Hoofdstuk V.
Van Top tot Teen herschapen.
Toen mevrouw d’Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. “Dan zal ze zeker maar naar haar kamer gegaan zijn,” dacht ze en liep met een zucht de trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had gevraagd—er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren—ze was nu eenmaal dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó ging, zou mevrouw d’Ablong zelf ook heel tevreden wezen.
Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter gedragen, dat sprak van zelf.
“Ik kom eens even met je spreken, Elsje,” zei ze, de deur openend van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. “Waarom ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?”
“Ik wou veel liever hier blijven, tante,” zei Elsje met iets angstigs in hare stem.
“Waarom?”
Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen over elkaar.
“Ik doe toch alles verkeerd,” zei ze eindelijk op koppigen toon.
“Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je zooveel mogelijk voornemen, om niet alles verkeerd te doen. Want wat je daar zegt, is waar, je doet bijna alles verkeerd. Maar als je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te gelijken, dan....”
“Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken,” zei Elsje, heel driftig.
Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, toen het er uit was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile, hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was, als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge, door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit.
“Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend, brutaal kind?” riep mevrouw d’Ablong, haar bij de schouders vattend. “Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent.”
Elsje barstte in tranen uit.
“Laat mij weer naar huis gaan!” snikte ze. “Och, laat mij toch weer naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!”
Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de handen voor het gezicht geslagen.
Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d’Ablong zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen, zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast.
Eindelijk bedaarde het snikken wat.
“Mag ik als ’t je blieft morgen weer terug naar huis?” vroeg het kind met een smeekenden blik. “Ik durf best alleen te reizen en... en grootmoeder zal het geld wel weerom geven.”
“Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet ‘vreeselijk’ behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te overwinnen en nooit zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg, anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan, juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets noodig hebt, kun je het haar zeggen.”
En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen, ging mevrouw d’Ablong de kamer uit.
Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje.
“Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed te gaan, jongejuffrouw,” zei ze. “Zal ik u even helpen met het uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent.”
Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins was verzonken geweest.
“Ja, ik zal naar bed gaan,” zei ze, “maar je behoeft me niet te helpen. Ik kleed me altijd alleen uit.”
“Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien vastgespelden rok,” zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d’Ablong had gekeken en nu Keetje het jonge gezichtje van het “dorpskind” zoo bitter bedrukt zag, kwam haar goed hart boven.
“Kom,” zei ze, “ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt, jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt.”
“Ik hoop het,” zei Elsje zacht. “Maar wil je me Elsje noemen, als ’t je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden.”
“Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben,” lachte Keetje vroolijk. “Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt Fransch borduursel.”
Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het “echt Fransche borduursel”, maar Keetje’s vriendelijkheid deed haar toch goed en met een half ingehouden snik vroeg ze:
“Woont jouw moeder ook buiten?”
“Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de nachtjapon struikelt.”
Het was toch wel prettig om zich zoo’n beetje te laten bedienen, nu ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte aanraking van Keetje’s hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging van den schuier over haar hoofd!
“Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u halen,” zei het dienstmeisje eindelijk. “Is dat goed?”
“Ja, als ’t je blieft.”
Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè, wat fonkelden de sterren mooi—wat zou het prachtig, prachtig zijn op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen, dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen, niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte, mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen.
Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam dadelijk met haar vraag voor den dag. “Mevrouw is juist bezig een briefkaart te schrijven,” zei Keetje, “en ze zou uwe groeten doen, zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?”
“Ja, heel graag.”
Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei:
“Dankje wel, hè, dankje wel.”
“Kan ik nu nog iets voor u doen?” vroeg Keetje eindelijk. “Zal ik het licht maar uitdraaien?”
“Ja, als ’t je blieft.”
Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een vriendelijk “goeden nacht.” Elsje was op het punt haar terug te roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht bij zichzelf: “Het is te flauw” en deed toen hare oogen dicht, vast besloten, dadelijk te gaan slapen.
Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan, toen een zacht stemmetje zei:
“Ben je daar nog, Keetje?”
“Jawel, jongejuffrouw.”
“Wil je.... wil je even bij me komen?”
Keetje kwam terstond bij het bed.
“Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder altijd.”
Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of “mevrouw” een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje heen en kuste haar op het voorhoofd.
“Slaap lekker,” zei ze.
“Dank je wel,” zei Elsje. “Dank je wel voor al je vriendelijkheid. Nacht Keetje.”
“Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?”
“Ja wezenlijk.”
En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap.
Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken.
“Ze slaapt gelukkig rustig,” dacht ze, “we moeten nu in vredesnaam maar hopen dat alles morgen beter gaat.”
Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme, wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw d’Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige, vroolijke kamer, die nog altijd de “kinderkamer” werd genoemd en op den tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode, groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten.
“Hier neemt Cécile hare lessen altijd,” zei mevrouw d’Ablong. “Je weet immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag; dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is.”
Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze haar eigen hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het haar geheel op te maken naar Elsje’s zin, maar dit was haar maar half gelukt—het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje.
Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d’Ablong binnen kwam.
“Ben je nog niet klaar, kind?” vroeg ze. “Het is al elf uur.”
“Ja, tante, mijn brief is af,” zei Elsje, haastig opstaande.
“Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette, nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk, dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?”
“Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan.”
“O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer.”
Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel behagelijk voelde “Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van je maken,” zei mevrouw d’Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende.
Mevrouw d’Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door, terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met oogen, die duidelijk zeiden: “Jij behoort hier niet, kind!” Ze was blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw, die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had.
“Wat is er van uw dienst, mevrouw?”
“Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien,” zei mevrouw d’Ablong. “Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers gepast worden, niet waar?”
“O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen.”
Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in het heldere, vriezende weer.
“O tante, wat is het hier aardig!” riep Elsje, naar het raam toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare vermetelheid.
Mevrouw d’Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in ’t geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens die uitroep!
“Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig,” zei ze kortaf. “Maar kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?”
“Gaarne.” En het meisje ging heen.
“Komaan, Elsje, haast je wat,” zei hare tante ongeduldig. “De juffrouw komt dadelijk terug met de korsetten.”
“Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?” vroeg het kind met een angstig gezicht.
“Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet.”
“Maar ik wil veel liever niet zoo’n stijf korset aan hebben,” klaagde Elsje.
“Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg,” klonk het gebiedend.
Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: “Ziet u mevrouw, van boven past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het middel en de heupen.” De arme “jongejuffrouw” had op het laatst een gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf!
“U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken,” zei ze, toen Elsje eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in een soort van harnas vastgesnoerd zat.
“Het zit me nauw,” waagde ze te zeggen.
“Nauw jongejuffrouw?” vroeg het meisje verbaasd. “Dat is toch een heel wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is, maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen.”
“Zij moet dit maar aanhouden,” zei mevrouw d’Ablong beslist. “Nu de onderlijfjes, juffrouw.”
Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich aan haar lot met de kalmte der wanhoop.
Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide mevrouw d’Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het “modemagazijn”, dat in Elsje’s oogen een reusachtigen omvang had.
Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden verkocht. Elsje’s tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d’Ablong overlegde, hoe de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het feit, dat ze zich niet weer zoo lang behoefde te laten passen. Juist wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei:
“O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor baltoiletjes? Waar kan ik die zien?”
“Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze wel dadelijk hier laten brengen.”
Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug te keeren met het verlangde.
“Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?” zei de juffrouw, een lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun en fijn was. “Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan.”
“Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige stof met die fijne, blauwe bloemetjes?”
“Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers mevrouw d’Ablong?”
“Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als ’t je blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had.”
“Als ’t u belieft, mevrouw.”
Elsje kon hare ooren nauwelijks gelooven. Een baljurk noodig voor haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide stoffen nog eens nauwkeurig bezag.
“Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?” vroeg ze nog eens.
“Jawel mevrouw.”
“Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen.”
Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen.
“Tante,” zei ze zacht, toen mevrouw d’Ablong op het punt was, de “mantelzaal” binnen te gaan.
“Wat is er?”
“Heb ik misschien ook een baljurk noodig?”
Mevrouw d’Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze vandaag nog gedaan had.
“Wou je dat graag?”
“Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien,” zei Elsje. “Maar ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou.”
“Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile’s manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen.”
“O!” was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe eens een “echt bal” te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen, als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat!
“Hoe mooi tante,” zei ze met een dankbaren blik op den warmen, donkerbruinen mantel, dien mevrouw d’Ablong voor haar kocht. Het korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar den kapper te rijden.
Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht ging ze met haar tante het “damessalon” van den “coiffeur” binnen.
“Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer,” zei mevrouw d’Ablong tot een klein mannetje met donker, krullend haar, “omdat er nogal haast bij is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed eens af, kind.”
“Tot uw dienst, mevrouw,” zei de beleefde kapper, buigend als een knipmes. “Ga toch zitten als ’t u belieft en wil de jongejuffrouw dan in dezen stoel plaats nemen?”
En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar te voorschijn.
“Het is geen mooi haar,” zei mevrouw d’Ablong, “maar u kunt er toch misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd zit.”
“O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een klein weinigje meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag, een beetje.... ordinair.”
“Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!” riep Elsje, driftig opspringend. “Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!”
“Ga maar gauw weer zitten, kind,” zei haar tante bedaard, maar met een zeer strengen blik. “Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd werd en als u wat pony knipte van voren?”
“Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd, zult u eens zien hoe goed het staat.”
En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer hoe benauwder te moede werd.
Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint om Elsje’s hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen beschouwend, zei hij:
“Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de kleur iets minder geel te maken?”
“Kijk mij eens goed aan,” zei mevrouw d’Ablong, zonder op de vraag van den kapper te letten. “Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen, neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd.”
