WeRead Powered by ReaderPub
Elsje cover

Elsje

Chapter 14: Hoofdstuk XII. Naar Buiten!
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A children's story centers on a young orphaned girl raised by her grandmother in a small village, tracing her daily errands, household responsibilities, and friendships. She experiences a deep, appreciative wonder for nature, noticing winter light, frost, and sparkling dew, which enriches otherwise modest circumstances. Episodes include visits to the village shop, playful teasing by neighborhood boys, and small anxieties such as safeguarding a heavy basket. The narrative proceeds episodically, emphasizing domestic care, simple moral lessons, and affectionate bonds across generations within rural life.

“Mijn lief kind,” las ze,

“Wat begin ik nu erg te verlangen dat je weer thuis komt. Het is mij net alsof je al maanden weg bent geweest. Krelis heeft het poesje maar weer mee naar huis genomen, hij zou het voor je bewaren, zei hij. Aafje’s zuster is er zoo bang voor en het arme diertje kan geen goed bij haar doen. Wil je aan tante zeggen ....”

Dat was alles. Het bericht over Elsje’s ziekte was juist te laat gekomen. Met een diepen zucht gaf zij den brief ter lezing aan mevrouw d’Ablong, die zeer ontroerd was geweest, toen zij haar weerzag. De trotsche vrouw was geheel onder den indruk van de eenvoudige plechtigheid der begrafenis in het dorp, waar ze haar jeugd had doorgebracht en van het vredig sterven der moeder, wier liefde zij zoo weinig had gewaardeerd. Voor ’t oogenblik althans was haar hart vervuld van een vurig verlangen om tegenover Elsje goed te maken wat zij tegenover de oude vrouw had verzuimd en met groote hartelijkheid sprak zij het bedroefde meisje toe en beloofde haar dat zij nu voor haar zorgen zou en haar een gelukkig thuis verschaffen. Er viel een lichtstraal van hoop in Elsje’s hart, terwijl ze naar haar luisterde en iets van haar ouden moed en frisschen levenslust keerde terug. En er kwam een blik van verbaasde dankbaarheid op haar gezicht, toen ook Cécile, die hiertoe door hare moeder was aangespoord, haar vriendelijk toesprak en—hoewel met een haperende stem—zeide, dat zij hoopte dat Elsje gelukkig zou zijn hier, in haar nieuw tehuis.

Intusschen herstelde Elsje slechts langzaam. Zij bleef hoesten en aanvallen van koorts krijgen en moest nog steeds haar kamer houden. “Geduld maar, geduld maar, wij gaan toch vooruit,” zei de dokter en Elsje was geduldig en droeg hare beproeving en haar leed zoo moedig mogelijk. Het was een zware dag voor haar, toen grootmama weer naar buiten vertrok en aan den middag van dien dag zat ze stil en ernstig voor zich uit te zien in den tuin, met een gevoel van verlatenheid in haar hart, dat zij te vergeefs poogde te overwinnen. Miss Piper zat bij haar en hare tante had haar een ruikertje Maartsche viooltjes gebracht, maar daardoor was hare stemming niet opgewekter geworden en ze moest zich geweld aan doen om hare tranen te bedwingen.

Daar hoorde zij plotseling een wonderlijk gestommel op de trap en het vroolijk, helder gelach van een kind; toen een hoog stemmetje, dat riep: “Jawel, ik kan best alleen. Ik zal wel roepen bij de deur—ga maar gauw weer weg!” en daarop een getrippel van kleine voetjes op het portaal. “Open de deur!” riep het heldere stemmetje weer en toen Miss Piper haastig aan dit verzoek had voldaan, vertoonde zich een alleraardigste kleine gedaante op den drempel. Twee groote, donkerblauwe oogen, schitterend van pret, keken uit een rond, blozend kindergezichtje, waaromheen een donkerrood, geplooid kaperhoedje was gestrikt, van dezelfde stof gemaakt als het ruime manteljurkje, dat bevallig neerhing om de kleine gestalte. In hare beiden handen hield het kleine meisje, stevig vastgeklemd, een eirond voorwerp, dat in een grijs papier was gewikkeld.

“Daar kom ik aan!” zei ze met een vroolijk gezicht naar Elsje toeloopend, nadat ze eerst heel beleefd Miss Piper een handje had gegeven.

“Liesje!” riep Elsje uit, terwijl het kind op haar schoot klauterde, waarbij het kostbare pakje groot gevaar liep uit de kleine handen te vallen.

“Ben je nog ziek?” vroeg Liesje, Elsje’s gezicht met groote nauwkeurigheid bekijkend. “Je ziet heelemaal niet bleek.”

“Nu niet, omdat ik zoo blij ben dat jij bij me bent.”

“Denk je dan dat ik je wat kom brengen?” vroeg Liesje, met zulk een grappige poging om te kijken alsof zulk een veronderstelling hoogst ongerijmd zou geweest zijn, dat Elsje hardop lachte.

“Nu, dacht je dat?” vroeg Liesje weer.

“Ik dacht er alleen maar aan hoe prettig ik het vond, je daar opeens te zien straks,” zei Elsje. “Hoe ben je hier toch gekomen?”

