinderen speelde en zong en wandelde en toch nooit vermoeid was en May deed met haar zachte, heldere stem verhalen van wit-rose wonderlelies, die in koude landen 's winters tusschen de sneeuw bloeiden en van een witten meidoornstruik, heel diep in het bosch, die veel langer bloeide dan andere meidoorns en nooit omgehakt mocht worden, omdat de fee, die erin woonde dan boos zou worden en ver weg trekken naar andere landen. Bridget vertelde iederen keer weer van een bizonder vadzig Iertje, dat zelfs te lui was om te eten, want hij vond het veel te veel moeite zijn hand naar den mond te brengen. Zijne vrouw, die ook wel een beter huwelijk had kunnen doen, moest hem altijd voeren, terwijl hij languit in het gras lag!
Als het vertellen gedaan was, ging Hedwig aan de piano zitten en speelde danswijsjes. Dan huppelden de kinderen er lustig op los en tot slot werd dikwijls, op algemeen verzoek en met groote geestdrift, het geliefde Iersche lied van Moore gezongen: "Let Erin remember the days of old...."
Dan kwamen soms Mr. en Mrs. Balvourneen zachtjes binnen om te luisteren naar de zeer welluidende kinderstemmen en ook Hedwig vond dit een aantrekkelijk oogenblik.
Het was op een regenachtigen Zaterdagavond,-over de witte huizen en de baai van Glengariff lag een waas van somberheid-dat Bunny met verschrikte oogen de kinderkamer kwam binnensnellen. Zij was de beukenheg voorbijgegaan bij het kleine meertje in het park en de bladeren ritselden zóó geheimzinnig, er was daar zeker een bijeenkomst van leprechauns[12] van avond en o....
Maar Hedwig nam een schrift op en liet de bladen ervan om Bunny's ooren waaien. "Dit geluid was het zeker, he?" riep ze. "En heeft het je zoo bang gemaakt dat je geen trek meer hebt in thee? Arme Bunny! Wie heeft er wel trek? De thee is klaar."
Bunny keek een beetje boos. "Waarom mag ik niet
verder vertellen?" vroeg ze.
"Omdat wij nu eerst thee gaan drinken," zei Hedwig, die Nesta bleek en Boy's oogen wat angstig had zien worden. "Straks moog je vertellen, na de thee, op het gewone uurtje."
"Ja, ja, op het gewone uurtje," riep May, stoelen aan de tafel schuivend. "Laten wij maar gauw gaan zitten, dan zijn we des te eerder klaar. Ik ben toch zóó nieuwsgierig...."
"Ik ook! Ik ook!" riepen nu Nesta en Boy als uit één mond, maar nu hield Bunny zich stil. Het was duidelijk dat zij over iets zat na te denken en nog was de maaltijd niet geheel afgeloopen, toen zij opsprong en de kamer uitsnelde. "Maar Bunny, Bunny!" riepen Hedwig en Bridget haar na. "Ja, ja, ik kom dadelijk weer om te vertellen," riep zij terug. "Wacht maar even."
"Dat doet zij nu weer alleen om ons nieuwsgierig te maken," zei Nesta vertrouwelijk en als dat zoo was, bereikte Bunny zeker haar doel, want het duurde zoo lang eer zij terug kwam, dat Hedwig ongerust werd en opstond om haar te gaan zoeken.
Maar juist wilde zij de kamer verlaten, toen er hard op de deur werd geklopt, Bruce hevig begon te blaffen, allen opsprongen en....
Wat voor wonderlijk wezen kwam daar binnen? Nesta greep Hedwig's hand en Boy kreeg een hoogroode kleur en liep dichter naar Bridget toe, maar hij stak zijn handen in zijn zakken en ging wijdbeens staan, alsof hij zeggen wilde: "Denkt maar niet dat ik bang ben!"
Al strompelend, zwaar leunend op een stokje, kwam nu een oud vrouwtje binnen, dat door haar zonderling uiterlijk en vreemd starenden blik, "op 't eerste gezicht," zooals May later zeide,-"een echt griezeligen indruk maakte." Het vrouwtje droeg boven een zwarten rok een vaalgroenen mantel, zooals de Iersche boerinnen die dragen; de kap, die met verschoten rood gevoerd was, had zij over het hoofd geslagen, terwijl haar voorhoofd bijna geheel bedekt was door een stijf vastgeknoopten doek, juist alsof zij aan erge hoofdpijn leed. Onder de oogen lagen onnatuurlijk donkere, breede kringen en ... boven de bovenlip was een geelwit snorretje te zien, dat sterk aan verkleurd poppenhaar deed denken. Het heksje stak den mond ver vooruit, en liep zeer gebogen. En met een akelig doffe stem sprak ze:
"Ik heb een lange reis gemaakt. Bij de meren van Killarney ben ik geweest; aan den voet van den hoogen berg Carran Tual woon ik. De leprechauns hebben mij betooverd! Een schoone, jonge maagd ben ik geweest...." hier giegelde May hardop-"nu ben ik een oude, oude heks...."
"Kom toch wat dichter bij, heksje," zei Hedwig, haar vriendelijk bij de hand nemend en het heksje liet zich in den kring leiden, maar begon, toen men al meer en meer om haar heen drong om haar goed te bekijken, zulke afschuwelijke geluiden te maken dat May oneerbiedig uitriep:
"O Bunny, houd toch op!"
Allen lachten, doch nu keek het heksje zeer toornig, hare groene oogen flikkerden en met haar stok op den grond stampend, riep zij uit:
"Past op! Past op! Neemt u allen in acht of ik zend u naar de leprechauns!"
