Drieëntwintigste hoofdstuk.
Wij gingen den volgenden dag onder zeil en kregen last om uit te zien naar het Amerikaansche eskader, dat onzen handel zooveel afbreuk had gedaan; wij stelden daarom koers naar de kust van Afrika. Tien dagen waren wij onder weg, toen van top een schip werd ontdekt. Op dat oogenblik bevonden wij ons binnen de honderdentachtig mijlen van de Kaap-Verdische eilanden. Wij zetten zooveel mogelijk zeil voor de jacht, en verkenden het schip spoedig voor een zeer zwaar fregat, dat niet de minste moeite deed om ons te ontwijken, doch veel eer zijne bezeildheid tegen de onze beproefde: zijne wijze van handelen liet ons geen twijfel, dat het een Amerikaansch fregat was, en wij maakten ons tot het gevecht gereed.
Onze commandant had, geloof ik, nog nooit een zeegevecht bijgewoond, of zoo al, dan was hij er alles van verleerd; op grond hiervan, behoefte gevoelende zijn geheugen te verscherpen, legde hij boven op het spil gereed het beroemde uittreksel uit John Hamilton Moore, een boek dat nu verouderd is, maar destijds beschouwd werd als de vraagbaak in zeeaangelegenheden, bijeenverzameld door een van de bekwaamste schrijvers op dat gebied. John, die omtrent elk geval, dat zich voor kan doen, den noodigen raad uitdeelt, heeft ons, onder andere nuttige wenken, verteld wat de proefondervindelijk gebleken beste wijze is om een schip in actie te brengen en daarna zijnen vijand te nemen. Doch de genoemde John moet zeker in de dwaling verkeerd hebben, dat kogels even gemakkelijk rood gloeiend te maken waren, als zijn eigen neus gloeiend rood, of hem moeten ganschelijk ontgaan zijn »de manieren en gewoonten in zulke gevallen op zee gebruikt,” daar hij aangeeft als voorlooper of eerste gerecht van het diner een goeden voorraad gloeiende kogels toe te dienen op het oogenblik dat de gasten pas zijn aangezeten. Wáár echter bedoeld gerecht gekookt moet worden, verzuimt hij er bij te vertellen. Het kan echter niet worden tegengesproken, dat eene volle laag van zulke artikelen van grooten invloed zou zijn op de overwinning, vooral indien de vijand bij ongeluk geen kans zag met gelijken munt terug te betalen.
Zoo althans dacht zijn lordschap, die naar den eersten officier toegaande, zeide:
»Mijnheer »Dinges,” zoudt gij niet denken, dat gloeiende »hoe heeten zij ook” moeten gegeven worden in de eerste laag aan dien »gij weet wel?””
»Gloeiende kogels, bedoelt gij, mylord?”
»Ja,” zeide zijn lordschap; »denkt gij niet dat wij hen daarmede zouden klein krijgen?”
»Waar duivel moeten wij die vandaan halen, mylord?” vroeg de eerste officier, die niet dezelfde was, die met mij had willen duëlleeren, omdat ik hem voor een even grooten bol had uitgemaakt als de commandant; laatstbedoelde was door de kuiperijen van den schrijver van boord af gewerkt.
»Ja, dat is waar ook,” zeide zijn lordschap.
Wij kwamen nu het vreemde schip zeer snel nabij, toen het, tot onze groote teleurstelling, een Engelsch fregat bleek te zijn; over en weer werden de onderscheidings- of nummerwimpels geheschen, en de commandant, die jonger officier was dan de onze, kwam bij ons aan boord, om zijne opwachting te maken en zijne orders te laten zien. Hij was vóór drie weken uit Engeland vertrokken, bracht het bericht mede van den vrede, die met Frankrijk gesloten was, en onder zijne papieren eene promotielijst van de marine, die nevens een flesch Londen-porter een zeeofficier buitenslands steeds het meest welkom is.
Gretig namen wij allen kennis van den inhoud dezer belangwekkende lijst, en ik was oververheugd bij de pas benoemde commanders mijn eigen naam aan te treffen: wel stond ik juist nog de onderste, doch dit maakte niet uit. Ik ontving de gelukwenschingen mijner kameraden. De schepen gingen weer spoedig uit elkander, en wij zetten koers naar het eiland Santiago, daar onze commandant voornemens was onzen watervoorraad in Port Praya aan te vullen, vóór wij een langdurigen kruistocht op het Amerikaansche eskader zouden aanvangen.
Hier vonden wij een slavenhaler, onder bevel van een zeeofficier en bestemd naar Engeland; en dit achtte ik eene schoone gelegenheid om daarmede de reis te maken, daar ik er natuurlijk weinig lust in had, om als luitenant te blijven dienen, wetende dat ik reeds overste was. Doch ook om meer redenen, wenschte ik thuis te varen, en de dringendste daarvan was mijn voorgenomen huwelijk met Emilia. Op grond daarvan verzocht ik van den commandant vergunning om het schip te verlaten, waarvoor hij wel termen kon vinden, omdat het hem gelegenheid gaf een zijner gunstelingen in mijne plaats te stellen. Ik nam afscheid van mijne kameraden en van mijn commandant, die, hoewel een ongevoelige kwast en volstrekt geen zeeman, toch verscheidene goede eigenschappen bezat: werkelijk mocht men zijn lordschap een gentleman noemen; en hadden wij den vijand ooit ontmoet, dan zoude hij met zijn schip goed gevochten hebben, want hij had goede officieren, was voldoende overtuigd van zijne eigene onbekwaamheid en zou naar goeden raad geluisterd hebben, terwijl hij in persoonlijke dapperheid voor niemand behoefde onder te doen.
Drie dagen na onze aankomst, zeilde het fregat weder uit. Ik begaf mij naar boord van den gewezen slavenhaler, waar geene slaven aan boord waren dan een viertal om op scheepje dienst te doen; het was er jammerlijk smerig, en daarin moest ik mij zien te schikken, omdat er geen herberg aan den wal was. Port Praya is de eenige goede ankerplaats op het eiland; de oude stad Santiago was verlaten, doordien aldaar slechts eene open reede was, die eene hoogst onveilige ankerplaats aanbood. De stad Port Praya is slechts eene ellendige verzameling van hutten van klei opgetrokken; het huis van den gouverneur en nog slechts één ander zijn beter gebouwd, maar zij zijn nog niet zoo bewoonbaar als een stulp in Engeland. Het geheele eiland telde geen tien Portugeezen, doch meer dan tienduizend zwarten, oorspronkelijk slaven; toch was alles er vreedzaam hoewel er iederen dag opnieuw slaven werden aangevoerd.
Niet moeielijk viel het de verschillende rassen van elkander te onderscheiden; de Yatoffen zijn lange, doch geen zwaar gebouwde menschen, meerendeels soldaten. Ik zag er eens tien bij elkander staan, waarvan de kortste boven de zes voet en twee à drie duim haalde. De Foulah’s, uit het land van Ashantee, behooren tot een ander ras; dezen zijn krachtig en gespierd, leelijk van gelaat, slecht gevormd en verraderlijk. De Madingoes zijn de kleinsten van allen, maar zij zijn een goedig, handelbaar soort.
Dit eiland van slaven wordt alleen door slaven, die men soldaten heeft gemaakt en die ellendig uitgerust zijn, in bedwang gehouden; hunne uniform is voor een deel voortbrengsel van kunst, namelijk een buis en een hoofddeksel, voor het overige geheel natuur. Alleen de ordonnans van den gouverneur veroorloofde zich de weelde van een broek, doch deze was dan ook voortdurend in dienst, van den een op den ander overgaande, naarmate er aflossing plaats vond.
