Hoofdstuk XIV.
“Kindersproke.”
“O tante, zóó lang?” had Elsje gevraagd, toen mevrouw d’Ablong zeide dat zij haar tot haar achttiende jaar op kostschool wilde laten blijven en nu was ten slotte de tijd om, voordat zij het zelf haast wist. Zij zou het niet geloofd hebben als iemand het haar drie jaren geleden had voorspeld, maar toen de dag van het afscheid naderde, voelde zij zich zoo bedroefd en zag zij er zoo tegen op het gelukkige leven, dat zij op school gehad had, vaarwel te zeggen, dat zij er werkelijk een oogenblik ernstig over dacht, hare tante te smeeken, haar nog een jaar te laten blijven. Maar, zoo onhartelijk en ondankbaar wilde zij toch niet zijn. “Nu verlang ik er bepaald naar dat je voor goed thuiskomt, kind,” zei mevrouw d’Ablong den laatsten keer dat zij Elsje bezocht. “Cécile gaat zoo verbazend veel uit, nu zij eenmaal gepresenteerd is en ik ben zoo bang dat ik haar gauw heelemaal zal verliezen...”
“Waarom tante?” viel Elsje haastig in. Zij wist dat de wensch van grootmama spoedig zou worden vervuld en Frits er in geslaagd was een betrekking als rentmeester te vinden. Het groote buiten, waar hij werkzaam zou wezen, lag op een klein uur afstands van de villa der oude dame en dezen zomer zou Frits voor goed uit Duitschland terug komen en zijn nieuwen werkkring aanvaarden. Elsje had hem slechts een paar malen even gezien in de laatste twee jaren; hij was dikwijls in het land geweest buiten den vacantietijd. Toen zij hem het laatst ontmoet had, in de vorige zomervacantie, buiten bij grootmama, was het haar opgevallen dat Cécile en hij zoo vertrouwelijk samen waren. Zij had toen weer sterk het onderscheid gevoeld tusschen Cilly en zichzelf, want, hoewel hare manieren nu, volgens mevrouw d’Ablong, “bijna onberispelijk” waren, overviel haar toch telkens in tegenwoordigheid van Cécile en Frits, een gevoel van linkschheid, dat haar verlegen en stil maakte. Zij had zich niets gelukkig gevoeld die dagen dat Frits buiten was en het eigenlijk een verlichting gevonden, toen hij weer vertrekken moest. Het was niet lief van haar, dat voelde ze wel, maar zij kon het niet heel goed verdragen dat hij en Cécile het zoo bizonder goed samen konden vinden, en toch, wat ging het haar eigenlijk aan, zij schaamde zich er over dat het haar zoo hinderde. Wat verbeeldde zij zich wel? Frits was immers ook altijd even vriendelijk en beleefd jegens haar; meer verlangde zij toch niet? Zij werd telkens boos op zichzelf, als zij zoo redeneerde, maar.... heel veel hielpen die toorn en dat redeneeren haar niet. Zij had zich echter vast voorgenomen, het heusch heel prettig te vinden, als zij hoorde dat Frits en Cécile samen zouden trouwen; nu hare tante echter, naar zij dacht, met dit bericht voor den dag zou komen, verlangde zij er heelemaal niet naar, het te hooren. Zij kreeg een kleur, toen zij op de geheimzinnige woorden van mevrouw d’Ablong inviel met haar:
“Waarom tante?”
“Wel meisje, wat komt dat er levendig uit!” lachte hare tante. “Zoo, zoo, begin je je ook al zoo verbazend voor dergelijke dingen te interesseeren? Nu, ik heb wel hoop dat mijn aardig nichtje ook nog wel eens iemand zal vinden, die heel veel van haar houdt. Je ziet er veel beter uit, Elsje. Je moet maar veel rose dragen, die blouse flatteert je bepaald. Neen, kijk mij eens even goed aan! Ik geloof heusch dat ik je bij je kin moet vasthouden; je draait telkens je hoofd om. Ziezoo, nu moet je me wel aankijken, ondeugend kind. Ik denk wezenlijk meisje, dat je met die blauwe oogen nog eens iemand betooveren zult. Wordt je nu al verlegen om zoo’n gewoon complimentje? Wat ben je toch een grappig, kinderlijk schepseltje! En wou je nu zoo dolgraag eens weten, waarop ik zoo pas doelde? Krijg je nu al weer een kleur en wat kijk je vreeselijk ernstig! Nu Elsje, ik denk.... ik denk haast wel dat Cécile gauw geëngageerd zal zijn.”
“O,” zei Elsje met een zucht, terwijl ze haar gezicht wegtrok en haar best deed blij te kijken.
“Ik denk,” vervolgde mevrouw d’Ablong met een trotsch lachje, “dat zij een allersnoeperigst bruidje zal wezen; maar zoover zijn wij nog niet, gelukkig. Ik mag je nog niet vertellen met wien Cilly trouwen gaat, dat heb ik haar stellig beloofd en je moet er haar ook nog maar niet over schrijven, dat heeft ze liever niet. Er zijn redenen waarom het engagement voorloopig nog geheim moet blijven, maar je begrijpt zeker wel dat ik nu nog meer verlang om je voor goed thuis te krijgen, he?”
“O ja, tante.”
“Vooreerst zal Cécile nog wel niet trouwen, maar haar aanstaande man zal haar natuurlijk heel dikwijls van mij weghalen, dat spreekt van zelf. Ik denk dat zij een erg knap paar zullen zijn. Maar nu mag ik er je niets meer van vertellen. Cilly heeft me dat zoo op het hart gedrukt. Nu kindje, daar luidt de bel voor je lunch, ga maar gauw heen—tot Juli hoor! Wij zien elkaar dan terug bij grootmama; ik zal er voor zorgen dat er nog een paar nette, nieuwe toiletjes voor je worden gemaakt. En o ja, denk er aan dat je er niets van laat blijken, als je bij grootmama komt, dat je van Cécile’s engagement afweet. Het moet bepaald nog strikt geheim blijven tot het najaar; pas dus goed op, hoor.”
“Ja zeker tante.”
Dit was een van de redenen, waarom Elsje er zoo tegen opzag van haar gelukkigen kostschooltijd afscheid te nemen. “Frits en Cécile geëngageerd,” dacht ze, “wat zullen zij mij dan uitstekend goed kunnen missen! Ik vind het heerlijk, heerlijk, grootmama weer te zien, maar alles zal nu wel heel anders wezen dan vroeger. Grootmama zal natuurlijk, evenals tante, erg opgaan in die twee. Maar ik moet mijn best doen. Tante is zoo lief voor mij tegenwoordig en... en... misschien valt het wel mee. Ik vind het vreemd dat Frits eerst in Augustus thuiskomt, hij zal toch wel heel erg naar Cécile verlangen. Vóór dien tijd zal het dan toch wel heel prettig zijn bij grootmama; ik wou dat ik dan later nog wat bij Line mocht gaan logeeren.”
Line was de dochter van den bloemist. Elsje en zij waren nu elkaars “grootste” vriendinnen en vonden het een verschrikkelijk denkbeeld dat de tijd spoedig aanstaande was, waarop zij elkaar niet meer dagelijks zouden zien. Zij namen zich echter stellig voor, elkaar trouw te schrijven en Line rekende er vast op, dat Elsje eens gauw bij haar zou komen logeeren.
“Dag Elsje, dag lieve, lieve Elsje!” zei ze, toen het uur van afscheid nemen werkelijk was gekomen en de twee vriendinnen elkaar voor het laatst omhelsden. “Je schrijft me nu heusch dadelijk, he? Ik beloof je dat ik je brief heel gauw zal beantwoorden. Ik hoop dat je het heerlijk hebben zult buiten, bij die lieve oude dame. Ik vind het verrukkelijk om naar huis te gaan, maar o, wat wou ik dolgraag dat je nu al met me mee gingt!”
“Kom Line, nu moet Elsje heusch weg, haar koffer is al naar het station,” kwam de directrice tusschenbeide. “Heb je al de andere meisjes ook al goedendag gezegd, Elsje? Het spijt iedereen dat je voor goed weggaat. Je bent mij een heel lieve leerling geweest, kind; God zegene je!”
Elsje was verbaasd te zien, hoe de anders zoo statige dame de tranen in de oogen had. Nu kon zijzelf zich ook niet langer goed houden. Tot op dit oogenblik had zij dapper tegen hare ontroering gestreden, maar thans begaf haar opeens alle zelfbeheersching en hare handen voor het gezicht slaande, riep ze snikkend uit:
“Och juffrouw, ik wou hier zoo vreeselijk graag nog wat blijven; ik heb het hier zoo heerlijk gehad...”
