WeRead Powered by ReaderPub
Eene schitterende "carrière" cover

Eene schitterende "carrière"

Chapter 14: ELFDE HOOFDSTUK.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows an energetic gentleman and his three daughters as their household life and social habits intertwine with the maneuvers of a modest civil career. Told in episodic chapters, it moves from domestic scenes and leisure outings to the routines and intrigues of office work, advising confidantes, interim appointments, ceremonial trappings, and personal reversals. Warmly observed details and ironic observation alternate to show how social pretensions, family dynamics, and bureaucratic hierarchies influence professional advancement and private fortunes.

„Wer nie sein Brod mit Thränen ass,
„Wer nie die kummervollen Nächte
„Auf seinem Bette weinend sass,
„Der kennt euch nicht, ihr himmlischen Mächte!
„Ihr führt in 's Leben uns hinein,
„Ihr lasst den Armen schuldig werden,
„Dann überlasst ihr ihn der Pein;
„Denn alle Schuld rächt sich auf Erden.”

Zwijgend legt hij het boek weg, en zegt meesmuilend:

„Ik had niet gedacht, dat je zoo sentimenteel waart, Suze! En ook niet, dat je zooveel geduld hadt om op me te wachten.... 't Is al laat.”

Suze boog het hoofd. De donkere lokken vielen over hare bleeke wangen. Zij stamelde haperend:

„Die regels zijn waar.... Ik had niet moeten blijven....”

Van Reelant zag verschrikt op. Dat groote verdriet kwam nu zeer onwelkom. Hij begreep ook de aanleiding niet. Als man van de wereld en practisch ambtenaar zou hij zich door geen duizend regels van Goethe, noch van wien ook, een oogenblik uit zijn humeur hebben laten brengen. Suze scheen door eene bijzondere oorzaak zoo ontsteld. En terwijl hij haar heimelijk bespiedde, trof het hem, dat zij in haar smaakvol, helderblauw zijden kleed er zooveel aantrekkelijker uitzag, dan al de Helena's en de Clytemnestra's van Tchitchikoff's tableaux vivants.

Plotseling sloeg hem het hart sneller in den boezem, plotseling vlamde zijn oog, stormde hem het bloed onstuimig door de aderen, en nog eenmaal vergat hij de kalme overleggingen en wijze plannen een oogenblik te voren gemaakt. Hij schuift zijn stoel weg, knielt naast Suze op den vloer, grijpt hare hand. Suze brengt snel haar kanten zakdoek aan de oogen; zij weet, dat vrouwentranen zeer veel vermogen, maar toch nimmer mooier maken. Van Reelant legt zijne linkerhand om hare leest, en zegt zoo teeder mogelijk:

„Wat is er Suze? Kom, zeg het me .... wat scheelt er aan?”

Suze aarzelt eene seconde. Zij maakt hare hand vrij, eene trillende zucht ontsnapt haar boezem. Daarna legt zij beide handen op zijn hoofd en vraagt:

„Arnold! Je hebt toch geen plan, om me ellendig te maken voor heel mijn leven? Je bedriegt me immers niet?”

Van Reelant stond den blik uit hare fonkelende oogen moedig door—iemand, die voor tweeden régisseur dienst doet, moet iets van de tooneelspeelkunst verstaan.

Tot antwoord omhelst hij haar vurig, en fluistert hij woorden van de hartelijkste liefde aan haar oor. Maar Suze weert hem af. Volkomen zich zelve meester, zegt ze gebiedend:

„Sta op, Arnold! Ik zal je alles zeggen, ik zal je uitleggen, waarom ik zoo lang bleef wachten. Een paar woorden zijn voldoende....”

Eenigszins onthutst staat Van Reelant op. De toon van hare stem ontveinst te vergeefs eene hevige aandoening. Hij loopt zijne studeerkamer zwijgend op en neer. Heimelijk verwenscht hij Suze's zonderlinge stemming. Maar plotseling blijft hij glimlachend bij haar stoel staan, en vraagt:

„Wat is er dan eigenlijk?”

„Misschien is er niets! Je zult me uit den droom helpen! Gisteren vierde de familie De Milde zilveren bruiloft.... Ik heb er je al meer van gesproken. Onder de jongelui was daar ook een meneer André de Witt....”

„Die pedante vlegel!”

„Hij maakt een beetje het hof aan mijne zuster Betsy....”

„Laat ze oppassen! Hij raakt binnenkort zijn baantje aan het ministerie kwijt.”

„De beide jongelui hebben toevallig over jou gesproken, Arnold! Betsy heeft me alles vertrouwd. Men zegt, dat je in- en uitloopt bij den Baron Van Berenvelt, en de heeren aan het ministerie weten te vertellen, dat je bijzonder veel werk maakt van de oudste freule. Dat had Betsy me al meer gezegd. Betsy heeft je dikwijls aan huis van de Van Berenvelts ontmoet. Je hebt haar nog nooit toegesproken—dat was zoo bepaald tusschen ons. Maar hare élève, de jongste freule Albertine, babbelt over alles met haar. En nu komt iedere bijzonderheid, die Betsy hoort, juist overeen met de loopende praatjes .... die ik niet wil gelooven, die ik ver wegwerp, maar....”

Van Reelant streed met de schielijke opwelling Suze te tarten, en haar zonder aarzeling de volle waarheid te zeggen. Maar dit ontried de voorzichtigheid, en dan .... hij kon haar niet aanzien zonder eene zeer gemengde aandoening van vrees, van medelijden en eindelijk van vurigen hartstocht.... Tegenover verzen van Goethe kon hij met het grootste plezier onverschillig blijven, maar tegenover Suze, die het geheim verstond altijd iets nieuws en aantrekkelijks bij hare verschijning ten toon te spreiden, tegenover Suze viel het hem moeielijk volkomen onverschillig te blijven.

„Is dat alles?”—was zijne kalme vraag.

„Alles en meer dan genoeg!”

„Mag ik je één raad geven? Laat de menschen praten, en schrei niet om een paar huilerige regels van Goethe!”

„Dus is er niets van aan!”

„Neen!”

„Je komt dag aan dag bij de Van Berenvelts?”

„Zeer zeker. De Baron is ernstig ziek geweest, en moet mij voor zaken spreken!”

„En zijne dochter?”

„Raadpleegt mij vaak over haar vader!”

„Als vriend?”

„Als vriend!”

Suze springt van haar leunstoel, en blijft in het volle schijnsel van de hanglamp vóór Van Reelant staan. Hare donkerbruine oogen richten zich met angstige spanning naar zijn gelaat. Zij strekt beide handen naar hem uit, de wijde mouwen van hare blauwe zijden japon vallen naar beneden en verraden hare prachtig gevormde armen. Van Reelant vangt haar op, en trekt haar aan zijne zijde. Maar Suze blijft hem met wijd geopende oogen aanstaren. Kalm zegt ze:

„Ik ben jaloersch, Arnold! Heb medelijden met mij! Ik vraag je maar één woord.... Zeg me, dat er niets tusschen ons veranderd is, dat je me niet opzettelijk bedroog, toen je zei: mijn vooruitzichten en mijn toekomst behooren jou....”

Van Reelant ademde weder in den toovercirkel van Suze's bekoorlijkheid. Eigenbelang en zelfzucht werden ter zijde gedrongen door machtiger passie—hij staat alles toe, wat Suze van hem eischt, hij zou ieder woord met dure eeden hebben bezworen, als zij het had gevorderd....


Volkomen tevreden zag de jonge vrouw hem aan. Ze zaten nu op eene sofa ter zijde van de tafel. Hij had op haar verzoek zich de vrijheid gegund te rooken.

„Arnold! Ik had je al lang iets willen vertellen, maar er is niets van gekomen.... Ik heb bericht van De Huibert...”

Van Reelant bukt zich. Zijne brandende sigaar is op het tapijt gevallen.

„Het nieuws komt niet van De Huibert zelf, stel je gerust, Arnold! Ik heb op mijn manier mijne gezanten in Osterwolde en omstreken. Dat zal ik je later wel eens uitleggen. De Huibert heeft Lindenstein verkocht. Hij woont nu in Hannover ergens op een buiten, waar hij groote bosschen bezit, en bijna niets doet dan jagen en visschen. De lui in Osterwolde weten volmaakt goed, dat wij gescheiden zijn, en sommigen komen er langzaam achter, waarom wij gescheiden zijn.... Ze vertellen er bij, dat ik later met een Amsterdamsch heer naar België gevlucht ben!”

Van Reelant staart zwijgend naar het tapijt. Zijn gelaat is doodsbleek. Zijn verleden begint plotseling weer te leven. Als men de geheele geschiedenis van Lindenstein eens in de Haagsche kringen rondfluisterde ..., als men hem eens belachelijk ging vinden? Noemde men zijn naam? Werd er in Osterwolde over hem gesproken?

Suze geeft hem nadere inlichting. De beide heeren De Huibert hadden zich nimmer over hem uitgelaten. In den beginne was er veel gesproken, maar nu werd de zaak niet meer aangeroerd. Zij had dit alles niet verteld om hem te beangstigen. In Den Haag kende nog niemand, vermoedde nog niemand, dat....