"De leprechauns? Wat zijn dat toch voor dingen?" vroeg Hedwig en de heks hief dreigend haar stok op en zei verontwaardigd:
"Dingen! Durft gij het wagen de geduchte leprechauns dingen te noemen? Hoor, gij lichtzinnige Germaansche en gij, kinderen van het groene Erin, hoort, hoe ik in mijne Geschiedenis der Leprechauns, deze machtige berggeesten beschreven heb ... maar geeft mij dan eerst een stoel, want mijne stramme leden worden moe."
"O, hoor Bunny eens! Haar stramme leden!" riep Nesta, maar Boy zette vlug een stoel bij het bestje neer en vroeg:
"En toen ... en toen?"
"Boy moet eigenlijk naar bed," zei Bridget.
"Laat deze zoon van Erin eerst nog een oogenblik naar mij luisteren," zei het oudje. En op plechtigen toon vervolgde ze:
"De leprechauns zien er uit als allerverschrikkelijkst leelijke, verschrompelde oude dwergen met heel groote neuzen en kleine, valsche, gniepige oogen, die altijd schuin staan. Niettegenstaande hunne nietige gestalten zijn de leprechauns al uit de verte te herkennen aan de roode buisjes, waarbij zij altijd kuitenbroeken en lage schoenen met gespen dragen en aan de puntmutsen, waarmee zij hun borstelig haar bedekken. De leprechauns wonen in de bergen en in groote, holle boomen en als de maan heel helder schijnt, vertoonen zij zich in hunne Zondagskleeren-groene jagerbuizen en roode mutsen-en dansen, dansen, dansen uren lang, tot het ochtendlicht begint te schijnen. Hunne groote kracht ligt in die kleine, valsche, gniepige oogen"-hier kneep het oudje de hare bijna geheel dicht en zette zoo'n dwaas gezicht dat allen in lachen uitbarstten-"waarmee zij iemand betooveren kunnen, zooals ik helaas betooverd ben! Maar wie de kracht bezit een leprechaun strak aan te kijken, twee minuten lang, zonder met zijn oogen te knippen of ook maar een vin te verroeren, die komt niet onder de betoovering en kan zakken vol goud van hem los krijgen, zooveel als hij er maar wenscht te bezitten! Twee heele minuten doodstil te blijven staan, is echter een verbazende toer en-als men maar even met de oogen knipt, of ook maar het puntje van zijn pink beweegt, is het mis en verdwijnt de leprechaun, zonder een enkel korreltje goud achter te laten...."
"En nu moeten Nesta en Boy ook verdwijnen," zei Bridget. "Het is al zóó laat; ik durf niet eens te zeggen hoe laat!"
"Och, ik ben nog niets slaperig," zei Boy, zijne oogen heel groot makend.
"Wacht, ik ga mee je naar bed brengen," riep Bunny met haar gewone stem en nu riepen Boy en Nesta te gelijk uit: "Ja, ja, ja! Ga maar gauw mee, heksje!" En het heksje liep mee, vroolijk met haar stok zwaaiend en zingend dat de leprechauns het van avond maar zonder haar moesten stellen, er mocht dan van komen wat er wilde!
HOOFDSTUK X.
Nesta's Drift.
"Neen moeder, kennissen heb ik hier niet gemaakt," schreef Hedwig in antwoord op een vraag van haar moeder, "maar dat gaat ook zoo gemakkelijk niet, omdat wij vrij eenzaam wonen, nog een heel eindje van Glengariff af en de vrienden van Mr. en Mrs. Balvourneen kunnen moeielijk òòk de mijne wezen, want die ontmoet ik heel zelden, al hoor en zie ik nogal eens fraaie equipages naar ons kasteel rijden; er komt veel bezoek. De kinderen zijn bijna altijd bij Bridget en mij, een heel enkele maal mogen zij eens beneden eten en dan doe ik dat ook, maar dan zijn er geen gasten. Ik heb heusch geen conversatie noodig, moedertje; er is afwisseling genoeg in mijn leven! Het is zóó iets anders dan op Hill House en het is hier zoo prachtig mooi en zoo vol bloemen; soms is de temperatuur mij wel eens wat al te zoel, niet "stevig" genoeg, maar er moet wat wezen! Wat zal ik u een massa te vertellen hebben, als ik met Kerstmis thuis kom, want komen doe ik nu zeker! Ik verdien nu zoo flink en Mrs. Balvourneen wil mij veertien dagen geven; heerlijk, he? Hoe aardig dat Mrs. Rowley toch nog bij u geweest is; wel jammer dat het bezoek maar zoo kort kon zijn en dat zij nu naar Italië is met hare kleine neefjes. Zoo ver weg; was ze maar naar Ierland gereisd!
Ik wou dat ik Clärchen en u mijn troepje eens kon laten zien! Zulke levendige kinderen zijn het, vol grappen en pret en toch ook, als het zijn moet, ernstig; dat ondervind ik telkens, als ik Bijbelsche geschiedenis met hen behandel. Dan kunnen zij zulke aardige vragen doen en zulke onverwachte opmerkingen maken. Nesta, de eenige met wie ik wel eens last heb, want zij is en blijft een geducht driftkopje, zei laatst, toen wij het over Ezau hadden: "Als die óók maar eerst tot twintig geteld had, voordat hij zoo riep dat hij van dat "roode daar" wou hebben, dan zou het vrij wat beter met hem gegaan zijn!" Ik had haar eens, toen zij een erg booze bui had gehad, geraden om toch altijd dadelijk even tot twintig te tellen, als ze driftig werd. Nesta is geen gemakkelijk kind.
