Hoofdstuk III.
Gewichtige Veranderingen.
Spoedig daarop kwam er een kort briefje van mevrouw d’Ablong, waarin zij hare moeder meldde dat zij Zondags over zou komen om Elsje te halen, als zij vóór dien tijd geen bericht ontving, dat de oude vrouw haar kleindochtertje liever bij zich wilde houden. Grootmoeder liet Elsje hierop tot antwoord schrijven dat zij gaarne met haar tante mee zou gaan en een poosje bij haar blijven. Het waren maar enkele regels, maar Elsje vond het toch heel moeielijk, die netjes en duidelijk op het papier te krijgen en zij had een erge kleur, toen het briefje af was en, voorzien van postzegel en adres, gereed lag om naar de post te worden gebracht. Het was haar een pak van het hart, toen de brief eindelijk weg was, maar kalmer werd zij er toen toch niet op en hoe meer het gewichtige uur naderde, waarop zij haar tante van aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, des te ongeduldiger werd zij. Nu eens was ze uitgelaten bij het vooruitzicht allerlei nieuws en moois te zullen zien, dan weer benauwde haar de angst om geheel alleen onder vreemden te gaan—want vreemden waren mevrouw d’Ablong en haar dochter voor haar, al waren zij ook haar eigene tante en nichtje. Het meest van alles zag zij er tegen op haar grootmoeder te verlaten, hoewel de gedachte niet bij haar opkwam, dat deze gedurende haar afwezigheid weer zieker zou kunnen worden. Grootmoeder was nu zoo opgewekt en vroolijk, vond Elsje, en ze zag er ook weer beter uit—zij zou zeker wel gauw heelemaal weer opgeknapt zijn.
Elsje moest maar geen goed meenemen, had haar tante geschreven; zij zou haar wel een en ander leenen,—Cécile’s kleeren zouden haar zeker ook wel passen. “Dan zal ik mijn mooie, roode jurk maar aantrekken op reis, vindt u niet, grootmoeder?” vroeg Elsje, “dan zie ik er dadelijk netjes uit, als ik bij tante kom.”
“Ja, doe dat kind,” zei grootmoeder en toen het eindelijk Donderdagochtend geworden was en mevrouw d’Ablong tegen twee uur verwacht kon worden, was Elsje al heel lang voor dien tijd klaar om hare tante te ontvangen. De strooien hoed met het vuurroode veertje lag netjes gereed op een stoel, met een paar wollen handschoenen en een stevige parapluie. Elsje was geheel reisvaardig, maar zij had toch gedurig een gevoel, alsof ze nog iets vergeten had en onophoudelijk liep ze naar het kleine slaapvertrek om te zien, of zij alles wel goed had opgeredderd en Aafje’s zuster veilig haar nieuwe slaapstede kon betrekken; dan weer trippelde zij naar de keukenkast om te kijken, of alles op zijn plaats stond.
“Och grootmoeder, ik wou toch eigenlijk maar veel liever niet gaan,” zei ze opeens met een diepen zucht.
“Maar Elsje!”
“Ik zie er zoo tegen op en het lijkt me niets prettig meer! Ik weet haast wel zeker dat tante niet van mij houden zal en ik niet van haar.”
“Als je zulke dingen zegt, wil ik niet eens naar je luisteren, kind,” klonk het streng en beslist.
Elsje ging zwijgend op haar gewone plaats voor het raam zitten, tegenover haar grootmoeder en keek met een bedroefd gezicht naar buiten. Gisteren was ze nog een eind de heide overgegaan, daar in de verte, om een boodschap te doen bij vrouw Rikkers, die een boerderij had en toen had ze nog gedacht, hoe vreemd het toch was dat de heideplanten nu zoo dor en bruin waren, terwijl zij eenige maanden geleden zoo prachtig hadden gebloeid, vol geur en kleuren. En toen had ze er ook over gedacht, wat zij alles wel ondervonden zou hebben, als al die hei weer bloeide en wat ze dan wel niet allemaal met vrouw Rikkers zou te bepraten hebben—zij hadden het nu samen altijd al zoo druk! Maar gisteren, toen had ze zich vroolijk gevoeld en blij, vol ongeduldig verlangen naar al het ongekende genot, dat haar in de groote stad wachtte en nu—och nu zou ze veel, veel liever bij grootmoeder hebben willen blijven. Zij voelde zich ook niets prettig, zoo raar beverig en zoo akelig benauwd, net of ze niet goed slikken kon. Ze wou dat tante dien brief maar nooit geschreven had!