Van Reelant richt het hoofd op. Kort en bijna scherp vraagt hij:

„Suze! Waarom zeg je me dit alles?”

Suze glimlacht eenigszins vreemd. Zij werpt den schat van glinsterende krullen met een forschen zwaai in den nek. Zij antwoordt:

„Omdat ik een woord wil spreken over onze toekomst. Ik geloof, Arnold! aan je heilige beloften, mij zoo even herhaald. Ik geloof, omdat ik je innig liefheb .... omdat je een man van eer bent .... omdat we door alles, wat er gebeurd is, vast verbonden zijn in lief en leed. Je weet, dat ik nooit een schaduw wil werpen op den weg, die je zal brengen tot eer en grootheid. Je weet, dat ik niemand ooit lief heb gehad dan jou alleen. Mijn vader koppelde mij aan De Huibert—een huwelijk tusschen ons beiden was onmogelijk. Ondanks dat alles heb ik mijne liefde nooit verloochend, heb ik plichten en eeden geschonden, en zou ik het nog doen, zoo het mogelijk ware! Er is dus geen macht ter wereld, die ons scheiden kan. Dit geeft mij kracht in deze donkere dagen, nu ik mij verbergen moet, en niemand weten mag, wat wij voor elkander zijn. Maar geef mij nu ook een klein bewijs, dat ik niet tevergeefs op je heb gerekend! De Huibert is niet jong meer—ik heb besloten geduldig te wachten tot den dag van zijn dood.... Beloof mij daarom in alle oprechtheid en eerlijkheid, dat ik op dien dag fier en vrij aan de wereld mag zeggen: in stilte heb ik hem lief gehad, in 't openbaar heeft hij het mij vergolden!”

Half bedwelmd luisterde hij naar dezen woordenstroom. Hij voelde een paar zachte handen op zijn schouder, een paar brandende lippen drukken zich op zijn mond. Hij wil nog worstelen, maar hij kan niet. Fluweelen koorden omstrikken hem—hij stelt den beslissenden strijd tot later uit.


ELFDE HOOFDSTUK.

Lief en leed uit de loopbaan van een adjunct-commies.

De zilveren bruiloft bij de familie De Milde had aan aller verwachting voldaan.

Het jubileerend echtpaar was dankbaar tot over de huizen voor alles wat er gebeurde. De geheele bende der visitemakende kennissen—lieden die vijf of zesmaal 's jaars in ons huis komen, die we op straat de hand geven, en ons bezighouden met een meteorologisch gesprek—was onder de wapenen verschenen, en had de geestdrift der familie doen stijgen door talrijke kleine geschenken in zilver.

De meisjes De Milde waren bijzonder tevreden over den afloop van het feest. Het mythologisch drama: Venus contra Mars was buitengewoon in den smaak gevallen, en uitbundig toegejuicht. Allen hadden hun best gedaan, en de kostumen waren schitterend geweest—zelfs Kee had er als Venus heel aardig uitgezien in hare witte gazen tuniek met slingers van donkerroode rozen overdekt. En het meest van alles waren ze tevreden over het prettige danspartijtje aan 't slot van 't feest, schoon Willemien het niet vergeten kon, dat André haar maar eene enkele maal gevraagd had.

André was opgetogen over dien avond, niet om de pret, noch om den bijval aan zijn gelegenheidsstuk ten deel gevallen, maar omdat hij Betsy ontmoet had, daar Betsy de harten van alle gasten gewonnen had door uitnemend fraai te spelen, en het zijne had doen trillen van grenzeloozen jubel, zoo dikwijls zij de mooie, blauwe oogen naar hem opsloeg. Te midden van de gasten zag hij alleen hare ranke figuur, hare golvende krullen, haar vluggen gang.... Telkens betrapte hij zich op het feit, dat hij haar volgde, en aan hare zijde stond. Aangenaam was hem dan de ontdekking, dat hij het jonge meisje niet scheen te vervelen, als hij haar vroolijk over het een of ander sprak, want zij antwoordde hem vriendelijk en plooide haar rooden mond tot den beminnelijksten lach.

Aan een bijzonder oogenblik van den feestavond dacht André met onbeschrijflijken trots. Sinds dat oogenblik was er een gezang in zijn hart. Midden onder de feestgenooten had hij zich in de tuinkamer aan Betsy's zijde geschaard, toen het jonge meisje, toevallig alleen, met belangstelling naar het geschilderd behang stond te staren.

„Ik heb altijd plezier in dit behang!”—had ze gezegd.—„'t Is lang niet slecht geschilderd, en geen enkel persoon komt tweemaal voor. De villa's verschillen allen! De ruiters berijden geen enkel paard van dezelfde kleur, en de voetgangers hebben ten minste allen een anderen rotting in de hand. Al de dames en heeren zijn wit gepoeierd, dat kon niet anders! 't Schijnt, dat in dien tijd een soort van roode overjassen voor heeren in de mode was....”

„En zwarte zijden mitaines voor dames!”—had André er bijgevoegd.

„Ze schijnen zich goed te amuseeren”—had Betsy vervolgd—„want ze lachen meest tegen mekaar!”

„Behalve aan dezen kant, hier!”—had hij tegengeworpen, en tegelijk Betsy meegetroond naar een hoek der kamer, waar zij bijna alleen waren.

Daar had hij haar gewezen op een afzonderlijke episode in de behang-schildering. Onder een zwaren boom stond eene groene tuinbank en daar zat een paartje in de schaduw te vrijen. De wit gepoeierde jonge dame zag zeer ernstig naar den grond, terwijl hare rechterhand achteloos langs de lila statiejapon afhing. De cavalier, in eene licht-oranje „houppelande” bekeek haar met een smeekenden blik, en poogde den pink van hare linkerhand aan te roeren.

„'n Landelijke idylle!”—had Betsy gezegd.—„Ik had er nog niet op gelet! Zoo zien de jongelui er uit in de romans van Wolff en Deken!”

„Juist! Sara Burgerhart luistert naar de confessie van Henderik Edeling!”

„En zou het goed afloopen?” had Betsy gevraagd.

„Dat is bekend. Het loopt heel goed af, maar de arme Edeling moest lang wachten!”

En plotseling had hij zich tot haar gewend:

„Zou je mij ook zoo lang laten wachten, Betsy?”

Betsy had gebloosd, Betsy had geglimlacht, en toen had hij haar arm in den zijne gelegd en, daar er een wals op de piano werd getikt, had hij zich met haar bij de dansende paren aangesloten, en midden in den dans had hij aan haar oor gefluisterd:

„Ik heb je zoo innig lief, ik heb je zoo innig lief....”

En Betsy had de oogen even naar hem opgeheven, en hare hand had de zijne gezocht....

Zoo was het gekomen, dat er sinds de zilveren bruiloft der De Mildes een lied in zijn hart ruischte.

Nog dien eigen avond of nacht hadden zij te zamen plannen voor de toekomst beraamd. André wilde zijne Betsy zoo gaarne met zijn goeden vader te Leiden bekend maken. Betsy sprak André van hare moeder. Het was zeer laat geworden. Betsy bleef bij hare zuster Suze logeeren, André had nog een kort gesprek met mevrouw De Huibert, en poogde deze in eene vriendschappelijke en welwillende stemming te brengen. Hij vertelde haar van zijne vooruitzichten als ambtenaar aan Buitenlandsche Zaken, en het was bij die gelegenheid, dat Suze hem poogde uit te hooren over Van Reelant.

De familie De Milde putte zich uit in gastvrij onthaal. De oude heer was niet tevreden, voordat men zijn kelder had leeg gedronken. De jongelieden dansten en stelden feestdronken in, en luid werd er gezongen na iederen toost. Reeds was het over zessen des morgens, eer men scheidde. André stond dien dag zeer laat op, kwam zeer laat aan het ministerie, en werd er door den secretaris-generaal ad-interim ontvangen, als gebleken is.

Diep geschokt had hij zich in zijne kamer weer aan 't werk willen begeven, maar hij kon niet. Men had hem dus verboden in tijdschriften en dagbladen zijne meening te zeggen. Het even ongehoorde als ongelooflijke feit bleek nu waarheid. Omdat hij ambtenaar was, moest hij verzwijgen, wat hij meende. En daarop begon hij te overwegen of misschien zijn betoog iets zeer gevaarlijks voor de rust van het koninkrijk der Nederlanden mocht bevatten. Zijn artikel was geplaatst in het Tijdschrift voor Staatswetenschap zonder dat zijn hoogvereerde leermeester, professor Van Dam, er de minste aanmerking op had gemaakt. Langer dan een jaar had André met onverdroten ijver aan het redactiewerk van het tijdschrift gearbeid. Hij had zich de meeste avonden op zijne kamer afgezonderd, om aan zijne nieuwe verplichting te voldoen.

