WeRead Powered by ReaderPub
Elsje cover

Elsje

Chapter 15: Hoofdstuk XIII. “Koningin! Koningin!”
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A children's story centers on a young orphaned girl raised by her grandmother in a small village, tracing her daily errands, household responsibilities, and friendships. She experiences a deep, appreciative wonder for nature, noticing winter light, frost, and sparkling dew, which enriches otherwise modest circumstances. Episodes include visits to the village shop, playful teasing by neighborhood boys, and small anxieties such as safeguarding a heavy basket. The narrative proceeds episodically, emphasizing domestic care, simple moral lessons, and affectionate bonds across generations within rural life.

“Plotseling klonk de muziek van een reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek....”

“Dàt dacht je niet, he?” riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar opzag naar grootmama.

“Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten,” zei deze lachend. “En hare ouders vonden haar nog te jong om met de geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week...”

“Ja, ik zou eerst veel later gaan,” viel Liesje ijverig in, “maar toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!”

“Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden,” zei de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje’s haar streek.

Elsje’s hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama’s hand grijpen en die stevig drukken.

Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om Elsje’s hals te hebben geslagen en na haar met een “nacht snoes!” een nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder de veranda met de oude mevrouw d’Ablong en Frits, en ging de avond voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje’s manieren of op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama’s hals en fluisterde:

“Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u te zijn!”

En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in het begin de aanblik van de prachtige natuur. “Nu moet je maar eens alleen een eind gaan wandelen,” zei grootmama den eersten ochtend na het ontbijt. “Neen, Liesje blijft van morgen bij mij—je bent nu mijn patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden.”

Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om adem te scheppen. “Wat ben ik gek gauw moe,” dacht ze. Toen ze bij grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg, vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was, hoe werd hare moeite toen beloond!

Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt, vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden, waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar, dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op te kijken naar de rein-blauwe lucht—toen, als overweldigd door een gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar, in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten:

Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen zal.

Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren:

“Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?”

“Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk gemaakt?” klonk de stem van Frits toen. “Gelukkig dat wij je eindelijk gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?”

Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare houding gevonden had! Als tante het hoorde....

“Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!” zei ze. “Ik wist niet ... ik dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat.”

“Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?” En Frits lachte hartelijk. “Wie zit er nu ooit ‘netjes’ op de heide! En ik vond je houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt; ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden, maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel trek hebben na je vermoeienden tocht, he?” En hij keek haar plagend aan. Elsje lachte vroolijk.

“Ik houd zooveel van de heide,” zei ze. “Toen ik nog bij grootmoeder woonde ging ik er zoo dikwijls heen.”

“Ja, de heide is prachtig,” zei Frits. “Kom, zullen we nu naar huis gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant, dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?”

Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa hadden bereikt.

“Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien,” zei grootmama. “Was het mooi buiten?”

“Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de heide” zei Frits.

“0 neen, heelemaal niet!” riep Elsje verontwaardigd uit. “Ik heb maar al liggen kijken naar alles—het was er zoo prachtig!”

“Je hebt heerlijk gedroomd,” spotte Frits weer en toen Elsje hevig ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en zei vriendelijk:

“Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen hebt.”

Hoofdstuk XIII.

“Koningin! Koningin!”

“Ziezoo Liesje, nu ben je heusch heelemaal klaar. Neen, neen, je moet niet te veel aan de bladeren trekken, dan gaan de kransen dadelijk stuk. Ja, loop maar flink rechtop—dan zie je er dubbel deftig uit.”

En Liesje liep met een gewichtig gezicht en kleine, voorzichtige pasjes naar grootmama toe, die onder een breeden beuk op een mosheuveltje zat uit te rusten van de lange wandeling, die het gezelschap samen had gemaakt.

“Hè, nu wil ik ook heel graag eens even zitten,” zei Elsje met de handen nog vol eikebladeren. Frits, Liesje en zij waren druk aan het plukken geweest en Elsje was daarop ijverig aan het kransen vlechten gegaan, zoodat Liesje nu een lange guirlande droeg op haar witte jurk, armbanden om de polsen en een krans op het blonde haar.

“Prachtig hoor!” zei grootmama, toen het kleine meisje vlak voor haar ging staan met de woorden: “Kijk eens!”

“Nu moet Elsje zelf ook bekransd worden,” zei Frits, terwijl Elsje en hij zich naast de oude dame neervlijden, “kom Roodkapje, wij hebben die eikebladeren niet voor niets geplukt. Niet zoo lui zijn als ’t je blieft. Ik sta er op dat je een krans voor jezelf vlecht en dan nog een voor grootmama en een voor mij.”

“En als ik dat nu eens niet doe?” vroeg Elsje lachend.

“Dan noem ik je nooit meer Roodkapje.”

“Alsof dat zoo’n straf was!” riep Elsje uit, om toen plotseling van toon te veranderen en langzaam, en als bij zichzelf te zeggen: “Ja .... dat zou ik toch wel een beetje jammer vinden.”

Grootmama keek snel op. “Waarom wordt je zoo graag Roodkapje genoemd?” vroeg ze.

Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze: “Het herinnert me zoo prettig aan vroeger.”

“Waarom ben jij Roodkapje?” vroeg Liesje met groote oogen.

“Omdat zij soms boodschappen gaat doen met een heel aardig, rood wollen kapje op,” zei Frits.

“En waarom zet je het dan nu nooit op?” vroeg Liesje. “Je hebt altijd dien grooten hoed op, als wij samen boodschappen doen in het dorp. Doe je morgen dan dat aardige, roode kapje eens op?”

“Morgen zijn tante en Cécile hier,” zei Elsje langzaam.