Maar er was nu niets meer aan te veranderen. De trein, die mevrouw d’Ablong naar het kleine dorp brengen moest, waar Elsje woonde, kwam al nader en nader en stond eindelijk hijgend en blazend een paar minuten stil voor het onaanzienlijke station, waarbij Elsje’s tante uitstapte. De stationschef keek nieuwsgierig naar de deftige dame in den langen mantel van bruin pluche, die bevallig sloot om de slanke, statige gestalte. De chef was eerst een half jaar in dienst en had er geen het minste denkbeeld van, wie de vreemde dame kon zijn. Met een trotsche, eenigszins gebiedende uitdrukking in hare mooie, donkere oogen, liep zij hem langzaam voorbij met de houding eener koningin. Zij beantwoordde zijn beleefden groet met een genadig hoofdknikje en ging toen het stille perron over in de richting van den uitgang. “Wat komt die hier doen!” mompelde de chef bij zichzelf, terwijl hij haar nazag. Eensklaps scheen zij zich te bedenken; ze stond stil, keerde zich om, liep terug en trad op den chef toe.
“Is hier geen rijtuig te krijgen?” vroeg ze.
“Als u even geduld hebt, mevrouw. Het logement is hier vlak bij en daar kunt u heel goed terecht.”
“O, kan daar iemand heen worden gestuurd?”
“Wel zeker, mevrouw, als u dat verkiest.”
“Goed. Laat er dan dadelijk iemand heen gaan en zeggen dat ik het rijtuig terstond hebben moet. Ik zal hier blijven wachten.”
“Tot uw dienst, mevrouw.”
Vijf minuten later was het rijtuig met mevrouw d’Ablong op weg naar de woning van Elsje’s grootmoeder. De oude vrouw stond haastig van haar stoel op, toen ze het geluid van naderende wielen hoorde. Met bevende hand schoof zij het gordijntje op zij, om beter langs den weg te kunnen zien. Zij hield zich goed, ter wille van Elsje, maar haar hart klopte onstuimig en hare oude oogen deden pijn van de inspanning, waarmee zij hare tranen terug hield.
Daar kwam het rijtuig aan. Grootmoeder zuchtte eens diep. Misschien reed het wel voorbij—het was toch niet onmogelijk dat haar dochter loopen kwam van het station; den weg kende ze waarlijk goed genoeg! Het rijtuig stond stil. Zij zat er dus wel in! De oude vrouw liet het gordijntje los en ging weer zitten, bleek als een doode. Maar zij vermande zich en toen de deur geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, stond zij bedaard op en ging haar tegemoet. Elsje bleef beschroomd bij het raam staan, met een kleur als vuur en hare handen stijf geklemd om den rug van haar stoel.
“Dag moeder, hoe gaat het?” zei de bezoekster, terwijl ze met haar gehandschoende hand de voile voor haar gezicht wegschoof en zich bukte, om de oude vrouw een kus op het voorhoofd te geven. “U ziet nog bleekjes; bent u nog zwak?”
“Neen, neen, ik ben bepaald beter. Ga zitten, Lize. Kijk, dit is nu Elsje. Toe kind, kom hier en geef je tante een hand. Sprekend haar moeder, vindt je niet, Lize?”
“Ja,” zei mevrouw d’Ablong langzaam, “dat dunkt me ook wel.” Zij hield Elsje’s hand vast en bekeek haar van het hoofd tot de voeten, zoodat het arme kind nog verlegener werd dan ze reeds was.
“Zij ziet er ten minste gezond uit, dat is gelukkig. Maar....maar heeft ze niet nog een andere jurk om aan te trekken voor de reis, moeder?”
Een andere jurk! Elsje trok haar hand driftig los en zei met een gebaar van trotschheid, dat haar grappig stond:
“Dit is mijn beste.”
“O!” zei hare tante met een spottend lachje. ”Dan moet je haar aanhouden natuurlijk. Je vindt het zeker heel prettig om een poosje bij mij te komen logeeren he? Hoe oud ben je?”
“Ja, ze stelt zich heel veel voor van haar uitstapje,” viel Elsje’s grootmoeder snel in, toen ze zag hoe haar kleindochter het te kwaad kreeg met hare tranen. “En het lijkt haar zoo aardig eens kennis te maken met Cécile! Elsje is juist veertien geworden; dus de beide meisjes komen goed bij elkaar, wat den leeftijd betreft.”
“O, maar Cilly is verleden week al zestien geworden,” zei mevrouw d’Ablong. “Dus dat is twee jaar verschil, dat zegt nogal wat op dien leeftijd, maar daarom zal ze zich toch wel eens met Elsje willen bemoeien, natuurlijk. Ze ziet er zoo allersnoeperigst uit, Cilly,—ze wordt bepaald een mooi meisje. Ik moet haar toch stellig eens meebrengen, moeder, als ik weer hier kom—iedereen roept er over, zoo beelderig mooi als ze wordt.”