Daartoe bestond een heilige noodzakelijkheid—zijne arme zuster Letje. De geduldige en beminnelijke patiënte had al één winter te Pau doorgebracht. Misschien zou ze volkomen herstellen, maar dan moest ze er nog een winter blijven. André had door groote vlijt met zijne pen de vrij aanzienlijke som bijeengebracht, die voor Letje's verblijf in het Zuiden van Frankrijk noodig was. Hij had zich niets te verwijten dan alleen, dat hij te veel ijver aan den dag legde. Hij had meer opstellen voltooid, dan er anders in gewone omstandigheden uit zijne pen zouden gevloeid zijn. En om de geheele waarheid te zeggen, ook dit verwijt telde André zeer weinig. Hij had doorzicht genoeg, om te begrijpen, dat stugge gemoederen, die voor niets willen buigen dan voor de Muze der Volmaaktheid in persoon, hem dit kwalijk zouden nemen; maar hij kende de praktijk des levens tevens al te goed, om niet te weten, dat fatsoenlijke armoede, die strijden moet om te bestaan, en zelfwaardeering, die al te hooge eischen stelt, geen acht dagen op goeden voet met elkaar blijven verkeeren.

Er was voor André niet veel keus. Hij moest het leven zijner zuster redden—dit was en bleef de hoofdzaak. Dominee De Witt was zeer tevreden en gelukkig, dat het met Letje zoo goed ging, te meer, daar zijn tweede zoon, de rechtzinnige student te Utrecht, hem veel last veroorzaakte. Deze beproefde namelijk door kracht van schriftelijke argumenten zijn vader over te halen tot de waarachtige, hervormde leer der Dordtenaren van 1619. De Leidsche predikant gaf zich de moeite al de schrifturen van „meneer zijn zoon” te wederleggen, en hem te betoogen, dat de ware hervormde leer te Leiden werd onderwezen.

Zoolang André uit Leiden geene andere klachten vernam dan omtrent den pennestrijd tusschen vader en zoon, was hij tamelijk gerust. Hij arbeidde ijverig voort aan het tijdschrift van professor Van Dam, en werd door dezen op de eervolste wijze aangemoedigd. Hij las macht van boeken en handschriften en bleef nooit in gebreke, wanneer het er op aan kwam een nummer van het tijdschrift tegen den gewenschten termijn te doen verschijnen. Reeds was het bepaald, dat met primo Januari van het jaar 1855 André's naam naast dien van den hoogleeraar op het titelblad zou gedrukt worden. Hij had niet kunnen vermoeden, dat zijne inspanning de ontevredenheid van zijne chefs aan het ministerie zou ten gevolge hebben. Zoolang Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal optrad, ging alles uitstekend, maar sedert in de laatste maanden de referendaris Van Reelant zijn „functiën” waarnam, kwamen er groote veranderingen. André merkte, dat hij met een hevige antipathie te strijden had, maar besloot met niet minder vaste overtuiging, dat hij verplicht was vol te houden.

De woordenwisseling met Van Reelant had hem zoo onaangenaam getroffen, dat hij bijna moedeloos in zijn stoel voor zijne schrijftafel achteroverzakte. Van zijne zijde moest hij alles in het werk stellen, om geen aanstoot meer te geven door te laat te komen. Vóór tien uren zou hij zich aan 't werk begeven; in dat opzicht moest hij toestemmen, dat eigen schuld in 't spel was. Maar in alles, wat zijn wetenschappelijk of letterkundig werk buiten het ministerie mocht aangaan, zou niemand de minste bekeering bij hem kunnen waarnemen—hij zou volharden op den ingeslagen weg. De tusschenregeering van Van Reelant zou niet eeuwig duren, en zoodra de heer Van Berenvelt op zijne plaats terugkeerde, zou hij van alle hatelijke critiek ontslagen zijn. Doch weldra begon hij aan lieflijker onderwerp te denken en stelde hij alle muizenissen uit het hoofd.

Hij dacht aan Betsy....

Met groot verlangen haakte hij naar het uur, dat hij zonder aanstoot het ministerie zou kunnen verlaten. Dien namiddag zou hij haar weerzien. Dat was afgesproken. En toen eindelijk het gewenschte oogenblik aanbrak, snelde hij ijlings naar de „Juffrouw-Ida-straat”, om met zijn huisgenoot en vriend Van Houweningen de kurkdroge karbonaden van juffrouw Barbara Bont te genieten, en zich te vermeien in de prettige herinneringen aan de zilveren bruiloft. Terstond werd besloten, dat ze hun sober maal voor deze buitengewone gelegenheid eens zouden besproeien met eene enkele flesch wijn, en nu sprak het uit den aard der zaak, dat ze aan 't eind van hunne tafelpret hoe langer hoe vertrouwelijker werden, en dat André in het allerdiepst geheim den vroolijk lachenden luitenant mededeelde, hoe hij Betsy's liefde had gewonnen, en wat de secretaris-generaal ad-interim hem al voor duldelooze verwijtingen had doen hooren dien morgen op het ministerie.

André, die met de pen in de hand de moeielijkste vraagstukken van maatschappelijken aard durfde aanroeren, was in het dagelijksche leven de eenvoudigste en somtijds zelfs de meest argelooze van alle jongelieden. Luitenant Van Houweningen steunde hem in zijne plannen; dronk een glaasje op de mooie Betsy Muller; vond, dat zij de knapste van al de jongedames op de zilveren bruiloft geweest was, en oordeelde, dat André heel verstandig had gehandeld—enz. enz. Zoo werd het bijna zeven uren, en André naderde tot een zeer gewichtig oogenblik van dien dag. Hij moest thee gaan drinken bij mevrouw Muller Belmonte op een bovenhuis van den Lutherschen Burgwal, want Betsy zou hem aan hare moeder voorstellen.

André zorgde er voor met gepaste deftigheid op te treden. Hij was geheel in 't zwart, toen hij onder eene lichte hartklopping aanschelde, en eenigszins gejaagd de trap opklom. Sedert Betsy dagelijks les gaf en door hare vlijt ruimschoots voorzien kon in de behoeften van het huiselijk leven, waren kalmer dagen voor mevrouw Muller Belmonte aangebroken. Beide vrouwen leefden op zeer bescheiden voet, maar zonder drukkende zorgen. Naarmate Betsy meer voor haar moeder deed, nam de verbittering van deze tegen hare oudste dochter toe. De beide zusters bleven evenwel in goede verstandhouding met elkander omgaan.

Toen André des avonds na de zilveren bruiloft van vader en moeder De Milde bij de dames Muller Belmonte binnentrad, heerschte er hoegenaamd geene pijnlijke stijfheid. Betsy had hare moeder op alles voorbereid, zoodat André met groote welwillendheid ontvangen werd. Tegen zijn persoon, zijne familie, zijne betrekking waren geene ernstige aanmerkingen te maken. Mevrouw Muller Belmonte had al maanden vroeger den naam van André vernomen. Hier en daar voorzichtig vragende, had zij niets dan goede tijdingen ontvangen. Dat de jongelieden elkander lief hadden, had ze mede reeds lang geweten. Betsy hield niets geheim voor hare moeder, alles was voorbereid, alles hing van den indruk af, dien de jonge man op zijn aanstaande schoonmoeder zou maken, en daarvoor zorgde André.

Het was een allergenoeglijkste avond. De beide jongelieden waren overgelukkig. André, van zijne vroegste jeugd aan een eenvoudig huiselijk leven gewend, voelde zich dadelijk thuis op den Lutherschen Burgwal. Natuurlijk leverde de zilveren bruiloft van den vorigen avond stof tot gesprek. En daarna ving men aan plannen te maken. Mama had er niets tegen, dat de verloving der jongelui „officiëel” bekend werd. Betsy poogde met een enkel woord van Suze te reppen, maar mama hield zich doof. Beter ging het André, die van zijne familie te Leiden vertelde, die de belangstelling zijner hoorderessen voor Letje won, die, zonder van eigen inspanning te spreken, uitvoerig beschreef, hoe de donkere wolk langzaam afdreef, welke zijns vaders huis geruimen tijd ernstig bedreigd had. De tijd vloog zoo snel om, dat André werkelijk weg moest, toen hij dacht, dat het gesprek nauwelijks begonnen was. Maar zijn hart sloeg met blijden slag, en terwijl hij snel naar zijne kamer terugijlde, was het of Betsy's blauwe oogen hem nog altijd tegenstraalden—de zang in zijn hart klonk luider en welluidender.

Den volgenden Zondag maakte André met Betsy een uitstapje naar Leiden. Ze waren nu, zooals het in beschaafd Nederlandsch luidt, „geëngageerd”. Dominé De Witt vond geen enkele zwarigheid. Hij had een onbegrensd vertrouwen in zijn oudsten jongen. Terwijl de Calvinistische ijver van zijn tweeden zoon hem vrij wat hoofdbrekens kostte, vooral nadat deze zijn vader met brief op brief lastig viel over het groote vraagstuk der „Eeuwige verdoemenis”, te Utrecht onder de rechtzinnige theologische studenten in top van eere gesteld, herademde hij, als hij André ontmoette. Voor Betsy was hij een en al vriendelijkheid. En de vroolijke Christien—die, toen Letje naar Pau vertrok, boven alle mogelijke verwachtingen zich huiselijk en kloek had getoond—was in de wolken over André's „engagement”. Christien had zich zoo dapper van hare taak gekweten, dat zij al zeer spoedig de hulp van eene oude tante had versmaad, ondanks al de bezwaren van den predikant. Tante ging voor goed heen, en Christien, die bijna zestien jaren telde, hield vol, dat zij heel goed voor papa alleen kon zorgen.