Ik stak bij den gouverneur mijn compliment af, die hoewel een Portugees zijnde, de mode van het eiland verkoos te volgen en even zwart was als het meerendeel zijner onderdanen. Na eenige weinige Fransche plichtplegingen nam ik mijn afscheid. Ik was zeer nieuwsgierig om de oude, verlaten stad Santiago te zien; en na een zeer warme wandeling van wel twee uren over allerlei braak liggende gronden, waar men niets dan grazende geiten zag, bereikte ik de woeste plek.
Het was een treurig schouwspel; het scheen, dat daar een menschenras was uitgestorven. De stad was gebouwd op eene ruime glooiing, die naar zee afliep; de huizen waren van steen en schoon; de straten geregeld en geplaveid, waaruit viel op te maken, dat het vroeger eene plaats van gewicht moest geweest zijn; doch verwonderlijk is het, dat zulk een dor, onvruchtbaar eiland nog ooit eenigen handelsvoorspoed gekend heeft. Wat daarvan bestaan heeft, moet geweest zijn, vóórdat de Portugeezen de Kaap de Goede Hoop omzeilden; en de hechtheid en sierlijkheid van sommige gebouwen pleit voor deze onderstelling.
De muren waren dik en stonden nog in hun geheel; de kerken waren talrijk, doch hunne daken waren evenals die van het meerendeel der huizen, ingevallen. Sommige boomen waren in het midden der straten tot eene belangrijke hoogte opgegroeid, en hadden zich door het plaveisel een weg gebaand en aan weerszijden de steenen opgelicht; de kloostertinnen waren slechts wildernis. Door menig dak stak de kruin van een kokospalm omhoog; uit verscheidene ramen hingen de reusachtige bladen der banaan. De eenige bewoners dezer stad, groot genoeg om er tien duizend te kunnen bevatten, waren enkele monniken, die een ellendigen bouwval hadden betrokken, het overblijfsel van een prachtig klooster. Dit waren de eerste negermonniken, die ik ooit zag; hunne kappen waren zoo zwart als hun gelaat, en hun haar was grijs en wollig. Ik kwam tot het besluit, dat zij deze levenswijze alleen uitgezocht hadden, omdat er geene andere zoo lui te vinden was; doch ik kon mij geen denkbeeld maken van de wijze, waarop zij in hun onderhoud voorzagen, daar er niemand was, bij wien zij om een aalmoes of gift konden vragen.
Het voorkomen dezer arme lieden paste volkomen bij hunne treurige omgeving. Er was schoonheid en liefelijkheid in deze eerbiedwaardige bouwvallen, die mij aangenaam aandeed. In de stad zelf heerschte eene indrukwekkende stilte; doch er was als eene zachte stem, die mij in het oor fluisterde:—»Londen zal eenmaal hetzelfde zijn—en Parijs; en gij en uwe kinderen en kindskinderen zullen allen geleefd, geliefd en geleden hebben; doch wie zal de rampzalige man zijn, die van den top van Primrose-Hill op de doodsche, eenmaal zoo machtige stad zal nederzien, als gij van deze kleine hoogte op de eens bloeiende stad Santiago nederblikt?”
De geiten graasden langs de helling van den heuvel en de jongen huppelden om hen heen. »Waarschijnlijk zijn dit nu,” dacht ik, »de eenige voedingsmiddelen van deze arme monniken.” Ik wandelde terug naar Port Praya en keerde aan boord mijner drijvende gevangenis, den slavenhaler, weder. De officier, die daarover het bevel voerde en hem als prijs overbracht, was een weinig aangenaam mensch; hij viel althans niet in mijn smaak, en wij wisselden slechts gewone beleefdheden. Hij was een oud masters-adsistent, die wel drie malen zijn tijd uitgediend had; doch een weinig verdienstelijk persoon zijnde en geene vrienden bezittende, die zorgden dat dit gebrek over het hoofd werd gezien, had men hem steeds met de bevordering gepasseerd: hierom zag hij met afgunst tegen een jong commander op. Het was niet juist op zijn verlangen, dat ik de reis medemaakte, doch hij was er toe verplicht geworden door den last van mijne vorigen commandant en profiteerde er nu meteen van om de kajuitstafel op eene voordeelige wijze (uit mijne beurs) te voorzien van de noodige ververschingen, in den vorm van vruchten, gevogelte en groenten, alleen te Port Praya te verkrijgen; hierdoor had hij zich nu natuurlijk in mijn gezelschap te schikken.
Het vaartuig zou, zooals ik bespeurde, den volgenden dag nog niet zeilen. Met het aanbreken van den morgen ging ik met mijn geweer over den schouder en met een gids bij mij den wal op, het land in, op de jacht van pintado’s, eene vogelsoort van de kust van Guinea, welke in overvloed ook op dit eiland wordt aangetroffen. Zij waren echter zoo schuw, dat ik geen enkelen onder schot kon krijgen; en ik keerde over de heuvels terug, langs een weg, dien de gids mij als den kortsten had aangewezen. Vermoeid van het loopen, was ik verheugd in een beschut dal aan te komen, waar de palmboom en banaan eene heerlijke schaduw voor de brandende zon opleverden. De gids klom verwonderlijk vlug een kokosboom in en wierp van boven een zestal der vruchten neder. Zij waren van buiten groen en hunne melk vond ik de verfrisschendste en aangenaamste drank, die ik ooit geproefd had.
De vesperklokken van Port Praya riepen nu de arme, zwarte monniken tot het gebed op; doch ook onder de kleine zwarte jongens en meisjes, wier tegenwoordigheid ik nog niet had opgemerkt, kwam er rumoer en opschudding. Zij kwamen van alle kanten uit het kreupelhout op, en verzamelden zich aan den voorkant van de eenige woning, die ik daar in den omtrek zag. Een lange, oude neger kwam daaruit te voorschijn en plaatste zich op eene hoop graszoden, enkele voeten van de hut verwijderd; hij werd gevolgd door een knaap van omtrent twintig jaren, die eene geweldige zweep in de hand hield, gemaakt van zeerobbenvel, dat om zijne hardheid en het pijnlijke der daarmede toegebrachte slagen eene zekere vermaardheid heeft verworven. Achter den beul liepen met langzame, afgemeten stappen, de arme kleine slachtoffers, vijf jongens en drie meisjes, die met beangstigde gezichten zich voor den ouden man in het gelid plaatsten.
Spoedig kwam ik er achter dat hier »alle hens op” geroepen was voor eene strafoefening; maar den aard van het misdrijf moest ik nog leeren kennen.
De oude man beval den oudsten der jongens om met zijn Pater Noster een begin te maken, en te gelijk hief de geeselaar, ter bemoediging, zijne zweep omhoog. De arme jongen keek er schuins naar toe en begon toen: »Pattery Nobstur, qui, qui, qui—(hier ontving hij een geduchten zweepslag)—is in silly,” gilde de jongen alsof het vervolg uit zijn mond was gehaald door de toepassing van aandrang van buiten in tegenovergestelde richting—»sancty fish eter nom tum, adveny regnum tum, fi notun tas, ta, ti, tu, terror—” gilde de jongen weer, zich inkrimpende, toen hij de zweep weer zag nederdalen op zijn blooten rug.
»Ja, wel met recht terror,” dacht ik.
»Panum, nossum quotditty hamminum da nobs, e missy nobs, debitty nossa si nos demittimissibus debetinebas nossimus e, ne, nos hem—duckam in, in, in, temptationum, sed lilibery nos a ma—ma—”. Hier bracht een hevige slag de lo! die noodig was om den zin te voltooien, te voorschijn.
Mijne lezers moeten nu niet veronderstellen, dat de rest van de klasse zich evengoed van hunne les kweten als de eerste, die bij hen vergeleken een geleerde was; de overigen ontvingen ongeveer voor elk woord een slag. De jongens werden het eerst afgehandeld, ten einde, zooals ik veronderstel, het volle voordeel te genieten van de krachten van den beul; terwijl de arme meisjes het bijkomende genoegen smaakten om de kastijding te zien, voordat zij aan de beurt kwamen. De meisjes kwamen een voor een op om hun Ave Maria, als meer passend bij hare sekse, op te dreunen; doch ik had moeite mij in te houden, toen ook die helsche zweep op haar werd toegepast.