Ik geloof haast dat May mijn lieveling is. Dat schepseltje is altijd even zonnig en hartelijk en vol bewondering voor de anderen, terwijl zij zelf toch ook wel degelijk begaafd is. Het is een genot om in de kerk naast haar te zitten, want zij heeft een allerliefste stem en zingt heel mooi. Ook fluit zij mooi! Nu zie ik u verbaasde oogen opzetten, maar de meisjes hebben mij verteld en ook Mrs. Balvourneen sprak er laatst over dat mooi fluiten hier tegenwoordig even hooge kunst wordt geacht als mooi zingen. En waarom ook niet?
Al de kinderen, ook Boy met zijn grove, diepe stem, zingen goed. Morgen zullen zij alle vier druk in de weer zijn om varens en wilde bloemen te plukken, want Mrs. Balvourneen is over een paar dagen jarig en de kinderen en ik zullen dan vroeg opstaan om de ontbijtkamer een feestelijk aanzien te geven. De kinderen krijgen dien geheelen dag vacantie...."
Den dag voor den verjaardag was Boy, wat bijna nooit gebeurde, uit zijn humeur. Zij waren allen samen naar een prachtigen waterval gewandeld, waarbij een bizonder sierlijk soort varens groeide en Boy had druk en vroolijk meegeplukt, maar op de wandeling terug werd hij pruilerig. Hij duwde zelfs Bruce, die telkens bij hem opsprong, ongeduldig op zijde en riep tot vervelens toe: "Boy wil niet! Boy wil knorrig wezen!" toen Hedwig trachtte hem wat op te vroolijken. Bridget en zij keken elkander eens aan; het kereltje was zeker moe, de tocht was te ver voor hem geweest. Hedwig vond dit echter geen reden waarom hij den geheelen weg over behoefde te loopen zeuren en toen hij niet ophield en al maar op één dreun met een treurig doffe stem bleef drenzen dat hij zoo moe was, zóó moe, riep Hedwig opeens: "Weet je wat?" Boy hield onmiddellijk op met schreien en keek haar aan; zijn belangstelling was gewekt. "Weet je wat?" herhaalde Hedwig: "Als jij zoo moe bent, ga daar dan maar een beetje zitten op dat heuveltje en dan zal ik wel voor je schreien! Kijk maar, ik kan het heel goed."
Zij trok de neusvleugels samen en fronste de wenkbrauwen, daarbij zulke dwaze gezichten trekkend dat uit Boy's blauwe oogen plotseling alle droefheid verdween en hij door zijn tranen heen prettig begon te lachen.
"Ziezoo," zei May nu, "als Boy geen muziek meer maakt, dan mag ik het nu wel eens een beetje doen, niet waar Maddy?"
Zij wachte het verlof niet af, maar spitste hare lippen en floot een opwekkenden marsch, haar lievelingsdeuntje.
Onwillekeurig ging het loopen nu bij allen vlugger, ook Boy's korte beenen stapten dapper mee en hij schaterde het uit van plezier, toen May hem, even voordat zij thuis waren, in de hoogte tilde en "een moedigen, kleinen soldaat" noemde.
Den volgenden morgen vroeg droomde Hedwig dat zij de gast was van Miss Wells, de directrice van Hill House en zich met deze vermaken moest met bellen blazen. Miss Wells blies haar daarbij onophoudelijk groote bellen tegen het voorhoofd en giegelde op hoogst onaangename wijze, als zij het vocht ongeduldig weg wreef. Eindelijk ging het giegelen over in fluiten en nu begon Miss Wells met een zeer ongewonen, mooien klank in haar stem het lievelingswijsje van May te fluiten.... Hedwig staarde haar verbaasd aan, voelde toen weer een zeepbel op haar voorhoofd uiteen spatten en ... werd wakker.
Daar zag zij May en Bunny reeds geheel gekleed naast haar bed staan, Bunny zoowaar met een bloemenspuitje vol water in de hand!
"Maar kinderen...."
"Maar Maddy, het is hoog tijd om op te staan en wij vonden dit de lieflijkste manier om u te wekken."
"In 't vervolg doe ik mijn deur op slot," zei Hedwig lachend. "Het is wat moois iemand zulke rare droomen te bezorgen! En, daar komt waarlijk nog al iemand binnen."
Die "iemand" was Bruce, die met groote bedaardheid naar het ledikant toe wandelde, zijn voorpooten op den rand zette en met den staart kwispelend, vragend van Hedwig naar de meisjes en van de meisjes naar Hedwig keek.
"Kom hier Bruce, beste hond," zei Bunny. "Je krijgt vandaag een extra biscuit, omdat de vrouw jarig is. Hier!"
Zij haalde een biscuit uit haar zak en hield het hem voor.
"Pas op, je weet wel," hernam zij gebiedend. "Laat Maddy eens kijken hoe verstandig je bent!"
Nu ging Hedwig opzitten in bed en Bunny hurkte bij den geduldigen hond neder, liet hem zijn linkerpoot op haar schoot leggen, legde op den poot de lekkernij en hield haar vinger in de hoogte.
"Pas op! Niet opeten voordat ik zeg dat het mag!"
Bruce zat heel stil, met zijn rechterpoot stijf op den grond geplant en zijn staart bewegingloos. Hij boog den mooien kop voorover en er lag droefheid in zijne houding, als wilde hij zeggen: "Och, waarom stel je mijn geduld nu zoo lang op de proef? Wat beteekent dat nu eigenlijk?"
"Toe, geef het hem nu!" zei May.
"Opeten!" riep Bunny en met één flinken hap had Bruce de versnapering verorberd.
