"Met welke hand heb je Bridget geslagen, Nesta?"
Nesta werd donkerrood. Hedwig zag aan de uitdrukking van hare oogen dat zij zich begon te schamen, maar dit niet weten wilde en koppig kwam het antwoord eruit:
"Met de rechter."
"O." In de vaste overtuiging dat zij goed handelde, nam Hedwig de bewuste hand beet en gaf er een flinken tik op, wat natuurlijk tengevolge had dat Nesta nogmaals een keel opzette. "Dat zal wel gauw bedaren," dacht Hedwig, "het kan niet anders dan heilzaam voor haar zijn," maar zij had er niet op gerekend dat nog iemand anders dan Bridget haar met Nesta bezig had gezien. Daar stond echter Mrs. Balvourneen, die ongemerkt was binnengekomen, juist op het gewichtige oogenblik dat Nesta den bestraffenden tik op haar arm kreeg!
"Mag ik weten wat dit beteekent?" vroeg zij op hoogen toon en zonder het antwoord af te wachten, ging zij naar Nesta toe en sloeg den arm om haar heen met de woorden:
"My poor little darling!"
De "arme, kleine lieveling" ging nu zoo erbarmelijk snikken dat het haast niet aan te hooren was.
"Kleed Miss Nesta dadelijk aan Bridget, terwijl ik er bij ben," zei Mrs. Balvourneen en tot haar dochtertje: "Ach mijn kindje, schrei toch niet meer zoo, dat vindt moeder zoo naar. Wil zij vandaag eens een prettig vacantiedagje hebben en den heelen ochtend bij haar moedertje wezen?"
"Ja, ja," snikte Nesta.
"Als u zoo goed wilt zijn even naar de leerkamer te gaan, mademoiselle, dan kom ik straks bij u," vervolgde Mrs. Balvourneen en Hedwig verdween; zij kon wel niet anders dan gehoorzamen.
In spanning wachtte zij het onderhoud af; zeker zou Mrs. Balvourneen haar een scherpe berisping geven over de wijze waarop zij Nesta gestraft had, maar ... zij zou zich weten te verdedigen; zij geloofde stellig dat zij goed gehandeld had....
Doch veel erger dan een berisping was haar deel. Het onderhoud was kort, want toen Mrs. Balvourneen de leerkamer in kwam, beweerde zij van alles reeds precies op de hoogte te wezen. "Ik erken," zei ze "dat Nesta soms wat lastig is, maar dat geeft niemand, u allerminst, het recht, haar zóó wreed te straffen! Ik heb reeds meer dan eens opgemerkt dat u zeer, zeer weinig takt met haar hebt. Ook de wijze, waarop u met de andere kinderen omgaat, draagt mijne goedkeuring slechts ten deele weg en in ieder geval is het gebeurde van zooeven gewichtig genoeg, om mij te doen besluiten eene andere gouvernante te zoeken. Het zal mij dus aangenaam wezen u tegen de kerstvacantie te zien vertrekken."
Dàt had Hedwig niet verwacht, dàt niet, zoo iets ergs....
Doodsbleek stond ze voor Mrs. Balvourneen.
"U kunt toch niet meenen ... moet ik dan voor goed vertrekken?"
"Ja zeker en ik wil nu liever verder niet over de zaak spreken, terwijl u mij zeer beslist zult moeten beloven tegenover de kinderen geen woord over uw vertrek te reppen. Mijn besluit is onherroepelijk; ik reken er beslist op dat u tegen Kerstmis heengaat. Kan ik er vast op aan dat u tegenover de kinderen zult zwijgen?"
"O ja," zei Hedwig dof.
Als in een droom deed zij dien dag haar werk en zoo stil en ernstig was ze dat de kinderen ervan onder den indruk kwamen en toch maar niets vroegen, vermoedend dat de driftbui van Nesta haar bedroefd gemaakt had. Maar toen haar vroolijkheid haar ook de volgende dagen telkens in den steek liet, vroegen May en Bunny een paar malen bezorgd of haar iets scheelde.
Toen moest het hooge woord er uit. Ja, haar scheelde wèl iets, bekende Hedwig openhartig, maar zij kon niet zeggen wat en zij moesten er haar niet meer naar vragen. De meisjes gehoorzaamden en trachtten door allerlei kleine oplettendheden, vooral door het zetten van vele geurige ruikertjes op haar kamer, haar leed te verdrijven en zij was er dankbaar voor, maar voelde er de smart te dieper om.
Toch begaven het krachtige geloof in Gods hulp en hare oude energie haar niet. Zij schreef moedig het voornaamste naar huis en meldde ook dat zij nu dit jaar haar plan om naar Duitschland te gaan, moest opgeven en besloten was het opgespaarde geld te gebruiken om naar Londen te reizen, daar tijdelijk haar intrek te nemen in een Governesses' home, (tehuis voor gouvernantes) haar door Mrs. Balvourneen aanbevolen en dan naar een nieuwe betrekking uit te zien. Mrs. Balvourneen was bereid haar een goed getuigschrift mee te geven.
Intusschen wisten de kinderen van niets en bleven zij zich onstuimig verheugen op de naderende Kerstvacantie. Eindelijk begon Hedwig de weken en toen de dagen te tellen, die nog voor haar vertrek moesten verloopen. Alleen Bridget had zij, onder diepe geheimhouding, mogen vertellen dat zij ging vertrekken en Bridget had de handen gewrongen en was gaan schreien, al maar uitroepend hoe vreeselijk, hoe verschrikkelijk dat voor de kinderen zijn zou!
Den dag voor Hedwigs' vertrek, kregen de kinderen vrijaf. "Nu al? Begint de vacantie nu al?" riepen zij verheugd. "Hoe prettig!" Maar toen Hedwig bezig was op haar kamer haar koffer te pakken, kwamen opeens Boy en Bruce bij haar binnen. Hedwig meende dat het geen kwaad kon, vooral omdat zij wist dat de meisjes met hun vader uit waren, maar Boy vroeg parmantig, terwijl hij in den grooten koffer keek: "Waarom moet dat allemaal mee naar Duitschland? Waarom mag het portretje van Tieka niet zoolang hier blijven?"
Zijn moeder hoorde hem praten en riep hem bij zich en Hedwig hoorde hoe hij dringend vroeg: "Maddy komt toch weer, moeder? Maddy komt toch natuurlijk weer?"
Het antwoord kon Hedwig niet verstaan, maar duidelijk hoorde zij Boy nog vragen: "Als het nieuwe jaar er is, dan is Maddy toch weer bij ons?"
Toen was alles stil en met een oproerig hart verder pakkend, vroeg Hedwig zich af, wat Boy's moeder toch wel geantwoord zou hebben!
's Avonds was hij nog laat wakker en riep hij om "Maddy." Bridget haalde Hedwig.
Met een kleur, de groote oogen heel wijd open, zat Boy op in zijn bed. "Maddy komt toch terug? Maddy komt toch natuurlijk terug?" vroeg hij weer en Hedwig, te bedroefd om iets te kunnen zeggen, knielde bij hem neer. Ze trok zijn gezicht naar zich toe en drukte er een kus op, doch opeens rukte Boy zich los. "Ik vind het niet prettig om op mijn oog een kus te krijgen!" riep hij. Toen ging hij liggen, keerde zich om en viel in slaap. Hedwig en Bridget glimlachten. "Nacht lieve, lieve Boy," fluisterde Hedwig.
Nog even liep ze naar de slapende meisjes toe en zei haar zwijgend goeden dag; het was het eenige afscheid, dat zij van haar nemen mocht. Zij zou den volgenden ochtend heel vroeg vertrekken en niemand meer zien. Mr. en Mrs. Balvourneen wenschten haar het beste voor haar volgend leven en Bridget bedankte haar in een stortvloed van vurige woorden voor "al haar hartelijkheid en gezelligheid."
Zij sliep weinig dien nacht en was maar blij toen het haar tijd was om op te staan en zich reisvaardig te maken. Het was nog schemerdonker, toen zij wegreed, weg van de schilderachtige plek, die haar zoo lief geworden was, dubbel eenzaam in het besef dat zij voortaan de hartelijke toegenegenheid der vier Iersche kinderen zou moeten missen en toch dankbaar voor den tijd, dien zij op het kasteel Balvourneen had mogen doorbrengen.
Toen zij aan het station van Kenmare uit het rijtuig stapte, sprong er iets tegen haar op en klonk er een luid geblaf en met den uitroep: "O Bruce, lieve, lieve Bruce!" boog zij zich voorover en streelde den grooten, trouwen St. Bernardshond, die haar tot aan het laatste oogenblik toe zijn aanhankelijkheid wilde toonen en het rijtuig nageloopen was.
HOOFDSTUK XI.
Londen en Mist.
Heel mooi trof zij het niet voor haar zeereis, want tegen den avond stak er een hevige wind op en werd de lucht donker en toen zij op het dek van de boot stond, zwiepte de regen haar in het gezicht en had zij moeite staande te blijven.
Toch kon zij er ook thans niet toe besluiten naar beneden te gaan; er waren zeer vele reizigers en als zij boven bleef, had zij ten minste frissche lucht. Zij wikkelde zich in haar langen mantel, veroverde een vouwstoel en zocht een beschut plaatsje uit om te gaan zitten. In 't eerst ging alles tamelijk goed, maar toen de storm steeds aanwakkerde en de boot geweldig ging schommelen, begon zij zich minder plezierig te voelen en eindelijk werd het zóó erg dat zij zich genoodzaakt zag, zoo goed en zoo kwaad als het ging, naar beneden te strompelen en te zien of zij door rechtuit te gaan liggen, de booze zeeziekte weer verdrijven kon.
