WeRead Powered by ReaderPub
Elsje cover

Elsje

Chapter 1: Elsje
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A children's story centers on a young orphaned girl raised by her grandmother in a small village, tracing her daily errands, household responsibilities, and friendships. She experiences a deep, appreciative wonder for nature, noticing winter light, frost, and sparkling dew, which enriches otherwise modest circumstances. Episodes include visits to the village shop, playful teasing by neighborhood boys, and small anxieties such as safeguarding a heavy basket. The narrative proceeds episodically, emphasizing domestic care, simple moral lessons, and affectionate bonds across generations within rural life.

The Project Gutenberg eBook of Elsje

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Elsje

Author: A. C. Kuiper

Release date: January 3, 2005 [eBook #14580]
Most recently updated: December 19, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ELSJE ***

Elsje

Haarlem Vincent Loosjes 1906.

Hoofdstuk I.

Een vroolijke Wandeling.

“Als ’t je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar, ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel voorzichtig, hoor. Dag ventje!”

En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd, het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten, dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje, eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween.

“Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen,” zei de bediende, den winkel weer binnengaand. “En wat moet jij nu hebben, Elsje?” vroeg hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder aantrekkelijk maakte.

“Alles is weer op bij ons,” zei ze lachend, waarbij een rij witte tanden zichtbaar werd. “Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort en wat rijst en meel en bruine boonen—van alles weer evenveel als altijd, als ’t je blieft. Hier is mijn mand.”

En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op de toonbank.

“Grootmoeder wat beter?” vroeg de bediende, terwijl hij de verschillende zaken afwoog en in zakjes deed.

“Neen, niet veel,” antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op haar gezicht. “De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week.”

“Het zal langzamerhand wel in orde komen,” klonk het op geruststellenden toon uit den mond van den bediende, “als de winter maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!” vervolgde hij, zich tot een jongen wendend, die den winkel inkwam. “Ben je gevallen, baas? Je ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is.”

“Och, dat droogt wel weer op,” zei de jongen, achteloos een veeg over de bewuste mouw gevend. “Twee ons klontjes voor de koffie, als ’t je blieft.”

“Ziezoo, klaar is Kees,” hernam de bediende, Elsje de gevulde hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. “Dag kinderen, plezierige wandeling samen!”

De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik bij hem opkwam haar voor te laten gaan.

Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen, schitterend als zoovele diamanten.

Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast haar jeugdigen geleider voortstapte. Het was haar aan te zien dat haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou: “Hè, hoe verrukkelijk mooi!” De jongen naast haar liep, een vroolijk deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden, drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen doen juichen en ernstig zijn te gelijk—het was een zekere heilige bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over ’t algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij daarvan nu op haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon.

“Hè,” zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, “wat is het vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in de zon!” vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage, kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan ontelbare waterdroppels flikkerden.

“Ja, allerprachtigst!” lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend, schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend: “En ze spatten ook zoo mooi!”

In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met haar hand afvegend, riep ze: “Dat zal ik je betaald zetten!”

“Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!” plaagde hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden.

“Vreeselijke jongen!” riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen.

Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine boerderij voerde, waar hij thuis hoorde.

“Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!” hijgde Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was, zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan.

“Gelukkig,” zei ze, zich bukkend om haar op te nemen.

“Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!” klonk de stem van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel van den struik, waaronder zij zich gebukt had en dien hij uit alle macht schudde.

Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al weer in en niets dan een plagend geroep van: “Dag Els, dag Els!” bewees dat hij nog in de nabijheid was.

“Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!” riep ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren en toen in huis verdween.

“Ik zal hem wel,” zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, “hij behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen, die brutale jongen!” En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male het gezicht afveegde.

En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien, deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren, die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te zien met een: “Hè, heerlijk!” van innige bewondering, voordat ze het korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die thans door de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit, geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing een verschoten merklap, door Elsje’s grootmoeder bewerkt, toen ze nog een kind was, terwijl de portretten van Elsje’s ouders op de latafel prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders, twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd, terwijl een netjes gerimpelde strook of “val” langs den zwarthouten schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende gelaat bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere, sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden.

Elsje leek niets op haar grootmoeder. Hare oogen waren lichtblauw, evenals die harer eigene moeder geweest waren, ook had zij hetzelfde geelblonde, touwachtige haar van haar moeder. Fijn besneden waren hare trekken volstrekt niet, maar om haar frissche roode lippen lag, zooals wij reeds gezegd hebben, iets guls en prettigs, en uit de vroolijke, blauwe oogen straalde een glans van tevredenheid en geluk, die een groote aantrekkelijkheid verleende aan haar gezicht.

Haar grootmoeder keek Elsje met welgevallen aan, zooals ze thans voor haar stond met wangen rood van de koude en oogen, nog schitterend van het genot, dat de mooie wandeling haar had bezorgd.

“O grootmoeder, wat is het heerlijk buiten!” zei ze, de mand op de tafel zettend. “Ik wou dat u het ook allemaal eens gezien hadt! De zon schijnt zoo mooi en het is zulk lekker weer om te loopen en alles schittert even prachtig en....”

“Ja, ja, ik wil het wel gelooven,” zei de oude vrouw, lachend haar kleindochtertje in de rede vallend, “maar maak nu maar een beetje voort. Je moet het plaatsje nog schrobben en de koffie malen en dan verlang ik erg dat je eens flink aan het breien gaat. Je bent ook nogal lang weg geweest, dunkt me.”

“Och, die vervelende Krelis heeft me weer geplaagd,” zei Elsje met gemaakte knorrigheid, terwijl ze de pakjes uit de hengselmand nam. “Ik zal gauw voortmaken, grootmoeder.”