“Het jeukt zoo,” zei Elsje verdrietig.
Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze:
“Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen.”
Eindelijk, eindelijk was er, voorloopig ten minste, niets meer te bestellen ter verfraaiing van Elsje’s toilet en persoon en reed zij met haar tante naar huis terug.
Hoofdstuk VI.
Nieuwe Kennissen.
“Nog eens, Elsje, doe nu vooral je best, aardige, beschaafde, damesachtige manieren aan te nemen,” begon mevrouw d’Ablong weer in het rijtuig. “Die drift zooeven bij den kapper stond je bij voorbeeld weer heel leelijk. Neen, neen, zucht nu maar niet zoo ongeduldig en schuif ook niet zoo heen en weer op de bank. Je zult werkelijk met veel meer plezier bij ons logeeren, als je zelf probeert wat in den smaak te vallen. Het is voor Cécile ook niet prettig, als je zoo’n burgelijken indruk maakt. Wil je me nu beloven goed op te letten hoe Cilly en ik ons gedragen?”
“Ja tante,” zei Elsje, zoo kalm als het haar mogelijk was, “maar ik verlang er in het geheel niet naar om een modepop te worden. En grootmoeder zegt nooit iets van mijn manieren!”
“Wij spreken nu niet over grootmoeder, kind, maar wij hebben het erover hoe je je hier gedragen moet. Je kondt onmogelijk beter voorbeeld hebben dan Cilly. Zij heeft onberispelijke manieren, al heeft ze natuurlijk ook veel voor omdat ze zoo beelderig mooi is en dat....”
Zij eindigde den zin niet, maar Elsje begreep wel dat ze bedoelde: “en dat ben jij niet.” Ze kreeg een kleur van ergernis, maar ze hield zich in en bleef zwijgen totdat het rijtuig weer voor het huis van mevrouw d’Ablong stil stond.
“O, Cilly heeft zeker kennisjes bij zich,” zei deze, toen Elsje en zij naar boven gingen en een kamer voorbij kwamen, waar Elsje nog niet geweest was en waaruit het geluid van vroolijke meisjesstemmen naar buiten drong. “Doe maar gauw je goed af, Elsje, dan kun je naar haar toegaan. Het is jammer dat je geen andere jurk hebt, maar deze past je toch beter dan die blouse van gisteravond. Laat mij nog eens even kijken hoe je haar nu zit. Zoo, zoo, vind ik het; het bevalt me toch maar half. Hoe kom je nu toch weer zoo rood in je gezicht en lieve tijd kind, wat heb je leelijke, groote handen! En hoe komen die toch zóó ruw?”
“Van het werken, tante,” zei Elsje een beetje trotsch. “Maar zou ik dat korset vandaag niet nog uit mogen hebben? Het geeft me zoo’n benauwd gevoel.”
“Och kom kind, malligheden! Ga nu maar gauw naar Cilly’s kamer en let vooral op je manieren. Wees bedaard en spreek nog maar niet te veel vandaag.”
“Ik wou liever eens wat gaan wandelen, tante. Ik verlang zoo vreeselijk om eens even in de lucht te zijn. Thuis ben ik zooveel buiten. Later kan ik toch ook nog wel met Cécile’s vriendinnen kennis maken.”
“Neen, neen, je gaat er nu heen. Morgenochtend kan dat wandelen wel gebeuren. Je blijft vandaag verder thuis.”
Dan maar met moed er op af! dacht Elsje, toen ze naar beneden liep en de deur opende van de kamer, waaruit het drukke gelach en gepraat klonk. Zij zag een vrij groot vertrek met twee ramen aan den tuin en elegante tafeltjes, gemakkelijke stoeltjes, een kleine, sierlijke canapé, waarvoor een aardig eikenhouten theetafeltje stond met een fijn porseleinen theeservies, dat op dit oogenblik ijverig dienst deed, een overvloed van smaakvolle, kleine snuisterijen op den schoorsteen en het miniatuur-schrijfbureautje bij het raam, een groote verscheidenheid van waaiers en zijden draperieën in zachte tinten,—op een lage, zwarte zuil in een hoek een allerliefste kleine groep in wit marmer van twee slapende kinderen, aan den muur een paar landschap-etsen en een menigte kleine en groote photographieën en in een vergulden lijst een schilderij van een mooi kinderkopje met bruine oogen en donker krullend haar—blijkbaar een portret van Cécile, toen ze twee of drie jaar oud was.
Dit alles zag Elsje als niet ziende, zoozeer werd zij overweldigd door een gevoel van plotselinge verlegenheid, toen zij de kamer in ging. Niemand scheen haar binnenkomen te bemerken en zij bleef in een linksche houding bij de deur staan, onzeker wat ze doen zou en eigenlijk heel weinig verlangend om de aandacht op zich te doen vestigen.