Doch toen zij eindelijk met groote moeite beneden gekomen was, was het daar zoo overvol, dat er voor haar van "rechtuit liggen" niets kon in komen. Aanlokkelijk was het buitendien ook geenszins in de propvolle ruimte met de drukkende atmosfeer en met de slaperige, bleeke gezichten van lustelooze dames, die met de doffe onverschilligheid van echte zeezieken, even naar haar keken en dan weer kreunend de oogen sloten. Maar hoewel zij nauwelijks op hare beenen kon blijven staan en het onplezierige gevoel er lang niet beter op werd, kon zij toch niet laten even te glimlachen om het tragische tooneel. Hier kon zij echter niet blijven! Zij had bovendien ook geen keuze, want er was geen enkel plekje meer open. Ze zou dus maar trachten zoo gauw mogelijk haar vouwstoeltje op het dek weer op te zoeken.
De boot danste nu zoodanig dat zij zich met beide handen stevig aan de trapleuning vast moest houden en telkens even moest blijven staan om niet omver geworpen te worden. De felle regen flitste haar weer in het gezicht, toen zij boven kwam. Met een steeds groeiende gewaarwording dat zij zich nog nooit in haar leven zoo aller-ellendigst had gevoeld, bereikte zij met horten en stooten de plek, waar zij zooeven gezeten had. Maar hoe zij ook zocht, haar stoel was nergens te vinden; men had dien zeker terstond weggenomen, toen zij naar beneden gegaan was en daar stond zij nu, te ziek om verder te kunnen handelen, tegen de deur aangeleund, waarvoor straks de kostbare stoel nog gestaan had.
Steeds heviger gierde en loeide de wind, onbarmhartig sloeg de regen tegen haar aan, één oogenblik voelde zij het verlangen bij zich opkomen dat iemand haar toch op mocht nemen en in zee werpen,-en in haar pijn en benauwdheid kermde zij het uit....
Zoo bleek en ziek zag zij eruit dat een paar matrozen, die haar voorbij kwamen, medelijden met haar kregen en haar een stapel dik opgerold touw aanwezen om op te gaan zitten. "Zóó, nu zal het wel beter worden," zei de eene, en "o, dank u wel," zuchtte Hedwig, terwijl zij met een oogenblikkelijk gevoel van verlichting, op het touw neerviel. Maar lang liet de verraderlijke zeeziekte haar geen rust. Daarbij werd telkens als zij opstond, het pikkerige touw door den aanhoudenden regen hoe langer hoe natter en toen eindelijk het ergste geleden was en zij met onuitsprekelijke blijdschap de kust zag naderen, werd die blijdschap wel wat getemperd door de ontdekking dat haar lange mantel vol leelijke vlekken zat.
"Ja, dàt konden die vriendelijke matrozen niet weten," bedacht zij dadelijk. Als zij goed en wel in Londen was, zou zij den mantel eens flink onder handen nemen; ze wou er nu niet over gaan treuren, het was veel te heerlijk dat zij thans van die akelige zeeziekte af was. Wel voelde zij zich nu uitermate vermoeid; zij kon hare oogen haast niet meer open houden en toen zij goed en wel in den trein naar Londen zat, bleef zij heel stil in haar hoekje zitten, tot niets meer in staat dan om zich lijdelijk te laten meevoeren naar de groote wereldstad.
De groote wereldstad vertoonde zich, toen zij haar vroeg in den ochtend naderde, niet juist op haar aantrekkelijkst, want er hing een vuilgrijze mist, die het in de huizen en straten akelig donker maakte en den indruk gaf als zouden deze duistere Decemberdagen, de een na den ander, zonder één enkelen lichtstraal, in eentonige somberheid, moeten voorbijgaan.
Londen zag er nu wel geheel anders uit dan zij het gezien had op dien stillen Septemberochtend, toen zij op weg was naar Edinburg. Wat scheen dat nu lang reeds geleden! Toen hing er een ragfijne, teere nevel, die tooverachtig en geheimzinnig over de groote gebouwen en boomtoppen gleed, nu lag over alles een groezelig, zwartachtig waas en verbaasde zij er zich haast over dat zij Londen ooit mooi had kunnen vinden.
Londen en Glengariff-wat trof haar het verschil, terwijl zij zich in een oude, uitgezakte vigilante naar het home liet rijden! Zij troostte zich met de hoop dat zij misschien niet zoo heel lang in Londen zou behoeven te blijven en, als zij maar eerst zeker was van een mooie nieuwe betrekking-wie weet, of zij dan toch niet nog enkele dagen naar Duitschland zou kunnen gaan! Al was het maar voor een week, voor vier dagen zelfs, zij zou ... ja, zij zou er de reis dolgraag voor over hebben, al moest zij dan nog eens weer heel zeeziek wezen! En in de versleten, slordige vigilante, rijdend door de modderige straten van het mistige Londen, op sommige plaatsen nog spookachtig verlicht door mat lantarenschijnsel, dat streed met het grauwe licht van den winterdag, begon zij opeens vroolijk te neuriën:
"Wenn ich komm', wenn ich komm', wenn ich wieder komm'...."
"Ach, wird das schön sein!" riep zij opgewonden. Toen raakte zij weer in gepeins verdiept, sloot de oogen en gaapte dat het een aard had.
"Hoe kom ik zóó moe! En wat duurt die rit toch lang!" riep zij ongeduldig.
Maar eindelijk was zij waar ze wezen moest. Zij was een gedeelte van een park voorbij gereden, waar het er bijster kil en verlaten uitzag en bevond zich nu in een lange straat met smalle, hooge huizen, die alle precies op elkaar geleken. Voor één hiervan, kenbaar aan een groot bord, waarop in reusachtige letters iets stond aangekondigd, hield de vigilante stil.
Hoewel de koetsier met veel geweld den klopper op de
voordeur liet vallen, duurde het geruimen tijd eer deze geopend
werd en Hedwig was dus in staat de aankondiging op het bord op haar
gemak te lezen. Dit was wat zij las:Select
Governesses' Home and Agency,
For Gentlewomen Only.
Office Hours-Eleven till half past Four
Saturdays-Eleven till Two.
"For Gentlewomen only!" Dan mocht zij er zeker op rekenen in deftig gezelschap te komen! Zij hoopte dat zij in haar gevlekten mantel maar niet al te veel gentlewomen zou tegenkomen straks in de gang.
Vooralsnog scheen daar ook al heel weinig kans op; het huis was als uitgestorven en eerst na een herhaald, donderend geklop van den verontwaardigden koetsier, werd de deur langzaam geopend door een vrij slordig dienstmeisje. Zij groette Hedwig nauwelijks, toen deze haar goeden dag zeide en verdween terstond weer, nadat de koffer in huis was gezet.
Vermoeid als zij was, moest Hedwig nu langen tijd op de vloermat in de smalle gang staan wachten, tot het iemand believen zou haar te woord te staan. Het bleef eerst doodstil om haar heen, alleen hoorde zij even bij een trap, die blijkbaar naar de keuken leidde, een gestommel van dienstmeisjes. Te oordeelen naar de woorden, die zij opving, konden zij het niet te best samen vinden. Eindelijk klonken er ook voetstappen in haar nabijheid.
Een reeds bejaarde dame met vriendelijke oogen, die het bleeke, vermagerde gezicht nog aantrekkelijk maakten, stond voor haar, zeide haar goeden dag en vroeg haar welken prijs zij voor haar kamer wenschte te betalen. Welken prijs? Dat kon Hedwig niet zoo precies zeggen. "Liefst niet te duur," zei ze aarzelend, "want ik hoop wel gauw een goede betrekking te vinden, maar toch...."
"Maar toch wenscht ge nu wat zuinig te wezen," zei de directrice van het home met een glimlach. "Dan kan ik u juist aan een kleine kamer helpen, die gisteren open gekomen is. De grootere kamers zijn alle voor twee of vier personen...."
"Als het kan, zou ik wel graag alleen slapen," zei Hedwig.
"Zeker, die kleine vertrekken zijn voor één persoon bestemd. Ik zal u even den weg wijzen."
Zij ging Hedwig voor, een hooge trap op met erg uitgeloopen treden, die slechts ten deele door een rafeligen, grijzen looper waren bedekt. Zij bevonden zich nu op een groot portaal, waarop ettelijke, met nummers voorziene deuren uitkwamen en dat door een raam uitzicht gaf op een naargeestig, door hooge muren omringd, binnenplaatsje. Het zeil, dat er lag, was zoo kaal dat er van het oorspronkelijke patroon niets meer was te ontdekken en de draden er doorheen kwamen; toch had alles meer een armoedig dan een slordig aanzien, vond Hedwig, die erg haar best deed het kasteel Balvourneen met zijn smaakvolle weelde en bloemenpracht, zonneschijn en vroolijke kinderen, voor het oogenblik althans, uit hare gedachte te bannen.
Zij volgde de directrice naar een hoogst eenvoudig gemeubileerd vertrekje, dat ook weer licht kreeg-veel was het inderdaad niet!--door een raam met uitzicht op het genoemde binnenplaatsje. Niemand zou het ooit een "aardig" of "lief" kamertje hebben kunnen noemen, maar met een dankbaar hart merkte Hedwig op dat het bed er frisch en behagelijk uitzag en toen de directrice verdwenen was, haastte zij zich, zich te ontkleeden en onder de dekens te kruipen. Zij zou vandaag maar niet aan het ontbijt komen, had zij gezegd en met een zucht van welbehagen legde zij haar hoofd op het kussen, blij dat ze niet voor zoowat half één weer zou behoeven op te staan om klaar te zijn voor het lunch.
