WeRead Powered by ReaderPub
Een Heldin cover

Een Heldin

Chapter 9: HOOFDSTUK VII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a courageous teenage eldest daughter, Hedwig, who leaves home to support her mother and younger sister after the family falls into poverty. She takes paid stitchwork, endures cold and hunger, and navigates employment and education away from home, including experiences at an English boarding school and varied placements in towns and an Irish household. Encounters with children, a dog, and local characters test her resolve; setbacks force improvisation and humility, while steady industry and compassion gradually open new opportunities and a more secure life for her family.

HOOFDSTUK VII.

"Flinkie."

Toen zij zich later weer met hare leerlingen op de slaapkamer bevond, liet zij allen zich eerst vlug ontkleeden en te bed gaan, voordat zij iets zeide over de verrassing, die haar wachtte. Toen de kinderen klaar waren, ging zij evenals den vorigen avond, de ijzeren ledikantjes langs om het schamele dek wat steviger in te stoppen en eerst toen fluisterde zij ieder meisje een paar woorden toe. Zij deed het zóó zacht dat geen der anderen er iets van verstaan kon en allen waren te verbaasd om wat terug te kunnen zeggen, maar de plotselinge kleur op de ingevallen wangen en de blijde glinstering in de oogen, waren Hedwig welsprekend genoeg. Later, toen alles donker was en zij zelf ook te bed lag, hoorde zij telkens een zacht, zuigend geluid en met een glimlach om den mond viel zij in slaap. Een paar dagen later echter zou zij inzien dat zelfs het weggeven van een onschuldig stukje chocolade ernstige gevolgen na zich kan sleepen.

Zij ontdekte namelijk op zekeren ochtend dat Mary Wren den moed had gehad, iets van haar deel voor Taffy te bewaren en zij had er Mary te liever om, wèl wetend hoe moeielijk het haar gevallen moest zijn, niet het geheele stukje zelf op te eten. Daarbij kwam dat Taff of Taffy min of meer de verschoppeling was op school, bij de meeste onderwijzeressen ten minste, omdat zij volstrekt niet gemakkelijk leerde en traag van begrip was. Intusschen werd zij den geheelen dag door voor alle mogelijke werkjes in huis en daar buiten gebruikt. "Taff, doe jij dat eens even," "dat kan Taffy wel doen!" "Waar is Taffy toch?" "Taffy moet dat opredderen." "Taffy, haal dit of dat eens gauw van boven," klonk het herhaaldelijk, vooral uit den mond van Miss Rench en de arme Taffy, die een zachtaardigen, gewilligen aard had en heel wel wist dat zij geen geleerde was, meende voor haar onwetendheid niet beter te kunnen boeten dan door met grooten ijver alles te verrichten, waartoe zij wèl in staat was!

Toen Hedwig dan bemerkte dat Mary Wren erin geslaagd was een paar dagen lang een stukje chocolade voor Taffy te bewaren, knikte zij tevreden. Taffy zat niet bij Mary in de klasse en sliep ook in een geheel ander gedeelte van het huis, zoodat het Mary tot nog toe niet gelukt was haar een oogenblikje voor zich alleen te krijgen. Op den bewusten ochtend echter toen zij, op weg naar een der schoolkamers, met Hedwig door de gang liep, kwamen zij Taff tegen, een zwaren bak met kolen torsend, die naar de kamer van Miss Wells moest worden gebracht. Nu zag Mary haar kans schoon. Snel had zij de chocolade uit haar zak gehaald en tusschen Taffy's lippen gestoken en Taffy, die zeker zelden of nooit zoo iets geproefd had, slikte van pure verrukking het kostbare stukje ineens door!

Toch ging dit alles niet zoo gauw of Miss Rench, de "spion", was er achter gekomen. Hoe zij het te weten kwam en dat nog wel zoo spoedig, terwijl zij, naar Hedwig stellig meende, niet in de gang was, bleef altijd een raadsel, maar een feit is het dat Taffy nog maar juist met hare kolen de kamer van de directrice binnen gegaan was, toen deze reeds, gevolgd door Miss Rench, naar buiten kwam stuiven op Mary Wren af, haar onzacht bij den arm greep en zoo meesleurde naar de schoolkamer, waar deze stoornis algemeene ontsteltenis te weeg bracht.

"Ondeugend nest! Ik zal jou leeren te snoepen, ergerlijk te snoepen en anderen te bederven door haar eten in den mond te stoppen. Wat heb jij Taffy gegeven, zeg?"

Maar Mary Wren zag doodsbleek van schrik en kon niet antwoorden.

"Nu, voor den dag ermee als 't je blieft en dadelijk."

Nu bracht Mary Wren het er haperend uit.

"Wat?" gilde Miss Wells driftig en met de hand aan haar oor. "Ik versta je niet." Toen tot Miss Rench, die met een hatelijken glimlach op haar gezicht stond toe te luisteren: "Wat zegt ze?"

"Zij had chocolade in haar zak," riep Miss Rench schamper.

"Wat! Chocolade! Hoe komt ze daaraan? Er mag hier op school niet gesnoept worden, dat weet zij heel goed. De kinderen krijgen meer dan genoeg te eten...."

Hedwig's oogen schoten vonken; toch hield zij zich bedaard.

"Ik heb Mary de chocolade gegeven," zei ze luid en op kalmen toon. "Ik had die in mijn koffer en gekregen van een vroegere leerling...."

"O zoo," viel Miss Wells uit de hoogte in. "Heb dan de goedheid er voortaan aan te denken dat het tegen de wetten van het huis is de meisjes snoepgoed te voeren. En wat Mary Wren betreft, die weet opperbest dat zij iets gedaan heeft, dat streng verboden is en dat zij straf verdiend heeft. Och Miss Rench, wees zoo goed dit meisje eens gehoorzaamheid te leeren; de gewone straf als 't je blieft."

Miss Rench trad met zekere gretigheid naderbij, nam op hare beurt Mary bij den arm, trok haar mee naar een der leege schoolbanken en dwong haar, in een zeer ongemakkelijke, sterk gebogene houding, onder die bank te gaan zitten. Toen liep zij naar een kast, haalde er een stapel oude cahiers uit en gebood Mary deze tot kleine snippers te verscheuren.

Zonder een enkel woord van tegenwerping, deed Mary wat van haar verlangd werd en met een hart vol bitterheid zag Hedwig toe hoe zij, steeds meer kuchend in hare lastige houding, het eene schrift na het andere tot snippers scheurde en deze op stapeltjes legde. Later hoorde zij van Miss May dat het zulke snippers waren, door menige, menige leerling in "straftijd" vermeerderd, die tot vulling der bedkussens dienen moesten.

Zij begreep dat het haar niets baten zou, al verzette zij zich nog zoo sterk tegen deze wijze van strafgeven en hare machteloosheid drukte haar als een ondragelijke last. Als bij ingeving voelde zij ook dat slechts enkele onderwijzeressen, waaronder Miss May, haar verontwaardiging deelden en wat konden zóó weinigen tegenover zoo velen?

Het mocht echter niet langer zoo blijven, besloot ze vast bij zichzelf; er moest verandering komen en zeer spoedig ook. Zij zou, zoodra ze maar kon, een brief aan de barones von Zercläre schrijven en haar om raad en hulp vragen.

Zoodra ze maar kon ... de gelegenheid tot schrijven deed zich echter niet eerder voor dan den tweeden daarop volgenden Zondag, toen haar eindelijk als een gunst werd toegestaan, een uurtje voor zichzelf te gebruiken. Evenals den vorigen Zondag, had zij 's ochtends een troepje kinderen vergezeld naar de kerk. Heden hadden zij den dienst bijgewoond in de prachtige kathedraal en met hare geheele ziel had zij geluisterd naar een bemoedigende preek over: "Weest in geen ding bezorgd"[5] en naar het schoone koorgezang, dat haar onuitsprekelijk verkwikt had.

In een werkelijk opgewekte stemming kon zij-voor 't eerst na haar komst te Chester,-een brief naar huis schrijven. Tot hiertoe had zij slechts een paar briefkaarten kunnen zenden en een lange brief werd het ook thans niet, omdat haar tijd kostbaar was en zij volstrekt ook nog aan de barones schrijven wilde; toch vertelde zij allerlei over Chester en over de liefde der kinderen, die nu reeds-evenals vroeger Tieka!--een naampje voor haar hadden bedacht en haar "Flinkie" noemden;-over de inrichting der school en de armoede en koude, die er geleden werden, zweeg zij. Waarom zou zij haar moeder en Clärchen met een beschrijving daarvan verontrusten? Er zou toch zeker spoedig verandering in de toestanden op Hill House komen, als de barones von Zercläre maar eerst goed op de hoogte was gebracht en dàn zou het tijd genoeg zijn, haar moeder eens te vertellen, hoe het er hier vroeger had uitgezien.