Ik had grooten lust den jongen neger de zweep uit de handen te rukken en die met alle kracht op hem en dien ouden schurk van een meester te laten neerdalen, die, zooals ik spoedig vernam, nog wel de vader van die arme kinderen was.
Doch het fraaiste moest nog komen. Vóór het gordijn vallen zou, moest er nog iets grootsch vertoond worden. Het jongste meisje was zoo achterlijk in hare les, dat er, zelfs met behulp van de zweep, geen woord uit te krijgen was; het arme slachtoffer liet niets hooren dan jammerkreten, voldoende om iemand het hart te doen bloeden. Woedend over de onvatbaarheid van het kind om woorden op te zeggen, waarvan zij de beteekenis niet kende, vloog de oude man van zijne zitplaats op en sloeg haar, tot zij bewusteloos op den grond nederzeeg.
Ik kon het niet langer aanzien. Mijne eerste neiging was om den neger de zweep te ontnemen en het arme bloedende kind te wreken, dat daar in onmacht lag, doch nader inzien overtuigde mij, dat ik door zulk eene handeling slechts dubbele straf aan den ongelukkige slachtoffers op den hals zou halen, nadat ik de hielen had gelicht; ik nam dus mijn hoed op en wendde mij met walging af, langzaam terug wandelende naar de stad en de baai van Port Praya. Ik overdacht onder het loopen, wat eene behagelijke denkbeelden die arme schepselen omtrent godsdienst moesten hebben, als de naam van God te gelijk met de zweep in hunne herinnering werd gehouden.
Aan het strand gekomen, liet ik mij naar boord van den slavenhaler overbrengen en zeilde daarmede des anderen daags naar Engeland. Wij hadden eene voorspoedige reis tot op de Gironde, toen wij stormweder uit het noordoosten op den kop kregen, waardoor wij zuidwaarts werden teruggeslagen en de prijsmeester in de noodzakelijkheid gebracht werd voor de noodige herstellingen en de aanvulling van den watervoorraad Bordeaux binnen te loopen.
Dit speet mij niets, daar ik genoeg had van het gezelschap van dezen officier, die, bij andere onaangename eigenaardigheden ook nog onbeschaafd en slecht van humeur was en even weinig zeeman als gentleman. Als zoovele anderen in den dienst, die het luidst klagen over slechte bevordering, vond ik, dat hij zelfs in zijn tegenwoordigen rang het zout dat hij at niet verdiende; menschen van zulk soort te bevorderen, was slechts het volk bestelen. Zoodra wij dus geankerd lagen in de Gironde, vóór de stad Bordeaux, en door de bevoegde macht gevisiteerd waren, verliet ik het vaartuig en zijn kapitein en ging naar den wal.
Mijn intrek genomen hebbende in het Hôtel d’Angleterre, was mijne eerste zorg een goed middagmaal te bestellen; en dit besproeid hebbende met een flesch Vin de Beaune (die ik alle reizigers durf aanbevelen), vroeg ik aan mijn valet de place, waar ik het verdere deel van den avond kon doorbrengen.
»Wel mijnheer,” zeide hij, »gij moet naar den schouwburg gaan.”
»Allons,” zeide ik; en eenige oogenblikken later zat ik in eene loge, van een der schoonste schouwburgen van Europa.
Vierentwintigste hoofdstuk.
Op hoe wonderbaarlijke wijze kunnen soms toch menschen door het noodlot bij elkander gebracht worden! Hoe dikwijls gebeurt het, dat de minste kleinigheid een zeer zwaar gewicht wordt in de schaal der gebeurtenissen, een grooten invloed oefent op het lot van den sterveling!
De lezer zal zich herinneren, dat ik vroeger in kennis kwam met een reizend tooneelgezelschap en daaronder ook een meisje had ontmoet, Eugenia genoemd, dat mij door haar fatsoenlijk voorkomen had getroffen. Ik was toen zelf uit verveling en loszinnigheid eenigen tijd lid van dit gezelschap geweest, tot ik tot mijne dienstplichten en betamelijkheid teruggebracht werd door de toenmaals weinig gewaardeerde tusschenkomst mijns vaders.
Thans te Bordeaux in den schouwburg zittende, werd ik reeds spoedig in de eerste acte getroffen door de mij nog zeer bekende gelaatstrekken van de actrice, met wie ik bij die vroegere gelegenheid voor korten tijd had kennis gemaakt.
Was zij het? Hoe kwam zij daar? Dit waren vragen, die om oplossing bij mij aandrongen. Reeds den volgenden morgen stelde ik een onderzoek in en vernam, dat Eugenia, thans als Madame de Rosenberg bekend, gehuwd was geweest met iemand, die eerst haar klein vermogen had doorgebracht en toen was gestorven. De arme weduwe moest, om in haar onderhoud te voorzien, wel tot haar oud beroep hare toevlucht nemen en was, na tal van wederwaardigheden te hebben ondervonden, thans in vrij bekrompen omstandigheden, zonder vrienden, in den vreemde. Dit alles vernam ik uit haren mond, toen ik er in geslaagd was hare tegenwoordige verblijfplaats te ontdekken en haar aldaar had opgezocht. Juist dienzelfden morgen had zij echter een schrijven van een rechtspersoon in Londen ontvangen, haar mededeelende, dat zij eene kleine erfenis had gekregen van een verren bloedverwant en daarbij de vrije beschikking over eene villa op een dorpje nabij de groote stad.
Het was nu haar voornemen om ten spoedigste haar tegenwoordig beroep te laten varen en naar het vaderland terug te keeren. Het dorpje, waar zij zich vestigen wilde, was mij niet onbekend. Ik was er bij mijne bezoeken aan de familie Sommerville te ... Hall telkens doorgetrokken; mijn eigen plan was zoodra mogelijk naar Engeland door te reizen; wat lag dus meer voor de hand, dan dat ik aanbood haar geleider te zijn tot aan de plaats harer bestemming? Eenmaal onderweg, nam ik ook op mij, haar raadsman in geldaangelegenheden te worden, zonder daarbij te denken, dat dit mij meermalen tot een bezoek aan haar zou noodzaken.
Van mijne reis door Frankrijk en over het Kanaal kan ik zwijgen; dit onderwerp is bij herhaling behandeld en daardoor uitgeput. Ik stap dit dus over, tot ik Eugenia in haar nieuwe verblijfplaats onder dak had gebracht en weder aan de woning mijns vaders aankwam, waar mijne komst het sein was voor groote verheuging.
Ik vond aldaar Clara geheel genezen van hare vooroordeelen tegen de zeeofficieren, zoover gebracht door de aangename manieren van mijnen vriend Talbot, met wien ik vernam, dat zij gedurende mijne afwezigheid verloofd was. Dit was, gelijk ik Clara lachende opmerkte, eene groote zegepraal voor de zeemacht; en daar ik Talbot de grootste achting toedroeg, beschouwde ik de vooruitzichten mijner zuster als zeer schitterend en oordeelde, dat zij eene keuze gedaan had, die zeer in het voordeel van haar toekomstig geluk was.
Reeds den volgenden dag begaf ik mij naar den heer Sommerville op weg en werd ook aldaar, zooals te verwachten was, met open armen ontvangen; toen het gezelschap eenige dagen later vermeerderd werd door de aankomst van mijn vader met Clara en Talbot, achtte ik mij den gelukkigsten sterveling ter wereld. Mijne aanstaande noemde zes weken als den korsten tijd, dien zij noodig had om opgetuigd te worden, hare nieuwe zeilen opgebracht te zien en gereed te zijn voor het ondernemen van de lange en dikwijls vervelende huwelijksreis. Ik maakte bezwaren tegen dit hinderlijke uitstel.