Wat was het een genot de beenen eens flink uit te strekken en aan niets te denken dan aan: rust ... rust! "Hè, hoe heerlijk dat ik niet meer op de boot ben," fluisterde zij, het dek over zich heentrekkend; toen viel zij in slaap.
Zij werd een uurtje later wakker door het eentonig geluid van geregeld neervallende waterdruppels, die almaar, als op de maat, hun tik ... tik ... tik ... lieten hooren. Wat kon dat toch wezen? Regen was het niet, daarvoor kwam het geluid met te lange tusschenpoozen, maar waar kwam het dan toch vandaan? Het onophoudelijk getik begon haar nu zóó te hinderen dat zij er boos om werd op zichzelf en wrevelig uitriep: "Wat kan mij die leelijke muziek nu toch schelen? Kom, ik ga weer slapen!" Ze keerde zich om en wikkelde zich nog eens warmpjes in de wollen dekens, maar ... het slapen vlotte niet meer. Telkens opnieuw, als zij bijna sliep, deed het hatelijke tik ... tik ... haar weer klaar wakker worden en eindelijk ging zij knorrig opzitten in bed en keek om zich heen.
Ja, nu zag zij het, daar kwam het vandaan! Dicht bij het voeteneind van haar ledikant was onder het behang een pijp verborgen, waardoor voortdurend druppels naar beneden kwamen. Waarom die pijp daar juist was aangebracht, was haar niet duidelijk, maar zij veronderstelde dat het met de waterleiding in verband stond en zij begreep dat zij zich zoo goed als het ging, aan dat druppelgeluid zou moeten gewennen, tenzij ze liever met nog twee of drie meisjes op één kamer sliep. Andere kamertjes voor één persoon waren er op het oogenblik niet over, had de directrice haar meegedeeld.
Zij ging op haar rug liggen met hare handen gevouwen achter het hoofd en dacht na. Van uit haar bed kon zij juist over het binnenplaatsje heen een blik slaan in de benedenkamer van een huis aan den overkant. Zij zag een oudachtig heer in een leuningstoel bij het raam zitten. Hij hield het hoofd wat voorover gebogen en gaf door zijne houding een indruk van verveling, die geheel in overeenstemming scheen met zijne omgeving en het sombere weer buiten. Wat zag het er daar ook naargeestig en doodsch uit, vond Hedwig. Zij moest eens even zuchten; toen riep zij op een toon, dien zij te vergeefs trachtte spottend te maken:
"O, wonderschoon Glengariff! Ach Balvourneen! Balvourneen! O Bruce, mijn lieve, beste, trouwe hond! O lieve, lieve May en Bunny...!"
Maar ze ging daar toch niet snikken?
Dat wou ze niet, heelemaal niet, daar mocht niets van in komen en met één sprong was zij het bed uit. Zij vond dat het hoog tijd voor haar werd om eens flink aan den gang te gaan en zich niet meer over te geven aan nuttelooze overpeinzingen.
Zij belde en verzocht het verbaasde dienstmeisje, dat er zich niet op gehuurd achtte om "tusschentijds" de bewoonsters van het huis te bedienen, haar wat warm water te brengen. Zij vroeg het zoo vriendelijk dat het meisje het haar werkelijk bracht en met zeer grooten ijver toog zij nu aan het werk om den gevlekten mantel te reinigen. Haar hoofd klopte en zij voelde zich nog "raar" van de doorgestane zeeziekte, doch daar zou ze nu maar geen acht op slaan; ze wou vooral niet te veel letten op pijntjes en andere kleine lasten; ze wou vol moed en energie haar weg gaan.
En zeer noodig bleek die energie, want prettig was het leven in dit Tehuis voor Gouvernantes allerminst en het kostte Hedwig vooral in het begin, moeite te gewennen aan het eenzame van haar toestand, aan het schamele, echt armoedige van de geheele omgeving en aan de zeer sobere maaltijden, die stellig beter waren dan die op het beruchte Hill House, maar er haar toch, juist door de karigheid van het voedsel, wel aan herinnerden. Daarbij kwam dat het menu iedere week voor iederen maaltijd precies hetzelfde was en men er dus bij voorbeeld vast op kon rekenen, Maandags aan het ontbijt geregeld een plak worst te vinden, Dinsdag's een reepje gebakken spek, Woensdags een hompje kaas en ... Zondags een ei, maar dat was dan ook een groote traktatie!
Er was iets saais in deze steeds eentonig terugkeerende volgorde en saai was het ook dat er nooit één enkele levende bloem of plant op de eettafel te zien was, die iederen dag weer met een paar bakken met leelijke ijzeren planten prijkte, aan iederen kant der tafel één, om de regelmaat te bewaren! Iets saais lag er ook over de stemming van vele der tijdelijke bewoonsters, die voor 't meerendeel gebukt gingen onder de noodzakelijkheid om betrekkingen te zoeken, welke zoo heel moeielijk te vinden waren en onder den angst, niet genoeg geld te hebben voor een vrij langdurig verblijf in het home.
De directrice was vriendelijk en goed en gaf een hartelijk woordje waar zij kon, maar zij had het veel te druk om zich werkelijk met hare tijdelijke huisgenooten bezig te houden en zag er dikwijls zoo afgemat uit dat Hedwig medelijden met haar kreeg. Er waren er meer met wie zij medelijden had, arme, afgetobde schepsels, die veel te weinig geleerd hadden om haar werk naar behooren te kunnen doen en dan ook geringe kans hadden als gouvernante te worden gekozen door een der dames, die bij de directrice om inlichtingen kwamen. Hedwig werd benijd om haar vlot Duitsch en Fransch en haar muziek en de goede getuigschriften die zij kon toonen, maar ook zij moest geduld hebben. Want hoewel het nu spoedig Kerstmis zou zijn en het dus tegen Nieuwjaar liep, kwamen er maar weinig aanvragen in om gouvernantes en het speet Hedwig telkens dat zij zich niet kon aanbieden als "een vlug, knap, eerlijk dienstmeisje", want die werden genoeg gevraagd!
Toen er zich werkelijk een paar betrekkingen voordeden, gingen anderen haar nog weer voor. Er waren twee slordige, drukke Françaisetjes in het home, die aan tafel de flauwste grappen verkochten en er een eer in stelden, nauwelijks een paar woorden Engelsch te kennen. Zij giggelden den lieven, langden dag om niets, hadden zich aangewend om over allerlei, dat zij elkaar vertelden, in gemaakt gebroken Engelsch uit te roepen: "Iet ies kjoerioes" (It is curious) en lieten er zich verbazend veel op voorstaan dat zij uit Parijs kwamen. Dat zij slecht onderricht hadden gehad en zeer onontwikkeld waren, daarover bekommerden zij zich niet en toen haar op zekeren dag meegedeeld werd dat twee dames den wensch te kennen hadden gegeven naar een "echt Parijsche" gouvernante, waren zij terstond bereid zich aan te bieden. Zij moesten zich toen in het middaguur bij de bewuste dames gaan vertoonen en gingen lachend op weg, slordig en wel, met hier en daar een vastgestoken speld om scheurtjes en torntjes te bedekken-toch, het moet erkend worden, niet zonder gratie,-en toen zij terug kwamen, beiden in het bezit van een goede betrekking, riepen zij ieder op haar beurt zegevierend uit:
"Mais, je suis Parisienne, moi!"
Intusschen zocht Hedwig ijverig verder en leerde zij Londen vrij goed kennen. Mr. Balvourneen, die haar heengaan overigens vrij koel had opgenomen, had haar nog een van de laatste dagen den raad gegeven, vooral alle mogelijke couranten door te zien bij het zoeken naar een nieuwe betrekking. Iederen ochtend na het ontbijt, begaf zij zich dan ook naar een boekwinkeltje op den hoek der straat, waar zij voor één penny de advertentiekolommen der verschillende bladen, die daar werden verkocht, door mocht kijken. Menig adres teekende zij op en menig briefje schreef ze, dat onbeantwoord bleef en ook menig vruchteloos bezoek maakte ze, want, de stoute schoenen aantrekkend, begaf zij zich dikwijls terstond, nadat zij het adres was machtig geworden, naar een of ander huis, waar een gouvernante werd verlangd. Zij moest daartoe soms langer dan een uur met den trein-boven of onder den grond-reizen, of lange ritten doen per omnibus of tram en vaak ook door modder en mist, lange einden loopen. De vrouw in het boekwinkeltje was heel vriendelijk voor haar, gaf haar een kaart van Londen ter leen en buitendien voor iederen tocht nauwkeurige aanwijzingen en het was niet alleen voor Hedwig zelf een teleurstelling, als zij telkens weer op de belangstellende vraag: "Nù geslaagd misschien?" het hoofd moest schudden.
De vrouw van het winkeltje voelde moederlijk medelijden, maar meer nog bewondering voor het dappere, jonge, Duitsche meisje, dat iederen dag weer met nieuwen moed zocht en zocht en er, helaas, zoo bleek en vermoeid kon uitzien. Want Hedwig was, door de afmattende tochten, door het druilerige, slappe weer, door het eenzame en weinig gezonde van dit leven en vooral door het telkens op nieuw zoeken en niet vinden, soms zóó "op" dat zij er zelf met eenige ergernis verbaasd over was en zich voornam vooral niet toe te geven aan de al sterker wordende, bij haar zeer ongewone neiging, om eens een paar dagen thuis en te bed te blijven en heelemaal uit te rusten.