Daarna bracht André zijn „meisje” naar professor Van Dam. Ook hier waren zij welkom, ook hier klonk een hartelijke gelukwensch. Maar bovenal wilde André zijn vriend raadplegen over het voorgevallene met Van Reelant. Hij verhaalde alles, wat er van beide zijden gesproken was: de beschuldiging van communisme naar aanleiding van zijn artikel over Malthus, de waarschuwing tegen verder werk in dien geest. Professor Van Dam bleef eene poos nadenken. Hij herinnerde zich den student Van Reelant uit vroegere jaren, maar met die herinnering ging niets schitterends of uitstekends gepaard. Hij oordeelde daarom, dat de vice-secretaris-generaal de handelingen zijner ambtenaren met buitengewone strengheid „controleerde”, en dat Van Reelant tegenover André's wetenschappelijke studiën zich op een geheel verkeerd standpunt stelde. De hoogleeraar beloofde beide jongelieden terstond een schrijven te zullen richten aan Baron Van Berenvelt, opdat deze den ijver van zijn plaatsvervanger wat zou mogen intoomen. Hij ried André zijne vrijheid van spreken en schrijven op wetenschappelijk gebied te handhaven, maar in alles, wat de binnenlandsche politiek mocht betreffen, zoo voorzichtig mogelijk te zijn. Zoodra nogmaals botsingen aan het ministerie voorkwamen, moest André niet verzuimen onmiddellijk zijn advies te vragen. Professor Van Dam voegde er bij, dat hij alles behoorde te doen, om zijn goede kansen aan het ministerie niet te bederven, vooral nu hem het voorrecht was te beurt gevallen eene lieve bruid te hebben veroverd. Hij waarschuwde hem tevens geen duimbreed gronds af te staan van het hem toekomend terrein der wetenschappelijke „discussie”.—„Ga voort, zooals je tot nog toe gedaan heb, De Witt!”—klonk het laatste woord van professor Van Dam.—„En wanneer de nood aan den man komt, dan zullen we verder zien.”

Volkomen gerust hervatte de adjunct-commies zijn arbeid. Nog vóór tien uren was hij stipt aan het ministerie, tot groote verbazing van den portier. Zijne vlijt liet niets te wenschen over, zoodat hij aanvankelijk geene nieuwe vermaningen van den vice-secretaris-generaal had te beantwoorden. Voor André was het een buitengewoon gelukkige tijd. Dagelijks sleet hij eenige heerlijke oogenblikken aan Betsy's zijde, en wanneer soms overvloed van werk hem aan zijne kamer bond, ontving hij een geestig briefje van den Lutherschen Burgwal, 't welk hij zich haastte met steeds stijgende geestdrift te beantwoorden. Eene kleine onaangenaamheid trof hem nog in de eerste dagen zijner verloving met Betsy. Mevrouw De Huibert verklaarde aan hare zuster, dat zij het „engagement” afkeurde, dat zij van André als aanstaand schoonbroeder niets wilde weten, omdat hij niet „soliede” was, en geen „avenir” had aan het ministerie. Zij voegde er geen enkel woord bij, om hare beschuldigingen te staven. Na dien tijd ontstond groote verkoeling tusschen de beide zusters. Betsy had natuurlijk geene geheimen voor André, zoodat beiden maar al te goed wisten, uit welken hoek deze ongunstige moesson was opgestoken.

Intusschen verliep de winter van 1854 op 1855. De beide jongelieden maakten steeds nieuwe plannen. Mevrouw Muller Belmonte billijkte André's wensch, om de verloving niet langer te doen duren dan volstrekt noodzakelijk was. Het eind van hun „engagement” werd voorloopig vastgesteld na Letje's komst uit Pau, en daar men voortdurend de beste berichten ontving, hoopten allen, dat deze volledig en voor goed hersteld omstreeks Juni zou terugkeeren. Dan had men de financiëele belangen te overwegen. André's inkomen als adjunct-commies was niet voldoende, daarom stelde Betsy voor met de muzieklessen door te gaan—ze hadden immers ook voor mama te zorgen, die men niet alleen kon laten na al hare rampen, en die ook niet van de vijfhonderd gulden uit Amsterdam kon leven.

Aardig was het de strijd tusschen de jongelui bij te wonen. André wilde niets weten van Betsy's voorstel. Wanneer ze getrouwd waren, zou Betsy geen enkele les meer geven. Hij zou werken, als er gewerkt moest worden. Tot nog toe was het hem gelukt buitengewone dingen te doen voor Letje's herstel, waarom zou hij hetzelfde niet kunnen doen, nu hij voor Betsy's geluk moest zorgen. Zijne vrouw, de goede genius van zijn huis, onder den lichaam- en geestdoodenden arbeid van pianolessen te doen zuchten, terwijl zij zijn naam droeg, scheen hem een gruwel. En ten slotte werd in dien geest besloten. André's inkomen als adjunct-commies, zijne bijzondere verdiensten door wetenschappelijken en letterkundigen arbeid, de bijdrage van mama Muller—dit alles zou het bedrijfskapitaal uitmaken voor de aanstaande huishouding.

Gedurende het voorjaar van 1855 klommen André's verwachtingen steeds hooger. Zijn naam stond nu naast dien van professor Van Dam op den omslag van het „Tijdschrift voor Staatswetenschap”. Alles ging voor den wind. Hij had alle mogelijke aanleiding tot botsingen met zijne chefs vermeden. Misschien had ook de brief van professor Van Dam geholpen. Daarbij kwam, dat André op zijn hoede was, wanneer hij over de binnenlandsche politiek van den dag iets te zeggen had. De zonderlinge datum van 1 April bracht eene kleine verandering, die niet veel goeds voorspelde. De „Staats-Courant meldde, 1o. het allereervolst ontslag van Baron Van Berenvelt als secretaris-generaal bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken; en 2o. de benoeming van een opvolger, die niemand anders bleek te zijn dan Jhr. Mr. Arnold van Reelant.

Het geheele personeel aan het ministerie had dien slag verwacht. De ongesteldheid van den heer Van Berenvelt was niet geweken. Men vernam, dat hij alleen van volstrekte rust op zijn vorstelijk buitengoed in de provincie Utrecht herstel hoopte. André ondervond geene andere gevolgen, dan dat men altijd meer inspanning van hem vorderde. Persoonlijk scheen Van Reelant zich nu niet veel meer om hem te bekommeren. De dienst bracht André thans in aanraking met den referendaris, die den secretaris-generaal ad-interim opvolgde in diens vroegere betrekking.

Zoo naderde de tijd, die de gelukkigste zou kunnen worden van zijn geheele leven. De familiën te Leiden en Den Haag vonden geen bezwaar in het huwelijk van André en Betsy. De laatste brieven van Letje waren overvloeiende van geluk en levensvreugd. Zij zou in de eerste dagen van Juni terugkeeren, om tegenwoordig te zijn bij de „receptie” van André. Men verwachtte haar Zaterdag 4 Juni te Leiden, en daarom teekenden de jongelui Donderdag 2 Juni aan. Het was na dezen heuglijken dag, Vrijdagsmorgens, dat André zich wederom stipt te tien uren in zijne kamer aan het ministerie bevond. Hij was in zeer vergenoegde stemming. Hij regelde zijne papieren en boeken. Het eerst dacht hij aan een verzoek, dat hem dien dag te doen stond. Hij wilde tegen Donderdag 15 Juni voor acht dagen verlof aanvragen, ter gelegenheid van zijn huwelijk. Hij nam zich voor er dien morgen met den referendaris over te spreken. Terwijl hij eenige papieren in zijne brieventasch bergt, valt zijn oog op den laatsten brief van Letje.

Hij kan der verzoeking geen weerstand bieden hem nog eens te herlezen.

Pau, 29 Mei 1855.

„Beste André!

„Het is dus vast afgesproken, dat ik Zaterdag den 4den Juni thuis kom.

„Mijn hart klopt van ongeduld, als ik aan Leiden en aan u allen denk. Sterk en gezond keer ik terug, er is een mirakel met mij geschied!

„O, André! ik ben zoo dankbaar, zoo innig dankbaar—vooreerst aan den algoeden Bestuurder van mijn lot; dan aan deze verrukkelijke natuur, die ik nooit vergeten zal; dan aan u, mijn braven, lieven, allerliefsten broer!

„Ik neem afscheid van Pau en van alle mooie plekjes hier in den omtrek!

„Hoe heerlijk is dit schoone land, hoe weldadig de altijd heldere zonneschijn, hoe versterkend de frissche luchtstroomen in de schoone vallei van Ossau!

„Wat zal ik je er veel van vertellen! Mijn heel volgend leven zal ik er van kunnen spreken....

„Buiten de oude stad met het hooge kasteel van Jeanne d'Albret en Henri de Béarn, dat ik dikwijls heb doorwandeld,—buiten de stad ken ik alle wegen, alle heuvelklingen, alle ravijnen. Wij zijn hier in den vollen zomer. De goudblonde maïsoogst staat al te rijpen in het dal.

„Hoe dikwijls heb ik groote wandelingen gemaakt langs den stoffigen, witten weg, die zich slingert als een lint van zilver naar de altijd hooger rijzende bergtoppen. Mij beschermde de schaduw der oude krachtige olmen met macht van takken—takken, die soms reeds bij den wortel beginnen op te schieten, en waarvan het weelderig groen zich immer dichter ineenstrengelt ondanks lagen van wit stof.