»Hoe lang het u ook schijnt,” zeide zij, »is het toch nog veel korter dan de tijd, dien gij noodig gehad hebt om uw mooi fregat voor Noord-Amerika uit te rusten.”
»Dat fregat werd toen nog niet eens gereedgemaakt door eenigen drang van mijne zijde,” was mijn antwoord; »en als er ooit van mij nog eens een eerste lord van de admiraliteit mocht groeien, dan zal ik een waakzaam oog houden op de jonge luitenants en hunne liefjes te Blackheath, vooral wanneer er eenig schip met spoed te Woolwich moet gereedgemaakt worden.”
Tot groot genoegen van alle partijen, hadden vele zulke kleine schermutselingen plaats; intusschen waren de jonge dames bezig om groote bestellingen in de modewinkels te doen, en hunne papa’s om de daaruit voortvloeiende rekeningen te voldoen. Mijn vader was ten opzichte van Emilia bijzonder vrijgevig op het punt van tafelzilver en juweelen, en de heer Sommerville even vriendelijk tegenover Clara.
Ik had het zoo druk en was zoo overgelukkig, dat ik drie weken liet verloopen, vóór ik aan Eugenia dacht. Eindelijk droomde ik, dat zij mij verwijten deed, dat ik haar naar Engeland had teruggebracht en thans in allerlei beslommeringen alleen liet staan. Den volgenden dag, zoodra het ontbijt over was, liet ik, onder den levendigen indruk van dien droom, mijn paard zadelen, beval de beide jonge dames in de zorg van Talbot aan en reed naar de haar toebehoorende villa. Zij ontving mij vriendelijk, doch scheen in den tusschentijd veel hartzeer te hebben ondervonden; hare gezondheid had daaronder blijkbaar geleden.
Mijne tegenwoordigheid, wat vroeger, zou vele zwarigheden, die zij nu ondervond, uit den weg hebben kunnen ruimen. Ik weidde thans al mijne zorg aan hare belangen, en vooral bewerkte ik, dat er uit de naaste stad spoedig geneeskundige hulp werd ontboden, die ik zag dat zij moeielijk langer kon ontberen.
Het was heerlijk zomerweder geworden, en ik meende, dat het de arme verlatene goed zou doen eenigen tijd de frissche lucht in te ademen. Ik bood haar daarom den arm en geleidde haar naar een priëel, toen op ditzelfde oogenblik mijne oogen, naar den rijweg heenziende, den blik ontmoetten van Emilia, die met haren vader te paard een toer gemaakt had. Zij stonden bewegingloos op slechts weinige passen van ons verwijderd. Het was mij alsof zij noch ademhaalden, noch zich bewogen. Zelfs hunne paarden schenen van brons te zijn, of misschien was het wel de ongelukkige toestand, waarin ik mijzelf gevoelde te verkeeren, die mij dit denken deed. Zij waren even onverwacht tegenover ons gekomen, als wij hen ontdekt hadden. De zachte grond had de indrukken der paardenhoeven ontvangen, doch geen geluid daarvan wedergegeven; en zoo zij al snoven, hadden wij daarop geen acht geslagen in de drukte van ons gesprek.
Ik liep haastig toe, kreeg een hooge kleur, stamelde en was op het punt om te spreken. Misschien ware het beter van niet; trouwens er was ook geene gelegenheid om iets te zeggen. Als verschijningen waren zij gekomen, als verschijningen verdwenen zij. Door de laan, waarlangs zij zoo stil tot ons genaderd waren, trokken zij weder af en zij waren weg, vóór Eugenia hunne tegenwoordigheid bemerkt had.
Ik was door deze rampzalige ontmoeting zoo diep en smartelijk getroffen, dat ik bewusteloos op den grond viel; en het duurde lang voor de zorgen van Eugenia mij weer konden bijbrengen. Zoodra mogelijk begaf ik mij naar de herberg, waar mijn paard gestald was, en reed naar ..... Hall terug.
De heer Sommerville en zijne dochter waren pas thuis gekomen, en men was verplicht geweest Emilia van het paard te lichten en naar hare kamer dragen.
Clara en Talbot kwamen naar mij toe, om te vragen wat er gebeurd was. Ik kon dit niet mededeelen, doch gaf dringend mijn verlangen te kennen om Emilia te zien. Er kwam antwoord terug, dat miss Sommerville mij niet kon ontvangen. In de loop van dien dag, die wat zielesmart aanbetrof, de treurigste van mijn gansche leven was, legde ik alle omstandigheden uit tegenover mijn vader en den heer Sommerville.
Mijne uitlegging was niet voldoende om het verbreken van mijn engagement en de teruggave van alle geschenken, die Emilia van mijn vader en mij had ontvangen, te beletten. Daar mijn fout in groote onvoorzichtigheid en laakbare achterhoudendheid, maar geenszins in slechtheid bestaan had, deden mijn vader zoowel als de heer S. al wat zij konden om de goede verstandhouding te herstellen. Ook Clara en Talbot trachtten bemiddelaars te zijn, doch met even weinig succes. De jonkvrouwelijke trots van de niet aan ’t wankelen te brengen Emilia was verontrust door eene, zoo zij meende, schoone mededingster, die in het nabijgelegen dorp woonde. Die indruk eens teweeggebracht, kon niet worden weggewischt. Ik was valsch, wispelturig en trouweloos, en miss Sommerville liet weten, dat, zoolang ik daar als gast in huis was, zij zich verplicht gevoelde hare kamer te houden.
Onder deze omstandigheden was het voor den vrede van alle partijen maar beter dat wij uiteengingen.
Mijn vader bestelde tegen den volgenden morgen zijne paarden, en ik werd, meer dood dan levend, naar Londen teruggebracht. Aldaar kreeg ik een zware koorts en was drie weken lang ijlende; weer tot mijne zinnen gekomen, zag ik des te treuriger mijn lot in en was allesbehalve dankbaar voor mijn herstel.
Zoolang ik zorgen noodig had, was ik door Clara nooit alleen gelaten. Zij had mij eigenhandig alle geneesmiddelen toegediend. Ik vroeg haar naar alles wat er gebeurd was. Zij vertelde mij dat Talbot was afgereisd; dat mijn vader den heer Sommerville had weder gezien, die hem mededeelde, dat Emilia een langen brief van Eugenia had ontvangen, waarin de laatste alles naar waarheid had voorgesteld, waaruit mijne onschuld duidelijk moest blijken en voor zoover er kwaads kon zijn in onze ontmoeting, daarvan geheel de schuld op zich had genomen. Emilia had over dien brief tranen gestort, doch haar eens genomen besluit was niet gewijzigd. »En ik vrees, beste broeder,” zeide Clara, »dat haar besluit niet licht veranderen zal. Ik heb er mijn uiterste best toe gedaan, maar zij heeft zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat zij door u is misleid geworden. Hadt gij ook maar dadelijk van die weduwe Rosenberg gesproken! Maar dat komt van die achterhoudendheid. Gij vergist u wanneer ge denkt, dat wij zulks licht tellen. En in Emilia’s oogen althans is het een onvergefelijke fout geweest. Ik geloof u een dienst te bewijzen, Frank, met u te zeggen, dat gij geene hoop meer hebt. Hoeveel gij ook moogt geleden hebben en zult lijden, haar lijden is nog veel grooter; en ofschoon zij u nooit weder zal aannemen, uwe plaats zal niet door een ander worden ingenomen—zij zal met een gebroken hart in het graf nederdalen.