"Nu mag hij mee naar beneden," zei Bunny. "Maak maar gauw voort, Maddy; Bridget kleedt de kleintjes al aan. Wij moeten terstond met het versieren beginnen."
"Tijd genoeg ten minste," dacht Hedwig en het bleek dat zij gelijk had, want de ontbijttafel, de spiegel en de schoorsteen, al de etagères en kleine tafeltjes, waarop of waarom maar varens en bloemen konden worden gezet of klimop geslingerd, waren van groen voorzien, meer dan een uur voordat Mrs. Balvourneen binnen kon komen. Toen zij verscheen, heden gelijktijdig met den heer des huizes, was de vreugde dan ook heel groot. Zij zag er veel opgewekter uit dan gewoonlijk, was hartelijk voor de kinderen, bewonderde de versiering en sprak Hedwig vriendelijk toe over de moeite, die zij zich had willen getroosten. Nesta en Boy mochten naast haar zitten en Nesta's gezichtje straalde van blijdschap. Het liefst zou zij den geheelen dag bij haar moeder gebleven zijn, maar daar was geen denken aan. Er zou buitengewoon veel bezoek komen en 's avonds zou er een groot diner worden gegeven, wat Mrs. Balvourneen heerlijk vond. De kinderen mochten dan aan het dessert beneden komen en lang blijven, beloofde zij.
"Hoera!" riep Boy, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk uitzette en zijn best deed een onderkin te zetten en "hoera!" riepen Nesta en de oudere zusjes, toen zij met Hedwig de kamer verlieten om allen "precies te gaan doen, waarin zij lust hadden";-maar luider nog klonk het "hoera!" 's avonds, toen eindelijk het lang verbeide oogenblik daar was en de boodschap boven kwam, of Mademoiselle nu met de vier kinderen beneden wilde komen.
De meisjes zagen er allerliefst uit, geheel in 't wit en ieder met een toefje heliotropen, de lievelingsbloem van Mrs. Balvourneen, in het borduursel van hare breede kragen. Boy had ook een wit pak aan en zoo'n grooten ruiker tusschen zijn das gestoken dat allen er om lachen moesten. Toch wilde hij er de bloemen alle in houden. "Dat vindt moeder prettig," beweerde hij. "En Boy ook, geloof ik," zei Hedwig en Boy knikte maar eens even, heel genadig; hij vond het onnoodig verder over de zaak te spreken.
Hedwig had zich ook netjes gemaakt in wit mousseline met een lichtblauw streepje. "You look awfully pretty," zei Bunny met groote openhartigheid en Hedwig lachte. Jong meisje als zij was, beviel het komplimentje haar toch nogal. Zij vond het dwaas van zichzelf, maar zij was bepaald wat opgewonden over dien gewichtigen tocht naar beneden. Het zou zoo aardig wezen ook eens iemand te spreken, al was het maar voor een oogenblikje en later alles van dezen avond naar huis te schrijven. Bunny had gelijk, zij was werkelijk "pretty" nu; het was of het mooie, blonde haar en het echt jonge in de heldere, grijze oogen meer tot hun recht kwamen, nu zij zich eens naar haar leeftijd had gekleed.
"Gunst, Maddy heeft nog geen heliotropen aan," riep Nesta uit, een paar bloemen uit het glas nemend. "Neen, ik draag geen bloemen," zei Hedwig, haar afwerend, maar de meisjes drongen zoo sterk aan en maakten het ruikertje zoo handig vast tusschen de kant van haar lijfje, dat zij het maar rustig liet waar het was en opgewekt met de kinderen naar de groote eetzaal toeliep, die alleen bij bizondere gelegenheden werd gebruikt.
Verlegenheid kende zij over het algemeen nauwelijks; toen zij echter met de vier kinderen om zich heen bij den ingang van de eetzaal stond, plotseling tegenover een veertig- of vijftigtal menschen, die een voor een opzagen en naar haar keken, verloor zij toch een oogenblik hare tegenwoordigheid van geest. De kinderen werden dadelijk door kennissen geroepen en snelden heen en zij bleef alleen staan, niet recht wetend wat zij doen zou. Terstond sprong een der jongere heeren op om haar een stoel aan te bieden, maar Mr. Balvourneen, die dicht in de buurt zat, legde de hand op zijn arm en zeide, duidelijk verstaanbaar voor Hedwig:
"Och, doe geen moeite, het is onze gouvernante maar!"
De jonge man ging een weinig verlegen weer zitten en Hedwig beet zich op de lippen. Het was haar juist alsof iemand haar een slag in het gezicht had gegeven, maar zij moest hare kalmte geen oogenblik verliezen en geen woord zeggen, dat besefte zij zeer goed. "De gouvernante maar, de gouvernante maar!" klonk het na in hare ooren, terwijl zij zeer rechtop en schijnbaar heel bedaard, de rijen gasten langs liep naar Boy toe. Hij zou haar hulp noodig kunnen hebben, dacht ze, en zij moest toch iets doen en ergens zitten, al was ze maar de gouvernante! Een opwelling gehoor gevend, bracht zij haar hand aan de heliotropen in de kant van haar japon. Ze wou die niet meer dragen, zij was immers toch volstrekt geen lid van het gezin ... maar ze liet de hand weer zakken; zij had de bloemen immers alleen aangestoken, omdat de kinderen het graag wilden. Kom, ze moest zich flink houden en zich niet zoo gauw in haar eer getast rekenen, maar ze zou hierover niet naar huis schrijven, dat wist zij heel zeker!