“Maar je hebt dat kapje toch zeker ook niet bij je, wel?” vroeg grootmama. Het deed haar leed op te merken hoe weinig Elsje naar het gezelschap van mevrouw d’Ablong en Cécile scheen te verlangen. Zij was nu drie weken bij de oude dame gelogeerd geweest, drie gelukkige, zonnige weken, waarin hare oude opgewektheid en hare gezondheid geheel waren teruggekeerd, maar hoe vroolijk en spraakzaam zij overigens ook was, over hare tante en Cécile sprak zij bijna nooit.

Zij werd een beetje verlegen bij grootmama’s vraag omtrent het bewuste kapje en beschroomd, erg bang dat men haar uit zou lachen, zei ze bijna fluisterend:

“Ja, ik heb het wel meegenomen in den koffer, omdat ik dacht .... als ik soms eens alleen uitging .... het leek me zoo aardig het dan eens op te zetten en me dan te verbeelden dat ... dat alles nog net was als vroeger.”

Er volgde een oogenblik van algemeen stilzwijgen en Liesje trok Elsje den hoed van het hoofd en zette haar voorzichtig haar eigen breedgeranden hoed op. Elsje scheen hiervan niets te bemerken—zij was geheel in gedachten verdiept en keek stil voor zich uit het donkere bosch in, waar de zon door de dichte bladeren heen, kleine lichtvlekjes wierp op het groene mos. Met een grappig ernstig gebaar legde Liesje haar vingertje tegen den mond om Frits en grootmama te waarschuwen, Elsje niet opmerkzaam te maken op wat zij gedaan had. Zij verried dit echter onmiddellijk zelf door voor Elsje te gaan staan, in de handen te klappen en juichend uit te roepen:

“Daar heb ik je gefopt! Daar heb ik je gefopt! O, wat zie je er mooi uit!”

“Ik geloof dat ik een prachtigen hoed op heb,” zei Elsje, die haar stil had laten begaan, maar heel goed gemerkt had wat zij deed. “Dien houd ik dan maar op vandaag, denk ik, hij is zoo heerlijk voor de zon met dien breeden rand.”

“En met al dat gebabbel over dien hoed wordt er maar heelemaal niets meer aan de kransen gedaan,” mopperde Frits. “Het is wat moois! Als ik dat geweten had, had ik me ook niet zoo uitgesloofd met het plukken van eikebladeren!”

“Stil maar, ik begin al weer!” lachte Elsje vroolijk. “Zal ik er dan eerst maar een voor u maken, grootmama?”

“Dank je kind, ik ben over die ijdelheid heen.”

“Nu, ik eigenlijk ook,” zei Elsje met een wijs gezicht.

“Lieve tijd, wat een aanstellerij!” riep Frits uit. “Alsof niet alle meisjes nuffig waren! Maar zoo kom je er niet af! Ik wil een krans hebben voor mijn strooien hoed en een beetje gauw ook!”

“Plaag dat arme kind toch niet zoo, Frits,” zei grootmama.

“Alsof zij mij nooit plaagde!” zei Frits, op een toon van verdrukte onschuld.

“Ik doe nu in ieder geval heel gedwee wat je me bevolen hebt,” zei Elsje bedaard.

“Wil je van avond het roode kapje eens opzetten als wij uitgaan?” vroeg Liesje weer.

“Dat weet ik nog niet,” zei Elsje langzaam, bedenkend dat hoogst waarschijnlijk heden avond mevrouw d’Ablong en Cécile er zouden zijn. De eerste had geschreven dat zij niet precies het uur van hare aankomst bij grootmama kon melden, omdat Cécile en zij nog even in de stad aan wenschten te gaan onderweg. In ieder geval moest grootmama maar geen rijtuig aan het station sturen, zij zouden er daar wel een nemen.

“Als Elsje het aardige, roode kapje opzet, moet je mij even roepen, hoor Liesje,” zei Frits. “Ik ben verlangend er de kennis mee te vernieuwen. Och, och, wat keek je me toen dankbaar aan Elsje, toen ik je voor ’t eerst zag! De tijden zijn wel veranderd! Nu krijg ik haast nooit eens een vriendelijk woord en het grieft me tot in mijn ziel te zien, hoe weinig het je aanstaat, dien krans voor mij te maken.”

“Maar ik doe het met plezier,” zei Elsje lachend.

“Ik hoop dat je de zuivere waarheid spreekt,” zei Frits. “Ik houd er in ’t geheel niet van dat iemand zich voor mij opoffert.”

“Pruttel nu maar niet langer, de krans is klaar,” zei Elsje. “Als ’t je blieft. Doe hem maar gauw om je hoed.”

“Ik had gedacht dat jij dat nu eens netjes voor mij doen zoudt.”

“Toe Frits, help mij eens even op, wij moesten nu maar weer naar huis wandelen,” zei grootmama. “Het loopt tegen etenstijd.”

Frits gehoorzaamde en bleef toen stokstijf staan met zijn hoed vast op het hoofd gedrukt. Elsje sprong snel op met den krans nog in hare handen. Daar viel Liesje’s hoed haar af.

“O, o, o!” riep Liesje. “Hij duikelt het heuveltje af. Kijk eens! O, wat aardig!”

Frits liep den vluchteling snel na, gaf Liesje en Elsje ieder hare eigene hoeden terug en bleef toen weer stokstijf staan, erg rechtop, in dezelfde houding als daareven.

“Komt kinderen, nu een beetje voortgemaakt!” riep de oude dame.

“Nog één oogenblikje, grootmoedertje,” zei Frits. “Kom Roodkapje, probeer eens of je zoo hoog kunt reiken en leg mij den krans eens om den hoed, terwijl ik dien op heb.”

