WeRead Powered by ReaderPub
Elsje cover

Elsje

Chapter 12: Hoofdstuk X. Grootmama.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A children's story centers on a young orphaned girl raised by her grandmother in a small village, tracing her daily errands, household responsibilities, and friendships. She experiences a deep, appreciative wonder for nature, noticing winter light, frost, and sparkling dew, which enriches otherwise modest circumstances. Episodes include visits to the village shop, playful teasing by neighborhood boys, and small anxieties such as safeguarding a heavy basket. The narrative proceeds episodically, emphasizing domestic care, simple moral lessons, and affectionate bonds across generations within rural life.

“Zonder zich een oogenblik te bedenken, vloog ze de hooge huizen langs....”

“Ik.... ik.... is uw vrouw binnen?” vroeg Elsje hijgend.

“Jawel, die is thuis,” zei de man met een hoofdknik. “Maar wat moet u met haar, jongejuffrouw? Het is al zoo laat, ik begrijp niet....”

“Dus zij is binnen?” viel Elsje hem haastig in de rede en zonder zijn antwoord af te wachten, liep ze de smalle gang door en de kamer achter den winkel in. De kruidenier volgde haar terstond.

“Lieve tijd, wat is dat?” riep zijn vrouw, ontsteld van haar stoel opspringend, toen ze Elsje zag. “Wat moet dat jonge dametje hier, Gerrit? En in die dunne kleeren....”

“Ik ben het, Elsje, u kent mij toch nog wel?” zei Elsje gejaagd en schreiend. “En ik kom u vragen, of ik hier van nacht mag blijven. Morgen ga ik weer weg—naar huis terug, naar grootmoeder.”

“Ja, nu zie ik het,” zei de vrouw, “je bent dat zelfde meisje, dat Evert laatst voor een ongeluk heeft bewaard. Maar lieve kind, waarom ben je weggeloopen van die tante, bij wie je logeerde en dan nog wel zoo koud gekleed! Kom, schrei nu niet. Vertel mij maar eens waar je logeert, dan zal mijn man je wel even thuis brengen. Wat is er toch? Waarom ben je zoo vreeselijk bedroefd?”

“O, ik kan het u niet zeggen en ik kan niet weer naar tante terug gaan, heusch niet! Ik heb iets verloren van haar, iets heel kostbaars en ik kan niet weer naar haar toegaan, voordat dat terug is! Och, laat mij hier van nacht blijven, als ’t je blieft, als ’t je blieft.”

“Maar je tante zal zoo ongerust worden, als ze niet weet, waar je bent. Kom, zeg ons nu maar even, waar ze woont en schrei niet meer zoo vreeselijk! Het is toch zeker ook maar een ongeluk geweest dat je dat mooie ding hebt verloren. Ik zou maar gauw weer naar huis gaan en haar alles zeggen, dat is veel beter, gerust, en dan zal mijn man je even brengen. Is ’t niet Gerrit?”

Gerrit, die zijn vrouw voortdurend het woord liet doen en nog steeds met de uiterste verbazing op zijn gezicht stond toe te kijken, knikte toestemmend.

“Neen, neen!” riep Elsje angstig. “Ik kan niet weer terug, wezenlijk niet, och, geloof mij toch! En tante zal niet ongerust zijn, want zij denkt dat ik al in bed lig. Laat mij hier blijven van nacht, als ’t je blieft, als ’t je blieft! Morgen zal ik weer weggaan....”

Er was niets met haar te beginnen. Zij was zoo over stuur en zoo angstig bevreesd dat men haar haar zin niet zou geven, dat de vrouw eindelijk hoofdschuddend toegaf, haar in Gerrit’s gemakkelijken stoel bij de tafel duwde en zei:

“Nu, nu, blijf hier dan maar van nacht. Rust nu maar eens even uit en probeer wat kalmer te worden.”

Toen ging zij met haar man de kamer uit.

“Wij moeten haar in vrede’s naam van nacht maar hier houden,” zei ze. “Het arme kind is heelemaal in de war. Het is te hopen dat die tante van haar werkelijk niet ongerust over haar is. Als ze nu van nacht eens goed geslapen heeft, zal ze morgen wel wat handelbaarder zijn. Ze kan natuurlijk toch niet reizen in die jurk; ze heeft niet eens een hoed en mantel bij zich en wie weet, of ze wel reisgeld heeft meegenomen! Ze schijnt opeens weggeloopen te zijn. Ze ziet er als een echte jongejuffrouw uit nu met die mooie kleeren, heel anders dan toen ik haar voor ’t eerst zag. Toen leek ze een gewoon burgermeisje. Het is een raadselachtige geschiedenis, Gerrit; misschien komen we er morgen achter. Er is nu niets uit het arme kind te krijgen. Ik moet haar maar gauw in bed stoppen. Gelukkig dat Jan net voor vier dagen naar zijn ouders is, nu kan ze in zijn bed slapen.”

Jan was de bediende, een buitenjongen, die bij den kruidenier in de leer was.

Hoofdstuk IX.

Groot Verdriet.

Een half uur later stond Elsje met een bedrukt gezicht en rood beschreide oogen naast de goedhartige kruideniersvrouw op een klein, hoogst eenvoudig gemeubileerd zolderkamertje met een bedstee, waarvoor hardgele gordijnen hingen.

“Kijk,” zei haar gastvrouw, de gordijnen opentrekkend, “het bed is groot genoeg en ik heb er mooi, schoon linnen voor je opgelegd. Kom, wees nu maar niet meer bedroefd en ga maar gauw slapen. Wat zal de kleine Evert het aardig vinden je morgenochtend te zien! Denk er aan dat je de kaars uitblaast als je klaar bent en slaap lekker! Morgen zal alles wel weer in orde komen, daar ben ik niets bang voor. Nacht Elsje!”