“Loulou is beneden bij Cécile, en ik zei dat ik een visitetje bij jou zou maken,” zei Liesje deftig.

“Dat vind ik heel aardig van je.”

“Wat denk je dat hierin zit?” vroeg het kleine meisje, het geheimzinnige grijze pakje bij Elsje’s oor houdend en heen en weer schuddend. Elsje hoorde iets zacht rammelen, maar werd daar niet veel wijzer door.

“Weet je het niet?” vroeg Liesje.

“Neen, ik kan het niet raden.”

Liesje gleed van haar schoot af, liep naar Miss Piper toe, liet het pakje aan haar oor rammelen, maar met hetzelfde ongunstige resultaat.

“Laat mij probeeren weer,” zei Miss Piper, maar het hielp niets.

“O maar, wat dom!” riep Liesje uit. “Nu moet ik het je dan maar laten kijken,” en met een gewichtig gezicht het papier van het pakje losmakend, haalde zij een paaschei van chocolade te voorschijn en hield dit Elsje voor.

“Nu al een paaschei?” zei Elsje met groote oogen. “Of heb je dit misschien van verleden jaar bewaard?”

Liesje schudde ijverig van neen.

“Zij waren nog maar in één winkel te krijgen,” zei ze, “en onze juffrouw wist het.”

“Zoo, en je bent er zeker heel blij mee?”

“Het is voor jou,” zei Liesje, terwijl ze met een zucht van voldoening het ei voor Elsje op de tafel legde.

“Voor mij!” riep Elsje verheugd uit. “Maar Liesje, heb je dat dan exprès voor mij gekocht?”

Liesje knikte met een grappig pedante uitdrukking op haar gezichtje. Toen zei ze haastig:

“Van mama’s geld, maar ik heb het bedacht.”

Elsje’s oogen schitterden even blij als die van haar klein vriendinnetje. Zij trok het kind naar zich toe en zei:

“Ik ben er heel, heel blij mee. Dank je vriendelijk, hoor.”

“Bewaar je het tot Paschen?” vroeg Liesje ernstig.

“Wou je dat liever? Of wou je er nu ook wel graag eens even van proeven?”

Liesje bedacht zich even en keek met begeerige oogen naar het ei. “Het ziet er erg lekker uit,” zei ze.

“Dan moet je er nu ook maar een stukje van hebben. Wil jij het kapot maken?”

Neen, dat gewichtige werk moest Miss Piper maar doen, vond Liesje en met gespannen aandacht volgde zij de bewegingen der Engelsche, terwijl deze de lekkernij doorbrak en ieder een stukje gaf. Toen bleef zij nog een poosje babbelen over Tom, die gauw zes jaar werd en dan naar school ging en eindelijk nam ze afscheid met de stellige belofte dat ze gauw eens weerom zou komen.

Hoofdstuk XI.

Evert Jacob Ferdinand Mors.

Elsje’s herstel kwam langzaam maar zeker en toen het tegen Mei liep en het voorjaar in het land was, keerde haar gezondheid geheel terug en begon ze zich met den dag sterker te voelen.

“Je zult nu spoedig weer geheel de oude zijn,” zei de dokter, maar “geheel de oude” zou Elsje, naar hare eigene meening, nooit weer worden. Zij miste hare grootmoeder zoozeer en de gedachte dat het gelukkige, zonnige leven met haar nooit terug zou keeren, de gedachte dat alles zóó anders was geworden, dat ze zulk een geheel andere toekomst te gemoet ging dan zij zich ooit had voorgesteld, dat zij haar lief, gelukkig thuis voor goed had verloren en dat het nu haar plicht was, zich in het deftige, groote huis harer tante op haar plaats te gaan voelen en zich door deze te laten vormen en kneden, tot ze eindelijk op den naam van “jonge dame” aanspraak zou kunnen maken—dat alles drukte haar soms zoo, dat ze zich met zekeren schrik afvroeg, hoe het kwam, dat er zoo weinig dankbaarheid in haar hart was voor de zorgen, waarmede mevrouw d’Ablong haar omringde. Deze was, de eerste weken na den dood van Elsje’s grootmoeder, bizonder hartelijk voor haar geweest en ook nu nog behandelde zij haar vriendelijker dan ze gedaan had, toen Elsje haar logée was, maar ze kon toch nu en dan haar ongeduld en wrevel niet onderdrukken, als ze zag, hoe weinig Elsje nog vorderde in het aannemen van elegante manieren en meer aristocratische spraak en wijze van zich uit te drukken en hoe zij er geheel als een jong boerinnetje bleef uitzien.

“Hoor eens Elsje,” zei ze op zekeren dag, toen deze vroolijk geworden door een bezoek van kleine Liesje, die haar in geen enkel opzicht anders scheen te wenschen dan zij was en volgens hare zuster Loulou, “een allerdwaaste vereering voor Elsje had opgevat”—“hoor eens Elsje, ik moet nu toch eens even ernstig met je spreken. Kijk eens, ik wil je heel graag bij mij houden en ik hoop dat je je hier hoe langer hoe meer thuis zult gaan voelen, maar je bent nu verstandig en oud genoeg, dunkt me, om te begrijpen, dat je je nu anders moet gaan gedragen. Gelukkig was nu zooeven alleen die kleine Liesje er bij, toen je zoo ongemanierd hard lachte en daarbij je mond zoo ontzettend wijd opendeedt....”