Zij deed haar kapje en doek af en begon ijverig heen en weer te dribbelen, waarbij het korte vlechtje op haar rug, dat met een zwart veterbandje vastgestrikt en heel stijf gevlochten was, voortdurend in dansende beweging kwam.

Het vuur werd opgestookt, de groote ketel met water opgezet voor de koffie, die straks bij de boterham gebruikt moest worden, sneden brood met roggebrood werden gesneden en gesmeerd en eindelijk werd de koffiemolen uit de kast gehaald en werden de boonen gemalen, waarbij Elsje een even druk gebruik maakte van haar tongetje als van haar handen. De grap van Krelis werd in kleuren en fleuren aan grootmoeder verteld, wier oude oogen van pret begonnen te glinsteren bij het aardige verhaal. Toen was er genoeg koffie gemalen en zei Elsje, het blad met de kopjes klaarzettend en de koffie opschenkend:

“Zal ik nu maar eerst het plaatsje schrobben, grootmoeder? Dan kan de koffie onderwijl trekken.”

“Best kind.”

Ons meisje deed met een gewichtig gezicht een grooten blauwen boezelaar voor, zette haar wollen kapje weer op, deed haar klompen aan en ging naar buiten. En toen volgde er een plassen met water en een geschrob en een klotsen op klompen, dat het een aard had. De roode tichelsteentjes begonnen terdege te glimmen van al dat geboen en toen Elsje eindelijk klaar was met schrobben en met groote handigheid wit zand over het plaatsje had gestrooid uit een wijden, ruwhouten nap, zag het er zoo netjes uit, dat zij niet nalaten kon een goedkeurend knikje te geven, voordat ze in huis terugging.

“Het water zal wel gauw weer bevriezen,” zei ze, “er is zoo weinig zon aan dezen kant, maar het is toch erg opgeknapt.”

“Hè, ik verlang naar mijn boterham,” hernam ze, toen ze haar boezelaar aan den spijker naast den schoorsteen had opgehangen. “Is de koffie goed, grootmoeder?”

“Ja kind, schenk maar eens gauw een warm kopje in.”

Elsje gehoorzaamde, zette het kopje voor de oude vrouw neer en vroeg toen, met een bezorgden blik op het gelaat der grootmoeder, dat plotseling heel bleek geworden en pijnlijk vertrokken was:

“Al weer die akelige pijn op de borst, grootmoeder?”

De oude vrouw knikte met een zwakke poging om te glimlachen.

“Zoo benauwd,” hijgde ze. “Erg benauwd! Wacht maar even.”

Het meisje ging achter haar staan, trok het grijze hoofd zacht naar zich toe en liet het tegen haar schouder rusten. Zoo bleef zij staan, totdat haar grootmoeder weer vrijer begon adem te halen, het kopje koffie opnam, even dronk en zei:

“Ziezoo, nu is het weer over. Hè, dat is een opluchting! Het kwam nu toch ook heel onverwachts.”

“Zal ik u straks nog eens wat van dat drankje geven?”

“Ja, voordat we naar bed gaan. Eet nu je boterham kind, je zult trek hebben.”

Elsje haalde haar breikous uit de bovenste lade der latafel, nam een stoel en ging over haar grootmoeder zitten. En alweer had zij van allerlei te vertellen, terwijl de breinaalden lustig klapperden, de zwarte kous onophoudelijk heen en weer slingerde en nu en dan haar vroolijke lach helder en opwekkend door de kamer klonk. Zij moest vooral haar best doen dat de oude vrouw geen sombere buien kreeg, had de dokter gezegd en hoewel zij eigenlijk nooit anders deed dan het haar grootmoeder zooveel mogelijk naar den zin te maken, spande zij zich nu natuurlijk dubbel in. De wandeling naar het dorp en het bezoek aan den kruidenier gaven haar stof genoeg tot praten, totdat het langzamerhand donkerder werd en zij als vanzelf de breikous in haar schoot liet zakken en stiller werd. Buiten was de maan langzaam en statig opgekomen en verlichtte met een tooverachtig blauwen glans de zwarte, fijne takken der enkele iepen langs den weg. Zacht dreven de witte wolken verder door de blauwe lucht, waartegen de donkere boomtakken scherp afstaken. In het kleine vertrek werd het hoe langer hoe duisterder. De oude vrouw liet haar hoofd voorover glijden, sloot de oogen en sluimerde in. Met de handen over elkaar geslagen en haar gezicht een weinig opgeheven, zat Elsje met ernstige oogen peinzend naar buiten te staren.

Wat was het daar plechtig stil en mooi, dacht ze en hoe aardig was het om oplettend naar boven te kijken naar die grillig gevormde kleine wolken, die in al haar reine witheid langzaam voortgleden. Zou daar nu de hemel achter zijn? En als men die wolkjes van dichtbij zag, van heel dichtbij, zou men ze dan voorzichtig kunnen bevoelen en er met de hand overheen strijken en zouden ze dan zacht en wollig zijn als fijne watten? En hoe kwam het toch dat de maan dat vreemde, blauwachtige schijnsel wierp over de koude, donkere aarde? En o, wat was het mooi, wat was het alles prachtig mooi! God moest wel heel groot en machtig zijn om alles zoo mooi en heerlijk te kunnen maken in de natuur! En hoe moest het wel in den hemel wezen, als het waar was dat daar alles nog veel mooier was dan hier! En....en als zij dan later in den hemel kwam, o, wat zou ze dan wel niet voelen, hier op aarde was het al dikwijls zoo prachtig! Het zou zeker nog heel lang duren, eer zij den hemel zag, zij was nog zoo jong, maar grootmoeder, die zou....