“Kom lieve meid, je zult het immers bij je tante ook weer heel prettig hebben! Doe maar goed je best om een lieve tweede dochter voor haar te zijn. Dag kind, dag kind! Laat mij maar eens gauw wat van je hooren.”
En het rijtuig reed met Elsje en de Fransche secondante, die haar naar het station bracht, weg, terwijl zij nog maar al met hare hand uit het raampje wuifde, tot het laatste stipje van het kostschoolgebouw uit het gezicht was verdwenen.
O, wat was het heerlijk, toen zij aan het eind harer reis aankwam, terstond toen zij uit den coupé stapte, het lieve gezicht van grootmama voor zich te zien! “Welkom thuis, kind, welkom thuis!” zei de oude dame, Elsje naar zich toetrekkend en een kus gevend. “Wat heb ik naar je verlangd!”
“En ik naar u, grootmama,” zei Elsje warm.
“Ja? Kom, dat is goed. Jacob staat met het rijtuig op ons te wachten. Kijk, de paardjes trappelen al van ongeduld om je thuis te brengen. Je ziet Cilly zeker ook al, he? Zij is maar heel gemakkelijk in het rijtuig blijven zitten; tante wacht je thuis op. Jammer dat Frits er nu nog niet is, die verlangt ook naar je. Kijk je zoo nieuwsgierig, omdat je niet weet wie die andere jonge dame is, die naast Cilly zit? Maar je kent haar toch heel goed! Zij logeert ook een poosje bij mij. Kom, ga maar gauw mee.”
“O ja, nu zie ik het; het is Loulou van Rensen,” zei Elsje, nu juist niet op verheugden toon.
“Dag Elsje, welkom hier,” zei Loulou vriendelijk, zoodra ze haar zag. “Vindt je het niet verbazend prettig om voor goed van kostschool af te zijn? Wat zie je er goed uit, zeker ook van blijdschap, he?”
“Dat weet ik niet,” zei Elsje lachend. “Dag Cécile.”
“Dag Elsje, welkom hier,” was al wat Cécile zeide, maar Elsje lette er niet op en was dadelijk druk in gesprek met grootmama, die alles weten moest van de directrice en van het afscheid en vooral van Elsje’s grootste vriendin.
Mevrouw d’Ablong begroette Elsje vrij hartelijk en nam haar dadelijk mee naar hare kamer om haar de nieuwe japonnetjes te laten zien, die zij voor haar in orde had laten maken. “Dat opgestoken haar staat je bizonder goed,” zei ze, “maar je moet er bepaald een schildpadden naald in steken. O, daar komt grootmama ook al weer aan. Die heeft wat naar je verlangd, kind; Cilly zou haast jaloersch geworden zijn.”
“Ik kom Elsje een brief brengen, zeker van Miss Piper,” zei de oude dame, die de kamer binnenkwam, gevolgd door Cécile en Louise.
“Cilly heeft geen reden om jaloersch te wezen. Is het wel, madame la baronne?” fluisterde Loulou lachend.
“Sst! Stil toch!” fluisterde Cécile terug. “En wees toch niet zoo flauw met je madame la baronne! Dat ben ik heelemaal niet....”
“Maar je zult er toch op lijken, als je later op het kasteel woont.”
“Och wat, kasteel! Het is heelemaal geen kasteel, het is een heel gewoon huis!”
“Maar....”
“Toe, stil nu,” zei Cécile op gebiedenden toon. “Is het een brief van Miss Piper, Elsje? En vindt ze het niet naar, dat ze nu al een jaar van ons weg is?”
“Zij schrijft heel hartelijk, lees maar eens,” zei Elsje. “Ik vind het erg aardig dat zij er aan gedacht heeft dat ik vandaag voor goed thuis kwam.”
“Nu moet je mij eens even al je aandacht schenken, kind,” zei grootmama, een klein doosje te voorschijn halend. “Ik had het je al willen geven op je achttienden verjaardag, maar tante vond het aardiger, als je het nu kreegt. Kijk eens!”
En het doosje openend, liet zij Elsje een allerliefst geëmailleerd gouden horloge zien.
“Neem het er maar uit,” zei ze met een vriendelijk knikje, toen Elsje er met een verbluft gezicht naar stond te kijken.
Voorzichtig en een beetje verlegen gehoorzaamde ze.
“Lees eens, wat op den rand staat,” zei de oude dame weer. “Ik hoop dat het je bevalt.”
“O grootmama,” was al wat Elsje zeide, toen ze de kleine letters op den rand van het horloge ontcijferde. “Aan mijn lieve kleindochter,” stond er en toen ze die woorden las, was het Elsje een oogenblik, alsof ze werkelijk hare eigene lieve grootmoeder terug had gekregen. Er kwam een warm, weldadig gevoel in haar hart bij het besef, hoe de oude dame ook haar geheel als hare eigene kleindochter wenschte te beschouwen en het horloge in het étui op de tafel leggend, liep ze naar grootmama toe, sloeg op hare oude, kinderlijke wijze de armen om haar hals en zei:
“O dank u, dank u hartelijk.”
“Wat een roerend schouwspel!” zei Cécile zachtjes tot Louise, die met haar bij het raam stond.
“Och, ik vind het eigenlijk heel aardig dat ze zoo blij is,” fluisterde Louise terug. “En wat is ze er lief gaan uitzien, Cilly. Ze heeft zoo’n mooie kleur van haar gekregen en ik heb vroeger nooit opgemerkt dat ze zulke aardige oogen had.”
“Lieve tijd, Lou, ze kan best hooren wat je zegt. Houd je toch stil!”
Maar Elsje had het niet gehoord. Zij was veel te veel vervuld van het bezit van haar horloge en druk in gesprek met grootmama en mevrouw d’Ablong. “Hoe maakt Liesje het toch?” vroeg ze, toen Louise later een praatje met haar maakte, “vindt ze het nog zoo prettig op school en is ze alweer gegroeid?”
“O ja, ze is bepaald al weer grooter dan toen jij haar het laatst zaagt en ze vindt het erg deftig dat ze nu heusch acht jaar is.”
“Ik verlang haar weer eens te zien,” zei Elsje.
“Ik geloof dat ze ook erg naar jou verlangt, maar ze zal je nu wel niet meer bij den naam durven noemen.”
“Dat zal ze wel, hoop ik,” zei Elsje lachend. “En anders zal ik het haar wel leeren.”
Het viel haar dien eersten dag zeer mee, dat Louise zooveel vriendelijker jegens haar was dan ze verwacht had, maar den volgenden dag scheen deze het weer noodig te vinden, Elsje wat meer op een afstand te houden. Zij was zooveel jonger en Cécile had eigenlijk wel gelijk, het was vervelend dat dat jonge kind nu telkens mee moest, als zij wandelen gingen. Zij konden nu lang zoo vrij en genoegelijk niet meer praten als zij tot hiertoe hadden gedaan.
Heel erg geneerden zij zich trouwens niet, toen zij na het ontbijt met Elsje in het bosch liepen. Elsje deed eerst haar best mee te praten, maar toen het gesprek langzamerhand uitsluitend over de bals liep, die Cécile en Louise den vorigen winter hadden bijgewoond en toen de laatste Cilly voortdurend plagend madame la baronne noemde en allerlei geheimzinnige toespelingen maakte op iemand, die ook wel dolgraag naast Cilly zou hebben willen loopen, begon het Elsje te vervelen en liep zij zwijgend voort, zooveel mogelijk de plechtige schoonheid van het bosch genietend. Maar het gefluister en gegiegel naast haar hinderde haar toch en zij was blij, toen het tijd werd om naar huis te gaan. Grootmama kwam de meisjes uit de veranda tegemoet, toen zij hen zag aankomen. “Een telegram! Een telegram van Frits!” riep ze. “Hij komt morgen al thuis.”