“Dat doet ze alleen om te laten zien, dat ze mooie, witte tanden heeft,” zei Cécile, die in de kamer gekomen was, terwijl haar moeder Elsje toesprak.

“Och wat, dat is heelemaal niet waar!” zei Elsje driftig. ”Ik ben zoo akelig nuffig niet als jij!”

“Ga liever naar je kamer Cilly, snoesje,” zei mevrouw d’Ablong bedaard. “Elsje weet op ’t oogenblik niet goed wat zij zegt. Het spijt me heel erg te hooren, dat zij haar jaloezie nog altijd niet overwonnen heeft.”

“Och tante, ik ben heelemaal niet jaloersch op Cécile,” zei Elsje, die zichzelf werkelijk weinig in bedwang had thans, opgeschrikt als zij was uit hare vroolijke stemming door de onverwachte strafpredikatie harer tante. “Ik ben juist heel blij dat....”

“Zwijg Elsje,” viel mevrouw d’Ablong in. “Kom Cilly, ga nu liever heen.”

“O ja mama, met plezier,” antwoordde Cécile spottend. Ze keerde zich om, om de kamer uit te gaan, toen ze zich weer scheen te bedenken en naar hare moeder terugliep.

“Mama,” zei ze zacht, terwijl ze mevrouw d’Ablong met hare donkere oogen smeekend aanzag, “zult u het u nu heusch niet te veel aantrekken? Ik vind het zoo naar dat u zooveel moeite hebt met Lizzie en dat ze u zooveel verdriet doet.”

Ze had niet zoo fluisterend gesproken of Elsje had verstaan, wat zij zeide. Ze beet zich op de lippen, wendde het hoofd af en keek met een brandend gevoel in hare oogen den tuin in. Schreien wilde zij nu niet, dàt zou Cécile er niet van hebben, maar o, wat vond zij haar naar, naar—en wat zou ze haar graag eens flink door elkander hebben geschud en haar gezegd hebben dat ze nooit, nooit op haar hoopte te gelijken, in niets!

“Kindlief,” zei mevrouw d’Ablong, Cécile naar zich toetrekkend, “zóó erg is het niet. Elsje meent het veel beter dan ze nu toont, daarvan ben ik overtuigd. Maak je daarover nu maar niet bezwaard, lieveling. Je ziet heusch wat bleek, snoesje, je moet bepaald van den zomer weer eens naar zee. Wat is er toch, Cilly, je voelt je toch immers heel wel?”

“Ja mother dear, ik ben alleen maar een klein beetje zenuwachtig; ik vind het zóó naar voor u.”

“Maar kindje, dat moet je je nu heusch zoo niet aantrekken. Alles zal langzamerhand wel beter gaan. Maar ik vind het toch heel lief van je, om zoo voor mij te voelen. Ga nu gauw naar je kamer. Keetje zal je een kop bouillon brengen straks. Laat Miss Piper bij je gaan zitten en ga dan even op je rustbank liggen.”

Cécile ging nu werkelijk heen en geduldig luisterde Elsje verder naar de terechtwijzingen en raadgevingen harer tante, die bizonder veel woorden schenen te vereischen. “Ik heb er over gedacht,” eindigde ze, “om je naar een kostschool te sturen, maar ik heb hiervan afgezien, omdat je je daar waarschijnlijk zeer eenzaam voelen zoudt en je bijna voortdurend zoudt moeten schamen, niet alleen over je slechte manieren, maar ook omdat je nog maar zoo heel weinig geleerd hebt en natuurlijk geheel van voren af aan zoudt moeten beginnen met de talen enz. Van ’t najaar zullen we dus een aanvang maken met je goede privaatlessen te laten geven—voor je gezondheid is het beter dat we nu nog wat wachten. Je kunt je nu wel vast wat oefenen in het Engelsch met Miss Piper. Over een poosje zullen Cécile en ik wel naar een of andere badplaats moeten en ik weet nog niet of we jou dan mee zullen nemen of niet. Dat hangt ook van je gedrag af. In ieder geval zal ik er voor zorgen dat je ook nog eens buiten komt van den zomer. Dat zal je goed doen, denk ik, maar ik verwacht dan ook stellig van je dat je veel meer je best zult doen dan tot nu toe gebeurd is, om te zijn en je te gedragen zooals ik dat wil en zooals het ook behoort. Het spijt mij heel, heel erg dat je het nog altijd niet schijnt te kunnen verdragen dat Cécile in alles je meerdere is. Het spreekt van zelf dat zij dat is en dat ze dat blijven zal ook, maar je kunt toch heel goed probeeren om haar na te volgen wat hare manieren en houding en alles betreft. Ik zeg je nu nog eens beslist dat ik verkies dat je je vriendelijk tegenover haar gedraagt en ik raad je sterk aan met alle macht tegen je jaloezie te strijden. Cilly kan het niet helpen dat zij mooi is en dat jij niet op haar lijkt.”