„Hoe verschillend ook van de Hollandsche natuur, geeft dit landschap mij toch dikwijls aan Holland te denken. De blauwe klokjes en de witte windekelken, die hier in het hooge gras aan den weg bloeien, zelfs de vergulde wespen, die in de kelken dommelen, herinneren mij den weg van Leiden naar Leiderdorp.

„Maar de schrille platanen met hunne glimmende bladeren brengen mij weer terug naar de Pyrenaeën. De heuvelklingen golven hooger en hooger, de hemelsblauwe tint gaat langzaam over in een zacht violet. Eindelijk zie ik met een nauwelijks te bespeuren omtrek le Pic du Ger”....”

André wordt gestoord in zijne lezing.

De bode verschijnt, en zegt op de gewone, eentonige wijze:

„De secretaris-generaal vraagt naar u, meneer!”

Verward ziet de jonkman op. Hij knikt, en traag schuift hij zijn stoel weg. Dat was in lang niet gebeurd, maar daarom niet versaagd—hij is gereed.

Bedaard loopt hij langs gangen, en daalt hij trappen af, die hem naar de kamer van den secretaris-generaal zullen brengen. Hij opent de dubbele deur, en vindt Van Reelant statiger en hooghartiger dan ooit te voren bij de schrijftafel. Zoodra hij binnentreedt, keert Van Reelant zich om, en klinkt het afgemeten:

„Wees zoo beleefd plaats te nemen, meneer De Witt!”

André gaat zitten op dezelfde plek, waar hij eenmaal zulke pijnlijke oogenblikken sleet.

Hij zwijgt. De secretaris-generaal zoekt een oogenblik, en grijpt eindelijk eene krant, die hij wijd openslaat.

„Meneer De Witt! Tot mijn bijzonder leedwezen zie ik mij verplicht u na al het gebeurde al weder bij mij te ontbieden. Ik las gisteren in het Handelsblad een hoofdartikel met uw naam geteekend, onder den titel: „De Krimoorlog en de Triple-Alliantie”—het artikel is immers van u?”

„Zeer zeker, meneer Van Reelant!”

„Ik wenschte, dat het niet zoo was. Ik ben nu genoodzaakt u te zeggen, dat u ditmaal alle voorzichtigheid uit het oog heeft verloren. Dit artikel gaat veel te ver! Met uw verlof! Het is mijn voornemen niet, na al hetgeen wij vroeger bespraken, thans opnieuw in een uitvoerige discussie te treden. Het zal voldoende zijn u een paar zinnen uit uw artikel aan te wijzen....”

André was te veel overrompeld, om snel te kunnen antwoorden. Al langer dan een jaar gaf hij van tijd tot tijd een artikel over de geschiedenis van den dag in het Handelsblad, immer met zijn naam onderteekend. Tot nog toe scheen hieruit geen aanstoot te zijn genomen. En nu eensklaps had hij zich opnieuw te verantwoorden....

Van Reelant zocht eene pooze, en zei toen haastig:

„Zie hier, meneer De Witt! Daar lees ik in de eerste plaats: „Hoe heuglijk ook de Triple-Alliantie (Engeland, Sardinië, Frankrijk) voor het belang der menschheid moge geacht worden, het is een treurig drama, dat in de Krim nu weldra zijne ontknooping gaat vinden. De edelmoedige Fransche natie gehoorzaamt niet aan de inspraak harer eigen ridderlijke natuur, maar zendt, gekromd onder den schepter van een politiek avonturier als Napoleon III, hare dapperste zonen uit, om, aangevoerd door een schelm als Saint-Arnaud, een samenzweerder als Canrobert, en een wreedaard als Pélissier, hare beste krachten te verspillen....”

Van Reelant hield even op, en zag André aan.

„Deze halve volzin is al meer dan voldoende, meneer De Witt! Het is niet mogelijk dwazer, kinderachtiger en ongepaster te spreken!”

„Maar het is waarheid!”—viel André in.

„Er wordt hier niet gevraagd, wat u waarheid blieft te noemen. Wij behandelen hier eene andere quaestie. Mag een ambtenaar aan dit departement op deze wijze van bevriende souvereinen spreken? Bevat onze strafwetgeving geene termen om aan dergelijke dwaasheden voor goed een eind te maken?”

Van Reelants stembuiging klonk dreigend, hij zag den adjunct-commies met een vernietigenden blik aan. André werd doodsbleek. Hij antwoordde:

„Mij zijn dergelijke termen niet bekend!”

„Dat is mij onverschillig! In elk geval bestaan er termen, om uwe verdere loopbaan als ambtenaar van den staat te schorsen, meneer De Witt!”

André liet zich gelukkig weinig door deze bedreiging van de wijs brengen, en hernam snel:

„Als de staat van zijne ambtenaren vordert, dat men uit beleefdheid voor vreemde souvereinen de historische waarheid met voeten trede, dan is het voor mij wenschelijk niet langer zijn ambtenaar te blijven!”

„Het verheugt mij u zoo verstandig te hooren spreken, meneer! Maar ik zal mij nog de moeite geven u op een tweeden volzin te wijzen, die alle verdere tegenstribbeling onmogelijk maakt. Zie hier: „De dynastie der Napoleons is reeds op zich zelve voor Frankrijk eene nationale ramp, maar een vorst als Napoleon III is meer. De eerste keizer met den pulverdamp van Austerlitz, Wagram, Jena—met zijne eenvoudige grijze overjas, met zijn kleinen, wereldberoemden steek, met zijn schitterenden stoet van generaals—de eerste keizer, op het bergvlak van Sint-Helena den kijker richtend naar den kant van Frankrijk—de eerste keizer, spelend met de kinderen van den Engelschen pachter op Old-Longwood-House, de kinderen van Sir Hudson Lowe's ondercipier—de eerste keizer blijft met al zijn goed en al zijn kwaad een heros, eene epische figuur in de wereldhistorie.

„De tweede keizer met een stuk vleesch op den hoed te Straatsburg—wegzinkend in het slijk van Boulogne met zijn vriend Fialin—wegsluipend uit het fort Ham in het metselaarspak van Badinguet—op den tweeden December 1851 de vrijheid onder de voeten tredend, de Bank van Frankrijk met linietroepen omsingelend, de uitmuntendste burgers in ballingschap zendend, zijn eed brekend—de tweede keizer met zijn vijf en een half millioen stemmen, met zijne gedeputeerden en zijne senatoren, met zijn corpulenten vriend Plon-Plon, die in de Krim ziek wordt en zich schielijk uit de voeten maakt—de tweede keizer, met zijn geheimzinnigen broeder de Morny en zijn lomp werktuig de Persigny, levert, al mocht ook Pélissier den Malakoff veroveren, niet meer dan eene droevige caricatuur van zijn grooten voorganger, ten hoogste de stof schenkend tot eene woedende satire!”

„Volkomen juist!”—barst André uit.

Van Reelant zwijgt geruime pooze, alsof verontwaardiging hem het spreken moeilijk maakte. Eindelijk zegt hij, zonder op André's uitroep te letten:

„Zoo iets te schrijven en met zijn naam te bezegelen zou voor ieder Nederlander, wie ook, hoogst onhebbelijk zijn. Maar voor een ambtenaar aan dit ministerie is het brutaal en ploertig—houd mij het woord ten goede! Ik voeg er dus een ernstigen raad bij. Meneer De Witt! wees zoo goed binnen tweemaal vier en twintig uren uw verzoek om eervol ontslag aan den minister toe te zenden!”

„Het spijt me zeer, meneer Van Reelant!”—antwoordde André uiterst bedaard.—„Ik kan uw raad niet volgen! Zoo er termen voor zijn, mag de minister mij ontslaan, eervol of niet!”

Van Reelant stond op. Een lichte blos van toorn kleurde zijne wangen.

„Meneer De Witt! Er zijn nu woorden genoeg verspild! Van het begin af heb ik u gehouden voor een zeer onbeduidend ambtenaar. Misschien heeft u aanspraak op wetenschappelijke verdiensten! Dat schijnt zoo. Ik wil het niet betwisten. Maar als ambtenaar, meneer! is u totaal ongeschikt. Komt uw verzoek om ontslag niet binnen den door mij gestelden termijn in, dan zal ik maatregelen nemen. De onaangename gevolgen zijn voor uwe rekening!”

André stond onverschrokken voor den secretaris-generaal. Hij antwoordde kalm en beleefd:

„Ik wacht uwe maatregelen met volkomen gerustheid af. Van plichtverzuim kan men mij niet beschuldigen! Behaagt het den minister mij uit mijne betrekking ontslag te geven, dan zal hij mij zeker de motieven meedeelen, en de publieke opinie zal beslissen!”

Van Reelant glimlachte schamper.

„De publieke opinie, meneer! zal zich aan het ontslag van een ondergeschikt ambtenaar, als u is, bitter weinig laten gelegen liggen. Het spijt mij, dat u zich aan dezen stroohalm vastklemt! In uw belang raad ik u nogmaals aan, om ontslag te vragen. Het is mij onmogelijk u eenige hoop te geven! Geloof niet, meneer De Witt! dat het mij te doen is u iets onaangenaams te zeggen, mijne betrekking brengt mee, dat....”