Elsje sloeg met een plotselinge, hartstochtelijke beweging de armen om haar hals, legde haar kloppend hoofd tegen den schouder der goede vrouw en barstte weer in tranen uit.

“O, ik verlang zoo naar huis, naar grootmoeder!” snikte ze, in korte, afgebroken zinnen, “ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk hier in de stad—o, ik wou dat ik er nooit gekomen was, nooit! Ik .... ik wou dat ik maar weg was .... ik wou....”

“Stil, stil,” viel de vrouw haar sussend in de rede, “je moet nu niet meer schreien, wezenlijk niet. Je zult nog hoofdpijn krijgen en ziek worden, als je je zoo vreeselijk over stuur maakt. Kom, kom, kom, stil nu, stil nu.”

Zij maakte zich zacht los uit de omarming van het snikkende kind, schonk een glas water in, liet haar drinken en zei op beslisten toon:

“Nu moet je wezenlijk terstond naar bed gaan. Kijk, hier op dezen stoel ligt een nachtjak van mij voor je. Dat zal je wel een beetje te wijd wezen, maar dat is niets, beter te wijd dan te nauw. Kom, drink nog maar eens, zie zoo, nu bedaard het al een beetje, he? Nacht Elsje.”

En haar onverwachte gast nog eens vriendelijk toeknikkend, ging ze heen.

Toen Elsje alleen gelaten was, bleef ze voortschreien, eerst hartstochtelijk en met zenuwachtige snikken, toen zachter en bedaarder. Eindelijk was het alsof ze geen kracht meer had om langer te schreien, geen kracht om uiting te geven aan het gevoel van wanhopige smart, dat haar bezielde, geen kracht om iets anders te doen dan met doffe lijdelijkheid, gekleed als zij was, op het bed te gaan liggen en met starende oogen voor zich uit te zien. Langzamerhand echter kwam iets van haar ouden moed weer boven. “Zoo mag het niet langer,” fluisterde ze, terwijl ze zich van het bed liet afglijden. “Ik moet wezenlijk probeeren of ik wat kan slapen. Misschien .... misschien gebeurt er morgen iets, dat.... mij helpt.”

Zij trok de dunne rose jurk en hare dansschoentjes uit en besloot zich maar niet verder uit te kleeden en zoo in bed te gaan. Zij was veel te gejaagd, veel te veel onder den indruk van het half onbestemde denkbeeld dat zij het druk zou hebben morgen en vroeg klaar zou moeten zijn, om zich thans rustig te kunnen ontkleeden en bedaard te gaan slapen. Zij huiverde en rilde van koude en zenuwachtigheid en toen ze de kaars uitgeblazen had en was gaan liggen, scheen het haar een onmogelijkheid toe, dat zij in slaap zou komen. Haar hoofd begon te kloppen en te gloeien en met tergende duidelijkheid stonden haar nu eensklaps de bezwaren voor den geest, die aan haar terugreis op morgen zouden zijn verbonden. Ze had geen geld bij zich—hoe zou ze dan een kaartje kunnen betalen? Grootmoeder zou misschien, neen zeker, heel boos zijn, als ze zoo opeens voor haar stond, weggevlucht van hare tante. En tante zelf—die zou het haar zeker nooit, nooit vergeven, nog minder misschien dan het verliezen van het parelsnoer. En ze kon toch ook niet reizen in die dunne, lichte jurk, zonder hoed of iets! Maar misschien zou de kruideniersvrouw haar wel een of ander willen leenen—als zij ten minste iets had, dat haar paste. Ja, ja, die zou haar wel willen helpen, als ze kon. Maar mocht ze wel weggaan, zou hare tante zich niet erg ongerust maken waar zij toch was—morgenochtend aan het ontbijt zou men haar natuurlijk missen! O, wat moest ze beginnen, wat moest ze beginnen! Ze wist zich geen raad, heelemaal geen raad en onrustig woelde zij op het bed heen en weer, totdat eindelijk een weldadige slaap zich over haar ontfermde en haar tijdelijk rust gaf.

Intusschen was het bal bij mevrouw d’Ablong onafgebroken, met steeds toenemende levendigheid, voortgezet. Cécile was na de tooneelvoorstelling geheel en al de koningin van het feest geworden en hare moeder zag met fiere goedkeuring, hoe iedereen als om strijd haar dochtertje fêteerde. Zij bemerkte vrij spoedig dat Elsje zich uit de danszaal had verwijderd en hoewel zij haar die straf zelf niet zou hebben opgelegd, vond zij het niet kwaad dat Elsje toonde zich genoeg te schamen over haar gedrag op het tooneel, om maar liever niet meer mee te dansen. Ze zal naar hare kamer gegaan zijn, dacht mevrouw d’Ablong en ze vatte half en half het voornemen op, naar haar toe te gaan en haar na een ernstige terechtwijzing te vergunnen, zich weer bij de dansenden te voegen—maar werd in de uitvoering van dit plan telkens verhinderd door de gedachte dat Elsje zich misschien weer op een of andere manier “kinderachtig” zou gedragen en haar compromitteeren. Neen, het was wellicht maar beter dat het lastige kind boven bleef. Cécile had nu ook juist zoo heel veel plezier, dat zou misschien veranderen, als Elsje weer beneden kwam. Zij moest straks maar eens even naar haar gaan kijken en als zij dan wat al te bedroefd was, haar wat lekkers brengen—een portie ijs en een taartje—en zeggen dat zij in ’t vervolg maar wat beter haar best moest doen. Misschien had Cécile ten slotte toch gelijk gehad; het was niet verstandig geweest, Elsje tot het feest te laten blijven. Ze kon nu in de volgende week ook wel weer vertrekken. Hare tante zou haar dan zelf brengen en meteen eens zien, hoe de oude grootmoeder het maakte—de laatste berichten waren iets minder gunstig geweest.