Elsje antwoordde niet, maar zij voelde zich diep gekrenkt. Alsof zij er ooit aan gedacht had om jaloersch op Cécile te zijn en dáárom!

Met een zucht verliet ze de kamer, toen hare tante haar daartoe verlof gegeven had. Voor de zooveelste maal nam ze zich voor nog meer haar best te doen om het mevrouw d’Ablong naar den zin te maken en een beetje van Cécile te gaan houden. Maar het was zoo moeielijk en Cécile behandelde haar altijd zoo uit de hoogte en zoo onvriendelijk! O, zij kon niet van haar houden! Toen zij den vorigen dag op Cilly’s kamer gekomen was, om voor ’t eerst na den dood harer grootmoeder, de andere meisjes weer te spreken—waren Cato en Emma en zelfs Loulou vriendelijk voor haar geweest en hadden een paar hartelijke woorden tot haar gesproken over haar verlies, maar Cécile was al gauw over wat anders begonnen en een poosje later hadden de meisjes samen zitten te fluisteren en te giegelen, terwijl Elsje er stil en verlegen bij zat. Zij was toen eindelijk maar weg gegaan en naar haar eigen kamer geloopen, met een gevoel van verlatenheid en bitterheid in haar hart. Ja, ze was toen zoo boos geweest en zoo hevig ontevreden met haar lot, zoo vol haatdragendheid tegenover Cécile in haar hart—dat ze geschrikt was voor zichzelf en in wanhopige droefheid de handen gevouwen had en uitgeroepen: “Help mij toch, o Heer, ik word zoo slecht!” En zij had toen zoo naar hare grootmoeder verlangd, zoo vreeselijk, dat het haast niet uit te houden was geweest.

En nu vandaag—alweer die bittere uitval tegen hare tante! Wat moest zij beginnen?—Zij was heel, heel anders dan vroeger! Toen had ze zich zoo zelden ongelukkig gevoeld en o nooit, nooit zoo slecht, zoo bitter, zoo ontevreden met haar lot! Maar och, toen was haar leven ook blij en vriendelijk geweest, vol heldere, vroolijke zonnestraaltjes en eenvoudig, rein genot! En dan kwam daar opeens met bijna onweerstaanbaren drang, een snakkend verlangen in haar op naar buiten, naar een lange, frissche wandeling, zooals ze die vroeger zooveel had gedaan—alleen met de ruime, groote natuur om zich heen—alleen op de heide, alleen tusschen de dennen, den harsgeur met wellust opsnuivend—alleen op den vriendelijken, schilderachtigen straatweg, vanwaar zij het huisje harer grootmoeder reeds uit de verte kon zien liggen—alleen in de heerlijke, vrije, rijke natuur, ver verwijderd van alle menschelijke kleingeestigheid!

Iederen dag ging ze een eind wandelen met Miss Piper en Cécile. En zij zag de knoppen der boomen op de pleinen en langs de grachten zwellen en ze keek op naar de lucht, waarin het zachtwit der kleine wolken zoo fraai afstak bij het heldere blauw en ze zag den gouden gloed der zon op het oude, grijze steen van groote, statige gebouwen en op het dek der schepen in de gracht en in het tintelende, rimpelende water en op de bogen der bruggen en ze zag al de vroolijke drukte van het voorjaar in de bonte uitstallingen der kleedermagazijnen en in de elegante toiletjes der dames en kinderen in de parken en ze zag dat de stad mooi was in den lentetooi—maar het verkwikte haar niet; het was haar als kon zij er niet ruim en diep ademhalen—zij snakte naar de plechtige stilte en de reine, vroolijke lieflijkheid van het voorjaar buiten.

O, wat waren de straten stoffig en warm en wat was het vol en luidruchtig in het park, waar Cécile altijd zoo gaarne wandelde! Het wemelde er van rijtuigen en kinderwagens en bovenal van menschen—allen keurig gekleed, wandelend naast elkaar, netjes en deftig met parasols en elegante wandelstokken, of rijdend in fraaie equipages met livrei. Elsje drukte soms hare handen stijf tegen elkaar in de glacé handschoenen om zichzelf te dwingen, bedaard naast Miss Piper te blijven loopen.

Met een bijna woeste hartstochtelijkheid kwam er dan een verlangen over haar, om de nette, geëffende paden langs te hollen in vroolijk huppelenden draf en het park uit te loopen naar buiten, ver buiten de stad, naar de weide in het verschiet met de goudgele, glanzige dotterbloemen, waar het gegons der blijde insecten niet vermengd was met het geluid van schelle menschenstemmen. En o, om daar dan de pijnlijk knijpende, nauwe knoopjeslaarzen te mogen uittrekken, den breeden vilten hoed aan den arm te hangen, de fluweelen jurk uit te doen en met bloote armen in haar onderlijfje rond te loopen en adem te halen uit ruime borst in de heerlijke, geurige, reine lucht en dan neer te vallen op het fluweelzachte, groene gras, te liggen kijken naar de blauwe, blauwe lucht en met hare handen het frissche, malsche gras te voelen. Naar buiten, naar buiten!

En dan hoorde ze de vriendelijke stem van Miss Piper naast zich:

“Moe, Elsie? Wou je lijken te gaan huiswaarts? De lucht is te heet; het is te veel voor je.”

