WeRead Powered by ReaderPub
Een nest menschen cover

Een nest menschen

Chapter 1: INHOUD.
Open in WeRead

About This Book

A collection of observational sketches and short pieces that portray everyday life in small communities, combining detailed description with restrained personal reflection. The pieces range from child-centered vignettes and schoolroom scenes to moments of illness, solitude, work and simple outings, sketching common people with an unadorned, empathetic eye. A prefatory essay frames the author's artistic aims, contrasting lyrical sensibility with an ambition for broader, more objective narrative and emphasizing authenticity, formal control, and a commitment to represent social reality without rhetorical excess.

The Project Gutenberg eBook of Een nest menschen

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Een nest menschen

Author: August P. van Groeningen

Author of introduction, etc.: Pet‏ Tideman

Release date: May 31, 2018 [eBook #57245]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg (This book was produced from scanned images of
public domain material from the Google Books project.)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN NEST MENSCHEN ***

EEN NEST MENSCHEN.

EEN NEST MENSCHEN.
AMSTERDAM.—S. L. VAN LOOY.
1895.

De bedoeling van deze woorden vooraf aan dit sterk-persoonlijk sprekende deel van Aug. P. van Groeningen’s werk, vroeg werk van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende, stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.

Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid, Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens zelf-dwang tot eenvoud.

Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig: hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,—wat de epiek-werker is wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij.

De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn, met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige vastheid te bouwen weg.

De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van zijn objektief vermogen.

Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wier meegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor de lotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig, diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, ’n somberen blik gunnend op de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleen machtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met den elektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderop is onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid van maatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen.

Wat is zijn Wil?

Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke) openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des Amsterdammer’s van 11 Maart 1890.

»Trachten te-doen door laten.«

»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.

»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme, met helden en ridders—»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft, een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél te zeggen door wéinig te zeggen …«

»Mijn streven is over de stof te heerschen …«

Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden onder al ’t eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt.

»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«

»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: (’k Geloof dat de stof niet erg realistisch is.)

»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het passieve—d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt maar ze niet kan doen—en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet, het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door bevruchting met het eerste voortbrengt …« »Ter bestudeering van dit levensverschijnsel hoefde ’k niet ver van huis te gaan. Men vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen, al lijkt dit een paradox …« »Niet slechts personen, ook geheele tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden eene genie voortbrengen …« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen, dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple …«

Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden dier 4 deelen.

De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.

De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.

De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo is Van Groeningen.

Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel van een tragedie »Jeanne d’Arc,« berythmeeringen van psalmen, bewijzen buitenom Van Groeningen’s zelf-bewustheid, aangehaald in die »voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste, zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen, Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland in de Comédie humaine.

Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met »Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust in Van Groeningen.

De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in magistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij niet getroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Recht voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel’s proza voor zich zelf wel annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk, van wezen voelde hij ’t: alleen, met allen-verschillend; in zijn groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving; dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo is bekend dat hij in ’88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch neen! Want zoo is het te voelen en te weten.

Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm, het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar, nu-eens en nog-eens maar; ’t is bewust, dit ook is laten met een doel het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.

Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen, en werkte ’t door. Hij had geen tijd naar anderen te luisteren.

Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met een edeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken den kunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de waarneming en laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen woord ontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak.

7 Sept. ’95.

P. TIDEMAN.