Het was of de woorden van Mr. Balvourneen over gansch de met bloemen en kristal getooide tafel door al de rijk-gekleede heeren en dames waren verstaan, zoo duidelijk toonde ieder thans te weten, dat het moedige, jonge meisje, dat met zoo'n rustige houding de lange eetzaal doorliep, de gouvernante der kinderen was. Slechts enkelen keerden even het hoofd om om naar haar te kijken, de meesten bleven doorpraten en letten ter nauwernood op haar; bij uitzondering knikte nu en dan een dame haar flauwtjes toe, doch niemand sprak haar aan of verzocht haar ergens een plaatsje uit te zoeken. Zij was blij dat Boy, toen hij haar zag aankomen, luid riep: "Maddy, Maddy, kom hier bij mij, niet bij Nesta!" Ze kon nu ten minste zijn stoel met hem deelen en stil blijven waar ze was.
Boy liet haar van alles kijken en proeven en strooide suikertjes voor haar neer, alsof het zoo maar niets was. De twee jonge dames, tusschen wie hij zat, hadden er plezier in; zij zagen er vriendelijk uit en juist wilde Hedwig iets zeggen, toen een langgerekt: "Sst! Stil nu!" zich langs de tafel hooren liet en eindelijk allen zwegen.
Hedwig zag nu dat May, die zij uit het oog verloren had en die zich heel aan het andere einde der zaal bevond, op was gestaan. "Kom naast mij, kind," zei haar moeder, wie het aan te zien was dat zij trotsch was op het viertal, dat hedenavond zoo'n bizonder goeden indruk maakte, trotscher zeker ook wel dan op de schitterende juweelen, die aan haar hals prijkten. "Kom naast mij, dan kan iedereen je goed hooren."
"Wat gaat er gebeuren, wat zal May doen?" werd er in Hedwig's buurt gevraagd. "Zingen misschien?"
"Dat zou aardig zijn, ze heeft een heel mooie stem, maar misschien durft ze niet recht; het is nogal geen kleinigheid voor zoo'n uitgelezen publiek te zingen," was het lachend antwoord.
"Zwijgen, als 't je blieft," klonk het nog eens.
Weer was er een algemeene stilte, die verbroken werd door de stem van Mr. Balvourneen. "Allereerst wou ik even zeggen," zei hij, "dat verscheidene gasten hier in mijn buurt den wensch te kennen hebben gegeven naar een lied, ter afwisseling van het aangename discours hier aan tafel. Mijn oudste dochtertje wil gaarne aan dien wensch te gemoet komen, maar ... zou ik de onbescheiden vraag mogen doen of er wellicht onder onze jonge dames zijn, die ook zingen kunnen en zich geroepen voelen zich te laten hooren?"
"Ja, o ja!" "Die en die en die!" "Ik wil ook wel!" werd er geroepen en Mr. Balvourneen glimlachte. "Heel goed," hernam hij, "als er zooveel krachten zijn, moest er dan, dunkt me, eens een wedstrijd in het zingen worden gehouden tusschen May en die jonge dames, die lust hebben aan den wedstrijd deel te nemen."
"Ja, ja, ja! Prachtig!" riep men weer.
"Dan stel ik voor dat zij, die ons door haar zang en door de keuze van haar lied het diepst weet te treffen, dit tot belooning zal krijgen. Godsdienstige liederen zou ik thans buiten willen sluiten...." En hij nam een fraaie, kristallen bloemvaas op, die met roode anjelieren gevuld was.
"Splendid!" "Lovely!" "How very nice!" klonk het opgewonden en men klapte in de handen en lachte en had plezier en Hedwig vergat hare grieven en lachte van harte mee.
Het bleek dat er, behalve May, nog zes jonge meisjes waren, die aan den wedstrijd wenschten deel te nemen en allen moesten zich nu naar het eind der zaal begeven en bij de palmen gaan staan tegenover de eettafel; ieder zou zich dan van de rij af op haar beurt laten hooren. May vond het een eer zich met zooveel oudere meisjes te mogen meten en toen zij van uit de verte Hedwig ontdekte, wuifde zij haar eenige malen hartelijk toe. Hedwig wuifde terug, doch keek verrast om, toen zij de hand van Bunny op haar schouder voelde.
"Maddy," zei ze opgewonden, "als May het nu toch eens won, wat zou dat vreeselijk aardig zijn! Als zij zich maar goed kan houden en niet lachen moet; ik zou zoo verschrikkelijk moeten lachen! Ik kan mij nu al niet inhouden; ik kruip maar achter u weg, anders ziet May mij nog en dan breng ik haar misschien in de war! Zij zal wel 't allerlaatst moeten zingen; wat een toer om eerst naar al die anderen te moeten luisteren!"
May scheen het echter volstrekt geen "toer" te vinden; zij vond zingen en ook luisteren naar zang, altijd een genot en zij stond rustig naast de zes jonge dames haar beurt af te wachten met een uitdrukking van innig welbehagen in hare blauwe oogen.
Alle gasten keken thans in één richting naar de plek, waar de meisjes stonden en nagenoeg alle gezichten glimlachten, zoodat het voor de zangeressen zelf niet gemakkelijk was ernstig te blijven, wat toch noodzakelijk was bij het bedenken van een lied, dat de harten in ontroering moest brengen. Men zette zich tot luisteren, toen, op een teeken van Mr. Balvourneen, nummer één begon te zingen, maar nauwelijks had zij een paar noten doen hooren, of zij sloeg de handen voor het gezicht en barstte in lachen uit. Al die vroolijke, nieuwsgierige oogen voor haar werkten al te zeer op hare lachspieren en met een zucht moest zij eindelijk tot de bekentenis komen dat zij werkelijk van avond niet goed zingen kon. De lachmanie werkte, zooals het doorgaans gaat, aanstekelijk en nummer twee en drie brachten het er niet veel beter af. De anderen hadden meer weerstandsvermogen en zongen haar lied eenvoudig en zeer zuiver; Hedwig genoot terwijl zij luisterde en ook de gasten waren blijkbaar getroffen, maar van diepe ontroering was weinig te bespeuren.