"Uit te rusten? Waarvan?" zei ze dan, als in antwoord op hare gedachten. "Ik mag niet moe zijn en ik ben het ook niet, ik verbeeld het me maar."
Den middag vóór Kerstmis nam ze vrijaf en ging voor haar plezier wandelen. Wat leek het al lang, lang geleden dat zij dat gedaan had en o, wat zag het er in de Londensche straten toch heel anders uit dan om Glengariff heen met al den gloed van velerlei bloemen en met de schoone baai met het glinsterend groene water! Het weer was tamelijk goed vandaag, het regende ten minste niet, maar het bleef somber donker in de straten en als een blijde verrassing trof Hedwig achter een winkelraam een hooge kerstboom, die prijkte in een glans van mooi, zacht licht en frissche kleuren. Terwijl zij er naar keek, was het of er meer licht scheen ook in haar ziel. Zij had nog zóó weinig gedacht aan het Kerstfeest, veel te weinig, vond zij nu-haar hart was bekommerd geweest en vol zorg voor de toekomst; ze wou dat nu alles van zich af laten glijden en alleen denken aan den trouwen God en aan de rijke beteekenis van het Kerstfeest. En toen zij in het home en op haar kamer terug kwam, nam zij haar Bijbel en las bij het schamele licht van haar kaars de beschrijving van de geboorte van Gods Zoon, het "kindeke, liggende in de kribbe;" toen vouwde zij de handen en bad innig om steun, bad vurig ook om den zegen dat dit Kerstevangelie tot in haar ziel mocht doordringen en zij het nooit half vergeten zou, zooals zij heden bijna op weg was geweest te doen.
Er kwam vreugde in haar hart en den volgenden dag, Kerstmis, nam zij een paar van de arme, afgetobde schepseltjes uit het home mede naar den dienst in Westminster Abbey, de machtige kathedraal, waar alle kleine gedachten wegvallen en alleen plaats is voor stil gelooven en geheele overgave aan God in het gebed. Met aandacht luisterde zij naar de eenvoudige Kerstpreek en toen uit het koor, als de krachtige mannenstemmen zwegen, het geluid van een glasheldere jongensstem zich hooren liet en ver, ver omhoog steeg en haar buurvrouw de hand op haar arm leggend, met bevende lippen fluisterde dat het haast "hemelsch mooi" was, knikte zij haar toe met een glimlach van geluk.
De directrice van het home onthaalde haar huisgenooten dien dag op een werkelijk smakelijk kerstmaal; op de tafel stond, in plaats van de planten van ijzer, een kom met hulsttakken vol roode bessen en 's middags kwamen allen te zamen in haar kamer en werd er bij het orgel gezongen. Tot ieders verrassing werden later thee en cake binnengebracht-een ongekende lekkernij in het home-en de directrice had zelfs voor allen een klein geschenk, dat zij ieder met een paar hartelijke woorden ter hand stelde.
"Ik heb wezenlijk toch zoo'n gelukkigen Kerstdag gehad," schreef Hedwig 's avonds nog aan haar moeder, "en nu ga ik, echt verkwikt door dezen prettigen vacantiedag, weer dubbel ijverig aan het zoeken. Ik ben benieuwd waar het nieuwe jaar mij brengen zal."
Vooralsnog scheen dit raadsel niet te zullen worden opgelost, want hoe zij ook haar best deed, hoe zij ook iederen dag weer meer schreef en meer bezocht-het liep alles op niets uit. Zij zou er wanhopig onder geworden zijn, als zij niet met alle energie, die in haar was en met het oude, krachtige geloof in den steun van Gods liefde, alle moedeloosheid in zich had onderdrukt, evenals zij het vreemde gevoel van afmatting trachtte te onderdrukken, dat haar meer en meer plagen ging. Zij spoorde en tramde en las en schreef maar door, altijd maar door-eens zou ze toch zeker slagen!
Na een nacht van knagende kiespijn, waarin het druppelgeluid in den hoek van haar kamer haar haast dol had gemaakt, stond zij op zekeren dag duizelig en loom op. "Wat doe ik toch mal!" zei ze een paar malen, toen het juist was of alles met haar in de rondte danste en het haar maar niet gelukken wou de zeep uit het bakje te krijgen. "Geen gekheid, Hedwig, straks in de lucht zul je wel weer opknappen!"
Zij voelde zich werkelijk beter, toen zij ontbeten had en in de buitenlucht kwam, al was het dezen ochtend zóó mistig dat zij er een oogenblik van schrikte, toen zij de voordeur opende. Wel hadden zij bij gaslicht moeten ontbijten, maar dat was in deze donkere dagen geen zeldzaamheid en dat het in en om Londen in Januari, zoowel als in December misten kon, wist zij nu reeds lang. Maar zóó erg!
Ze knipte met de oogen, toen zij voorzichtig-want zóó dicht voor haar hing de nevel dat zij telkens bang was tegen iemand aan te stooten,---de straat doorgeloopen was. Lag het ook soms aan haar, wàs de mist eigenlijk wel zóó zwaar of waren hare oogen vermoeid na den bijna slapeloozen nacht en kon zij daardoor zoo slecht zien vandaag?
Ze vond het prettig, toen zij het boekwinkeltje had bereikt en even rusten kon; toch was er een zekere gejaagdheid in haar om voort te maken, zoo gauw mogelijk voort te maken dat zij toch verder kwam en eindelijk eens werk machtig werd en haastig sloeg zij de eene krant na de andere op en noteerde advertenties en adressen.
De vrouw van het winkeltje keek haar een paar malen bezorgd aan en toen Hedwig de kranten neerlegde, vroeg zij deelnemend of het niet beter voor haar zou wezen, vandaag eens rust te nemen en zich niet te ver te wagen in dien dichten, ongezonden mist, die haar ziek zou maken.
"Ziek? Ik? Wel neen, ik word zoo gauw niet ziek," zei Hedwig lachend. "Neen, neen, ik neem geen vrijaf van morgen, dat zou mij volstrekt niet passen. Het beste geneesmiddel voor mijne kwalen is werken, flink werken."
Het trok zenuwachtig om haar mond, terwijl zij sprak en met een kort afscheid verliet zij het winkeltje, boos op zichzelf omdat de hartelijkheid van het vrouwtje haar week maakte. Maar die stemming kwam natuurlijk ook door het akelige weer, verontschuldigde zij zich, toen zij weer buiten was gekomen.
Het was werkelijk of er nòg meer nevel hing dan zooeven en zij den mist zou hebben kunnen snijden, zoo tastbaar was hij. Daarbij gaf de geheimzinnige, spookachtige stilte, die overal heerschte, den indruk alsof alles in den mist was weggezonken, in den "bruinrooden, rollenden nevel, die de weerlooze stad verzwolg, haar levend smoorde, die torens, bruggen, straten, pleinen in het niet deed verzinken, alsof een spons geheel Londen had uitgewischt."[13]
Toch ging zij door. Langzaam maar zeker liep ze den bekenden en nu toch zoo moeielijk te vinden weg naar het eerste station van den ondergrondschen spoorweg, waarmee zij een eind reizen wilde om in een der voorsteden van Londen te komen. Zij vond de wandeling zoo ver vandaag, het was of zij niet voortkomen kon, of de mist met zware, klamme hand haar op de borst drukte en belette adem te halen, zoodat zij herhaaldelijk stil moest staan. Een paar malen bonsde zij tegen iemand aan, die dan met een haastig: "Beg pardon! Such nasty weather!" haar voorbij ging.
Zij begon zich nu weer heel onpleizierig te voelen.
De knagende kiespijn keerde terug en daarbij was zij telkens weer
zóó duizelig dat zij groote moeite had verder te
komen. Zij moest het nu toch erkennen: de vrouw in het
boekwinkeltje had gelijk gehad, zij zou verstandiger gedaan hebben
met vandaag rustig thuis te blijven.
Daar viel haar iets in. Nu zij toch eenmaal zoo ver geloopen was, kon zij wel even aangaan bij de knappe, vrouwelijke dokter, van wie men haar in het home verteld had en die hier in de buurt woonde. Die had om dezen tijd haar spreekuur, dat wist zij en die zou haar zeker wel iets kunnen geven om die lastige duizeligheid te overwinnen; zij zou zeker ook zeggen dat het niet erg was, als 's avonds, als zij te bed lag, haar hart zoo schrikkelijk kloppen kon en er zwarte vlokjes voor hare oogen kwamen.
Het zou wel niets zijn, het zou stellig niets zijn, redeneerde zij bij zichzelf.
Plotseling uitte zij een kreet van schrik-daar stond ze vlak voor den kop van een paard. Met een ruk werd zij door een krachtigen arm weggetrokken. Paard en wagen verdwenen in den mist en een politieagent, een stoere reus, stond naast haar.
"Ik wist niet ... ik dacht...." stamelde zij.
Hij haalde de schouders op; zij was zooveel kleiner dan hij, hij kon haar niet verstaan. Hij boog zich nu tot haar over om beter te kunnen luisteren. "Gelukkig dat ik u nog juist bijtijds helpen kon," zei hij vriendelijk. "Het is lastig loopen met dien mist, niet waar? Kan ik nog iets voor u doen?"