“O, hoe vreeselijk gezellig!” riep Cécile terug, terwijl Elsje haar snel aankeek. Wat nam Cécile het bericht eigenlijk gewoon op! Zij praatte er niet eens verder over, toen zij in huis waren, maar greep gretig naar twee brieven, die de post juist voor haar had gebracht. Hoe vreemd! Zij moest toch wel heel blij zijn, dat hij nu al zoo gauw kwam. Het engagement werd dan zeker dadelijk publiek, al was het nog geen najaar. Foei, wat was zijzelf weinig kalm! Wat had zij toch? Het zou heel aardig wezen, Frits eens weer te zien, maar daarom behoefde haar hart nu toch niet zoo dwaas onstuimig te kloppen en was het volstrekt niet noodig dat hare wangen zoo gloeiden! “Wel, kindje, wat staan je oogen helder, bevalt het luie leventje je al goed?” vroeg grootmama, en Elsje knikte een beetje verlegen, zij voelde zich zoo vreemd en o, ze zag zoo tegen morgen op. Ze zou dan natuurlijk heel verheugd moeten kijken, als men haar vertelde dat Cécile en Frits geëngageerd waren en ze was er in werkelijkheid niets mee ingenomen. Ze kon het niet helpen, het was misschien heel leelijk van haar, maar ze vond het in ’t geheel geen prettig vooruitzicht, om die twee zoo heel intiem samen te zien. “Ik ben een akelig, onuitstaanbaar, ondankbaar schepsel!” zei ze tot zichzelf, toen ze ’s avonds alleen op haar kamer was en in een alles behalve kalme stemming. “En ik moet morgen blij kijken en heel vroolijk zijn, maar och, ik wou ... ik wou dat ik Frits verschrikkelijk naar vond!”
Met dezen onvriendelijken wensch in haar hart viel zij in slaap.
Ze was wonderlijk kalm, toen het uur naderde, waarop Frits thuis komen zou. Zij zag er nu niets tegenop, heelemaal niet en dat was erg gelukkig, vond ze, maar och lieve tijd, al hare kalmte verdween als sneeuw voor de zon, toen zij Frits voor zich zag. En hij was zelf nog wel zoo stil, ja zelfs een beetje verlegen, toen hij haar goedendag zeide. “Je bent zoo veranderd,” zei hij, terwijl hij met iets eerbiedigs in zijne oogen keek naar de slanke, bevallige gestalte en het frissche meisjesgezicht, waarover een eigenaardig bekoorlijke beschroomdheid lag. Elsje kon niet anders dan ernstig kijken op dit oogenblik. Zonder een woord te spreken, legde zij hare hand in die van Frits en keek hem aan. Toen voelde zij zich opeens zoo onrustig en gejaagd, dat ze het een verademing vond, toen hij zich van haar afwendde, omdat grootmama hem iets vroeg.
“Nu komt het, nu komt het!” dacht Elsje, toen het geheele gezelschap na de koffie bij elkaar in de veranda stond en Frits Cécile plaagde, omdat zij hem niet met een kus welkom had geheeten. “Je hebt snood de belofte gebroken, die je me jaren geleden gedaan hebt,” zei hij, waarop Cécile beweerde dat zij nooit beloofd had, dat zij hem altijd “zoo overdreven hartelijk” zou begroeten, als zij hem zag. “Dat zou ook heelemaal niet comme il faut zijn,” fluisterde Louise haar in, waarop Frits absoluut weten wilde, wat zij gezegd had en Elsje maar al op heete kolen stond, omdat zij ieder oogenblik verwachtte dat mevrouw d’Ablong of grootmama over het engagement van Frits en Cécile zou gaan spreken. Dien dag gebeurde dit echter niet en tot Elsje’s verwondering ook den volgenden niet en den daarop volgenden en toen er een week voorbij was gegaan, zonder dat iemand ook maar een enkele toespeling op het bewuste engagement had gemaakt, kwam zij tot de overtuiging dat men het toch niet eerder bekend wenschte te maken dan in het najaar.
Deze gedachte moest haar kalmer hebben gestemd, maar tot haar schrik was dit het geval niet. Het was ook zoo vreemd dat Cécile en Frits elkaar betrekkelijk zoo weinig zochten en dat de eerste telkens lange wandelingen met Louise ging maken, zonder dat men wist, waar de beide meisjes gebleven waren. Na den eten waren zij telkens spoorloos verdwenen en het was nu al een paar malen gebeurd dat Elsje haar op het tennisveld achter het huis had gezocht en daar Frits aangetroffen had. Hij had dan telkens verrast opgekeken, als hij haar zag en eenmaal waren zij heel prettig samen gewandeld naar de heide, naar de plek, waar hij Elsje eens in liggende houding had aangetroffen. Hij was toen erg vriendelijk en zeide dat hij zoo blij was geweest, haar weer te zien en te kunnen denken dat zij zich nu veel gelukkiger voelde, dan toen zij voor ’t eerst die plek had bezocht en zij had toen maar even geknikt—zij kon niet spreken; o, als hij eens geweten had, hoe onrustig en bang het was in haar hart!
Zij wilde en durfde zich niet afvragen, wat dit wonderlijke gevoel veroorzaakte in haar binnenste, maar het maakte haar ongelukkig en opgewonden tegelijk en toen zij dien avond weer op haar kamer naar buiten stond te kijken, wendde zij zich opeens woest af van het vredige schouwspel daar buiten en riep uit: “O, ik wil het niet, ik wil het niet! Het zou schande zijn, ik mag niet!” En in een diep bedroefde stemming, overstelpt door een gevoel van schaamte en weemoed, knielde zij neer en bad vurig en smeekend:
“Heer, neem die liefde weg uit mijn hart. O, ik smeek U, neem haar weg en help mij, help mij!”
Maar haar strijd werd haar niet gemakkelijk gemaakt. “Ik wou dat hij maar minder vriendelijk was,” dacht ze, telkens als Frits een gesprek met haar aanknoopte en haar op allerlei wijzen toonde dat hij haar aardig vond en van haar hield. “Waar is Roodkapje? Gaat Roodkapje niet mee?” hoorde zij hem steeds roepen, als er questie was van een wandeltocht of iets dergelijks. “Ik mag je toch immers nog wel Roodkapje noemen?” had hij gevraagd. “Ik vind het zoo aardig, zoo’n naampje voor mij apart!” En zij had toen een beetje stroef “ja” gezegd, boos op zichzelf, omdat de laatste woorden haar zoo welkom waren.
Als zij ten minste uiterlijk maar heel kalm had kunnen zijn, dan zou het nog niet zoo erg zijn geweest, maar het kostte haar groote moeite, zich bedaard voor te doen, vooral als zij telkens de spottende oogen van Cécile en Louise op zich zag gevestigd, wanneer Frits haar een beleefdheid bewees of met haar praatte. Zij vond het bepaald een verademing, toen er, na een droogte van eenige weken, plotseling een dag kwam, waarop het zoo hevig regende dat er van uitgaan geen sprake kon zijn. Zij besloot nu rustig den geheelen middag op hare kamer te gaan zitten schrijven, aan een langen brief aan Line. Gelukkig werd zij niet in haar voornemen verhinderd, maar moeite kostte haar de brief wel—het was zoo vreemd om over koetjes en kalfjes te schrijven aan hare vriendin, terwijl haar hart vol strijd en droefheid was. “Zóó is het toch maar het beste,” zei ze, toen ze den brief met een zucht sloot. Toen kwam er een lachje op haar gezicht. Wat was zij toch eigenlijk dwaas! Kom, zij zou er wel overheen komen; zij moest er vooral maar niet te veel aan denken; als Frits en Cécile eenmaal getrouwd waren, kwam alles wel weer in orde. Bij die gedachte zuchtte ze echter weer, alsof dat “in orde zijn” toch maar betrekkelijk zou wezen.
“Komt Cilly en Loulou, vroolijkt ons eens wat op door een beetje muziek,” zei grootmama ’s avonds onder theetijd. “Ik word heelemaal somber door dien aanhoudenden stortregen vandaag. Wil je eens wat zingen, Louise, en heeft Cilly moed, je te accompagneeren?”
“O ja zeker,” riepen de beide meisjes tegelijk uit. Frits deed de piano open en even later klonken de vroolijke tonen van een Fransch liedje door de kamer.
“Alleraardigst!” riep grootmama, toen het uit was. “Zingt nu nog eens een paar duetten, ik hoor jullie zoo graag samen.”
De meisjes waren onvermoeid en zongen met lust en volharding door, totdat de schemering inviel en Cécile beweerde dat zij nu “heusch onmogelijk een noot meer kon lezen.”
“Het spijt me toch wel, dat ik Elsje in ’t geheel geen muziek heb laten leeren,” zei mevrouw d’Ablong tot grootmama. “Zij scheen er echter weinig aanleg voor te hebben, maar nu mist ze het toch, dunkt me.”
“Ze moet haast wel aanleg tot zingen hebben met die welluidende stem,” zei Frits opeens.
Elsje werd verlegen en Louise en Cécile stootten elkaar aan.