"Nu is het May's beurt! O, ik stop mijn zakdoek in den mond," fluisterde Bunny, nog steeds achter Hedwig verscholen. "Ik geef geen kik!"
May toonde echter geen de minste zenuwachtigheid. Met een tevreden trek op haar lief gezicht, stond zij, geheel een kind nog, thans alleen voor de palmen en begon, met het donkere hoofdje een weinig naar voren gebogen, zacht te zingen.
Een, volgens Bunny "allerakeligste" jonge man had de lafheid zijn buurvrouw een flauwe aardigheid in te fluisteren, die haar hoorbaar giegelen deed, maar ook dit geluid verflauwde, langzamerhand gleed de lach van de gezichten weg en luisterden allen met ontroering naar de schoone melodie van het lied, dat wel door weinig Ieren gevoelloos kan worden aangehoord, het lied van Thomas Moore, ook aan Hedwig nu reeds zoo vertrouwd: "Let Erin remember the days of old."
Toen May zweeg, bleef het eerst heel stil. Eindelijk trok haar vader haar naar zich toe en nooit nog had Hedwig hem zoo aantrekkelijk gevonden als op het oogenblik dat hij met een paar woorden, alleen voor zijn kind verstaanbaar, haar de kostbare vaas in handen gaf.
Het was goed van hem gezien dat hij haar en de drie andere kinderen dadelijk daarop naar boven terug zond, en tot Hedwig's groote vreugde gingen allen gewillig mee. Het was trouwens ook al heel laat geworden en het afscheid nemen van de gasten, die over 't algemeen zeer warm waren in hunne betooningen van hartelijkheid, moest haastig gaan. Op Hedwig zelf werd even weinig acht geslagen als in het begin en toen zij later in de stilte van haar kamer met den kop van den trouwen Bruce tegen haar knie, nadacht over de ondervindingen van dien dag, moest het haar even van de lippen: "Al was er nu maar een, één geweest, die mij een hand gegeven had en eens gevraagd had, hoe het mij beviel hier in dit vreemde land, zóó ver van huis!"
Bruce hief zijn kop op en keek haar met vragende oogen aan. Zij had hardop gesproken, dat moest toch wel tot hem geweest zijn, meende hij.
"Ja Bruce," zei ze, zijn kop tusschen hare handen nemend, "ik ben en blijf een echt dom, sentimenteel Duitsch juffertje, maar het zàl anders worden, dat beloof ik je. Het moet er uit, die overgevoeligheid!"
Zij keek hem half lachend, half weemoedig aan en Bruce blafte een paar malen bescheiden om zijn sympathie te toonen. Wat kon hij beter doen?
Den volgenden dag, toen de kinderen aan het spelen waren en Hedwig een oogenblik alleen op de leerkamer was, kwam Mrs. Balvourneen bij haar. De prettige, geanimeerde uitdrukking van gisteren was van haar gelaat verdwenen en had plaats gemaakt voor den hooghartigen trek, dien Hedwig maar al te goed kende.
"Het was niet heel amusant voor u gisteravond, geloof ik," zei ze met de zeurderige stem, die er op aangelegd scheen iemand prikkelbaar te maken.
Onwillekeurig antwoordde Hedwig dan ook driftiger dan zij eigenlijk wilde:
"Amusant? O neen, en ... en ... ik hoop dat u mij veroorloven zult in het vervolg boven te blijven bij dergelijke gelegenheden."
"Natuurlijk," en Mrs. Balvourneen glimlachte spottend; blijkbaar vond zij het ongerijmd dat Hedwig zich zoo opwond. Zij wachtte even, toen zei ze:
"U zult er toch zeker wel niet op tegen hebben aanstaanden Zaterdag met May en Nesta en mij naar Kenmare te rijden? Ik moet daar een bezoek afleggen en wil de twee meisjes gaarne mee nemen; de vorige maal zijn Kathleen en Gerald mee geweest." (Als Mrs. Balvourneen in een bizonder deftige stemming was, sprak ze nooit over Bunny en Boy, maar steeds over Kathleen en Gerald.)
"Nu ik weet," vervolgde ze, "dat u er niet van houdt menschen te zien,"-Hedwig trok de wenkbrauwen op; dat had zij niet gezegd!--"sta ik u natuurlijk gaarne toe in het rijtuig te blijven, terwijl wij ons bezoek maken. Ik ben er echter op gesteld dat u mee gaat."
Hedwig haastte zich te zeggen dat zij hiertoe natuurlijk ten volle bereid was, maar den Zaterdagmiddag daarop was zij zeer geneigd hare woorden weer in te trekken. Want Nesta was toen zoo onhandelbaar dat er letterlijk niets met haar was te beginnen en Bridget, die haar netjes kleeden moest en door het ondeugende kind de eene jurk na de andere uit de handen werd gerukt, geen raad meer wist en met een hoogroode kleur bij Hedwig kwam om hulp. Met vereende krachten kregen zij haar eindelijk klaar, nog maar net bijtijds, want Mrs. Balvourneen zat reeds met May naast zich in 't rijtuig en begon ongeduldig te worden.
"Ik wil naast moeder zitten!" riep Nesta, toen zij goed en wel naast Hedwig in het rijtuig zat en dit op het punt was om weg te rijden.