“Zooveel grooter ben je niet dan ik,” meesmuilde Elsje, maar zij moest toch op hare teenen gaan staan en hare armen hoog uitrekken om bij den hoed te kunnen komen. Een beetje hijgend en met moeite was ze bezig het kunststuk te volbrengen, terwijl Frits lachend op haar neerzag, toen zij plotseling ontsteld keek bij het hooren van een welbekende stem, die riep:

“Hier zijn ze, hier zijn ze!”

Snel liet Elsje hare armen zakken en trad achteruit, terwijl hare tante en Cécile naderden. Zij waren een uur geleden aan de villa gekomen, hadden even gewacht, maar waren toen ongeduldig geworden en de wandelaars gaan zoeken.

“Dol gezellig dat wij u zoo makkelijk hebben gevonden,” zei Cécile, grootmama een kus gevend. “Ik heb onzinnig naar u verlangd, grootmoedertje.”

“En naar mij toch zeker ook?” vroeg Frits, met welgevallen naar zijn nichtje kijkend. Zij zag er allerliefst uit in haar zomertoiletje van licht crème en met den witten hoed met klaprozen op het donkere haar.

“Neen, naar jou natuurlijk heelemaal niet,” zei ze met een coquet lachje. “Hoe maak je het? En hoe gaat het jou, Lizzie, och, Elsje bedoel ik. Dag, Liesje, kleine snoes, hoe heb jij het?”

En met een bevallige beweging knielde zij bij Liesje neer op het mos en kuste haar.

“Ik loop met Elsje. Mag ik met Elsje?” vroeg Liesje, toen het gezelschap zich in beweging zette om naar huis te wandelen.

“Ja, maar ik loop ook naast Elsje,” zei Frits. “Kijk eens Cilly, heeft Roodkapje mijn hoed niet mooi versierd?”

“O, stond ze daarom zoo ongeneerd vlak bij je?” vroeg Cécile scherp.

“Zoo, heb je dat nog net gezien? Ja, ja, Roodkapje en ik zijn beste maatjes.”

“Kom eens hier, Elsje,” riep mevrouw d’Ablong, zich omkeerend. Zij liep met grootmama voor de anderen uit. “Ik moet je eens goed aankijken en eens zien of je heusch heelemaal weer de oude bent geworden. Dat is een gesukkel geweest, he?”

“Ik blijf bij Elsje,” riep Liesje weer en Cécile en Frits liepen dus samen.

Cécile scheen niet bizonder tevreden over het onderhoud dat zij toen met haar neef had.

’s Avonds ten minste, toen Elsje alleen op haar kamer was en zich gereed maakte om naar bed te gaan, kwam zij bij haar met een zeer ontevreden gezicht en zei:

“Hoor eens Elsje, ik vind het heel onplezierig, maar ik moet eens even met je spreken.”

“Met mij? Wat is er dan?” vroeg Elsje verbaasd en fluisterend. “Praat niet te luid, want dan maak je Liesje wakker.”

“Ik heb je maar een paar woorden te zeggen, maar ik hoop dat je me goed begrijpen zult. Val mij als ’t je blieft niet in de rede en luister goed. Ik heb mij ontzettend geërgerd, toen Frits mij van middag vertelde dat je hem zooveel over je vroeger leven hadt medegedeeld. Enfin, dat is nu eenmaal gebeurd en daar is dus niets aan te veranderen, hoewel ik volstrekt niet begrijp, wat Frits met jouw dorp te maken heeft,—maar veel erger is het dat je je hier in huis en vooral tegenover Frits zoo belachelijk vrij gedraagt. Frits is te goedhartig en grootmama te lief om daarvan iets te zeggen, maar ik raad je sterk aan in ’t vervolg wat minder het hoogste woord te hebben en je familiare grappen voor je te houden. Ik heb je nu bijtijds gewaarschuwd, voordat mama ernstig boos op je wordt en je eens goed onder handen neemt. Nu zal zij er misschien niet meer met je over spreken, als je ten minste je best doet dat alles anders wordt. Vergeet niet waar je staan moet en bedenk als ’t je blieft dat je toch altijd maar een gewoon dorpskind blijft, al ben je dan ook honderdmaal mijn nichtje. Nacht Elsje.”

Elsje antwoordde niet, ook niet op de laatste woorden; ze bleef doodstil bij het raam naar buiten staan kijken, toen Cécile reeds lang de kamer had verlaten. Zij zag heel bleek en hield de handen stijf tegen elkaar gedrukt, maar zij schreide niet en bleef uiterst bedaard, hoewel het lang niet bedaard was in haar binnenste. Geruimen tijd bleef ze zoo staan, al maar in dezelfde houding naar buiten kijkend in den plechtigen maneschijn, toen ontspanden zich hare trekken en met een zucht liet zij het venstergordijn zakken en ontkleedde zich.