“Elsje kan zoo fraai reciteeren,” zei Cécile, “misschien wil zij dat nu wel eens voor ons doen. Wij zitten nu net zoo poëtisch in schemerdonker en daar heeft ze geen licht voor noodig.”
“Ik weet niet of Elsje er lust in heeft,” zei grootmama langzaam en een weinig bevreesd dat Elsje er tegenop zou zien, in dit gezelschap iets voor te dragen.
“Dat denk ik wel,” zei mevrouw d’Ablong beslist, terwijl Elsje zwijgend voor zich keek, onzeker wat zij zeggen zou.
“Wil je, Roodkapje?” vroeg Frits dringend. “Het behoeft maar een kleinigheid te wezen.”
“Komaan, Elsje, ik weet dat je het heel goed doet,” zei mevrouw d’Ablong snel. “Je hebt het zoo uitmuntend geleerd op school en het al zoo dikwijls gedaan, wees nu niet laf.”
“Nu begin ik nog meer te verlangen. Ik heb je nog nooit hooren reciteeren, Roodkapje,” zei Frits weer.
“Ik wil wel, tante,” zei Elsje zacht, “als ik maar wist wat.”
“Kijk, je kunt door het raam de sterren zien schijnen; het wordt beter weer, inspireert je dat niet?” vroeg Louise lachend.
En de flonkerende sterren schenen Elsje werkelijk op een inval te brengen.
“Wij hebben de laatste weken op school iets geleerd, dat ik bizonder mooi vond,” zei ze. “Zal ik dat nemen? Maar het is heel eenvoudig. Kindersproke heet het; misschien kent u het, grootmama?”
Neen, niemand kende het. “Begin maar gauw, dan zijn wij even ver als jij,” zei Cécile.
En met een heldere stem, eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid, begon Elsje te reciteeren:
KINDERSPROKE.
Nacht is niet boos... Als hij komt de nacht,
Maakt hij den hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zacht
Op gouden voetjes geloopen.
Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneê’
Zouden ze heel graag komen;
Maar ze zijn bang voor de groote zee
En voor de hooge boomen.
’t Is boven óók donker ... maar zij hebben licht!
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: “je moet gauw gaan slapen.”
Zij worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.
Ze wand’len boven den ganschen nacht
Op hun kleine bloote voetjes;
Dat doet geen pijn ... de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes;
Ze mogen nóóit leven maken; dàt zou
De moede menschen hind’ren...
’k Geloof niet dat ik ze hooren zou;
Maar er zijn ook zieke kind’ren.
’k Zou heel graag eens naar boven gaan,
Als ’k wist hoe daar te komen...
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de boomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?
En loopen je altijd alleen?—Je zoudt best
Uit je open huis kunnen vallen.
Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen ... en kersen ... en bijen,
—Die brommen zoo!—en een hooge duin
Waar je op en af kunt rijen?
En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht
Als ze je ’s morgens komt wasschen,
En de zeep zoo schuimt, en een watervracht
Over je rug komt plassen?
In mijn bosch woont een nachtegaal.
Hebben je kleine muschjes,
Die je voeren kunt?—Ben je allemaal
Broertjes ... broertjes en zusjes?
Ik krijg er haast ook een: ’t bedje staat klaar,
Hebben jullie allemaal bedjes?
Maar waar zijn ze dan, ik zie er geen .. waar?
’k Hou ’t mijne nu altijd netjes.
Twee, tien, twintig ... altijd meer
Komen je aangeloopen...
In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer...
Ik hou ze niet meer open!
Tien, zes, honderd... ik ben te moe
Om je allemaal te tellen...
Als ik wakker word, is de hemel toe
En ’k heb nog zóóveel te vertellen...
“Hoe allerliefst!” zei grootmama, toen Elsje zweeg. “Dank je wel, kind. Het is een verkwikking, zoo iets te hooren. Van wien is dat beelderige dingetje?”
“Van Marie Boddaert,” zei Elsje.
“Is dat niet een freule?” riep Louise uit. “Ook van adel!” vervolgde ze fluisterend tot Cécile.
“Vervelend kind, houd je toch stil!” knorde Cilly.
“Ik vond het ook een heel aardig vers,” zei Louise, “maar ik begrijp toch niet, hoe iemand zooveel kan zien in die sterren.”
“O Loulou, hoe prozaïsch!” riep mevrouw d’Ablong uit. “Neen, ik vind het bizonder mooi en Elsje reciteert het ook heel goed. Vindt u niet, grootmama?”
“Ja zeker,” zeide de oude dame met nadruk.
Frits zei in ’t geheel niets over het vers, maar bleef stil naar buiten zitten kijken, terwijl de anderen druk aan het praten gingen. Opeens echter stond hij op en zei:
“Zouden we nu niet nog eens even een eind gaan loopen? Het is zoo mooi buiten nu en ik heb bepaald behoefte aan wat frissche lucht.”
“Ik blijf heusch liever thuis,” zeiden grootmama en mevrouw d’Ablong tegelijk.
“Wij willen wel mee. Is het niet, Loulou?” zei Cécile.
“Dolgraag.”
“En jij, Elsje?” vroeg Frits.
“Ja, ik vind het heel prettig.”
“Een eind den straatweg op maar, dunkt me, he?” zei Frits, toen de meisjes en hij buiten stonden. “Daar zal het ’t droogst zijn.”
“O ja,” zei Cilly. “Kom Lou, dan gaan wij maar samen vooruit; ik moet je nog even wat zeggen.”
“Over dien laatsten brief?” vroeg Louise nieuwsgierig, terwijl ze Cécile snel volgde. Frits en Elsje kwamen langzaam en zwijgend achteraan.
“Wat een heerlijke avond nog!” zei Frits eindelijk.
“Ja, heerlijk.”
Weer zwegen beiden, toen zei Frits aarzelend en zacht:
“Ik vond het een genot naar je te luisteren zooeven, Roodkapje. Zou je me een genoegen willen doen?”
“Wat meen je?”
“Het is hier zoo rustig en vredig en de anderen zijn een heel eind vooruit. Niemand anders dan ik kan je hooren. Wil je het vers nu nog eens voor mij alleen opzeggen?”
“O jawel,” zei Elsje dadelijk. Zij voelde zich zoo wonderlijk kalm en gelukkig op dit oogenblik—het was of de plechtige avondstilte om haar heen haar hare rust teruggegeven had.
Heel langzaam voortwandelend, zeide zij het vers nog eens op. Toen ze zweeg, bleef Frits staan, keek haar ernstig aan en zei:
“Dank je wel. Ik vind het heel lief van je dat je dat voor mij hebt willen doen.”
“Zeg eens even, vergeten jullie ons heelemaal?” riep Cécile, die met Louise teruggekeerd was. “Wij gaan naar huis, hoor; het is daar verder op den weg zóó nat.”
“Ja, wij gaan ook naar huis,” zei Elsje snel.
Cécile ging naast Frits loopen en begon druk met hem te praten, hem plagend dat hij zooveel stiller was dan andere avonden. “Dat komt zeker door al die poëzie over de sterren,” zei ze spottend, toen ze de villa hadden bereikt en toen Louise en zij later met Elsje naar boven waren gegaan, hoorde deze haar op het portaal lachend tot Loulou fluisteren:
“Het is onzinnig, maar ze heeft het gedecideerd beet, hoor!”
Hoofdstuk XV.
Cécile’s Engagement.
Er gingen drie, vier weken op deze wijze voorbij en alles bleef bij het oude. Niemand maakte ook maar de geringste toespeling op een engagement tusschen Frits en Cécile en Elsje’s strijd werd hoe langer hoe zwaarder. Louise zou nu spoedig vertrekken en dan zouden die fluisterende gesprekken en dat laffe gegiegel ten minste ophouden, dacht zij met een zucht van verlichting. Frits was telkens uren aaneen op de buitenplaats, waarvan hij met September den post van rentmeester op zich zou gaan nemen. Er was een aardig, vroolijk huis te zijner beschikking gesteld en grootmama en hij waren druk bezig, de kamers prettig en comfortabel in te richten en allerlei noodige veranderingen te laten aanbrengen. Cécile interesseerde zich zeer voor het huis en gaf telkens raadgevingen ten beste omtrent het schikken der meubelen en het versieren der muren. Zij had veel smaak en was daarvan zelf ook volkomen overtuigd. Door het geheele gezelschap werden herhaaldelijk tochten gemaakt naar het huis, waarbij Frits er met trots de goede hoedanigheden en de mooie ligging van aanwees.