Maar Hedwig schudde het hoofd; zij kon niet dadelijk spreken, de duizeligheid overviel haar weer. Eindelijk vroeg ze, na diep te hebben adem gehaald, hoe zij loopen moest naar het huis van Miss Hearty, de dokteres.
Hij keek haar onderzoekend aan. Zij zag er zoo bleek en teer uit op dit oogenblik dat hij, krachtige reus als hij was, medelijden met haar kreeg. "Het is hier dicht bij; ik zal er u even heen brengen," zei hij welwillend.
Zij glimlachte flauwtjes; ze was hem dankbaar voor zijn aanbod. Ze kòn niet meer, ze was angstig ook dat zij zich in dien mist zou vergissen in den weg en zij verlangde nu sterk om de dokteres te spreken. Langzaam sleepte zij zich voort, tot de politie-agent, ziende hoeveel moeite zij had met loopen, haar dringend aanried zijn arm te nemen.
Zij deed het gaarne en, zich opeens veel veiliger voelend door den steun van dien sterken arm, vroolijkte zij weer op en dacht eraan, hoe aardig en grappig het wezen zou om over dit avontuurtje naar huis te schrijven. Zij was echter heel blij, toen zij het huis van Miss Hearty hadden bereikt.
De aangename warmte in de wachtkamer deed haar goed na de doordringende kilheid buiten; toch huiverde zij nog en bleef zij zich ziek voelen. Ze trof het dat er heden niet veel menschen waren en het vrij spoedig haar beurt werd om binnen te komen, maar toen zij in de consultatiekamer tegenover de dokteres stond, een kleine, tengere, op 't eerste gezicht onaanzienlijke vrouw, doch wier scherpe oogen alles schenen te zien, werd zij weer zoo hevig door kiespijn aangetast dat zij onmogelijk terstond kon antwoorden op de vragen, die haar werden gedaan.
"Wacht maar, wij hebben allen tijd," klonk het vriendelijk, "en ga hier nu eens zitten. Zoo'n erge kiespijn? Ja, dat is al heel akelig en dan met dit weer! Dan is het ook haast net of men zichzelf niet is, he? Blijf nu even heel stil zitten, dan zullen wij die wang eens onder handen nemen en probeeren of wij die hatelijke pijn niet weg kunnen maken."
Zij drukte Hedwig met zacht geweld achterover in een lagen stoel en liet haar met de gezonde wang tegen de gevulde leuning rusten. Toen wreef ze met hare vingertoppen geurige zalf over de zieke plek heen en weer, heen en weer en langzamerhand voelde Hedwig tot hare onuitsprekelijke verlichting, de kiespijn verdwijnen. Dankbaar sloeg zij de oogen op. "Nù kan ik heel goed spreken," zei ze glimlachend.
Toen begon zij alles te vertellen: van de zonderlinge duizeligheid, die haar den laatsten tijd kwelde, van de plotselinge, groote vermoeidheid, het onstuimig kloppen van haar hart en eindelijk, met verheffing van stem en met een kleur van opgewondenheid, van haar zoeken naar werk, naar een betrekking, waar ze niet buiten kòn....
De groote belangstelling in de ernstige oogen, die haar voortdurend bleven aankijken, noopte haar haar geheele hart uit te storten en toen zij eindelijk zweeg, was het met de plotselinge hoop dat Miss Hearty, die zóóveel menschen kennen moest, haar misschien aan een mooie betrekking zou kunnen helpen!
Maar de dokter sprak in 't geheel niet over een betrekking. Zij deed Hedwig een paar vragen, onderzocht haar nauwkeurig en zei toen zeer beslist:
"Ik zou u aanraden eens een tijdlang volkomen rust te nemen."
"Wat?" Hedwig's zelfbeheersching begaf haar. "O neen, dat kan niet, dàt kan ik niet!" riep zij uit met wanhoop in haar stem. "Alles, maar dàt niet!"
"Waarom niet?" klonk het zeer rustig.
"Ik ben arm. Ik moet zelf mijn brood verdienen en als het kan, nog wat oversparen voor mijn moeder ook. Ik heb nog een weinig geld, het is niet veel meer en als dat op is...."
"Het zal stellig genoeg zijn om uw verblijf te bekostigen in het ziekenhuis, dat ik op het oog heb."
"Ja, ja, maar daarnà, daarnà? O, ik moet geld verdienen en voor mij zelf zorgen! Och, als ik door u geholpen kon worden aan werk, dan zou ik u zóó dankbaar zijn...."
Ze had met veel vuur gesproken, nu kon zij niet meer. Zij kon zich ook niet inhouden en opeens, tot hare eigene bittere ergernis, snikte zij het uit.
De dokter nam hare beide handen in de hare. "Als wij nu eerst eens maakten dat we heelemaal weer gezond werden," zei ze zacht.
Hedwig keek haar aan; zij zag er zielsbedroefd uit.
"Hoe?" vroeg ze fluisterend.
"Dat heb ik u gezegd, door te rusten."
"Maar dat kàn niet," herhaalde Hedwig. Toen, opeens doordrongen van het besef dat zij al te veel beslag legde op den kostbaren tijd van Miss Hearty, bedwong zij met kracht hare aandoening en maakte zich gereed heen te gaan. "Uwe andere patiënten wachten," zei ze eenvoudig.
De dokter knikte even. "Ja zeker, maar wij hebben geen haast." Zij nam haar receptenboekje, schreef een paar woorden op, schelde het dienstmeisje en gaf haar het stukje papier. En zich weer tot Hedwig wendend, vroeg ze:
"Heb ik uw vertrouwen?"
"O ja, ja."
"Doe dan wat ik u zeg."
Hedwig knikte. Ze hield zich nu weer flink en wachtte met opgeheven hoofd wat Miss Hearty verder zeggen zou.
"Er komt straks een hansom voor, die zal u naar een ziekenhuis brengen, waar het heel goed is. Aan de directrice van uw home zal ik vandaag nog schrijven; men zal u uwe kleeren sturen....."
"En ... mijn moeder?"
"Haar moogt ge schrijven, zoodra gij wat uitgerust zijt. Houd maar goeden moed; alles zal zeker te recht komen."
Hedwig knikte weer; ze kon niet goed spreken. Ook voelde zij zich nu zoo afgemat dat zij nauwelijks in staat was hare gedachten te regelen. Zij wist alleen maar dat de opbeurende stem van de dokteres haar weldadig aangedaan had en dat zij thans niets liever wilde dan haar raad volgen. Als in een droom liet zij zich in de hansom helpen; men gaf den koetsier het briefje en aanwijzingen, even merkte zij op dat de mist iets minder ondoordringbaar was dan straks, toen sloot zij de oogen en reed heen, bij zichzelf prevelend: "Ik geef toch den moed niet op. God helpt, God helpt!"
HOOFDSTUK XII
Aan de blauwe Zee.
Zij zat nog doodstil en met gesloten oogen, toen de hansom staan bleef voor een groot grijs gebouw, dat door een plein en hek omgeven was en hoewel zij niet sliep, verkeerde zij toch in een soort verdooving, die alles wat zij doormaakte, slechts half werkelijkheid voor haar deed zijn. Als uit de verte hoorde zij het geluid van stemmen, daarop werd zij uit het rijtuig getild, even opende zij de oogen en keek in een lief, ernstig gezicht, toen vielen de zware oogleden weer toe. En steeds als in een droom liet zij zich lijdelijk verder brengen, zonder het ook maar in 't minst vreemd te vinden dat zij, Hedwig Eiche, zich nu in een ziekenhuis bevond en door een pleegzuster gesteund, door breede, hooge gangen liep, waarop ontelbare deuren van ziekenkamers uitkwamen. Later voelde zij hoe men haar ontkleedde en te bed legde en hoe zij eindelijk geheel toe mocht geven aan den overweldigenden drang tot slapen, niets dan slapen ... toen wist zij niets meer.
Toen zij een paar uren later klaar wakker werd, zag zij dat zij in een kleine, nette kamer lag en dat alles om haar heen er bizonder proper uitzag. Een ware verademing vond zij het 't eentonige druppel-getik in de waterpijp niet meer te moeten aanhooren, dat haar in het home zoo gekweld had en met een flauw glimlachje deed zij de oogen weer dicht en viel op nieuw in slaap.
Het was avond, toen zij weer ontwaakte. Men had het licht in haar kamer nog niet aangestoken, maar door de openstaande deur gleed langs het tochtschut heen, een breede straal van het ganglicht naar binnen. Zij vond het prettig in deze rustige schemering te blijven liggen en hare oogen door het vertrek te laten dwalen over de lichtgrijs-en-blauw geschilderde muren met den zachtgetinten rand, waarin zij duidelijk de witte lelies kon onderscheiden en over de vogels in gouddraad op het kamerschut,-maar lang hield zij het kijken niet vol. Zij had nu zware hoofdpijn en niets scheen haar op dit oogenblik begeerlijker dan haar geheele leven verder te mogen slapen ... al maar slapen!
Maar men liet haar geen rust. Opeens flikkerde er hel licht in de kamer; zij schrikte ervan. "Doet het pijn aan de oogen?" zei een zachte stem. "Wacht eens." Er werd een schermpje voor het licht gehangen, maar Hedwig was er niet mee tevreden. Waarom stoorde men haar toch? Zij wou veel liever niet wakker wezen! En zij zuchtte lang en diep.
"Ik geloof dat ik niet heel welkom ben," zei dezelfde stem van zooeven en het frissche gezicht van een jonge pleegzuster boog zich over haar heen.