"Neen, neen, dat kan nu niet meer, mijn schat, het blijft nu zooals het is. Op den terugweg mag mijn kleine Nesta naast mij zitten," zei Mrs. Balvourneen.
"Neen, nù, ik wil nù naast u zitten, niet naast Maddy!" riep Nesta heel boos. "Ik blijf hier niet zitten, dat wil ik niet!"
Zij stond op en trachtte May van haar plaats te duwen, maar haar moeder strekte de hand uit en drukte haar terug.
Buiten zichzelf van drift greep het kind nu den kostbaren kanten mantel van haar moeder beet, trok er woest een groote scheur in en riep nog eens: "Ik wil naast moeder zitten!"
"O Nesta!" Één oogenblik keek Mrs. Balvourneen zeer ernstig, doch toen Nesta de oogen neersloeg, werd zij al heel gauw verteederd en, haar bij de hand nemend, vroeg zij wel wat overbodig:
"Wou je dan werkelijk zoo erg graag naast mij zitten?"
"Ja, ja!" snikte Nesta.
Hedwig waagde het op te merken dat het beslist beter zou wezen haar thuis te laten.
Mrs. Balvourneen verwaardigde haar echter met geen ander antwoord dan met een blik, die duidelijk zeide:
"Ik geloof dat ik hier meesteres ben, niet waar?"
Met de grootste kalmte liet zij een anderen mantel komen. Toen moesten de plaatsen worden omgeruild en kreeg Nesta haar zin!
May schoof dicht naar Hedwig toe als om te toonen dat zij het heel prettig vond naast haar te mogen zitten en Hedwig glimlachte, maar bedacht bij zichzelf dat het werkelijk zeer noodig zou wezen, Nesta voor haar ondeugendheid te straffen. Het was jammer dat juist dit driftige, moeielijke kind zoo onverstandig werd opgevoed en veel meer verwend werd dan de andere.
De rit was verrukkelijk mooi, toch kreeg Hedwig te midden van de bijna tropische planten- en bloemenweelde, telkens een verlangen naar vorst en sneeuw en rijp en spiegelglad ijs en naar een frisschen, krachtigen wind, die langs bladerlooze boomen streek. Want, hoewel het nu October was, bloeiden de rozen haast even overvloedig als in den zomer, terwijl in de tuinen der villa's camelias en magnolias dikke knoppen vertoonden en breede randen donkere en lichte violen mooi tegen het zachtgroene gras afstaken.
Nesta hield zich nu heel rustig. Tegen haar moeder aangeleund, keek zij met hare donkere oogen oplettend naar alle kanten om zich heen, doch vermeed zorgvuldig Hedwig aan te zien, wat Hedwig met vermaak opmerkte. Zij had beloofd dien avond allerlei te zullen vertellen van de Kerstviering in Duitschland; zij zou er plaatjes bij laten zien en op verzoek der kinderen precies beschrijven hoe het er op een Duitsche Weihnachtsmarkt uitzag. Ze wilde Nesta nu echter verbieden hierbij tegenwoordig te zijn, tenzij zij oprecht berouw toonde over haar ondeugendheid van straks. Het kind moest leeren haar drift te bedwingen en ... niet altijd haar zin door te willen zetten. Terwijl zij daar nu zoo heel stil en tevreden zat met het mooie, blonde haar beschenen door de zon en de bevallige kleine gestalte geheel in rust, leek zij zoo zachtzinnig en lief mogelijk en Hedwig zuchtte eens even, toen zij naar haar keek. Nesta kon bizonder aantrekkelijk zijn-als zij wilde! Maar wat moest er van haar groeien, als zij zoo toegegeven werd?
Zij zou althans niet toegevend voor haar wezen, besloot ze.
Verkwikt door den rit en door het prettige bezoek aan het groote landhuis, waar May en zij op een aardig torenkamertje hadden mogen spelen, terwijl haar moeder deftig beneden haar visite maakte en Hedwig in het rijtuig bleef zitten, was Nesta 's avonds weer in het beste humeur en gemakkelijk viel het Hedwig niet haar te straffen. Heel verwonderd en verschrikt keek het kleine meisje tot haar op, toen zij haar apart nam en ernstig onder het oog bracht, dat zij niet bij het vertellen wezen mocht, als zij niet eerst heel oprecht had gezegd dat zij spijt had over haar driftbui van dien middag. Plotseling rukte zij zich los, zei boos: "Dat doe ik toch niet!" en liep heel bleek de kamer uit. Bunny vroeg met zeer levendige belangstelling wat er toch aan de hand was, maar May, die wel begreep wat Hedwig gezegd moest hebben, zei zacht: "Vraag er maar niet naar, Maddy vindt het zoo jammer en ... misschien komt Nesta wel gauw terug."
Het laatste kwam er aarzelend uit, May twijfelde zelf aan de waarheid van haar woorden en te recht, want Nesta liet zich niet weer zien, voordat het tijd was om te zingen en Hedwig een paar akkoorden aangeslagen had op de piano. Toen kwam zij met een strak gezicht binnen, ging naast Boy staan en zong mee, maar van harte ging het niet en haar "goeden nacht" klonk later zeer koel, heel anders dan gewoonlijk.
Een paar malen sloop Hedwig dien avond naar Nesta's kamertje om aan de deur te luisteren of zij haar misschien ook riep, doch alles bleef stil; Nesta was blijkbaar heel gewoon gaan slapen.
