WeRead Powered by ReaderPub
Een Heldin cover

Een Heldin

Chapter 8: HOOFDSTUK VI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a courageous teenage eldest daughter, Hedwig, who leaves home to support her mother and younger sister after the family falls into poverty. She takes paid stitchwork, endures cold and hunger, and navigates employment and education away from home, including experiences at an English boarding school and varied placements in towns and an Irish household. Encounters with children, a dog, and local characters test her resolve; setbacks force improvisation and humility, while steady industry and compassion gradually open new opportunities and a more secure life for her family.

HOOFDSTUK V.

Chester.

Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zercläre, zonder dat er van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over een paar jaar, als ik twintig word, dàn zal de barones mijn salaris toch wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.

Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen beiden gelachen om Clärchen's verontwaardigden uitroep:

"Nu, ik zou me dan zoo engelachtig niet houden!"

Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen, helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka. De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "my dear" en zij had toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden ochtend het hartelijke "my dear" gemist; zij zuchtte er nu eens even over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."

Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping verdiende?

Neen, er was niets bizonders voorgevallen, bedacht Hedwig gerustgesteld en hare oogen keken bewonderend den tuin in naar de hooge beuken, waarvan het rijke herfstgoud zoo teekenachtig afstak bij de gladde, slanke stammen. Wat was de lucht boven die beuken klaar en zuiver-blauw! Het zou heerlijk zijn buiten straks en bij het standbeeld van Scott....

Zij keerde zich snel om, toen zij de stem der barones achter zich hoorde. Aan de uitdrukking van haar gezicht zag ze terstond dat haar een onaangenaam onderhoud wachtte en haar hart begon sneller te kloppen.

"Ik heb u iets te zeggen, Fräulein," klonk het stroef.

Hedwig boog zwijgend het hoofd.

"Tieka is met haar vader uitgegaan. Zij blijft een groot gedeelte van den dag weg en u kunt dus dien tijd voor u zelf gebruiken. Als u even wilt gaan zitten...."

Tot haar verwondering merkte Hedwig thans een zweem van verlegenheid op bij de barones; het maakte haar ongerust en zij beefde even, toen ze zitten ging.

Maar het oogenblik van zwakte bij Tieka's moeder was zeer spoedig weer voorbij.

Op de haar eigene, hooghartige wijze zei ze:

"Ik wensch er u thans van in kennis te stellen dat de heer von Zercläre en ik het besluit hebben genomen, Tieka na de kerstvacantie naar een uitmuntende kostschool te zenden. Wij zijn er volkomen van overtuigd dat zij daar zeer beschaafden omgang zal kunnen genieten en langzamerhand gevormd zal kunnen worden voor de hooge plaats, die zij in onze kringen zal moeten innemen. Zij zal natuurlijk ook aan het hof gepresenteerd worden en u zult zeker inzien...."

"O, ik kan niet...!" Hedwig was opgesprongen, zij was zichzelve niet en zij strekte de handen uit met een afwerend gebaar; zij kon niet meer luisteren! Even zag de barones haar onderzoekend aan. "U zult ruim tijd hebben iets anders te zoeken," zei ze zacht. Toen ging zij de kamer uit, waar Hedwig haar dankbaar voor was.

Het onverwachte, hevige van den slag gaf haar voor 't oogenblik een gevoel alsof zij erdoor verpletterd was. Weg, van Tieka weg, het kon niet waar zijn immers! Haar hoofd was zoo zwaar; zou ze wel goed gehoord hebben wat de barones had gezegd?

Ach, zij wist immers dat zij het maar al te goed verstaan had. Zij moest weg! Ze herhaalde het bij zichzelf, telkens weer, met hare oogen strak gevestigd op de hooge beuken van den tuin, zoo rijk in hun pracht van goud, zoo stil en lieflijk op dezen wondermooien herfstdag....

De rust daar buiten deed haar nu haast pijn en zij keerde zich af van het raam en liep snel naar haar kamer. Daar sloeg zij met een hartstochtelijk gebaar de handen ineen. Weg, van Tieka weg en waar dan heen?

O, het kon niet, het mocht niet gebeuren!

Wat zou Tieka zeggen? Zou Tieka het hebben willen? Zou zij er zich niet tegen verzetten? Ze moest nu opeens geheel aan Tieka denken en hoe de vroolijke uitdrukking van haar gezichtje verdwijnen zou, als zij het hoorde. En terwijl zij zich, zeer karakteristiek voor haar, geheel verdiepte in Tieka's droefheid, werd haar eigen smart op den achtergrond gedrongen en toen zij eindelijk schreien kon, was het meer nog om Tieka's leed dan om haar eigen.

Toen Tieka 's middags terugkwam, zag zij terstond dat deze reeds alles wist. Haar vader had haar zijn besluit meegedeeld aan het eind van de wandeling en zij was blijven staan en had hem ongeloovig aangezien, stom van verbazing. Maar zij had niets gezegd, dadelijk troost zoekend in een zeker vaag bewustzijn dat hij zich vergissen moest, dat haar moeder alleen precies op de hoogte kon wezen van alles wat hare lessen en hare gouvernante betrof en zoodra zij thuis kwamen, was zij naar de barones toegesneld. Het was immers niet waar dat Fräulein Eiche wegging?

"Ja natuurlijk is het waar," had de barones gezegd.

Toen was Tieka dadelijk naar boven geloopen en heel bleek, met iets verschrikts in hare oogen, kwam zij bij Hedwig. En voor 't eerst een gebod van haar moeder geheel vergetend, sloeg zij de armen om Hedwig's hals, al maar roepend: "Oh my dear, my dear!"

Toen snikte zij even heel zacht met die eigenaardige, bij een kind zoo treffende zelfbeheersching, die Hedwig reeds dikwijls bij haar had opgemerkt en zij legde liefkoozend haar wang tegen die van Hedwig aan en bleef een oogenblik zoo zitten; toen opeens sprong zij op en liep weer naar beneden naar de barones.

"Moeder," riep ze, "o, ik smeek u, laat Fräulein Eiche toch niet weggaan; ik vind het zoo vreeselijk!"

"Maar Tieka!"

Het kind had haar hand smeekend op den arm harer moeder gelegd; onder den kouden, strengen blik, die haar trof, liet zij die hand weer weg glijden.

"Ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk!" herhaalde zij fluisterend.