“Neen maar, hoe allergekst Cilly,” zei een groot, blond meisje, dat naast Cécile zat, die de afternoon-tea schonk in kleine kopjes van doorschijnend wit porselein met rose bloemtakjes beschilderd. “Heeft hij dat heusch tegen je gezegd en wat heb je toen geantwoord? Dat je pas zestien waart?”
“Eigenlijk maken wij Cilly ook ouder doordat wij juist hare vriendinnen zijn,” zei een meisje met een spits, scherp gezicht. “Wij zijn alle drie al achttien en Cilly is net zestien geworden.”
“Neen Lou, ik ben nog maar zeventien,” zei de derde gast, een meisje met een rond gezicht en vroolijke, blauwe oogen. “En we blijven Cilly trouw, hoor. Ik kan onmogelijk zonder haar leven en zij niet zonder mij, is ’t wel, darling? Toe, zeg ons nu eens gauw wat je geantwoord hebt, op dat gewichtige oogenblik, toen je....”
”Dear me, daar staat Lizzie af te luisteren wat wij praten!” viel Cécile opeens verschrikt in. “Heeft mama je hierheen gestuurd, Lizzie?”
Elsje knikte verlegen en bleef bij de deur staan, terwijl Cécile’s vriendinnen haar met onverholen verbazing aanstaarden.
“En heeft mama ook gezegd dat je daar vooral bij de deur moest staan blijven?” vroeg Cécile spottend.
“Neen, volstrekt niet,” zei Elsje, zich vermannend.
“Nu, kom dan hier.”
Elsje kwam naderbij met een gezicht, dat onverschillig moest heeten, maar waarop duidelijk te lezen stond dat ze zich weinig op haar gemak voelde.
“Dit is Lizzie van den Berg, mijn nichtje van buiten. Ze logeert bij ons,” zei Cécile, zich tot hare gasten wendend.
“O, ik wist niet dat je een nichtje hadt, dat buiten woonde,” zei de scherpe Louise. “Zeker verre familie, he? Aangenaam kennis te maken,” vervolgde ze, zich tot Elsje wendend en hare hand uitstekend, waarop de twee andere meisjes haar voorbeeld volgden.
“Ze heeft ons wel eens verteld van een neef, die buiten woonde,” zei Emma, het meisje met het vroolijke gezicht schalks, terwijl Cécile Elsje op een laag stoeltje naast zich liet plaats nemen.
”Please don’t,” zei Cécile met een flauw blosje en met een waarschuwende beweging harer oogen naar Elsje.
“He ja, waar hadden wij het ook weer over?” zei het groote, blonde meisje, dat Cato heette. “O gunst neen, daar kom ik weer op verboden terrein!” En zij proestte het uit van het lachen.
“Hè, wat ben je vervelend,” zei Cécile spijtig. “Wil je nog een kopje thee? Als ’t je blieft, Lizzie, dit is voor jou.”
“Toe Cilly, niet boos zijn!” zei Cato, “dat kan ik heusch niet dragen. Wat vind ik dat toch een allersnoeperigst portret van je, dat geschilderde! En wat hadt je toen toch een allerliefst gezichtje! Jammer dat je zoo erg veranderd bent na dien tijd.”
“Cato, wees toch niet zoo laf,” zei Cécile, toch nogal gevleid door het bedekte compliment.
“Ja, ik zou wel eens willen weten, of sommige menschen dat portret wel eens gezien hebben,” zei Emma met een geheimzinnig lachje.
“Wat meen je daarmee?” vroeg Cécile, terwijl ze met neergeslagen oogen water in het trekpotje schonk.
“He ja, wat zou ze daarmee meenen? Of liever, wien zou ze daarmee meenen?” zei Louise lachend en op half fluisterenden toon.
“Ik vind dat dat portret waard is dat iedereen het ziet, die je kent, Cilly,” zei Cato beslist. “Bent u dat niet met mij eens, juffrouw Lizzie?”
“Och Cato, wees toch niet zoo dwaas!” zei Cécile. “Noem haar toch Lizzie, ze is pas veertien jaar.”
“Met heel veel genoegen. Nu Lizzie, ben je het niet met me eens?”
“Ja,” zei Elsje met een onbestemd gevoel dat men haar voor den gek hield.
“Ben je al eens eerder hier gelogeerd geweest?” vroeg Emma, met een goedhartige poging om Elsje aan het praten te krijgen.
“Neen.”
“En houdt je veel van het buitenleven?”
“Ja.”
“Cécile heeft zeker ook al eens bij jou gelogeerd?”
“Neen.”
“Het lijkt wel het spelletje van ja en neen,” zei Louise zacht tot Cato.
“O, het is zoo’n vervelend kind,” fluisterde Cécile terug. “Ik begrijp heusch niet waarom mama haar hier gevraagd heeft.”