Maar André liet zich niet door valsche uitvluchten van den weg brengen.

„Ik dank u voor uwe belangstelling, maar blijf bij mijn besluit. Ik vertrouw op de wijsheid van den minister en op mijn goede zaak!”

„In dat geval, meneer! heb ik u niets meer te zeggen! Ons onderhoud is afgeloopen!”

André boog met een kloppend hart, maar verborg zijn ontsteltenis.

Van Reelant zag op de pendule. Al kwart over elven. En er was nog zooveel af te doen dien dag. Hij zou te twaalf uren het ministerie verlaten, omdat hij op reis moest. Met groote haast gaat hij aan 't werk. Allereerst plaatst hij op zijn memorandum den naam van den adjunct-commies De Witt. Zoodra hij den minister spreekt, zal hij een voorstel tot ontslag van dezen onbruikbaren ambtenaar indienen.


TWAALFDE HOOFDSTUK.

Nemesis.

Toen de secretaris-generaal na voorspoedig volbrachte morgentaak klokke twaalf uit het ministerie te voorschijn kwam, had hij de zaak van André reeds volkomen vergeten. Hij had den minister tevergeefs gewacht. Doch dit was maar uitstel van „executie”. Zoo spoedig Van Reelant den Baron Van Berenvelt in werkelijkheid was opgevolgd, besloot hij een ambtenaar als De Witt van het ministerie te verwijderen. Een jongmensch met zulk een uiterlijk en zulke denkbeelden was volkomen overbodig aan Buitenlandsche Zaken—hij behoorde thuis bij de redactie van een zoogenaamd „liberaal” dagblad, of kon misschien dienst doen als secretaris van een reizend paardenspel. Bij de eerste gelegenheid zou hij hem van de lijst der ambtenaren doen schrappen. Daar kwam bij, dat André in vereeniging met dat fijne pianojuffertje aan Suze zijne huwelijksplannen had ontdekt, 't geen hem onaangename oogenblikken genoeg bezorgd had. Hij trachtte evenwel zich zelve diets te maken, dat hij op dergelijk „motief” niet lette, en dat alleen het staatsbelang tot richtsnoer zijner handelingen strekte.

Vrijdag, den 3den Juni 1855, zou een merkwaardige dag in het leven van den nieuwen secretaris-generaal worden. Hij werd dien namiddag op Claarberg, de villa van Baron Van Berenvelt, gelegen aan den schoonen weg van Utrecht naar den Bilt, verwacht. Zijne verloving met freule Adèle zou eindelijk plechtig worden bekend gemaakt aan de vrienden. Tot nog toe hadden ernstige bezwaren dit verhinderd. Tijdens den herfst en den winter van het vorige jaar had Adèle niets willen weten van eene „officieele” verloving, mocht ze ook „officieus” Van Reelant de heerlijkste vooruitzichten hebben geopend. Zoolang de heer Van Berenvelt worstelde tegen de koortsachtige onrust, die hem na zijn ernstige ziekte kwelde, mocht men alleen aan hem denken. Adèle verlangde uitdrukkelijk, dat deze geheele zaak voor ieder, zelfs voor haar vader, een diep geheim zou blijven. Eerst, wanneer alle gevaar geweken was, wanneer haar vader volkomen gezond naar het ministerie zou teruggekeerd zijn, eerst dan mocht Van Reelant zijn aanzoek herhalen.

Deze had zich stipt naar het verlangen van Adèle gedragen. Tot nog toe waren de geruchten van zijne verloving in de Haagsche kringen door de feiten gelogenstraft. Men hield het er algemeen voor, dat de zaak mislukt was, en toen met den eersten April 1855 de benoeming van Van Reelant in de Staats-Courant verscheen, mompelde men van „une fiche de consolation”. De heer Van Berenvelt, die den jonkman geenszins tot zijn schoonzoon wilde verheffen, had ten minste gezorgd hem tot zijn opvolger te doen benoemen—en menigeen sprak met een diepzinnig gezicht over Van Reelants schitterende „carrière”.

Op deze wijze had de laatste zich buiten alle lastige bezwaren gehouden. Suze, die met korte tusschenpoozen, geregeld verscheen, en nooit naliet de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, had hem nog van tijd tot tijd met vlagen van jaloezie gekweld. Daar hij genoodzaakt was haar zoo lang mogelijk om den tuin te leiden, nu hij door samenloop van omstandigheden dit overblijfsel van zijn verleden uit Osterwolde niet kwijt kon raken, had hij haar meer en meer opgedrongen, dat er van een huwelijk met Adèle geen sprake kon zijn. Zijn plan bleef Suze plotseling voor een voldongen feit te plaatsen, en, mocht zij dan tegenstribbelen, mocht zij de familie Van Berenvelt met hare aanspraken lastig vallen .... hij zou zorgen, dat men daar voldoende ingelicht werd. Hij kon om harentwil zijne toekomst niet bederven. Soms dacht hij met zorg aan het oogenblik, dat zij hem rekenschap van zijne beloften zou vragen, maar hij besloot kalm en waardig den storm het hoofd te bieden.

In zijn voordeel bleef het, dat geen enkele Hagenaar het drama van Lindenstein kende—zelfs in Osterwolde was men nog niet volkomen op de hoogte. Voorts had men in Haagsche kringen weinig wetenschap van zijne betrekking tot mevrouw De Huibert. Suze had zich altijd zeer bescheiden naar den achtergrond teruggetrokken, en den meesten tijd met lezen en handwerken op hare kamers in het Westeinde doorgebracht. Mocht iemand door een toeval weten, dat Van Reelant soms des avonds bezoek had ontvangen van eene welgekleede dame, dan hechtte men daar zoo bijster veel gewicht niet aan. Men zou geene nadere inlichtingen hebben kunnen verkrijgen, bij Emile van Pommeren, fils. Deze was veel te goed opgevoed, om op zulk eene vraag te willen antwoorden en de oude huishoudster Anna hechtte meer aan Nederlandsche standaardpenningen dan aan praatjes met nieuwsgierige kwaadsprekers.

Intusschen gingen herfst en winter voorbij, maar verbeterde de toestand van den heer Van Berenvelt niet. Van Reelant bleef hem geregeld bezoeken, en van raad dienen. Allerlei medische adviezen werden gehoord. Ten slotte behield het gevoelen de overhand, dat de Baron de volstrekste rust moest in acht nemen. Gehechtheid aan zijn ambt had den hoogst achtenswaardigen man voortdurend doen vragen naar tal van zaken, die hem het hoofd vervulden en bezorgd maakten. Zeer moeilijk ging het, hem te overreden, dat hij op zijne hooge jaren en met zijne zwakke gezondheid niet meer in staat zou zijn het ambt van secretaris-generaal te vervullen. In de gure Februari-maand van 1855 kwam een lichte herhaling der oude kwaal den Baron nadrukkelijk waarschuwen. Toen nam hij een besluit. Hij vroeg zijn ontslag, en beval met volle overtuiging Van Reelant tot zijn opvolger aan. Van het voornemen der jongelieden had hij alleen een duister vermoeden ten gevolge eener zeer bescheiden toespeling door Van Reelant eens in het voorbijgaan gemaakt, maar later had hij er niet meer aan gedacht.

Alles werd naar zijn wensch geschikt. In de laatste week van Maart vertrok hij voor goed naar Claarberg, zijn heerlijk buitenverblijf aan den Bildtschen weg bij Utrecht, en onmiddellijk daarop volgde zijn eervol ontslag in de vleiendste en waardigste termen. De Koning schonk hem daarbij het commandeurskruis van den Nederlandschen leeuw, en ieder, die hem aan het ministerie of in de Haagsche kringen gekend had, betreurde het vertrek van een der braafste en invloedrijkste mannen uit de residentie.

Tusschen Van Reelant en Adèle was bepaald, dat er van hunne plannen niets bekend mocht worden, voordat de heer Van Berenvelt in duurzame beterschap toenam. En dit was nu ook door een wonderwerk, naar het scheen, zoo geworden. Vrij van alle beslommeringen, herademend door de volledige vrijheid en rust, was de Baron al in Mei zóó welvarend, dat hij bij wijlen zich voorstelde zijn ontslag te vroeg genomen te hebben. Daar de oude kracht en vlugheid van geest evenwel niet terugkwamen, verblijdde hij zich ten minste in zijne goede gezondheid. En nu begon Van Reelant zeer langzaam Adèle bij zijne beleefde visites op Claarberg aan haar woord te herinneren. Doch alles liep boven verwachting af. De heer Van Berenvelt had wel voor goed het plan opgegeven, om ooit weer practisch werkzaam te zijn, maar gaarne zou hij nog van tijd tot tijd zijn oud terrein eens terugzien. Dat zijne Adèle de echtgenoote zou worden van den hoogstbekwamen vriend, die hem opvolgde, was hem een aangename gedachte. Zoo zou hij voortdurend nog midden in den strijd leven, nog deelnemen aan alles, wat hem eenmaal het hoogste belang inboezemde. Hij zou bij aanhoudende beterschap den winter in Den Haag kunnen doorbrengen. En daarbij kwam, dat Adèle geen oogenblik aarzelde, toen hij haar vroeg, of zij van ganscher harte den man harer keuze liefhad.