"Je moet me voortaan van die kinderachtige vertooningen verschoonen, Tieka. Begrepen? Het is groote dwaasheid je zoo aan te stellen, eenvoudig omdat je gouvernante weggaat; je zult er spoedig genoeg aan gewend zijn."

Tieka's gezicht werd eerst doodsbleek, toen vuurrood, daarna weer heel bleek. Zij waagde nog een laatste poging.

"Dus het gebeurt echt?"

"Zeer zeker gebeurt het," klonk het driftig. "En ga nu terstond heen. Je vergeet tegen wie je spreekt."

Tieka ging, diep verslagen. Boven bij Hedwig hield zij zich niet meer in, maar schreide uit, schreide alsof haar het hart zou breken. En hoe Hedwig ook haar best deed, zij wilde zich niet laten troosten....

Voor Hedwig zelf kwam thans de gewichtige vraag hoe zij een nieuwe betrekking zoeken en vinden moest. Aarzelend vroeg zij, na enkele weken, de barones om raad en deze liet haar kranten brengen, streepte hier en daar een advertentie aan en schreef een kort getuigschrift, ten volle overtuigd dat zij daarmede reeds zeer veel voor hare jeugdige gouvernante gedaan had.

Bij de jonge gouvernante zelf was de oude moed spoedig herleefd. "Niet tobben, ik wil niet tobben," zei ze herhaaldelijk, als de gedachte aan het afscheid van Tieka haar te machtig dreigde te worden en dapper schreef zij brief op brief, gaf en vroeg inlichtingen en veroverde eindelijk een betrekking als onderwijzeres op een kostschool te Chester, een inrichting voor weezen en halfweezen, die geen thuis meer hadden of er nooit een hadden gekend.

Zij zou voornamelijk les moeten geven in Duitsch, rekenen en handwerken, schreef men haar, daarvoor in ruil onderwijs krijgen in Fransch en teekenen en bovendien een salaris ontvangen van 12 pond (f144) per jaar.

Veel was het niet, vrij wat minder nog dan ze thans verdiende, maar de betrekkingen waren niet opgeschept, aan naar huis teruggaan wilde zij geen oogenblik denken en toen zij, na eenige aarzeling, de vrijheid nam de barones weer om raad te vragen, sprak deze zoo beslist de meening uit dat zij "dit vooral aannemen moest, nu zij het krijgen kon," dat zij niet langer wachtte met het nemen van een besluit en nog dienzelfden dag aan de directrice der kostschool schreef zij dat zij na de Kerstvacantie komen zou.

Van een reisje naar Duitschland met de kerstdagen kon, om de groote onkosten, thans niets komen. Zij liet zich dus in de vacantie nog maar eens ter dege door Tieka verwennen, slaagde erin de laatste dagen van het jaar ook voor haar leerlingetje prettig en opgewekt te doen zijn en-hield zich kloek, toen even na Nieuwjaar, de dag van het afscheid werkelijk gekomen was.

Het was een snerpend koude ochtend, het vroor hard en de zon trachtte te vergeefs door den witgrijzen nevel heen te dringen, die als een reusachtige wolk over heel Edinburg hing. "Zum Abschied nehmen just das rechte Wetter," mompelde Hedwig, terwijl zij zich kleedde.

Zij moest tegen elf uur vertrekken en kon ongeveer half drie te Chester wezen. Eigenlijk was zij maar blij, toen haar groote koffer-Anna Schaub's geschenk-reeds naar 't station gebracht was en het voor haar ook tijd werd om te gaan. De baron en de barones gaven haar de hand bij het afscheid en zeiden een paar welwillende woorden; Tieka, die te vergeefs verzocht had mee naar het station te mogen gaan, stond bij hen en kon niets zeggen. Zij keek Hedwig strak aan met hare groote oogen en knikte zwijgend, toen deze zeide: "Dag lieve Tieka, zul je mij niet vergeten?"

Dat was alles. Toen was het voor goed uit. De deur viel achter haar dicht en zij stond op straat.

Ze had voor het rijtuig bedankt en gezegd graag naar het station toe te willen loopen, want zij had behoefte aan de frissche wandeling en zij liep snel door, telkens even op hare lippen bijtend bij de gedachte dat het nu voorbij was, voor goed voorbij het gelukkige leven met Tieka. Maar ze hief het hoofd op en liep nog vlugger voort. "Nooit flauw zijn, God helpt!" fluisterde ze.

Bij het geliefde standbeeld van Scott bleef zij een oogenblik staan. Zij deed haar best het gezicht duidelijk te onderscheiden door den nevel heen en even wuifde ze met haar hand....

Ze werd kalmer gestemd, toen zij eenmaal op reis was en zij glimlachte blij, toen de zon eindelijk door den mistsluier begon heen te dringen.

Toen de trein te Chester stilhield en het haar duidelijk werd dat er niemand was om haar af te halen, besloot zij haar koffer maar aan 't station achter te laten en naar de school toe te loopen. Zij zou den weg wel vinden, meende ze, en zij was na het lange zitten in den trein letterlijk verstijfd van koude en verlangde naar wat beweging.

Even ging zij de restauratie-zaal in om een kop warme koffie te drinken en te vragen hoe zij loopen moest om Hill House-zoo heette de school-te bereiken. "U kunt, in ieder geval, om theetijd wel bij ons wezen," had Miss Wells, de directrice, geschreven; het was nu nog maar even half drie en zij had dus nog een paar uren den tijd.

Een vriendelijk buffetmeisje hielp haar te recht en gaf haar zelfs een kaartje van Chester ten geschenke. Toen zij vertelde dat zij op Hill House moest wezen, kwam er een zeer eigenaardige uitdrukking op het gezicht van het meisje, maar Hedwig merkte het niet op; zij was verdiept in haar kaartje.

"Wilt u bepaald loopen?" zei het meisje nog. "U zoudt ook een heel eind per tram kunnen gaan; het is een lange wandeling," doch Hedwig antwoordde vroolijk dat zij daar niet tegen opzag en geen haast had.

Opgewekt, thans weer vol moed voor het nieuwe leven dat haar wachtte, liep zij het station uit. Zij had lust in haar wandeling en was benieuwd hoe zij de stad vinden zou en verruimd haalde zij adem, toen juist op het oogenblik dat zij het station verliet, de mist geheel vaneen scheurde en de zon in volle glorie doorbrak.