Zij toonde zich den naam "Flinkie" waardig, terwijl zij den gewichtigen brief aan de barones schreef, want in flinke, veelzeggende taal vertelde zij het voornaamste en vroeg om raad. Toen ze den brief verzonden had, voelde zij zich verlicht; het was heerlijk dat zij nu eindelijk eens iets gedaan had! Ze zou nu moedig het antwoord der barones afwachten en dan ... ja, wat er dan precies gebeuren moest, was haar nog niet recht duidelijk, maar al mocht de barones zich soms koud en onverschillig toonen, dit zou toch indruk op haar maken, hier zou zij wenschen te helpen, daarvan was Hedwig bepaald overtuigd.

Doch het antwoord bleef uit. Er gingen acht, veertien dagen voorbij en nog was er geen brief. Het kostte haar moeite geduldig te blijven. Toch deed zij iederen dag weer haar uiterste best om althans eenige vroolijkheid te brengen in het leven der arme, half-zieke kinderen, die zij onderwijzen moest, zich niet te storen aan de scherpe uitvallen van Miss Rench en hare satellieten en de loomheid te overwinnen, die haar telkens plaagde en een gevolg was van het slechte en weinige voedsel, waarmee zij zich tevreden moest stellen.

Lang voordat het zijn tijd was om te komen, spande zij zich in om het geluid op te vangen, waarmede de post zijn komst aankondigde: het tweemaal herhaald getik, veroorzaakt door het vallen van den zwaren klopper op de voordeur; en als hij dan eindelijk gekomen was en toch weer niet den brief gebracht had, waarnaar zij zoo vurig verlangde, kon zij zich plotseling zoo verlaten voelen, zoo "alleen op de wereld" dat zij zich geweld aan moest doen om hare teleurstelling dapper te dragen. Dan vroeg zij zich soms met bitterheid af, of men haar dan bij de familie von Zercläre geheel vergeten was of niets meer met haar te doen wilde hebben,-want ook van Tieka hoorde zij niets, geen enkel woord.

Eindelijk, bijna drie weken nadat zij haar brief verzonden had, kwam er antwoord in den vorm van een kort, koel briefje der barones. "Het doet mij leed," schreef zij, "dat het u in uw tegenwoordigen werkkring minder goed bevalt en de inrichting der school, volgens uwe meening, te wenschen overlaat. Het komt mij echter voor dat zulk een proeftijd u geen kwaad kan doen, maar integendeel zeer heilzaam voor u kan wezen. Ik zou u dus willen raden, den moed niet te gauw op te geven, maar te blijven waar gij zijt en volharding te toonen. Gaarne zend ik u mijne beste wenschen."

En in een noot onder aan den brief stond nog in haastig schrift: "Tieka heeft mij, vóór haar vertrek, verzocht u te groeten. Zij is reeds geheel gewend op de school, waar het haar uitstekend bevalt. Zij had u nog eens een briefje willen schrijven, maar de dagen voordat zij wegging, waren zóó bezet dat ik het beter voor haar oordeelde, zich niet meer in te spannen dan noodig was. Op haar school is het haar alleen geoorloofd brieven naar huis te schrijven en vandaar te ontvangen."

Dat was alles. Hedwig frommelde het papier ineen en stak het in haar zak, toornig en gegriefd tevens. Toen hief zij het hoofd weer op. Zij moest dus geheel alleen haar weg vinden, zonder hulp? Op die der barones behoefde zij in geen enkel opzicht te rekenen? Tieka mocht haar zelfs niet meer schrijven? Het was hard, maar zij zou zich niet terneer laten slaan, ze zou haar weg vinden....

En het hoofd buigend, voelde zij dat toch één hulp haar altijd bleef, de hulp van Hem, zonder Wiens hulp de sterkste zwak is en op Zijn hulp bleef zij vertrouwen, met Hem zou ze sterk wezen.

Zoo hield zij moed en volhardde, den raad der barones volgend op een wijze, die deze, haars ondanks, zou getroffen hebben, indien zij er getuige van had kunnen zijn. Gemakkelijk was het niet. Maar toen de dagen tot weken werden en de weken tot maanden, toen de felste koude voorbij was en het er zelfs in den armoedigen tuin van Hill House lenteachtig ging uitzien, begon haar taak haar toch minder zwaar te vallen, al had zij het, zooals allen op Hill House, overdruk.

Hare brieven naar huis bleven kort en haastig. Haar moeder was niet gerust en vroeg haar telkens of het haar werkelijk goed ging en of zij hare krachten niet overschatte; dan schreef zij terug dat alles op Hill House niet even prettig was, maar dat zij het goed had met de kinderen en hield van haar werk en ... dat zij stellig hoopte later nog weer eens iets beters te vinden en meer geld naar huis te kunnen sturen. Voorloopig bleef zij echter hier; ze had zich zoo aan de kinderen gehecht!

Op zekeren dag vond zij in een vergeten hoekje van haar koffer een tijdschriftje, waaruit zij eens met Tieka versjes had zitten lezen en haar oog viel op een rijmelarijtje, waarbij ze toen lachend een kruisje had gezet."Oh, don't the days seem lank and long,
When all goes right and nothing goes wrong?
And isn't your life extremely flat
With nothing whatever to grumble at?"[6]

Nù was er zeker genoeg in haar leven to grumble at; toch morde zij niet en deed dapper haar plicht, altijd weer haar eigen leed vergetend om anderen te kunnen troosten en helpen.

In het late voorjaar kwamen er nog een paar heel gure dagen; de zwakke kinderen leden er onder en in een snerpend kouden nacht werd zij wakker door het gekreun van Mary Wren, die hevige kiespijn had.

"O, het spijt me zoo dat ik u wakker heb gemaakt, maar ik kòn mij niet meer inhouden; ik heb zoo'n pijn, zoo'n pijn en ik ben zoo koud!" kermde het arme kind, toen Hedwig bij haar bed kwam. "Maar blijft u toch niet op, dan wordt u zelf ziek; het is zóó koud!"

"Neen, neen," zei Hedwig. "Kijk, ik heb mijn wollen doek al om, ik ben niets koud." Zij haalde de deken van haar bed en wat kleeren en dekte er Mary mee toe. "Dat helpt zeker wel, he? Zoo, laat mij nu die wang eens even wrijven. Neen, ik zal je geen pijn doen; het gaat heel zacht, voel maar. Leg nu je beide handen maar in mijn linkerhand, dan worden zij wat warmer."

En ze streek met de vingertoppen van haar rechterhand voorzichtig over de zieke plek en streelde met haar linker Mary's ijskoude, bevende handen, tot het kind langzamerhand rustiger werd. Eindelijk vielen de oogleden weer toe, de vingers bewogen niet meer en gleden uit Hedwig's handdruk weg en de pijnlijke trek op het bleeke gezichtje verdween. Hedwig bleef nog even naast het ledikant zitten om toen weer te bed te gaan. Zij had nu geen ander dek dan haar wollen doek en een laken en warm was ze dus niet; toch sliep zij nog even in.

Den volgenden ochtend werd ze heesch wakker, maar Mary Wren was beter en zóó dankbaar dat zij zich ruimschoots voor haar moeite beloond achtte.

Het lesgeven ging echter lastig omdat zij telkens haar stem kwijt was en ze was heel blij toen zij zwijgen mocht. Miss May had haar een paar malen deelnemend gevraagd of zij haar werk zou overnemen, maar zij had het hoofd geschud,-Miss May had waarlijk al genoeg te doen.

Toen Taffy haar 's avonds kwam zeggen dat Miss Wells haar wenschte te spreken, zuchtte zij even. De directrice zou haar nu zeker onder handen nemen omdat zij dien dag slecht les had gegeven; alsof zij anders gekund had!

Met het voornemen om de berisping geduldig aan te hooren, ging zij naar haar toe. Tot haar verwondering kwam er echter geen vermaning, maar een verzoek of liever een bevel, dat haar een gewaarwording gaf als ging er opeens weer meer licht komen in haar leven door het uitzicht op een zekere vrijheid, die haar zeer, zeer welkom was. Tot nu toe was het haar namelijk niet geoorloofd geweest, Hill House ooit te verlaten dan op de dagelijksche wandelingen met de leerlingen en Zondags naar de kerk; van alleen uitgaan mocht nooit sprake wezen. Doch nu gebood Miss Wells haar, voortaan iederen Zaterdag een uur privaatles te gaan geven aan een zekere Mrs. Rowley, die in Chester woonde en onderricht in het Duitsch wenschte te ontvangen. Hedwig kon eerst hare ooren niet gelooven. En dat zou zij mogen doen, zij, die alles behalve een gunstelinge van Miss Wells was en steeds door Miss Rench met Argusoogen werd bespied! Zij zou iederen Zaterdag geheel alleen een wandeling mogen maken naar de stad en daar privaatles gaan geven! Zij vond het heerlijk en liet hare blijdschap duidelijk op haar gezicht lezen.

Miss Wells was echter totaal ongevoelig voor die blijdschap en vervolgde met hare scherpe stem:

"Dat zal dus iederen Zaterdag moeten gebeuren en wel geregeld om drie uur in den middag. Reeds aanstaanden Zaterdag zal met de lessen moeten worden begonnen. Natuurlijk eisch ik van u de stellige belofte dat nooit door u aan Mrs. Rowley iets, ook maar iets, herhaal ik, zal worden meegedeeld van wat op Hill House voorvalt. Indien ik daarop geen staat kan maken...."