Mevrouw d’Ablong haastte zich niet, Elsje op haar kamer te gaan toespreken. Frits had al een paar maal gevraagd of “Roodkapje” heusch naar bed gegaan was. Dat had zij nu niet moeten doen, beweerde hij; zóó erg was het toch niet dat zij nog niet gewend was om als actrice op te treden! Hij vond het jammer dat zij nu in ’t geheel niets aan de partij had. Kon hare tante haar niet laten zeggen of gaan zeggen dat ze wezenlijk weer beneden komen moest?

Mevrouw d’Ablong gaf op beide vragen een ontwijkend antwoord. Zij vond het niet noodig Frits op de hoogte te brengen omtrent de beweegredenen, die haar noopten, Elsje van de balzaal verwijderd te houden—Frits zag dat zij het onderwerp van Elsje’s afwezigheid liever verder onaangeroerd liet en sprak dus over wat anders. Later zocht hij nog eens of hij Elsje ook ergens in een verborgen hoekje zag zitten, maar toen al zijn pogingen vruchteloos bleven, gaf hij het op en kwam tot de overtuiging dat zij zich werkelijk voor goed op haar kamer had teruggetrokken. Cécile was blij dat Elsje “zoo verstandig” geweest was naar bed te gaan en Loulou en Cato waren het geheel met haar eens. Emma vond het jammer, maar zei niet veel en de overige gasten hadden nog te weinig van Elsje gemerkt, om zich erg over haar al of niet tegenwoordig zijn te bekommeren.

Er gingen dus twee, drie uren voorbij, voordat iemand bemerkte dat Elsje het huis harer tante had verlaten. Tweemaal was deze op het punt naar boven te gaan, maar telkens werd zij door een of ander in haar voornemen verhinderd en toen zij het eindelijk ten uitvoer bracht, was het laat en hadden de gasten reeds afscheid genomen. Het laatste rijtuig reed weg en Cécile liet zich met een zucht op een der canapés neervallen, volkomen bereid nog een praatje met Frits te houden voordat ze naar boven ging, toen hare moeder opeens met een verschrikt, bleek gezicht weer binnen kwam met het onrustbarende bericht dat Elsje niet op haar kamer was en noch Keetje, noch de andere dienstboden, noch grootmama en Miss Piper haar hadden gezien. Niemand begreep waar zij heengegaan kon zijn. Keetje en Dina waren bezig het geheele huis te doorzoeken, maar ook dit was vruchteloos, zooals bleek toen de beide dienstmeisjes in de danszaal verschenen.

“Zijn jullie overal geweest en heb je Anna ook ondervraagd?”

“Ja mevrouw,” zei Dina, “maar Anna is den geheelen avond in de keuken geweest, natuurlijk. Zij had de jongejuffrouw in ’t geheel niet gezien, zei ze.”

“Wat moet ik beginnen?” zei mevrouw d’Ablong zich tot Frits wendend, die angstig toegeluisterd had.

“Ik weet het waarlijk niet, tante,” zei hij. “Misschien zal het het beste zijn dat ik er terstond op uitga en eens zie of ze in haar droefheid over haar mislukt spel ook naar buiten geloopen en verdwaald is. Zij houdt zoo ontzettend veel van wandelen en in de lucht zijn en het is mogelijk dat ze op dezen mooien avond even de straat opgeloopen is....”

“Dan heeft ze al een heel raren tijd uitgekozen voor hare wandeling,” viel Cécile scherp in. “Kom mama, zij zal wel weer terug komen, ik zou mij nu maar niet dadelijk zoo ongerust maken. En wat behoeft Frits er nu ook terstond op uit te gaan, ze komt natuurlijk van zelf wel weer terug! Als ze wezenlijk zoo dwaas is geweest om te gaan wandelen en verdwaald is, zal een politieagent haar wel weer thuis brengen.”

“Neen, neen, neen! Ik heb geen rust, voordat ze veilig en wel weer hier is,” zei Frits. “Dat arme kind! Ik ga dadelijk mijn jas aantrekken, tante.”

“Och Frits, wees nu toch niet zoo onverstandig!” riep Cécile. “Ik vind het onzinnig, als je gaat!”

“Dat is niet anders,” antwoordde Frits snel. “Ik ga onmiddellijk. Als ik haar niet vind, zal ik dan de politie maar in den arm nemen, tante?”

“Ja, ja, zeker. Doe alles maar precies, zooals ’t jou het best dunkt. Je bent een heerlijke steun voor me, Frits; wat moest ik beginnen zonder jou van nacht?”

Frits hoorde de laatste woorden niet eens meer, hij was de kamer al uit en heel spoedig daarop het huis.

“Ga jij nu maar dadelijk naar bed, kindje,” zei mevrouw d’Ablong tot Cécile, die erg uit haar humeur was, “anders heb je morgen nog hoofdpijn. Je zult toch wel al moe zijn.”

“Ja mama, ik blijf natuurlijk niet op,” zei Cécile wrevelig, “ik zou niet weten waarvoor ik dat doen zou. Gaat u niet naar bed? Dat vervelende kind zal wel terug komen, daar zou ik me niet ongerust over maken.”

“Ik hoop het hartelijk,” zei hare moeder, “maar natuurlijk ben ik ongerust, Cilly, dat spreekt nu toch waarlijk van zelf. Ik wou dat ik Elsje hier maar nooit te logeeren had gevraagd.”

“Ja, dàt wou ik ook,” zei Cécile zeer beslist. “Toe mama, gaat u nu toch mee naar boven. Dina en Keetje en Anna desnoods ook, kunnen immers wel opblijven.”

“Neen, neen, ik ga niet naar bed, voordat ze er weer is. Loop vooral zachtjes voorbij grootmama’s kamer, Cilly. Zij was bijna in slaap, toen ik zooeven bij haar kwam en ik heb haar alleen maar gevraagd of Elsje ook bij haar geweest was. Zij weet niet dat zij weg is.”

“Dat is ten minste één geluk,” zeide Cécile. “En Missy?”