O, wat was het nù mooi! Over alles heen lag de rijp als een kantachtig wit weefsel, waarin ontelbare sterretjes glinsterden. Het blauw in de lucht werd hoe langer hoe meer zichtbaar en krachtiger van tint. Het bleef sterk vriezen en het was doordringend koud, maar Hedwig gaf er niet om en stapte flink aan, eerst de niet heel fraaie City-road langs, toen, steeds de aanwijzingen van haar kaartje volgend, een breede straat in, tot ze bij een poort stond, waarnaast zich een steenen trap bevond met het opschrift: "To the city walls".

De steenen treden zagen er heel glibberig uit, toch kon zij de verleiding geen weerstand bieden even naar boven te gaan. Men had haar verteld van de beroemde, oude muren rondom de stad Chester, waarover men wel een wandeling van een klein uur kon maken en zij moest toch eens kijken....

Zij liep eerst een eindje door, toen ze boven was;-toen bleef ze verrast staan, want wat zij voor zich zag, was als een sprookje.

In hare nabijheid, haast vlak bij scheen het haar toe, stond daar in grootsche majesteit, de hooge, indrukwekkende kathedraal van Chester met het stille plein met de mooie boomen erom heen, alles bedekt door een sluier van ragfijne rijp. Geen enkel geluid drong tot haar door en het was of al die teere witheid de stilte nog verhoogde en haar lieflijker maakte.

[Rows te Chester.]

Zij voelde zich wonderlijk ontroerd. Geheel alleen stond zij daar in een vreemd land, ver van huis, in een stad, waarin nog niemand haar kende,-zooeven had zij zich een oogenblik plotseling haast angstig eenzaam gevoeld,-nu gleed die gewaarwording van haar weg en haalde zij diep adem met een gevoel van innige vreugde. Onwillekeurig vouwde zij de handen; haar hart dankte God voor wat Hij haar te genieten gaf.

Voorzichtig ging ze de trap weer af; het was over half vier, ze moest nu maken dat zij verder kwam. Zij raadpleegde haar kaartje.

Het vriendelijke buffetmeisje had haar gezegd dat de school, zooals de naam Hill House trouwens ook aanduidde, op een heuvel lag even buiten de stad en zij zag op haar kaart dat zij nu eerst weer rechtuit moest gaan. Maar toen zij even doorgeloopen had, keek zij verbaasd om zich heen. Wat was dat? Liep ze nu opeens door een stad van een paar eeuwen geleden? Alles zag er zoo geheel anders uit dan zooeven. Schilderachtige oude, geelbruin en donker getinte geveltjes werden tooverachtig verlicht door enkele verdwaalde zonnestralen, die de schemering, die in deze straat heerschte, nog sterker deed uitkomen. Want aan beide kanten bevond zich hier aan de huizen een soort van lange, overdekte balkons of galerijen, die er zeer oud en verweerd uitzagen en, in elkaar loopend, de geheele lengte der straat besloegen en het licht onderschepten. Sommige der oude huizen waren met schuinloopende strepen of figuren beteekend, andere met zeer fraai houtsnijwerk versierd en van spreuken voorzien.

Hedwig vond het aardig een trapje naar een der galerijen op te gaan, er door heen te loopen en zoo een blik te slaan op de straat, die zoo geheimzinnig in het halfduister lag. Zij liep slechts langzaam verder; ook in de veelsoortige winkeltjes, die zij langs kwam, was veel dat haar aandacht boeide en toen zij de galerij verlaten had en, links afslaande, een kijkje kreeg op een groepje zwart-en-wit getinte huizen, sierlijk met de vooruitspringende vensters rustend op ranke, spiraalvormige pilaartjes, was zij één en al opgetogenheid.

"Wat een stad! Wat een mooie stad!" zei ze. "Het zal mij hier stellig goed bevallen. Wat wou ik graag dat Tieka dit eens zien kon! Zij zou zeker zeggen dat het echt sprookjesachtig was."

Nu was ze, in al haar verrukking, toch verkeerd geloopen, geloofde ze en zij bleef even staan en haalde haar kaart weer te voorschijn; zij kon er echter thans niet wijs uit worden. Juist stond ze voor een bakkerswinkel en toen zij opkeek, las ze met zekere gretigheid de aankondiging:"Hot Pies Every Saturday
Finest Hand-made
Bread only Baked
."

Ze was flauw geworden en had trek gekregen; heel veel had zij vandaag ook nog niet gebruikt. Hier zou zij maar eens even naar den weg vragen en meteen iets eten, een kleinigheid maar, anders mocht ze haar eetlust eens bederven voor de tea, waarmee men haar op Hill House wachtte. Ze moest nu toch ook maken dat zij er kwam. Als zij eens één warm pasteitje kocht.... Ze had er zóó'n trek in! Snel vroeg zij er naar.

"Vandaag niet juffrouw; die hebben wij alleen maar Zaterdags."

Och ja, dat was waar ook, dat stond duidelijk voor het raam. Ze nam het nu maar voor lief met een vrij oudbakken krentenbroodje; straks op Hill House zou zij haar schade wel inhalen.

Het bleek dat zij toevallig toch de goede richting had genomen.

"Mag ik vragen bij wien u wezen moet?" vroeg de winkelbediende, die nogal nieuwsgierig van aard scheen te zijn.

"O jawel," zei Hedwig, "ik ga naar Hill House."

De man zette groote oogen op.

"En...." vroeg hij, veelbeteekenend met het hoofd knikkend, "gaat u daar heen als onderwijzeres?"

Hedwig keek hem wat scherper aan en glimlachte even om zijn onbescheidenheid.

"Ja zeker," zei ze kortaf en maakte zich gereed om heen te gaan.

"Dan zult u daar niet veel warme pasteitjes proeven, vrees ik," hoorde zij hem nog zeggen, terwijl ze den winkel uitging. Zij luisterde echter niet meer, zij vond hem vrij brutaal en liep haastig verder.

Weldra kwam zij nu even buiten de stad bij een brug over de mooie rivier de Dee en spoedig daarop aan den tamelijk eenzamen weg, dien zij zocht.

Eindelijk zag zij Hill House op een hoogte liggen. Vroolijk zag het er niet uit, dat moest zij bekennen, want een groot, kaal, grijs gebouw was het met een menigte smalle ramen en een hooge voordeur, waarvan de verf nagenoeg verdwenen was. In den gevel stond met groote, zwarte letters, die thans nog zwarter schenen door de rijp eromheen: Hill House. Alles, ook de tuin achter het huis, een groote lap gronds met niets erin dan enkele lage hulststruiken en een verschrompeld kastanjeboompje, gaf den indruk van armoede en verwaarloozing.