“Nu is mijne toekomstige woning bijna klaar,” zei hij, toen hij op een Zaterdagavond thuiskwam. “Ik hoop dat de dames mij de eer willen aandoen er morgenmiddag nog eens met mij heen te gaan en te zien of het geheel hare hooge goedkeuring wegdraagt.”
Het was den volgenden dag prachtig weer en Elsje genoot ’s ochtends met haar geheele hart de mooie wandeling naar de kleine dorpskerk, waarheen de weg voerde langs kronkelende, smalle paden tusschen het bouwland door. Zij voelde zich vredig en blijmoedig gestemd; alles om haar heen was zoo mooi, zich badend in den glans van gouden zonlicht; het was haar, alsof de natuur in al hare lieflijkheid haar toeriep om te genieten met een dankbaar, gelukkig hart. Zij was zoo klein soms in haar angstigen, eenzamen strijd, dat voelde zij wel en alles was rustig in haar, vol moed en hoop, toen ze luisterde naar de ernstige preek en met hare heldere stem de gezangen meezong. Grootmama moest telkens eens naar haar kijken, terwijl ze eenvoudig en met zekeren heiligen ernst in de oogen deel nam aan de godsdienstoefening en Frits liep zwijgend naast haar op den terugweg, als beschroomd om hare stemming te verbreken.
“Erg interessant en peinzend,” zei Cécile, die met Louise achter hen liep. “Het wordt heusch te dwaas, Lou. Dat kind gaat zich allerlei dingen verbeelden, omdat Frits uit goedigheid met haar loopt en vriendelijk voor haar is.”
“Ja, het is allergekst,” zei Louise, “nu, ze zal het langzamerhand wel afleeren.”
“Dat zal wel dienen, ten minste, maar eigenlijk moesten wij haar dan wat helpen.”
“Och, laten wij haar nu maar niet plagen; ik heb toch een beetje met haar te doen.”
Heel noodig scheen het anders niet te zijn dien dag, dat Louise medelijden met Elsje had, want ’s middags was ze heel opgewekt en babbelde vroolijk met Frits, die haar zoo dikwijls vroeg toen zij in en bij zijn huis rondliepen: “En hoe vindt je dit nu, Roodkapje?” “Is de natuur hier nu niet nog veel mooier dan bij jouw dorp, Roodkapje?” “Moet je mijn kippenhok nu niet eens gaan bewonderen, Roodkapje?” en dergelijke dingen meer, dat grootmama tusschenbeide kwam en lachend beweerde dat hij Elsje nu eens met rust moest laten. Zij kon onmogelijk op al zijn vragen tegelijk antwoorden.
“Mag ik je nu nog even één vraag doen?” vroeg Frits een poos later, toen hij met Elsje voor het bewuste kippenhok heen en weer liep. De anderen stonden al bij het hek van den tuin op haar te wachten om terug te gaan; Frits zou veel later volgen, hij moest nog in het huis zijn.
“Ik moet nu heusch weg,” zei Elsje haastig en op eens niets kalm meer, zij wist zelf nauwelijks waarom.
“Je moogt terstond gaan,” zei Frits, zeer snel sprekend. “Ik wou alleen weten, of je dat aardige roode kapje nog hebt en of je het dan nog eens voor mij op zoudt willen zetten.”
“O, dat is thuis, in de stad,” zei Elsje lachend en blozend. “Dan moet je nog een beetje geduld hebben.” En zonder af te wachten, of Frits ook nog iets te zeggen had, liep ze weg, naar de anderen toe.
“Wat ben je stil, Elsje,” zei Cécile met een fijn lachje toen zij naar huis terug wandelden.
“Zeker erg boeiende gedachten!” zei Louise spottend. Mogen wij die niet weten, Elsje?”
“Ik denk dat je er niet erg nieuwsgierig naar bent,” antwoordde Elsje bedaard.
“Maar dat zijn we juist wel,” zei Cécile. “Je bent zoo verbazend interessant den laatsten tijd en je krijgt zoo dikwijls een lief kleurtje! Maar daar zou ik toch niet te veel een gewoonte van maken als ik jou was; het staat je niet erg.”
“Dat kan mij niets schelen,” zei Elsje driftig.
“Dat ben ik zoo vrij niet te gelooven, meisje,” zei Cécile scherp. “Het kan je wel degelijk schelen, hoe je er uitziet. Wat beduidt het anders dat je zoo vaak dien grooten hoed opzet, nadat Frits eenmaal heeft gezegd, dat die je niet onaardig staat?”
Elsje werd vuurrood en beet zich op de lippen.
“Ik geloof heusch,” vervolgde de onverbiddelijke Cécile, “dat je er bizonder op let, wat Frits zegt. Louise heeft het ook opgemerkt, is het niet, Lou?”
“Ja natuurlijk,” zei Louise.
Elsje zweeg, maar de kleur op hare wangen werd donkerder en hare oogen schitterden van verontwaardiging en angst. Gelukkig waren zij nu juist de villa genaderd en kon zij zich bij de twee oudere dames voegen.
“O Elsje, wat zie je er warm uit!” zei mevrouw d’Ablong. “Ga maar gauw een koelere japon aantrekken, kind. Jij verkleedt je zeker ook nog even, he Cilly?”
“Ja mama. O, zijn er brieven gekomen? Kijk eens even hoe aardig! Een voor Lou, een voor Elsje en een voor mij. Hier Elsje, zeker van je zielsvriendin!”
Elsje nam den brief aan, die werkelijk van Line bleek te zijn. Zij liep er langzaam mee naar boven, voorafgegaan door Louise en Cécile, die dolle pret samen hadden. Zij stonden nog op het portaal te lachen, toen Elsje naderde en juist wilde deze de kamer van Frits voorbijgaan, waarvan de deur op een kier stond, toen Cécile haar opeens een duw gaf, zoodat zij midden in de kamer terecht kwam.
“Mal kind, je bent verliefd!” riep Cécile. “Geniet daar maar eens heerlijk een beetje, hoor. Je hebt dan zijn kamer tenminste, al heb je hem niet.”
En voordat Elsje weg kon loopen, had zij de deur gesloten en den sleutel van buiten in het slot omgedraaid. Elsje hoorde Louise nog zeggen: “Och Cilly, dat vind ik nu al te erg! Laat er haar toch weer uit! Wat zal zij beginnen, als hij straks thuis komt?” En Cécile’s antwoord: “Wel neen, ze zit daar best!” Daarop verwijderden de beide meisjes zich.
Wat moest de arme Elsje nu doen? Met den brief van Line nog ongeopend in hare hand, stond ze een oogenblik strak voor zich uit te kijken, om toen naar de deur te snellen en driftig aan den knop te rukken, die natuurlijk zijn dienst weigerde. Toen liep ze naar het raam, keek naar buiten en kwam, met een trilling van schrik, tot de overtuiging dat het onmogelijk zou zijn van die hoogte naar beneden in den tuin te springen. Er zat niets anders op dan zoo rustig mogelijk te wachten, tot het Cécile zou believen den sleutel weer om te draaien en haar vrij te laten. Maar als Frits voor dien tijd thuis kwam en haar daar vond! Dat zou verschrikkelijk wezen! Zij kon dat denkbeeld in het geheel niet verdragen, liep weer naar de deur en riep luid en dringend: “Och Cécile, doe toch open, laat er mij als ’t je blieft uit!” En toen ze geen antwoord kreeg: “Grootmama! Tante!”
Het bleef echter stil op het portaal. De twee oudere dames waren zeker beneden en Louise en Cécile bekommerden zich niet meer om haar. Het was verschrikkelijk, verschrikkelijk! Maar niettegenstaande haar angst en gejaagdheid, begaf ook nu hare zelfbeheersching haar niet. Zij trachtte zich tot kalmte te dwingen en bedaard af te wachten, wat er gebeuren zou. Zoodra ze iemand hoorde op het portaal of in den tuin, zou ze roepen; tot zoolang moest ze geduld hebben. Om zich den tijd te korten, zou ze probeeren Line’s brief te lezen.
Zij scheurde het couvert open en zag dat het slechts een kort, maar dringend schrijven bevatte van Line om haar uit te noodigen, zoo gauw als zij maar kon, te komen logeeren. Hare ouders verlangden erg kennis met Elsje te maken, schreef zij. Hare moeder was in het begin der volgende week jarig en er zou dan een groote buitenpartij plaats hebben; daar moest Elsje noodzakelijk bij zijn! Zij moest maar terstond terug schrijven, dat zij kwam en wanneer. Line had een gevoel, alsof zij haar in geen maanden gezien had!