Zij was op ’t punt om in bed te stappen, toen haar iets inviel en zij aarzelend en langzaam naar haar koffer toeging, dien opende, naar iets zocht en eindelijk het bekende roode kapje te voorschijn haalde. Zij hield het even in hare handen, keek er naar met half lachende, half weemoedige oogen, sprong toen eensklaps op, strikte het kapje om haar hoofd vast en ging voor den spiegel staan. De witte nachtpon en het roode kapje staken grappig bij elkander af en vormden nu juist geen toilet, dat goed bij elkaar paste, maar .... Elsje zag toch in het korte oogenblik dat ze in den spiegel keek, dat het kapje haar heel aardig stond en zoodra ze tot deze ontdekking kwam, bloosde zij van schaamte over hare ijdelheid, liep snel van den spiegel weg, trok zich het kapje van het hoofd, bergde het heelemaal onder in den koffer weg en besloot het nooit, nooit weer op te zetten, zoolang ze hier was. Frits zou er stellig wel niet meer om vragen, maar in ieder geval zou ze het toch zeker niet doen. Zij wilde niet nuffig en coquet worden evenals Cécile en o—misschien, misschien was ze wel te vrij geweest en te familiaar, maar grootmama en Frits hadden er toch niets van laten blijken dat ze dat vonden en ze was hier zoo innig gelukkig geweest. Cécile had ook altijd zooveel aanmerkingen, maar—ze moest toch oppassen en ze zou stiller zijn en geen grappen meer maken en heel veel met Liesje alleen gaan wandelen en goed op haar manieren letten; ze zou erg haar best doen dat tante tevreden over haar kon zijn—dat nam ze zich vast voor.

Na dien avond was het gedaan met Elsje’s zorgelooze uren van genot. Grootmama en Frits waren wel even vriendelijk en alles bleef even mooi, maar zij voelde zich telkens niet op haar gemak, vond het maar het allerprettigst heele ochtenden en middagen met Liesje alleen naar het bosch te gaan en was boos en verlegen tegelijk, als ze Cécile’s oogen waarschuwend op zich gevestigd zag. Frits plaagde haar eerst dat ze zoo graag het heele bosch voor Liesje en zich alleen had en dat zij het overige gezelschap telkens ontvluchtte, maar Elsje keek dan zoo verschrikt en wist zoo heelemaal niet wat ze moest antwoorden, dat hij haar met rust liet en zich alleen verwonderd afvroeg, hoe zij opeens zoo veranderd was. In zijn bijzijn en dat van grootmama behandelde Cécile Elsje altijd beleefd en goed, al hield zij haar op een afstand. Een groote troost was voor Elsje het gezelschap van Liesje, hoewel het kleine meisje haar telkens in verlegenheid bracht door herhaaldelijk te vragen of zij het roode kapje nu niet eens op wilde zetten. Mevrouw d’Ablong keek dan heel verbaasd en eindelijk moest Elsje haar klein vriendinnetje bepaald verbieden, er meer naar te vragen; Frits bemerkte al heel gauw dat het onderwerp zijn tante niet aangenaam was en zweeg er dus over. Grootmama kwam trouw elken avond even bij Elsje’s bed om haar nog eens goeden nacht te kussen en deed dit in deze dagen bizonder hartelijk, maar zij vroeg haar niet, of haar iets scheelde en wat; zij begreep heel goed, welken strijd het meisje had te strijden, maar vond het toch niet goed tusschen haar schoondochter en Elsje te komen. Mevrouw d’Ablong was trouwens vrij tevreden over het gedrag van haar nichtje en eens zelfs kwam ze opzettelijk bij haar op haar kamer en zei:

“Nu moet ik je eens een prijsje geven, kind. Ik vind wezenlijk dat je wat vooruit gaat in je manieren en vanavond vooral heb je je zoo bescheiden en netjes gedragen, dat ik er plezier in had. Ik had niets op je houding aan te merken, toen je bij dat tafeltje platen zat te kijken.”

Elsje glimlachte flauw. Zij had dien avond zoo erg lang gevonden en zoo verlangd om maar naar boven te gaan!

Het was eenige dagen na dit gesprek dat grootmama en mevrouw d’Ablong een lang onderhoud hadden in de veranda. Frits, Cécile, Elsje en Liesje waren samen naar het bosch gegaan. “Ik laat je nu eens niet weer zoo rustig je gang gaan, Roodkapje,” had Frits ’s ochtends aan het ontbijt lachend gezegd. “Je blijft hier nu nog maar zoo kort, ik wil nu nog een beetje van je gezelschap profiteeren, daar moet je je dus maar in schikken.”

Cécile zorgde er echter wel voor dat Frits zich ook dezen ochtend meer met haar bemoeide dan met Elsje. De wandeling was echter zoo mooi en Liesje babbelde zoo gezellig, dat Elsje toch erg genoot en in een heel opgewekte stemming weer thuis kwam.

“Ga eens even met grootmama en mij mee, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong na de koffie. “Wij hebben je iets heel gewichtigs te zeggen.”

Elsje keek verschrikt op en volgde hare tante met een kloppend hart naar het aardige, kleine boudoir, waar de oude dame reeds rustig in haar gemakkelijken stoel voor het raam zat te wachten.

Zij trok Elsje naar zich toe en zei:

“Kom nu maar eens prettig hier bij me zitten, kind, in dat lage stoeltje. Neen, een beetje dichterbij; ik heb je graag vlak naast me.”

Elsje keek haar dankbaar aan, terwijl ze gehoorzaamde. Mevrouw d’Ablong ging tegenover de oude dame zitten en begon:

“Grootmama vindt, Elsje, en ik vind het ook, dat het goed voor je zijn zou, eens wat meer met meisjes van je eigen leeftijd om te gaan. Cilly is nogal wat ouder dan jij en zooveel meer ontwikkeld en buitendien is er nog heel veel dat je leeren moet en dat je ook gemakkelijker leeren zult, als je onder meisjes bent, dan wanneer je privaatlessen krijgt. Grootmama en ik gelooven ook dat je dan gelukkiger zult zijn en je later wat meer bij ons zult thuis voelen. Ik ben daarom van plan veranderd en besloten je wèl naar kostschool te sturen en ook liefst zoo gauw mogelijk. Neen, kijk maar niet zoo verschrikt, je zult het er heel prettig vinden en je gezondheid is nu weer zoo goed, dat ik je wel van mij durf te laten gaan. De kostschool, die ik op het oog heb, is op de badplaats, waar Cilly en ik gelogeerd hebben. Ik heb er heel veel goeds van gehoord en de directrice een paar malen gesproken. Zij weet nu alles van je vroeger leven af en zal zeker doen wat zij kan om je leven bij haar gelukkig te doen zijn, mits .... je goed je best doet, gehoorzaam haar raad opvolgt en er vooral op let, je even beschaafd en netjes te gedragen als de andere meisjes. De zeelucht zal zeker ook heel goed voor je wezen en ik hoop en vertrouw dus dat deze maatregel aan het doel zal beantwoorden en je langzamerhand heelemaal zóó worden zult, dat ik er trotsch op kan zijn dat je mijn nichtje bent.”