Hedwig bleef een oogenblik staan voordat zij den heuvel beklom. "Dat is dus Hill House," zei ze met nadruk. "Veel lijkt het, althans van buiten, niet op het paleis van den baron von Zercläre, maar wie weet hoe fraai het van binnen is!"

Binnen een paar minuten stond zij voor het huis. Snel keek ze naar boven of er ook iemand was, die naar haar uitzag. Er vertoonde zich echter niets voor de ramen en zij liet dus den zwaren klopper op de deur vallen.

Wat klonk dat hol! Het was of de geheele bevroren heuvel ervan uit een soort verdooving ontwaken moest-zij vond het haast griezelig! Het duurde geruimen tijd, voordat de zware deur langzaam open ging en het begon reeds te schemeren, toen zij eindelijk binnen gelaten werd en, huiverig geworden van het staan, nòg kouder werd in de lange, donkere, kille gang, die zij nu door moest loopen.


HOOFDSTUK VI.

Koude en Honger.

"Ik ben de nieuwe onderwijzeres," zei ze tot het meisje, dat de voordeur geopend had en haar nu zwijgend den weg wees. Het was een armoedig gekleed, uit de kracht gegroeid kind van een jaar of dertien met een heel smal gezichtje, waarin de donkere oogen nog donkerder schenen door de blauwe kringen, die eronder lagen. "Dat weet ik," antwoordde zij met een heesche stem en Hedwig zei maar niets meer; het spreken kostte het arme kind blijkbaar moeite.

Aan het eind der gang stonden zij stil bij een deur, die toegang gaf tot de kamer van Miss Wells, de directrice. Het meisje klopte aan, een scherpe, hooge stem riep: "Come in!" en Hedwig zag Miss Wells voor zich.

Zij zat op een houten bankje-zooals Hedwig later ontdekte, was er in het gansche groote Hill House geen enkele stoel te vinden!--aan een tafel vol papieren, rekeningen te schrijven. Toen zij Hedwig gewaar werd, stond zij niet op, maar bekeek haar met groote nauwkeurigheid.

"Fräulein Eiche zeker?" vroeg zij kortaf. Hedwig knikte. Wat was het benauwd in de kamer; zij kon er haast geen adem halen! De overgang van de snerpend koude lucht buiten tot de overwarme, onfrissche atmosfeer in het lage vertrek, waar het gas reeds brandde, was al te groot.

Zij hield zich echter dapper, hoewel het moeite kostte, vooral toen zij Miss Wells nader bekeek, want smakelijk zag die er allerminst uit! Op het grijze haar, waarvan enkele lokken uit het slordige kapsel waren losgeraakt en langs de geelbleeke, bolle wangen hingen, prijkte een mutsje van vuilwitte kant, waarop een stoffige, roodfluweelen strik ter verfraaiing was aangebracht. Een verkleurde groene japon hing slordig om de kleine, zeer gezette gestalte en was letterlijk bezaaid met harde, witte vetvlekken, terwijl Miss Wells over de schouders heen een vaalzwart, wollen doekje had geslagen, dat van voren met een haarspeld was vast gemaakt.

Ook de kamer had een zeer onbehagelijk voorkomen en bevatte geen andere meubelen dan de tafel, de bank en een groote geelhouten kast. Voor de ramen, waarvan het ontdooiende ijs in druppels afliep, was geen zweem van een gordijn te ontdekken en op den ongeverfden vloer lag geen ander "kleed" dan het vuilwitte schapevachtje, waarop Miss Wells hare voeten liet rusten.

"Luid spreken, als 't je blieft, ik ben doof," zei ze, Hedwig met haar hoofd op zijde, stuursch aanziende.

Hedwig knikte maar weer.

"Was de trein zoo laat vandaag?"

"Neen, ik ben op tijd aangekomen," riep Hedwig zoo luid ze kon.

"Zoo. En hoe komt het dan dat het nu zoo laat is?"

"Ik heb nog even een wandeling door de stad gemaakt," zei Hedwig opgewekt.

"O zoo. Ja, dat konden wij niet weten natuurlijk. Ons theeuur is lang voorbij en dus...." Zij haalde de schouders op.

"Ik ... er zal misschien nog wel wat thee en een boterhammetje voor mij bewaard zijn?" waagde Hedwig te vragen. Zij had zóó'n trek; ze moest wat eten!

Miss Wells deed alsof zij haar niet verstaan had.

"Wat zegt u?"

Met een kleur, toch zonder verlegenheid, herhaalde Hedwig luide haar vraag.

De zuinige directrice schudde echter het hoofd. "Wel neen, er is geen thee meer te krijgen; daarvoor is het nu te laat," zei ze. "Straks wordt het avondeten gebruikt."

Hedwig hoopte vurig dat "straks" "heel gauw" beteekende!

"Waar is uw koffer?" vroeg Miss Wells verder. Zij was thans opgestaan en waggelde in al haar dikte naar de schel toe.

"Dien heb ik aan het station gelaten. Mag hij even gehaald worden?"

Met de hand aan het schelkoord, keerde Miss Wells zich toornig om.

"Nog gehaald worden, van avond? Neen hoor, daar kan niets van komen; wij houden hier geen hotel! Knechten of dienstmeisjes hebben wij ook niet, want wij doen alles zelf. Alles; begrepen? U zult het dan voorloopig maar zonder uw koffer moeten stellen en dien morgen gaan halen met Peter en het wagentje. Er kan dan nog wel iemand met u meegaan." Toen, ter verduidelijking, alsof ze bang was dat Hedwig in den genoemden "Peter" een manspersoon zou vermoeden, "Peter is onze pony."

"O," was al wat Hedwig zeide. Ze vond het heel vervelend zoo lang op haar koffer te moeten wachten, maar zij onderwierp zich zonder meer, begrijpend dat er toch niets aan te veranderen was.

Miss Wells trok nu met een ruk aan de schel en een oudachtig, schamel, doch net gekleed dametje verscheen, dat er, evenals het meisje, dat Hedwig binnen gelaten had en dat in de wandeling Taff of Taffy werd genoemd, heel vermoeid uitzag.