Elsje las de weinige regels snel door, onderwijl scherp luisterend, of zij niet iemand hoorde aankomen, die haar uit haar gevangenschap kon verlossen. Het bleef echter doodstil op het portaal en ook in den tuin vertoonde zich niemand. Zij stond nog steeds op dezelfde plek bij het raam naar buiten te kijken en bleef daar staan, erg ongeduldig en zenuwachtig, zonder er een oogenblik aan te denken, nieuwsgierig in de kamer rond te snuffelen of een kijkje te nemen in de boeken van Frits, die door het geheele vertrek lagen verspreid. “Ik moet bedaard blijven,” dacht ze, “zoodat ik hem heel gewoon en kalm kan zeggen, wat er gebeurd is, als hij straks komt,” maar zij werd er juist niet kalmer op, toen zij eindelijk een bekenden mannenstap hoorde op het portaal. Aan de kamer van Frits grensde een klein vertrekje waar hij sliep. Dit kon alleen door de zitkamer worden bereikt, maar Elsje koesterde toch een oogenblik de vurige hoop dat hij daar dadelijk heen zou gaan en haar niet zou zien, als zij even, in half gebogene houding, achter de schrijftafel staan bleef, terwijl hij de kamer doorging. Ze kon dan terstond wegsnellen, als hij zijn slaapkamertje binnengegaan was. Maar...Frits zelf bracht hare plannen geheel in de war. Hij was natuurlijk zeer verwonderd, zijn kamer op slot te vinden en draaide terstond ongeduldig den sleutel om, om toen een beetje driftig naar binnen te loopen en rond te kijken, of er ook iets bizonders te zien was. Er kwam een zekere verlegene verbazing op zijn gezicht, toen hij Elsje gewaar werd.
Het arme meisje werd vuurrood, kwam bevend achter de schrijftafel te voorschijn en zei snel en geagiteerd:
“Cécile had mij hier opgesloten, heelemaal uit de grap natuurlijk, maar ik vond het toch heel akelig en ik was zoo bang...”
“Bang?” viel Frits langzaam in, terwijl hij haar ernstig in de oogen keek. “Maar voor mij ben je toch niet bang, Roodkapje?”
“O neen,” zei Elsje, een anderen kant uitkijkende. “Heelemaal niet natuurlijk, maar ik dacht dat je misschien boos op me zoudt wezen.”
“Als je niet bang voor me bent, waarom durf je me dan niet aan te kijken?”
“Dat ... dat durf ik wel.”
“Doe het dan eens.”
Zij wierp het hoofd een weinig achterover, als wilde ze hare verlegenheid trotsch onderdrukken, en zag hem aan, boos op zichzelf, omdat ze voelde, dat ze al weer een kleur kreeg.
“Dus je bent heelemaal niet bang voor me?” vroeg hij met een fijn lachje, dat Elsje opeens in een geheel andere stemming bracht en een uitdrukking in hare oogen deed ontstaan, die Frits niet begreep. Het was, alsof zij plotseling erg verontwaardigd werd.
“Neen, volstrekt niet natuurlijk,” riep ze, terwijl ze vlug als de wind van hem wegliep, de kamer uit.
“Hij lacht mij uit,” fluisterde zij met trillende lippen, toen ze in hare eigene kamer was. “Ik heb zeker heel gek gedaan! O, wat moet ik beginnen, wat moet ik beginnen!”
Maar terwijl ze zich verkleedde, werd ze kalmer. Ze zou hare tante dadelijk den brief van Line laten zien en haar vragen of zij over een paar dagen naar haar toe mocht gaan. Als zij Frits maar niet meer zag, zou alles wel beter met haar worden en als zij dan terugkwam, werd het engagement tusschen Cécile en hem zeker heel gauw publiek en zou alles van zelf gemakkelijker worden. Zij hield de lippen stijf op elkaar gedrukt, terwijl ze hierover nadacht en dwong zich letterlijk tot kalmte, toen ze weer naar beneden gaan moest en de anderen zien.
“Een vrij goedkoope aardigheid van je, Cilly,” hoorde zij Frits tot Cécile zeggen, toen zij de kamer inkwam. Hij schoof snel een stoel voor haar naast grootmama, toen hij haar zag, maar Elsje lette er niet op en ging terstond naar hare tante, die een weinig van de anderen af, op de canapé zat te lezen.
“Het spijt me voor je, kindlief, maar daar kan niets van komen,” zei mevrouw d’Ablong half fluisterend, toen ze Line’s briefje had gelezen. “Ik heb die vriendschap toegelaten toen je nog op de kostschool waart en ik ben er ook niet tegen dat dat meisje en jij nog brieven aan elkaar schrijven—zoo langzamerhand zal dat ook wel uitslijten. Ik begrijp wel dat het een teleurstelling voor je is, niet naar haar toe te gaan, maar heusch, die menschen behooren niet tot onzen stand en wij kunnen niet met hen omgaan, dat gaat niet. Je moet maar een heel beleefd briefje terugschrijven dat het je spijt, maar dat grootmama je nu liever hier houdt.”
“Maar tante, grootmama heeft daar toch niets van gezegd.”
“Neen, maar ik weet toch dat het zoo is. Kom kind, trek er nu je hart maar af en kijk niet zoo verdrietig. Maar Elsje, je hebt tranen in de oogen! Wat is er toch met je? Je bent den laatsten tijd bepaald anders dan vroeger. Ga hier eens even bij mij op de canapé zitten. Is er wat, kind? Kom, zeg het mij maar.”
“Neen tante, er is niets, heusch niet,” zei Elsje met zooveel nadruk, dat mevrouw d’Ablong haar lachend aankeek. “Ik zou alleen zoo dolgraag naar Line willen gaan.”
“Ja, maar dat kan nu niet en daar spreken we nu ook niet meer over. Maar ik geloof dat je niet heelemaal de zuivere waarheid spreekt meisje, en dat je wel wat scheelt.”
Het trof gelukkig voor Elsje dat juist op dit kritieke oogenblik de gong voor het middagmaal werd geluid.
Zij volgde de anderen met een zucht van verlichting en deed haar best onder het eten zoo spraakzaam en vroolijk mogelijk te zijn. Frits babbelde druk met haar mede en zij vond ten slotte dit uur lang zoo moeielijk niet, als zij gevreesd had dat het zijn zou.
Maar na den eten werd zij weer moedeloozer. Louise en Cécile waren dadelijk naar boven gegaan, grootmama rustte even en mevrouw d’Ablong en Frits liepen druk in gesprek samen in den tuin. Elsje stond alleen onder de veranda, geheel vervuld van de teleurstelling, dat zij niet bij Line mocht gaan logeeren en ook weer angstig over de geheime blijdschap, die zij in haar hart voelde, omdat ze hier moest blijven. Het was alles onrustig en gejaagd in haar en gehoor gevend aan een opwelling om in de plechtige eenzaamheid van het bosch, de kalmte te zoeken, die zij noodig had, liep zij de dennenlaan op zij van het huis in en gaf zich over aan de gewaarwording van innig, rein genot, die ze steeds voelde, als ze alleen was met de natuur.
“Hè, hoe heerlijk!” zuchtte ze, opkijkend naar de blauwe lucht en de verkwikkenden harsgeur inademend, terwijl er een weldadig gevoel van vredige berusting in haar hart kwam, vermengd met het oude gevoel van schaamte over hare kleingeloovige zwakheid. Met een ernstige uitdrukking op haar gezicht, liep ze langzaam voort tot ze opeens verschrikt stil stond bij het hooren van de stem van Frits, die haar riep.
“Elsje, Elsje, Roodkapje, wacht even!” riep hij en zonder te antwoorden, keerde zij zich om en zag hoe hij hijgend en op een drafje naar haar toekwam.
“Mag ik met je meewandelen?” riep hij, en verbaasd dat zij niet dadelijk “ja, graag,” zeide, vroeg hij toen hij bij haar stond: “Nu, wil je me mee hebben of niet?”
Elsje wist zelf nauwelijks later, hoe zij de woorden er uit had gebracht, maar overweldigd door een vreemden angst om alleen met hem te zijn en om, als zij later met Frits thuiskwam, de spottende blikken van Louise en Cécile op zich gevestigd te zien, zei ze gejaagd:
“Ik....ik ga liever alleen, eigenlijk.”
Frits kreeg een kleur en beet zich op de lippen. Hij zag er boos uit, vond Elsje.
“Dan zal ik je natuurlijk geen oogenblik langer met mijn gezelschap lastig vallen,” zei hij koel, keerde haar den rug toe en sloeg een zijpad in naar het bosch.