Nu kwam er een glimlach op Hedwig's gezicht en haar stemming veranderde. "Juist wel," zei ze met iets van haar oude opgewektheid.
"Zoo? Dat klinkt bemoedigend. Drink dit dan nu eens vlug op," en de zuster hield haar een glas melk met ei voor.
Hedwig gehoorzaamde, maar toen zij haar hoofd weer op het kussen legde, kreunde zij van de pijn; toch vloog zij plotseling weer overeind. "Ik moet nog aan mijn moeder schrijven," riep zij gejaagd, "het had al lang moeten gebeuren en ik heb maar geslapen den geheelen dag door! En ... en hoe kan ik hier nu toch eigenlijk blijven? Dat gaat immers niet, want wat moet dat allemaal wel kosten! O, het is vreeselijk!"
"Misschien wordt het wat minder vreeselijk, als ik u mededeel dat wij van onze patienten geen betaling eischen, omdat onze inrichting voornamelijk wordt gesteund door giften van menschen, die veel en graag geven-èn als ik u zeg dat er aan uwe moeder al bericht is gezonden."
"Al bericht gezonden?" stamelde Hedwig verbijsterd, terwijl zij weer liggen ging.
"Ja zeker, Dr. Hearty is een poos geleden al bij uw bed geweest. Men had haar vanuit het home ook uw adres in Duitschland gestuurd en toen zij u zoo rustig slapend vond, heeft zij voorloopig in uw plaats aan uw moeder geschreven."
Hedwig haalde verruimd adem. "Miss Hearty is een engel!" zei ze met warmte.
"Dr. Hearty is iemand, die altijd om anderen denkt," zei de pleegzuster glimlachend. "Dat weten wij hier zóó goed! Zij heeft meer zieken hier in het huis en ze komt van avond ook nog even bij u kijken."
"Ik zal wel oppassen dat ik dan niet weer slaap," zei Hedwig, die, niettegenstaande haar hoofdpijn, opeens zeer spraakzaam geworden was. Zij had nu een hooge kleur en hare oogen schitterden. "Ik heb Dr. Hearty een heeleboel te vragen."
"Dan zou ik nu toch eerst nog wat gaan rusten," zei de pleegzuster. "Ik kom straks nog wel eens bij u."
"Dat is gezellig en ... ik zou zoo graag uw naam weten."
"Ik ben zuster Kate. Onthoud het maar goed, want ik ga geregeld voor u zorgen."
"Pas dan maar op," zei Hedwig plagend. "Ik ben bepaald een heel lastige patiënt."
"Daar geloof ik niets van, maar nu moet mijn patiënt niet meer zoo druk praten," zei zuster Kate beslist. "Anders is Dr. Hearty ontevreden, als zij straks komt."
"Ik zal niets meer zeggen, maar ik blijf wakker, want ik wil Miss Hearty beslist spreken."
Tot eenig antwoord legde zuster Kate haar wat terecht, dekte haar nog eens toe en verdween.
Met hare oogen zoo wijd mogelijk open bleef Hedwig nu "echt goed wakker" liggen. Haar hoofd klopte en de pijn was heviger nog dan zooeven; zij drukte hare handen stijf tegen de slapen, dat gaf wat verlichting. Ze wou nu eens goed bedenken wat zij alles aan Dr. Hearty te vragen had, het was echter alsof zij niet geregeld denken kon en zij vond het nu opeens ook niets rustig meer om zich heen. Wat hoorde zij de zusters duidelijk door de gangen loopen en samen fluisteren! Daar lachte er een! Wat kon er nu toch te lachen zijn? Zij moest het weten, waarom lachte die zuster? Nu bedaarde het gepraat weer. Daar werd luid gescheld. Wat klonk dat hard! Alweer een bel! Ze zou haar deur maar dicht doen, dan hoorde zij alles niet zoo lastig duidelijk.
Toen zij echter op wou staan om de deur te sluiten, kwam de duizeligheid weer over haar en zij moest wel blijven liggen, ten prooi nu ook aan een martelend gevoel van eenzaamheid, dat haar drukte meer haast nog dan de erge hoofdpijn. Als zij nu toch eens heel, heel ziek werd en ze werd niet weer beter en als haar moeder en Clärchen dan bericht kregen dat zij heengegaan was-wat zouden die dan bedroefd wezen! En zij was nog zoo jong, ze wou zóó graag blijven leven en flink werken ... och, waarom was alles nu ook zoo gegaan, waarom....
Doch opeens een duw aan het kussen gevend dat het dreunde in haar arm hoofd, zei ze hardop:
"Hedwig Eiche, je moest je schamen!"
"Zoo, liggen wij zoowaar in ons eentje te babbelen in bed?" klonk terstond daarop de stem van Miss Hearty, die juist om het schut heen kwam kijken. "Ben je soms bezig verzen te reciteeren, meisje? Dat zou ik toch maar voor later bewaren!"
De prettige toon en het vertrouwelijke "meisje" stemden Hedwig dadelijk opgewekter. "Hoe heerlijk dat u komt!" zei ze.
"Waarom?"
"Omdat ik zoo erg alleen was!"
"Zóó...." En Dr. Hearty keek zuster Kate aan, die met haar binnen gekomen was.
"Neen, zuster Kate is heel vriendelijk voor me," zei Hedwig snel, "maar och, ik weet niet hoe ik het zeggen moet, ik voel me zóó eenzaam! Ik geloof dat het komt omdat ik hier nu zoo lui lig niets te doen! Ik wou zoo erg graag heel gauw weer beter wezen en weer aan het werk en aan het verdienen gaan. Als ik nu maar eerst een goede betrekking had, als ik daar maar zeker van kon wezen, dan zou alles zooveel gemakkelijker zijn."
"Wil je me beloven niet over werken te spreken en er zelfs niet aan te denken, voordat je geheel en al beter bent?"
"Ik wil het wel probeeren."
"Goed, dan begin je nu dadelijk met kalm te gaan slapen en iederen dag precies te doen wat zuster Kate je beveelt."
"Ja, maar dàt mag ik toch nog wel even vragen, dokter. Lang zal ik toch zeker niet ziek zijn, wel?"
"Dat hangt er heelemaal van af of je zelf medewerkt tot je herstel."
"O. Dan wou ik u alleen nog zeggen hoe blij ik ben dat u me hierheen hebt laten gaan en ... dat ik mij niet ongerust behoef te maken over al de onkosten...."
Zij had het laatste zoo fluisterend gezegd dat Dr. Hearty zich tot haar over moest buigen om haar goed te verstaan.
"Je behoeft je over niets ook maar in het minst ongerust te maken," zei ze beslist. "En morgen mag er wel eens een woordje aan je moeder geschreven worden."
"Door mij?"
"Ja."
"Dank u wel, dank u wel." En Hedwig ging gehoorzaam weer slapen met het vaste voornemen, alle gedachten aan werken en nieuwe betrekkingen voorloopig met kracht te onderdrukken en ter dege te doen wat zij zelf maar kon ter bevordering van haar herstel.
En zij deed haar best, iederen dag en ieder uur op nieuw, hoewel het niet gemakkelijk was, omdat het herstel heel langzaam kwam en het soms scheen-niettegenstaande al het rusten en al de versterkende middelen-alsof eigenlijk nooit de tijd terug zou komen, waarin zij krachtig en gezond zou wezen als vroeger. En al schertste zij dikwijls vroolijk met zuster Kate en al maakte zij gewoonlijk den indruk van een echt moedige, opgeruimde patiënte, toch kon zij zeer bezwaard van hart wezen en Dr. Hearty, die meestal slechts tijd had voor een haastig bezoekje, zag toch duidelijk hoe de zaken stonden en buiten de kamer schudde zij het hoofd en zei tot zuster Kate:
"Zij doet haar best, flink doet zij haar best, maar wij zijn er nog niet...."
Door alles heen had Hedwig den moed telkens een paar opgewekte woorden aan haar moeder te zenden, dikwijls herhalend dat zij toch vooral niet bezorgd omtrent haar zijn moest en dat alles zeker spoedig beter zou gaan. Zij schreef ook over een landgenootje, een klein Duitsch meisje, dat in een kamer lag tegenover de hare en een operatie had ondergaan. Het kind had veel pijn en zou lang moeten liggen, had zuster Kate haar verteld, maar zij hield zich kloek, slechts een enkel maal hoorde Hedwig haar pijnlijk kreunen. De moeder had verlof gekregen nacht en dag in het ziekenhuis te wezen; soms kon Hedwig haar het kleine meisje heel zacht in slaap hooren zingen.
Zoo gingen de dagen voorbij en veel te langzaam kwam, naar Hedwig's meening, de beterschap. Na een bijna slapeloozen nacht, voelde zij zich op zekeren ochtend nauwelijks in staat te strijden tegen de moedeloosheid, die haar bitter vragen deed, hoe lang deze toestand nu eigenlijk nog wel zou moeten duren-maar ze gaf toch niet toe, ze wou niet tobben, ze woù vol hoop en moed blijven en ze wilde ook doen wat Dr. Hearty haar "duren plicht" noemde: heel bedaard rusten, echt uitrusten!
Zij bleef stil in dezelfde houding liggen en hare
stemming begon iets kalmer te worden, toen zij opeens opgeschrikt
werd door het geluid van een scherpen kreet van pijn vanuit de
kamer aan den overkant der gang. De kreet werd gevolgd door hevig
gesnik en een smeekend geroep van "moeder! moeder!" Daarop klonk
teeder de stem der moeder: "Ja, mijn kind," toen was het even heel
stil. Doch spoedig vroeg het kleine meisje weer: "Zing wat voor me,
moedertje, zing wat!" En zacht, maar duidelijk verstaanbaar voor
Hedwig, zong de welluidende vrouwenstem:So nimm
denn meine Hände
Und führe mich
Bis an mein selig Ende
Und ewiglich!