“Maar je bent nu toch ook al trotsch op Elsje, niet waar?” zei de oude dame met een vriendelijk knikje, terwijl ze hare zachte hand op die van Elsje legde. Het meisje werd beurtelings rood en bleek.

“Ik hoop het nog veel meer te worden,” zei mevrouw d’Ablong zeer beslist. “Kom kind, kijk maar niet zoo verschrikt. Ik ben overtuigd dat het nieuwe leven je wel bevallen zal. Je moet natuurlijk nog heel veel leeren, maar je bent pas vijftien jaar en als je nu bij voorbeeld tot je achttiende op kostschool blijft....”

“O tante, zóó lang?” viel Elsje verschrikt in.

“De tijd zal om zijn, voordat je het weet, lieveling,” zei grootmama. “En dan moet je de heerlijke vacanties niet vergeten, waarin je natuurlijk heel dikwijls bij mij komt logeeren.”

“Mag ... mag ik weggaan, tante?” vroeg Elsje, die vurig verlangde, alleen te zijn. Zij had een gevoel alsof ze zich niet langer goed zou kunnen houden—op dit oogenblik scheen het haar nog iets verschrikkelijks toe naar een kostschool te worden gestuurd, om daar, zooals zij stellig verwachtte, door de andere meisjes, die wèl al “jonge dames” waren, uitgelachen en geplaagd te worden. Maar zij zou haar best doen; zij zou alles doen wat ze maar kon, om hare tante niet te veel tot last te wezen en ze zou moed houden ook!

En ze bleef moed houden en strijden tegen het overweldigende gevoel van eenzaamheid, dat haar soms dreigde te bemachtigen. Het was maar goed dat zij al heel spoedig vertrekken moest. Het nieuwe schooljaar was reeds sedert een paar weken ingegaan en toen het besluit van mevrouw d’Ablong eenmaal vaststond, werd er haast achter het werk gezet en ruim een week nadat Elsje gehoord had, welk nieuw leven haar wachtte, was zij reeds met hare tante op weg naar de bewuste badplaats en reed ze, met een erg benauwd gevoel in de keel, naar het deftige kostschoolgebouw, dat een tijdlang hare woning zou wezen. De directrice, een statige, lange dame met doordringende, bruine oogen, ontving haar echter zoo hartelijk en sprak haar zoo vriendelijk toe, dat zij verruimd adem haalde, toen de eerste begroeting achter den rug was en zelfs veel minder zenuwachtig was dan ze gedacht had te zullen zijn, toen zij afscheid van hare tante genomen had en de directrice volgde naar de groote eetzaal, waar ruim twintig meisjes aan de tafel zaten, gereed om het lunch te gaan nuttigen. Elsje kreeg een stoel naast een bleek, heel blond meisje, dat er zeer verlegen uitzag en hare oogen op haar bord hield geslagen. De verlegenheid van hare buurvrouw maakte Elsje vrijmoediger; zij keek bedaard om zich heen en bemerkte tot haar blijdschap dat volstrekt niet alle meisjes onberispelijk rechtop zaten en zich zoo elegant gedroegen als Cécile. De Engelsche onderwijzeres, die tegenover Elsje zat, moest telkens een of andere vermaning toedienen met betrekking tot het hanteeren van mes, vork en glas en Elsje vond het een heel aangename gewaarwording dat zij haar zoo goed kon verstaan—dàt had zij aan Miss Piper te danken en zij was er nu haast blij om dat zij zooveel mooie zomerdagen alleen in haar gezelschap had doorgebracht. Na het lunch werd zij aan al de onderwijzeressen en aan de meisjes voorgesteld. Er waren verscheidene nieuwe leerlingen onder en zij waren lang niet allen zoo knap en zoo begaafd, als Elsje had gevreesd. Wel was zij natuurlijk zeer ten achter bij de meeste meisjes van haar leeftijd, vooral wat het Fransch en Duitsch betrof, waarmee zij nog geheel van voren af aan moest beginnen, maar haar aanleg en haar wil waren zeer goed en dit kon niet van al de andere leerlingen worden gezegd. Er waren er onder, die naar kostschool waren gestuurd omdat ze bizonder moeilijk leerden, of bizonder lui van nature waren. Onder de uitnemende leiding der directrice en het goede onderwijs maakten echter de meesten flinke vorderingen en wat Elsje betrof,—zij deed zoozeer haar best en begon spoedig zooveel lust te krijgen in haar werk dat ze zich in de lesuren bepaald gelukkig voelde. Hare belangstelling en ambitie waren opgewekt en met groot genot kon zij soms over hare boeken gebogen zitten, geheel verdiept in een geschiedenisles of in een of ander vers, dat zij later zou moeten reciteeren. Dat reciteeren was in het eerst een ontzettend iets voor haar. De directrice had als vasten regel ingesteld dat alle meisjes een avond in de week iets moesten voordragen. Allen kwamen dan in het salon, dat anders alleen Zondags werd gebruikt, bijeen en na de thee namen de werkzaamheden een aanvang en moest ieder meisje haar best doen, zóó goed haar bijdrage op te zeggen, als zij dit maar met mogelijkheid kon.