Al Elsje’s rust was verdwenen en toch had zij geen berouw over haar gedrag. “Laat hij dan maar boos wezen, ik kon niet anders,” mompelde ze, terwijl ze terstond den terugweg naar huis insloeg. Zij mocht hem eens weer tegenkomen als zij verder wandelde en dat wilde ze in geen geval!
Ze vond de vier andere dames al aan de theetafel zitten, toen ze de veranda inliep en met geheime vreugde merkte ze op, dat Loulou en Cécile verbaasd keken, toen zij zagen dat ze alleen was. Grootmama vroeg ook: “He, heb je Frits niet mee gebracht?” en Elsje antwoordde heel gewoon: “Neen grootmama,” zonder te blikken of te blozen. “Dan is hij toch zeker alleen gaan wandelen,” zei grootmama weer en Elsje zweeg; ze wist immers, dat de oude dame het bij het rechte eind had.
“Wat blijft hij dan vreeselijk lang uit,” zei Cécile, “niet heel beleefd tegenover jou, Lou, het is je laatste avond.”
“O, ik mis hem niet erg,” fluisterde Louise met een veelbeteekenenden blik op Elsje.
“Nu begrijp ik toch heusch heelemaal niet, waar Frits blijft,” begon grootmama weer, toen het over negenen was en haar kleinzoon nog maar steeds niet terug kwam.
“Misschien is hij nog even naar zijn huis gegaan,” zei mevrouw d’Ablong.
“Neen, dat denk ik niet, dan zou hij het mij wel gezegd hebben.”
Het werd half tien, tien uur en nog kwam Frits niet. “De heerlijke zomeravond zal hem zeker tot een bizonder lange wandeling verleid hebben,” zei grootmama. “Hij houdt ook zoo dolveel van de heide bij maanlicht, evenals jij, Elsje. Hoe is het, kind? Je bent zoo stil, dunkt me.”
“Ik heb wat hoofdpijn, grootmama,” zei Elsje zacht.
“Dan zou ik maar dadelijk naar bed gaan, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong bezorgd. “Je hebt bijna nooit hoofdpijn; een lange nacht zal je goed doen.”
“Ja, ik wil eigenlijk wel graag gaan,” antwoordde Elsje, die er erg tegenop zag Frits weer te zien, na de ontmoeting in de dennenlaan.
“Blijf morgenochtend nog maar rustig wat liggen als je je niet prettig voelt, hoor,” zei grootmama, toen zij Elsje goeden nacht wenschte.
“Ja, laten wij maar vast afscheid nemen,” zei Louise, “ik ga al om half negen weg—dan ben je misschien nog niet bij de hand.”
“Dan mag ze ook wel afscheid nemen van mama en mij,” zei Cécile, “want wij brengen je met het rijtuig naar den trein, zooals je weet en gaan dan verder.”
Elsje bleef verbaasd staan en keek mevrouw d’Ablong aan. “U en Cécile gaan toch nog niet weg, tante?” vroeg ze verwonderd.
“Neen, wij gaan maar voor twee dagen uit logeeren,” antwoordde mevrouw d’Ablong met een geheimzinnig lachje. “Ik mag er je niets meer van vertellen, dat wil Cilly niet hebben. Het moet een verrassing zijn voor je en voor Frits ook natuurlijk; die zou zeker van avond niet zoo lang uitblijven, als hij wist dat Cilly er morgen en overmorgen niet zal zijn. Nacht Elsje, ga maar gauw naar bed, hoor.”
Elsje begreep er niets van. Wat moest een verrassing zijn voor haar en voor Frits en waarom mocht Frits niet weten dat Cécile twee dagen uit logeeren ging? Grootmama had ook al zoo geheimzinnig geglimlacht en later weer zoo heel ernstig gekeken, toen ze Elsje een kus gaf en met nadruk zeide: “Nacht mijn lief kleindochtertje!” Zou zij toen gemeend hebben dat zij graag wilde dat Elsje wezenlijk hare kleindochter werd? Elsje schrikte over hare eigene vermetelheid, toen deze gedachte bij haar opkwam. Hoe was het mogelijk dat zij zoo iets durfde te denken! Grootmama was natuurlijk erg ingenomen met het engagement van Frits en Cécile en zijzelf moest probeeren er ook mede ingenomen te zijn. Als hare tante en Cécile over twee dagen weer thuis waren, zou het dan toch zeker publiek worden—Elsje wou nu erg graag dat het maar zoover was. Hè, wat was haar hoofd moe en wat deed het pijn! Zij moest maar gauw probeeren in slaap te komen.
Den volgenden ochtend werd zij heerlijk verkwikt wakker en was juist op het punt om op te staan, toen de deur harer kamer langzaam werd geopend en hare tante, binnenkwam. Zij zag er bizonder vriendelijk uit, boog zich over Elsje heen, kuste haar en zeide:
“Ik zou nog maar rustig een beetje blijven liggen, meisje, tot wij weg zijn. Frits is gisteravond laat thuis gekomen, maar ik heb hem van ochtend toch al gesproken. Neen, kijk mij eens even goed aan. Ben je van plan vandaag weer heelemaal in je eentje te gaan wandelen of mag Frits nu wel met je mee, ondeugend kind?”
Elsje kleurde tot achter de ooren. Dus Frits had alles aan hare tante verteld,—dat vond ze in ’t geheel niet aardig van hem!
“O, ik wil ook wel met Frits wandelen,” zei ze koel.
“Zoo jonge dame, wil je dat wel? Nu, dan wensch ik je een prettige wandeling, hoor!”
Toen, opeens ernstig wordend, knielde mevrouw d’Ablong bij het ledikant neer en zei op zachten toon:
“Mis je je grootmoeder nu nog zoo erg, Elsje? Of heb je toch ook bij mij een gelukkig leven gehad?”
“O ja tante, ja,” riep het jonge meisje uit met een dankbaren blik. “U bent zoo goed voor me en zoo lief.”
“Niet altijd,” zei mevrouw d’Ablong met zulk een glans van teederheid in de donkere oogen, dat Elsje er aangedaan van werd, de armen om haar hals sloeg en zeide:
“Ik houd toch zooveel van u, tante.”
“Zóóveel?” vroeg mevrouw d’Ablong glimlachend. “Meer dan van iemand op de wereld, Elsje?”
Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze heel zacht:
“Dat weet ik niet.”
“Dan hoop ik dat je het spoedig weten zult,” zei hare tante vriendelijk en met nadruk. Even later had zij de kamer verlaten.
Het was met een gemengde gewaarwording van teleurstelling en verlichting dat Elsje, toen zij beneden kwam, bemerkte dat niet alleen hare tante, Cécile en Louise vertrokken waren, maar dat ook Frits reeds ontbeten had en naar het dorp gegaan was om boodschappen te doen. Tegen koffietijd kwam hij terug, maar terstond na het lunch ging hij naar zijn kamer, waar hij “allerlei te beredderen” had, zooals hij beweerde. Grootmama en Elsje gingen toen samen buiten zitten handwerken, maar het was een vreemde, ongezellige middag, vond de oude dame en wat Elsje betreft—zij was zoo stil en tevens zoo ongedurig dat grootmama haar telkens vroeg, of de hoofdpijn nog niet over was en of zij niet eens even zou gaan liggen. Elsje was blij, toen het etenstijd was, maar bedaarder werd zij er niet op, toen Frits haar na den eten aarzelend vroeg, of zij lust had nog eens naar de heide te wandelen, naar het bekende plekje, dat zij zoo mooi vond. “O ja, ik wil heel graag,” zei ze snel—ze durfde nu niet te zeggen dat ze eigenlijk liever alleen uit wilde gaan—“dan neem ik een boek mee, als je ’t goed vindt, het lijkt me zoo prettig toe, daar een beetje te gaan zitten lezen.”
“Zeker, dat vind ik uitstekend,” antwoordde Frits, “ik zal ook een boek halen.”
Een paar minuten later wandelden zij, ieder gewapend met een boek, de bewuste dennenlaan door naar den heuvel bij de heide. Frits had ook nog een klein pakje in zijn hand. Elsje begreep volstrekt niet, waarom hij dat meenam en wat het bevatten kon—het was een bruin papieren pakje en zij keek er een paar malen nieuwsgierig naar, maar durfde toch niet vragen, wat er in het papier was. Zij voelde zich weer vervelend verlegen en weinig op haar gemak. Het was onuitstaanbaar, en als Frits nu maar wat meer gepraat had en er niet zoo ernstig had uitgezien, juist alsof hij nog wat boos op haar was, zou ze wel gauw wat minder geagiteerd geworden zijn, geloofde ze. Nù was ze heel blij, toen ze het heuveltje beklommen hadden en de heide zich in al hare pracht van geur en kleuren voor hunne oogen uitstrekte.