Zoo goed als haar heeschheid het toeliet, viel Hedwig roepend in:

"Ik zal nooit over het minste of geringste, dat op Hill House betrekking heeft, spreken." Zij had groote neiging eraan toe te voegen: "Zoo'n aangenaam onderwerp is het niet," maar zij hield die woorden wijselijk in.

Zij stond op om heen te gaan, doch er brandde haar nog een vraag op de lippen en snel vroeg ze:

"En wat zal ik met die lessen verdienen?"

Miss Wells zag haar dom aan.

"Ik versta u niet," zei ze knorrig. "Spreek toch duidelijker. Het is of ik een poes hoor miauwen, als u spreekt."

Zich sterk inspannend om hare stem krachtiger te maken, herhaalde Hedwig roepend haar vraag.

"Ermee verdienen?" riep de directrice van Hill House driftig uit. "U? Maar hoe komt u aan zulken onzin? Natuurlijk komt het geld van die lessen mij toe! Ik heb recht op al uw tijd."

Hedwig hield de lippen stijf op elkaar geklemd om niets terug te zeggen. Tot geen prijs wilde zij zich de wekelijksche afwisseling in haar somber, eentonig leven ontnomen zien en daarom zweeg zij, hoewel zij zich zeer verongelijkt voelde. Zij knikte even, ten bewijze dat zij zich ook aan deze voorwaarde onderwerpen wilde, toen ging zij heen.

Tot haar groote vreugde werd het weer een paar dagen later zachter en scheen Zaterdags de zon. Zij had haar stem bijna weer terug en verheugde zich als een kind op haar uitgang. Met zenuwachtige haast kleedde zij zich, toen het tijd werd om te gaan en toen de deur van Hill House achter haar dichtviel, was het haar haast alsof zij een vrijgelaten gevangene was!

Ze moest heel flink aanstappen, want Miss Wells had haar precies een half uur gegund om naar het huis van Mrs. Rowley toe te loopen; toch genoot zij hare wandeling, die door een mooi, interessant gedeelte van het oude Chester liep. Een oogenblik bleef zij staan voor een bizonder fraai gebouwd huis met paneelen vol keurig beeldhouwwerk in hout. In den gevel stond gebeiteld: "God's Providence is mine Inheritance."[7] Ze herhaalde de woorden zacht bij zichzelf, zich afvragend wat zij zouden moeten beteekenen en zij keek bewonderend op naar het in 't oog vallend schilderachtige huis, toen zij een hand op haar schouder voelde en, zich omkeerend, het vriendelijke gezicht zag van een dame met grijzend haar en levendige, bruine oogen, die haar onderzoekend aankeken.

"Neem mij niet kwalijk, maar u moet Fräulein Eiche zijn!"

"Ja," zei Hedwig, wat onthutst door de onverwachte ontmoeting.

"Ik dacht het wel! Ik kon terstond aan uw gezicht zien dat gij geen Engelsche waart en ik had er een voorgevoel van dat gij Fräulein Eiche wezen moest. Ik ben Mrs. Rowley, uwe aanstaande leerling. Zullen wij samen naar mijn huis wandelen?"

[God's Providence-House, Chester.]

"Heel graag," zei Hedwig opgewekt. Mrs. Rowley maakte een aangenamen indruk op haar.

"Aardig dat ik u juist verdiept vond in de aanschouwing van ons Providence house," zei Mrs. Rowley, terwijl zij verder gingen, "het is een van de allermooiste huizen in Chester uit de zeventiende eeuw. Men heeft zich verdiept in gissingen wat met het opschrift precies bedoeld kon zijn; waarschijnlijk is het de vrome uiting van een Puriteinsch hart en ik voor mij neem gaarne aan dat deze Puritein, naar verteld wordt, de spreuk op zijn gevel liet zetten om God te danken dat hij bevrijd bleef van de pest.-Eigenlijk moest ik u nu al deze bizonderheden in het Duitsch vertellen, maar ... dan zou ik er wel heel lang werk mee hebben. Ik wil echter graag een ijverige leerling zijn, dat beloof ik u; ik verlang ernaar om goed Duitsch te leeren spreken, want ik heb niets meer op de wereld dan twee Duitsche neefjes, die soms bij mij komen logeeren. Mijn man is dood en kinderen heb ik helaas nooit gehad, maar ... hier zijn wij bij mijn huis-ik houd mij aan den tekst, die in den gevel staat; geheel verlaten voelt men zich dan nooit. Dat gelooft gij toch ook?"

Hedwig keek op naar het aardige zwart-en-witte huis met het opschrift: The Fear of the Lord is a Fountain of Life.[8] Zij knikte. O ja, dat geloofde zij ook.

Toen zij Mrs. Rowley naar binnen gevolgd was en weldra in een vroolijke kamer stond met een boograam met uitzicht in den tuin, waar de voorjaarsviooltjes weelderig bloeiden en een gemakkelijke, rieten stoel voor haar aan de tafel werd geschoven naast het helder brandend vuur, scheen het haar toe, dat zij in een paleis was gekomen! Was werkelijk de wereld buiten Hill House altijd zóó mooi en zoo heerlijk en zoo liefelijk geweest? Zij keek om zich heen in de prettige kamer, terwijl Mrs. Rowley haar goed afdeed en zij moest eens even diep adem halen. Wat zag alles er hier netjes en echt comfortable uit!

Hoe goed gekozen waren de fijne etsen aan den muur en hoe aardig stonden op de kleine schrijftafel bij het boogvenster de vele kinderportretjes, die haar aan Tieka's verzameling deden denken en o, wat was het heerlijk weer eens op een stoel te zitten! Zij moest er zelf om lachen dat zij dit zoo'n genot vond.

Toen Mrs. Rowley weer binnenkwam met boeken voor de Duitsche les, werd zij gevolgd door het keurige dienstmeisje, ook door Hedwig met bewondering aanschouwd,-dat allerlei benoodigdheden binnenbracht voor de afternoon-tea. Hedwig moest zich geweld aandoen om niet al te gretig te kijken naar de geurige thee, de smakelijke cake, de marmelade en de sneedjes brood met boter, die zoo maar, alsof het zoo niets was, voor haar neer werden gezet. Mrs. Rowley moest eens weten hoe zij verlangde om maar dadelijk aan het eten en drinken te gaan!

Ze wendde haar gezicht naar het vuur toe-ze kòn haast niet langer naar al die heerlijkheden kijken, zonder er iets van te nemen; ze had zóó'n trek en dat mocht Mrs. Rowley toch niet bemerken!

Maar hoewel haar gastvrouw niets zeide en niets vroeg, scheen zij toch wel te begrijpen dat Hedwig lust moest hebben iets te gebruiken.

"We zullen ons eerst maar eens verkwikken, voordat wij aan 't werk gaan, vindt u niet?" zei ze, de thee inschenkend. "Ik heb trek na mijn wandeling. U moet er u dus maar niet over verbazen als ik veel eet en ik hoop dat u mijn voorbeeld zult volgen."

Hedwig wilde niets liever. Had zij ooit zulke lekkere thee geproefd en werd er wel ergens in de wereld zulke verrukkelijke boter gebruikt? Als zij Mary Wren eens naast zich had gehad en Taffy, wat zouden die gesmuld hebben!

Het lesgeven ging later als van een leien dakje. Mrs. Rowley wist veel meer van het Duitsch af dan Hedwig had vermoed en zij lazen en praatten en lachten zoo genoegelijk dat de tijd om was voordat zij het wisten.

"Dat is echt prettig geweest," zei Mrs. Rowley vriendelijk, toen Hedwig zich gereed maakte om weer heen te gaan. "Ik geloof dat ik veel van u leeren zal."

"Ik vind het heerlijk om de volgende week terug te mogen komen," zei Hedwig en met een vroolijk knikje nam zij afscheid.

Haast op een drafje liep zij terug, want ze wist dat zij weinig tijd had. Toch ging ze nog even een kruidenierswinkel in. Veel geld had ze niet, maar ze slaagde er toch in voor ieder der elf leerlingetjes, die bij haar op de kamer sliepen, een groote biscuit te koopen en met stralende oogen nam zij den zak aan en ging verder. Als het haar nu van avond maar gelukte zonder dat het ontdekt werd, een biscuit onder ieder kussen te leggen!

Maar het moest gelukken. Zij was na het uurtje bij Mrs. Rowley in een overmoedige stemming geraakt en heel vlug liep zij verder, uitermate blij gestemd in het vooruitzicht van de verrassing, die zij "haar kinderen" zou bereiden. Hoe graag zou zij al de arme stakkertjes op Hill House eens flink getrakteerd hebben,-als het maar in haar macht gelegen had!

Mrs. Rowley had haar een korteren weg terug aangeduid en zij kwam nu door een gedeelte van Chester, dat haar nog geheel nieuw was. In haar vaart nauwelijks oplettend waar ze ging, liep zij pardoes tegen een stoeren politieagent aan. Hij kwam juist een steenen trap af, die naar de muren van Chester leidde. "Beg pardon," riep ze verschrikt en de man glimlachte en zei, naar de trap wijzend: "Moet ge hier uw geluk niet eens beproeven, jonge dame?"