Onder zoodanige omstandigheden was tot vreugde van alle in deze zaak betrokken partijen vastgesteld, dat de verloving tusschen den nieuwen secretaris-generaal en jonkvrouw Adèle van Berenvelt gedurende een feestelijken maaltijd aan een uitgelezen kring van familieleden en vrienden zou worden bekend gemaakt.

Van Reelant had lust luid te zingen, toen hij den weg naar huis insloeg. Maar dit zou kwalijk passen voor zulk een achtbaar man, als de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken. Niet minder hoog sloeg zijn hart daarom van jubel. Weldra zou hij een der vermogendste ingezetenen uit de residentie worden; hij zag zich elken weg geopend, hij droomde zich elke hoogte bereikbaar, elken lauwer verkrijgbaar, elke overwinning behaalbaar, elke kroon beschikbaar. Eer- en zelfzucht zongen een triumflied in zijn liefdeloos, dor gemoed—hij had gewild en had gewonnen. Wat hij aan uiterlijke omstandigheden verplicht was, liet hij buiten rekening, ter zijde schuivend, dat de toevallige vriendschap tusschen zijn vader en den minister van Buitenlandsche Zaken den grond gelegd had voor zijn onverwacht en schielijk fortuin.

Hij gaf zich zelven liever de eer. Hij had met inspanning gearbeid, alleen zijn doel in 't oog gehouden, hij was geen voetbreed ter linker- of rechterzijde geweken; dus had hij de zege aan eigen kracht te danken. Zoo was de voorstelling van zaken naar Van Reelants opvatting. Van tijd tot tijd sloeg hij een trotschen blik om zich heen. Het trof hem, dat de Juni-zon zoo feestelijk op de boomen aan den Vijverberg fonkelde, en dat er een mantel van goud over den gevel van het huis der familie Van Berenvelt scheen uitgespreid. Boven zijn hoofd was de lucht zoo blauw, dat het een lust was om te zien. En bijna alle voorbijgangers, die hij ontmoette op zijn korten tocht naar de Hoogstraat, namen hunne hoeden af—de secretaris-generaal van Buitenlandsche Zaken was algemeen gezien en geëerbiedigd.

Met zich zelven en de wereld op den besten voet klom Van Reelant eenige minuten over twaalf de trap op van zijne bovenwoning. Even dejeuneeren, snel wat toilet maken, en dan tegen twee uren met de vigilante naar het station van den Hollandschen spoor, dat zou uitmuntend gaan. Over Rotterdam naar Utrecht, zou hij omstreeks halfvijf aankomen; het rijtuig van den Baron zou aan het station staan. Hij had nog tijd genoeg. Hij behoefde zich niet te haasten.

Er liggen geene brieven of papieren op hem te wachten in de voorkamer. Hij gaat naar zijne studeer- en kleedkamer, hij belt. Langs de binnentrap nadert langzaam de oude huishoudster, altijd geheel in 't zwart.

De groene portière beweegt zich. Anna treedt buigend binnen.

„Heb je mijn déjeuner klaar, Anna?”

„Ja meneer, onmiddellijk!”

„Goed!.... wacht even, Anna!”

„Ja, meneer!”

„Ik ben voor niemand thuis, als er gebeld wordt. En laat kwart voor twee een vigilant komen!”

„Ja, meneer!”

Een oogenblik later staat een klein tafeltje aan 't raam voor het ontbijt gereed. Anna zorgt er voor, dat aan haar heer niets ontbreekt—fijn tafellaken en servet, een malsche karbonade—voortreffelijk gebraden—versch brood en eene karaf met Saint-Emilion heeft ze bijeengebracht. Van Reelant neuriet nu een wijsje, dat hij op straat niet buiten de omheining zijner tanden durfde te doen gaan. Hij ziet met onuitsprekelijk plezier naar den tuin van zijn huisheer, den welopgevoeden Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour. De zon werpt stroomen van goud over de dichte kruinen van een paar stokoude pereboomen en een aantal perken met rozen, geraniums en goudsbloemen. De tuin is niet groot, maar zonnelicht heerscht er in de blakende almacht, en zwermen van witte vlinders drijven er op de gulden stralen langs de geurige kelken der bloemen.

Het gezicht in den tuin stemde zoo allervroolijkst, dat Van Reelant met buitengewoon plezier zijne karbonade aansneed, en zijn eerste glas wijn dronk. Met het vooruitzicht dien namiddag nog een zijner liefste wenschen vervuld te zien, wreef hij zich plotseling van louter blijdschap de handen. Hij zou een luiden kreet van jubel hebben willen uitschreeuwen, maar het gevoel zijner waardigheid, dat hem nooit in den steek liet, en daarenboven de deftige huishoudster, die beschuitjes, kaas en gember bracht, weerhielden hem.

„Anna! De vigilant kwart voor twee, niet waar?”

„Ja, meneer!”

„Laat niemand me storen! Ik heb nog wat te doen!”

„Ja, meneer! Heeft meneer nog iets noodig?”

„Dank je!”

„Nu, dan zal ik meneer maar goeie reis en veel plezier wenschen!”

„Dank je, Anna!”

Deftig als altijd ging de zwarte gedaante heen.

Van Reelant toeft nog een oogenblik aan het déjeuner. Haastig drinkt hij zijn laatste glas. Hij wil de noodige zorg wijden aan zijne kleeding, want het is heden een zeer gewichtige dag. Hij verdwijnt in zijn slaapvertrek.

Deze kamer was minder royaal en ruim, dan de overige vertrekken, eigenlijk niet veel meer dan eene vrij donkere alkoof, met eene enkele deur uitkomende in de studeerkamer. Van Reelant hing er jas en vest aan een kapstok en opende zijne linnenkast, om een fraai gestreken overhemd en eene witte das te kiezen. Weldra klaar, keert hij naar zijne studeerkamer terug.

Met een rauwen schreeuw, plotseling hem ontsnapt, blijft hij staan....

Vlak tegenover hem .... verschijnt Suze.

Hare oogen schitterden van eene buitengewone aandoening. Haar gelaat straalt als van hemelsche vreugde. Zijn kreet vernemend, valt er een lichte schaduw over haar gelaat, en terwijl ze nader treedt, zegt ze met eene zachte, bedeesde stem:

„Heb ik je doen schrikken, Arnold?”

Van Reelant kampt tegen eene dier opwellingen van razende drift, die ook den verstandigsten man zouden kunnen bewegen, om een met eindeloos geduld opgetrokken gebouw van „speculatiën” door een enkelen slag te vernietigen. Maar hij herstelt zich in eene seconde. Hij glimlacht flauw, en, daar hij oogenblikkelijk geen enkel woord kan uiten, wijst hij op het overhemd en de das, die hij in handen heeft, alsof hij zeggen wilde: laat mij dit eerst wegleggen.... Suze schijnt te herleven. De eerste uitdrukking van naamloos geluk keert terug. Zij vestigt een blik vol innige liefde op Van Reelant, terwijl deze met half gefronste wenkbrauwen naar de tafel loopt, en langzaam het overhemd ter zijde legt.

Suze kan haar verlangen, om te spreken, niet bedwingen. Zij nadert, en zegt zoo zacht en teeder mogelijk:

„Ik stoor je, Arnold! O, wees niet boos! Iets geheel buitengewoons, iets geheel onverwachts noodzaakte mij op dit uur te komen. Arnold!.... De Huibert is dood! Ik ben weduwe!”

Van Reelant bleef sprakeloos stilstaan. Oogenblikkelijk maakte zich een gevoel van hem meester, of hij eene Jobstijding vernomen had. Hij bewoog zich niet. Hij wilde kalm blijven. Er was geen tijd te verliezen.

Suze nadert hem vastbesloten. Zij legt haar linkerarm op zijn schouder en vervolgt:

„Zooeven kwam een brief uit Osterwolde. Onze oude meid, Kaatje Verschuur, die met onzen koetsier is getrouwd, heeft mij uit vriendschap en dankbaarheid altijd op de hoogte gehouden van wat er in Osterwolde voorvalt. De Huibert, die dagelijks door velden en bosschen trekt op zijne landgoederen in Hannover, heeft een val gedaan. Hij is van zijn paard gestort, is doodelijk gewond naar zijn huis vervoerd, heeft geen woord meer gesproken en is eergistermorgen overleden en .... nu ben ik weduwe .... weduwe, Arnold!”

Geen aasje smart over den dood van den edelen man, wiens leven zij zoo wreed had verstoord, teekende zich op hare trekken. Zij juichte in den overmoed van haren hartstocht. Zij was volkomen gelukkig.

Van Reelant heeft snel den toestand overzien. Hij moet haar terstond zien te verwijderen, de tijd dringt. Gedwongen antwoordt hij:

„Dat is een gewichtig nieuws!”

„Niet waar! Ik wilde er niet mee wachten, en daarom kom ik voor het eerst op dit uur. Maar nu hoef ik mij ook niet meer te verbergen voor het oog der menschen, niet waar? Nu wordt ik over een paar weken je vrouw, mijn beste Arnold!”

Van Reelant onttrekt zich zacht aan hare omhelzing.