En dan knikte Elsje bevestigend. Ja, ze wou maar liever naar huis.

Soms dacht ze, of ze zich misschien nog zoo weinig in hare nieuwe omgeving op hare plaats voelde, omdat zij den omgang miste met menschen uit haar eigen stand. En eindelijk vermande ze zich, om aan hare tante te vragen, of ze het kruideniersgezin eens mocht gaan opzoeken. Ze had die vraag telkens uitgesteld omdat ze een voorgevoel had, dat mevrouw d’Ablong haar verzoek met een weigering zou beantwoorden en daarin had zij zich niet bedrogen. Alleen uitgaan mocht ze niet meer na den noodlottigen avond van het bal en dat hare tante er ooit uit zichzelf toe zou komen om met haar een bezoek te maken in den kruidenierswinkel, achtte zij hoogst onwaarschijnlijk. Toen zij met haar vraag voor den dag kwam, klonk het terstond zeer beslist: “O neen kind, daar zie ik volstrekt geen nut in. Die menschen zijn heel vriendelijk voor je geweest, dat is waar, maar ik vind het allerminst gewenscht dat je je verder met hen bemoeit en visitetjes bij hen gaat maken. Als het weer St. Nicolaas is, kunnen we er wel eens iets heensturen en er bij schrijven dat het van jou komt, maar familiariteiten met hen verlang ik in ’t geheel niet voor je. Ik ben al blij genoeg dat je nooit een lid van dat gezin tegenkomt op je middagwandeling met Miss Piper en als dat ooit gebeuren mocht....”

“Wij gaan altijd een heel anderen kant uit, nooit die straat door,” viel Elsje in.

“En dat is wel heel goed ook. Maar je moet iemand niet zoo onbeleefd in de rede vallen, Elsje, dat hoort zoo niet. En houd je armen toch niet zoo wijd van je lijf. Lieve tijd, kind, wat moet ik je dat dikwijls zeggen! Kom, ga nu maar naar Miss Piper. Ik hoor met genoegen dat je al een klein beetje begint te vorderen in het Engelsch. Gelukkig dat je tenminste niet dom bent.”

“En ik wil die aardige, lieve menschen dan toch nog eens zien en hun zeggen, hoe dankbaar ik hun ben voor hun vriendelijkheid op dien vreeselijken avond,” dacht Elsje, terwijl zij naar de leerkamer liep. “Ik zal hun dan meteen zeggen dat ik nooit weer mag komen, maar één keer moet ik er nog heen—dat kan tante onmogelijk verkeerd vinden.”

Het besluit was gauw genomen, maar hoe zou ze het ten uitvoer brengen? Dat ging veel gemakkelijker dan ze had durven hopen.

Op zekeren ochtend was mevrouw d’Ablong uitgegaan om een arm gezin te bezoeken, Miss Piper lag met hoofdpijn te bed en Cécile was den geheelen dag bij Loulou van Rensen om haar te helpen met het nummeren van voorwerpen voor een bazaar. Elsje was dus geheel aan haar lot overgelaten en, zooals ze met een zucht van tevredenheid bedacht, geheel vrij. Terstond kwam het denkbeeld bij haar op, dat dit nu een geschikte gelegenheid was om even uit te gaan en een paar oogenblikken, heel kort maar, in den kruidenierswinkel door te brengen. Haar geweten begon onrustig te kloppen bij de gedachte dat zij iets zou gaan doen dat hare tante hoogst waarschijnlijk af zou keuren, maar alweer troostte zij zich met de gedachte: “Als ik er heel even heenga om hen te bedanken en dan zeg dat ik nooit weerom mag komen, kan tante het zoo erg niet vinden,” en zonder zich langer te bedenken, zette zij haar hoed op, deed haar mantel om en ging heen. In de gang kwam ze Dina tegen, die haar verwonderd aankeek, maar Elsje vroeg haar met zoo’n grappig deftig air, of ze haar even uit wou laten en liep toen zoo bedaard en netjes de stoep af—ze begon in die dingen al aardig aan te leeren!—dat Dina tot de overtuiging kwam dat alles in orde was en met een lachje naar de keuken terugliep. “Ze wordt heusch al heelemaal een klein dametje,” dacht ze.

Spoedig had Elsje de drukke winkelstraat ingeslagen en vlug stapte ze voort, totdat ze vlak in de buurt van den kruidenierswinkel kwam. Toen vertraagde zij haar pas en eindelijk bleef ze aarzelend staan. Plotseling begon haar geweten weer te spreken. Eigenlijk mocht zij toch niet doen wat ze zoo vurig wenschte, eigenlijk had hare tante haar toch bepaald verboden naar hare vrienden toe te gaan—eigenlijk had zij toch maar stil thuis moeten blijven! Wacht, ze zou maar heel even den winkel voorbijgaan—alleen maar één enkel oogenblik naar binnen kijken. Dan zou ze weer bedaard naar huis terug gaan en nooit weer haar best doen met het kruideniersgezin in aanraking te komen. Langzaam liep ze den hoek om, het verboden terrein voorbij, toen zij eensklaps de deur van den winkel rinkelend hoorde opengaan en Everts blijde kinderstem hoorde roepen: “Elsje! Elsje! Moeder, moeder, daar is Elsje eindelijk!”