"Dit is onze huishoudster, Miss Ellis," verklaarde Miss Wells. "Zij zal u den weg wijzen naar de schoolkamers. Miss Ellis, dit is Fräulein Eiche, de nieuwe onderwijzeres."

"How do you do?" zei Miss Ellis en er kwam een vriendelijk lachje op haar gezicht, toen zij Hedwig de hand reikte.

Hedwig had haast gezegd: "Goed, maar ik heb zoo'n honger," maar ze durfde niet recht. En ... we krijgen toch straks avondeten, troostte zij zich.

Zij volgde Miss Ellis een paar nauwe dwarsgangen door, waar het salpeter van de muren viel en zich in de koude, grijze vloersteenen holten hadden gevormd door de vele voetstappen, die erover waren gegaan. Er hing een vunzige lucht en het was er kil en heel vochtig. Bijna even koud was het in de groote, kale schoolkamers, waar het vuur op den haard veel te weinig voedsel kreeg en zeer onvoldoende warmte gaf. De ruiten der gordijnlooze ramen waren dan ook nog stijf bevroren.

Juist toen Miss Ellis en Hedwig binnen kwamen, werd het gas aangestoken en het schelle licht der door geen ballons of kappen beschermde gaspitten, viel onbarmhartig duidelijk op de rijen bleeke gezichten der kinderen, die op banken aan de lange, houten tafels gezeten waren. Het waren kleine en grootere meisjes van allerlei leeftijd, maar de gezichten hadden door de sporen van lijden en ontbering, die erop waren afgedrukt, iets treurig ouwelijks gekregen, dat zeer pijnlijk trof. Een zonderling kontrast met de tengere kindergestalten vormde bij velen de kleeding, blijkbaar afval van vroegere draagsters. Want de leerlingen van Hill House gingen bijna allen gekleed in wat haar door gulle bloedverwanten of vrienden was afgestaan en de arme weezen en half-weezen, die alle moederlijke zorg misten, droegen veel te groote schoenen, te wijde jurken, te korte of te lange rokken en ach, ook maar al te vaak, veel te dunne stof voor den kouden winterdag.

Het treurige schouwspel, zoo geheel iets anders dan zij nog aan den ochtend van dien dag, toen zij zoo moedig op reis ging, zich voorgesteld had te zullen zien, ontroerde Hedwig tot in de ziel. Het was alsof haar het hart werd toegeknepen en zij kon zich nauwelijks meer inhouden en legde de hand voor de oogen, terwijl een korte snik haar ontsnapte.

Toen Miss Ellis haar arm aanraakte, vermande zij zich echter terstond. En in haar hart vormde zich het besluit om zich goed te houden, flink te zijn en te trachten iets te wezen, zooveel als zij maar kon te wezen voor die arme, arme kinderen.... God zou haar helpen ook hier; dat wist zij immers!

De huishoudster stelde haar aan de onderwijzeressen voor, maar de meesten toonden zich vrij onverschillig omtrent haar komst; zij schenen met een zekere dofheid geslagen te zijn en zagen er vermoeid en slecht uit. Er waren er ook met een haast terugstootend uiterlijk en Hedwig hoorde later dat dezen, evenals verscheidene der arme weezen, eenvoudig naar Hill House waren gezonden om een onderkomen te hebben. Of zij ook goede en bekwame onderwijzeressen waren, daarop werd niet gelet; werk was er immers op Hill House toch altijd voor ieder te vinden! Miss Wells, die zelf weinig anders deed dan brieven en rekeningen schrijven-vooral het laatste was haar een zeer geliefde bezigheid, die zij nooit aan anderen overliet-had er zeer goed den slag van, al hare onderhoorigen hard te laten arbeiden en zeer weinig rust te gunnen. Er was in het groote, holle huis met zijne talrijke kamers en bewoonsters veel te doen, al was het er alles behalve weelderig ingericht en Miss Wells had waarheid gesproken, dienstmeisjes of knechten waren er in 't geheel niet; alles moest door de overwerkte huishoudster, de onderwijzeressen en de leerlingen worden verricht.

Twee onderwijzeressen waren er, die op Hedwig door de groote tegenstelling in haar uiterlijk, een bizonderen indruk maakten. Beiden bevonden zich in de tweede schoolkamer, die er al even doodsch en triest uitzag als de eerste, met geen enkele versiering aan den muur dan een groote landkaart en een stuk of vier andere kaarten, waarop met reusachtige letters stond gedrukt dat er in de schooluren nooit gebabbeld en gelachen mocht worden.

De eene onderwijzeres, Miss May geheeten, was met de jongste kinderen bezig en had op 't eerste gezicht een tamelijk onbeduidend voorkomen. Maar toen Hedwig haar aanzag, las zij in de blauwe oogen een uitdrukking van stillen moed, die bizonder weldadig aandeed en te meer trof, omdat het gezicht zelf er zeer afgemat uitzag.

Zij bleek meer belang te stellen in Hedwig's komst dan de anderen en sprak haar even vriendelijk toe en Hedwig vond het een verkwikking naar de welluidende stem te luisteren.

De andere onderwijzeres, Miss Rench, begroette haar slechts met een koele hoofdbuiging; Hedwig voelde echter, meer nog dan zij het zag, dat de kleine, doordringende oogen haar scherp onderzoekend opnamen. Er lag iets vijandigs en sluws in dien snellen blik, dat haar een oogenblik angstig maakte, haar haar zelfbeheersching benam en de oogen deed neerslaan, maar even later glimlachte zij om haar vreemde zenuwachtigheid. Het verbaasde haar echter niet, toen zij te weten kwam dat Miss Rench in 't geheim "de spion" werd genoemd en dat er zeer, zeer weinig op de school voorviel, dat haar aandacht ontsnapte en niet door haar aan de directrice werd medegedeeld.

"Zou ik nu even naar mijn slaapkamer mogen gaan?" vroeg Hedwig eindelijk aan Miss Ellis.

"Och, dat kan straks wel. Ik zou nu maar hier blijven, als ik u was; uw mantel en hoed kunnen wel zoo lang op die leege bank neergelegd worden." En Miss Ellis verdween.