De “nieuwelingen” zagen in het begin altijd erg tegen dezen avond op, maar de directrice, die zelf bizonder goed reciteerde en een zeer welluidende stem had, hielp allen zoo goed terecht en met zooveel geduld, dat hare leerlingen hoe langer hoe meer moed begonnen te vatten en ook Elsje, toen zij eenige maanden op school geweest was, den “reciteeravond” werkelijk prettig begon te vinden. Met de andere meisjes kon zij goed overweg. Er waren er, die haar een beetje vreemd aanzagen, toen zij met groote vrijmoedigheid allerlei omtrent haar vroeger leven vertelde, maar zij deed dit zoo aardig en vroolijk en als het nichtje van de deftige mevrouw d’Ablong vond men haar toch zoo geheel comme il faut, dat de meesten met gretige ooren naar haar grappige verhalen luisterden. Want op ernstige wijze sprak zij over haar dorpsleven slechts met haar kamergenoot, het blonde meisje, naast wie zij den eersten dag aan tafel had gezeten. Dit meisje was het eenige kind van een rijken bloemist, die in Gelderland woonde en van den dokter den raad had gekregen, zijn zwak dochtertje de zeelucht te laten genieten. Verscheidene leerlingen der deftige kostschool vonden het wat beneden zich, zich veel met de dochter van een bloemist te bemoeien, al was deze ook nog zoo rijk en het meisje zelf voelde wel dat sommige harer aristocratische schoolkameraadjes haar “minder” rekenden en hare aangeboren schroomvalligheid werd daardoor nog grooter. Met Elsje echter was zij geheel op haar gemak en het waren gelukkige oogenblikken voor de beide meisjes, als zij naast elkaar mochten gaan op de lange, dagelijksche wandeling langs het prachtige strand. De leerlingen moesten dan netjes in de rij loopen, iets wat voor de meesten een kwelling was en Elsje vooral voelde soms een bijna onweerstaanbare neiging in zich opkomen om weg te snellen van de anderen naar een hooge duin in de verte, die hijgend te beklimmen en in vrije eenzaamheid het mooie uitzicht te genieten op de grootsche zee, die haar ernstig maakte en deed jubelen tegelijk. Eens zelfs trok zij, in een uitgelaten bui, haar vriendinnetje lachend mee uit de rij en liep met haar een eind de zee in, om toen met natte laarzen en neergeslagen oogen, langzaam terug te keeren tot de zeer toornige Française, die de meisjes dien dag op de wandeling vergezelde. Elsje begreep later zelf niet hoe zij het had durven doen! Het was alsof zij soms uiting geven moest aan het gevoel van vroolijken levenslust in haar hart, want over ’t geheel was zij zeer gelukkig in haar tegenwoordig leven en er waren oogenblikken, waarin hare zonnige natuur haar bijna dwong tot juichen en zingen.

“Zij is een mijner beste en liefste leerlingen,” verzekerde de directrice aan mevrouw d’Ablong, toen Elsje een jaar op de kostschool had doorgebracht, “het is alleen maar jammer, dat zij soms van die wonderlijke, luidruchtige buien heeft. Zij is dan zoo levendig en vol grappen, dat zij al de andere meisjes aan den gang maakt en... ja eerlijk gezegd, heb ik zelf soms moeite mijn lachen te bedwingen. Zij kan zoo aardig origineel met een of andere opmerking voor den dag komen. Zij heeft bepaald vele gaven, lieve mevrouw, en het is treffend om te zien hoe zij onder den indruk komt van een mooi natuurtafreel, dan is ze stil en ernstig, maar er zijn dagen dat haar levenslust haar vergeten doet waar zij is en zij zal nog veel moeten leeren, eer zij zich volkomen gracieus en ladylike gedraagt. Dat drukke en opgewondene moet wat getemperd worden.”

“O ja zeker, zeker, levendigheid is goed, maar luidruchtigheid kan ijselijk burgerlijk zijn,” antwoordde mevrouw d’Ablong zeer beslist.

Zij zou reden hebben zich nog meer te ergeren aan Elsje’s gemis aan aristocratische bedaardheid. Tot groote teleurstelling van Elsje, ging men in de zomervacantie niet bij grootmama logeeren. Met de Paaschdagen had Elsje haar even gezien en er zich op verheugd in Juli en Augustus eenige weken bij haar te komen, maar toen de groote vacantie aanstaande was, schreef hare tante haar dat Cécile weer een week of zes aan zee moest doorbrengen en dat zij zelf daarom besloten had met de beide meisjes kamers te nemen in het badhotel, waar zij den vorigen zomer met Cilly had gelogeerd. Grootmama schreef aan Elsje hoe het haar speet, dat zij haar nu niet bij zich zou krijgen; zij moesten nu beiden maar hopen op den volgenden zomer; het jaar zou gauw genoeg om zijn en in de Kerstvacantie kwam de oude dame stellig bij haar schoondochter logeeren. Wat zou Elsje dan al een jonge dame zijn! Zij was nu immers al zestien jaar? Frits beweerde, dat hij haar nauwelijks meer “Roodkapje”, zou durven noemen, als hij een paar dagen in het hotel kwam logeeren bij zijn tante.