Nu was het gedaan met Elsje’s bedachtzaamheid. Zij bleef staan, liet zich door den verrukten Evert in den winkel trekken en stond weldra, met een van blijdschap stralend gezicht, voor haar vroegere gastvrouw.

“Dag Elsje,” zei deze op hartelijken toon, “dat is goed, dat we je eindelijk eens weerzien. En ben je hier nog altijd gelogeerd?”

“Neen,” zei Elsje, terwijl de blijde trek van haar gezicht verdween, “mijn grootmoeder is gestorven en nu blijf ik hier.”

“Och, wat is dat treurig; is je grootmoeder dood? Arm kind! En blijf je nu bij je tante?”

“Ja,” zei Elsje, bij de gedachte aan mevrouw d’Ablong weer onrustig wordend, “en ik kom u nu maar heel even bedanken dat u zoo goed en vriendelijk voor me geweest bent, toen op dien akeligen avond. Ik .... ik vergeet dat bepaald nooit, maar nu moet ik weer weg.”

“Weer weg! Nu al! En je bent er net! Kom, dat meen je niet en Evert heeft al zoo lang naar je verlangd.”

“Ja, maar ik moet toch heusch dadelijk weer naar huis. Ik bedank u nog hartelijk voor alles.”

“Nu ja, dat weet ik nu wel dat je heel dankbaar bent, maar ik vind het niet aardig, als je niet nog wat blijft. Kom Evert, haal maar eens even een stoel voor Elsje—wij kunnen niet naar binnen gaan, want mijn man is uit en ik kan den winkel niet alleen laten.”

Evert kwam hijgend en met een vuurroode kleur van inspanning met een stoel aansjouwen en met de woorden: “Dan blijf ik nog even,” ging Elsje zitten. En zonder zich een oogenblik te bedenken, vertelde ze nu wie zij was en waar zij gewoond had en hoe hare tante heette en hoe moeilijk zij het nog vond aan het stadsleven te wennen. Gevleid door de zeer groote belangstelling der kruideniersvrouw, die met een verbaasd gezicht naar haar luisterde, terwijl Evert steeds met grappige vragen tusschenbeide kwam, als hij niet begreep wat zij zeide, babbelde Elsje druk voort, totdat de schel der winkeldeur en het binnenkomen van een klant haar stoorden en zij opsprong met een: “Maar nu moet ik heusch terstond weg.”

“Dan breng ik je een eindje,” zei Evert zeer galant en deftig. “Moeder, mag dat? Mag ik even met Elsje mee?”

“Ja, maar dan een heel klein eindje hoor, niet verder dan tot de gracht, waar Elsje woont. En dan dadelijk weer thuis komen, anders wordt moeder ongerust.”

Evert vloog heen om zijn pet te halen en een oogenblik later trippelde hij, druk pratend, naast Elsje voort.

Tot haar blijdschap zag zij op de klok in den bekenden bloemenwinkel dat het eerst elf uur was. Hare tante zou dan zeker vooreerst nog niet thuiskomen—zoo heel veel haast behoefde ze dus eigenlijk niet te maken. Het was zoo aardig en gezellig om langzaam voort te drentelen met den aardigen, kleinen Evert naast zich, die haar zooveel te vertellen had! Wat zou het heerlijk zijn, als hare tante nog van besluit veranderde en haar toestond hare vrienden geregeld te bezoeken—al was het maar één keer in de maand bij voorbeeld. Over mevrouw d’Ablong en Cécile had zij heel weinig met de kruideniersvrouw gesproken—hare natuurlijke fijngevoeligheid had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd; dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen, toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht, haar aandacht trok.

Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen, die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over den prijs der “prachtige, springlevende” botjes, die de boer niet ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert.

“Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor zestig cents,” begon de vischboer weer.

“Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig,” zei het dienstmeisje, “geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!”

“Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon voor me...”

“Nu heel best dan,” viel het dienstmeisje snibbig in, “dan moet je het laten, maar houd me dan ook niet langer op,” en meteen maakte zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten.

“Nou, neem ze dan in vredesnaam maar,” zei de consequente vischboer met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd aangedaan. “Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor heb ik te veel hart voor je, maar anders, ’t is schande, schande.”

“Ja, praat jij maar toe,” lachte het dienstmeisje, “kom, maak ze maar gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen naar jou te staan luisteren.”

Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht het gesprek volgden, kwam mevrouw d’Ablong, in gezelschap van mevrouw van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst.

“Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar die onappetijtelijke vischkar?” vroeg ze aan haar buurvrouw.

“Wel neen, Elsje is thuis,” zei mevrouw d’Ablong, maar ze keek toch haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend gehoor om zich heen.

“Ja, ik geloof toch, dat zij het is,” zei ze snel. “Hoe durft ze! Ik begrijp niet....”

“Zij schijnt nog niet in alle opzichten een jonge dame te zijn,” zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. “Uw taak is niet gemakkelijk, lieve mevrouw.”

De arme mevrouw d’Ablong had juist met veel voldoening aan hare aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar “dorpsmaniertjes” geheel begon kwijt te raken!