Hedwig had echter volstrekt geen behoefte haar mantel uit te trekken; zij had het al koud genoeg! Zij zou niets liever gedaan hebben dan eerst het smeulende vuur in den haard eens ter dege van brandstof voorzien en dan, als het flink brandde, de ramen openzetten om de vunzige lucht te verdrijven, die in de school hing en aan rottende kool deed denken,-maar zij was hier geen meesteres en moest stil afwachten wat er over haar zou worden beschikt. Zij deed haar best geduldig te wezen en keek nog eens met aandacht naar de kinderen, toen zij plotseling een bel hoorde luiden en spoedig daarop een paar der oudere meisjes rond zag gaan met bladen, waarop stapels sneden ongesmeerd brood lagen om een kruik met water en een paar leege tinnen kroezen heen.

"Dat zal zeker reeds een voorproefje van het avondeten zijn," dacht Hedwig blij en zij nam gretig een stuk brood, toen het haar werd aangeboden en schonk zich een kroes water in.

Zij at met graagte evenals de anderen, hoewel het brood heel oud en hard en droog was en een zwakke poging der huishoudster om het te roosteren, nagenoeg was mislukt. Als er ook maar een ziertje boter op geweest was, zou het veel lekkerder gesmaakt hebben, meende Hedwig en even moest zij denken aan het smakelijke maal, waarbij Tieka nu alleen zou aanzitten. Tieka zou eerst half Januari naar haar kostschool gaan; als zij deze school eens had kunnen zien, wat zou zij dan wel voor oogen opgezet hebben?

Toen het droge brood verorberd was, begonnen de kinderen hunne schriften weg te bergen. Nu was het dan zeker heel gauw tijd voor het avondeten, dacht Hedwig.

Daar zag zij Miss Rench waarlijk al weer met half toegeknepen oogen naar haar kijken. Wat beteekende dat toch? Zij zou haar maar eens gaan aanspreken, de lessen waren nu toch afgeloopen. Misschien ging haar gezicht ook wel wat vriendelijker staan, als zij eens even een praatje met haar maakte. Beleefd ging zij naar haar toe en vroeg:

"Kunt u mij ook zeggen hoe laat hier het avondeten gebruikt wordt?"

"Het avondeten?" herhaalde Miss Rench schamper, terwijl een spottend lachje om haar mond kwam, "maar dat hebt u net precies op!"

"Zoo, was dat stuk brood...." stamelde Hedwig ontsteld.

"Dat was uw souper, ja. Ik hoop dat het u goed gesmaakt heeft?"

Hedwig antwoordde niet. Dus dàt was het avondeten geweest! Had ze toch nog maar wat meer gekocht bij dien bakker of aan het station! Ze begon nu te begrijpen waarom de bakkersbediende haar zoo vreemd had aangezien, toen zij zeide dat ze naar Hill House moest en maar al te zeer zag zij thans de waarheid in van zijne voorspelling: "Daar zult u niet veel warme pasteitjes proeven!"

Maar zij vergat hoe hongerig ze zelf was bij het zien van al die slecht gevoede kinderen om zich heen en zij voegde zich bij een troepje, knikte er een paar eens toe, wreef een der jongsten de koude handjes warm en trok een klein, mager meisje even aan haar vlecht. Het kind zag haar verbaasd aan met hare weemoedige, grijze oogen. Hedwig ging bij haar in de bank zitten. "Hoe heet je?" vroeg ze. "Mary Wren," zei het kind heel ernstig. "En kun je heelemaal niet lachen?" Nu kwam er even een flauw lachje op het bleeke gezicht. "Neen, neen, nog een beetje meer," drong Hedwig aan. Maar het kind kon niet; ze begon te hoesten, een akelige, droge kuch en Hedwig sloeg den arm om haar heen. "Stil maar, stil maar, praat maar niet."

"Sst.... No more talking.... Prayers!" riep een stem en Hedwig zag Miss Wells binnen komen voor de avondgodsdienstoefening. Met een eentonige, zeurderige stem las zij de gebeden. Hedwig luisterde verontwaardigd toe, geschokt door de wijze, waarop de indrukwekkende woorden van den Engelschen avonddienst werden opgedreund en daardoor alle kracht verloren. Toch knielde zij neer als de kinderen en zij vouwde de handen en bad, bad vurig en innig tot God om kracht.

Eindelijk ging het de uitgesleten, vuilgrijze trappen op naar de armoedige slaapvertrekken, waarvan Hedwig schrikte toen zij ze zag. Ook hier hing voor geen enkel raam iets, dat ook maar in de verte naar een gordijn geleek; alles was kaal en guur en onbedekt.

Toen men Hedwig gewezen had waar zij slapen moest, vroeg zij zich voor de zooveelste maal af, waar zij toch aangeland was en of zij hier werkelijk zou kunnen blijven; het was haast geen leven in zoo'n ongezonde, schamele omgeving! Zou zij niet wijs doen met morgen aan den dag te beginnen met iets anders te zoeken? Wel was het heel moeielijk iets te vinden....

Juist op dat oogenblik werd even, heel voorzichtig,-nauwelijks kon het een aanraking genoemd worden-een bevende, kleine hand in de hare gelegd en zij zag Mary Wren naast zich staan en schuchter tot haar opzien. Haar hart werd warm. Hoe kon zij nog aan weggaan denken? Natuurlijk bleef zij immers!

Er stonden op iedere slaapkamer twaalf smalle, ijzeren ledikanten en ook Hedwig had dus, evenals de andere onderwijzeressen, het opzicht over elf leerlingen; zij moest bij het uitkleeden tegenwoordig zijn, had men haar gezegd en daarna mocht zij zelf te bed gaan. Op hare prettige, opgewekte wijze hielp zij de kinderen om vlug voort te maken, telkens weer de koude handen wrijvend en een aardigheidje zeggend, als er een het schreien nader stond dan het lachen. Dan kwam er een blijde glinstering in de droevige kinderoogen en eens zelfs lachte Mary Wren hardop. Hedwig knikte haar toe. "Goed zoo!" zei ze.

Maar toen al de elf leerlingen te bed lagen en zij haar één voor één eens warmpjes in wilde stoppen en de kussens wat opschudden, maakte zich een hevige verontwaardiging van haar meester. Want nu ontdekte zij dat de slappe, platte kussens met snippers papier waren opgevuld of opgevuld heetten en dat de zoogenaamde dekens bestonden uit een zeer goedkoop soort wollen lappen, waartusschen groote stukken papier waren vastgenaaid. Geen wonder dat de arme meisjes bijna allen hoestten en half ziek waren van de koude.