“Zoo?” zei de oude vrouw droog. “En ze vindt het zeker ook prettig dat Elsje komt?”
“O ja, dat vindt ze heel grappig, geloof ik. Maar vertel mij nu eens moeder, hoe gaat het u eigenlijk? En zou Elsje zich ook onderwijl klaar gaan maken? Zoo heel veel tijd hebben wij niet.”
“Ga je hoed opzetten, kindje,” zei de grootmoeder met een bemoedigend knikje. Zij zag wel hoe vreeselijk Elsje er nu tegen op begon te zien om met hare tante mee te gaan. “Strijk je haar ook nog wat glad, hoor.”
Elsje verdween terstond in het slaapkamertje, blij dat ze alleen kon zijn. Zij streek snel het haar glad, keek of het strikje nog stevig zat om het stijve, korte vlechtje, zette haar hoed op, trok de wollen handschoenen aan en knielde toen neer voor haar bed.
“Help mij, lieve Heer!” smeekte ze met een korten, nijgenden snik, terwijl ze hare handen tegen haar gezicht drukte. Toen stond ze op, keek nog eens om zich heen en ging terug naar de andere kamer.
“Klaar?” vroeg haar grootmoeder vroolijk. “Schenk tante dan nog maar even een kopje koffie in en jezelf ook.”
“Neen, neen, dank u moeder, wij moeten nu werkelijk weg,” zei mevrouw d’Ablong, haastig van haar stoel opstaande. “U hoort dan wel, wanneer Elsje weer thuis komt. En zult u vooral dikwijls bericht sturen, hoe het u gaat? Ik zal goed op Elsje passen, dat beloof ik u.”
“Daar reken ik ook vast op,” zei de oude vrouw ernstig.
“Kom, neem dan nu maar afscheid, kind,” zei mevrouw d’Ablong naar Elsje omziende, die stil achter haar was blijven staan. “Maar mijn hemel, schepseltje, wat heb je daar voor een hoed op! Je moet wat anders opzetten! Daarmee kan ik onmogelijk eerste klasse met je reizen; die jurk is al erg genoeg!”
“Ik heb maar één hoed,” zei Elsje koppig.
“Zet je kapje maar op, kind, gauw maar; laat tante niet wachten.”
De vermanende toon harer grootmoeder deed Elsje terstond gehoorzamen. Maar boos was ze toch. “Ik vind haar een naar mensch!” zei ze, de kast in het slaapkamertje opentrekkend en haar wollen mutsje te voorschijn halend. Met een driftige beweging strikte zij het onder de kin vast. “Dit houd ik op, al gaat ze ook op haar hoofd staan!” zei ze beslist. Toen ging ze weer terug met iets uitdagends in hare oogen.
“Dat gaat ten minste nog,” zei hare tante. “En nu moeten we heusch weg, anders komen we nog te laat aan den trein. Dag moeder, zult u goed op u zelf passen?”
Weer kuste ze de oude vrouw. Toen trok ze haar voile voor het gezicht en ging voor het kleine, ouderwetsche spiegeltje staan, om te zien of haar hoed wel volkomen naar de regelen der kunst op haar hoofd stond.
“Dag mijn lief, lief kind! God zegene je!” fluisterde de grootmoeder, terwijl ze Elsje in haar armen gesloten hield. “Stuur mij maar eens gauw een brief, hoor!”
Elsje knikte. Spreken kon zij niet. Toen sloeg ze haar armen om grootmoeders hals en kuste haar.
Een oogenblik later zat ze naast hare tante in het rijtuig. De oude vrouw stond voor het raam en knikte, knikte met een vriendelijk lachend gezicht, terwijl hare mondhoeken zenuwachtig trilden. Nog een oogenblik en het rijtuig was uit het gezicht verdwenen.
Stil, met een verlegen gezicht, zoo geheel verschillend van de gewone, vroolijke Elsje, volgde ons meisje mevrouw d’Ablong in den keurigen coupé, dien de beleefde conducteur voor de deftige dame opende. “Jij wilt zeker graag bij het raampje zitten, kind?” vroeg hare tante met een werkelijk edele poging om het haar nichtje zoo prettig mogelijk te maken en haar op haar gemak te zetten. Elsje knikte maar eens. Zij had wel “ja tante” willen zeggen, maar ze durfde niet te spreken. Zij had nog steeds dat rare, benauwde gevoel in de keel, net of ze niet goed slikken kon en net of ze zou moeten schreien, als ze probeerde iets te zeggen. Daarbij was er nog een dame in den waggon, die haar nog minder op haar gemak maakte dan ze reeds was. De dame had zoo’n trotsch gezicht en zulke koude, grijze oogen en ze keek Elsje zoo strak aan en zoo lang, alsof ze zeggen wou: “Kind, wat doe jij hier, in een coupé eerste klasse?” En toen Elsje ging zitten bij het raampje en leunde tegen de zachte kussens, evenals zij haar tante zag doen, ging de vreemde dame zoo stijf rechtop zitten en bekeek Elsje zoo nauwkeurig dat het arme kind bepaald dacht dat zij onbehoorlijk zat, ook rechtop zitten ging en verlegen het raampje uitkeek. Het was of een magnetische kracht haar telkens weer noopte om te zien of de dame nog naar haar keek, en herhaaldelijk als zij dit deed, zag ze de koude, grijze oogen op zich gevestigd.