Dus Frits zou ze toch wèl zien! Dat vond Elsje nogal prettig en toen de vacantie eindelijk daar was en mevrouw d’Ablong haar het aardige slaapkamertje toonde, dat zij voor zich alleen zou hebben en haar een paar vriendelijke woorden zei, omdat zij op school zoo goed haar best had gedaan en toen Cécile zich verwaardigde ook vrij aardig jegens haar te wezen,—trok het denkbeeld in het hotel zes weken door te brengen, haar meer aan.

Er waren verscheidene gasten en men at aan table d’hôte. Het trof toevallig dat Elsje een paar plaatsen van hare tante en Cécile af een stoel kreeg naast een vriendelijken, ouden heer, die al heel gauw een praatje met haar begon. Elsje antwoordde vroolijk en ongedwongen. Zij had er nogal tegenop gezien met zooveel vreemde menschen aan tafel te zitten, maar nu de maaltijd even aan den gang was, viel het haar erg mee. Hare tante keek telkens eens tersluiks langs de tafel heen, of Elsje netjes at en netjes zat en bemerkte tot haar voldoening dat het meisje erg “aangeleerd” was in het verloopen jaar. Alles ging goed tot het dessert, toen de oude heer allerlei grappen met zijn buurmeisje begon te maken over een schoteltje pralines en flikjes, waarvan hij haar zeer overvloedig had bediend. Elsje’s oogen begonnen te schitteren van pret. Zij had een kleur gekregen, eerst van een beetje agitatie, later van het drukke praten en van het plezier en zij zag er zoo aardig en aantrekkelijk uit in haar frissche jeugd, dat haar buurman hoe langer hoe meer welbehagen in haar kreeg. Toevallig was het juist een oogenblik heel stil aan tafel, toen de vroolijke, oude heer iets zeide, dat Elsje in een luiden, helderen lach deed uitbarsten, die echter plotseling verstomde, toen men haar verbaasd aanzag en hare tante met een gezicht vol strenge berisping haar kant uitkeek. Het was gedaan met Elsje’s zorgelooze vroolijkheid. De oude heer fluisterde haar toe dat zij niet zoo verlegen moest zijn en dat hij nog wel eens veel luider gelachen had, maar dat troostte Elsje niet en zij was blij toen het tijd was om van tafel op te staan, ook al vreesde zij dat haar nu van haar tante een strafpredikatie wachtte, die dan ook niet uitbleef.

Den volgenden dag was haar plaats veranderd en zat ze naast mevrouw d’Ablong aan een hoek der tafel. Haar vroegere buurman knikte haar vriendelijk toe uit de verte en maakte ’s avonds een praatje met haar, maar Elsje was toen zoo bedaard en antwoordde zoo einsilbig, dat hij nauwelijks wist, hoe hij het met haar had. Eenige dagen later was hij vertrokken—eigenlijk maar een rust, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze zich telkens afvroeg, waarom het toch deftiger was om op gemaakt zachten toon te spreken en zijne vreugde en droefheid weinig te toonen, dan om zich precies voor te doen zooals men werkelijk was en zich voelde.

Toch had zij geen onaangename vacantie. Hare tante en Cécile waren vriendelijker dan vroeger en zij bemerkte wel dat zij meer met haar op hadden en zich veel minder over haar schaamden en ergerden dan een jaar geleden. Cécile had echter een wonderlijke manier om Elsje achteraf te houden en zichzelf op den voorgrond te brengen, als zij met andere loges in aanraking kwamen. Heel veel kon dit Elsje nu wel niet schelen, maar het was toch een eigenaardig prettige gewaarwording voor haar, toen Frits kwam en minstens evenveel notitie van haar nam als van Cécile. Hij bleef haar hardnekkig “Roodkapje” noemen en toen in het dorp het bericht de ronde deed dat de koninginnen een bezoek zouden komen brengen, raadde hij Elsje sterk aan, zich op den grooten dag als Roodkapje te verkleeden en in dit kostuum aan de jonge koningin een mandje met wafels te overhandigen. Nu, daaraan dacht Elsje niet, maar zij had wel een gevoel, alsof ze zichzelf niet was, toen zij op den feestdag na het ontbijt op de duin voor het hotel stond en in de kronkelende dorpsstraat beneden, tusschen de hooge linden, de vroolijke vlaggen zag wapperen, die helder beschenen werden door de volle, rijke zon. Koningin Wilhelmina zien! Het was iets, waarvan ze had gedroomd en waarnaar ze had gehunkerd jaren lang en toen Frits haar den vorigen avond de versieringen in het dorp had laten kijken, was het haar plotseling zoo vreemd week geworden om het hart, dat het haar benauwde en zij angstig had uitgeroepen: “Als zij nu opeens eens niet kwamen!”

Wat had Frits haar toen uitgelachen—gelukkig was Cécile er niet bij geweest! Die was veel kalmer bij het vooruitzicht; zij had de koninginnen al zoo verbazend vaak gezien!

De vorstelijke rijtuigen zouden langs het hotel voorbijkomen en de gasten behoefden dus in ’t geheel geen moeite te doen. Dat vond Elsje eigenlijk een beetje jammer en o, wat moest het nog lang duren, eer zij kwamen! Het was nu half tien en zij konden niet vóór elf uur komen, had Frits gezegd. Hoe zou ze den tijd klein krijgen!

“je bent te laat, zij zijn al weer weg! Ik moest je wel de groeten doen van koningin Wilhelmina,” klonk de stem van Frits achter haar. Elsje keerde zich lachend om.

“Dan hebben zij wel een bizonder kort bezoek aan het dorp gebracht,” zei ze. “Hoe is het mogelijk dat zij dan toch nog tijd hebben gevonden om met jou te spreken?”