Met een gloeiend gezicht, warme handen en een benauwd, stijf gevoel door het korset niet alleen, maar ook door de ongemakkelijke houding, waarin ze zat, op het puntje van het lage vouwstoeltje—achterover leunen wist ze niet of voor haar “welgemanierd” was—beantwoordde Elsje de vragen, die haar werden gedaan. Weer was het haar alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als de vroolijke, levenslustige, werkzame Elsje, die blij en moedig haar taak verrichtte en gelukkig was in het kleine huisje bij grootmoeder.
En toen de meisjes haar met rust lieten, in de overtuiging dat er met dat “stille burgerkind” niets te beginnen was, keek zij verlangend naar de heldere zonnestralen, die in de kamer vielen en zag zij het alles duidelijk voor zich: de lange, rustige dorpsstraat met de roode en grijze gevels der huizen en de groen-en-roode luiken beschenen door de zon, den breeden straatweg met de schilderachtige dennengroepjes, de ruime velden met de korte struiken langs den kant, de kale takken goudbruin en geel getint door het warme licht,—en eindelijk het vriendelijke huisje met grootmoeders gezicht voor het raam, haar toeknikkend met een welkomstgroet in de oude oogen.
Emma moest tweemaal de vraag herhalen, die ze tot Elsje had gericht, zoozeer was deze in gedachten verzonken.
“Ben je nog hier met Cécile’s partij?” vroeg ze.
“Dat denk ik niet,” zei Cécile haastig. “En in ieder geval kan zij natuurlijk niet meespelen. Dan moeten we liever een ander zien te vinden voor die rol. Lizzie heeft stellig nooit comedie gespeeld; zij kan onmogelijk meedoen.”
“Nu, wij weten dan ten minste al vast, wat we te leeren hebben,” zei Louise. “Voor die rol van Grietje moet dan nog iemand gevonden worden. Zeg Cilly, je hebt zeker weer een snoeperig toiletje?”
“Ik weet nog niet precies wat ik aan zal doen,” zei Cécile. “Misschien geeft mama me weer iets nieuws.”
“Toe Cato, sta nu op, we moeten heusch weg,” zei Emma. “Je gaat immers zoo ver met me mee?”
“Ja zeker. O, daar is je mama, Cilly. Dag mevrouw, hoe maakt u het? Hoe heerlijk, dat Cilly’s partij al zoo gauw is!”
“Dag meisjes,” zei mevrouw d’Ablong, die binnen gekomen was met twee brieven in de hand. “Hier is een brief van grootmama, Cilly. Zij komt hier gauw een poosje logeeren, dus zij zal er waarschijnlijk ook zijn met de partij.”
“O, dat is gezellig,” zei Cécile. “Jij kent grootmama wel, he Emma?”
“Ja zeker, die aardige dame met dat prachtige grijze haar, die hier ook was op je verjaardag. Zij is immers uw moeder, niet waar mevrouw?”
“Neen, de moeder van mijn man,” zei mevrouw d’Ablong. “Ze woont op een buiten in de buurt van Arnhem. Cécile logeert er dolgraag.”
“O ja, dat wist ik wel, maar ik dacht dat zij uw moeder was. Hoe aardig dat zij juist hier is met de partij, Cilly. Maar nu moeten we heusch weg.”
“Hier is ook een brief voor jou, Elsje,” zei hare tante zacht. “Van grootmoeder, daar ben je zeker heel blij mee.”
“O ja, hoe heerlijk!” zei Elsje, blij opspringend. “Mag ik weggaan, tante, en hem boven lezen op mijn kamer?”
“Ja, maar groet de meisjes dan eerst.”
Elsje gehoorzaamde haastig en Emma zei vriendelijk:
“Dag Lizzie, ik hoop dat je me eens op komt zoeken met Cécile.”
Toen snelde Elsje naar boven naar haar kamer, met den kostbaren brief stijf in haar hand gedrukt. De tranen sprongen haar in de oogen, toen ze het welbekende, beverige schrift zag op het adres en met haastige, trillende vingers scheurde zij het couvert open en begon te lezen. Lang was de brief niet, maar Elsje las dien herhaaldelijk over, als wilde zij de hartelijke, bemoedigende woorden uit het hoofd leeren. Grootmoeder had haar brief natuurlijk nog niet ontvangen, maar zij zag er verlangend naar uit, dat begreep Elsje zeker wel. Het was erg vreemd dat zij niet thuis was, maar zij moest toch maar denken dat grootmoeder het heel goed had; Aafje’s zuster zorgde best voor haar. En Krelis was er ’s ochtends geweest met een aardig klein poesje voor Elsje. Hij had er twee van vrouw Rikkers gekregen en dat van Elsje was pikzwart met een smalle witte streep op het borstje. En Aafje’s zuster was een beetje bang voor het katje, omdat het haar telkens voor de voeten liep.