Mevrouw d’Ablong had hare oogen gesloten en zat doodstil, met hare handen in haar mof, over Elsje, die een gevoel had, alsof ze alles zou hebben willen geven, om rustig bij haar grootmoeder te zijn. Maar zij moest zich goed houden,—vóór alles, zich goed houden—flink en moedig zijn en haar best doen,—dat had ze grootmoeder zoo beloofd! Schreien zou ze niet—-vooral hier niet—hare tante zou zich niet voor haar behoeven te schamen tegenover die trotsche, akelige dame daar in den anderen hoek van den waggon. En met groote volharding keek Elsje het raampje uit en deed zich geweld aan om bedaard te zijn. En langzamerhand werd het kalmer in haar, zoodat ze met zekere stille berusting hare tante volgde, toen deze aan een groot, druk station den trein uitstapte met de woorden:
“Ziezoo kind, nu zijn we dadelijk thuis. Ga maar gauw met me mee naar het rijtuig. Loop vlak achter me, hoor; het is hier altijd zoo vol om dezen tijd van den dag!”
Ja, wèl was het er vol! Het was Elsje alsof ze droomde, toen ze zich daar plotseling verplaatst zag in die woelige wereld, die haar tot nu toe geheel onbekend was geweest. Het maakte haar angstig—de dringende, luid pratende en roepende menschenmassa om haar heen, de haastige kruiers, die tegen haar aanliepen en haar op zijde duwden, de heeren en dames, die tusschen de drukte door, deftig heen en weer wandelden op het perron, of beleefd hunne gasten begroetten, het schelle, doordringende gefluit en gesis van aankomende en vertrekkende treinen, het rijden met karren en kruiwagens—dit alles verdreef geheel de kalme stemming, die zij met zooveel moeite was machtig geworden en bevend, erg geagiteerd, haastte zij zich haar tante bij te houden, terwijl deze zich vlug en handig een weg baande naar den uitgang van het station, waar een rijtuig haar wachtte. “Zou Cécile ons komen halen?” dacht Elsje. Die zat dan zeker al ongeduldig te wachten in het rijtuig, of—zou ze er misschien ook een beetje tegen opzien om kennis te maken met het onbekende nichtje? Elsje’s hart klopte sneller, toen het portier van het rijtuig geopend werd, maar een gewaarwording van verlichting en toch ook van teleurstelling, maakte zich van haar meester, toen ze zag dat het leeg was. Mevrouw d’Ablong scheen hier niets ongewoons in te vinden. Zij zei alleen maar: “Toe Elsje, haast je een beetje!” omdat het kind niet dadelijk instapte en keerde zich met een vriendelijk lachje om, toen ze zich door een beschaafde vrouwenstem bij den naam hoorde roepen en een keurig gekleede dame achter zich zag staan. “Hoe gaat het u toch, mevrouw d’Ablong?” zei ze, “Loulou heeft al zóó dikwijls verlangd, Cilly eens weer te spreken en eens bij zich te zien. Zij houdt zoo dolveel van Cilly! Hoe maakt ze het? Ziet zij er nog altijd even beelderig lief uit? Ik vond haar om te stelen verleden winter op die partij van mijnheer van Heusde. Bent u op reis geweest, of....o ja, ik zie het, u hebt een logeetje meegebracht....maar neen, nu vergis ik me toch zeker .... Bent u ook al heelemaal opgaande in werken van liefdadigheid?” vervolgde ze fluisterend, “en moet er voor dat meisje misschien een dienstje worden gezocht bij kinderen, of....”
“Het is een kind van buiten, dat ik een poosje bij mij in huis neem,” zei mevrouw d’Ablong een beetje kortaf, met een zachte stem, maar toch niet zóó zacht, of Elsje had het verstaan.