Nadat Clara in hare zusterlijke genegenheid mij aldus de waarheid gezegd had, roerde zij verder dit onderwerp niet meer aan, doch luisterde met ernst naar mijne verklaringen. Zij gaf toe, dat onze ontmoeting te Bordeaux even toevallig als ongelukkig was geweest; zij veroordeelde echter ten strengste mijne achterhoudendheid, die oorzaak van al het tegenwoordige misverstand was.
Met een diepen zucht erkende ik het onvruchtbare van Clara’s sympathie en betuigde mijn eigen bewustzijn, dat op deze wereld voor mij geen geluk meer bestaan kon.
Zoodra ik in staat was mijne kamer te verlaten, had ik een ernstig gesprek met mijn vader, die, hoeveel belang ook stellende in mijn geluk, verklaren moest, dat hij duidelijk inzag, dat alle pogingen tot verzoening vruchteloos zouden zijn. Hij deed mij een tweeledig voorstel, dat de strekking had de gevolgen van al te hevige droefheid te matigen. Het eerste was: om bij zijne vrienden aan het admiraliteitshof voor mij het commando over eene korvet aan te vragen; het tweede was: dat ik voor minstens een jaar op het vaste land zou gaan reizen, om bij terugkeer in Engeland te zien, of tijd en afwezigheid niet eenige voor mij gunstige verandering hadden teweeggebracht. Hij ging van de meening uit, dat Emilia in mijn afzijn de slechte kanten van mijn karakter zou leeren over het hoofd zien en in het einde alleen de goede zijden zou herdenken, en dat het de moeite waard was de proef te nemen, als de eenige kans van slagen.
Ik stemde hierin toe. »Doch,” zeide ik, »daar de oorlog met Frankrijk over is en die met Amerika onmogelijk lang meer kan duren, verlang ik geenszins u op kosten te jagen en mijzelf moeielijk te maken met het uitrusten van eene korvet in vredestijd. Dit zou eigenlijk slechts een pleizierjacht voor groote heeren en dames worden, waar ik aan boord niets meer of minder dan de hofmeester zou wezen. Als ik ons beider geld verteerd en mij in beleefdheden uitgeput had, zou ik daarvoor zelfs geen dank inoogsten en wellicht alleen van ter zijde vernemen, dat ik in de hoogere kringen beschouwd werd als »nog al een dragelijke zeebeer”. Om die reden,” vervolgde ik, »wil ik liever geen schip hebben, en geef ik er de voorkeur aan wat verstrooiing op het vaste land te gaan zoeken.”
Toen dit overeengekomen was, sprak ik er Clara over. De arme meid was er zeer bedroefd om. »Mijn beste broeder,” weeklaagde zij, »ik zal u verliezen en dan alleen op de wereld staan. Uw onstuimige en voor indrukken zoo licht ontvlambaar gemoed, zal zoo misplaatst zijn in de omgeving der vroolijke en lichtzinnige Franschen!”
Ik stelde haar, zooveel in mijn vermogen was, gerust, en toen alle toebereidselen voor mijn vertrek naar den vreemde gemaakt waren, besloot ik nog éénmaal een blik te slaan op ... Hall, vóór ik Engeland verliet. Ik vertrok derwaarts, zonder het aan iemand mijner huisgenooten te hebben medegedeeld, en maakte, dat ik tegen de schemering nabij het park was. Over het hek klimmende, wist ik langs zijwegen het huis nabij te komen. De gewone huiskamer was gelijkvloers, en voorzichtig naderde ik daarvan het raam. Ik zag Emilia en haren vader in het vertrek. Hij las hardop; zij zat met een boek voor zich, doch blijkbaar waren hare gedachten elders; met hare hand ondersteunde zij het voorhoofd; toen zich over de tafel voorover buigende, rustte zij op de ellebogen en scheen in diep, treurig gepeins verzonken.
Emilia zag haar boek weder in, zoodra haar vader had opgehouden luid te lezen; zij wischte zich een traan van de wangen.
Getroffen door dit huiselijk tafereel en nog onder den indruk van mijne laatste, ernstige ongesteldheid, die niet geheel over was, gevoelde ik eene flauwte opkomen; hopende, dat deze slechts van voorbijgaanden aard was, zette ik mij onder het raam neder. Doch het baatte niet meer; ik viel op den grond in een staat van volkomen bewusteloosheid, die wel een half uur geduurd moet hebben. Later vernam ik van Clara, dat Emilia het venster geopend had en naar buiten was gekomen, om zich een weinig te herstellen, en mij toen bij het heldere maanlicht had zien liggen. Hare eerste gedachte was geweest, dat ik zelfmoord had begaan; en onder dien indruk was zij de kamer ingesneld, had het venster dichtgetrokken en was in onmacht gevallen. Niemand had begrepen wat er gaande was, daar zij, naar hare slaapkamer gedragen, eerst den volgenden morgen in staat was geweest, eenige verklaring af te leggen.
Ikzelf kwam door de nachtkoelte langzaam weder bij en strompelde met moeite naar mijn rijtuig terug, waarvan de voerman mij mededeelde, dat ik ongeveer een uur afwezig was geweest, en reed naar de stad terug, niet denkende, dat ik door iemand en allerminst dat ik door Emilia was opgemerkt geworden. Toen deze haren vader mededeelde wat zij gezien had, wilde hij het niet gelooven, of nam daarvan althans den schijn aan, het uitleggende als een bewijs, dat zij in een overprikkelden gemoedstoestand had verkeerd, wat zij later zelf begon te gelooven.
Weinige dagen daarna ging ik naar het vaste land op reis. Talbot bood mijn vader aan mij te vergezellen. Door het gebeurde was zijn huwelijk met Clara een tijdlang uitgesteld, daar zij verklaarde niet gelukkig te willen worden, zoolang ik in rouwe was.
Wij kwamen te Parijs aan; doch ik bleef zoo verstrooid en mij zoo ellendig gevoelen, dat ik zag, noch hoorde en alle pogingen, die mijn reisgenoot in het werk stelde om mij af te leiden, vruchteloos waren.
Verscheidene dagen achtereen was mijn geest in een toestand van verstomping, die Talbot het ergste voor mij deed vreezen en hem aanleiding gaf een hoogst gevaarlijk middel tot mijne opwekking aan te wenden. Wij ontmoetten eens op eene kalme wandeling eenigen zijner vrienden; op hun aandrang begaven wij ons naar de zalen van het Palais Royal. Bijna was dit bezoek op mijn geheelen ondergang uitgeloopen; alleen door een groot wonder ontsnapte ik daaraan. In den tijd, waarvan ik spreek, was het Palais Royal een groot speelhol. In mijne gemoedsstemming, uitgesloten uit het gezelschap van al wat ik liefhad, kan ik meer tot mijne verontschuldiging aanvoeren, dat ik mij door het spel liet medeslepen, dan zoo menig andere ongelukkige, die langs dien weg zijne huisgenooten en daardoor zichzelf in het verderf heeft gestort.
Emalia gaat naar buiten en ziet Frank liggen.
Pag. 296.
Voor het eerst sedert mijne ziekte gevoelde ik belangstelling in mij ontwaken, en ik legde geld neder op die vervloekte speeltafels. De kansen waren afwisselend voor en tegen mij; doch ik gevoelde mij herleven door dien prikkel en verlangde dagelijks met onstuimig verlangen naar het tijdstip dat het spel weder zou aanvangen. Ik begon nu te winnen, hoe langer hoe meer; elken nacht bracht ik aan de tafel door,—want geldzucht is niet te verzadigen; na eenige dagen liet mijn geluk mij weer in den steek; toen werd ik telkens weer daarheen gedreven door de hoop, terug te winnen wat ik verloren had.
De fortuin bleef mij ongunstig, en ik verloor belangrijke geldsommen. Ik werd wanhopig en trok groote wissels op mijn vader. Hij verzocht mij in zijne brieven om mij te matigen, daar tweemaal zijn inkomen niet in staat zou zijn dergelijke verteringen het hoofd te bieden. Ook schreef hij aan Talbot, en toen deze hem had medegedeeld welken weg al dat geld opging en dat hij geen kans meer zag mijne speelwoede te temperen, verklaarde hij voortaan mijne wissels te zullen weigeren.