"Mijn geluk?" vroeg Hedwig verbaasd. "Waarom?"

"Waarom? Wel, het is u toch zeker bekend dat dit de Wishing steps zijn? Wie tweemaal deze steenen treden op en af loopt zonder adem te scheppen, mag een wensch doen, die stellig in vervulling komt."

"O!" Hedwig had wat ongeduldig geluisterd in het besef dat zij zich haasten moest om op tijd thuis te komen, maar gauw even die trap op en neer loopen, nam zoo'n tijd niet! Zij wou het voor de aardigheid probeeren en dan een wensch doen, die heusch vervuld zou worden?! Wacht, dan zou ze innig verlangen dat de kinderen haar biscuits ongestoord zouden mogen genieten, zonder eenige kans op ontdekking van de zijde van Miss Rench of wie dan ook.

De agent was doorgeloopen. Snel, zoo gauw als zij maar kon, liep zij de steenen treden tweemaal op en af en deed haar wensch met een lachend gezicht.

En ... de wensch werd zoowaar vervuld ook! Met groote handigheid wist zij 's avonds onder elk der elf kussens een biscuit te verstoppen en niet alleen dien avond, maar geregeld iederen Zaterdag, als ze bij Mrs. Rowley geweest was en bij een of anderen kruidenier haar inkoop had gedaan. In den bakkerswinkel, vrij dicht bij Hill House, waar zij den eersten dag van haar komst te Chester was geweest, kwam zij niet weer, uit vrees voor ontdekking en ook uit een zeker soort schaamte, waarvan zij zich geen rekenschap zou hebben kunnen geven.

De dankbaarheid der kinderen, die er merkwaardig gauw van op de hoogte waren-zij hadden de chocolade nog niet vergeten!--dat er iets onder haar kussen verborgen lag, toonde zich op eigenaardige, stille wijze. Niemand durfde ooit ook maar iets over de biscuits zeggen, die geregeld den volgenden ochtend verdwenen waren, maar soms keek er eens een Hedwig met een geheimzinnig lachje aan, terwijl allen haar met nog grooter geestdrift en wanneer zij maar durfden, "Flinkie" bleven noemen. Nooit echter werd over de gewichtige biscuits-zaak één woord gerept en ook nooit werd zij, tot Hedwig's zeer groote vreugde, ontdekt. Als Zaterdagsavonds alles donker was op de slaapkamer en zij soms een heel zacht geknabbel hoorde, klonk haar dit als muziek in de ooren!

De wekelijksche bezoeken aan Mrs. Rowley, haar eenige uitgang in al den tijd, dien zij op Hill House vertoefde, werden ware glanspunten in haar bestaan, waarnaar zij de geheele week door reikhalzend uitzag. En geen wonder! Mrs. Rowley toonde zich niet alleen een prettige leerling, maar ook een belangstellende vriendin, die zonder ooit over Hill House en Hedwig's leven aldaar te spreken, toch door de hartelijke, gastvrije wijze, waarop zij Hedwig steeds ontving, toonde wèl te begrijpen dat onderwijzeres en huisgenoote wezen van Miss Wells lang geen benijdbaar baantje was! Zij liet Hedwig vertellen van haar land en van haar thuis, gaf haar raad omtrent haar toekomst en hielp haar zoo op een kiesche wijze, die Hedwig zeer trof.

Intusschen begon haar taak haar niet lichter te vallen, al scheen het haar leerlingen toe dat "Flinkie" nauwelijks zorgen kende, zoo moedig met een vriendelijk woord of een grapje voor ieder kind, niet het minst voor de arme Taffy, ging zij haar gang. Of dat soms moeite kostte? Moeite ook om te midden van zooveel onrecht en zooveel lijden vast te houden aan het geloof dat God toch nabij was, toch hielp, haar toch trouw ter zijde stond?

Het kostte moeite, maar het vast vertrouwen in den hemelschen Vader, die, door alle duisternis heen, leiden zou tot het licht, bleef hecht in haar ziel. Ook haar oude energie begaf haar niet. Miss May, nagenoeg de eenige onderwijzeres met wie zij op eenigszins vertrouwelijken voet stond, benijdde haar die, benijdde haar ook de frissche vroolijkheid en humor, die haar zelfs op het sombere Hill House niet in den steek lieten. Gelukkig dat er soms werkelijk een en ander voorviel, dat een uitbarsting van algemeene vroolijkheid veroorzaakte en de meisjes in de handen deed klappen en luid lachen van pret,-maar dit was heel, heel zelden! De arme kinderen waren er lang niet gezond, niet gelukkig genoeg toe.

Het was echter op een zonnigen Septemberdag dat zulk een voorval werkelijk plaats had, juist toen enkele onderwijzeressen, waaronder ook Hedwig, thuis kwamen van een middagwandeling langs de schilderachtige rivier de Dee, waarop plezierbootjes en zeilschepen tot een frisch watertochtje schenen uit te noodigen. Hedwig had verlangend naar het heldere water gekeken en toen medelijdend naar de kinderen, die vermoeid waren van de hitte en zich loom voortsleepten. Maar toen zij Hill House naderden, kwam er levendigheid in het stille troepje en Mary Wren, die vóór Hedwig liep, keerde zich om en riep uit: "O Flinkie, Flinkie, kijk Peter eens! O, de pony is dol geworden! Kijk! Kijk!"

En waarlijk, Peter was losgebroken! Niettegenstaande de magerte, door slecht voedsel ontstaan, had hij kracht genoeg gevoeld om de deur van zijn schuur open te stooten en met één sprong naar buiten te komen. Nu schopte en sloeg hij uit alle macht met de pooten, schudde den kop onophoudelijk heen en weer en gedroeg zich zoo weinig als een gehoorzame pony betaamt, dat de onderwijzeres, die met de zorg voor hem belast was, zich geen raad wist en niet anders doen kon dan hem op wanhopigen toon bij zijn naam te roepen en tot stilte te vermanen.

Peter bleef echter doof voor alle vermaningen en schopte door met een woede en een ijver, een betere zaak waardig. Het zand stoof omhoog! Het was een heel dwaas gezicht en de kinderen, gesteund door de onderwijzeressen, schaterden het uit. Zelfs Miss Rench, de zure, kon het lachen niet laten en de algemeene vroolijkheid was zoo aanstekelijk dat Peter er nog doller door werd en met vervaarlijke sprongen begon te huppelen, precies als wou hij op zijn achterste pooten gaan staan.

Misschien zou hij nog meer streken uitgehaald hebben, als niet juist op het kritieke oogenblik Miss Wells naar buiten was gekomen om te zien wat er toch gaande was. Zij scheen de zaak volstrekt niet belachelijk te vinden, schudde ongeduldig het hoofd en riep toen zeer luid en driftig met haar krakende stem: "Ga naar binnen Peter, dadelijk in je schuur!"

Peter stak de ooren op bij het geluid van de gebiedende stem, die hij zoo goed kende, zette, onmiddellijk gehoorzamend, zijne vier pooten op den grond en ... ging gedwee zijn stal weer in.


HOOFDSTUK VIII.

Uitkomst.

Toen de herfst voorbij was en de winter weer kwam met de donkere, koude dagen, waarin alle ontberingen dubbel werden gevoeld, scheen het Hedwig soms toe dat de tijd voortkroop en één maand op Hill House driemaal zoo lang duurde als thuis of in Edinburg. Gelukkig viel er dezen winter niet veel sneeuw, waren de wegen meer begaanbaar dan het vorige jaar en bleven de kinderen dus ook gezonder, maar met overgroote vreugde werd toch door allen de lente begroet, hoewel zij menigen guren, stormachtigen dag met zich bracht.

Het was op een heel regenachtigen Zondag in Mei dat de directrice van Hill House in de kerk niet alleen-zooals geregeld het geval was-in haar bank in slaap viel, maar ook tegen het eind van den dienst, zóó luid begon adem te halen en eindelijk te snorken dat de kerkbezoekers elkaar aanstootten en met verontwaardigde gezichten omkeken. Enkele stoutmoedige leerlingen trapten elkaar op den voet, andere hielden den zakdoek voor het gezicht om haar lachen te bedwingen-allen vonden het, kinderen als zij waren, prettig dat er eens "iets ongewoons" gebeurde.

Miss Rench, die naast Miss Wells zat, wist haar echter, door haar op handige wijze zacht in den arm te knijpen, in zoo verre wakker te krijgen dat zij ongeduldig haar arm wegtrok en "don't" fluisterde. Het snorken hield op en maakte plaats voor een minder hoorbare, geregelde ademhaling, maar toen de dienst afgeloopen was, sliep de directrice weer zoo vast, als lag zij in haar gemakkelijk veeren bed-het eenigste van die soort dat zich daar bevond!--op Hill House.