“Ik neem hier nu maar afscheid van u,” begon mevrouw van Rensen weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! “Dag lieve mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds in één adoratie voor haar.”

Mevrouw d’Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe, die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem aan haar oor hoorde zeggen:

“Wat doe jij hier? Ga terstond mee naar huis.”

“O ja tante,” stamelde Elsje, “ik .... ik was al op weg. Ik ... ben maar even uit geweest.”

Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig gekleede dame, die zoo boos keek.

“Wat is dat voor een kind?” vroeg zij scherp.

“Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors,” zei het kereltje trotsch, “en Elsje zegt....”

“Nog eens, wie is dat kind?” viel mevrouw d’Ablong in, terwijl zij zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde.

“Het is het zoontje van den kruidenier,” zei Elsje bijna fluisterend.

“Dus je bent daar toch heen geweest, hoewel ik het je bepaald verboden had?” vroeg hare tante met ingehouden toorn.

“Ja,” antwoordde Elsje heel zacht.

“Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?” vroeg Evert met een helder stemmetje. “Ben je bang voor die mevrouw?”

Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen.

“Ik wil nu maar liever naar huis,” zei Evert, hare hand loslatend.

“Wij zullen je wel even brengen, kind,” zei mevrouw d’Ablong opeens. “Wijs ons den weg maar.”

Tot Elsje’s verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer in. Mevrouw d’Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in ’t geheel niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open en vloog naar binnen, op zijn moeder toe.

“Wij hebben zoo’n plezier gehad,” zei hij, “en er was een vischkar met een vroolijken man en Elsje en ik...”

“U bent zeker de moeder van dit jongetje?” vroeg mevrouw d’Ablong beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij Evert in zijn verhaal stoorde.

“Jawel mevrouw,” antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d’Ablong keek.

“Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid tegenover mijn nichtje,” zei Elsje’s tante, terwijl ze haar beurs uit den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank legde. “Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen dienen?”

“O ja, ja,” riep Evert verheugd. “Staat het koninginnetje erop, moeder?”

“Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw,” zei zijn moeder beleefd, “want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor te krijgen.”

“O neen, dat begrijp ik heel goed,” zei mevrouw d’Ablong haastig en vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. “Maar u wilt het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik .... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje leeft in zoo’n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt.”

Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij kon de goede kruideniersvrouw niet langer aanzien.

“O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig genoeg?” vroeg deze, met iets scherps in hare stem.

Mevrouw d’Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist uitgedrukt—dat was precies wat zij bedoelde.

“Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had,” zei ze eindelijk op vriendelijken toon. “Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe hartelijkheid. Maar....

“Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed,” viel de kruideniersvrouw snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan verontwaardiging. “Neem je geld terug, als ’t je blieft, mevrouw, wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter zijn dat Elsje niet meer hier komt.” En met driftige haast begon zij de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken.

Mevrouw d’Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk:

“Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje.”

De kruideniersvrouw keerde zich snel om. “Ik geloof dat u iets vergeet, mevrouw,” zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag liggen. Mevrouw d’Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan en fluisterde:

“Houd het als ’t je blieft voor Evert, och toe, als ’t je blieft. We zien elkaar toch nog wel eens weer, denk ik.”

En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich, zich bij hare tante te voegen.

Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen, keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist:

“Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja—dat ik je verbied, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel stellig hoor. Begrijp je me goed?”

“Ja tante,” zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was.

“Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je ’s ochtends alleen uitgaat—of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt, anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?”

“Ja, tante, ja.”

Hoofdstuk XII.

Naar Buiten!

“Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten met Miss Piper,” zei mevrouw d’Ablong op een ochtend in Juni, toen de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de zeelucht te laten genieten.

“O ja mama, veel beter,” antwoordde Cilly beslist. “Hadt u er heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table d’hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!”

“Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens gevraagd heb, wat hij ervan dacht.”

“Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te worden. Zoo’n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan komt Lizzie dus toch buiten!”

“Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel aardige naam en je doet er haar zoo’n verdriet mee dat je nog altijd Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje vriendelijker voor haar zijn?”

“Ik begrijp u niet, mama,” zei Cécile, terwijl zij zich met een zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. “Ik dacht juist dat ik mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige dag voor haar was!”

“Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat wilt—wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen.”

“Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet.”

“Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer.”

“Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het toch niet eens en—dat zult u misschien heel dwaas vinden—maar ik krijg er zoo’n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken, mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend.”

En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een woord te zeggen.

“Cilly, kindje,” zei mevrouw d’Ablong ongerust, terwijl zij opstond en zich over Cécile heenboog, “voel je je wezenlijk moe? Maar waarom heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja, je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook doorspreken?”

“Och het is niets, mama,” zei Cécile, hare oogen openend en tot hare moeder opslaande, “ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet.”

“Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?”

“Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig.”

“Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt toch niets dat je hindert?”

Cécile zweeg even, toen zei ze:

“Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk.”

“Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er is toch immers niets dat je hindert?”

“Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar, ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat....”

“Nu, omdat?”

“Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten dat Elsje met ons meegaat, moedertje?”

“Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op ’t oogenblik niets schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!”

Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik en zei:

“Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet mee.”

“Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu.”

Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend:

“Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar, dat.... dat ik zoo moe word van Elsje.”

“Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?”

“Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje,” zei Cécile, haar hoofd tegen den schouder van mevrouw d’Ablong leggend, die teeder de armen om haar heensloeg. “Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren.”

“En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!”

“Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen,” zeide Cécile, haar moeder een kus gevend. “U hadt toch al genoeg verdriet, lief moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat stellig met ons mee?”

Maar mevrouw d’Ablong schudde het hoofd.

“Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal langzamerhand alles wel beter gaan.”

“Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?”

Tot eenig antwoord trok mevrouw d’Ablong haar dichter naar zich toe en kuste haar. “Boos op jou, lieveling? In ’t geheel niet, hoor. Houd je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?”

“O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het is zoo’n heerlijke verlichting!”

Een week later waren mevrouw d’Ablong en Cécile vertrokken naar de drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk, een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d’Ablong wenschte dat Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk te warm om ’s middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin uitzag. Elsje’s oogen werden moe van het kijken naar het helwitte zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen, toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien.

Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor de ramen en briefjes met “afwezig” op de deuren. Op hare dagelijksche ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist, alsof zij opeens veel ouder geworden was—soms kon zij ’s ochtends opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw d’Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren, eer Elsje’s tante haar weerzag.

Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw d’Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend, een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d’Ablong op het bordes verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen hij Elsje’s bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende, vroeg hij vriendelijk:

“Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?”

Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders uitbrengen dan: “Ik.... ik ben....” en begon toen opeens bitter te schreien.

“Het is niets.... niets.... het is erg flauw,” snikte ze, boos op zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde, dan in al de jaren van haar vroeger leven.

Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden:

“Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de buitenlucht niet dringend noodig?”

De gouvernante knikte, ernstig toestemmend.

“Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat Elsje met tante en Cécile meegegaan was,” hernam Frits, “en ik zelf ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht, Roodkapje,” ging hij lachend tot Elsje voort. “Een paar dagen geleden eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen, of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te gaan. Wil je, of blijf je liever hier?”

Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong zij op. “Als.... als ik mag, als tante het goed vindt,” stamelde zij.

“Ik ben juist een brief aan mevrouw d’Ablong begonnen,” zei Miss Piper met een geruststellend knikje, “zij vindt het zeker heel goed dat je gaat. Zal ik het haar vragen?”

“O ja, dolgraag.”

“Dus dat blijft dan afgesproken,” zei Frits, “ik ben blij dat je er lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt.”

“O ja, ik kan best klaar, mijnheer,” zei Elsje, die een gevoel had, dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan.

Mijnheer! Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?”

“Ik ben pas vijftien geworden,” antwoordde Elsje lachend.

“En ik pas twee-en-twintig,” zei Frits. “Ja, dan moet je toch wel een beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel ‘oom’ kunnen noemen als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?”

“Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland te gaan.”

“Dus dan komt alles mooi in orde,” zei Frits. “Dan zal ik de dames nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te nemen. Dag Missy, dag Roodkapje.”

“Ik heet eigenlijk Elsje,” zei ze met haar ouden, vroolijken lach.

“Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit, dat doet Cilly ook altijd.”

Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog eens de hand en zei: “Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt.”

“Dag mijn.... Frits,” zei Elsje verlegen.

“Zóó! Dat klinkt al heel hartelijk,” plaagde hij haar met een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht.

Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de armen om Miss Piper’s hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit:

“O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk, hoe heerlijk!”

En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar zachtjes mompelend: ”Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too, my pet!

Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden dag den brief van mevrouw d’Ablong opende, die het antwoord bevatte op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in onzekerheid. Elsje’s tante schreef dat zij er niet tegen was dat haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan vooral erg haar best moest doen zich ladylike te gedragen en niet te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook bij grootmama te komen.

Twee dagen later, ’s middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde, toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten en grachten, die zij langs reden—het was zoo’n heerlijke gedachte dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat zij zulk een deftig air aannam en hem met zulk een zachte stem antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje’s leeftijd in den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp, waar zij gewoond had.

“Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons,” zei Frits, op een ouden koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen panier gezeten, uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude mevrouw d’Ablong werd bewoond.

Het was een ritje van een half uur ongeveer, maar in dien korten tijd genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze, alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo vlug uit den panier dat Frits uitriep: “Neen maar, wat een haast heb je, Roodkapje!”

Ja, zij had haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag, sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg.

“O grootmama, lieve grootmama!” zei ze, toen deze haar hartelijk welkom heette en kuste.

“Ik ben er ook nog, grootmoedertje,” zei Frits naderbij komend. “Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen, want dan wordt ze brutaal.”

“Brutaal?” Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de waarschuwingen harer tante. “Dat ben ik toch niet geweest?” vroeg ze.

“Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed tegen plagen kondt,” antwoordde Frits. “Zal ik maar naar mijn kamer gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?”

“Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?”

“Prachtig mooi!” zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele boerderijen.

De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen, wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken.

“Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?”

Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene deuren uitkwamen.

“Je ziet, ik heb plaats voor vele logés,” zei de oude dame, “maar op ’t oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen vreemden waren.”

“O ja,” antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond voor haar.