“Die zal mij wel gezelschap houden van nacht. Zij weet alles.”

“O, dus dan blijft u ten minste niet alleen, gelukkig. Nacht moedertje.”

“Nacht lieveling. Probeer je dan heusch om gauw in slaap te komen en je niet te angstig te maken over Elsje?”

“Ik ben heelemaal niet angstig, mama. Ik wou dat u het maar wat minder waart. O, daar is Missy! Ik hoop dat dat nare wachten niet te lang zal behoeven te duren.”

Maar het wachten duurde wèl lang. Cécile was reeds een paar uur vast in slaap, mevrouw d’Ablong had de dienstboden naar bed gestuurd en Miss Piper en zijzelf begonnen hoe langer hoe ongeduldiger en ongeruster te worden, toen Frits eindelijk terug kwam. Hij zag er moe en verslagen uit. Nergens had hij eenig spoor van de vluchteling kunnen ontdekken, alleen had een politieagent even over tienen een meisje in een lichte jurk de gracht langs zien snellen. Hij had haar de straat op den hoek zien inslaan, maar haar verder uit het oog verloren.

Het was verschrikkelijk. Mevrouw d’Ablong verloor geheel hare zelfbeheersching en snikte het uit, zichzelf de hevigste verwijten doende, dat zij niet eerder naar Elsje had omgezien. Frits en Miss Piper deden al wat zij konden om haar tot bedaren te brengen. De politie was van alles onderricht, verzekerde Frits en zou zeker het verloren schaap wel weer terug brengen—zij moesten niet zoo gauw den moed verliezen. Maar zijn stem beefde, terwijl hij dit zeide en de vreeselijkste vermoedens rezen bij hem op, als hij bedacht, hoe weinig Elsje den weg kende in de groote stad en hoe licht zij in het water geloopen of op een andere wijze verongelukt zou kunnen zijn. Telkens zag hij haar weer voor zich, zooals hij haar voor ’t eerst gezien had met het aardige, roode kapje om het frissche, jonge gezichtje en met de dankbare uitdrukking in de blauwe oogen. Ook hij verweet zich dat hij haar te veel aan haar lot had overgelaten na de tooneelvoorstelling en hoe hij ook zijn best deed hoopvol te blijven, zijn ongerustheid werd grooter, hoe meer het eene uur na het andere verliep, zonder dat de politie iets van zich liet hooren.

Mevrouw d’Ablong liet zich eindelijk overhalen, even op de canapé te gaan liggen en wat te rusten, toen de ochtend langzaam begon te naderen.

Zij waren op Cécile’s kamer gaan zitten, omdat het na het eerste half uur in de half ontredderde balzaal niet meer uit te houden was. Voortdurend herinnerd te worden aan al de luidruchtige vroolijkheid, die daar kort geleden had geheerscht en dan zoo beangst van hart te zijn, was niet te dragen. En de onzekerheid, die hen bleef kwellen, den geheelen nacht door, was ook nauwelijks te dragen;—toen de morgen aanbrak, kon zelfs Frits zijn ongerustheid niet meer verbergen.

Het was ongeveer zeven uur en nog zoowat schemerdonker, toen Elsje gewekt werd door een gebons tegen haar deur, dat door twee kleine, stevige vuisten werd veroorzaakt. “Elsje, Elsje, opstaan, opstaan!” riep Evert’s kinderstemmetje zoo luid, dat Elsje al heel vast zou hebben moeten slapen, als zij niet reeds door het vuistenbombardement wakker geworden was. Met een zucht richtte zij zich op. Een oogenblik keek ze verbaasd om zich heen, heel spoedig echter herinnerde ze zich waar ze was, waarom ze half gekleed te bed lag en hoe het kwam dat ze zich zoo moe en dof en ongelukkig voelde. Nog nooit was haar zoo sterk de neiging overvallen, om haar hoofd weer op het kussen te leggen en weer te gaan slapen—nog nooit was zij met zulk een treurig, moedeloos hart den dag begonnen. Haar frissche, jonge levenslust had haar tot nu toe hiervoor bewaard, ook al de dagen die zij reeds bij hare tante aan huis had doorgebracht, maar nu—nu was het alsof alle moed haar had begeven, nu scheen het haar toe dat op dit oogenblik niemand zoo ongelukkig, zoo verlaten, zoo hulpeloos was als zij.

“Ben je wakker?” riep Evert weer ongeduldig. “Je moet opstaan. Ik ben al bijna heelemaal klaar. Moeder zegt dat je op moet staan.”

Hij luisterde een seconde, of zij ook antwoordde, toen riep hij weer:

“Mag ik even bij je komen?”

Die vraag kon Elsje niet onbeantwoord laten. Er kwam een flauw lachje op haar gezicht, zij sprong het bed uit en deed de deur open. Daar stond Evert in al de glorie van bretels, een echten jongensbroek en een rood wollen lijfje.

“Ik moet mijn kiel nog aan, zie je,” zei hij. “Maar ik ben al gewasschen en mijn haar is ook al opgekamd.”

Dat was wel te zien, de blonde kuif stond recht en glimmend van het water overeind.

“Maar, wat ben jij ook al ver!” vervolgde hij op teleurgestelden toon, “ik dacht dat je nog op bed lag, toen ik je kwam roepen.”

“Dat was ook zoo,” zei Elsje.

“Heb je je dan zóó gauw aangekleed? Je moet je toch zeker alleen nog maar wasschen en je jurk aantrekken, he?”

“Ik ben niet uitgekleed geweest,” zei Elsje, die te waarheidlievend was om hem in den waan te laten, dat ze zóó gauw terecht kon met haar toilet.

Evert keek haar met groote oogen aan.

“Ben je dan met al je rokken aan in bed gaan liggen?” vroeg hij. “Mag je dat van je moeder?”