Er werd nu besloten dat Hedwig en Miss May met de andere onderwijzeressen en de kinderen naar Hill House terug zouden gaan, terwijl Miss Rench en Miss Ellis, de huishoudster, bij de directrice zouden blijven en later met haar thuis komen.

Intusschen was de stortregen in een druilerigen motregen overgegaan. Hedwig huiverde onwillekeurig en vond, toen zij Hill House naderden, dat het er somberder uitzag dan ooit, maar de kinderen waren levendig en vol nieuwsgierigheid wat Miss Wells toch schelen mocht. Misschien was zij wel ziek en misschien kreeg de school nu wel een heele week vacantie en misschien mochten zij dan wel eens een langen dag met "Flinkie" uit, hoopten sommigen, doch deze hoop bleek gansch ijdel te wezen.

Wel voelde Miss Wells zich, toen zij thuis kwam, "werkelijk ongesteld", zooals ze klagend tot Miss Rench zeide en wel bleef zij daarom een dag of vier te bed en liet zich door Miss Ellis ter dege bedienen, maar van vacantie voor de leerlingen of een extra-uitgangetje kwam niets in; de kinderen moesten in tegendeel bizonder hard werken. Want de directrice had het bestuur overgedragen aan Miss Rench, die, haar macht genietend, met ijzeren hand het bewind voerde en zooveel ze maar kon, straffen uitdeelde. Bovendien was het voedsel nog slechter en onsmakelijker dan anders en kreeg men nòg minder te eten. Hedwig vond het schandelijk en had Zaterdags bij Mrs. Rowley groote moeite de belofte om over Hill House te zwijgen, niet te verbreken. Zij had er 's ochtends met Miss May over gesproken dat het zóó niet langer ging, dat er verandering komen moest en Miss May had met een heftigheid, die zij anders zelden toonde, ook gezegd dat het niet meer uit te houden was; de kinderen schreiden haast van honger!

Hedwig dacht aan dit gesprek, toen zij van haar les naar Hill House terug liep. Mrs. Rowley had haar weer zeer vriendelijk ontvangen. Er stond, bij haar komst, een kop krachtige, warme bouillon voor haar klaar, "omdat het zulk erg nat weer was," en later hadden zij thee gedronken en prettig gebabbeld en gelezen. Toch voelde Hedwig zich niet opgewekt gestemd, toen het uur om was.

Want sterk leed zij heden weer onder het bewustzijn van haar onmacht om verbetering te brengen in de toestanden op de school. Had deze maar onder toezicht gestaan van een commissie, dan zou zij die haar nood hebben kunnen klagen, maar Miss Wells had alles te zeggen, was oppermachtig en-wat nog erger was, had het thans Miss Rench gemaakt!

Er moest en zou verandering komen, herhaalde Hedwig vurig bij zichzelf-het mocht zoo niet langer blijven; ze kon ook niet langer zwijgen tegenover Mrs. Rowley en het was haar plicht tegen Miss Wells te zeggen dat zij dat niet langer kon....

Driftig liet zij den klopper vallen op de voordeur, die tot haar verwondering, bijna terstond daarop door Taffy geopend werd. Zij zag er doodsbleek en ontdaan uit. Hedwig ontstelde van de uitdrukking van haar gezicht. "Wat is er? Wat scheelt eraan?" vroeg zij snel.

"Ik heb hier op u gewacht; er is iets vreeselijks gebeurd met Miss May," zei Taffy, in tranen uitbarstend. "En Miss Wells is opgestaan, dadelijk opgestaan, die is heelemaal weer beter."

Het verband tusschen de eerste en de laatste mededeeling was zeker niet heel duidelijk, maar Hedwig was te zeer in spanning om daarop te letten.

"Maar wat is er dan gebeurd?" vroeg zij dringend, terwijl zij Taffy door de lange gang volgde.

"Miss May wou wat brood voor ons krijgen uit de provisiekast; wij hadden allemaal zoo'n honger," snikte Taffy, "en toen ... toen...."

Ach, die arme Miss May! Ja, nu kon Hedwig wel gissen wat er voorgevallen moest zijn. Miss May had zeker, begaan met het lot der half verhongerde kinderen, geheel op eigen gezag, brood voor hen willen gaan halen, wat natuurlijk beslist tegen "de wetten van het huis" was. Ongetwijfeld was Miss Rench er terstond achter gekomen en werd Miss May nu streng onder handen genomen.

Toen Hedwig de groote schoolkamer inging, zag zij een tooneel voor zich, dat haar haar leven lang in herinnering zou blijven.

Bij het raam, een eind van de kinderen af, stond doodstil, met de handen gevouwen neerhangend, Miss May. Zij luisterde geduldig naar den vloed van woorden, over haar uitgestort door Miss Rench, die zich op een kleine, houten verhevenheid bevond, vlak voor de banken, waarin de kinderen zaten. Miss Wells, blijkbaar hersteld van haar ziekte, stond naast haar en knikte telkens met het hoofd als bewijs van goedkeuring over de woorden, door haar "spion" uitgesproken.

Hedwig, die eerst bij de deur was blijven staan, liep nu met een fiere houding, "echt Flinkie-achtig" vonden de kinderen, naar Miss May toe en week niet van hare zijde, een handelwijze, waarvoor Miss Rench niets over had dan een minachtend schouderophalen. Met een zeer luide stem, opdat de doove directrice toch geen enkel kostbaar woord zou missen en met haar vinger steeds uitgestrekt naar Miss May, vervolgde zij, zich tot de kinderen wendend, die erg bedrukt keken:

"En nu zegt zij wel dat zij het brood heeft willen stelen-stelen, herhaal ik, want wat was het anders?-om er u allen wat van te kunnen geven, maar zoo iets kan men gemakkelijk zeggen, als men op heeterdaad betrapt wordt, niet waar? Want waarom zou iemand ook niet even goed liegen als stelen? Liegen is immers nog wel zoo gemakkelijk; dat is hier al weer gebleken. Het is om te lachen! Ja, lacht haar maar uit, zooals zij daar staat met haar schijnheilig gezicht.... Maar als Miss May, die altijd beweerd heeft uwe vriendin te willen zijn, weer wil stelen, zal zij handiger te werk moeten gaan. Hier op Hill House zal haar daartoe de gelegenheid niet meer worden gegeven. Onze waardige directrice...."

"Ja, natuurlijk hebt gij uw ontslag, Miss May," viel de "waardige directrice" snel in. "Gij kunt nog heden vertrekken en anders morgen."

Miss May hief het hoofd op. "Ik ga vandaag," zei ze bedaard.

Er waren er onder de kinderen, die zacht begonnen te snikken en niettegenstaande het geroep van Miss Rench: "Ieder, die het waagt te schreien, wordt streng gestraft," hielden de tranen niet op te vloeien.

Maar Hedwig, "Flinkie," was veel te vertoornd om tranen te kunnen storten. Met een moedig gebaar legde zij de hand op Miss May's schouder en riep uit:

"En ik zeg dat het schande is!"

"Wàt?" Miss Wells, die op het punt stond het vertrek weer te verlaten, keerde zich driftig om. "Wat?"

"Ik zeg dat het schande is, groote schande!" herhaalde Hedwig, buiten zichzelf van verontwaardiging. "En als Miss May weggaat, op zoo onrechtvaardige wijze wordt weggestuurd, dan...."

"Geen woord meer!" riep nu de directrice uit en de aderen op haar voorhoofd zwollen van drift. "Ik verkies uwe meening niet te kennen."

"Maar ik wil mijn meening zeggen!" zei Hedwig, in haar gloeiende ergernis haar eigenbelang totaal vergetend en niet luisterend naar het waarschuwende: "Stil, stil toch!" van Miss May. "Ik wil niet zwijgen!"

In de oogen der meisjes, niet het minst in die van Taffy en Mary Wren, blonk bewondering voor zooveel moed.

"En toch zult gij het! Ik wil geen woord meer hooren, niets meer, begrepen?" gilde Miss Wells meer dan dat zij sprak, terwijl zij voor Hedwig staan ging en haar vlak in 't gezicht zag. "En ook u wil ik hier op Hill House niet houden. Gij vertrekt beiden op staanden voet. Pakt uwe koffers en verdwijnt."

"Gaarne," zei Hedwig beleefd, maar nu begonnen de kinderen, geheel buiten zichzelven van droefheid, zoo wanhopig te snikken dat haar het hart week werd.

"Stilte!" gebood Miss Rench. "Terstond!"

Doch de kinderen snikten voort, zoo diep verslagen dat Hedwig noch Miss May het langer aan konden hooren en de schoolkamer verlieten.

Een uur later had de zware voordeur van Hill House zich voor goed achter haar gesloten. Afscheid van de kinderen hadden zij niet meer mogen nemen. De koffers werden voorop het wagentje gezet, dat met den mageren Peter ervoor en zijne verzorgster erin, gereed stond haar weg te brengen en weldra ging het den heuvel af en naar het station toe.

Hier nam Miss May afscheid van Hedwig om met den trein te vertrekken naar het kleine dorp, waar haar moeder woonde, voor wie zij gedeeltelijk den kost moest verdienen.