Met een snik van ontzetting, brak zij haar gedachtenloop af. O neen, neen, grootmoeder moest bij haar blijven, zij moest en zou weer beter worden; wat zou Elsje moeten beginnen zonder haar? Zij boog zich voorover om in de schemering naar haar te kijken en hoorde aan de zachte, geregelde ademhaling dat de oude vrouw sliep. En terwijl de tranen haar in de oogen sprongen, vouwde het meisje onwillekeurig de handen en opziende naar de heldere winterlucht daar buiten, zond ze een vurig gebed op tot God om haar grootmoeder nog lang voor haar te sparen.

“Maar Elsje kind, zit je daar nu nog te droomen?” klonk eensklaps de stem der oude vrouw, die, uit haar dutje ontwaakt, verbaasd was, het zoo donker om zich heen te vinden. “Maar meidlief, dat gaat nu toch zóó niet! Kom, steek gauw de lamp aan en brei dan nog, totdat je aan den voet beginnen moet. We moeten onzen tijd niet zoo verspillen, kindje!”

“Maar het is ook zoo prachtig mooi buiten, grootmoeder. Hè!”

En met een zucht onttrok zij zich aan haar droomerij, stond van haar stoel op, stak de hanglamp aan, liet het gordijn naar beneden zakken en begon den koffieboel op te ruimen. Haar grootmoeder sloeg haar onderwijl oplettend gade, schudde even het hoofd, boog zich over haar breiwerk heen en prevelde zacht bij zichzelf:

“Als het maar gaat! Och, als het maar gaat!”

“Klaar!” zei Elsje vroolijk, het koffieblad wegzettend en haar breikous weer opnemend. “Nu nog flink een steekje breien, he grootmoeder? Dat bevalt u beter dan al dat luie naar buiten kijken!”

“Ja zeker, kind. Je moet ook denken dat je....”

Zij eindigde den zin niet, zoodat Elsje verbaasd opzag en een ernstig gezicht zette, toen zij bemerkte hoe bezorgd haar grootmoeder keek.

“Wat moet ik denken, grootmoeder?” vroeg ze zacht.

De oude vrouw antwoordde niet dadelijk; hare lippen trilden en hare handen beefden zenuwachtig en hoewel zij haar mond opende, als om iets te zeggen,—er kwam geen geluid.

Elsje legde haar breiwerk neer en zag haar angstig aan.

“Komt de benauwdheid weer terug?” vroeg ze snel.

“Neen kind,” klonk het half fluisterend. “Neen, maak je maar niet ongerust. Ik wou je alleen maar zeggen,”—en nu klonk haar stem duidelijk en scherp, alsof zij zich geweld aandeed om luid te spreken,—“ik wou je alleen maar zeggen, dat je je best moest doen om niet te droomerig te zijn....”

“Droomerig!” riep Elsje lachend uit. “Maar dàt ben ik toch niet. Ik maak het u toch soms druk genoeg!”

“Jawel, maar je kunt toch van die stille buien hebben, waarin je lang naar buiten zit te kijken, zonder een woord te zeggen of iets uit te voeren. En dan houdt je er van om Zondagsmiddags alleen lange wandelingen te gaan maken, als je de andere meisjes niet mee kunt krijgen en dan vindt je het prettig om uit te gaan, soms in het verschrikkelijkste weer.... En het is nu allemaal wel heel goed om zooveel moois te zien in de natuur—daarvoor heeft onze lieve Heer haar ook geschapen—maar ik zou zoo graag willen, kind, dat je in alles meer een gewoon meisje waart en dat je vooral niet overdreven werdt in sommige dingen. Want....want als ik er eens niet meer ben en als je later eens onder de menschen komt, zal die liefde voor de natuur je niet heel veel helpen om flink door de wereld te komen en moedig je strijd in die wereld te strijden....”

“Grootmoeder,” zei Elsje en zij liep naar de oude vrouw toe en knielde bij haar neer. “Grootmoeder, waarom zouden wij nu al over dien vreeselijken tijd spreken, die na uw dood voor mij komen moet? Wij zijn nu immers nog bij elkaar en ik hoop dat dit nog heel, heel lang zal duren en later....” zij snikte even, maar vermande zich spoedig en vervolgde vroolijk: “dan hoop ik toch mijn best te doen om hier op het dorp of in de buurt te kunnen blijven. En o grootmoeder,”—en zij lachte door de tranen heen, die haar in de oogen waren gesprongen,—“dan ben ik zeker een flinke, stevige boerenmeid en dan kibbelen ze allemaal om me, wie mij in dienst zal krijgen!”

Er kwam een weemoedig glimlachje op het gezicht der oude vrouw, maar zij zweeg en schudde droevig het hoofd. Elsje zag met oogen vol vragende verwondering naar haar op. Wat was er toch? Waarom was grootmoeder van avond zoo gedrukt; wat kon er gebeurd zijn, dat haar in die stemming had gebracht? Zij was gewoonlijk opgewekt en gelijkmatig van humeur, niettegenstaande haar ziekelijken toestand—wat was er toch, dat haar nu zoo bedroefd maakte?

“Is er iets, grootmoeder?” vroeg Elsje bedeesd. “Heb ik iets gedaan, dat u verdrietig heeft gemaakt? Ik weet heusch niet....”

“Neen, neen, Elsje, je hebt je niets te verwijten, hoor! Kom, maak het vuur maar aan kant. Zijn de luiken al gesloten buiten? Dan moesten we maar naar bed gaan.”

Met een kleur sprong Elsje op. “Ik heb al weer vergeten de luiken dadelijk te sluiten, toen ik de lamp opgestoken had,” zei ze beschaamd. “Het spijt me erg, grootmoeder.”