“Ik heb geen moeder meer,” zei Elsje, terwijl ze bij hem neerknielde en de tranen haar in de oogen schoten. “Neen, ik mag eigenlijk niet half aangekleed gaan slapen, zooals ik van nacht gedaan heb, maar ... maar....”

“Waarom begin je opeens te schreien?” vroeg Evert medelijdend. Hij legde zijn kleine ronde armen om haar hals, drukte haar hoofd tegen zich aan en zei: “Heb je je pijn gedaan? Zal ik het afkussen?” En zonder Elsje’s antwoord af te wachten, raakte hij haar wang zacht aan met zijn roode lipjes.

“Neen, ik heb geen pijn,” zei Elsje, hem door hare tranen heen lachend aanziende, “en het is heel flauw van me dat ik schrei. Ik zal me ook maar eens flink wasschen en mijn haar netjes opkammen, net als jij. Kom, ik moet maar gauw voortmaken.” En zij sprong snel op.

“En ik moet mijn kiel nog aan,” zei Evert met een gewichtig gezicht. “Dan kom ik weer bij je terug als ik heelemaal klaar ben. Vindt je dat goed?”

“Ja best.”

Evert verdween om zijn kiel aan te trekken en vader en moeder met veel drukte te vertellen, hoe Elsje “bijna heelemaal aangekleed” in bed gelegen had.

Ons meisje deed al haar best in een moediger stemming te geraken. “Kom,” zei ze bij zichzelf, toen Evert haar verlaten had, “ik wil nu werkelijk niet langer zoo flauw zijn. Eigenlijk is het ook dom van me geweest om weg te loopen gisteravond, want nu wordt tante natuurlijk straks heel ongerust, als ze me aan het ontbijt niet ziet en ik weet zelf niet eens wat ik beginnen moet. Het zal misschien het allerbeste zijn dat ... dat ik toch weer naar tante terug ga straks ... en haar eerlijk alles vertel....”

Dit was zeker een kloek besluit, maar kalmer werd Elsje er niet op toen zij het genomen had. Zij werd hoe langer hoe zenuwachtiger, toen zij zich voorstelde welk een ontvangst haar in het huis van mevrouw d’Ablong wachten moest en niet dan met inspanning gelukte het haar, eenige aandacht te schenken aan haar toilet. Zij moest eens even vrij ademhalen—hoe was het mogelijk dat zij dat akelige korset had aangehouden van nacht—hè, zij zou het even uittrekken! Zoo gezegd, zoo gedaan, en een kreet van verbazing en vreugde ontsnapte haar, toen ze haar onderlijfje en het korset losgemaakt had en plotseling iets ritselend op den grond hoorde vallen, dat ... het kostbare parelsnoer bleek te zijn! Waarschijnlijk was het slootje door grootmama niet heel stevig vast gemaakt en los gegaan, toen Elsje voor het open raam naar buiten zat te kijken. Op voor haar onverklaarbare wijze was het snoer van haar hals af en naar beneden gegleden en tusschen het verachte korset vastgeraakt. Met stralende oogen raapte zij het van den grond op, bekeek het nauwkeurig, zag tot haar groote blijdschap dat het in ’t geheel niet beschadigd was en legde het voorzichtig neer op een stoel. Met de grootste haast kleedde en waschte zij zich toen. Nu moest ze in ieder geval maken dat ze zoo gauw mogelijk weer bij hare tante terug was. Als zij maar niet telkens zoo vreemd duizelig geweest was en het niet zoo akelig geklopt en gebonsd had in haar hoofd! Zij moest ieder oogenblik eens even stilstaan om op haar verhaal te komen. Het was of het kamertje met haar in de rondte draaide—hè, zoo raar! Toen ze een glas water gedronken had werd het een beetje beter, maar ze bleef zich toch rillerig en onaangenaam voelen en trok huiverend de dunne, rose jurk aan,—ze was zóó koud! Maar ze moest zich haasten—als ze terstond als ze klaar was naar het huis van mevrouw d’Ablong terugliep, zou ze misschien nog vroeg genoeg komen om zich even te kunnen verkleeden en aan het ontbijt te zijn, voordat haar tante beneden was. Zij zou haar dan alles vertellen natuurlijk, hoewel ze daar vreeselijk tegen op zag, maar dat kon niet anders, dat sprak van zelf.

Daar werd de deur van haar kamertje geopend en de kruideniersvrouw stond voor haar met Evert aan de hand.

“Goed geslapen, Elsje?” vroeg ze vriendelijk. “Wacht, laat ik die jurk maar eens even voor je vastmaken. Zóó. Maar meisje, wat zijn je handen ijskoud! Ga maar gauw mee naar beneden, daar begint de kachel al heerlijk te branden.”

“Ik zou eigenlijk graag dadelijk naar huis willen gaan,” zei Elsje. “Kijk, dit was het, wat ik verloren had. Ik dacht dat het voor goed weg was gisteravond en toen ben ik weggeloopen van tante in mijn schrik. Maar ik had het niet moeten doen; het was verkeerd van mij en daarom moet ik nu terstond naar huis—anders wordt tante bepaald ongerust.”

“Maar je moet toch eerst een boterham eten, Elsje, en wat warms drinken en dan zal mijn man wel dadelijk naar je tante toegaan en haar zeggen waar je bent. Vertel mij maar even waar ze woont.”

“Neen, neen, ik moet zelf gaan en dadelijk,” zei Elsje erg gejaagd, terwijl ze de parelen, die de onschuldige oorzaak waren geweest van zooveel onrust en angst, in den zak van haar jurk liet glijden. “Ik moet nu terstond weg, wezenlijk. Ik dank u heel vriendelijk dat ik hier heb mogen slapen en ... als ik kan, wil ik ook graag eens wat voor u doen, maar nu moet ik naar tante terug. Is ... is er misschien ook een oude hoed voor mij en een doek of zoo iets? Ik ben zoo erg koud.”