Nog slechts een zeer kleine som restte mij. Was ook deze verloren, dan moest ik wel eindigen, want voor het maken van schulden bestond geene gelegenheid. Tegen Talbot gevoelde ik eenigen wrok; onrechtvaardig genoeg gaf ik hem in stilte de schuld, dat mij de middelen om door te blijven spelen ontbraken, want na zooveel tegenspoed was de fortuin immers verplicht te keeren?! Ik zou nog één avond de kans wagen en dan niet meer. Talbot vergezelde mij en hield een wakend oog op mijne handelingen, daar hij zich van schuld bewust gevoelde, mij aan den speelduivel te hebben overgeleverd.
Men speelde »rouge et noir.” Ik zette alles op rood en won, liet den inzet staan, verdubbelde, won weder. De hoop goud nam reusachtige afmetingen aan. Weder, nogmaals, andermaal verdubbelde hij. Zeven malen achtereen was de roode kaart gekeerd, zeven malen was mijn inzet verdubbeld. Talbot, die achter mij stond, bad en smeekte mij om nu te eindigen.
»Bedenk toch wat de gevolgen zijn van het ééns keeren van de andere kaart,” zeide hij; »waag nu niet langer, wees tevreden met hetgeen gij hebt.”
»Dat,” mompelde ik, »Talbot, kan mij niet helpen; ik wil meer hebben.”
Wederom werd rood gekeerd, tot verbazing der omstanders; en tot hun nog grooter verbazing bleef mijn goud nog steeds op de tafel liggen. Weer trachtte Talbot mij te overtuigen, dat langer doorgaan krankzinnigenwerk was.
»Als een krankzinnige ben ik reeds lang aan het werk,” was mijn antwoord; »nu nog éénmaal en dan voor het laatst.”
De bankiers, wetende hoe gering de kans is, dat na acht malen rood gekeerd te hebben, andermaal die kleur boven komt, en voor hen dus de meeste waarschijnlijkheid bestond hun geld terug te krijgen, gaven vergunning voor den 9den zet. Talbot beefde als een blad. De kaart werd gekeerd: het was rood, de bank was gesprongen.
Voor dien nacht was het spel ten einde. De verliezers gaven natuurlijk aan hun gevoel lucht in de hevigste verwenschingen, terwijl ik bedaard al mijne winst bijeenstreek en per rijtuig huiswaarts keerde met Talbot, die de voorzorg had genomen, om het geleide van twee gendarmes te vragen. Beiden ontvingen een Napoleon tot belooning.
»Nu, Talbot,” zeide ik, »ik zweer plechtig om, zoo waar als ik in den hemel hoop te komen, nooit weder te spelen.” En deze belofte heb ik eerlijk gehouden. Mijn goed geluk was één op de tienduizend, die in dat huis geruïneerd zijn geworden. Den volgenden morgen reeds zond ik alles aan mijn vader terug wat ik van hem ontvangen had, en hield zelf nog eene belangrijke som over.
Vast besloten om dezen kring van losbandigheid en verleiding, waar mijn voornemen elk uur op de proef werd gesteld, te verlaten, kwamen wij overeen om naar Brest te reizen en aldaar de arsenalen te gaan zien.
Vijfentwintigste hoofdstuk.
Twee dagen later verlieten wij Parijs; na eene reis van drie dagen door eene eentonige landstreek, bereikten wij de kleine stad Granville, aan het Kanaal gelegen. In dit aangename plaatsje vertoefden wij eenige dagen; en daar onze brieven ons geregeld werden nagezonden, ontvingen wij ook hier weer tijding uit Engeland.
Daaronder was ook een brief van Clara, welke inhield, dat er verschillende pogingen waren aangewend om Emilia tot andere gevoelens over te halen, zonder dat daardoor het minste was bewerkt; dat daardoor integendeel eene zekere verkoeling tusschen de familiën was teweeggebracht. Zij voegde daarbij: »Ik vrees, dat uw vriend nog wel zoo slecht is, als gij zijt; want ik hoor, dat hij reeds lange jaren met een ander meisje verloofd is. Daar ik nu geloof, dat de grootste aanleiding tot uwe vriendschap zijne genegenheid voor mij is, en gij dus een verkeerden indruk van zijne oprechtheid hebt, acht ik het mijn plicht u met een en ander bekend te maken. Het is onmogelijk, dat gij langer achting kunt gevoelen voor den man, die met de gevoelens uwer zuster gespot heeft, en vurig hoop ik, dat uw volgende brief het bericht uwer scheiding zal behelzen.”
Hoe weinig dacht de arme Clara, toen zij dezen brief schreef, welke ernstige gevolgen dit hebben zoude; dat zij door hare klachten eene mijn deed springen, waardoor rampen zouden ontstaan, tienmaal zoo ernstig als al wat ons ooit overkomen was.
Ik was toen ter tijde in een sombere gemoedsstemming, ik haatte mijzelf en ieder ander. De laatste dagen had ik het gezelschap van Talbot verduurd, doch het was mij niet aangenaam geweest; en ik was zelfs zoekende naar een voorwendsel om van hem ontslagen te geraken. Ja, hij was mijn vriend, dit had hij bewezen; doch ik was niet in eene stemming om diensten te erkennen. Afgewezen door haar, die ik liefhad, had ik neiging om elkeen af te wijzen. Talbot was mij een blok, een ketting aan het been, waarvan ik mij niet te spoedig kon bevrijden. Deze brief gaf mij eene aanleiding mijn wrevel bot te vieren; doch in plaats van hem een koel afscheid te geven, zooals Clara’s bedoeling was, besloot ik met hem op leven en dood te vechten.
Mijn brief uitgelezen hebbende, legde ik dien voor mij neder, zonder iets te zeggen. Talbot vroeg op den hem eigen vriendelijken, goedhartigen toon, of ik nieuws had. »Ja,” antwoordde ik, »ik heb ontdekt, dat gij een schurk zijt!”
»Dat is zeker iets nieuws,” zeide hij; »en het vreemdste daarbij is, dat de brief van Clara daarvan de overbrenger is. Doch dit is eene taal, Frank, die zelfs uwe ongelukkige gemoedsgesteldheid niet kan verontschuldigen. Trek uwe woorden in!”
»Ik zal ze eerder herhalen,” zeide ik. »Gij hebt mijne zuster bedrogen en zijt daarom een schurk.”
»De naam van Clara,” hervatte Talbot, »doet mij bedaard blijven: geloof mij, Frank, gij dwaalt. Ik heb haar lief en koester steeds de meest eervolle bedoelingen te haren opzichte.”
»Ja,” zeide ik met een schamperen lach, »terwijl gij reeds voor jaren met een ander meisje verloofd zijt. Jegens een van beiden hebt gij u als een schurk gedragen; ik trek mijne woorden daarom niet terug, doch herhaal die; en daar gij onder beleedigingen zoo geduldig weet te blijven, verwittig ik u, dat ik u hedenavond op het zeestrand verwacht, of gij moet gedoogen, dat ik u schandvlek met een naam, die voor elken rechtgeaarden Engelschman nog ondragelijker is.”
»Houd op, genoeg Frank,” zeide Talbot met een gelaat waarop zoowel het bewustzijn der onschuld als mannelijke vastberadenheid te lezen was. »Gij hebt meer gezegd, dan ik ooit verwacht had van u te zullen hooren, en veel meer, dan gebruikelijk is om te verdragen. Wat moet, zal gebeuren; maar nog eens herhaal ik, Frank, dat gij dwaalt, dat gij ongelukkig misleid zijt en bitter berouw zult krijgen over de dwaasheden van dezen dag. Gij zijt op uzelven verstoord en wilt dit nu op uwen vriend wreken.”