Hedwig liet zich naar Mrs. Rowley brengen. Haar wilde zij om raad en hulp vragen en om logies, althans voor een paar nachten; dan zou zij zien wat haar verder te doen stond. Haar hoofd gloeide en zij voelde zich wonderlijk gestemd, juist alsof alles wat zij zooeven doorgemaakt had, een benauwde droom was geweest. Vergiste zij zich niet? Zou zij werkelijk nooit op Hill House terug komen en nooit meer iets kunnen doen voor die arme kinderen?

Peter's verzorgster nam voor het huis van Mrs. Rowley op zeer koele wijze afscheid van haar, nadat de groote, Duitsche koffer met moeite door Hedwig en het dienstmeisje in de gang was neergezet. Met een kloppend hart liet zij zich nu door het meisje aandienen en weldra stond zij voor de verbaasde Mrs. Rowley, die juist verdiept was in een brief, dien zij in de hand hield.

Terstond vertelde Hedwig alles precies zooals het gebeurd was, zich thans voor goed ontslagen rekenend van de belofte om over Hill House te zwijgen en Mrs. Rowley luisterde met een zeer ernstig gezicht. Nog steeds hield zij den brief in de hand en een paar malen keek zij er even in, ook terwijl Hedwig nog sprak; toen deze zweeg, zei ze:

"Dat is een heel, heel droevige geschiedenis; het is dus op Hill House nog erger gesteld dan ik vermoedde. Natuurlijk begrijp ik dat gij niet anders hebt kunnen handelen en ik ben heel blij dat gij dadelijk bij mij gekomen zijt, vooral omdat.... Maar eerst moet ik u eens vragen: Hebt gij er nog niets van gehoord dat er kans bestaat dat de school op Hill House opgeheven wordt?"

Hedwig keek zeer verbaasd op. Neen, daarvan wist zij in 't geheel niets af!

"Ik had er juist dezer dagen eens met u over willen spreken, maar dacht dat het beter was nog even te wachten," vervolgde Mrs. Rowley. "Niet alleen ik, nog vele andere menschen hier in Chester weten wel of vermoeden, hoe de zaken op de school staan. Nu zijn er maatregelen genomen om Miss Wells te doen besluiten, haar betrekking neer te leggen en wij hopen beslist dat zij hiertoe wel zal overgaan, zoo niet tegen de groote vacantie, dan toch met Kerstmis. De kinderen zullen naar betere scholen gezonden worden, als er eerst met hunne betrekkingen is onderhandeld en de onderwijzeressen zullen een anderen werkkring moeten zoeken."

Hedwig sloeg de handen in elkaar. "Ik ben er heel, heel blij om," zei ze uit den grond van haar hart. "Maar als ik het geweten had...."

"Als gij het geweten hadt, zoudt ge wellicht tot het eind gebleven zijn, denkt gij?" vroeg Mrs. Rowley. "Toch is het goed dat dat niet gebeurd is, want ik geloof dat ik reeds nu een andere betrekking voor u weet."

"Een andere betrekking? Gunst!" Hedwig sprong op van haar stoel.

"Ja, maar voordat ik u daarvan iets naders vertel, moeten eerst die hoed en mantel eens afgedaan worden en wij het ons eens wat gemakkelijk maken. Ga in dezen lagen stoel zitten, dan zeg ik even aan Anna dat zij de logeerkamer voor u in orde brengt. Ik reken erop dat gij een weekje bij mij blijft om dan misschien tegen Juni...."

Zij zweeg en ging lachend om Hedwig's nieuwsgierig gezicht, de kamer uit.

In groote spanning bleef Hedwig achter. Wat, wat kon het zijn? Waar zou zij misschien tegen Juni heen kunnen gaan? Ze vouwde de handen achter het hoofd samen en leunde achterover in haar stoel, innig het gevoel van rust genietend, dat zij voor 't oogenblik althans, in veilige haven was aangeland. En ze was blij, zoo blij dat Mary Wren en Taffy en al de andere verhongerde leerlingen van Hill House het beter zouden gaan krijgen. Maar o, hoe vurig verlangde zij te hooren van die nieuwe betrekking....

Eerst later, toen zij aan het smakelijk avondeten zaten, bracht Mrs. Rowley haar op de hoogte. Zij had een brief gekregen van een vriendin, die toevallig door kennissen gehoord had van een rijke, Protestantsche, Iersche familie, die een Duitsche of Fransche gouvernante zocht. Muziek moest ook onderwezen worden. Of Mrs. Rowley misschien ook iemand kende, geschikt voor zulk een betrekking en zoo ja, of zij er dan spoedig werk van maken wilde, want Mrs. Balvourneen zou gaarne hebben dat de nieuwe gouvernante zoo spoedig mogelijk, liefst reeds met Juni, kwam; de kinderen-er waren er vier, drie meisjes en een jongetje-waren al veel te lang zonder geweest.

Mrs. Rowley's vriendin wist niet veel van de betrekking af, wel had zij gehoord dat men het op het kasteel Balvourneen, wat voeding, enz. betrof, heel goed had. Zij geloofde dat een van de kinderen wat lastig was en dat Mr. en Mrs. Balvourneen zich nogal "voelden". Het salaris was vrij groot; voor iemand, die goede getuigschriften kon overleggen, veertig pond. Het kasteel lag in het zuiden van Ierland tusschen Glengariff en Killarney, meer in de buurt van Glengariff; het moest er prachtig mooi wezen.

"O, daar zou ik heel graag naar toe gaan, heel graag!" riep Hedwig levendig uit. "Zou ik dan maar niet dadelijk schrijven? Anders is een ander mij misschien voor. "Het kasteel Balvourneen," wat klinkt dat mooi, he? En het is ook een mooi salaris; prachtig! En nu kan het getuigschrift van de barones von Zercläre mij uitstekend van dienst zijn! Ik moet maar dadelijk schrijven...."

"Neen, neen," zei Mrs. Rowley, de hand op haar schouder leggend. "Weet je wát je dadelijk doen moet? Naar bed gaan en eens flink uitslapen. Je ziet er juist uit alsof dat hoog noodig is! Dan schrijf ik aan Mrs. Balvourneen."

"Is dat werkelijk niet te veel moeite?"

"Het is verschrikkelijk veel moeite, maar je moest het mij nu toch maar opdragen. Ik beloof je dat ik den brief nog van avond naar de post zal laten brengen."

In een opwelling van groote dankbaarheid, greep Hedwig de hand van haar gastvrouw en drukte er een kus op. Mrs. Rowley glimlachte. "Ik kan gerust schrijven dat je een echt Duitsch meisje bent," zei ze.

De brief werd terstond geschreven en verzonden. Den volgenden dag echter lag Hedwig met koorts te bed, zoodat zij haar voornemen om op het wandeluur der school even in de buurt van Hill House rond te gaan loopen, niet ten uitvoer kon brengen. Mrs. Rowley hield haar een paar dagen thuis en verzorgde haar op moederlijke wijze. En toen er gunstig antwoord uit Ierland kwam en men schreef dat "Fräulein" of "Mademoiselle" maar zoo gauw mogelijk moest komen, had Hedwig nog zooveel in orde te brengen en te naaien dat er slechts van een haastig loopje naar Hill House sprake kon zijn. Zij ging tegen den avond en toen zij den heuvel beklom, zag het huis er bizonder kaal en somber uit. Niemand vertoonde zich buiten, geen geluid werd gehoord, alles was als uitgestorven en met een verlicht hart bedacht zij, hoe goed het wezen zou als binnen niet te langen tijd het huis werkelijk geen bewoners meer had en de beruchte school van Miss Wells tot het verledene zou behooren!

Zij had een langen brief naar huis geschreven en ook nog geld gezonden, hoewel haar garderobe noodzakelijk vermeerderd moest worden. Mrs. Rowley wist haar echter over te halen eenig geld van haar aan te nemen, terwijl Mrs. Balvourneen haar het benoodigde zond voor den overtocht naar Ierland. Zij voelde zich dan ook heel rijk, toen ze haar grooten koffer weer had gepakt en reisvaardig was.

Het was een vrij lange reis, die zij nu te maken had. Ze moest met den nachttrein uit Chester vertrekken, bij Holyhead de boot naar Ierland nemen en dan den volgenden ochtend ongeveer vijf uur te Kingstown landen. Daar zou zij een trein vinden naar Killarney, waar ze 's avonds om half zes zou kunnen zijn. Mrs. Balvourneen had haar geschreven hoe zij reizen moest en ook dat zij niet verder moest gaan dan Killarney, omdat Mr. Balvourneen juist dien dag daar in de buurt wezen moest en haar dan meteen met het rijtuig af zou kunnen halen en met haar naar het kasteel rijden.

"Dan kun je dadelijk goed met Mr. Balvourneen kennis maken," zei Mrs. Rowley, "want dat zal zeker wel een rit van eenige uren wezen! Het is zóó mooi in die streken; ik ben er eens geweest en zou nu haast wel met je mee willen."

Hedwig glimlachte. Het zou wel een geheel andere ontvangst wezen dan op Hill House, dacht zij.