Een kind van buiten, dat zij een poosje bij zich aan huis nam! Waarom zei haar tante niet dat zij, Elsje, haar nichtje was en bij haar kwam logeeren? Elsje vond het erg vreemd! Zij kreeg een gevoel, alsof hare tante zich over haar schaamde en ze werd vuurrood en de tranen van ergernis sprongen haar in de oogen. Zij veegde ze snel weg met een ongeduldige beweging harer hand. Als mevrouw d’Ablong het een schande vond dat zij haar tot nichtje had, dan zou zij haar niet lang lastig vallen; ze wou wel dadelijk terug, heel graag wou ze dat! En dat zou ze zeggen ook. En toen haar tante eindelijk van hare kennis afscheid had genomen en in het rijtuig zat, begon Elsje met een onvaste stem, maar met fonkelende oogen:
“Waarom.... waarom mocht die dame niet weten dat ik uw nichtje ben, tante?”
Mevrouw d’Ablong keek vreemd op. Heel even gleed er een flauwe blos over haar gezicht, maar zij herstelde zich terstond en zei koel, terwijl zij Elsje strak aanzag:
“Dat mocht ze heel wel weten, natuurlijk. Er is volstrekt geen reden, waarom je je zoo dwaas zoudt opwinden, kind.”
“En waarom weet ze het dan nu nog niet en denkt ze dat ik een kind van buiten ben, dat....”
“Lieve tijd, Elsje, praat niet zoo ontzettend luid en kijk me niet zoo woest aan! Je moet heusch een beetje gaan letten op je manieren, kind. Je gedraagt je zoo allerakeligst burgerlijk! Neen, kijk nu niet het raampje uit, terwijl ik met je spreek en bijt ook niet zoo op je lippen. Die zijn waarlijk dik genoeg. Ik hoop dat wij een prettigen tijd zullen hebben met elkaar en natuurlijk zal ik je aan iedereen voorstellen als mijn nichtje, maar dan moet je zelf ook je best doen en niet toegeven aan humeurtjes en driftige buien, als ’t je blieft.”
Elsje antwoordde niet. Het was haar of een stem haar toefluisterde: “Pas op, denk aan grootmoeder!” En met al de kracht die in haar was, trachtte zij haar ergernis te onderdrukken en het gevoel van eenzaamheid, dat haar dreigde te overweldigen. Zij bleef stil zitten met neergeslagen oogen, tot het rijtuig stil hield voor een groot huis van grijzen steen.
“Welkom hier, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong, die toch een weinig medelijden met haar begon te krijgen. “Kijk, Cécile staat al voor het raam op ons te wachten.”
Eer Elsje tijd had gehad om naar het raam te kijken, was de breede voordeur reeds geopend en stond zij achter hare tante in eene ruime, marmeren vestibule, die smaakvol met palmen en hooge varenplanten was versierd. “Dag mama, dag mama!” riep een welluidende stem en een slank meisje met prachtige donkere oogen en krullend bruin haar, kwam op een drafje de gang inloopen. Zij droeg een jurk van goudbruin fluweel, dat haar warme, donkere tint op haar voordeeligst deed uitkomen en bewoog zich met een gemakkelijke gratie, die hare bevalligheid zeer verhoogde.
“Snoesje, snoesje, loop niet zoo hard! Kijk, je bent heelemaal buiten adem!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl zij het meisje naar zich toetrok. Zij kuste haar op het voorhoofd en zag haar vol liefde en trots in de mooie oogen. Toen keerde ze zich om en zei:
“En hier heb je Elsje nu.”
“O!” zei Cécile op een langerekten toon, verwonderd en onverschillig te gelijk. Zij bekeek Elsje, die stil en bedeesd op de mat was blijven staan, van het hoofd tot de voeten, maar stak hare hand niet uit, om haar welkom te heeten.
”Blijft ze Elsje heeten, zoo lang ze hier is, mama?” vroeg ze toen, terwijl ze naast hare moeder de gang doorliep en Elsje langzaam volgde.
Mevrouw d’Ablong bleef lachend staan.
“Waarom vraag je dat, Cilly? Bevalt je die naam dan niet?”
“Ik vind hem zoo echt boerinne-achtig,” zei Cécile met een opgetrokken neusje. “Wij kunnen haar heusch zoo niet blijven noemen. Ze kan wel “Lizzie” heeten—dat klinkt veel ... veel netter. Ze moet toch heelemaal anders gemaakt worden, voordat ze met onze kennissen kan omgaan.”
“Nu ja, dat weet zij ook wel, is het niet, Elsje?” vroeg mevrouw d’Ablong zich tot haar nichtje wendend. “Maar vandaag moet zij nu eerst maar eens een beetje op haar gemak komen; het is alles nog zoo vreemd en zoo heel anders dan bij haar thuis. Kom lieveling, wijs jij haar nu haar kamer eens, dan ga ik even Missy goeden dag zeggen. Is zij op de zaal?”
“Ja mama.”