Telkens als Elsje dit gedeelte van den brief las, lachte zij hardop, maar zij las het eerste stukje met grootmoeders hartelijke woorden vol liefde, nog vaker en eindelijk bracht zij het papier met een hartstochtelijke beweging aan de lippen en kuste het.
Toen lachte ze om hare opgewondenheid.
“Hoe kom ik toch zoo mal hier!” zei ze bij zichzelf, “grootmoeder zou mij erg uitlachen, als ze me zoo zag. Kom, ik moet moed houden en niet zoo flauw zijn.”
“Ben je hier, Elsje?” klonk de stem van mevrouw d’Ablong op het portaal.
“Ja tante.”
“Goede berichten van grootmoeder?” vroeg ze, de kamer inkomend. “Voelt ze zich beter?”
“O ja, dat geloof ik wel; daar schrijft grootmoeder heel weinig over.”
“Kom, dat is een goed teeken. Ga nu nog even naar Cécile’s kamer, kind. Cilly heeft je wat te zeggen. Wees vooral lief en bedaard tegen haar hoor en doe wat zij je zegt.”
Elsje zuchtte eens even, maar zij gehoorzaamde toch en een oogenblik later stond ze weer in Cécile’s kamer.
Cilly lag lang-uit op de canapé met een boek in de hand. Zij keek niet op, toen Elsje binnenkwam, maar zij scheen toch gemerkt te hebben, dat deze in de kamer was, want met hare oogen op het boek geslagen, zei ze koel:
Toen bleef ze rustig doorlezen, terwijl Elsje ongeduldig afwachtte, wat ze verder zeggen zou. Zij deed echter precies of ze alleen was, sloeg een bladzijde om en bleef ijverig in het boek kijken.
Het was eenvoudig niet om uit te staan, vond Elsje.
“Cilly,” zei ze.
Cécile keek op. “Och kind, noem mij als ’t je blieft maar Cécile, dat spreek je in ieder geval beter uit dan Cilly. Het is of je tien s’s in het woord brengt, zoo dwaas en ordinair komt het er uit. Wat is er?”
“Dat wou ik jou juist vragen,” zei Elsje, al haar best doende niet driftig te worden. “Tante heeft me naar je toegestuurd, omdat je me iets te zeggen hadt.”
“O ja, dat is ook zoo, maar je kondt toch wel even wachten. Heeft mama je die pony laten knippen? Ik vind niet dat het je schoonheid verhoogt.”
Elsje antwoordde niet.
“Je schijnt geen heel goed humeur te hebben,” hernam Cécile spottend. “Hoor eens Lizzie, mama wil absoluut dat je hier nog bent met mijn partij, maar doe dan als ’t je blieft je best om een klein beetje meer een lady te zijn. Mama wil ook dat je meespeelt in het comediestukje dat wij zullen opvoeren. Ik vind het gek, maar het moet nu natuurlijk toch. Gelukkig is het een kleine rol en je moet dan voor dienstmeisje spelen, dat komt dus nogal goed uit; voor die rol ben je nog het meest geschikt. Leer je gemakkelijk uit het hoofd?”
“Op school kon ik altijd best leeren,” zei Elsje fier, “maar ik wil liever niet meedoen in dat tooneelstukje. Ik wil ook wel weer weg vóór de partij, als jij het zoo verschrikkelijk vindt dat ik er bij ben!”
“Je doet wat mama wil, niet wat je zelf wilt, dat spreekt,” zei Cécile beslist. “Natuurlijk zou het voor mij oneindig prettiger zijn als je er niet bij waart, maar mama heeft mij zooeven gezegd dat zij er bepaald op gesteld is omdat het jouw grootmoeder plezier zal doen en nu gebeurt het natuurlijk.”
“Mijn grootmoeder is de jouwe ook, Cécile,” zei Elsje met bevende lippen. “En je moogt wel heel trotsch op haar wezen.”
Nu was het Cécile’s beurt om een beetje verlegen te kijken. Zij antwoordde echter niets op Elsje’s woorden, maar zei, op het boek wijzend: “Kom eens even wat dichter bij. Kijk, dit is het stukje. Het dienstmeisje komt het eerst op en moet vlug en wat bijdehand spelen. Je rol is klein; in het tweede en derde bedrijf heb je bijna niets te zeggen. Je kunt van avond wel in de leerkamer gaan zitten en je rol overschrijven. Weet je hoe je dat doen moet?”
“Ja, ik moet zeker alleen opschrijven wat die Grietje te zeggen heeft.”
“En goed opletten, wanneer je invallen moet. De volgende week hebben we repetitie, maak dat je je rol dan prompt hebt geleerd. Ik zal het boek wel op de leerkamer leggen, ga nu maar heen.”