Mrs. Rowley stond er op haar, niettegenstaande het late uur, naar het station te brengen. Zij zelf zou weldra voor geruimen tijd naar Duitschland vertrekken en toen zij bij den coupé afscheid nam, beloofde zij Hedwig voor de zooveelste maal dat zij haar moeder en Clärchen op zou gaan zoeken, als dit maar eenigszins mogelijk was. Een laatste handdruk, nog een hartelijke zegenwensch en-weg reed de trein.

De maan scheen vrij helder en de overtocht zou wel kalm wezen, had Mrs. Rowley gezegd. Hedwig vond het een genot al spoedig de frissche zeelucht door het open raampje naar binnen te voelen komen. Zij stak het hoofd naar buiten om iets althans te kunnen zien van de schoonheden van Noordelijk Wales, waardoor zij thans heenstoomde, maar de trein reed snel door de liefelijke streek heen en bovendien was er een kring om de maan gekomen en kon zij bij het zwakke licht niet veel onderscheiden.

De haven van Holyhead, schitterend in elektrisch licht, maakte des te meer indruk op haar en toen zij-het was nu twee uur in den nacht-naar de boot toeliep, kwam het prettige, oude, energieke gevoel weer over haar, dat zij op Hill House soms verloren had gewaand.

Er waren nog zeer vele andere passagiers en zij besloot dus maar op het dek te blijven en niet te bed te gaan; zij zou het zeker boven beter hebben dan beneden in de overvolle dameskajuit. Zij vond een stoel en een beschut plaatsje tegen de leuning der trap en zij genoot de mooie afvaart en later het gezicht op den fraaien vuurtoren, die, vanaf de reusachtige rotsblokken van den South Stack Rock, bundels lichtstralen strooit over de geheele baai van Carnavon.

Met het hoofd geleund tegen den rug van haar vouwstoeltje en met welbehagen de zoute zeelucht inademend, zat zij rustig te peinzen, tot hare oogen dichtvielen en zij in slaap geraakte. Het was zoel zomerweer en er was juist genoeg wind om de reis prettig te maken, zoodat er aan zeeziekte nauwelijks gedacht behoefde te worden. Zij sliep dan ook kalm door tot het daglicht haar in het gezicht scheen en zij, de oogen openend, Ierland voor zich zag.

O, wat was het mooi, veel mooier nog dan zij het zich voorgesteld had! Doodstil bleef zij zitten, geheel verdiept in het teere schoon voor haar.

In grootsche golving lag daar de schilderachtige baai van Dublin. De vroege ochtendzon wierp glinsterende lichtvlekjes op het water, dat eigenaardig levendig scheen in tegenstelling met de nog half droomende stad. De stille, blauwgetinte bergen, de bevallige villa's met de kleurige bloemen, de sierlijke, witte torenspitsen, die zich fijn en rank afteekenden tegen de heldere lucht, het was alles vol van een bekoorlijkheid, die haar als gevangen hield en ontroerde.

Toen men echter aan Kingstown Pier landde en zij zich haasten moest om voor haar koffer te zorgen en een plaats in den trein te zoeken, werd zij weer als een ander mensch. Alles om haar heen was thans levendigheid en beweging en begroetingen van opgewonden Ieren. Even keek zij rond, als verwachtte zij half ook iemand te vinden, die uitbundig blij zou zijn haar te zien, maar er was niemand-natuurlijk was er niemand, bedacht zij; toch verlangde zij nu aan het eind van haar reis te wezen.

Dit verlangen werd nog sterker, toen zij de stad Dublin goed en wel achter den rug had en door eenzame streken spoorde, waar, tegen de purpergetinte bergen, in de ruime riviervalleien, bij de groene moerassen of op de uitgestrekte heidevelden met de blauwglinsterende plassen, zich slechts enkele, meest armoedige huizen vertoonden. Indrukwekkend schoon was het landschap, toch maakte het telkens een somberen indruk, een indruk, die nog verhoogd werd, toen de zon achter de wolken verdween en het eenige uren lang zóó stortregende, dat het er veel van had, als moest geheel Ierland door het water weggespoeld worden.

"Het is wel jammer dat het in Ierland nogal veel regent," hadden kennissen van Mrs. Rowley meer dan eens tot Hedwig gezegd en zij moest er nu aan denken. Als die regen zóó erg was, ja, dan zag Ierland er zeker niet op zijn voordeeligst uit!

Zij was vermoeid van het zitten, toen zij eindelijk te Killarney aankwam. Het was nu gelukkig droog en zij verheugde zich op den mooien rit met Mr. Balvourneen en zag nieuwsgierig rond naar iemand, die aan de korte beschrijving, haar door Mrs. Balvourneen gezonden, beantwoordde. "Ik moet maar allereerst kijken of hij er "echt uitziet om op een kasteel te wonen," zooals Clärchen schreef," besloot zij vroolijk. Maar, hoe zij ook zocht, zij bemerkte niemand, die, naar hare meening, ook maar eenigszins aan dien eisch voldeed.

Het was een lastig geval! Een rijtuig van het kasteel Balvourneen was er ook niet en ze wist dus niet, hoe zij de plaats harer bestemming zou moeten bereiken. "Dat lijkt in één opzicht althans al bizonder veel op mijn aankomst te Edinburg," dacht zij. "Het schijnt mijn lot te wezen nooit van den trein te worden gehaald, als ik er juist zoo stellig op gerekend heb!"

Ze zou in ieder geval maar beginnen met een half uurtje aan het station te wachten; kwam Mr. Balvourneen dan nòg niet, dan zou zij een van de jaunting-cars[9] zien machtig te worden, die buiten het station stonden en door uiterst levendige koetsiers werden bewaakt.

Er ging ruim een half uur voorbij en niemand verscheen. Zij liet dus haar koffer, waarop ze trouw was blijven zitten, even in den steek en liep naar de cars toe. Terstond was zij door drie, vier koetsiers omringd. Met drukke gebaren en in een taal, die haar volstrekt onverstaanbaar was, trachtte ieder haar aan het verstand te brengen dat hij haar het mooiste en het gemakkelijkste en het snelst-rijdende voertuig kon aanbieden. De gebaren waren zeker welsprekend en duidelijk genoeg, vooral van een der Ieren, een man met zwarte, heel levendige oogen, die haar bij den arm nam, naar zijn jaunting-car toe bracht en vlug, zonder meer, op een der zijbanken wilde tillen. Lachend duwde zij hem ter zijde, toen beduidde zij hem in het Engelsch, heel langzaam sprekend, waar zij naar toe moest en dat zij een koffer bij zich had. Hij knikte als een Chineesch poppetje ontelbare malen, ten bewijze dat hij haar verstond en toonde zich bereid, de bagage te gaan halen.

[Shamrock.]

[Een Iersche jaunting-car.]

Maar ... toen hij den grooten, Duitschen koffer zag-door de kinderen op Hill House "Flinkie's Cottage" gedoopt-betrok zijn gezicht. Neen, dat zware ding kon hij onmogelijk op zijn jaunting-car zetten! Hij keek treurig, schudde het hoofd en haalde de schouders op en Hedwig begreep natuurlijk al spoedig, waar het aan haperde.

Wat nu te beginnen? Zij had geen lust den koffer aan het station achter te laten, wetend dat het kasteel Balvourneen uren ver af lag en er waarschijnlijk niet spoedig gelegenheid zou zijn de bagage te laten halen. Besluiteloos bepeinsde zij wat haar te doen stond, terwijl al de koetsiers een voor een naar den koffer kwamen kijken en eindelijk in een kring om haar heen kwamen staan. Zij babbelden onophoudelijk samen, telkens naar haar wijzend en onwillekeurig moest zij lachen om het wonderlijke taaltje en de zeer bewegelijke gezichten der sprekers, die blijkbaar nog nooit in hun leven een koffer van zulke afmetingen hadden aanschouwd!

Eindelijk tikte er een, die er goedhartig en vriendelijk uitzag, haar op den schouder en zei in gebroken Engelsch dat hij bereid was "den koffer en haar zelf"-heel vleiend was deze zinvoeging zeker niet!--op zijn jaunting-car te nemen en te brengen waar zij wezen moesten.

Zij knikte hem dankbaar toe en hij en nog drie behulpzame Ieren namen den koffer op om dien op het wagentje te zetten. Heel handig ging het niet, wel was er een groot vertoon van ijver bij; maar juist toen de vrij zware koffer bijna stond waar hij staan moest, lieten zij dien nog te vroeg los; hij kantelde en een gedeelte van den bodem zakte naar beneden!