Ich mag allein nicht gehen,
Nicht einen Schritt,
Wo Du wirst gehn und stehen,
Da nimm mich mit!
In Dein Erbarmen hülle
Mein schwaches Herz,
Und mach' es gänzlich stille
In Freud' und Schmerz;
Kann ich auch nicht verstehen
Wie Du mich führst,
Will fröhlich weiter gehen,
Weil Du regierst.
Wenn ich auch gar nichts fühle
Von Deiner Macht,
Du führst mich doch zum Ziele
Auch durch die Nacht.
Lasz ruhn zu Deinen Füszen
Dein schwaches Kind,
Ich will die Augen schlieszen
Und folgen blind.[14]
Toen de stem zweeg, bleef alles stil. De kleine lijderes was zeker onder het zingen in slaap gevallen.
Hedwig verroerde zich niet. Met haar geheele hart had zij geluisterd. Zij vond het een genot in haar eigen taal te hooren zingen en zij kende de woorden en de melodie en had het lied zelf wel gezongen, toen zij een kind was,-was het daarom alleen dat het haar zoo ontroerde?
Zij wist dat zij tot in hare ziel getroffen was door
het echt vrome, kinderlijke geloof, dat uit de eenvoudige woorden
sprak, zij wist dat ook haar eigen vertrouwen in Gods zorgende
liefde er door versterkt werd en opgewekt herhaalde zij zacht bij
zichzelf:"Kann ich auch nicht verstehen
Wie Du mich führst,
Will fröhlich weiter gehen,
Weil Du regierst."
...
Zij sliep dien nacht rustig en werd voor 't eerst in vele, vele dagen verkwikt wakker. Zuster Kate keek verheugd over den opgewekten toon, waarmee zij haar goeden morgen zeide en Hedwig was blij, toen zij hoorde dat ook het patientje aan den overkant een goeden nacht had gehad. Zij was ook blij dat het Zondag was. Dan werden om twee uur de deuren der ziekenkamers wijd open gezet, opdat de patiënten het orgelspel en het gezang der zusters zouden kunnen hooren, die in het zusterhuis hare middag-godsdienstoefening hielden. Tot nu toe was Hedwig te afgemat geweest om er werkelijk van onder den indruk te komen, maar vandaag was dit anders en stemde de plechtigheid haar blijmoedig ernstig, haast alsof zij er zelf aan deelgenomen had. "Ik ben toch in zoo'n echte Zondagsstemming," zei ze later tot zuster Kate, "ik ga nu eens een heel vroolijken brief aan mijn moeder schrijven."
Maar de "heel vroolijke brief" matte haar nog wel af en 's avonds viel het haar weer moeielijker opgewekt te zijn. Ze lag met de oogen dicht en beproefde zooveel mogelijk aan "prettige dingen" te denken, het was echter of de "prettige dingen" heden niet komen wilden! Ze zuchtte ongeduldig,-toen voelde zij een koele hand op haar voorhoofd. Verbaasd keek zij op en: "O dokter, hoe heerlijk!" riep zij uit.
"Zoo, dat klinkt al heel hartelijk," zei Miss Hearty lachend. "Hoe gaat het?"
"Veel beter nu ik u zie!"
Dr. Hearty ging naast het bed zitten, bevoelde Hedwig's pols en zei:
"Wij gaan bepaald vooruit."
"Gelukkig!" riep Hedwig op een toon van verlichting. "Ik wist het ook eigenlijk wel. En wanneer mag ik nu eens op zitten en eens uitgaan en-weer beginnen te werken? Ik word wezenlijk bepaald slecht van het niets doen!"
"Ik zou het maar wat kalm aanleggen."
"Kalm aanleggen? Maar dokter, weet u wel dat het hoog, hoog tijd is dat ik weer flink aan het verdienen ga?"
"Is dat nu werkelijk zóó noodig?"
"Ja zeker," en Hedwig knikte driftig, verontwaardigd dat Miss Hearty het belang der zaak zoo weinig scheen te begrijpen.
"Vertel mij eens bedaard waarom dat zoo noodig is."
En Hedwig vertelde alles. Door de warme sympathie, waarmee naar haar geluisterd werd, aangemoedigd, vertelde zij zonder den minsten ophef, hoe en waarom zij op haar vijftiende jaar van huis gegaan was en van dien tijd af voor zichzelf en gedeeltelijk ook voor haar moeder en zusje had gezorgd. Hoe heerlijk zij het gevonden had dit te mogen doen en hoe gelukkig zij zich doorgaans had gevoeld in haar werk, zelfs op het beruchte Hill House,-welk een genot zij vond in den omgang met kinderen en toen opeens met een opgewondenheid, die haar zelf verbaasde dat zij nu snakte, snakte letterlijk naar nieuw werk, maar nauwelijks wist hoe daaraan te komen en dat zij toch moedig was, heusch heel moedig en ook nog wel geduldig wezen wou.
Toen werd het haar te machtig en kon zij niets meer zeggen. En zonder een woord te spreken, trok Miss Hearty haar naar zich toe en met een gewaarwording van veiligheid legde Hedwig het hoofd aan haar borst en schreide rustig uit.
Lang duurde het echter niet, of zij hief het hoofd weer op en lachend door hare tranen heen, zei ze:
"Ik schaam me verschrikkelijk eigenlijk."
"Zoo? En ik kwam je een voorstel doen eigenlijk."
"Een voorstel? O, wat is het? Waarom hebt u me dat niet eerder gezegd?"
"Je liet mij niet aan 't woord komen," zei Dr. Hearty plagend. "Kijk eens, ik neem omstreeks Paschen mijn vacantie en hoop dan een poosje naar Devonshire te gaan. Nu zou ik me graag in dien tijd wat oefenen in het Duitsch en daarom wou ik jou mee hebben. Wij kunnen dan ook eens bedaard overleggen wat je verder doen zult. Maar nu weet ik natuurlijk niet of je er lust in hebt."
"Weet u dat niet?" was al wat Hedwig zeide. Toen met een gebroken stem: "Oh, how good you are, how good!"
"En nu kalmpjes afwachten wanneer je met je nieuwe leerling beginnen moogt," zei Dr. Hearty, toen zij afscheid nam en Hedwig zei kalm: "Ja, natuurlijk," maar toen Miss Hearty weg was, riep zij opgewonden om zuster Kate.
Zuster Kate kwam lachend binnen. "Ja, ja, ik heb alles al gehoord," zei ze. "En 't is een waar genot met Dr. Hearty op reis te zijn, dat weet ik bij ondervinding. Zij neemt bijna ieder jaar iemand met zich mee, als ze vacantie heeft; is dat niet aardig? Broers of zusters heeft zij niet meer, maar haar leven is toch alles behalve eenzaam natuurlijk, omdat zij altijd om anderen denkt."
"Zij is zeker een heel knappe dokter en erg geliefd en gezien, niet waar?" vroeg Hedwig, met bewondering in haar stem.
"Zeer geliefd en gezien en een weldaad voor velen," zei zuster Kate warm.
Wat schreef Hedwig nu een paar blijde regeltjes naar Duitschland en hoe bespoedigde de groote vreugde het herstel! Toen er zonnige dagen kwamen, mocht zij eens opzitten, later eens even met zuster Kate wandelen, toen geregeld iederen dag uitgaan en eindelijk kon de dag voor de reis naar Devonshire worden bepaald.
't Was kil, druilerig weer en er viel een hardnekkige motregen, toch vond Dr. Hearty het onnoodig de reis uit te stellen. Zij kwam Hedwig in een vigilante halen, liet haar zich goed instoppen, zeide meer dan eens dat zij hàar nu in alles gehoorzamen moest, toonde zich blij als een kind dat zij vacantie had en reed in de prettigste stemming met de gelukkige Hedwig naar Paddington-station.
"Hè, wat ziet Londen er weer vuil en donker en somber en modderig uit!" riep Hedwig onder het rijden. "Heerlijk dat wij er uitgaan!"
"Ja, ten minste ... als wij het in Devonshire beter krijgen," zei Dr. Hearty op bedenkelijken toon.
"Maar dat zal toch wel! Zuster Kate zei dat de lucht daar zoo zuiver was en dat het er zóó mooi was! Zij heeft er familie wonen, in de buurt van Teignmouth, juist waar wij naar toe gaan. Het moet er verrukkelijk wezen!"
"Ik hoop het," zei Miss Hearty weer, "maar als wij er zulk slecht weer treffen...."
"Dan vind ik het toch heerlijk, omdat ik bij u ben!" zei Hedwig vroolijk.
"Pas op maar, mijn gezelschap kon je wel eens niet meevallen op den duur!"
"Was sich liebt, neckt sich," zei Hedwig lachend. "Wilt u dat nu eens voor mij in 't Engelsch vertalen?"
"Daar heb ik op dit oogenblik volstrekt geen tijd voor, want hier zijn wij aan Paddington-station. Zorg jij nu voor de bagage en de kleine pakjes-denk er om, er is een luncheon-basket bij,-dan ga ik plaats nemen en zien dat wij een goeden coupé krijgen."