“Lieve meid, hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Doe het nu maar gauw! Hier, sla je doek even om; het is zoo koud.”

Haastig sloeg Elsje den doek om en liep naar buiten. In een wip waren de luiken voor de ramen geduwd, om later van binnen te worden vastgemaakt; toen keek zij nog even op naar den sterrenhemel, die plechtig en rustig neerzag op de donkere aarde en met een ernstige uitdrukking op haar gezicht ging ze weer in huis.

“Ik moet vóór alles oppassen dat grootmoeder niet weer in zoo’n sombere, vreemde stemming komt,” dacht ze. “De dokter heeft er mij zoo voor gewaarschuwd.”

Maar noch de dokter, noch Elsje konden de oude vrouw van den last bevrijden, die haar drukte. En toen haar kleindochtertje reeds lang sliep, lag zij nog wakker, steeds weer gekweld door die ééne, telkens terugkeerende vrees, dien angstigen twijfel, die voortdurend de woorden op haar lippen bracht: “Als het maar gaat, och, als het maar gaat!”

Hoofdstuk II.

Zondagmorgen.

Den volgenden dag was het Zondag. Toen Elsje zich zachtjes aankleedde om haar grootmoeder niet wakker te maken, die nog vast sliep, was het haar, alsof het vandaag nog veel stiller en rustiger om haar heen was dan andere ochtenden. Buiten scheen de zon even vroolijk en gul als gisteren; er was weinig wind en weer was de lucht helderblauw. Alles juist als den vorigen dag en toch ook weer niet zoo, meende Elsje. Zondags zagen de dingen er in hare oogen bepaald anders uit dan op werkdagen. Zij werd dan wakker met wat zij een “echt Zondagsgevoel” noemde en kon duidelijk zien, vond ze, dat alles om haar heen in de natuur in een stemming was, die geheel bij den Zondag paste. De dorpsmeisjes lachten haar uit, als zij zulke dingen zei en Elsje kreeg een kleur en schaamde zich een beetje, maar zij bleef toch bij haar opinie. Zondags was alles anders, niet alleen in de huizen en niet alleen wat de kleeding der menschen aanging, maar ook buiten. En als de meisjes haar dan op stormachtige Zondagen plagend vroegen, of zij nu ook iets bemerkte van de “plechtige Zondagsrust” in de natuur, beweerde zij ernstig dat het buiten toch “anders” was dan op gewone werkdagen.

Vandaag was het buiten dan ook al heel stil en plechtig. De wandeling naar de kerk zou zeker bizonder mooi en prettig zijn straks. Ze legde haar donkerroode, beste jurk vast klaar op een stoel. Eerst moest ze nog haar rok en jakje aan hebben om het vuur aan te leggen en alles in orde te maken vóór kerktijd. Dan kon grootmoeder rustig in haar zonnig hoekje voor het raam blijven zitten, tot zij weer thuiskwam. Het was een erg nette jurk, die roode, vond Elsje. Mietje, de dorpsnaaister, had haar gemaakt met een geplooid lijfje en lange mouwen, met een smal bandje fluweel gegarneerd. Onderaan op den rok had ze een keurige strook gezet met een band smal zwart fluweel er boven; dat stond toch bizonder mooi, dacht Elsje, terwijl ze de jurk op armslengte van zich afhield en met bewonderende oogen bekeek. Toen hing zij het kostbare kleedingstuk uitgespreid over een stoel, legde haar Zondagschen hoed van zwart stroo, gegarneerd met een vuurrood krulveertje en een strikje van zwart lint, op de zitting, haar kerkboek er naast en opende behoedzaam de deur der kleine slaapkamer, die aan het woonvertrek grensde.

En terwijl ze neerhurkte voor de kachel om het vuur aan te maken, lachte ze vroolijk bij de gedachte, hoe ze Krelis op weg naar de kerk zou tegen komen en hoe ze zich dan boos zou houden en voorwenden, niet met hem te willen loopen en hoe hij dan zeker een oogenblik denken zou, dat het meenens was en haar angstig vragend aanzien. Zij was toch altijd twee jaar ouder dan hij en hij moest het eigenlijk een heele eer vinden om met haar te mogen loopen! Ja, dat moest hij en dat zou ze hem toch eens een klein beetje laten voelen, dat zou ze heusch! En ze knikte lachend tegen het vuur, dat hoog begon op te vlammen en grappige, knetterende geluiden maakte.

Daar klonk de stem der oude vrouw uit de slaapkamer.

“Elsje, Elsje!” riep ze.

“Ja grootmoeder, wat is er?” vroeg Elsje, haastig uit haar knielende houding opstaande en naar het bed toeloopend.

“Is het al warm binnen? Ik wou opstaan.”

“Dan zou ik nog maar even wachten, grootmoeder. Ik zal de tusschendeur open laten staan, dan wordt het hier ook een beetje warmer; de kachel begint al flink te branden.”

“Goed, dan wacht ik nog een half uurtje. Maar kind, ik...”

De oude vrouw zweeg plotseling en wendde het hoofd van Elsje af naar den muur, alsof ze toch maar niet meer spreken wilde en zich gereed maakte, nog wat te gaan slapen.

Elsje bleef verwonderd bij het bed staan.

“Wou u nog iets, grootmoeder?”

Er kwam niet dadelijk antwoord. Eindelijk slaakte de oude vrouw een diepen zucht en zonder haar gezicht naar haar kleindochtertje toe te keeren, zei ze:

“Ik .... ik wou liever dat je vandaag niet naar de kerk gingt, kind. Ik voel me tamelijk goed, maar ik wou toch liever niet alleen zijn van ochtend.”

“Ik wil graag bij u blijven,” zei Elsje terstond. “Maar zou het niet goed zijn dat de dokter even kwam vandaag? Ik kan heel gauw heen en terug naar het dorp loopen om het hem te vragen.”

“Neen, neen, dat is heelemaal niet noodig. Maak je maar niet ongerust. Ga jij nu maar voort met je werk, dan sta ik straks wel op.”

En zij trok de lakens over zich heen en sloot de oogen, als om te kennen te geven dat het gesprek nu uit was.

Elsje gehoorzaamde en ging stil, met een bezorgde uitdrukking op haar gezicht, voort met haar werk. Wat was er met grootmoeder? Eerst gisteravond die vreemde, droevige stemming en nu zoo kortaf, zoo geheel anders dan gewoonlijk! De tranen sprongen haar in de oogen bij de gedachte dat de oude vrouw toch misschien zieker was dan zij wilde bekennen—och, als de dokter maar eens even kwam, dat zou haar een heele gerustheid geven. Zij zou er straks nog eens met grootmoeder over spreken en dan zou alles wel weer in orde komen. De dokter had toch immers ook gezegd dat zij vooruitging—kom, ze moest nu maar geen zorgen hebben vóór den tijd!—

Zoo, daar stond grootmoeders stoel weer in het aardige, zonnige hoekje bij het raam. Elsje deed een kooltje vuur in de stoof en schoof die bij den stoel. Nu gauw stof afgenomen en het ontbijt klaar gezet; ze zou vlug voortmaken, dan was alles netjes, als grootmoeder binnen kwam.

Zij dribbelde ijverig met haar stofdoek heen en weer, het geheele vertrek door. Voor het portret der jonge vrouw in het sierlijke, nieuwerwetsche lijstje, bleef zij even staan. “Zoo’n heel ander gezicht dan dat van moeder,” zei Elsje, “ze kijkt zoo streng! Ik zou haar haast niet “tante” durven noemen!” En snel wischte zij het stof van het glas af, alsof ze haast had om weg te komen van de uitdrukking dier koele, donkere oogen, die zoo strak naar haar schenen te kijken.

Intusschen woelde de oude vrouw onrustig in haar bed heen en weer. “Straks bij het ontbijt zal ik het haar zeggen, dadelijk bij het ontbijt—zoo gauw mogelijk, dat is het beste maar,” mompelde ze en dan weer: “Het moet maar terstond, dan is het er uit, dan weet ze het. Mijn lief, lief kind, arme, kleine Elsje! O, als het maar gaat, als het maar gaat!”

Ze bleef even stil liggen en een paar tranen rolden langzaam langs hare oude, verrimpelde wangen. Toen kwam er een trek van vastberadenheid om haar mond en klonk het zacht en bevend: “Het moet, het is de eenige weg,—God zal ons helpen!”

Een uur later was het ontbijt afgeloopen, maar nog had de grootmoeder den moed niet gehad, Elsje te zeggen wat het was, dat haar drukte. Eerst toen het meisje de bordjes en kopjes afgewasschen en weggezet had, zei de oude vrouw:

“Het is nog vroeg. Krijg je den Bijbel, kind?”

Het was het gewone verzoek, dat iederen Zondagmiddag terug kwam, maar dat nu vroeger op den dag gedaan werd.

“Nu al lezen, grootmoeder?” vroeg Elsje verwonderd.

“Ja,” knikte ze, “het is hier nu zoo rustig en we hebben al den tijd.”

Elsje kreeg den Bijbel en vroeg:

“Zal ik lezen?”

“Ja kind, dat is goed. Mijn stem is zwak vandaag. Lees jij maar.”

“Wat zal ik nemen?” vroeg Elsje, terwijl ze over haar grootmoeder zitten ging en den Bijbel opensloeg.

De oude vrouw bedacht zich even, toen zei ze zacht:

“Psalm 121.”

Er volgde een oogenblik van vredige stilte, door niets verbroken dan door het ritselend geluid van het omslaan der bladen door Elsje, die den psalm opzocht.

Toen begon ze te lezen:

“Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal.
“Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
“Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
“Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
“De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe Schaduw, aan uwe rechterhand.
“De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
“De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren.
“De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.”

Met gevouwen handen en aandachtig voorover gebogen hoofd, luisterde de grootmoeder naar de frissche jonge meisjesstem, die duidelijk de troostende woorden voorlas uit den grooten, ouderwetschen Bijbel, welke reeds bij de grootouders van deze oude vrouw in gebruik was geweest. Elsje las vrij goed, langzaam en met ernst, onder den indruk dat zij den Bijbel las, maar het was aan den toon van haar stem te hooren dat de woorden niet diep tot haar doordrongen. Zij vond den psalm mooi, zij voelde een zekere heilige bewondering voor de statige, plechtige Bijbeltaal, maar zij bleef er rustig bij, haar hart kende den strijd nog niet, die haar troost zou hebben doen zoeken en vinden in dezen psalm.

“Met gevouwen handen luisterde de grootmoeder....”

De oude grootmoeder kende dien strijd, och, zij kende dien maar al te goed en het trilde om haar ingevallen mond, terwijl zij luisterde met hare geheele ziel en hare handen gevouwen hield, als bad ze. Bij de woorden: “De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren....” kwam er een blijde glans in hare oogen en een zucht van verlichting over hare lippen en ze knikte even, alsof ze zeggen wou: “Dat is waar, o ja, dat is waar!”

Moedig hief ze het hoofd op, met den trek van hoop nog steeds in hare oogen en zoo bleef ze zitten, tot haar kleindochtertje den psalm uitgelezen had en vroeg:

“Maar verder lezen, grootmoeder?”

“Neen, zoo is het genoeg kind,” zei de oude vrouw zacht. Toen, nadat zij eens diep adem gehaald had: “Elsje, ik heb je wat te zeggen.”

“Ja grootmoeder?”

“Ik heb je wat te zeggen, kind; iets, dat....dat je vreemd zult vinden. Wil je bedaard naar me luisteren?”

“Ja,” fluisterde Elsje benauwd en met angstige verwondering haar grootmoeder aanziende. Wat kon er toch zijn? Waarom keek grootmoeder zoo heel ernstig? Het gaf haar een gevoel van beklemming.

“Het is nu al twaalf jaar geleden dat je moeder dood is, Elsje, en al dertien dat je vader stierf. Je moeder was mijn liefste dochter en je hebt heel, heel veel in haar verloren.”

Elsje knikte ernstig. Ja, dat wist ze, dat had grootmoeder haar al heel dikwijls verteld.

“Over mijn andere dochter, je tante, heb ik nooit veel met je gesproken, maar je weet dat zij niets op je moeder gelijkt, uiterlijk niet en innerlijk ook niet. Toch is zij ook mijn dochter en zij meent het niet kwaad; zij meent het goed, ook al denkt zij anders over de dingen dan ik. Je weet, Elsje, dat je tante een mooi meisje was, toen ze jong was en ze zal nog wel mooi wezen.....”

“Ik vind het portret niets lief,” zei Elsje, geprikkeld door een onverklaarbaar gevoel van jaloerschheid op die tante, die “uiterlijk noch innerlijk” op hare eigene lieve moeder leek. Zij zou zich van dit gevoel geen rekenschap hebben kunnen geven, maar de woorden waren er uit, bijna voordat zij het zelf wist.

Hare grootmoeder zweeg, maar keek haar aan met iets verwijtends in de vriendelijke oogen. Een oogenblik was het heel stil in de kamer, haast even stil als daar buiten, waar de heldere winterzon de kale takken der boomen verlichtte en alles rondom in rust scheen, in één kalme, vredige rust. Een breede zonnestraal gleed tusschen de geplooide witte gordijntjes door langs de tafel op den Bijbel en deed de groote, zwarte letters glinsteren en de stofjes dwarrelen in het licht. En bij al die lieflijke rust klopte het onrustig in Elsje’s hart en er kwam een donkerroode gloed over haar gezicht, toen haar grootmoeder het stilzwijgen verbrak en zei:

“Je hebt je tante nooit gezien, kind; naar een portret alleen mag iemand niet oordeelen. En buitendien is dit portret al drie jaar oud. Je tante gaf het mij, toen ze het laatst hier was en jij naar school waart, zoodat je haar ook toen niet gezien hebt, evenmin als den vorigen keer. En dat is jammer genoeg, want als je haar maar eens gezien hadt, zou er toch....”

Zij eindigde den zin niet, maar zweeg even. Toen hernam ze, op eenigszins vergoelijkenden toon:

“Het spreekt van zelf dat je tante anders is dan wij zijn en je bent oud genoeg om dat te begrijpen, Elsje. Ik heb je nooit heelemaal verteld, hoe alles met haar is gegaan, maar het voornaamste weet je toch. Je tante was een heel mooi meisje en toen ze volwassen was, had zij er geen plezier in, om hier op het dorp of in de buurt te blijven. Ze wou een betrekking zoeken als kinderjuffrouw en ze was er knap genoeg voor om dat te worden, dat moet ik zeggen. Ze kreeg haar zin en ze had het best. De menschen waren goed en vriendelijk voor haar en het beviel haar ook allemaal wel, tot er een rijk heer kwam, die zin in haar kreeg en met haar trouwen wou. Dat trok haar nog veel meer aan dan kinderjuffrouw zijn en ze is toen met dien rijken heer getrouwd en heeft drie jaren lang een gelukkig leven met hem gehad. Dat zij haar oude moeder bij al haar pracht en weelde wel eens een beetje vergat, och, dat is licht te begrijpen....”

Elsje had tot zoover geduldig geluisterd naar het verhaal, dat zij half kende, maar nu kon zij het toch niet langer uithouden.

“Dat vind ik juist zoo leelijk van tante,” riep ze driftig uit, “dat zij net doet, alsof zij geen lieve, oude moeder meer heeft! Dat ze te trotsch is om u bij zich te laten komen, dat ze haar dochtertje nog maar eenmaal hier heeft gebracht en dat jaren geleden, dat ze net precies doet of ze altijd een schatrijke, deftige dame is geweest, dat ze u nooit eens heeft opgezocht met oom, toen die nog leefde en dat ze u alleen met uw verjaardag en met nieuwjaar geregeld schrijft!”

“Stil Elsje, je hebt het recht niet zoo te spreken en je doet me pijn, kind.”

Elsje boog het hoofd en begon te schreien.

“Maar laten wij dan toch ook maar niet over tante spreken,” snikte ze. “Ik heb haar nooit gezien, dat is waar, maar dat verlang ik ook niet en dat zal ook wel nooit noodig zijn,—ze komt nu toch nooit meer hier. Het is al heel mooi, als ze eens een brief schrijft!”

“En nu heb ik een brief van haar en daarover juist moet ik eens heel ernstig met je spreken. Elsje.”

Elsje hield van verbazing op met snikken en zag haar grootmoeder, door hare tranen heen, verschrikt aan.

“Een brief?” stamelde ze.

“Ja, hij kwam gisteren, toen jij naar het dorp waart en....en ik had er je al eerder van willen vertellen. Tante schrijft heel vriendelijk en aardig over je. Zij zegt dat het haar spijt dat ze je nog niet gezien heeft en....en dat ze graag eens kennis met je maken wil.”

“Ik niet met haar!” zei Elsje driftig.

Weer keken de oogen der oude grootmoeder zacht verwijtend, zoodat Elsje de hare neersloeg en hare lippen stijf op elkaar drukte, als om zichzelf tot zwijgen te dwingen.

“Ik ken je haast niet, als je zoo bent, Elsje,” hernam de oude vrouw met iets strengs in haar stem. “Ik vraag je nog eens of je bedaard naar mij wilt luisteren?”

Elsje begon weer harder te schreien.

“Als u over tante begint, krijg ik altijd dat akelige, booze gevoel in me,” zei ze. “Ik kan niet van haar houden, omdat ze naar en onhartelijk is tegen u en ik zou veel liever niet over haar willen spreken—heusch grootmoeder, veel liever niet. Wat heeft zij ook eigenlijk met mij te maken?”

“Zij heeft dit met je te maken, Elsje, dat zij de eenige bloedverwant is, die je nog hebt in de wijde wereld, als ik er niet meer ben. Zij heeft dit met je te maken dat zij zich bereid heeft verklaard, je tot zich te nemen en voor je opvoeding te zorgen, als ik dat niet meer doen kan en....”

“O neen, neen, grootmoeder, dat niet, och neen, dat nooit! Ik smeek het u, dat nooit! U wordt wel weer beter, de dokter heeft het zelf gezegd en we zullen nog lang, heel lang bij elkaar blijven en....als u er niet meer bent, dan....” zij legde haar armen op de tafel, liet er haar hoofd op zakken en snikte het uit: “Dan wou ik dat ik ook maar dood ging!”

“Foei Elsje!”

De woorden kwamen er streng berispend uit, maar de lippen der oude vrouw trilden en hare oogen schoten vol tranen, terwijl ze naar het gebogene meisjeshoofd keek.

Eenige oogenblikken lang heerschte er diepe stilte, een stilte, die Elsje benauwde en eindelijk de oogen naar haar grootmoeder op deed slaan.

“Ik wil wel probeeren om bedaard naar u te luisteren,” zei ze zacht.

“Goed kind. Laat ik je dan maar eens precies vertellen, wat tante schrijft. Het is geen lange brief. Zij vraagt alleen of het mij beter gaat en of ik wel genoeg ben om jou een poosje te kunnen missen.”

Angstig vragend keken Elsje’s beschreide oogen, maar zij zeide niets en knikte alleen even, als om te toonen dat zij nu heusch kalm en oplettend luisterde.

“Tante denkt—en ik geloof het ook—dat het goed zou zijn, als je eens een paar weken bij haar kwaamt om kennis te maken met haar en haar dochtertje. Gij verschilt niet veel in leeftijd; Cécile is vijftien, geloof ik, en jij bent juist veertien geworden, dus dat komt mooi bij elkaar. Wie weet, hoe goed je het samen zult kunnen vinden en....tante en ik denken dat je later waarschijnlijk beter zult kunnen wennen, als je nu eerst eens een poosje bij haar aan huis bent geweest.”

“Mag ik u even iets vragen, grootmoeder?” vroeg Elsje, die nu doodsbleek zag.

“Natuurlijk kind.”

“Ik zou graag willen weten, waarom tante nu op eens vraagt, of ik bij haar komen wil. Zij....zij heeft vroeger precies gedaan, alsof ik niet bestond.”

Er kwam een flauw blosje op het gezicht der oude vrouw en een verlegene uitdrukking in hare oogen. Misschien paste het het kind niet, om zoo iets te zeggen, maar wat zij zeide, was maar al te waar. En dan....zij zelf had eenige dagen geleden aan hare dochter geschreven. Het had haar al maanden en maanden zwaar op het hart gelegen, wat er van Elsje worden moest, als zij eens plotseling van haar weggenomen werd. Elsje was nog bijna geheel een kind—even veertien jaar, en waar moest zij heen, als zij eens eensklaps geheel alleen op de wereld stond? Zij had dan toch immers ook nog een tante en uit zichzelf zou het kind deze nooit om hulp vragen, dat wist de oude vrouw zeker. En, of de tante zich veel aan haar nichtje zou laten gelegen liggen, als niemand haar dit vroeg, ... och, daar was heel weinig van te zeggen. Een kwaad hart had ze niet maar ze had altijd weinig om andere menschen gedacht; zij was altijd heel anders geweest dan haar zuster, van haar vroegste jeugd af. Ze was ook zoo mooi en iedereen bewonderde haar als om strijd—het was zeker niet onnatuurlijk dat ze altijd erg vervuld was geweest van haar eigen schoonheid en bevalligheid en dat ze wel wat ijdel geworden was. Hare hartelijke oogenblikken had ze toch ook gehad....in de laatste jaren waren die zeker niet talrijk geweest,—maar toch, maar toch was de oude vrouw, na lang beraad met zichzelf, geëindigd met aan haar dochter te schrijven. Elsje was toch ook zoo’n lief kind! Het kon wel niet anders, of ze moest de liefde winnen van allen, met wie ze in aanraking kwam en het trof toch ook aardig, dat de nichtjes bijna even oud waren; zij konden zoo veel aan elkaar hebben! Langzamerhand zou Elsje zeker wel wennen aan haar nieuw leven en in ieder geval zou hare tante niet veel moeite met haar hebben—Elsje was zoo’n vroolijk, makkelijk, vlug kind! En de oude vrouw had dus over haar aan haar dochter geschreven op bescheidene, nederige wijze, maar toch ook zóó, dat het geweten der rijke mevrouw d’Ablong was gaan spreken en haar genoopt had aan haar moeder te schrijven, dat zij Elsje graag eens te logeeren wou hebben. Zij was geschrikt, toen zij bemerkt had, hoe beverig het schrift der oude vrouw was en hoe duidelijk de brief de sporen droeg van door een zwakke, vermoeide hand geschreven te zijn. Nu het gevaar dreigde dat zij haar moeder misschien spoedig door den dood zou verliezen, scheen zij er plotseling iets van te voelen hoe groot dit verlies zou zijn en een paar dagen nadat zij den brief had ontvangen, schreef zij terug, hartelijker en uitvoeriger dan zij in lang gedaan had. En de oude vrouw had dit antwoord met ontroering gelezen, blij dat haar verzoek zóó opgenomen werd, maar....toen zij bedacht dat Elsje met alles in kennis moest worden gesteld, toen zij bedacht, hoe het meisje er tegenop zou zien haar te verlaten, toen ze bedacht, hoe eenzaam en vreemd het kind zich in de weelderige omgeving gevoelen zou en hoe haar eenvoudig hart terug verlangen zou naar het aardige stille huisje en de lieflijke, schilderachtige natuur en o, toen ze bedacht, hoe heel erg zij zelf haar missen zou—toen bekroop haar de vrees, of zij wel goed gehandeld had en of zij de zorg voor Elsje niet stil en geloovig had moeten overlaten aan God! Maar lang bleef die vrees haar niet bij. Neen, ze had goed gehandeld, voor het welzijn van haar dochter en Elsje, alle twee. Elsje behoorde daar, als haar grootmoeder niet meer leefde—haar plaats was bij de zuster van haar moeder, daar kon geen twijfel aan zijn.

En ook—zoo redeneerde de oude vrouw in al den eenvoud van haar hart—wie weet, of Elsje met haar frisschen levenslust, met haar aardige, vroolijke praatjes en vooral met de reine, kinderlijke liefde van haar warm jong hart, niet een bizonder gunstigen invloed zou kunnen oefenen op haar tante en op het nichtje, dat wel al te veel gehecht zou zijn aan al de weelderige pracht en het genot, waarin zij leefde! Moeielijk zou Elsje’s leven zeker zijn nu en dan, vooral in het begin, maar toch zeker niet zóó moeielijk, als wanneer zij heel alleen zou staan in de wijde wereld en dan—zij wist immers, waar zij troost en hulp zoeken moest—“de Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren”. Hij zou ook zorgen, dat Elsje’s kinderziel niet bedorven werd, niet verloren ging, maar rein en vroom bleef, ook te midden van alle wereldsche heerlijkheid en verstrooiing.

“Al had tante je wel eens eerder kunnen vragen om bij haar te komen, dat is geen reden, waarom je haar niet dankbaar zoudt zijn, dat zij het nu vraagt,” zei grootmoeder, zonder rechtstreeks te antwoorden op Elsje’s uiting, waarom haar tante “vroeger precies gedaan had, alsof ze niet bestond.” “Kom kind, kijk nu eens weer vroolijk. Ik wed dat je later als je weer thuis bent, opgewonden verhalen doet over alles wat je bij tante hebt genoten en over de liefheid van Cécile en haar vriendinnetjes en over de mooie stad en het prachtige huis, waarin tante woont en over de winkels en al de menschen op straat en....en over nog een heeleboel meer. Wie weet, hoe weinig lust je hebben zult om weer bij je oude grootmoeder terug te komen!”

Elsje lachte door hare tranen heen en er kwam een beetje licht in de duisternis van haar gemoed. Was het dan ook eigenlijk wel zoo heel erg? Grootmoeder had gelijk. Het zou best kunnen zijn dat zij het aardig en mooi vond in die groote, drukke stad, dat haar tante erg meeviel bij de kennismaking en dat zij het met Cécile heel goed kon vinden. Misschien zouden ze wel een heeleboel grappen hebben samen—het moest toch ook wel prettig wezen om eens een poosje in één huis te wonen met een meisje van haar eigen leeftijd! En dan....allerlei te zien, waarover zij alleen maar eens een enkelen keer had hooren spreken en later van alles aan grootmoeder te vertellen en aan de dorpsmeisjes—dàt zou toch wel heerlijk wezen!

Zij stond langzaam van haar stoel op, ging naar de oude vrouw toe en gaf haar, een beetje verlegen, een kus op de wang.

“Ik heb er wel meer lust in,” zei ze zacht.

“Zie je wel!” zei de grootmoeder vroolijk. “Maar dat spreekt immers ook van zelf! Kom, trek nu gauw je beste jurk aan ....”

“Mag ik het dan straks even aan Aafje en Geertje gaan vertellen en bij Krelis aan huis? Ik zal niet lang wegblijven.”

“Ja zeker, dat is best. Maar maak dan nu gauw voort, kind.”

“Ja. Maar grootmoeder, wanneer ... wanneer zou tante me dan verwachten en wie komt er dan zoo lang bij u?”

“Ik denk dat tante je graag spoedig bij zich wil hebben, Elsje, en ik zal vragen of Aafje’s zuster dan bij mij wil komen. Zij kunnen er daar nu best een missen, nu Grietje ook uit haar dienst thuis is.”

Twee uur later zat de oude grootmoeder in de vredige stilte om haar heen, met den Bijbel voor zich, den psalm te herlezen en was Elsje bezig, haar kennisjes het groote nieuws mede te deelen. Er viel een traan op het oude gele Bijbelblad en driftig veegde Elsje’s grootmoeder hare oogen af en zei zacht:

“Foei, ik moest blij zijn!”

Toen liet ze hare handen in haar schoot glijden en keek lang en peinzend het raam uit. En met een weemoedig lachje het hoofd schuddend, fluisterde ze:

“Zij zou geen kind zijn, als het nieuwe haar niet aantrok.”