“Waarom heb je je zomerjurk aan?” vroeg Evert, “en waarom ga je dadelijk weer weg? Blijf je niet met me spelen van ochtend?”

“Neen, neen, nu niet, een anderen keer.”

“Hè, waarom nu niet?” vroeg Evert weer met een pruilend lipje.

“Stil jongen, niet lastig zijn,” zei zijn moeder. “Elsje komt wel eens gauw weer terug, is ’t niet Elsje? Ze moet ons dan nog een heeleboel vertellen. Waar ze woont en waar ze logeert en hoe haar tante heet en nog allerlei dingen meer, maar nu gaan we naar beneden.”

De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk, dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op, liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken, betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op.

Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes, die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de handen vielen—daaronder de lichte, in ’t oog vallende jurk en de zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar, dat woest in den wind fladderde.

Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw d’Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de woorden: “O, het spijt me zoo vreeselijk!” liep Elsje de gang in. Op hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande, zei hij zacht:

“Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben.”

“Wat is er, is er bericht?” vroeg de stem van mevrouw d’Ablong haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten, snel werd geopend. “Toe Frits, kom toch gauw.”

“Er is heel goed bericht tante,” zei Frits, “ik kom u Elsje zelf brengen,” en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d’Ablong.

“O tante, tante,” riep het arme kind, “het spijt me zoo vreeselijk! Het spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst, omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier zijn ze weer!” En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep: “Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!” viel ze op een stoel neer.

She is fainting, she’s fainting!” riep Miss Piper bij haar neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje’s handen begon te wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe langer hoe zieker en akeliger begon te voelen.

“Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante,” zei ze, met een zwakke poging om op te staan, “och wees maar niet al te boos op mij, het spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen....

“Niet praten zooveel,” zei Miss Piper. “Jij moet nemen een lange rust en probeeren te slapen.”

“Tante, tante, bent u erg boos?” riep Elsje, angstig naar mevrouw d’Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren.

“Neen kindje, neen,” zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar te kunnen beknorren. “Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht.”

Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist, deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede viel door te zeggen dat ze “moest probeeren te kalmeeren haarzelf” en “niet weenen, niet weenen”, en “wezenlijk moest nemen een rust nu.” Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d’Ablong bracht haar een geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken, alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te doen had. De dokter kwam ’s middags en constateerde dat Elsje hevig de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij zou den volgenden ochtend weerkomen—er was nu nog weinig van te zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet.

De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van mevrouw d’Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw d’Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond en schreef het volgende briefje:

Elsje’s tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend.

De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: “ik had gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld,” zei ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag.

Hoofdstuk X.

Grootmama.

“Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te teekenen,” met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer binnen, waar mevrouw d’Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan het ontbijt zaten.

“Zeker toch een telegram van Lizzie’s grootmoeder,” zei Cécile ontevreden, “om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!”

Cilly, Cilly dear,” begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg:

“Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in vredesnaam wat er is!”

“Mijn lieve moeder is gestorven,” zei mevrouw d’Ablong met bevende lippen, het telegram aan grootmama overreikend, “ze is van nacht plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve, lieve moeder!”

Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te schreien. Cécile stond langzaam van tafel op.

“Och moedertje, wat spijt me dat voor u,” zei ze, haar arm om haar moeders hals slaande en bij haar neerknielend. “Geen wonder dat u bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht ook—zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven, om u wat voor te bereiden.”

“Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis,” zei mevrouw d’Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht van zich afduwend. “Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien, voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was....”

“Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn,” zei de oude dame zacht, “zij verliest alles in hare grootmoeder.”

“Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op de wereld,” zei Cécile, “hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze is nog te jong om in betrekking te gaan.”

“Foei Cilly,” zei haar grootmoeder verwijtend, “hoe zou je moeder er nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar plaats is....”

“Ja, zeker, Elsje’s plaats is hier,” viel mevrouw d’Ablong zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover hare moeder op een of andere wijze goed te maken.

Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten, redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis zou blijven was natuurlijk al te dwaas.

“Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare grootmoeder gestorven is,” begon de oude dame weer, “vooral omdat het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk.”

“Neen, dat gaat niet,” zei mevrouw d’Ablong zeer zenuwachtig. “En wie zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog—de dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben.”

Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze knikte haar geruststellend toe.

“Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik het haar zeggen mag,” zei ze.

“Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och, ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is het te laat.”

Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder voor Cécile’s eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d’Ablong voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei:

“Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik weet heelemaal niet hoe zij eruitzag.”

En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen:

“Ben jij daar, Keetje?”

“Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar halen?”

Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij die en zei met een lachje:

“Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen slapen.”

“Dan zou ik het maar doen ook—straks kom ik wel eens weer naar u kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht.”

“Ja. Maar Keetje....”

“Ja, jongejuffrouw?”

“Hoe is het met allemaal beneden? Goed?”

Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet “goed” was—hoe moest zij haar vraag beantwoorden?

Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje’s antwoord niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was bijna weer in slaap.

Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal, die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken, hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks deden gevoelen.

Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden opving:

“Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut noodzakelijk is.”

Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden:

“Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?”

“Neen, neen, ik slaap niet,” riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit haar zoete rust. “Wat is er, wat is er?”

“Stil, stil, rustig meisje, rustig,” zei de dokter, met de oude dame naderbij komend. “Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam is. Ga gauw weer liggen, zóó!” En hij legde zijn koele hand op haar voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen.

“Maar wat is er toch, dokter?” vroeg ze weer.

De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed zitten, bevoelde Elsje’s pols, deed haar eenige vragen en zei toen op hartelijken toon:

“Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is niet gunstig.”

Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te vermoeden, waar zijne woorden op doelden.

“Elsje,” zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog en haar diep in de oogen zag. “Mijn lief, lief kind, je grootmoeder is gestorven.”

Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was, dat grootmama zachtjes herhaalde:

“Zij is dood, Elsje.”