Een luncheon-basket? Hoe aardig dat die er bij was! Hedwig was er zeer benieuwd naar en toen zij de kostbare mand werkelijk veroverd had, stond zij erop haar zelf te dragen en liet de andere bagage aan den kruier over.
Miss Hearty stond reeds bij een coupé op haar te wachten, omringd door vrienden, die echter de een na den ander afdropen, toen zij beslist te kennen gaf met haar patientje alleen te willen reizen. Hedwig moest languit op de bank gaan liggen en het zich zoo gemakkelijk mogelijk maken. "Je laat je maar door mij bedienen, alsof het van zelf spreekt," zei Dr. Hearty om haar te plagen, terwijl zij haar een kussen onder het hoofd legde.
Zij moesten eenige uren in den trein doorbrengen, maar de tijd viel geen van beiden lang. Zij rustten en lazen en babbelden wat en Hedwig klapte in de handen, toen Dr. Hearty eindelijk het oogenblik gekomen achtte om de luncheon-basket te openen.
"Misschien is het ook nog wel wat te vroeg om nu reeds te gaan eten," zei ze met een strak gezicht, terwijl zij de mand gesloten hield. "Je hebt zeker nog geen honger?"
"Als een paard!" liet Hedwig zich ontvallen.
"Maar meisje, wat een uitdrukking! Ik hoop niet dat ik iets heel ondoordachts gedaan heb door met jou op reis te gaan."
"'t Is nu te laat," zei Hedwig overmoedig, "er is niets meer aan te veranderen. En mag ik nu als 't je blieft wat te eten hebben? Anders val ik nog flauw en dan krijgt u nog maar meer last met me!"
"Daar, daar!" En Miss Hearty opende de mand en zette haar een stuk koude kip voor, een schoteltje geconfijte peren en een bekertje wijn. "Begin daar maar vast mee."
"Graag."
Welk een grappige, prettige maaltijd was het en hoe keek Hedwig op bij alles wat die gewichtige mand bevatte! Het was of er nooit een eind zou komen aan de verrassingen en toen er nog als dessert een paar trossen druiven verschenen, riep zij uit: "Waar hebben die nu toch gezeten?"
"Dat is mijn geheim," zei Dr. Hearty. "Ja, ja, het is geen kleinigheid praktisch met zoo'n voorwerp om te kunnen gaan. Maar nu moeten wij uitkijken, want nu zijn we in Devonshire."
"Gunst!" Hedwig was onmiddellijk één en al aandacht en ging dicht bij het raampje zitten. Zij kregen thans herhaaldelijk een kijkje op de blauwe zee en rijen met frisch groen begroeide huizen. Een paar malen zei Hedwig: "Ziet u wel dat het hier heel anders is dan in Londen?" En Dr. Hearty knikte en zeide: "Ja, hier wel, maar wij zijn er nog niet!"
Toen zij er waren, toen zij te Teignmouth den trein verlieten, de zoele, geurige lucht inademden en zich in een open rijtuig naar de kamers lieten rijden, die Dr. Hearty gehuurd had, was het Hedwig toen niet als droomde zij? En hadden zij werkelijk eerst dien ochtend Londen met alle guurheid en donkerheid en mist en motregens en modder verlaten om overgeplaatst te worden naar dit wonderland, waar de zon vroolijk scheen, waar de zee zoo liefelijk blauw was en met haar wit schuim zoo teekenachtig afstak bij de terra-cotta-tinten der rotsen, waar langs de muren der villa's reeds-het was in April-klimrozen bloeiden en de heggen vol witten en rooden hagedoorn stonden?
"O, ik had niet gedacht dat het zóó mooi zijn zou," zei Hedwig. "Kijk toch eens!"
Zij reden de breede laan van een bosch door en tusschen het klimop op den grond, vertoonden zich primula's zoo ver het oog maar reiken kon, groote, zacht-gele primula's in dichte bossen, alle bestemd, naar het scheen, om vroolijkheid en lichte, heldere gedachten in het leven te roepen.
[De kerk te Cockington (Devonshire).]
Later steeg de weg en zagen zij de zee weer in al haar glorie van blauw en wit en zacht-violet. Op de rotsen van lichtrood zandsteen, die er om heen lagen, schitterde goudgele brem en groeiden en bloeiden weelderig de wilde aarbeiplantjes, terwijl telkens weer langs den weg groote ruikers primula's zich vroolijk lieten zien naast breede streepen boschviooltjes of vergeet-mij-nieten, een enkel maal in de buurt van ooievaarsbek en speenkruid. Lange slingers puntig klimop met lichtgroene, zich ontplooiende blaadjes hingen over oude muren heen, die in hunne spleten voedsel gaven aan tuiltjes oogentroost en fijne steenvarentjes. Soms vertoonden zich aan beide kanten van den weg, letterlijk een laan vormend, hooge, krachtige bremstruiken, boomen haast, alle schitterend met een overvloed van gouden bloemtrossen en altijd weer, tusschen dennen en bremstruiken door en langs de lichtroode rotsen, zag men de blauwe zee, kalm en liefelijk en droomerig als in een sprookje.
Hedwig's oogen dronken gretig al die schoonheid in. "Wat een land! Wat een land!" riep zij opgetogen. "En alles groeit hier maar te gelijk. Rozen en primula's en brem en speenkruid en meidoorn; wat moet dat hier voor een gezonde lucht zijn! Ik voel nu al dat het me goed doet!"
"Dat is gauw," zei Dr. Hearty heel bedaard. "Als de kamers, die ik gehuurd heb, je nu straks maar niet tegen vallen."
"Niets kan mij meer tegen vallen," zei Hedwig met vuur. "Al moest ik hier ook in een kelder slapen...."
"Daar zou ik toch minder vóór zijn," zei Dr. Hearty beslist. "Maar hier zijn we waar we wezen moeten."
Zij stapten uit bij een niet groot, eenvoudig huis, dat rondom in een tuin lag, waar de gele en roodbruine muurbloemen geurden en terstond verscheen een tengere, blonde vrouw en heette haar hartelijk welkom. Nieuwsgierig volgde Hedwig haar en Dr. Hearty de trap op naar een kamer, die als zitkamer was ingericht en door een zeer breed openslaand raam een ruim uitzicht gaf op zee en rotsen. "Ik hoop dat gij u hier thuis zult voelen," zei de vrouw vriendelijk. "Het avondeten zal spoedig gereed zijn. De slaapkamers zijn hier naast, het portaal over, zooals ik u geschreven heb."
"Dank u, Mrs. Dimbleby. Dan gaan wij nu eerst wat rusten," zei Miss Hearty. "Wij willen heel graag straks wat te eten hebben en uw geurige thee drinken, waarvan ik zooveel goeds heb gehoord. Ik zal mijn vriendin de slaapkamers wel laten zien."
"Mijn vriendin!" Hedwig vond het bepaald een eer zich zoo te hooren noemen en zoozeer onder den indruk was zij van het heerlijke gevoel van na lang ziek te zijn geweest weer gezond te worden en van den verkwikkenden overgang van de vrij eentonige stilte in het ziekenhuis tot de verfrisschende rust in de natuur, dat zij in een vlaag van opgewondenheid Dr. Hearty om het middel greep, met haar in de rondte danste en haar toen een klinkenden kus gaf.
"Maar heb ik nu ooit van mijn leven!" riep Miss Hearty uit. "Hemeltje, wat ben ik begonnen door op reis te gaan met iemand, die zoo weinig begrijpt hoe zij met ouderen en wijzeren om moet gaan...."
"Wat is alles hier alleraardigst en met smaak ingericht en hoe heerlijk overal die bloemen!" viel Hedwig oneerbiedig in en ze keek met welgevallen naar het tafeltje voor het raam met de lage, gemakkelijke stoelen er naast, de rustbank in den hoek, het behangsel met de losse appelbloesemtakken en de lichtgroen geschilderde lambrizeering, den mooi bewerkten schoorsteenrand en het meest nog naar de sierlijke, olijfgroene en roode pulletjes, kannetjes, vaasjes en kommen, alle gevuld met primula's, viooltjes, muurbloemen, ranken klimop en meidoorntakken en, waar maar een plaatsje was, in de kamer neergezet.
"Ja, wij zullen het hier wel uit kunnen houden," zei Miss Hearty, "maar ga nu mee. Wij slapen vlak in elkaars nabijheid, zooals je ziet."
Aan denzelfden kant van het huis als de zitkamer lagen de slaapkamers; men had er hetzelfde mooie uitzicht en het was er frisch en rustig. "Ook al weer alles even keurig," zei Hedwig. "Ik vind het hier eenvoudig volmaakt."
"En nu moet jij je dan ook eens volmaakt stil houden," zei de dokter, "en minstens een half uur te bed gaan liggen. Ik kom je wel roepen voor het avondeten."
En meteen sloot zij de deur tusschen de beide slaapkamers achter zich en liet Hedwig alleen.
Gehoorzaam deed deze wat haar bevolen was en toen zij eenmaal lag, voelde ze dat zij wel vermoeid was. Aan slapen had zij echter geen behoefte en zij liet hare oogen dus met welbehagen glijden over de met wit neteldoek bedekte toilettafel, over de lichtgroene waschtafel en spiegellijst, de lichtgroene latafel en hangkast, alle zoo vroolijk afstekend bij de wilde rozen op het behangsel en kom en kan der waschtafel. Toen gaf zij ook hare oogen rust en luisterde alleen nog maar-deed niets dan luisteren naar het kabbelen der zee, dat zacht tot haar kwam en haar als vredige muziek in de ooren klonk.