Strak glimlachend zegt hij:

„Om je de waarheid te zeggen, ik heb niet heel veel tijd tot praten. Ik moet om twee uren naar Rotterdam!”

„Ga dan een trein later! Eerst moeten we overleggen, wat ons na dit groote feit te doen staat!”

„Onmogelijk! Dringende zaken....”

„Er kunnen geen dringender zaken zijn, dan die wij nu te behandelen hebben!”

Suze spreekt op vasten, beslissenden toon. Er valt weer eene schaduw over haar gelaat.

Van Reelant wordt onrustig.

„En waar wil je dan eigenlijk over spreken?”

„Ik wil spreken over het onverwacht geluk, dat met één slag plotseling voor ons aanbreekt, Arnold! Nu behoeven we niet meer te veinzen, te huichelen, te intrigeeren. Nu kan ik openlijk zeggen: dat is mijn man! O, ik wist wel, dat mijn trouwe, innig trouwe liefde eindelijk zou beloond worden!”

En zich plotseling aan zijn borst werpend, lispt zij vleiend met bijna onhoorbare stem:

„Lieve man! Wanneer wordt ik nu voor de wereld je vrouw?”

„Daar spreken we later over! Ik moet me nu gaan kleeden, om tegen twee uren klaar te zijn .... later .... later....”

Van Reelant maakt zich met een haastig gebaar los, en loopt naar zijne tafel, waar hij een volkomen overbodig onderzoek naar zijn overhemd in het werk stelt.

Suze ziet hem zwijgend aan, terwijl al hare trekken hoogen ernst uitdrukken. Langzaam begint haar oog te fonkelen.

„Moet ik tot later wachten, Arnold?”

„Ja, dat kan nu niet anders!”

„Zijn je zaken zóó gewichtig, dat je niet meer naar me hooren kunt?”

„Zoo gewichtig .... ja zeker!”

„Dus zou het je plezier doen, als ik maar zoo gauw mogelijk heenging?”

„Ik moet vóór twee uren naar den trein!”

„En dit is alles, wat je me te zeggen hebt?”

Van Reelant maakte eene ongeduldige beweging met de rechterhand, maar zweeg.

Suzes oogen stralen met dreigenden gloed. Haar boezem zwoegt. Haar gelaat spiegelt den hevigen strijd af, die in haar binnenste woedt.

Plotseling strekt ze hare hand uit. De mooie zijden parasol valt voor hare voeten.

„Neen, Arnold! dan weet ik het beter!”

Haar vinger wijst driftig naar Van Reelant.

„Ik breng je de blijde tijding”—gaat ze voort—„dat we van De Huibert verlost zijn! Je blijft er volmaakt onverschillig onder! Je spreekt geen woord van ons huwelijk, mij duizendmaal voorgespiegeld en met dure eeden beloofd! Je wilt me graag kwijt zijn! Je moet naar den trein....”

Hare stem stijgt altijd hooger, hare oogen blaken van klimmenden toorn. Zij nadert Van Reelant met uitgestrekten arm.

„En weet je, wat dat alles beduidt?”—vervolgt ze, hevig adem halend.—„Dat beteekent .... dat meneer Van Reelant een ellendeling is, een leugenaar, ja, een lafaard!”

De stem begeeft haar. Zij klemt zich aan de tafel vast. De woedende gramschap doet haar duizelen.

Van Reelants gezicht was doodsbleek geworden.

Hij zag naar den tuin, want de ramen waren opgeschoven. Als men beneden de stem dier razende vrouw eens vernam? De zonneschijn voor eenige oogenblikken zoo luisterrijk, zoo triomfeerend hem toelonkend, was hem nu eene ergernis....

Hij heeft geene minuut te verliezen. Hij ziet niet naar Suze om, hij antwoordt niet, hij snelt plotseling naar zijne slaapkamer, en sluit de deur achter zich.

In de eerste plaats moet hij zich kleeden. Langer uitstel is onmogelijk. Suze zal tot nadenken komen en heengaan. Gelukkig heeft ze zich driftig gemaakt. Gelukkig heeft ze nu door een paar woorden zich op onmetelijken afstand van hem geplaatst. Hij kan haar nu kalm en bedaard ter zijde schuiven. Zij heeft het zelve gewild. De strijd moest toch eenmaal komen, het is beter, dat dit alles nu maar onverwijld worde afgedaan.

Haastig zoekt hij zijn galakostuum. Zijne vingeren beven. Het is wat duister in de slaapkamer, als de deur van het studeervertrek gesloten is. Een venster van matglas laat een flauw licht doorschemeren, waaraan men zich eerst moet gewennen. Toch aarzelt hij geen oogenblik. Hij moet weg. Het zou te laat worden. Hij kan het bericht van De Huiberts dood niet in twijfel trekken. Ongelegen is het gekomen, maar, nu het kwam, moet hij het hoofd bieden aan het gevaar. Hij mag zich niet laten overrompelen. Hij kan zijne toekomst niet bederven. Misschien is het oogenblik nabij, dat hij nog hooger stijgen zal .... het ministerie begint te wankelen, en verliest zijn steun in de Tweede Kamer. De reactie steekt het hoofd op .... er zal een buitengewoon behoudend, misschien een anti-revolutionnair ministerie aan 't roer komen, en waar kan men iemand vinden met schooner „antecedenten” dan de zijne om eene portefeuille in zulk een kabinet te beheeren.... Aan Suze's doodelijke teleurstelling denkt hij niet—aan al de liefde en aanhankelijkheid hem betoond—aan de schoone illusie, jaren achtereen door haar met blind vertrouwen vastgehouden, nu plotseling den bodem ingeslagen .... denkt hij niet—hij ziet de bittere tranen niet, die thans, wijl de gramschap afneemt, hare doodsbleeke wangen overstroomen.

Toen Van Reelant de deur van zijne alkoof sloot, was zij met een luiden kreet ineengezonken op de vloer bij de tafel. Door het hevige snikken waren de keellinten van haar hoed losgestrikt. Zij merkte niet, dat de hoed de parasol volgde. Zij zat met de handen voor het gelaat. De tranenstroom vloeit door hare vingeren. Hevige sidderingen schokken hare geheele gestalte. Eene aandoening van onmetelijke ellende maakt zich van haar meester. De plotselinge tijding van De Huibert's dood had haar op het alleronverwachtst met de hoogste zaligheid vervuld. Binnen korten tijd zou zij nu Van Reelants gelukkige vrouw zijn, zou zij aan zijn arm, als het ware, haar zegepralenden intocht binnen Den Haag doen. Het doel van haar leven was bereikt. Niet aan een onwaardige had zij zich met lijf en ziel overgegeven. Van Reelant zou haar straks luid juichend in zijne armen sluiten, hun geheim verbond zou met eer openbaar worden....

En nu—hij verneemt de groote tijding met de beleedigendste onverschilligheid.

Hij heeft zaken, gewichtige zaken.

Kunnen er gewichtiger zaken voor hem zijn, gewichtiger belang, dan hun reeds jaren te voren ontworpen huwelijk, onmiddellijk na den dood van De Huibert, wanneer die ook mocht voorvallen?

Zij wordt bedrogen, schandelijk bedrogen!

Hij moet op reis, aanstonds .... naar Rotterdam! Maar van Rotterdam gaat hij dan naar Utrecht....

Een pijnlijk geluid ontsnapt haar!

Woedend springt ze op! Hij heeft haar een strik gespannen, haar om den tuin geleid .... als een schelm!

Een plotselinge lichtstraal dringt in hare ontstelde zinnen....

Die belangrijke zaak is .... Adèle van Berenfelt!

Nu klinkt een luider kreet. Zij vliegt plotseling naar de deur met de groene portière. Hijgend, de oogen vlammend, sluit zij de deur met den sleutel, die aan de binnenzijde in het sleutelgat steekt en verbergt daarop dien sleutel in haar zak.

Zij zal hem des noods met geweld beletten te gaan. Zij zal strijden tot haar laatsten ademtocht. Het zal niet gezegd worden, dat zij het doel van haar leven miste uit gebrek aan moed. Zij wil al hare schoone illusiën niet als eene zeepbel zien uiteenspatten, zonder hare laatste krachten te hebben ingespannen....

Maar hij zal geweld met geweld beantwoorden! Hare lippen trillen! Zij slaat een blik naar den schoorsteenmantel, en ziet de verzameling van dolken en wapenen....

Eene hevige, overweldigende smart maakt zich opnieuw van haar meester. Zij buigt het hoofd! Zoover was het dan gekomen, dat zij naar een wapen omziet tegen den man, dien ze ondanks alles met heel hare ziel liefheeft! Dat is er dus geworden van die heilige beloften, hier in dit eigen vertrek haar in de ooren gefluisterd, als hij haar aan zijn hart sloot en zijn mond overvloeide van lof voor hare betooverende schoonheid!

Neen, dat zal niet waar zijn! Zulk eene laaghartigheid is te snood! Hij heeft niet gelogen—hij zal woord houden. Zij droomt, en zal dadelijk ontwaken. Waarom hare drift niet betoomd? Maar zij kon niet anders. Haar toorn was de noodkreet van hare teleurgestelde liefde .... zij kon niet anders!