Die woorden maakten geen indruk op mij. Ik had een diep liggend gevoel naar wraak en de zucht om iemand uit den weg te ruimen, of, zoo dit niet mocht gebeuren, de valsche hoop, dat Emilia er onder lijden zou, als ik door de hand van Talbot mocht worden gedood.
Met mijne pistolen op de afgesproken plaats gekomen, vond ik aldaar Talbot reeds wachtende. Weder sprak hij:
»Frank, ik roep den hemel tot getuige, dat gij ongelijk hebt. Schort ten minste uw oordeel op, als gij uwe woorden niet wilt herroepen!”
Als door den duivel bezeten, en pas overtuigd, toen het te laat was, beantwoordde ik zijn vredesvoorstel met de meest beleedigende spotternij: »Toen gij last gaaft op een armen jongen in het water te vuren, waart gij niet bevreesd,” zeide ik; »nu het blijkt, dat er teruggeschoten zal worden, durft gij niet. Kom, kom, neem uwe plaats, sta op als een man, wees niet bang.”
»Voor mijzelf,” antwoordde Talbot, met vaste en rustige onderwerping, »ken ik geene vrees; doch voor u, Frank, is mijn hart ongerust.” Zoo zeggende, nam hij het pistool op, dat ik hem toegeworpen had.
Wij hadden geene getuigen, ook was er niemand in den omtrek te zien. De maan scheen helder, en wij stapten naar het uiterste strand, waar de eb het zand vrij hard had achter gelaten. Hier stonden wij rug aan rug. De gewone afstand was veertien passen. Talbot weigerde den zijnen te meten, doch bleef stilstaan. Ik maakte tien passen en wendde mij om. »Klaar,” zeide ik op zachten toon.
Beiden hieven wij onzen arm op; doch Talbot liet de tromp van zijn pistool zakken, zeggende: »Het is mij onmogelijk om op Clara’s broeder aan te leggen.”
»Het is mij onmogelijk haren beleediger te missen,” antwoordde ik, en na goed gemikt te hebben, vuurde ik en trof hem in de zijde. Hij sprong op, draaide een halven slag om en viel met zijn gelaat op den grond.
Hoe plotseling kan de menschelijke gemoedsstemming keeren! Hoe snel wordt de bevrediging der wraak op den voet gevolgd door innig berouw! De blinddoek viel voor mijne oogen weg; ik zag in eens het valsche, bedriegelijke schijnbeeld, dat mij verleid had tot eene zoogenaamde »zaak van eer.” De eer, o groote hemel! had mij tot een moordenaar gemaakt en de stem van mijns broeders bloed schreide om wraak.
De mannelijke en krachtige gestalte, welke eene minuut te voren mijn bittersten haat had opgewekt, werd, nu hij daar sprakeloos ternederlag, een voorwerp van overdreven genegenheid. Ik liep op Talbot toe en bemerkte, toen het te laat was, het kwaad, dat ik had gesticht. Het besef van moord, wreedheid, onrecht, doch vooral van de zwartste ondankbaarheid, overstelpten op eens mijn verwarde verbeelding. Ik keerde het lichaam om en zocht naar teekenen van leven. Een kleine bloedstroom liep uit zijne zijde en verloor zich in den grond; door de hevigheid van zijn val waren mond en neus vol zand geraakt. Ik waschte hem schoon, stelpte het bloedverlies met mijnen zakdoek, zette hem op tegen mij aan, en kon alleen uitbrengen: »O God, waarom mij bij zooveel gelegenheden gespaard, dat ik dit moest beleven!”
Talbot opende even de halfgebroken oogen en staarde mij daarmede aan, doch sprak niet. Eensklaps nog keerde het bewustzijn weder—hij herkende mij, en o God! die vriendelijke blik doorboorde mij het hart. Hij spande zich in, om wat te zeggen, en bracht eindelijk met tusschenpoozen uit:
»Zoek brief—schrijflessenaar—lezen—uitleggen—God zegen—.” Zijn hoofd viel achterover, hij was dood.
O, hoe benijdde ik hem! Al ware hij nog tien duizend maal meer schuldig, dan ik hem vermoedde te zijn, het zou mij niets rustiger hebben gestemd. Ik was zijn moordenaar en had te laat zijne onschuld erkend. Hoe ik er toe kwam, of op welke wij zo ik het deed, is mij nog een raadsel, doch ik ontdeed mij van mijn halsdoek en bond hem dien over de wond heen, stijf om het middel. Het bloed hield daardoor op te vloeien. Het lichaam liet ik op de plaats liggen en keerde naar ons hotel terug in een staat van zielelijden en ellende, geëvenredigd aan de drift en opgewondenheid, waarmede ik van daar was gegaan.
Mijn eerste werk was de brieven te lezen, waarnaar mijn vriend mij verwezen had. Bij mijne aankomst had ik onze beide bedienden nog op gevonden. Mijne handen en kleederen zaten vol bloed, en met verbazing zagen zij mij aan. Ik vloog naar boven, om hunne vragen te ontwijken, en greep den schrijflessenaar, waarvan ik wist, dat de sleutel aan zijn horlogeketting vastzat. Met den pook brak ik het slot open en nam er het bedoelde pakket uit. Op dit oogenblik trad zijn bediende in de kamer.
»Mijnheer, waar is mijn meester?” vroeg hij.
»Ik heb hem vermoord,” zeide ik; »zijn lijk zult gij vinden op het zeestrand bij den seinpost; en,” vervolgde ik, »nu ben ik bezig hem te berooven.”
Mijn voorkomen en mijne handelingen, waren al te zeer in overeenstemming met mijne verklaring. De man snelde de kamer uit; doch ik lette daarop niet, en nog verwondert het mij, hoe ik eenige aandacht aan de brieven kon wijden, nu ik toch reeds van Talbots onschuld overtuigd was. Ik las echter het pakket door en vond verscheidene brieven van Talbots vader, handelende over een engagement, dat hij (de vader) zonder zijn (Talbots) toestemming had gesloten, met eene jonge dame van aanzien en fortuin, dat Talbot geweigerd had, omdat hij aan Clara gehecht was.
Reeds vroeger heb ik medegedeeld, dat Talbot van zeer hooge afkomst was; en dit huwelijk, dat door de ouders van beide partijen gewenscht was, willende doorzetten, had men het bericht verspreid, dat alles daaromtrent vastgesteld was en slechts op de terugkomst van Talbot gewacht werd om te trouwen. Alleen in den laatsten brief had zijn vader toegegeven ten gunste van Clara; doch hij verzocht hem niet te spoedig hare hand aan te nemen, daar hij eerst een behoorlijk excuus wilde vinden, om die vroegere overeenkomst te verbreken; doch bovenal drong hij op geheimhouding aan, totdat alles geschikt zou zijn. Zoo was dus alles opgehelderd. Doch zelfs vóór ik van den inhoud dier brieven had kennis genomen, was voor mij geen bewijs meer noodig van zijne onschuld.
Juist was ik met lezen gereed, toen gendarmes mijne kamer binnentraden en mij, op last van den officier van justitie, naar de gevangenis voerden. Werktuigelijk liep ik mede en werd overgebracht naar een klein gebouw op het midden van een plein staande. Het was een cachot met op elk van de vier zijden een getralied venster zonder glas. Er was geene bank, geene tafel in,—niets dan muren en de vloer. De wind woei er doorheen. Ik had niet eens een overjas bij mij; doch ik gevoelde koude, noch ongemak, want mijn geest was vervuld van veel grooter ellende. De deur werd achter mij gesloten, en ik hoorde de zware grendels opschuiven. Van weerskanten werd niet gesproken, en zoo bleef ik alleen achter.