En ’s avonds zat Elsje weer rustig alleen in de leerkamer. Er lag een groot vel papier voor haar en met een kleur van inspanning schreef ze vlijtig de rol van “Grietje” over. Als zij zich van avond flink hield, mocht ze den volgenden ochtend alleen een eindje gaan wandelen, had hare tante gezegd. Zij moest dan in de buurt blijven natuurlijk, dan was er geen kans op dat ze verdwalen zou. En met het puntje van haar tong uit den mond en haar hoofd dicht over het papier gebogen, schreef ze zonder ophouden voort. Miss Piper kwam haar een kopje thee brengen en bleef even bij haar om een paar vriendelijke woorden te zeggen, maar overigens kon zij zich ongestoord aan haar werk wijden, zoodat ze eindelijk het laatste woord had geschreven. Ze vond dat die “Grietje” nogal grappige dingen zeide en zij zag er op dit oogenblik nog niet erg tegen op om voor dienstmeisje te spelen. Het zou wel gaan, dacht ze; het leek haar niet heel moeielijk. Als zij de meisjes maar eerst wat beter kende, zou ze zich wel gauw wat meer met haar op haar gemak voelen.
Den volgenden ochtend gaf mevrouw d’Ablong haar werkelijk verlof om even uit te gaan. Het sneeuwde een weinig, maar dat hinderde Elsje niet. Zij beloofde vast dat ze niet te ver van huis zou gaan en niet te lang wegblijven—toen liep ze vlug naar haar kamer om zich klaar te maken. Daar viel haar opeens iets in. Als zij nu gauw even haar eigen roode jurk aantrok en haar kapje opzette! Het was zooveel prettiger om daarin uit te gaan dan met haar nieuwen hoed en mantel—daar kon ook zoo licht iets aankomen met die sneeuw! Tante zou er natuurlijk niets tegen hebben; zij ging nu immers alleen uit en niemand kende haar in deze groote stad. Zij bedacht zich niet lang, maar deed vlug de kast open om te zien of haar jurk er nog in hing. Jawel hoor, daar was ze, die verachte roode! En daar was haar kapje ook! Kom, een, twee, drie, haar reiscostuum weer aangetrokken, toen vlug de trappen af en de gang door naar de voordeur. Al maakte ze zichzelf wijs dat haar tante nu niets op deze kleeding zou aan te merken hebben, toch vond ze het erg plezierig dat ze niemand tegenkwam op haar tocht naar beneden. De voordeur ging gelukkig veel gemakkelijker open dan ze had durven hopen. Daar stond ze op de stoep. Hè, wat was het buiten heerlijk! Het begon harder te sneeuwen en groote vlokken stoven haar langs de ooren, op haar kapje, op de jurk en op de oogharen, zoodat ze die lachend knipte en het vocht van haar gezicht moest vegen. Ze keek eerst eens goed om zich heen, voordat ze verder ging. Ze moest den weg vooral onthouden, maar o, wat was het heerlijk, heerlijk om de frissche lucht weer in te ademen! Zij had een gevoel alsof ze in geen dagen buiten was geweest. Met volle teugen dronk ze de lucht in en keek vroolijk rond. Het huis van mevrouw d’Ablong stond op een stille, deftige gracht. Langzaam liep zij de statige, hooge huizen langs tot ze bij een breede straat kwam, waar het heel druk was en zich rij aan rij groote, mooie winkels vertoonden.
O, wat wemelde het hier van menschen! Zij bleef dicht langs den winkelkant gaan, uit vrees van tusschen den drom van karren, rijtuigen en trams te raken, die voortdurend door de straat reden. Telkens stond ze stil voor een der winkelramen om al het moois te bewonderen, dat hier uitgestald lag. Het meest trok een groote bloemenwinkel haar aandacht. Het was haar alsof ze in een toovertuin keek, zoo prachtig zag het er achter dat raam uit! Rijke bouquetten lichtgele rozen met fijne, sierlijke takjes vrouwenhaar, stonden in hooge vazen van zacht-groen en rood glas, terwijl een overvloed van kerstrozen, de mooie, reinwitte sterren afstekend tegen de donkergroene, stevige bladeren, gegroepeerd was tegen een draperie van donkerrood fluweel. Allerlei soorten varenplanten en palmen waren tusschen de bloemen in gezet. Elsje kon hare oogen nauwelijks gelooven. Al die prachtige bloemen en planten midden in den winter! Naast den bloemenwinkel, op den hoek van een nauwe straat, was een kleine kruidenierswinkel, die er bizonder onaanzienlijk uitzag naast zijn rijken buurman, maar Elsje keek er opgetogen naar. Bijna precies zoo’n kruidenierswinkel als die bij haar in het dorp! De deur stond op een kier en zij gluurde nieuwsgierig naar binnen. Kijk, de toonbank was ook aan denzelfden kant en och, wat stond daar een aardig klein kereltje met knikkers te spelen! Een vrouw met een vriendelijk gezicht stond achter de toonbank en riep: “Toe maar Evert, toe maar, het gaat al heel mooi!” Zij was zeker de moeder van den kleinen jongen.