“Lieve tijd, hoe brutaal! Bedenk een beetje wie je voor je hebt, jonge dame! Vergeet niet dat ik heel gauw Mr. Frits d’Ablong zal zijn en spoedig beroemd en bekend in het buitenland, zoowel als in ons eigen kleine landje.”

“In het buitenland?” vroeg Elsje verbaasd.

“Ja zeker, want zoodra ik gepromoveerd ben, ga ik een poosje naar Duitschland en als ik dan terugkom, probeer ik een plaats als rentmeester te krijgen op een groot buiten in Gelderland. Dat is altijd grootmama’s wensch geweest en als die nu werkelijk eenmaal vervuld wordt, ben ik natuurlijk heel wat meer waard dan nu. Ik wed dat je me dan heelemaal niet meer Frits durft te noemen.”

“Misschien wel niet,” zei Elsje zacht.

“Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?” vroeg hij lachend. “Kom, kijk mij eens recht in de oogen en zeg eens gauw dat je me nooit anders dan Frits zult noemen.”

Wat had Elsje opeens? Zij begreep het zelf niet. Confuus voor Frits was zij eigenlijk nog nooit geweest, maar op dit oogenblik kwam er eensklaps een vreemde verlegenheid over haar, waartegen zij zich te vergeefs poogde te verzetten, terwijl ze hare oogen opsloeg, hem aanzag en zei:

“Ik wil heel graag altijd Frits zeggen.”

“Wel natuurlijk,” zei hij vroolijk. “O, daar komen tante en Cilly aan. Hierheen dames, als ’t je blieft; er is hier voor allen plaats.” En hij ging de anderen voor naar een groote veranda, waar de vorstelijke stoet langs zou rijden en stoelen waren neergezet.

“Niet waar, mevrouw, wij staan allen op en maken eenvoudig een buiging, als zij komen? U doet toch zeker ook niet mee aan dat luide roepen der dorpsbewoners? Die kunnen hier trouwens ook moeilijk komen bij het hotel; de weg is smal. Maar u bent het toch met mij eens, nietwaar, dat het veel deftiger en welstandiger is om eerbiedig te buigen dan zoo oorverdoovend te juichen?”

Het was een der gasten uit het hotel, die deze vragen tot mevrouw d’Ablong richtte, die met Cécile, Frits en Elsje onder de veranda had plaats genomen.

“O ja, zeker, zeker,” haastte zij zich te antwoorden, terwijl het overige gezelschap eerbiedig toeluisterde. “Dat spreekt van zelf. Ik ben het volkomen met u eens.”

Elsje alleen had niet naar het gesprek geluisterd. Met een kloppend hart zat zij het plechtige oogenblik af te wachten. Frits keek haar nu en dan van ter zijde aan, glimlachend over haar jonge geestdrift.

Eindelijk, eindelijk, daar naderden zij. Langzaam en statig kwamen de rijtuigen dichter bij. Elsje’s hart klopte nu bijna hoorbaar en als in een droom volgde zij het voorbeeld der anderen en stond op van haar stoel. Daar was het rijtuig der koninginnen vlak voor haar. Hare blijde oogen zagen een jeugdige, blonde verschijning, die met een innemend lachje en een bevallige buiging het eerbiedig nijgen der hotelgasten beantwoordde, en uiting gevend aan het warme gevoel van liefde en bewondering, dat haar bezielde, wuifde Elsje met hare beide handen en riep met bevende lippen, luid en juichend:

“O koningin, koningin, koningin!”

Er gleed een vroolijk lachje over het gelaat van haar, wie deze uitroep gold en met stralende oogen zag Elsje het rijtuig na, toen zij de hand harer tante op haar arm voelde.

“Stil toch kind, stil toch, je hoort toch dat niemand anders wat roept!” klonk het verdrietig.

“Vreeselijk aanstellerig van je, Elsje,” fluisterde Cécile, die haar sierlijkste buiging ten beste had gegeven.

“Kom tante, zij was zoo erg blij!” bracht Frits verontschuldigend in het midden. “Ik zou dolgraag meegeroepen hebben met Elsje, als ik maar gedurfd had. Koningin Wilhelmina zal je nu natuurlijk nooit vergeten, Roodkapje. Hadt je nu nog maar een mandje wafels bij je gehad en je kapje op!”

Maar mevrouw d’Ablong was niets gesticht over Elsje’s uiting van geestdrift. “Zulke dingen doen deftige menschen niet, dat behoort niet zoo,” zei ze ’s avonds tot haar, toen ze haar nog eens onder handen nam. “Ik ben anders wel tevreden over je tegenwoordig, maar je moet heusch wat meer op Cécile letten, die weet altijd precies, hoe zij zich gedragen moet. De andere gasten keken zoo verbaasd en vreemd op, toen jij daar opeens zoo hard aan ’t roepen gingt!”

Het was misschien niet goed van Elsje, maar deze berisping trok zij zich heel weinig aan. Zij was zóó blij dat zij de koningin gezien had en zoo opgetogen over haar, dat er voor ’t oogenblik althans, geen plaats was in haar hart voor spijt over hetgeen ze in haar groote vreugde had gedaan. Zij luisterde beleefd naar wat hare tante zeide, maar dacht er verder niet over na.

En wie beschrijft hare verrukking, toen ze op een der eerste ochtenden na de vacantie, de eetkamer op school inkwam en op haar bord een pakje vond liggen, dat een groot kabinetportret der jonge koningin bleek te bevatten. Met groote ingenomenheid bekeek zij het en zag toen dat achter op het karton geschreven stond:

Met hartelijke groeten van Frits d’Ablong. Ter herinnering aan 18 Augustus.