Nu was het een lawaai van heftig vragen en antwoorden en een gewirwar van gebaren en een opgewondenheid van belang! Aanhoudend spraken allen te gelijk, herhaaldelijk deden allen hun best Hedwig in wonderlijk Engelsch nu dezen, dan dien raad te geven en het geheele tooneel was zoo dwaas en te gelijk zoo schilderachtig dat Hedwig onmogelijk boos kon zijn, vroolijk toekeek,-al meende zij telkens den bodem verder te zien zakken!--en geduldig wachtte op verdere hulp. Kinderen: Jongens en meisjes met grappige gezichtjes vol ondeugendheid en pret, gingen er nu ook bij staan en ten slotte kwamen een zes of achttal bereidwillige handen met een touw aandragen. Er werd meer geroepen en geplaagd en gelachen dan gewerkt en het duurde een heel poosje eer de bodem weer veilig tegen het bovenste gedeelte van den koffer was aangedrukt en het touw er behoorlijk om bevestigd was. Hedwig hielp ook zelf ijverig mee de knoopen stevig maken en men moedigde haar aan en gaf haar knikjes op een grappige, familiare wijze, die zij aantrekkelijk en ook wat zonderling vond. Zij was vermoeid van de lange reis, toch niet zóó vermoeid dat zij er hare opgewektheid door verloor en toen de koffer eindelijk werkelijk op de car stond, dankte zij de haar omringende Ieren hartelijk en zocht ijverig in haar beurs naar een kleine vergoeding voor ieder, die meegeholpen had. Uitbundige dankbetuigingen volgden en onder een luid geroep van Iersche woorden, die klonken als "slaun lath" (slan leat = goeden dag) en "Dheeash mera guth," (Dia's mearagat = God zegene u rijkelijk), werd zij in of liever op het wagentje getild en reed zij weg.

De goedhartige koetsier toonde zich eerst zeer spraakzaam, maar toen zij herhaaldelijk "I don't understand" had gezegd, gaf hij het op en begon ter afwisseling een deuntje te fluiten.

Hedwig trachtte haar houding zoo gemakkelijk mogelijk te maken, wat geen kleinigheid was voor iemand, die nog nooit met een Iersche jaunting-car had gereisd! Zij vond het vreemd zoo ter zijde van het voertuig te zitten en dikwijls onverwacht een hort of een stoot te krijgen, zoodat zij zich moest vasthouden om niet te vallen, maar langzamerhand begon zij eraan te wennen en kon zij van ganscher harte de mooie natuur en de verkwikkende stilte om zich heen genieten.

De overigens tamelijk donkere lucht vertoonde hier en daar blauwe plekken, zoo krachtig van kleur, als zij zich niet herinnerde ze ooit elders gezien te hebben, daarbij was de atmosfeer zoo zuiver dat het ademhalen op zichzelf een genot scheen even groot haast als het kijken naar het steeds afwisselend natuurschoon. Malsch groen,-het echte groen van Green Erin-waren het gras en de hooge varens, die nog, evenals de bloeiende struiken, vol glinsterende waterdroppels hingen van den milden regen van dien middag en telkens weer ontdekte zij nieuwe boomsoorten. Want in groote verscheidenheid groeiden langs den steeds stijgenden weg pijnboomen en beuken, esschen, eiken, hulst met echt gezonde, gladde, donkere bladeren en de fraaie arbutus of aardbeiboom, met zijn schilderachtig rood getinte takken en glanzend groene bladeren, waartegen de zachtroode of witte bloemtrossen en later de vuurroode vruchtjes, zoo mooi afsteken.

Langs de kale rotsen, grootsch in haar woeste dorheid, groeide lichtgroen en donker en bruinachtig mos en als een blijde verrassing vertoonde zich soms een overvloed van rijk bloeiende brem, die in groote trossen gouden bloesems het zonlicht scheen te hebben gevangen. Tooverachtig mooi zag Hedwig, toen zij al hooger kwamen, de beroemde meren van Killarney liggen, nu zacht zilvergrijs getint, in schilderachtige tegenstelling met de statige purperkleurige bergen erom heen, die wachtten op de rustige schaduwen van den avond. Dan weer, vanaf een hoogte, die haar deed duizelen, keek zij heel in de diepte neer op valleien, waarin rotsblokken als rondgestrooid lagen, terwijl langs de rotsen op enkele plaatsen het witte, schuimende water bruisend naar beneden stortte.

Nu weer dalend, dan stijgend vervolgden zij hun weg en herhaaldelijk verbrak de koetsier door lustig gefluit de haast heilige stilte, die alom heerschte. Er lag iets teers, iets weemoedigs in de wijze, waarop de dag heengleed om straks plaats te maken voor den avond, die over al de lieflijke kleurschakeeringen een geheimzinnigen, doorschijnend witten nevel ging werpen. Hedwig huiverde, toen de lucht donkerder werd en met nieuwen regen dreigde en zij hulde zich in haar wollen doek en trok haar mantelkraag wat op, rillend meer nog van vermoeidheid dan van koude. Het was haast of de slaapzucht der directrice van Hill House over haar gekomen was en eindelijk sloot zij de oogen, zij kòn die niet langer open houden, hoe mooi het ook was om haar heen!

Langzamerhand, bijna zonder het te weten, boog zij het hoofd dieper en dieper voorover en verviel in een soort sluimering, tot zij opeens door het stilstaan der jaunting-car en het geluid van stemmen opgeschrikt werd en, de oogen wijd openend, een zeer fraai rijtuig voor zich zag, waarin een deftige heer zat, die haar met groote oplettendheid beschouwde en ... Mr. Balvourneen bleek te wezen.

Dat zij juist op dit oogenblik haast in slaap was geraakt! Zij vond het akelig en dwaas te gelijk en zij beet zich op de lippen en ging terstond heel rechtop zitten, nu bizonder klaar wakker.

De koetsier keek haar lachend aan en gaf haar een vriendschappelijk knipoogje, doch Mr. Balvourneen vertrok geen spier van zijn gezicht, nam statig den hoed af, vroeg of hij het genoegen had Fräulein Eiche te zien en verzekerde dat hij tot zijn spijt dien dag niet tot Killarney had kunnen komen en zich eerst te laat de afspraak had herinnerd om haar van het station te komen afhalen.

Een paar minuten later zat Hedwig tegenover hem in het rijtuig, was haar koffer op den bok gezet en reed de bezitter van de jaunting-car, zeer tevreden over de belooning hem door Mr. Balvourneen gegeven, naar Killarney terug.

Het werd nu hoe langer hoe donkerder en meer dan ooit verlangde Hedwig naar het eind van haar reis. Mr. Balvourneen vroeg een paar malen beleefd: "I hope you are not tired?" en scheen eenigszins verbaasd te wezen, toen Hedwig zeide dat zij wèl vermoeid was. Het begon te regenen, eerst zacht, toen harder en eindelijk heel hard en toen zij Glengariff naderden en een zijweg in moesten slaan, werd het noodig bevonden dat zij uit het rijtuig stapten, omdat de weg uiterst modderig en daardoor gevaarlijk was geworden. Het kasteel lag hoog en zij moesten een heel eind stijgen. Hedwig vond het lang geen gemakkelijk werkje, toch kon zij niet nalaten even te lachen om den eigenaardigen tocht, terwijl zij, achter haar zwijgzamen geleider aan, bij het gebrekkige licht der rijtuiglantarens, langzaam voortsukkelde. Maar zij kòn haast niet meer, zoo slaperig was zij en ze was heel blij, toen de weg breeder en vlakker werd en zij weer in het rijtuig konden stappen.

Eindelijk, eindelijk hoorde zij het kiezel kraken onder de hoeven der paarden, het rijtuig nam een draai, toen nog een en ... stond stil voor een groot, fraai gebouw, het kasteel Balvourneen.

Hedwig knipte met de oogen, zoo verblindend was na de grijszwarte duisternis buiten, de glans van het licht in de smaakvol gemeubelde vestibule, waar Mr. Balvourneen haar thans bracht. Hij schoof een stoel naar haar toe en verzocht haar te gaan zitten, maar in spanning over de eerste ontmoeting met Mrs. Balvourneen, bleef zij-trots haar slaperigheid!---staan bij een hooge palm en wachtte de dingen, die komen zouden.

Het duurde niet lang of een knecht verscheen. Door gangen met dikke, zachte loopers bedekt, ging hij haar voor naar de eetkamer, waar Mrs. Balvourneen, een kleine, bleeke vrouw met een spits gezicht en een zeurderige stem, haar te gemoet kwam. "I hope you are not tired?" zei ze, met koele beleefdheid de vraag van haar man herhalend en het antwoord niet afwachtend. "Wij zullen maar dadelijk aan tafel gaan, het is zóó laat geworden!"

Hedwig deed haar goed af en nam plaats op den stoel, die haar aangewezen werd. Zoo graag zou zij eerst even naar boven gegaan zijn om zich wat te verfrisschen, maar men liet haar geen keuze. Zij was nu zóó afgemat dat ze groote moeite had de vragen-gelukkig waren het niet vele!--die haar gedaan werden, te beantwoorden en zich zelfs een paar malen met een speld in den arm moest prikken om goed wakker te blijven! Eindelijk mocht zij tot haar groote vreugde van tafel opstaan en nu werd haar door een zeer vriendelijk meisje, zooals later bleek de nurse der kinderen, haar kamer gewezen, waar zij haar koffer vond staan en zich eens naar hartelust kon wasschen aan de fraaie waschtafel met marmeren blad, waarbij een kan warm water voor haar was gereed gezet.

Wèl zag alles er hier heel anders uit dan op Hill House!