Zoo goed mogelijk dekte zij haar elftal toe; toen ging zij even heen om te vragen of de een of andere onderwijzeres haar ook een nachtpon zou willen leenen. Meer dan ooit betreurde zij thans het gemis van haar koffer en van den warmen wollen doek, dien zij ingepakt had en dien Anna Schaub haar nog mee had gegeven, toen zij naar Engeland ging. Wat was dat al lang geleden!

Zij liep op een drafje het donkere portaal over, slaagde er na veel moeite in, een zeer dun nachtgewaad ter leen te krijgen en snelde toen naar de slaapkamer terug, om zich al rillend te ontkleeden, terwijl de aanhoudende vorst de ruiten met een steeds dichtere laag ijs bedekte en de koude tocht door de slecht sluitende vensters naar binnen drong.

Het was of de eenzame gaspit ook bevriezen ging, zoo flauw was de vlam; zij hield er even hare handen bij, maar zij voelde er hoegenaamd geen warmte van uitstralen en toen zij in het voor haar bestemde ledikantje lag, kon ze van koude en honger eerst niet in slaap komen. Zij verbaasde er zich over dat de kinderen wèl sliepen; zij hoorde het aan de geregelde ademhaling, hoewel Mary Wren telkens nog in haar slaap kuchte en zich soms onrustig bewoog.

Toen zij eindelijk zelf ook ingesluimerd was, werd zij vrij spoedig weer uit den slaap opgeschrikt door een heftige windvlaag, die het oude vensterkozijn letterlijk stuk dreigde te schudden. Aan verder slapen was nu voorloopig niet meer te denken, want de wind werd hoe langer hoe heviger, deed de ruiten kletteren en loeide om het huis heen met een gierend geluid, dat Hedwig als een sombere klaagtoon in de ooren klonk. Een tijdlang lag zij in bijna zwarte duisternis; alleen kon zij door een der ruiten, waarvan een hoekje door de vorst vrij gelaten was, een stukje van de donkere lucht onderscheiden. Langzamerhand zag zij enkele sneeuwvlokken vallen, toen meer, meer, al maar meer en steeds dichter, tot het een dwarrelende massa werd, waarnaar zij niet meer kijken kon, zoo duizelde het haar voor de oogen. Eindelijk ging de wind liggen, het werd stiller en doodelijk vermoeid sloot zij de oogen en sliep nog even in, nadat zij zich bibberend het dunne dek over het hoofd had getrokken.

Het was nog geheel donker, toen zij wakker werd door het luiden van een bel. Terstond zat zij overeind in bed.

"We moeten opstaan, dadelijk opstaan, dat beteekent die bel," riep een der kinderen haar toe en Hedwig sprong moedig het bed uit en stak het licht aan. Het bleek juist vier uur te zijn!

"Maar dat moet een vergissing wezen," riep zij uit. "Neen, neen, het is geen vergissing, wij staan altijd om vier uur op," zei Mary Wren al kuchend. "Miss Ellis zelf is er altijd al om half vier uit om ons wakker te kunnen bellen...."

Hedwig zuchtte; ze was nog zóó weinig uitgerust! En wat een tooneel zag zij voor zich! Bibberend, half schreiend van de koude, stonden daar de arme kinderen zich aan te kleeden of te wachten, tot haar beurt zou komen om zich te wasschen. Want midden in de kamer bevond zich een ruwhouten tafel met vier waschkommen en een reusachtige kan met water; hier konden er zich vier te gelijk wasschen, wie er niet gauw genoeg bij was, moest wachten tot er weer een kom open kwam.

Vandaag ging het wasschen met nog meer moeielijkheden gepaard dan anders, omdat de dikke stukken ijs in het water dreven en het dooien daarvan boven het gas-wat Hedwig beproefde-al heel langzaam ging. Zij moest aan Tieka denken, die zulk "echt winterweer" altijd zoo mooi en zoo heerlijk vond. Als zij deze slecht verzorgde kinderen eens had kunnen zien, hoe zouden hare donkere oogen dan gekeken hebben?

De scherpe noordoosten wind drong door tot in het vertrek en op de vensterbanken binnenin de kamer lag een dikke, ruige laag sneeuw; ook op den houten vloer was sneeuw gevallen. Was zij wel ooit in haar leven zóó koud geweest?

Daar luidde alweer een bel en nu moesten allen zich haasten om langs de donkere trappen naar beneden te gaan en in de groote, kille schoolkamer bij de ochtendgebeden tegenwoordig te zijn, die door Miss May werden gelezen; de directrice vertoonde zich eerst later op den dag. Voor de zuinigheid brandde er nu slechts één gaspit, wat alweer Hedwig's innige verontwaardiging opwekte. Daarbij kon ze van vermoeidheid en van honger haast niet op hare beenen blijven staan.

Wat schandelijke toestanden waren dat hier toch! Zij nam zich voor zoo gauw als ze maar kon aan de barones von Zercläre te schrijven en haar eens goed op de hoogte te brengen van alles wat zij hier zag en ondervond; zij zou zoo iets toch zeker ook beneden alles vinden en haar helpen willen om er verandering in te brengen.

O, wat leek het haar heerlijk toe, al was het maar één oogenblikje, bij Tieka te wezen en in de aardige kinderkamer van het mooie, Edinburgsche huis! Het scheen haar nu toe, terwijl zij hier in de kale, onbehagelijke schoolkamer stond in die bedompte atmosfeer, haast in halfduister en te midden van zooveel treurige kindergezichten, alsof het al veel langer dan één dag was geleden dat zij van Tieka afscheid had genomen....

Men vertelde haar dat het ontbijt op half zeven was vastgesteld. En nù was het pas vijf uur! Hoe hield men dat uit? Ze zou maar hard met de anderen meewerken-wat trouwens ook zeer beslist van haar verwacht werd-dan vergat zij haar honger wellicht! Er moesten nu schoenen gepoetst worden, brandstoffen gehaald, trappen, portalen en kamers worden aangeveegd, bedden opgemaakt, kannen met water gevuld en allerlei andere werkzaamheden worden verricht, waarvan ieder, ook de allerjongste leerling, haar deel moest vervullen.

Mary Wren bleef zooveel mogelijk in Hedwig's nabijheid; blijkbaar had zij reeds nu genegenheid voor haar opgevat. Telkens hoorde Hedwig het korte, droge kuchje en waar ze maar kon, hielp zij het zwakke kind en gaf haar een vriendelijk woord.