“Hier ga ik zitten,” zei Elsje, terwijl ze zich neervlijde tegen de zachte glooiing van den rand der heide.
“Dus dat beteekent dat ik verder mijn heil moet zoeken?” vroeg Frits lachend. “Of is daar heusch plaats voor twee?”
“Natuurlijk wel.”
“Zit je gemakkelijk?” vroeg Frits weer, met zijn elleboog onder het hoofd, in liggende houding voor zich uitkijkend en met zijn boek nog ongeopend naast zich op den grond. Elsje sloeg met ijver de bladzijden van het hare om.
“O ja, heel gemakkelijk,” zei ze, zonder op te zien, hoewel ze heel goed voelde dat Frits haar aanzag.
“Wat lees je op ’t oogenblik?” vroeg hij even later, zonder zijne oogen van haar gezicht af te wenden, dat beurtelings bleek en rood werd, tot Elsje’s diepe ergernis.
“Nu, wat lees je? Het is zeker een erg mooi gedeelte van het boek,” begon hij weer. “Je bent er zoo in verdiept.”
Elsje zou niet hebben kunnen antwoorden op die vraag, al had zij ook nog zoo graag gewild. Zij wist niet wat zij las, heelemaal niet en zij vond dat het zoo niet langer uit te houden was en ongeduldig opspringend, riep zij uit:
“Ik ga nog even een eind loopen. Het is hier zoo... zoo benauwd, vind ik.”
“Benauwd?” riep Frits verwonderd, terwijl hij eveneens opsprong. Maar niettegenstaande zijn verbazing over Elsje’s woorden, scheen hij het zelf ook opeens wat “benauwd” te krijgen. Hij zag er ten minste niets koel en kalm uit, toen hij voor Elsje ging staan en haast fluisterend vroeg:
“Wil je mij je horloge nog eens laten zien?”
Met een zucht van verlichting dat de vraag zoo gewoon was, haalde Elsje het horloge te voorschijn. Frits hield het even in zijn hand, toen vroeg hij dringend:
“Wil je me voorlezen, wat er op staat, Roodkapje?”
Elsje maakte het kettinkje los en hem het horloge nog eens overreikend, zei ze:
“Lees het zelf maar, het staat er duidelijk op.”
Hij keek haar even zwijgend aan, toen zei hij langzaam:
“Ik wou veel liever dat jij het deedt.”
“O, heel goed,” antwoordde ze met gemaakte luchthartigheid. “Er staat: ‘Aan mijne lieve kleindochter.’ Aardig van grootmama, he?”
Frits vond het zeker bizonder aardig, maar hij liet er zich toch niet over uit. Zijne oogen stonden heel ernstig, terwijl hij toezag, hoe Elsje haar kettinkje met bevende vingers weer vastmaakte; toen greep hij hare beide handen en vroeg:
“Wil je dat wezenlijk zijn, Elsje? Wil je grootmama’s kleindochter worden in werkelijkheid?”
“Hoe...hoe dan?” vroeg ze angstig.
“Begrijp je dat niet?” vroeg hij snel, maar op hetzelfde oogenblik zag hij dat zij het wèl begreep. Er kwam een glans van geluk in hare oogen en een gloed over haar gezichtje, die hem duidelijk zeiden, wat haar antwoord zou zijn op zijn vraag en toch herhaalde hij ongeduldig:
“Cécile...” stamelde ze, “ik dacht dat Cécile en jij...”
“Dacht je dat?” vroeg hij, erg verbaasd. Toen vervolgde hij langzaam: “Maar nu weet je wel beter, he? En wil je me gelukkig maken? Wil je mijn vrouwtje worden, Elsje? Zeg toch wat; wil je, wil je?”
“Ik wil wel,” zei ze, niet zacht en verlegen, niet half coquet en aarzelend, maar met een heldere stem, duidelijk en vast en met een reine, vrome liefde in de oogen.
Een oogenblik later zei Frits, terwijl hij met een vroolijk gezicht het pakje te voorschijn haalde, dat Elsje’s nieuwsgierigheid had opgewekt:
“Ik heb van ochtend een cadeautje voor je gekocht in het dorp. Wil je het van mij aannemen?”
“Als het mooi is,” zei Elsje lachend. Zij maakte het touw los, vouwde het papier open en hield toen een rood wollen kapje in de hand, precies gelijk aan dat, waarmee Frits haar het eerst gezien had.
“Dank je wel,” zei ze. “Hoe aardig!”
“Laat ik het je nu eens even opzetten,” zei Frits, haar den hoed van het hoofd nemend. “Zoo, eerst moet al dat springerige haar goed glad gestreken worden. Neen, laat mij maar begaan, ik kan er best mee terecht. Ziezoo, het past je uitstekend! Kijk me nu nog eens goed aan, dan kan ik zien, of het heusch goed zit.”
Zij zag hem aan en kreeg een kleur voor de uitdrukking, die ze in zijne oogen las.
“Ja juist, zóó moet je ook kijken, als wij straks bij grootmama komen,” zei hij. “Neen, neen, je houdt het kapje op; ik zal je hoed wel dragen en je boek ook. Ziezoo, geef mij nu een arm. Wat zal grootmama blij wezen!”
“Denk ik dat heusch? Ja mevrouw Frits d’Ablong, dat denk ik wezenlijk. Neen, krijg nu maar niet weer een kleur! Of ja, doe het toch maar wel: het staat je niet kwaad.”
Zij waren niet heel ver van huis, maar wat duurde die wandeling lang! Zij hadden zooveel te bespreken samen, zooveel, en Elsje had van allerlei te vragen.
“Line mag toch zeker op onze bruiloft komen, he Frits? En weet je wat ik zoo graag zou willen? Dat we heel gauw eens samen een bezoek maakten bij dien kruidenier, je weet wel, in dien winkel, waar ik toen ’s nachts heb geslapen, jaren geleden met die akelige partij. Tante wou nooit dat ik er weer heenging, maar jij vindt het toch goed, he?”
Frits vond alles goed. Zij zouden een visite maken bij den kruidenier en het dorp gaan bezoeken, waar Elsje was geboren en zoo lang had gewoond en Elsje zou hem de oude plekjes wijzen, waar zij als kind zooveel had gewandeld en zij zouden heel gauw trouwen, als grootmama en tante het goed vonden en alles zou even heerlijk en prettig wezen.
“Grootmama, Roodkapje wil mij wel hebben,” zei Frits, toen zij eindelijk bij de oude dame stonden, die al lang naar hen had uitgezien. Zij wist al sedert weken dat Frits Elsje tot vrouw verlangde.
“Mijn lief kleindochtertje,” zei ze, Elsje in de armen sluitend. Toen, met een vroolijk lachje:
“Wel, nu ben je heusch Roodkapje! Hoe komt dat?”
“Dat heeft ze aan mij te danken,” zei Frits met trots. “Kijk, daar bloost ze alweer! Zij is bepaald een beetje bang voor me, grootmoeder. Niet kwaad, he?”
“Och wat, ik ben heelemaal niet bang voor je!” zei Elsje verontwaardigd.
“Ook nooit geweest?” plaagde Frits. “En gisteravond dan?”
“Ik ga terstond naar mijn kamer als je zoo onaardig bent,” zei Elsje. “Gaat u dan mee naar boven, grootmama?”
“Wel neen, daar denkt grootmama natuurlijk niet aan. Je bent mij nu gehoorzaamheid verschuldigd en moet doen, wat ik zeg. Kom maar gauw hier, dan zal ik je je roode kapje afzetten. Ik geloof dat dat je zoo brutaal maakt.”
“Ik kan het zelf wel,” zei Elsje, het kapje losmakend en de kamer uitloopend naar boven naar haar kamer. Zij had behoefte eens even alleen te zijn met haar geluk en er God voor te danken.
“Wat ben ik blij voor je, mijn jongen!” zei grootmama, toen ze met Frits alleen was gebleven.
Iedereen scheen blij te wezen met Elsje’s engagement, merkte zij met vreugde op. Hare tante was uitbundig in hare betuigingen van blijdschap en zelfs Cécile beweerde dat zij het erg aardig vond dat die twee “echte buitenmenschen” het samen eens waren geworden.