Daar rolde een der knikkers naar buiten vlak voor Elsje’s voeten. “O moeder, daar loopt er een weg, die mooie groote nog wel! Dien pakken ze bepaald mee!” En zoo gauw als zijn kleine voeten hem veroorloofden, dribbelde Evert naar de deur toe om den verloren schat te gaan zoeken.
Elsje had den knikker terstond opgeraapt, maar Evert zag dit niet en liep op een drafje de deur uit, juist op het oogenblik dat een vigilante snel den hoek der straat omkwam. De kruideniersvrouw gaf een gil en vloog den winkel uit om haar zoontje buiten het bereik der paardenhoeven te brengen, maar zij kwam te laat en Evert zou zeker een vreeselijk ongeluk hebben gekregen, indien Elsje hem niet had gegrepen en vlug als de wind met hem den winkel was ingeloopen. Het kleine kereltje begon te schreien nu de schrik voorbij was, zijn moeder drukte hem met een hartstochtelijke beweging aan het hart en dankte toen Elsje met uitbundige dankbaarheid.
“Nu is mijn knikker heelemaal weg!” klaagde Evert met zulk een bedroefd gezichtje dat zijn moeder en Elsje er om moesten lachen.
“Kijk eens!” zei Elsje, hem het verlorene voorhoudend. “Dien had ik al eerder opgeraapt dan jou.”
Evert lachte door zijne tranen heen.
“Dank je wel hoor, voor al je hulp,” zei zijn moeder. “Dat trof mooi, he Evert? Dat dit vriendelijke meisje juist den knikker moest oprapen en jou zoo flink weghalen voor die vigelante!”
“Ja,” zei Evert en keek Elsje met groote oogen aan. Zij scheen een gunstigen indruk op hem te maken, want terwijl hij haar zachtjes aan den rok trok, zei hij:
“Je moet mijn paardje zien.”
“Dat wil ik heel graag,” zei Elsje vroolijk, “als moeder het goed vindt.”
“Wel zeker,” zei deze. “Evert heeft van Sinterklaas een paardje gekregen en dat wil hij nu aan iedereen laten kijken. Kom maar even binnen, als ’t je blieft.” Elsje ging den winkel door en volgde de vrouw door een smalle gang naar een klein vertrek, dat achter den winkel gelegen was en hierop door een glazen deur uitzicht gaf. Tegenover deze deur was een raam aan een klein tuintje en hier, in de lage vensterbank, stond de grootste schat van Evert, een klein, bruin, houten paard.
“Kijk!” zei hij terstond, toen zij de kamer in waren, met een blik vol trots zijn ros aan Elsje toonend.
“Heel mooi!” zei ze, “en hij heeft ook heel wat te eten!”
Er lagen eenige krenten en rozijnen bij het paard op de vensterbank.
“Ik eet er ook van,” zei Evert heel eerlijk en stopte een paar rozijnen in den mond. “Wil je ook wat?”
“Neen, dan zullen we haar wat meer geven,” zei zijn moeder. “Wacht maar!” Zij ging even naar den winkel en kwam spoedig met een bruin papieren zakje vol rozijnen terug.
“Dank u wel,” zei Elsje. “Ik vind dit zoo’n aardigen winkel, net zoo een als bij ons.”
“Is je vader dan ook kruidenier?”
“Neen, mijn ouders zijn dood. Ik woon buiten, dicht bij een heel mooi dorp, bij mijn grootmoeder. Ik ben hier maar voor een poosje. Maar nu moet ik weer naar huis, anders is tante boos op me. Dag Evert!”
“Dag!” zei Evert.
“Elsje heet ik.”
“Dag Elsje. Kom je morgen weer?”
“Neen, dat denk ik niet,” zei Elsje lachend.
“Ze zal nog wel eens voorbij komen,” zei de vrouw, ziende dat Evert een lipje trok. “Dag Elsje, dank je nog wel voor je hulp.”
Elsje nam een beetje haastig afscheid. Zij had opeens gezien op de klok in den winkel dat het bijna twaalf uur was en hare tante had haar zeker al eerder thuis verwacht. Ze was den bloemenwinkel al voorbij en liep snel voort, toen ze opeens uitgleed en met een smak op den grond viel. Het zakje ontglipte haar hand en raakte los en al de rozijnen vielen in een lange, bruine streep op den grond, tot groote vreugde van twee of drie straatjongens, die uit alle macht aan het grabbelen gingen.
Pijn deed ze zich gelukkig niet erg, maar ze had toch moeite om weer op te komen; de plek, waar zij gevallen was, was zóó glad. Telkens als ze probeerde op te staan, gleed ze weer uit.
“Geef mij maar eens een hand,” zei een vriendelijke stem achter haar en haar rechterhand uitstrekkend, zag ze een heer bij zich staan met een jong, prettig gezicht, waarin de donkerbruine oogen haar vroolijk aanzagen.