“Neen, neen!” riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging de beide handen der oude dame greep, “dat kan niet, dat kan niet! Dat bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel beter en ik verlang zoo vreeselijk...”

“Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven.”

“En ik heb haar niet eens meer gezien! Mijn arme, lieve grootmoeder! Ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet! Och, was ik hier maar nooit heengegaan! En nu is er niemand meer, die wezenlijk van mij houdt en die mij noodig heeft! O, ik had nooit van haar weg moeten gaan—mijn lief, lief grootmoedertje! Och, was ik nu ook maar dood, was ik nu ook maar dood!”

En alsof ze niet getroost wilde worden, alsof ze de medelijdende uitdrukking in de oogen die haar aanzagen, niet kon verdragen, alsof haar smart te groot was om het daglicht te zien, drukte zij haar hoofd diep in het kussen en begon hartstochtelijk te snikken.

“Laat haar maar uitschreien, dat zal haar goed doen,” fluisterde de dokter. “Ik ga nu heen, maar ik kom stellig van middag of van avond nog even terug.”

Hij stond op en was op het punt, de kamer te verlaten, toen Elsje hem met een zwakke stem terugriep.

“Dokter,” fluisterde ze, zoo zacht dat hij zich moest inspannen om te verstaan wat zij zeide: “Denkt u.... zou het kunnen.... zou ik ook gauw dood gaan, misschien?”

“O neen, dat geloof ik volstrekt niet,” zei hij zeer ernstig.

“En het is natuurlijk slecht om het te wenschen?”

“Jij moogt het zeker niet wenschen, Elsje. Zou je grootmoeder dat ook gewild hebben?”

“Neen, neen,” zei ze, maar ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet.”

En met een kermenden zucht keerde zij het hoofd naar den muur.

Den geheelen dag bleef zij in dien toestand van ontroostbare droefheid. De oude dame was bijna voortdurend bij haar, Keetje verzorgde haar liefderijker en trouwer dan ooit, men trachtte haar van smakelijk toebereide schoteltjes te doen proeven—maar zij at nauwelijks, schreide weinig na die eerste uitbarstingen lag maar stil, steeds met het hoofd naar den muur toegekeerd, zonder iets te zeggen of eenig teeken te geven dat zij bemerkte wat om haar heen gebeurde. Toen de dokter weer kwam, was ze even ingesluimerd. Hij oordeelde het beter, haar niet wakker te maken en beloofde den volgenden dag terug te zullen komen.

Na een onrustigen nacht en een bitter droevig ontwaken, lag zij den ochtend daarop moe en lusteloos, met een vreemde onverschilligheid, die haar zelf verbaasde, voor zich uit te staren, te uitgeput om geregeld te kunnen nadenken. Men had haar verteld dat haar tante weggereisd was om bij de begravenis tegenwoordig te kunnen zijn, maar dit had weinig indruk op haar gemaakt. Het was haar nog als leefde zij in een bangen droom—maar als ze soms, als met een schok, uit dien droom scheen te ontwaken, was alles zoo ontzettend, zoo benauwend donker en eenzaam om haar heen dat zij zich angstig afvroeg, hoe het mogelijk zou zijn om voort te leven met die alles overheerschende smart in haar binnenste.

Het was aan den middag van dien dag, dat grootmama zich bedaard aan de tafel zette, die bij het raam was geschoven en met een vriendelijk knikje naar Elsje, die lijdelijk toezag wat ze deed, haar haakwerk opnam en de grove haakpen vlug door de zachte wol liet glijden, waarvan een grappig klein kindermanteltje moest worden vervaardigd. De gordijnen waren aan den achterkant van het huis niet neergelaten en terwijl de oude dame rustig zat te werken, wierp het zonlicht schuine stralen op haar gestalte en deed het mooie, witte haar glinsteren als zilver. De vriendelijke, bruine oogen werden vochtig, terwijl zij ze op haar werk hield geslagen, want al keek zij niet op, ze voelde toch wel hoe Elsje’s oogen dof en treurig naar haar keken en haar hart was vol medelijden voor het arme kind, dat nergens troost scheen te kunnen vinden voor haar smart.

Eindelijk liet ze haar werk in den schoot zakken, keek peinzend naar buiten in het heldere, vroolijke licht vol leven en lente, legde toen wol en haakpen naast zich neer op de tafel, en schoof, de ingeving van haar hart volgend, een in zwart kalfsleer gebonden boek naar zich toe.

Elsje had met hare oogen hare bewegingen gevolgd, zonder er veel belang in te stellen.

De oude dame sloeg een paar malen de bladzijden van het boek om, dat met groote, duidelijke letters gedrukt was; toen begon ze met hare welluidende stem hardop te lezen:

Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal.

Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.

Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw Bewaarder zal niet sluimeren....

Elsje hield den blik onafgewend op haar gevestigd en er kwam een wonderlijke verandering in de uitdrukking van haar gezicht, terwijl ze luisterde naar de bekende woorden van den psalm—denzelfden psalm, dien zij haar grootmoeder op dien gedenkwaardigen Zondagochtend voorgelezen had.

Reeds toen ze de eerste woorden hoorde, week hare onverschilligheid en aandachtig, onwillekeurig de handen vouwend, luisterde ze naar de lieve stem en dronk de troostende woorden in, die deze las. Er heerschte een vredige rust in de kamer, waar de zon een gouden gloed wierp over de doffe tinten van het tapijt en grillige figuren tooverde op het behang en de donkergroene bedgordijnen van het mahoniehouten ledikant. Schilderachtig en aantrekkelijk was de gestalte der oude dame, zooals zij daar zat, met het grijze hoofd even voorover gebogen over den Bijbel en de kleine, gerimpelde handen rustig gevouwen in haar schoot. Dartele zonnestraaltjes speelden over haar japon, het zwart kanten mutsje en het witte haar, maar zij verschoonden het oude, schoongevormde gelaat, waarop thans een eenvoudig kinderlijke uitdrukking lag. Het was alsof er een weldadige invloed uitging van hare geheele persoonlijkheid en het luisterende kind bleef haar aanzien met een glans van innige dankbaarheid in de oogen, toen de psalm reeds geëindigd was.