Eindelijk klonk de ontbijtbel door het huis en nu konden de ijverige werksters zich te goed doen aan bizonder slappe thee-"gootwater" hoorde Hedwig fluisteren-zonder suiker en zeer oudbakken brood, want het was op Hill House een wet dat de bakker er slechts eens in de veertien dagen versch brood mocht brengen. Op de sneden brood was, in plaats van boter, een dun laagje moes van gestoofde appelen gesmeerd.

Een heel lekker ontbijt was het niet, toch at Hedwig het hare gretig op. Zij miste de boter al minder dan den avond te voren en dat was maar goed ook, want boter was op Hill House een ongekende weelde en als er al soms op de dikke sneden zoogenaamd geroosterd brood, die als "avondeten" werden rondgediend, iets glinsterde, dat heel in de verte aan boter deed denken, dan was dit slechts een soort van dripping, afgedruppeld vleeschvet, dat onmogelijk lekker smaken kon, omdat voor Hill House nooit wezenlijk goed vleesch werd gekocht.

En ook appelmoes, al is het nog zoo smakelijk toebereid-wat van dat op Hill House niet verklaard kan worden-verveelt op den duur. Hedwig had gelegenheid dit te ondervinden, toen het haar dag in, dag uit, werd voorgezet: bij het ontbijt, aan de thee en bij het stuk avondbrood. De boeren in den omtrek verkochten hunne gedroogde appelen tegen zeer lagen prijs aan Miss Wells en deze vond dat zij niet beter en zuiniger doen kon dan er het geheele jaar door haar groot gezin mee te voeden!

Met het les geven had Hedwig geen moeite. De kinderen waren stil en gewillig, ja gedroegen zich naar haar zin haast al te gehoorzaam; zoo graag zou zij hen wat levendiger gezien hebben! Nù waren zij, onder den indruk van het onnatuurlijke, ongezonde leven dat zij leidden, bijna onkinderlijk bedaard.

Het middagmaal, dat om twaalf uur plaats had, was al even karig als de andere maaltijden en bestond heden uit niets anders dan slecht vleesch en droge aardappelen, waaraan een grondige bijsmaak was. Op de dagen dat er geen vleesch gegeten werd, kreeg men daarvoor in de plaats kwalijk riekende visch en in ruil voor de aardappelen waterige rijst; een groot verschil maakte de verandering niet, vond Hedwig.

Na den eten moesten de kinderen met de onderwijzeressen drie kwartier gaan wandelen, hoewel de sneeuw zeer hoog lag en het door den plotseling invallenden dooi op verschillende plaatsen heel vuil en drabbig begon te worden. Het sneeuwde niet meer, maar er hing een donkere, dreigende lucht en toen zij een eind den weg op waren, niet naar de stad toe, volgens uitdrukkelijk bevel der directrice, die zelf thuis gebleven was,-begon er een fijne motregen te vallen, die langzaam maar zeker de dunne kleeding der kinderen doorweekte. "Ik ga met mijn troepje terug, zóó kan het niet langer," besloot Hedwig, maar Mary Wren, die naast haar liep, vertelde haar dat er van nu reeds naar huis gaan geen sprake kon wezen; dan zou Miss Wells haar toch verhinderen binnen te komen. Eerst moest de bepaalde tijd om zijn. "Dat vind ik heel verkeerd," liet Hedwig zich driftig ontvallen. Miss Rench, de "spion", hoorde het haar zeggen en deelde het ook, zoo spoedig zij maar kon, aan Miss Wells mede. Deze liet toen Hedwig bij zich komen en nam haar zoo geducht onder handen, dat Hedwig het het verstandigst vond er maar het zwijgen toe te doen. Alleen nam zij de gelegenheid waar om te vragen of zij nu-het was na de schooluren-haar koffer mocht gaan halen.

Tot haar verwondering werd haar dit toegestaan en even later reed zij met de onderwijzeres, die in het bizonder met het toezicht over den pony was belast en zeer zwijgzaam van aard was, in het krakende wagentje, door den mageren Peter getrokken, naar het station. De sneeuwmodder spatte om de wielen van het voertuig en maakte de straten op plaatsen, waar niet geveegd was, haast onbegaanbaar, maar de zon scheen weer en de oude stad zag er schilderachtig uit. "Wij kunnen zeker eerst wel even een boodschap doen?" vroeg Hedwig, die wat brood koopen wilde, maar haar gezellin was hier zóó beslist tegen en toonde zich zoo verschrikt bij het denkbeeld dat zij langer van Hill House weg zouden blijven dan strikt noodzakelijk was, dat Hedwig maar toegaf en dadelijk doorreed naar het station.

Zij was heel blij, toen zij den grooten koffer weer veilig in haar bezit had, al werd hij, naar den regel van het huis, niet naar haar slaapkamer gebracht, maar in een bedompte soort kelderkamer neergezet.

Bij het licht van een stukje kaars mocht Hedwig er hier uitnemen wat zij noodig had. Veel kon het niet zijn, want een kastje om een en ander in te bergen was haar slaapkamer niet rijk. Zij greep echter gretig naar Anna Schaub's wollen doek, die bovenop lag; die moest in ieder geval mee naar boven!

Zij was geheel alleen in het sombere vertrek, dat door het kaarsje slechts flauw verlicht werd. Een smalle streep van het licht viel in den koffer en, toen zij er den doek had uitgenomen, op een pakje in wit papier gewikkeld, dat zij zich niet herinnerde erin gelegd te hebben. Zij nam het in de handen en deed er het bovenste papier af. "To my dearest ... dearest Fräulein," las ze.

"Lieve, lieve Tieka," fluisterde zij en het pakje verder openend, vond zij een mooi portret van Tieka, dat haar een gevoel gaf alsof het kind opeens weer dichter bij haar was. Toen hield zij een paar plakken chocolade in de hand. "Natuurlijk chocolade, die geeft ze mij altijd," fluisterde zij. "Nu, die zal hier goed te pas komen!"

Zij deed den koffer op slot, rolde de chocolade in haar doek en sloop er mee naar boven naar haar slaapkamer. Het was er donker, toch kon zij op den tast af gemakkelijk de elf ledikantjes van hare leerlingen vinden. Voorzichtig legde zij onder ieder kussen een stukje chocolade, sloeg den doek om de schouders en keerde naar de schoolkamers terug.