»Wel,” zeide ik, »het noodlot heeft nu het uiterste volbracht, en de fortuin zal wel eindelijk genoeg hebben van het kwellen van een ongelukkige, die niet dieper kan zinken! Den dood vrees ik niet.” Het eenige wat mij vreeselijk hinderde, was de gedachte aan eene openbare terechtstelling. Daartegen verzette zich mijn trots; want die trots was bij mij teruggekomen en deed zich gelden, zelfs in mijn cachot.
Toen de dag weder begon aan te breken, werd ik uit mijne droomerij,—want slapen was het niet geweest, gewekt—door het leven van de boeren, die met karren de voortbrengselen van het land op het marktplein kwamen brengen. De gevangenis werd van alle zijden omringd door oud en jong, die een kijkje wilden hebben van den Engelschen moordenaar; licht en lucht werd uit mijn verblijf weggenomen door de menschenhoofden, die zich verdrongen tegen de ijzers van mijne ramen. Ik werd bezichtigd als een wild beest; kinderen, op hun moeders schouder gezeten, ontvingen eene les en eene waarschuwing, terwijl men naar mij wees.
Als een tijger in zijn hok, die door zijn heen en weer loopen het oog vermoeit, zoo liep ik in mijne gevangenis; had ik een der onbeschaamde bespieders door de smalle opening in den drie voet dikken muur naar mij toe kunnen trekken, met genoegen zou ik hem vermorzeld hebben. »Al die menschen,” zeide ik, »en nog duizenden meer, zullen getuigen zijn van mijne laatste oogenblikken op het schavot!” Ik dacht er een oogenblik aan mij zelf te dooden, doch de middelen ontbraken mij daartoe.
Ten laatste begon de menigte uiteen te gaan; de ramen waren weer ledig, met uitzondering van een of andere kleine jongen, die zijn hoofd tegen de tralies drukte. Uitgeput door lichamelijke vermoeienis en geestelijk lijden, wilde ik juist op de koude steenen gaan liggen, toen ik het gelaat van mijn eigen bediende zag, die haastig op het venster van de gevangenis toekwam en vroolijk uitriep:
»Houd moed, mijn waarde meester! Mijnheer Talbot is niet dood.”
»Niet dood!” riep ik, zonder te weten wat ik deed, op mijne knieën nedervallende en mijne gevouwen handen en smeekende oogen hemelwaarts richtende. »Niet dood! God zij geloofd. Dan is er hoop, dat ik nog geen moordenaar ben.”
Vóór ik meer kon uitbrengen, kwam de magistraat met den officier van justitie in mijn cachot en deelde mij den uitslag van een gehouden onderzoek mede; mijn vriend was in staat geweest de duidelijkste antwoorden op alle vragen te geven; uit de verklaring van den heer Talbot zelf was afgeleid, dat er eene affaire d’honneur was geweest welke in den vorm behandeld was geworden; de pistolen, die beide in het water waren gevonden, waren hiervan de bewijsstukken; »en daarom mijnheer,” vervolgde de magistraat, »hetzij uw vriend blijft leven of sterven mocht, het is alles in den regel geschied, en gij zijt vrij.”
Dit zeggende maakte hij eene beleefde buiging en wees naar de deur; ik snelde naar buiten en vloog naar de kamer van Talbot, die zijn bediende vooruitgezonden had om mij te berichten, dat hij mij gaarne wenscht te spreken. Ik vond hem te bed. Toen ik binnenkwam, stak hij mij de hand toe, die ik overdekte met kussen en besproeide met mijne tranen.
»O Talbot!” riep ik, »kunt gij mij vergeven?”
Hij drukte mij de hand en liet die van uitputting weder los. De geneesheer liet mij de kamer uit, zeggende: »Alles hangt er van af, dat hij rustig wordt gehouden.” Ik vernam toen, dat hij het behoud van zijn leven aan twee zaken te danken had: de eerste was, dat ik de wond met mijn halsdoek had dicht gebonden; de andere was, dat het duel had plaats gevonden beneden het hoogwaterpeil. Toen ik hem had achtergelaten, was het water wassende; de koele golven, die over hem heen begonnen te slaan, hadden hem tot bewustzijn doen ontwaken. In dezen toestand was hij door zijnen bediende gevonden, niet heel lang vóórdat hij geheel door den vloed zou bedekt zijn geworden, omdat hij geene kracht genoeg had om het strand op te kruipen. Verder hoorde ik, dat de kogel door de lever was heengedrongen en anders geene gevaarlijke gedeelten meer had geraakt.
Recht dankbaar voor den loop der gebeurtenis zette ik mij naast den lijder neder en verliet hem niet, vóór hij volkomen hersteld was. Toen hij zoover gebracht was, schreef ik aan mijn vader en aan Clara een omstandig verhaal van alles wat er had plaats gevonden. Clara nu ingelicht, had geene bezwaren meer om voor hare genegenheid uit te komen. Talbot werd door zijn vader verzocht om terug te komen. Ik bracht hem tot Calais, waar wij scheidden; enkele weken later had ik het genoegen te vernemen, dat mijne zuster zijne vrouw was geworden..
Die enkele weken bracht ik nog op het vaste land van Europa reizende door. Ik zal van mijn wedervaren en mijne ontmoetingen gedurende dien tijd geen verslag geven, ten eerste omdat er weinig opmerkelijks in gebeurde, ten tweede omdat ik al reeds te veel gevergd heb van het geduld van den lezer om mij te volgen in avonturen, die geheel buiten het scheepsleven vielen. Genoeg zij het te melden, dat mijne levenswijze langzaam mijn gemoed tot kalmte terugbracht.
Kort nadat Talbot naar Engeland was vertrokken, ontving ik het bericht, dat Eugenia aan eene slepende ziekte was gestorven. Hoewel ik dit bericht met eenige droefheid vernam, moest ik toch erkennen, dat die vrouw, zonder daaraan in het minste schuld te hebben, voor mij de oorzaak van veel jammer was geweest. Hoeveel zou niet ongeschied zijn gebleven, als ik haar niet ongelukkigerwijze in Bordeaux had weder ontmoet. Van alle kanten werd nu opnieuw op Emilia gewerkt, om haar tot verandering van inzichten te mijnen aanzien over te halen. Het gebeurde tusschen Clara en Talbot, dat geheel op een misverstand berust had, en de ernstige gevolgen, die daaruit waren voortgevloeid, hadden haar tot nadenken gestemd, en zooals mijn vader verwacht had, was tijd en afwezigheid in mijn voordeel bij haar werkzaam geweest. De verwijdering der beide familiën had door het huwelijk van Clara opgehouden. De brieven, die ik uit het buitenland schreef, waren zeer droefgeestig van toon, doch lieten voor het overige zoo duidelijk blijken, dat ik veel ernstiger en bezadigder was geworden, dat, toen met den dood van Eugenia de grootste hinderpaal voor het herstel eener goede verstandhouding tusschen ons was weggevallen, Emilia er in toestemde haren veel beproefden minnaar weder te zien. Niets was er meer noodig om mij op de vleugelen der liefde naar Engeland terug te doen keeren.
Toen ik Emilia wederzag en alles opnieuw tusschen ons werd opgehelderd,—toen haar gebleken was, dat ik niet zoo schuldig was geweest, als zij onder den eersten indruk wel geloofd had,—toen mij gebleken was, dat zij toch eigenlijk, in weerwil mijner verkeerdheden en dwaasheid, nooit opgehouden had mij lief te hebben,—toen werd alles, wat vergeven kon worden, vergeven en werd opnieuw het tijdstip van ons huwelijk vastgesteld.
De heer Sommerville gaf daarbij de bruid weg; mijn vader was met Talbot en Clara tegenwoordig; en wij allen waren, na de ondervonden vreemde lotswisselingen, ten diepste aangedaan door deze verzoening en door deze, zooals thans verwacht kon worden, gelukkige vereeniging.