Grootmama keek zwijgend voor zich uit, nadat ze de laatste woorden had gelezen: “De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid,” en het was Elsje, als zag ze haar eigene grootmoeder voor zich, zooals deze tegenover haar had gezeten aan den ochtend, waarop zij zelf haar den psalm had voorgelezen, die haar getroost en bemoedigd had, evenals hij het nu haar kleindochtertje deed. Ze bleef stil liggen en voor het eerst sedert het bange oogenblik, waarop men haar had verteld dat haar grootmoeder gestorven was, keerde de hoop terug in haar hart en was het haar, als voelde zij zich gesteund door een sterke hand, gesteund om geduldig en geloovig te dragen wat haar werd opgelegd, getroost door de woorden: “Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.”

Het bleef een poosje stil in de kamer, toen klonk het zacht en bedeesd:

“Grootmama.”

De oude dame keek snel op. Niettegenstaande zij Elsje herhaaldelijk had aangemoedigd haar bij dien naam te noemen, was deze altijd met zekere verlegenheid “mevrouw” blijven zeggen, bevreesd als zij was dat hare tante en Cécile er aanmerking op zouden maken als zij anders handelde. Nu dacht zij hieraan echter niet, ze voelde alleen maar een onuitsprekelijk verlangen, haar hart uit te storten tegenover de lieve vrouw, die zoo goed scheen te begrijpen hoe vreeselijk bedroefd zij was en welken troost zij noodig had.

“Ja lieveling,” zei grootmama, naar het bed toegaande.

“Ik wou u graag eens vertellen van grootmoeder.... van dien psalm....”

En met de hand der oude dame in de hare vertelde zij van den ochtend, waarop hare grootmoeder haar had gezegd dat zij afscheid moesten nemen voor een tijd. Hoe zij er tegen op gezien had hier te komen en hoe ze bang was dat men hier heel weinig van haar hield en dat ze hier nu toch zou moeten blijven en hoe zij graag haar best wou doen, maar het zoo heel moeielijk vond precies te wezen, zooals ze moest, en hoe ze veel liever zou willen werken en zelf haar brood verdienen, als zij weer beter was en hoe gelukkig en vroolijk haar leven was geweest bij haar grootmoeder in het aardige kleine huisje. En hoe zij er tegen op zag, altijd in een stad te moeten wonen en een jonge dame te moeten worden en hoe verschrikkelijk moeielijk het haar toescheen, altijd precies te weten wat ze zeggen moest en hoe ze zich moest gedragen. En hoe erg ze soms verlangen kon om terug te zijn in haar vriendelijk dorp en lange wandelingen te maken over de ruime heide en langs den breeden straatweg—en hoe haar grootmoeder óók had gezegd dat zij nooit alleen zou zijn, want dat er Een was, die haar altijd nabij zou wezen en....en....hoe ze dat zelf ook geloofde. Eindelijk zei grootmama dat ze nu al zooveel had gepraat dat zij zich te moe zou maken, als ze nog meer zeide en dat ze nu eens probeeren moest, of zij niet wat slapen kon. Ze moest zich nu maar bedaard houden en vast blijven hopen dat ze geholpen zou worden, altijd. En zij mocht niet denken dat niemand hier van haar hield, want dat wist ze wel beter en allen zouden zeker langzamerhand nog meer van haar gaan houden en wat haarzelve betrof, zij hield van Elsje, alsof ze haar eigen kleindochtertje was, dat wist zij immers wel? En Elsje knikte haar dankbaar toe. Ja, dat had ze wel gevoeld dat grootmama van haar hield en zij vond haar zoo lief en goed.... En toen ze dit zeide, strekte zij de armen uit en het gezicht der oude dame naar zich toetrekkend, drukte zij er een kus op. “Dank u wel voor alles,” fluisterde ze—toen viel ze in een gerusten slaap.

Stil en terneergedrukt keerde mevrouw d’Ablong van haar droevige reis terug. De oude vrouw was ’s nachts kalm ingeslapen, nadat zij den vorigen dag erg had geklaagd over benauwdheid en een duizelig gevoel in het hoofd. ’s Ochtends was zij nog een brief aan Elsje begonnen, met het voornemen dien ’s avonds af te maken. Toen had ze zich echter zoo ongesteld gevoeld, dat ze maar gauw naar bed gegaan was en men om den dokter had gezonden. Deze had haar poeiers gegeven en gezegd dat zij vooral niet op moest staan, voordat hij den volgenden ochtend weer bij haar was geweest—en toen die ochtend kwam, lag zij met een uitdrukking van vrede op haar gezicht, dood op hare legerstede. Aafje’s zuster was ’s nachts herhaaldelijk opgestaan om naar haar te kijken en de patiënt sliep toen telkens rustig, totdat hare verzorgster haar een diepen zucht had hooren slaken en naar haar toegegaan was, om te vragen of zij weer benauwd was en nog eens wou innemen. Op dat oogenblik had Elsje’s grootmoeder den laatsten adem uitgeblazen. De dokter had toen ’s ochtends terstond aan mevrouw d’Ablong getelegrafeerd.

Deze had den begonnen brief voor Elsje meegenomen, benevens enkele kleinigheden, waaraan zij meende dat het meisje gehecht zou kunnen zijn en ook den grooten, ouderwetschen Bijbel, waarin de oude vrouw nog een der laatste dagen van haar leven met bevende letters Elsje’s naam had geschreven. Of zij daarbij een voorgevoel gehad had van haar naderend einde? Haar kleindochtertje las den begonnen brief met brandende oogen.