Zij waren een trapje opgegaan, dat met een dikken. Smyrnaschen looper was belegd en stonden voor een hooge, eikenhouten kamerdeur, die toegang gaf tot de “zaal”, waar Cécile’s Engelsche gouvernante voor een hoog opvlammend haardvuur zat te handwerken.
“Ga maar met Cilly mee, Elsje,” zei hare tante, “en blijf dan maar even wachten tot ik bij je kom; dan kunnen wij eens zien of er ook een jurk van Cécile is, die je van avond aan kunt hebben. Je kunt zóó niet aan tafel komen.”
“Ik begrijp niet....” begon Elsje met een stem, die van boosheid trilde.
“Je behoeft ook niet te begrijpen, kind,” viel mevrouw d’Ablong haastig in, terwijl Cécile Elsje spottend aanzag, “alles, wat je te doen hebt, is met Cilly mee naar boven te gaan en op je kamer op mij te wachten.”
En zonder af te wachten of haar nichtje nog iets te zeggen had, opende zij de eikenhouten deur en trad de zaal binnen met een vriendelijk:
”Well Missy, and how are you?
“Dezen kant op,” zei Cécile kortaf, terwijl ze even een trotsche beweging met haar hoofd maakte in de richting die Elsje gaan moest. “Wacht, ik zal je maar voorgaan. Niet stampen op de trap met die lompe schoenen, als ’t je blieft.”
Elsje’s bloed begon te koken, maar weer kwam de gedachte aan hare grootmoeder haar als ’t ware smeeken, de driftige woorden terug te houden, die haar op de tong lagen. Zij volgde Cécile zonder een woord te zeggen en vroeg zich in het voorbijgaan met bitterheid af, hoe zij met mogelijkheid luid zou hebben kunnen “stampen” op de zware, mollige loopers van de trap.
Haar hand gleed voorzichtig in den groven wollen handschoen over de breede leuning, terwijl Cécile haar in al de elegance van keurige, lage goudleeren schoentjes en zwart zijden kousen voor ging. Spoedig stonden zij op een ruim, breed portaal, waar het gas reeds aangestoken was en eindelijk opende Cécile aan het eind van dit portaal een deur en zei:
“Hier moet je wezen. Nu weet je het.”
Meteen keerde zij zich om en liet haar nichtje midden in de halfdonkere kamer alleen staan. Elsje hoorde haar over het portaal trippelen en onderdrukt giegelen, terwijl zij onduidelijk de woorden opving: “O, wat een kind, wat een lompe boerin!” Toen werd alles stil.
Haar eerste werk was naar de deur te gaan en die te sluiten. Toen sloeg zij de handen voor het gezicht en klaagde bitter en luid: “O, grootmoeder, grootmoeder, was ik maar weer bij u! Ik houd het niet uit, o, ik houd het niet uit!” Toen weer fluisterde ze, met een plotselinge opwelling om heldhaftig te zijn en moedig, ter wille van de oude vrouw, die haar zoo liefhad:
“Maar ik moet mijn best doen, ik moet, ik moet! Ik wil niet schreien, niet laf zijn—tante zal ook wel dadelijk komen,—ik wil niet dat zij mij bedroefd ziet, dat mag niet, nooit! Kom Elsje, niet flauw zijn, wat zou Krelis je uitlachen, als hij je nu eens kon zien!”
Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige evergreens in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon maar een klein, klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht—het zwaarmoedige uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai, marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel, waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes, enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen—maar heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige kleeren over den arm.
Hoofdstuk IV.
“Elsje” of “Lizzie.”
“Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten aansteken?” zei Elsje’s tante. “Hoe kom je er bij om hier zoo in het donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet, Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich vandaag wel alleen kleeden.”
Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de “jongejuffrouw,” die er—zooals zij later in de keuken vertelde, “niets jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,”—vroeg ze:
“Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?”
“Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even hier komen wil.”
“Ja mevrouw.”
Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer, vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed haar moed scheppen om te vragen:
“Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?”
“Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust, hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn, terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet.”
Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam, met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile:
“Mag ik binnen komen, mama?”
“Zeker snoesje, kom maar gauw hier.”
Elsje’s vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het heelemaal niet meer om uit te houden.—O, kon zij toch maar wegloopen; het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen en met een klagende stem zei ze:
“Ik kan dat haakje niet los krijgen.”
“Help haar maar eens even, Cilly,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Ze treuzelt zoo verbazend.”
Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend:
“O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren.”
“Ik kan wel alleen,” zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend.
“Hè, wat geeft ze me daar een stomp!” riep Cécile uit, zich boos over den arm wrijvend. “Ik bedank er voor om haar te helpen, mama.”
“Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig,” zei de arme Elsje, buiten zichzelf van ergernis.
“Bedaard wat meisje, bedaard wat!” zei hare tante berispend, “bedenk een klein beetje wie je voor hebt, als ’t je blieft. Kom maar hier bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje, en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed.”
Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om hare tranen in te houden.
“Trek nu die zijden kousen aan,” gebood mevrouw d’Ablong.
De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook, zoodat het eerste gedeelte van Elsje’s toilet spoedig klaar was.
“Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink.”
Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom, nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen Cécile in lachen uitbarstte en riep:
“Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!” Want Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar gezicht te wrijven.
“Lach haar nu niet al te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die een volgenden keer. Kijk, op de toilettafel liggen een kam en schuier; doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht.”
“Mijn haar doen, tante?”
“Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak het maar gauw los en kam het haar goed uit.”
“Een verschrikkelijk leelijke kleur van haar,” merkte Cécile op. “En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar, vindt u niet, mama?”
“Maar snoesje, hoe kom je aan die uitdrukking?”
“Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama,” vervolgde ze fluisterend, “wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u niet? Hoe is het toch mogelijk, dat zij familie van u is! En dan zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien, eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!”
“Niet iedereen ziet er even snoeperig uit!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren.
“Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje,” zei hare tante.
“Noem haar toch als ’t je blieft Lizzie, moedertje,” vleide Cécile. “Dat klinkt heusch zooveel beter.”
“Ik zal het probeeren, lieveling.”
Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd.
“Kind, kind, wat gaat dat onhandig!” zei hare tante. “Heb je dan nog nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier.”
Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d’Ablong kamde het “akelig sluike” haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje’s hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit.
“Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper, Els... Lizzie,” zei hare tante. “Misschien kan hij je wat ponyhaar knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit meer draagt.”
“Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch,” zei Cécile.
De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter, waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te krijgen. “Trek toch maar niet meer, mama; zij barst er letterlijk uit,” riep Cécile, schaterend van het lachen.
“Ja, het gaat niet,” zuchtte haar moeder. “Wat moet ze dan in vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?”
“Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd.”
“O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling.”
Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer.
“Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?”
“Ja, mama.”
De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile beweerde, “nog het minst gek.” Het breede ceintuur werd om het middel vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw.
“Ziezoo, eindelijk klaar,” zei mevrouw d’Ablong met een zucht. “Ga nu eens even daar staan, kind—onder het gas, dat ik goed kan zien hoe alles zit.”
Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat—net of ze pas uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest—liep Elsje naar het midden der kamer.
Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje met een kritisch oog.
Elsje’s trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen, hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende sterretjes in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten hunne uitwerking niet.
“Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk weer aan,” besloot ze bij zichzelf.
“Ze ziet er werkelijk iets beter uit,” zei mevrouw d’Ablong tot Cécile, “vindt je ook niet?”
Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met tergende langzaamheid. Toen zei ze:
“Ja, wel iets.”
“Kom Elsje, ga dan nu maar mee....”
“Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal denken dat u de meid roept als u Elsje zegt.”
“En toch blijf ik zoo heeten,” zei Elsje, zeer gedecideerd.
Cécile keek haar spottend aan.
“Och kind, stel je niet zoo aan, als ’t je belieft, he!” zei ze op minachtenden toon. “Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden gaan? Missy is al zoo lang alleen.”
Zij opende de deur voor mevrouw d’Ablong, volgde haar en keek niet meer naar Elsje om.
“Kom Lizzie!” riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat Elsje in de kamer was achtergebleven.
Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. “Tante roept mij niet!” mompelde ze boos.
“Lizzie, Lizzie, kom dan toch!” klonk het weer. “Ga nu gauw mee naar beneden!”
Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. “Alles wil ik verdragen,” dacht ze met een hart vol bitterheid, “maar mijn eigen naam zullen ze me niet ontnemen.”
“Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly,” hoorde zij mevrouw d’Ablong zeggen. “Ik kom dadelijk.”
Elsje’s hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen zag komen.
“Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?” vroeg ze streng.
Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek, onbewegelijk als een beeld.
“Kom, antwoord me,” hernam mevrouw d’Ablong driftig. “Waarom kwam je niet, toen ik je riep?”
“U hebt mij niet geroepen.”
“Heb ik jou niet geroepen?” En Elsje’s tante keek verbaasd. “Wie anders?”
Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op.
“Lizzie,” zei ze.
“En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je nog zóó dom?”
“U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve grootmoeder,” zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar grootmoeder was haar te machtig.
Mevrouw d’Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig, een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere, teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen en haar naar zich toetrekkend, zei ze:
“Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt.”
Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon zachte uitdrukking op het gezicht van mevrouw d’Ablong ziende, vroeg ze zacht:
“Mag ik u een kus geven?”
Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen liet ze haar los en zei:
“Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?”
“Ja,” knikte het kind. “En.... en.... ik zal heusch mijn best doen, tante.”
“Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt; zij heeft zulke bizonder elegante manieren.”
Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile er bij halen? Maar het was waar—zij zag er erg deftig uit en alles ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had, waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten wilde. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur haar afzakte,—wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar mogen behouden!
Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d’Ablong de deur der zaal opende en zei:
“Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in het Hollandsch spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren.”
Cécile’s gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou komen om haar een hand te geven.
Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare moeder met Elsje binnen kwam.
Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d’Ablong haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht.
“Mijn nichtje, Miss Piper,” herhaalde Elsje’s tante. “Gij zult gauw goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand.”
”Call her Lizzie, please,” viel Cécile in, op beslisten toon.
“Welkom hier, Lizzie!” zei de gouvernante, Elsje’s hand even in de hare houdend. “Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden.”
Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in ’t zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde, fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen, die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en iets moediger gestemd.
“Ga maar naast Cilly zitten, kind,” zei mevrouw d’Ablong, “wij gaan zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem dien stoel maar. Je behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn; hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet, hoe ze dien stoel verschuiven moet.”
Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei:
“Daar! Ga nu maar zitten!”
“Cilly darling, how unladylike!” zei miss Piper met een zachte stem.
“Hè neen Missy, niet zoo’n boos gezicht zetten!” riep Cécile, terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de hare legde. “Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt,” vervolgde ze met haar arm om Missy’s hals geslagen en smeekend en een beetje coquet tot haar opziende.
“Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor je!” zei mevrouw d’Ablong bezorgd.
“Maar mother dear, ik ben niet opgewonden. Wacht eens, ik zal wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt.” En met vlugge bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong toen met jubelende stem een couplet van “God save the Queen!”
Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om.
“Thank you, darling,” zei Miss Piper.
Cécile bleef bij de piano zitten spelen.
“Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in ’t geheel niet over vermoeidheid geklaagd?” vroeg mevrouw d’Ablong aan de gouvernante.
“O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond is, mevrouw.”
“Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje in acht nemen, vind ik. Ze speelt lief van avond, he?”
“Heel lief.”
Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek, overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood, mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur, het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën, over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende, gele kap van echte zijde? Zij had zoo’n fraaien glans en wat hing de breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had, zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij te bekijken, maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile’s goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: “Stil, niet spreken, geen leven maken!” Naast dat beeld stond ook al weer zoo’n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje, dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere, groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op, toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei:
“We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee.”
Mevrouw d’Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong snel op.
“Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie,” zei ze dringend. “Tante heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou.”
“Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven.”
Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk, maar ze wou toch moedig blijven.
De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen, een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel.
“Komt meisjes, wij zitten te wachten,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Hier moet je zitten, Elsje, naast mij.”
Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel van mevrouw d’Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres de soep opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten, toen het bord voor haar stond.
“Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina,” zei mevrouw d’Ablong.
Dina verdween.
“Mama,” zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te worden,—“zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt en die dikke, roode handen wat minder laat kijken.”
Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door, met hare oogen naar beneden geslagen.
Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare tante hare linkerhand op de hare.
“Let er op, hoe Cilly eet,” zei ze zacht.
Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.
“Hè, wat een vervelend geluid!” zei Cécile. “Je kunt best ophouden, als je maar wilt, Lizzie.”
“Take some water, do,” raadde Miss Piper aan.
“Ja, drink eens, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. Dat het kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!
Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.
“Kind, wat ben je ook onhandig!” fluisterde mevrouw d’Ablong wrevelig. “Bel eens even, Cilly, als ’t je blieft.”
Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam binnen.
“Maak dat eens even een beetje schoon,” zei mevrouw d’Ablong met een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder werd. “Je kunt meteen de borden wel wegnemen.”
Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.
Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.
Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.
“Leg nu je lepel neer, Elsje,” zei ze kortaf. “Neem dat bord weg, Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent.”
“Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante,” zei Elsje, om het dienstmeisje te verontschuldigen.
“Neem dat bord weg,” herhaalde mevrouw d’Ablong streng tot Dina, “en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork—je hadt moeten zien dat deze geheel nat zijn.”
Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was, het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen, tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten—was Elsje weer tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de vork niet vlak bij de tanden vast te houden—maar zij deed wat ze kon en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten zonder een aanmerking van mevrouw d’Ablong te hebben gehoord.
Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.
Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo’n dorst en het karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens even drinken—ze had zoo’n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He, het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag en boos zei:
“Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even.”
Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord, op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare tante aan.
“Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat je je nog zoo weinig weet te gedragen,” zei mevrouw d’Ablong.
Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op den grond. Zij raapte ze snel op.
“Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen.”
Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik naar den podding, dien ze nu in ’t geheel niet zou proeven, ging Elsje de kamer uit.