Er gingen twee, drie, vier dagen op deze wijze voorbij en Hedwig begon te vreezen dat de straf den volgenden Zaterdag zou moeten worden herhaald. Doch Donderdagsavonds, toen zij op haar kamer zat te schrijven met Bruce, die haar trouwe vriend was geworden, tot gezelschap, stond opeens een kleine gedaante in 't wit naast haar. "Het spijt me zoo vreeselijk," klonk een zachte stem, twee donkere oogen werden smeekend tot haar opgeheven en er kwam een wonderlijk gevoel van geluk in Hedwig's hart, een onuitsprekelijke blijdschap omdat het kind werkelijk zichzelf overwonnen had en naar haar toe gekomen was.
Zij zeide niet veel, een paar hartelijke woorden maar en Nesta slaakte een zucht van innige verlichting en liet een kort, zenuwachtig lachje hooren, toen ze den staart van Bruce tegen haar bloote beenen voelde tikken. "Ja zeker, Bruce hoort er ook bij," zei Hedwig en ze hurkte bij den hond neer en stond Nesta toe hem een biscuit te geven, iets dat Bruce op dit ongewone uur een heel eigenaardig en verblijdend verschijnsel vond.
Ook aan haar moeder zei Nesta uit eigen beweging dat het haar erg speet dat zij den mooien mantel bedorven had, "omdat ik zoo driftig was," voegde zij er fluisterend bij, maar Mrs. Balvourneen lachte en gaf haar bonbons. "Daar denken wij maar niet meer aan," zei ze, "ik heb mantels genoeg, kind. Kijk maar gauw weer vroolijk!" En haar dochtertje voelde wel dat zij er niet zoo tegenop had behoeven te zien om naar haar moeder toe te gaan en-het ook wel had kunnen laten!
Toen het eind October was, begonnen de kinderen reeds te spreken over de kerstvacantie en het heerlijke kerstfeest, waarvan zij zich zeer veel voorstelden. "Alleen maar jammer dat Maddy dan weg is," zei Bunny, maar May zeide: "Wèl jammer, maar heerlijk voor Maddy om thuis te zijn en wat zal zij ons, als ze weer terug komt, veel nieuwe dingen te vertellen hebben!" "Dat denk ik ook," zei Hedwig vroolijk en Boy verklaarde met zijn mannenstem "best heelemaal mee te willen naar Duitschland," waarop Nesta beslist beweerde: "Dan ik ook mee!" En dan moest Hedwig telkens weer verhalen doen over het ijs en het verrukkelijke schaatsenrijden, de vlug neervallende sneeuwvlokken en de bloemen op de ramen van een echten winter, zooals geen dezer Zuid-Iersche kinderen er ooit een had bijgewoond. Bridget luisterde dan al even aandachtig toe als het jongere publiek en scheen soms wel wat te twijfelen aan de waarheid van Hedwig's voorstellingen. Dat men poppen zou kunnen maken van sneeuw, kon zij nauwelijks gelooven!
Hoe weinig dacht Hedwig in die gezellige uren, terwijl zij en de kinderen elkaar hoe langer hoe beter begonnen te begrijpen en zich hoe langer hoe meer aan elkaar hechtten, dat het met hare kerstvacantie zoo geheel anders af zou loopen dan zij zich toen voorstelde!
Dat kwam zoo. Nesta hield zich, na de hevige driftbui in het rijtuig, een poosje bizonder goed, wat voor Bridget en Hedwig een ware verademing was en Hedwig hoopvol den tijd te gemoet deed zien, waarin het kind meer zou gaan gelijken op May en Bunny en met dezelfde gulle goedhartigheid als hare zusjes, haar eigen gewichtig persoontje meer op den achtergrond zou weten te dringen. Het zou zoo heerlijk wezen, dacht Hedwig haast moederlijk, als-ook door haar toedoen-de kleine Nesta opgroeide tot een echt gelukkig menschenkind. "Ik houd veel van mijn werk, zóóveel," schreef zij naar huis, "en ik stel er mij ook veel van voor er u van te vertellen. Meer dan ooit ben ik blij dat ik hier gekomen ben en ik hoop vurig dat ik hier jaren en jaren zal mogen blijven! Nu, daar is, dunkt me, wel kans op. De kinderen zijn nog jong en alles gaat zóó prettig tegenwoordig!"
"Jaren en jaren blijven!" Reeds twee dagen nadat zij dit geschreven had, wist Hedwig dat het niet zoo zijn zou.
Zij was op zekeren ochtend, verlokt door het mooie weer, vroeg opgestaan en had met Bruce een wandeling gemaakt naar het mooi gelegene kerkje van Glengariff. Terwijl zij naar haar kamer terug liep om hare schoenen uit te trekken, bleef zij eensklaps midden op de trap verschrikt staan, want een hevig gegil drong vanuit een der badkamers tot haar door. Wat kon er nù aan de hand zijn? Zonder zich te bedenken snelde zij naar de badkamer toe en daar vond zij Nesta, die door Bridget gebaad werd, gillen en schreeuwen dat het een aard had. "Akelige, nare Biddy!" riep ze, haar de spons uit de hand rukkend en de zeep, zoover zij maar kon, door de kamer keilend. "Ik zal het aan moeder zeggen ... aan moeder zeggen...."
Zij hield zich even stil, toen zij Hedwig gewaar werd, doch toen de geduldige Bridget zeep en spons bij elkaar gezocht had en haar weer begon te wasschen, gilde zij het opnieuw uit en gaf haar in haar woede een harden slag in het gezicht.
Onder den invloed van de tintelende pijn, liet Bridget hare handen zakken en ging achteruit, maar Hedwig trad terstond op Nesta toe, greep haar beide handen vast en vroeg streng: