WeRead Powered by ReaderPub
Elsje cover

Elsje

Chapter 10: Hoofdstuk VIII. De Feestavond.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A children's story centers on a young orphaned girl raised by her grandmother in a small village, tracing her daily errands, household responsibilities, and friendships. She experiences a deep, appreciative wonder for nature, noticing winter light, frost, and sparkling dew, which enriches otherwise modest circumstances. Episodes include visits to the village shop, playful teasing by neighborhood boys, and small anxieties such as safeguarding a heavy basket. The narrative proceeds episodically, emphasizing domestic care, simple moral lessons, and affectionate bonds across generations within rural life.

“Geef mij maar eens een hand,” zei een vriendelijke stem achter haar....

“Een, twee, drie!” zei hij, haar hand stevig vasthoudend. “Ziezoo, nu zou ik maar gauw maken dat ik van die verraderlijke gladde plek vandaan kwam.”

“Dank u wel, mijnheer,” zei Elsje beschroomd.

“Niet te danken, meisje,” zei hij. “Pas nu verder maar op, hoor.”

“Ja, mijnheer,” zei ze en terwijl hij voor haar uit liep, de straat door, keek zij hem met een dankbaren blik na. Hij sloeg den hoek om en liep de gracht op, waar mevrouw d’Ablong woonde en toen zij het huis naderde, zag Elsje hem tot hare verbazing de stoep opgaan en aanschellen. Hij stond met den rug naar haar toe, toen zij op hare beurt de stoep opging en keerde zich lachend om, toen hij haar herkende.

“Zoo zoo, moet je hier ook zijn?” zei hij. Toen tot Dina, die de deur opende:

“Morgen Dientje. De dames zijn zeker thuis, he?”

“Jawel mijnheer, daar komt mevrouw juist aan.” En met een verbaasden blik op Elsje, die zij eerst niet herkend had: “O jongejuffrouw, bent u het?”

Elsje ging vlug naar binnen. Zij had opeens een gevoel dat zij toch veel beter gedaan zou hebben niet in deze kleeding uit te gaan en zij schrikte erg toen ze zag, hoe ontstemd hare tante naar haar keek.

“Ga terstond naar boven en verkleed je,” zei ze fluisterend, waarop Elsje zoo snel mogelijk naar haar kamer liep.

“Zoo tante, hoe maakt u het?” zei de jonge man, die met groote verwondering naar mevrouw d’Ablong en Elsje had gekeken. “En Cécile, is ze ook wel en Miss Piper? Nog altijd even gezond en elegant?”

“Allemaal uitstekend, uitstekend,” was het antwoord. “Ga mee naar beneden. Je blijft toch natuurlijk lunchen?”

“Zeker, heel graag. Heeft grootmama u geschreven dat zij gauw hier hoopte te komen?”

“Ja. Cécile vindt het heerlijk dat zij er juist met de partij zal zijn. Zou je ook niet kunnen komen, Frits? Cilly zou het zeker ontzettend graag willen.”

“Ik weet het heusch niet, tante,” zei Frits, terwijl hij zich behagelijk in een lagen stoel bij den haard liet glijden en met de hand door zijn donkerbruin haar streek. Men zou hem voor een broer van Cécile hebben kunnen houden: hij had dezelfde fijnbesneden gelaatstrekken, dezelfde kleur van oogen en ook die gemakkelijkheid in houding en manieren, die zijn nichtje zoo goed stond. Maar de uitdrukking van trots en aanmatiging, die Cécile’s gezicht soms zoo onaangenaam maakte, zag men nooit op dat van Frits. Juist zijn bizonder groote vriendelijkheid, gaf hem een aantrekkelijkheid, die Cécile doorgaans mistte.

Hij was de lieveling van zijn grootmoeder, die hem na den dood zijner ouders,—zij had haar man en hare twee zonen, den vader van Cécile en dien van Frits overleefd—geheel had opgevoed. Frits placht te zeggen, dat hij het gemis zijner ouders nooit had kunnen voelen, zoozeer had zijn grootmoeder haar best gedaan het hem te vergoeden. Als kleine jongen was hij bij haar gekomen; thans was hij student in de rechten en kwam hij iederen Zaterdag en Zondag buiten bij zijn grootmoeder doorbrengen.

Daar vloog Cécile de kamer binnen.

“O dag Frits, hoe vreeselijk gezellig!” zei ze, terwijl ze hem hare beide handen toestak. Thans keek ze volstrekt niet trotsch of uit de hoogte.

“Dag Cilly,” zei hij, lachend opstaande. “Wat een eer, dat je zóó blij bent me te zien! Neen, je hebt me je twee handen gegeven, nu houd ik ze ook vast. Kom, wat krijg ik nog meer? Ik ben je eigen neef en vroeger kreeg ik altijd een....”

“Och malle jongen!” zei Cilly met een coquette beweging van haar hoofd en terwijl ze haar best deed, hare handen weg te trekken. “Ik dank je wel—met die vreeselijke snor, die je er tegenwoordig op na houdt!”

“O, geef me dan maar een kus op de wang, daarmee ben ik ook tevreden.”

“Neen, dien geef ik je niet. Toe mama, mag hij nu ophouden? Anders roep ik Miss Piper.”

“Och kom Cilly, geef hem maar even een kus, als hij daar zoo op gesteld is,” zei hare moeder lachend. “Vraag hem maar eens of hij ook op de partij komt.”

“Hè ja, kom je? Toe, kom je?” vroeg Cécile dringend.

“Heel misschien, maar zeker niet, als je me nu geen kus geeft,” zei Frits, plagend op haar neerziende.

“Je bent bepaald de eenige wezenlijke heer. Er komen anders niets dan jongens van 16 en 17.”

“En ik ben al over de twintig! Denk je dat ik me met zulke knaapjes wil bemoeien?”

“Neen, maar dan bemoei je je maar met ons. Als.... als.... ik je twee kussen geef, kom je dan?”

En als ik er altijd een hebben mag, wanneer ik er om vraag.”

“Hè neen, dat kan niet. Wat zegt u nu, mama?”

“Dat moet je zelf uitmaken, kind. Maar maak wat gauw voort, want wij gaan dadelijk lunchen.”

“Nu, in vredesnaam dan maar,” zei Cécile met een zucht. “Dus je komt zeker?

“Ja, maar eerst de twee....”

“Jawel, jawel, gauw dan maar.”

Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer in. Zij bleef verlegen bij de deur staan.

“Wie is daar?” riep Cécile, zich omkeerend. “O, Lizzie, ben jij het? Kom maar binnen.”

En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met haar neef omging, kuste zij hem hartelijk.

“Dat was wezenlijk goed gemeend,” zei Frits. “Je bent zoo kwaad niet, als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?”

“Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is,” zei Cécile spottend.

“Ik heet Elsje,” zei haar nichtje snel, “Elsje van den Berg en ik woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd.”

Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje’s blond haar en het frissche rood harer wangen dat mevrouw d’Ablong met welgevallen opmerkte hoe goed zij er op dit oogenblik uitzag.

“Ja, ja, ze heet Elsje,” zei ze. “Zij is het eenige kind van mijne overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed, evenals jij.”

“He, dat vind ik aardig!” zei Frits. “Dan zullen wij wel goede vrienden samen worden, Elsje.”

“Hè, zeg toch Lizzie,” zei Cécile.

“Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens Roodkapje genoemd?”

Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van dien ochtend.

“O, daar is Miss Piper,” zei Frits opstaande om de Engelsche te begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam.

Tot Elsje’s blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren en toen hij wegging, zei hij:

“Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al te deftige Lizzie worden, hoor!”

Hoofdstuk VII.

“Ik bedank er voor!”

“En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag haar best doen, is het niet Elsje?”

“Ja tante,” zei Elsje zacht.

Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken, die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven, opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken.

“Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw d’Ablong,” zei de dansmeester met een sierlijke buiging. “U weet, ik heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig....”

“O jawel, daar hebt u gelijk in,” viel mevrouw d’Ablong ongeduldig in. “Maar mijn dochter is...”

“Van nature reeds zoo allerinnemendst,” zei de dansmeester met een beleefd lachje.

“Ja juist,” was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte gegeven werd. “Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje, doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te krijgen. Dag mijnheer Meudon.”

“Uw dienaar mevrouw,” zei de dansmeester met een tweede buiging.

Mevrouw d’Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. “Als u zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken,” zei hij telkens en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen van haar onderwijzer. “Vooral het hoofdje recht houden!” riep hij dan weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. “Flink rechtop en de armen niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó, dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist, zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een, twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee, drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u warm! Eens even rusten?”

“Heel graag mijnheer.”

“Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder dansen geleerd?”

“Neen mijnheer.”

“Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet, juffrouw?” vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had.

“Ik versta niet u,” zei Miss Piper. “Ik ben Engelsch.”

“O....” zei mijnheer Meudon teleurgesteld. “Maar u spreekt toch Hollandsch?”

“Heel klein. Het is moeielijk aan mij.”

“Vindt u niet,” begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend, alsof hij met een doove sprak, “dat zij,” en hij wees naar Elsje, “al goed danst?”

“Zij wil gauw leeren, u meent?”

“Ja.”

“Ik hoop zoo,” zei Miss Piper lachend. “Zij heeft alleen juist begonnen.”

“Ja zeker en alle begin is moeielijk,” zei de goedhartige dansmeester, “kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool.”

Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met een egaal-grijze doffe tint—“echt weer om heerlijk in mijn kamer te gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur,” had Cécile ’s ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte, rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs het tuinhuisje—alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog steeds met mevrouw d’Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer “zoo heel ongunstig” was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren, dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje, dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat zij toch vooral op Cécile’s feest niet te “boerinne-achtig” voor den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig, om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile, op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw d’Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet steeds had gedacht: “Na de partij mag ik weer naar huis”,—zou zij zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen.

Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets gezien. “Als Cécile’s partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je uitgaan, die weet uitstekend den weg,” zei mevrouw d’Ablong, toen Elsje het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien, “alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf.”

En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind.

Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig met den voet op den grond stampte.

Poor child!” zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze:

“Wat is het, Elsie?”

Cécile was de eenige in huis, die haar nog “Lizzie” noemde. Miss Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen te doen.

Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare vraag.

“Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan,” zei Elsje.

“Wandelen? In dit weer?”

“Ja, ja, in dit weer!” riep Elsje, zich losrukkend, op opgewonden toon. “In dit weer! En in mijn eigen jurk, zonder parapluie en op een ruime, opene plek, waar men de wolken zien kan, de zware, donkere wolken, en waar men den regen en den wind nog erger voelt dan in de stad en ... waar men aan geen mooie manieren en rijke kleeren en al wat stijf is behoeft te denken! En waar men het mooist kan zien, hoe de lucht langzaam helderder wordt met lichte strepen en heel kleine, lichtblauwe vlekjes en waar ....”

“Lieve tijd Lizzie, wat bezielt je? Staat ze nu al te acteeren, Missy?” klonk opeens de stem van Cécile, die ongemerkt binnen gekomen was. “Dat is anders nu nog niet noodig. Bewaar dat maar voor van avond, dwaas kind.”

For shame, Cilly,” zei Miss Piper berispend. ”Why can’t you be kind to your cousin?”

Cécile haalde de schouders op, terwijl Elsje, zonder een woord te zeggen, haastig het vertrek verliet. Haar gemoed was vol. Driftig liep ze naar boven naar haar kamer en de deur vrij onzacht dichtslaande, riep ze uit:

“Ik kan het hier niet langer uithouden! Ik moet weg, zoo gauw mogelijk! Niemand houdt van me hier en niemand heeft me noodig! En ik verlang zoo verschrikkelijk naar grootmoeder!”

En de handen voor het gezicht slaande, viel ze neer op een stoel en barstte in tranen uit.

“Ik word hier slecht,” snikte ze, “heel, heel anders dan thuis. En ik ben hoe langer hoe laffer! Telkens die akelige tranen en dat nare, benauwde gevoel in mijn keel. Ik wou dat ik hier nooit gekomen was—nooit, nooit! Och, waarom wou grootmoeder ook zoo graag dat ik hier heen ging? Ik hoor hier niet, ik doe letterlijk nooit iets goed en tante schaamt zich over mij... en die akelige Cécile... och, grootmoeder, grootmoeder!”

Zij gleed van den stoel af, knielde er bij neer en bleef zoo zacht voortschreien.

Eindelijk bedaarde hare droefheid wat en de handen vouwend, bad ze eenvoudig en ernstig: “Help mij, lieve Heer, o, help mij toch!”

Toen sprong ze op, waschte haar gezicht, knikte haar beeld in den spiegel vroolijk toe en zei: “Kom Elsje, moed gehouden! Denk aan grootmoeder!”

En met een plotselinge verandering van toon: “O, hoe heerlijk, heerlijk zal het zijn als ik haar weerzie! Hoeveel dagen zou dat nog moeten duren?”

Maar ze hield zich goed en dien middag aan tafel deed ze zoo haar best zich naar de regelen der etiquette te gedragen, dat hare tante haar goedkeurend toeknikte en zachtjes zei:

“Ziezoo Elsje, je begint al aardig aan te leeren. Let vooral altijd goed op Cilly.”

Na den eten reden Cécile en Elsje samen naar het huis van Louise of “Loulou” van Rensen, waar de eerste repetitie plaats zou hebben van het tooneelstukje, dat op de partij moest worden vertoond. Cato en Emmy waren al aanwezig, toen de beide nichtjes Louise’s kamer binnen kwamen, die zich op een der bovenverdiepingen van het groote huis bevond. Mevrouw van Rensen, dezelfde dame, die mevrouw d’Ablong bij het station had aangesproken, was ook binnen. Zij zou naar de voorstelling kijken en hare op- en aanmerkingen ten beste geven. Ze begroette Cécile hartelijk en vriendelijk, maar behandelde Elsje erg uit de hoogte, zei dat ze haar al eens gezien had aan het station, maar eigenlijk niet recht begreep hoe zij familie kon zijn van mevrouw d’Ablong en dat het haar zeker heel vreemd was, zoo’n heel ander leven te hebben hier dan op haar dorp. Elsje antwoordde niet veel en Cécile deed niets om haar uit de verlegenheid te helpen en mevrouw van Rensen op de hoogte te brengen omtrent hare betrekking tot mevrouw d’Ablong, zoodat de avond al dadelijk onaangenaam begon voor Elsje en zij zich geweld aan moest doen, kalm te blijven en haar rol bedaard en prompt op te zeggen, ’s Ochtends in de leerkamer had hare tante haar dit nog eens voor de zooveelste maal laten doen en haar precies gewezen, hoe ze los en ongedwongen, met een stofdoek in de hand, de kamer door gaan moest en opgewekt en levendig spreken. Elsje was hierin werkelijk beter geslaagd dan hare tante had durven hopen, maar nu zij mevrouw van Rensen tot toehoorster had en de andere meisjes met strakke gezichten naar haar stonden te kijken, overviel haar een gevoel van verlegenheid, dat zij niet bij machte was te overwinnen en speelde zij stijf en gedwongen. Zij was blij, toen haar taak verricht was en de anderen aan de beurt kwamen. Niemand zei iets van haar spel, terwijl mevrouw van Rensen uitbundig was in haar lof omtrent het acteeren der anderen en vooral Cécile prees, die een jong getrouwd vrouwtje voor moest stellen en bedrijvig met haar sleutelmandje heen en weer dribbelde.

“Snoesig, vindt u niet?” fluisterde Loulou haar moeder in, terwijl Cécile aan het spelen was. “En dan moet u straks eens opletten, hoe doddig zij er uitziet met dat kapotje!”

“Ja. Het is jammer dat gij niet allemaal al in uw kostuum kunt spelen van avond. Cilly is bijna klaar met haar kleeding, dunkt me.”

“O, maar wij ook. Op de groote repetitie bij Cilly aan huis, kleeden wij ons natuurlijk allemaal geheel zooals ’t moet.”

Daar vloog opeens de deur open en stormden twee kinderen, een jongen en een meisje, de kamer in.

“Mama, mama!” riepen ze tegelijk. “Papa vraagt of u beneden komt, neef Gerard is er en of wij even mochten blijven kijken naar de comedie!”

“Sst.... stil, stil!” zei mevrouw van Rensen, half lachend. Het aardige tweetal, een jongen van 5 en een meisje van 4 jaar, bleef hijgend en met roode wangen naast haar staan. “Gaat maar stil hier zitten,” zei hunne moeder fluisterend, “maar dan heel rustig zijn; dan moogt ge wel even blijven kijken.”

De kinderen gingen naast elkaar op de canapé zitten en mevrouw van Rensen verliet de kamer.

Cécile speelde door alsof er niets gebeurd was en Loulou’s broertje en zusje keken naar haar met onverholen belangstelling. De “comedie” scheen hun echter niet mee te vallen, want nadat zij een paar minuten rustig hadden geluisterd maar niets begrepen, keken ze met groote oogen om zich heen, vol verlangen naar iets, dat hunne aandacht meer blijvend zou boeien.

Elsje had hen met een lachend gezicht gade geslagen, terwijl de andere meisjes in haar werk verdiept waren. Elsje was ook de eenige, wier rol thans geheel was geëindigd en toen het kleine meisje haar zag, wenkte zij haar terstond door onophoudelijk knikken en grappige, animeerende bewegingen met haar handje, om tusschen haar en haar broertje op de canapé te komen zitten.

Elsje liet zich niet lang bidden en er kwam een warm, gelukkig gevoel in haar hart, toen de beide kinderen zich tegen haar aanvlijden en het kleine meisje vertrouwend naar haar opkeek.

“Moet je heelemaal niet meespelen?” vroeg ze, zóó zacht dat Elsje haar onmogelijk verstaan kon.

Zij boog zich dichter naar het roode mondje toe, dat nu vlak bij haar wang de gewichtige vraag herhaalde en haar toen als van zelf, een kus gaf.

“Dat was een presentje! Dat dacht je niet, he?” lachte het kleine meisje vroolijk.

“Ik wil heel graag nog zoo’n presentje,” fluisterde Elsje, terwijl ze haar hand over het zachte, blonde haar van het kind streek.

“Wat! Wat voor presentje?” vroeg de kleine jongen nieuwsgierig, die in het geheel niet op zijn zusje geleek, maar donkerbruin haar en groote, bruine oogen had.

“Niet zeggen, niet zeggen!” zei het meisje, maar Elsje kon den vragenden blik van haar aardigen, kleinen buurman niet weerstaan en hem een kus op de ronde wangen drukkend, zei ze:

“Dàt presentje! Bevalt het je?”

“Gunst Lizzie, je let heelemaal niet op!” riep Loulou opeens scherp. “Toe kinderen, gaat nu maar weer naar beneden; het is hoog tijd voor jullie om naar bed te gaan. Wat bezielt de juffrouw toch dat ze jullie heelemaal vergeet!”

“We mochten vandaag laat opblijven om de comedie!” riep haar zusje triomfantelijk.

“En we zitten hier nu net zoo gezellig!” riep het broertje.

Een algemeen gelach volgde, maar Louise bleef onverbiddelijk. Zij stuurde de twee kinderen de kamer uit, riep aan de trap: “Juffrouw, komt u Liesje en Tom halen?” en deed toen de deur dicht.

“Hè Lou, hoe wreed!” zei Emma medelijdend.

“Nu ja, maar die kinderen blijven vandaag veel te laat op en als we hen nu nog langer hier hadden gehouden, waren ze hoe langer hoe lastiger geworden. Toe, laten we nu maar gauw nog eens repeteeren. Kom Lizzie, sta nu op van die canapé en begin te spelen.”

Elsje gehoorzaamde. Louise, Cécile en Cato gingen op de canapé zitten, dicht bij elkaar, met spottende gezichten, alsof zij afgesproken hadden, nu eens flink om Elsje te gaan lachen. Emma bleef bij haar staan met het boekje in de hand, om haar voort te helpen als zij haperde en Elsje begon te spelen.

Het ontging haar natuurlijk niet dat de drie meisjes op de canapé zich vroolijk om haar maakten. Zij giegelden en fluisterden onophoudelijk onder elkaar, maar hoewel haar bloed begon te koken, hield zij zich goed en liet zich niet van haar stuk brengen. Zooveel mogelijk haar best doende niet op de plaaggeesten te letten, speelde zij door, totdat Cécile opeens proestend en met tranen in de oogen van het lachen, uitriep:

“Lieve tijd Lizzie, wat speel je stijf en houterig; ik geloof dat je het met opzet doet om ons te ergeren!”

“Neen, heelemaal niet!” riep Elsje, terstond uit haar rol vallend en met een kleur van verontwaardiging. Ze spande zich echter met waren heldenmoed in, om zich dapper te houden en vervolgde haar spel. Emma schudde afkeurend het hoofd tegen hare vriendinnen, maar zij letten er niet op.

“Zeg Cilly, hoe kom jij toch aan die boerin tot nichtje?” fluisterde Cato, den zakdoek voor den mond houdend en terstond weer proestend van het lachen.

“Hardrood zijn haar wangen en geel is heur haar!” zei Louise, bijna overluid en op een toon, alsof ze een vers reciteerde. “Wanneer gaat ze eigenlijk weer weg, Cilly?”

“Ik geloof dat ze na de partij naar haar lieflijk dorp teruggaat,” antwoordde Cécile op alles behalve fluisterenden toon.

Nu was Elsje’s geduld ten einde. Zonder het te willen, had zij wel moeten hooren, wat er gezegd was en met fonkelende oogen, driftig, geheel buiten zichzelf, riep ze uit:

“En ik wou dat ik dadelijk terug kon gaan, van avond nog, nu, terstond! Ik wou dat ik nooit, nooit hier gekomen was in die nare, groote stad en bij jullie, die .... die .... heelemaal geen gevoel hebt! Ik wou dat ik bij mijn grootmoeder was gebleven .... die is zoo engelachtig voor me, als jullie je heelemaal niet kunt voorstellen! En ik wou dat ik weer in mijn lieflijk dorp was, Cécile, want dat is het, je hebt gelijk dat je het zoo noemt, het is er heerlijk! En ik wou dat ik weer buiten kon wandelen in de frissche, heerlijke lucht en langs de hooge boomen en over onze mooie heide—alleen, alleen met den ruimen, prachtigen hemel boven me en al die plechtige stilte om me heen! Alleen, zonder al die rare, opgeprikte menschen, zonder al die mooie kleeren en zonder jullie, die zoo’n verschrikkelijken hekel aan me hebt! O, ik wou dat ik weg kon dadelijk, dadelijk! Maar jullie zult nu geen last meer van me hebben! Ik bedank er voor om met jullie comedie te spelen! Ik ga naar huis, speelt maar alleen!”

En met bevende lippen en ijskoude handen, maar met het hoofd fier in den nek geworpen—ze wilde niet schreien—snelde ze de kamer uit.

“Mijn hemel, wat een burgerlijk, aanstellerig kind!” zei Cato, toen Elsje verdwenen was, maar de anderen, ook Cécile, zwegen beschaamd en Emma keerde zich om, om niet te laten zien dat zij tranen in de oogen had.

“Ze kan toch onmogelijk alleen naar huis gaan,” zei Louise, na eenige oogenblikken van algemeen stilzwijgen. “Ze weet zeker den weg niet, wel Cilly? En het regent ook zoo!”

“Ik denk dat ze wel weer terug zal komen,” zei Cécile. “Ze zal veel te bang zijn dat mama boos op haar is, als ze zoo opeens thuis komt. Laten we maar stil afwachten, wat zij doet; ik geloof nooit dat ze zonder mij weg zal gaan en buitendien weet ze ook heelemaal niet, hoe ze loopen moet.”

“Zal ik eens even gaan zien, waar ze gebleven is?” vroeg Emma. “Hè, waarom moesten jullie haar nu ook zóó plagen! Laat ik maar eens gauw gaan zoeken...”

“Neen, neen, neen!” viel Cécile haastig in. “Blijf stil hier, Emma, dan komt ze bepaald veel gauwer terug.”

Intusschen was Elsje, met het vaste voornemen het huis uit te loopen, de trap afgegaan. Op een der onderste treden struikelde ze en viel. Ze deed zich gelukkig in ’t geheel geen pijn en wilde juist weer opstaan, toen in hare nabijheid een deur langzaam en met moeite werd geopend en een kleine gestalte in een wit nachtjapontje op den drempel verscheen. Twee aardige, bloote voetjes trippelden naar Elsje toe, een zacht handje werd tegen haar wang gelegd en een vleiend stemmetje vroeg:

“Heb je je pijn gedaan? Wat viel je met een bons! Ik hoorde het heelemaal.”

“Liesje, Liesje, kom gauw hier, kindje! Niet op dat koude portaal!” riep een stem uit de kamer, waarop Elsje’s vriendinnetje terugriep: “Ja, ja, ik moet even helpen!”

“Of kan je wel alleen opstaan?” vroeg ze, toen Elsje snel opsprong, “Kom maar gauw even mee naar binnen; juf zal je wel weer beter maken, die is heel lief.”

En Elsje’s hand pakkend, trok ze haar snel met zich mee in de kinderkamer, waar haar broertje al te bed lag en een vriendelijke kinderjuffrouw Elsje lachend toeknikte.

“Liesje is altijd vol ijver om iedereen te helpen,” zei ze. “Kom vrouwtje, nu gauw in bed. Het is toch al zoo erg laat geworden van avond.”

“Kom je ons goeden nacht zeggen?” riep Tom vanuit zijn ledikantje.

Elsje antwoordde niet. Het was haar alsof ze droomde. In een opgewondene, driftige stemming, met een diep ongelukkig gevoel in haar hart, was ze zooeven de trap afgekomen en nu stond ze daar plotseling in een warme, vroolijke kamer en drie gezichten keken haar vriendelijk en vol belangstelling aan. Liesje zette een stoel voor haar bij de tafel en dribbelde toen met een grappig, bedrijvig air naar de juffrouw toe, fluisterde deze iets in en lachtte tevreden, toen zij zei: “Ja, dat mag wel, maar dan ook terstond naar bed hoor!”

Het kleine meisje schoof vlug een tabouret bij den schoorsteen, klauterde er op en haalde een doos te voorschijn, waarmee ze terstond naar Elsje toeliep.

“Wil jij dit even open maken?” vroeg ze. “Kijk maar eens, wat er in is.”

Elsje opende de doos en zag een stuk chocolade liggen, dat blijkbaar een deel had uitgemaakt van een sinterklaas-letter.

“Dat ziet er erg lekker uit,” zei ze. “Is dat van jou, Liesje?”

“En van Tom,” zei Liesje. “Proef er maar eens van.” “Neemt ze het heele stuk?” riep Tom vanuit zijn bed. Het scheen hem wat heel royaal toe, alles aan Elsje af te staan.

Liesje liep haastig naar zijn bed toe en haar hoofdje naast het zijne op het kussen leggend, fluisterde zij hem iets in, dat blijkbaar zijn goedkeuring niet geheel wegdroeg, want hij schudde met groote levendigheid van neen en betuigde bovendien nog:

“Dat wil ik niet, heelemaal niet, hoor.” Liesje bedacht zich even, toen fluisterde zij hem weer iets in en nu kwam hij blijkbaar tot andere gedachten.

“Mag ik er dan den heelen dag mee spelen en kom jij er dan heelemaal niet aan?” vroeg hij.

Zij knikte bevestigend en toen riepen ze tegelijk, Liesje met een erg blij gezichtje:

“Je moogt het heele stuk chocolade nemen; het is heelemaal voor jou.”

“Neen,” zei Elsje, die evenals de juffrouw, lachend naar de beide kinderen gekeken had, “dat is veel te jammer, dan blijft er niets voor jullie over.”

“Jawel, jawel, je moet het nemen, heusch,” zei Liesje, terwijl ze naar Elsje toekwam en een laatsten, niet geheel ongevoeligen blik op de lekkernij wierp. “En nu ga ik naar bed.”

En terwijl Elsje bij haar neerknielde, sloeg ze de armpjes om haar hals en zei: “Nacht....” Toen plotseling zichzelf in de rede vallend met een vroolijken, reinen lach, die Elsje als muziek in de ooren klonk, “maar ik weet nog niet eens, hoe je heet!”

“Ik heet Elsje.”

“Elsje? Wat aardig! Nacht Elsje....” en met haar zachte wang tegen die van hare nieuwe vriendin, fluisterde ze: “Neem je het nu heusch wel heelemaal? Toe, doe je het?”

Elsje drukte haar vaster tegen zich aan. “Kleine schat!” zei ze zacht. “Ja, ik zal de chocolade nemen, hoor en ik dank je heel, heel hartelijk.”

“En Tom ook,” zei Liesje, hare armen losmakend.

“Ja zeker, Tom ook. Ik dank jou ook hartelijk voor die heerlijke chocolade, Tom,” riep Elsje.

“Tot je dienst,” riep Tom wijs terug.

Nu was Liesje’s hart eindelijk gerust en liet ze zich gewillig door de juffrouw overdekken en toestoppen.

“Blijf je nog een beetje hier in de kamer?” vroeg ze toen aan Elsje.

“Neen, neen, ik moet nu dadelijk weer naar boven,” zei Elsje snel. Haar drift was verdwenen, zij schaamde zich zelfs een beetje over haar uitval van straks en was nu vast besloten, weer naar de andere meisjes toe te gaan. Het aardige tooneeltje op de kinderkamer had haar in een geheel andere stemming gebracht. Kom, ze moest weer moedig zijn, zich niet zoo gauw van haar stuk laten brengen—het was toch ook alles maar voor een tijd!

Ze nam haastig afscheid van de kinderjuffrouw en Tom en Liesje en ging toen, wel met een kloppend hart, maar uiterlijk zoo bedaard als haar mogelijk was, naar Louise’s kamer terug.

Er kwam een zegevierende uitdrukking op Cécile’s gezicht, toen zij binnenkwam en zij keek Emma aan, alsof ze zeggen wou: “Heb ik het je niet gezegd?” Er werd echter geen woord over het voorgevallene gesproken. Louise en Cato waren koel beleefd tegen Elsje, Cécile bemoeide zich niet met haar en Emma durfde niet te vriendelijk te zijn, uit vrees dat de anderen haar zouden uitlachen.

Het stukje werd nog eenmaal gerepeteerd, toen was het tijd om naar huis te gaan.

Tot Elsje’s verwondering zeide Cécile in het rijtuig geen woord over haar uitbarsting van drift. Zij sprak trouwens in het geheel niet en nam geen de minste notitie van Elsje, totdat het rijtuig voor het huis van mevrouw d’Ablong stil hield. “Het zal mij eens verwonderen of grootmama nog op is,” zei ze toen, “misschien is ze al naar bed gegaan, vermoeid van de reis.”

“Zou je grootmama dan vandaag al komen?” vroeg Elsje uit het rijtuig stappend.

“Ja, van avond, terwijl wij uit waren.”

Dus al weer iemand om kennis mee te maken en zich niet mee op haar gemak te voelen, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze Cécile in huis volgde. De beide meisjes ontdeden zich van haar hoed en mantel en gingen toen naar de zaal. Cécile liep vlug naar binnen, Elsje volgde langzaam en verlegen.

In een gemakkelijken stoel bij den open haard, met het zachte schijnsel van het lamplicht vallend op haar mooi, wit haar, waarbij het kapseltje van zwarte kant aardig afstak, zat een oude dame met levendige, donkere oogen, die sterk aan die van haar kleinzoon Frits d’Ablong herinnerden. Op haar schoot lag een handwerk van fijne, zachtrose wol en een grove haaknaald van wit been bewoog zich ijverig heen en weer in hare kleine, welgevormde handen. Zij keek terstond op, toen de meisjes binnenkwamen en liet zich met een lachend gezicht door Cécile op beide wangen kussen.

“Zoo Cilly, ben je daar eindelijk?” zei ze met een welluidende stem. “Is dat nu een manier om uit te zijn, als je oude grootmoeder bij je komt! Toe kindje, ga eens even op zij. Is dit nu het dochtertje van je zuster, Lize?” En zij knikte Elsje vriendelijk toe.

“Ja mama,” zei mevrouw d’Ablong.

“Kom eens even bij me, lieve meid,” zei de oude dame. “Ik vind het aardig dat wij ook kennis met elkaar maken. Mijn kleinzoon heeft mij al van je verteld. Kom, geef mij ook maar een kus. Je hebt ook nog een oude grootmoeder, he?”

“Ja mevrouw,” zei Elsje met haar hand in de zachte, warme hand der vriendelijke dame.

“Dan moest je mij ook maar grootmama noemen, zoolang je hier bent. Wil je dat wel?”

“Heel graag,” zei Elsje zacht en boos op zichzelf, omdat ze weer dien onverklaarbaren drang tot schreien voelde.

“Mooi zoo, geef mij dan nu een kus en laat mij je eens even goed aankijken. Ik moet toch weten, hoe mijn nieuw kleindochtertje er uit ziet.”

Zij trok Elsje dichter naar zich toe, kuste haar op de wang, nam haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar vriendelijk in de oogen.

“Ziezoo, nu heb ik je portret al in mijn hoofd,” zei ze, terwijl Elsje haar dolgraag nog een kus zou hebben gegeven, als ze maar gedurfd had.

Toen ze zich dien avond te slapen legde, voelde ze zich gelukkiger dan ze nog gedaan had, sedert ze bij hare tante logeerde. Over hetgeen bij Louise van Rensen voorgevallen was, had Cécile thuis niets gezegd.

Hoofdstuk VIII.

De Feestavond.

De gewichtige dag aan den avond waarvan de partij zou plaats hebben, was aangebroken en in het huis van mevrouw d’Ablong heerschte een ongewone drukte. De beide deuren der twee kamers, die en suite met elkaar waren verbonden en zich vooraan in het huis bevonden, stonden wijd open, wel een bewijs dat er iets buitengewoons aan de hand was, want deze kamers werden alleen bij feestelijke gelegenheden gebruikt. Mannen liepen onophoudelijk af en aan met hooge, mooie planten in groene kuipen om de hoeken der kamers te versieren en guirlandes van dennengroen en puntige, glanzige klimop werden met smaak om den spiegel en aan den muur bevestigd, waar zij schilderachtig afstaken tegen de teere, lichte kleuren van het behang. Cécile hield met een kritisch oog het toezicht over alles, terwijl hare moeder nu en dan even binnen kwam om te zien, of men goed vorderde met de versiering. “Het moet alles nu eens heel mooi zijn, mama,” had Cécile gezegd, “eens wat anders dan vroeger,” en mevrouw d’Ablong vond alles goed, wat Cécile goed vond en was alleen maar bang dat zij zich te veel zou vermoeien, als zij het zich ’s ochtends reeds zoo druk maakte. Grootmama was met haar kleinzoon, die den vorigen avond gearriveerd was, gaan wandelen. Zij had Elsje gevraagd om mee te gaan, maar daar kon geen denken aan zijn, had Cécile gezegd. Elsje moest noodzakelijk haar rol nog eens bestudeeren, zij kende die volstrekt niet prompt en buitendien was er nog van allerlei te doen. Het was een groote teleurstelling voor Elsje, die toch al veel minder aan de oude dame had dan zij aanvankelijk had gehoopt. Cécile wist altijd op een behendige manier tusschen beide te komen, om een toenadering tusschen deze twee te verhinderen. Zij vond het onnoodig en ongewenscht dat hare grootmoeder zich veel met Elsje bemoeide en deze onder hare bescherming nam. Elsje moest weten, waar zij staan moest; zij was nu eenmaal uit een totaal anderen stand en het was al mooi genoeg dat zij bij de deftige mevrouw d’Ablong logeeren mocht, zooveel mooie kleeren cadeau kreeg, bij de partij mocht zijn, enz. enz. Frits was ook veel te vriendelijk jegens Elsje, hij deed heusch net soms, of hij haar niet onaardig vond! Dat was nu niet noodig, oordeelde Cécile; Elsje zou er maar brutaal van worden, zij was toch al onbescheiden genoeg. En buitendien, zij hoorde hier eigenlijk niet—het was vervelend altijd dat kind overal bij. Cécile zou blij zijn, als zij weer goed en wel naar haar dorp vertrokken was. Mama had haar eigenlijk maar nooit hier moeten laten komen!

Intusschen, zij was niet van plan, haar plezier te laten bederven door Elsje. Gelukkig gedroeg deze zich thans ten minste iets beter dan in ’t begin en als zij zich nu ’s avonds maar een beetje achteraf hield en wat bescheiden was, ook niet te veel danste, want dat deed ze nog allesbehalve mooi,—dan zou alles wel goed afloopen.

’s Avonds, voordat de beide meisjes zich gingen kleeden voor het feest, nam Cécile Elsje nog eens onder handen op haar kamer. “Gedraag je nu als ’t je blieft een beetje netjes,” zei ze, “en lach vooral niet zoo onbeschaafd luid. Dat deedt je gisterenavond telkens, als Frits een aardigheid zei. Die keek ook al zoo vreemd op, toen hij het hoorde!”

“Dat is niet waar,” zei Elsje driftig.

“Zulke uitdrukkingen gebruikt men bij ons niet,” antwoordde Cécile doodbedaard en uit de hoogte. “Je weet nu, waaraan je je te houden hebt. Stel je niet op den voorgrond van avond, dans niet te veel, want dat gaat je nog heel onelegant af en zeg geen onbehoorlijke dingen.”

“Dat doe ik nooit,” zei Elsje koppig.

“Je hebt me nu, geloof ik, wel begrepen,” hernam Cécile scherp. “O, daar is Keetje om je te helpen bij het kleeden.”

Cécile verdween en Keetje haastte zich, aan Elsje’s toilet te beginnen. Een beelderige baljurk van de zachte, rose stof gemaakt, die mevrouw d’Ablong in den winkel had uitgezocht, lag op het bed. Cécile zou een nieuw balkleedje dragen van het bewuste, teergele, kantachtige weefsel met de fijne, blauwe bloempjes. Elsje had een kleur gekregen, toen de naaister haar paste en er over uit was, zoo goed als het rose haar stond. Ze was meisje genoeg, om hiervoor niet ongevoelig te zijn en ze verlangde naar het bal en zag er tegen op tegelijk. Keetje besteedde bizonder veel zorg aan het kapsel en slaagde werkelijk gelukkig.

“Kijk nu eens even in den spiegel, jongejuffrouw,” zei ze, “en zie eens, hoe het u zoo bevalt. De kuif zit, dunkt me, veel beter dan anders, ik heb er erg mijn best op gedaan.”

“Ik vind het keurig,” zei Elsje verlegen; zij was niet gewend om veel in den spiegel te kijken. Een lichte huivering van half prettige, half “griezelige” agitatie voer haar door de leden, toen Keetje de jurk voorzichtig van het bed nam en haar over de schouders liet glijden. Het ruime lijfje, smaakvol met een weinig ragfijne kant gegarneerd, zat keurig, en aardig staken de lage, goudleeren dansschoentjes en de zijden kousen onder den ruimen rok uit. Elsje bleef met neergeslagen oogen staan, terwijl Keetje handig en vlug haar werk deed. Zij had een gevoel, alsof zij iemand anders was en toen Keetje op goedkeurenden toon zei: “Ziezoo, nu bent u klaar!” keek ze met een droomerig lachje op. Ze verroerde zich niet en haar hart klopte sneller, toen Keetje de kaarsen op den schoorsteen aanstak en zei:

“Nu moet u eens voor den grooten spiegel gaan staan, zóó, dan kunt u uzelf van top tot teen bekijken.”

Zij duwde Elsje zacht naar voren en toen deze de oogen opsloeg, zag ze haar beeld plotseling levensgroot in den fraaien spiegel weerkaatst. Met zekeren nieuwsgierigen schroom keek ze naar de bekende en toch zoo ongewone verschijning. Ze zag een bedeesd meisjesgezicht met een warmrood blosje op de wangen, groote, schitterende oogen, waarin een uitdrukking van kinderlijke verlegenheid lag, een half blooten hals, door een teere kantwolk omsloten, en een stevig, rond figuurtje, waaromheen lichtrose plooien bevallig waren gedrapeerd. Ze haalde eens diep adem en keerde zich half beschaamd van den spiegel af, als vond ze dat ze nu reeds meer dan lang genoeg gekeken had. Keetje bezag haar nog eens met een langen, onderzoekenden blik, om te ontdekken of zij nog iets verzuimd had, toen zei ze:

“Nu ga ik mevrouw even roepen, jongejuffrouw. Zij heeft mij gezegd dat ik dit doen moest, als u klaar waart.”

Zij ging de kamer uit en kwam bijna onmiddellijk terug met mevrouw d’Ablong, die reeds geheel gekleed was in een japon van zware, ruischende zwarte zijde. Een prachtige, diamanten broche prijkte aan haar hals.

“Heel netjes,” zei ze, nadat zij Elsje nauwkeurig van top tot teen had opgenomen. “Kijk maar niet zoo bedremmeld, kind; kom, laat mij eens zien hoe je gezicht er uit ziet.” En het meisje vriendelijk bij de kin vattend, keek ze haar lachend aan.

“Wat heb je een kleur en wat schitteren je oogen!” zei ze, “het is net of je een ander kind bent. Nu, vindt je het nu ook prettig dat ik je die mooie jurk heb gegeven en ben je nu van plan om eens een heelen boel plezier te hebben van avond?”

Elsje knikte.

“Wat zal grootmoeder verlangen naar al je verhalen,” vervolgde mevrouw d’Ablong, die in een bizonder goed humeur was, nu ze zag hoe lief Elsje het mooie toiletje stond. “Je zult wel dansers krijgen hoor, doe vooral goed je best om de passen netjes te maken.”

En in een, bij haar zeer ongewone, opwelling van teederheid voor Elsje, kuste zij haar op de wang.

“Maar kindje, wat gloeit je gezicht!” riep zij uit, “ben je zoo opgewonden?” Toen, met een plotselinge verandering van toon: “Ik vind toch dat die garneering om den hals wat kaal staat. Je hals is ook niet blank genoeg om zoo ver bloot te zijn. Je moest eigenlijk... ja, wacht eens, ik zal je voor dezen éénen keer mijn parelsnoer leenen; dat zal bepaald mooi staan bij die crème kant. Maar het is heel, heel kostbaar, Elsje, pas dus vooral goed op dat je het niet verliest. Het is een erfstuk van de familie d’Ablong en buitendien een groote som gelds waard.”

“Maar dan wil ik het eigenlijk veel liever niet dragen, tante, als er eens wat aan kwam....”

“Onzin! Wat zou er nu aan een parelsnoer komen, dat je gewoon om je hals draagt! Blijf hier maar even wachten, ik kom dadelijk weer terug.”

Een paar minuten later kwam zij de kamer weer in met den kostbaren ketting in haar hand. Juist wilde zij de deur sluiten, toen Cécile op den drempel verscheen.

“Ik zag u hierin gaan, mama,” zei ze, “ik ben klaar. Niet onaardig, vindt u wel?”

Mevrouw d’Ablong keerde zich snel om en met een glans van moederlijken trots op haar gelaat, keek ze naar de jonge meisjesgestalte, die in al de schoonheid van een allerelegantst toiletje, kwistig met lichtblauwe strikken en volants van slap neerhangende kant versierd, voor haar stond. Het weelderige, donkere haar viel krullend en golvend neer langs den blanken hals en werd alleen in bedwang gehouden door een lossen strik van lichtblauw lint, dat mooi afstak bij de warmbruine kleur van het haar. De groote, donkere oogen, de fraaie teekening der wenkbrauwen, de lange oogwimpers, de bevallige ronding der armen, de slankheid van het figuurtje—alles scheen bij deze smaakvolle kleeding nog meer uit te komen dan anders en zonder de minste poging om hare bewondering te verbergen en Cécile’s ijdelheid te temperen, riep mevrouw d’Ablong uit:

“Allerbeelderigst Cilly! Je ziet er meer dan snoeperig uit! Heeft grootmama je al gezien en Frits?”

“Neen mama.”

“Dan zou ik maar gauw naar beneden gaan. Het is ook al niet vroeg meer. Maar kijk nog eens even naar Elsje; vindt je niet dat dat japonnetje haar aardig staat?”

Cécile verwaardigde zich niet, meer dan een vluchtigen blik op haar nichtje te werpen en zei op onverschilligen toon:

“Het gaat nogal.” Toen opeens driftig: “Maar mama, waarom heeft ze uw parels aan?”

“Het stond anders zoo kaal; die kant valt zoo erg naar beneden, hier van voren.”

“Nu, u moet het weten, maar ik vind dat parels al allerminst bij Lizzie passen.”

“Kom Cilly, nu niet zulke onaardige dingen zeggen,” zei hare moeder op vergoelijkenden toon. “Nu maar naar beneden meisjes, ik ben trotsch op jullie alle twee.”

Grootmama en Frits waren vol lof over het fraaie baltoiletje van Cécile en Frits plaagde zijn nichtje met haar zwak voor mooie kleeren. Naar Elsje keek de oude dame met een vriendelijke tinteling in hare oogen, alsof het haar goed deed in het eenvoudige kindergezichtje te zien, dat gloeide van koortsachtige spanning. Zij trok Elsje naar zich toe en kuste haar en Frits keek haar vroolijk aan en zei lachend:

“Niet alle dansen weggeven aan anderen, hoor Roodkapje! Ik reken er vast op dat je er twee of drie met mij doen zult.”

“Aan het dansen zijn wij nog zoo gauw niet toe,” viel Cécile haastig in. “Eerst babbelen we een beetje en laten onze balboekjes vullen, maar voordat het wezenlijke dansen begint, voeren we het tooneelstukje op.”

“O,” riep Frits, groote oogen opzettend, “moet daar die fraaie tribune voor dienen?”

“Ja, en nu vertel ik je verder niets meer,” zei Cécile met geveinsde knorrigheid. “Je moogt het gordijn wegtrekken, dat als scherm dienst doet van avond en dan moet je oplettend en bewonderend naar de comedie kijken.”

“UEd. hebt maar te bevelen,” zei Frits, het hoofd buigend.

Toch kwam het anders uit dan Cécile zich had voorgesteld. Toen al de gasten, een vroolijke, levendige stoet van jongens en meisjes van 14 tot 18 jaar, verschenen waren en de prettige tonen der muziek werden gehoord, smeekten allen zoo dringend om een, twee dansjes, voordat er iets anders gebeurde, dat Cécile wel toe moest geven, hoewel zij het niet heel vleiend vond dat er naar de tooneelvoorstelling niet meer werd verlangd. Daarbij kwam dat Frits met onverklaarbaren slechten smaak er op stond den eersten dans met Elsje te doen, die verbaasd en verrukt haar hand op zijn arm legde en door hem geholpen, veel beter en met veel meer genot danste dan zij had durven hopen. En hoewel het Cécile gelukte de jeugdige cavaliers, die zich als om strijd verdrongen om hunne namen in haar balboekje op te schrijven, van Elsje af te houden, toch verminderde dit het gevoel van bitterheid niet, dat bij haar opkwam, toen ze Frits ook den tweeden dans met Elsje zag doen. Eindelijk, bij den derden zag ze haar als “muurbloem” op een der stoelen zitten en toen deze dans afgeloopen en het oogenblik gekomen was, waarop de actrices zich uit de balzaal moesten verwijderen, ging ze snel naar Elsje toe en fluisterde:

“Ga terstond mee, we moeten ons stukje doen.”

Elsje stond dadelijk op en volgde haar naar de achterkamer, waar een klein tooneel was geïmproviseerd, terwijl de meisjes zich verkleeden moesten in een vertrekje, dat door een deur met de achterkamer was verbonden. Een tweede deur kwam op de gang uit. Loulou, Cato, en Emma waren er reeds, toen Cécile en Elsje binnen kwamen.

“O Cilly, wat zie je er beelderig uit van avond!” riep Cato. “Jij bent natuurlijk weer la reine du bal.”

“Zoo!” zei Cécile op onverschilligen toon. “Ik heb anders nog niet heel veel plezier gehad; ik schaam me zóó over Lizzie.”

“Over mij?” vroeg Elsje verbaasd, wier vroolijke oogen toonden dat zij wel plezier gehad had.

“Ja, over jou! Heet hier anders soms iemand Lizzie?”

“Alsof ik wel zoo heette!” lachte Elsje. “Maar wat heb ik dan gedaan?”

“Als je dat niet begrijpt, kan ik het je niet uitleggen,” zei Cécile boos. “Je hebt je heel onbehoorlijk en coquet aangesteld. Sta daar nu maar niet zoo dom te kijken, maar maak liever voort. Denk er aan dat jij het eerst opkomen moet en dus ook het eerst klaar moet zijn. Speel nu als ’t je blieft een beetje goed en spreek duidelijk, maar gil en lach niet zoo onbeschaafd.”

Elsje antwoordde niet. Zij wilde zich goed houden en beet zich op de lippen om zichzelf tot zwijgen te dwingen. De anderen keken Cécile verbaasd aan, maar achtten het ook wijs niets te zeggen. Emma hielp Elsje aan hare kleeding en zette haar het nette, witte mutsje op, dat zij als dienstmeisje dragen moest. Allen waren druk bezig, hare baltoiletten te verwisselen voor de eenvoudiger kleedij, waarin zij haar rol vervullen moesten.

Eindelijk kon de voorstelling een aanvang nemen. In lange rijen zaten en stonden de gasten in afwachting van hetgeen zij te zien zouden krijgen. Frits trok met een plechtig gezicht het gordijn weg en Cécile duwde Elsje naar voren en fluisterde boos:

“Kom, gauw nu maar, treuzel niet, als ’t je blieft.”

“Neen,” zei Elsje gejaagd, terwijl ze zich opeens heel zenuwachtig voelde en buitengemeen geneigd om weg te loopen, niet in de richting van het tooneel. Zij vermande zich echter en trad moedig naar voren, hoewel ze vreemd duizelig werd en hare oogen als in een witten nevel zagen.

Zoo duidelijk sprekend als haar maar mogelijk was, begon ze te spelen, maar ze wist nauwelijks, wat ze zeide. Ze kende echter haar rol zoo prompt dat ze geen oogenblik haperde, totdat plotseling een jongensstem uit de toeschouwers riep:

“Niet met je rug naar het publiek! Keer je eens om!”

“Sst.... stil.... stil....” riepen verscheidene andere stemmen.

“Nu ja, maar we zien en hooren zoo niets,” zei de eerste stem weer.

Elsje keerde zich om—zij wist niet eens dat zij met haar rug naar het publiek toe had gestaan—en begon nog eens. Nauwelijks echter had zij een paar zinnen gezegd, of hare stem begaf haar. Zij hapte naar adem en keek met een hulpelooze, angstige uitdrukking in hare oogen naar de zee van nieuwsgierige gezichten voor haar. Zij probeerde nog eens en nog eens, maar er kwam geen geluid. De tooneelkoorts had het arme kind deerlijk in hare macht; zij stond te trillen op hare beenen, het suisde in hare ooren en zij voelde zich diep ongelukkig. Al haar moed begaf haar en met een wanhopig gebaar sloeg zij de handen voor het gezicht en barstte in tranen uit.

Frits schoof snel het gordijn weer voor het tooneel.

“Even geduld, dames en heeren,” riep hij, “een onzer actrices is een weinig ongesteld geworden. Straks zal de voorstelling wel weer opnieuw kunnen beginnen.”

Intusschen had Cécile Elsje driftig bij den arm genomen en meegetrokken naar het kleedkamertje. Elsje volgde gedwee en hard snikkend.

“Je hebt alles, alles bedorven!” knorde Cécile. “Wij hadden je nooit mee moeten laten spelen! En wat moeten wij nu beginnen?” vervolgde ze, zich tot de anderen wendend, “met die erbarmelijk snikkende Lizzie kunnen wij niets uitvoeren.”

“Mag ik binnen komen?” vroeg een stem aan de deur, die op de gang uitkwam.

“Wie is daar, wie is daar?” riepen Loulou en Emma tegelijk.

“Wie ben je?” riep Cécile.

“Kitty van Heusde,” antwoordde de stem. “Laat mij heusch maar binnen—ik kom jullie helpen.”

Emma opende de deur en een klein, dik meisje met een rond, prettig gezicht, trad snel binnen.

“Ik wou vragen,” zei ze, “of ik voor dienstmeisje zal spelen. Ik ken het stukje heel goed, wij hebben het juist bij ons thuis opgevoerd, op Papa’s verjaardag. Misschien wil zij,” en zij wees medelijdend op Elsje, die op een stoel zat te schreien, “er wel graag af.”

“O ja natuurlijk,” zei Cécile. “Dat treft heerlijk, Kit. Verkleed je dan maar gauw. Kom Lizzie, trek dat costuum eens uit. Het zal je wel passen denk ik, Kitty, jullie zijn zoowat even groot.”

Elsje gehoorzaamde en bleef toen met een treurig gezicht, in haar onderlijfje zitten. Emma vroeg haar vriendelijk of ze haar even zou helpen om haar baljurk weer aan te trekken, maar ze schudde droevig het hoofd. De andere meisjes lieten haar aan haar lot over. De voorstelling begon weer, thans met de allesbehalve bedeesde Kitty van Heusde als dienstmeisje, en was in vollen gang, toen Elsje nog steeds bitter terneergeslagen in het kleedkamertje zat. Juist waren al de vijf actrices op het tooneel bezig, toen de eene deur van het vertrekje zacht geopend werd en de oude grootmoeder binnen kwam.

“Maar kindje,” zei ze, hare hand op Elsje’s schouder leggend, “zit je hier nog zóó? Wel foei, dat is nu net om kou te vatten en ziek te worden! Kom, laat ik je maar eens gauw weer netjes maken. Dit is je japonnetje, he?”

“Ja,” zei Elsje, “maar ik durf toch niet weer naar binnen.”

“Niet weer naar binnen! Dat meen je niet! Je zult eens zien hoeveel plezier je nog zult hebben. Sta maar eens gauw op.”

Elsje durfde niet tegen te stribbelen en in een oogenblik had de handige, oude dame haar de mooie, rose jurk aangetrokken. Het kostbare parelsnoer werd weer om haar hals bevestigd, toen sloeg grootmama den arm om haar heen, trok haar naar zich toe en zei:

“Zullen we nu samen weer naar binnen gaan?”

“Ik durf wezenlijk niet,” zei Elsje bevend.

“Kom, kom, een beetje moedig wezen. Leg je hand maar hier, zóó; nu gaan we gearmd naar binnen.”

Elsje drukte zich dichter tegen de oude dame aan, toen zij de danszaal weer inging. Het binnenkomen viel haar echter erg mee. Al de gasten waren verdiept in het tooneelstukje en bijna niemand keek om, toen hare begeleidster met haar op een der achterste rijen zitten ging, waar nog twee stoelen leeg waren. Mevrouw d’Ablong alleen wierp haar een koelen blik toe en wenkte grootmama om naar voren te komen en haar vroegere plaats in te nemen. De oude dame knikte echter ontkennend en bleef bij Elsje.

Met een hoogroode kleur en koude handen zat deze verlegen en beschaamd naast haar en hoewel zij zich langzamerhand een beetje meer op haar gemak begon te voelen en weer eens om zich heen durfde te zien, kwam de vroolijke stemming, waarin zij bij het begin van den avond was geweest, niet terug. Toen het comediestukje geëindigd was en de jeugdige actrices levendig waren toegejuicht en herhaaldelijk teruggeroepen, nam grootmama afscheid en ging naar hare kamer. Zij was moe en men zou zich nu ook wel zonder haar kunnen amuseeren, betuigde ze lachend. Zij fluisterde Elsje nog een paar bemoedigende woorden toe en ging toen heen. Het arme kind voelde zich nu weer erg verlaten. Hare tante durfde zij niet onder de oogen komen en Frits evenmin en toen Cécile, Loulou en Cato haar met spottende gezichten voorbij gingen en ze Cato hoorde zeggen: “Dat laffe kindje moest maar naar bed gaan, dunkt me,” trok zij zich angstig terug in een stil hoekje achter een paar hooge dennestruiken, waar toevallig een stoel stond. Juist vroeg ze zich af, of het werkelijk maar niet beter zou zijn dat ze stil naar haar kamer ging—niemand zou haar zeker missen, dacht ze met bitterheid—toen ze een frissche koelte hare wangen voelde streelen en bemerkte dat ze dicht bij een raam zat, dat half open stond, zeker om te verhinderen dat het in de balzaal te benauwd werd. Het was een mooie Februari-avond en Elsje knielde met een zucht van welbehagen voor het venster neer, legde haar hoofd op het kozijn en keek naar buiten. Wat flonkerden de sterren en wat was de lucht donkerblauw en welk een heerlijke geur verspreidden de dennen naast en achter haar! Als zij de dansmuziek niet zoo duidelijk had gehoord, zou ze zich bijna hebben kunnen verbeelden dat ze buiten was in het bosch, met de plechtige stilte van den avond om zich heen en den schitterenden sterrenhemel boven haar hoofd. Hé, wat was het heerlijk om die verkwikkelijke koelte over hare gloeiende wangen te voelen glijden! Zij stak haar hoofd verder buiten het raam en keek met een ernstig gezicht naar boven, terwijl ze hare handen gevouwen op de vensterbank hield. Zoo bleef ze onbewegelijk een oogenblik zitten. Een lokje van heur haar viel naar voren en zij schoof het met de linkerhand weg, waarbij deze even in aanraking kwam met het kanten plooisel om haar hals. Tegelijkertijd voelde ze plotseling dat ze het parelsnoer niet meer om had. Met een snelle beweging trok zij haar hoofd naar binnen, voelde nog eens en nog eens, maar de kostbare ketting was geheel verdwenen. Hevig verschrikt sprong zij op en zocht op den grond om zich heen, op de vensterbank, bij de dennen—alles te vergeefs. Zij wist zeker dat ze het snoer nog om had gehad toen ze hier ging zitten, want ze had toen nog een paar achterharen losgetrokken uit het slootje, dat daaraan was blijven haken—waar kon de ketting opeens gebleven zijn? Radeloos sloeg zij de handen in elkaar en trachtte na te denken. Daar viel haar iets in! Misschien was het slootje losgeraakt en het parelsnoer uit het raam naar buiten gevallen, terwijl zij naar den sterrenhemel opkeek. Terstond stak zij haar hoofd weer buiten het venster en keek scherp rond, of zij in het maanlicht de parelen ook ergens op de stoep zag liggen. Maar er was niets te zien dan de blauwe steenen der stoeptreden en de stille, rustige gracht, die op dit oogenblik van den avond gewoonlijk zeer weinig werd bezocht. Zij moest verder zoeken, verder zoeken.... Als er eens iemand voorbij gekomen was en het parelsnoer opgeraapt en meegenomen had, terwijl zij bezig was bij de dennen er naar te zoeken! Haar hart klopte hevig bij die verschrikkelijke gedachte! Nooit, nooit zou zij hare tante weer onder de oogen durven komen, voordat ze het kostbare sieraad teruggevonden had! Wie was er, die haar helpen kon? Niemand, niemand! Grootmama was zeker al te bed gegaan, Miss Piper zat den geheelen avond rustig op haar kamer en buitendien—zij zouden toch niet weten, waar de parels gebleven waren! O, zij moest zoeken, zoeken, net zoolang tot zij ze weer had, den geheelen nacht door, als het noodig was. Hoe kon zij hier ook nog blijven staan! Zij moest dadelijk naar buiten gaan en overal kijken bij de stoep—van hieruit kon zij toch ook onmogelijk goed zien.

Daar hoorde zij de stem van Frits roepen: “Waar is Roodkapje toch?” En Cécile, die lachend terugriep: “Zeker naar boven gegaan, het is kleine kinderen-bedtijd!” En bevend en angstig, doodsbenauwd dat iemand haar zien zou, snelde zij uit haar schuilplaats naar de deur der kamer, die zich gelukkig dicht bij het venster bevond. Tot haar blijdschap kwam ze niemand tegen in de helder verlichte gang en in een ondenkbaar kort oogenblik had ze de voordeur geopend en stond ze op de stoep. Toen keek ze snel rond. Daar was het open raam, waaruit ze naar buiten had gekeken, dan zou het snoer hier kunnen liggen. Ze liep haastig twee der stoeptreden af en zocht, zocht uit alle macht, dan hier, dan daar, overal waar het maar met eenige mogelijkheid heen zou hebben kunnen glijden—maar het was en bleef weg. Het was verschrikkelijk! Het arme kind werd hoe langer hoe wanhopiger. In haar zenuwachtigen toestand deed ze zichzelf de hevigste verwijten over hare onvoorzichtigheid om het hoofd uit het raam te steken. Met gloeiende wangen, een brandend gevoel in de oogen en overigens koud en rillend van agitatie, liep zij nog eens en nog eens de stoep op en af. Al haar zoeken bleef vruchteloos, een hevige angst voor den toorn harer tante maakte zich van haar meester en in hare radeloosheid nauwelijks in staat tot geregeld denken, stond zij een oogenblik met bange, groote oogen te kijken langs de stille gracht. Wat moest ze beginnen? Weer naar binnen gaan, durfde ze niet—kon ze maar ergens heen gaan, vluchten, weg, ergens, waar ze dien nacht kon blijven en dan morgen naar huis, naar grootmoeder en die alles vertellen. Die zou haar dan wel helpen om alles aan tante te schrijven....

En tante zou haar niet missen van avond, die dacht natuurlijk dat zij al naar bed was, dat dacht Cécile immers ook.... maar waar zou ze heen; waar?

Daar kreeg ze plotseling een inval. Ja, ja, dat zou gaan! En zonder zich een oogenblik te bedenken, vloog ze als een pijl uit den boog de hooge huizen langs, een wonderlijke verschijning in haar fladderend licht toiletje, zonder hoed op het wuivende blonde haar en met de dunne, sierlijke dansschoentjes aan de voeten. Op den hoek der gracht sloeg ze de breede winkelstraat in, die nog helder verlicht was; het was ongeveer tien uur. De voorbijgangers keken nieuwsgierig naar haar, maar zij lette niet op hunne verbaasde gezichten en snelde al maar voort, voort, tot ze voor den kleinen kruidenierswinkel stond, waarmee ze vroeger kennis had gemaakt. Met een bevende hand deed ze de winkeldeur open en trad binnen. Een man, die achter de toonbank stond, keek haar met sprakelooze verwondering aan. Dat was een vreemde klant op den laten avond, vond hij.