De Armeniërs.
De Armeniërs hebben zich ten gevolge,—of ten minste grootendeels ten gevolge—der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel, even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen, na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene beschouwing der Armeniërs overgaan.
Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus, is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich “Haik,” naar hunnen stamvader, die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.
Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische nationale macht en bloei. “Tigranes de Groote,” een Armenisch Vorst ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden, een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of Turksche Pascha’s en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd, of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.
Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner berg-dalen voerden.—Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben, even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks 20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.
Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.
Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders, reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs, die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen, en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.
Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa’s tot ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het Oosten,—en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan hunnen ouden speculatieven zin.
Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook naar Breslau in Duitschland.—Ook hebben zij in deze landen buitendien nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.
De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden, Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden behooren.—Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde rol spelen.
Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha’s, en men kan zeggen, dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha’s in Constantinopel bij de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars der Turksche hoofdstad.
Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad: “Armenopolis” genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond, en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters, vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije, Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche afkomst aantrof.
In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder, en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere zijde even ver Rusland in.
Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan, van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw, nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.
Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van Russische Grooten—ik wil slechts de beroemde familie der Graven Lazareff noemen—zijn van Armenischen oorsprong.
Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk, zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar 1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, “het Mechitaristen klooster van S. Lazaro,” van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw, van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.
Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid, hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot zijn de Armeniërs van oudsher,—en ook hierin komen zij met de Joden overeen—zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij—reeds in de 2de eeuw na de geboorte van Christus—tot het Christendom bekeerd werden en den bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden, boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs steeds innig samenhing.
De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders, de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken, een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte, melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel van het water vergeleken heeft.—Men heeft er lang over gestreden, tot welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk, gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele Turksche en Arabische woorden ingedrongen zijn, maar ook zelfs de geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.
Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs, stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen, de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden, dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden, en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van de Indo-Germanen—geene standen, geene geboorterechten, geen adel, geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden, eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin, vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één, en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft, onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf, komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60 jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof “Katholiek” dan naar zijne nationaliteit “Armeniër” genoemd worden. Alleen zij, die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne “Armeniërs,” evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te danken hebben.
Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken, als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens een zoo hard lot bereid werd als den Joden—ten deele ook daaruit, dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede kunstenaars en fabrikanten.
Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken strevenden zin, geen geestdrift pour l’honneur! Zoo lang hunne zaak goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn zij door de Turksche Ulema’s ook wel de “paarlen der ongeloovigen” genoemd geworden.
Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.
De Zigeuners.
De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen, die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt, hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen, die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een onweder en verdwenen als een nevel.
Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren, dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht machtiger was—de Zigeuners—tot stand gebracht.
Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene woekerplant—die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne takken henen vlecht—heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd, zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste, dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij, die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië, als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook vóór dien tijd niet ontbroken.
Men zegt, en dit is wel de waarschijnlijkste onder de vele hypothesen over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners, dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen, zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden, de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam, voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus, het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun beenderenbouw is, even als die der Hindoe’s, sierlijk en fijn. In den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.
Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken, buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg, in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.
Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen godsdienst. “Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot.”
Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden zij zich onledig met de “chiromantie” (kunst om de toekomst uit de lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.
Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles, wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op onze Zigeuners van toepassing is.—Noch bij de Tataren, noch bij de Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse, dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.
De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor zooverre ons bekend, nooit, of ten minste nooit in aanzienlijken getale, voor dien inval der Tataren het land uit. Noch den overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote, noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende beweging gesteld te hebben, ofschoon wel eenige sporen, die wij reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende volksverhuizingen wijzen.
Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden, op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.—In het Westen van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij ook nog den naam der provincie “Sind,” naar welken de Zigeuners een der bij hen gebruikelijke namen “Sinti”, d.i. “menschen van Sind” schijnen ontleend te hebben.
Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam “de Ziganen” bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners, wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden naam schijnen te zijn.
Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot naar Marokko,’ anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.
Als “wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren, golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk, zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk behangen waren,”—zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427, de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren, en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en menige almoes.
Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met de zelfde klachten en vertellingen als daar, “een onbeschaafd, zwart, vreemd, woest en ellendig volk,” zooals een oud Kroniekschrijver zegt, waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland en Skandinavië zijn niet zeer lang daarna de jaarboeken des lands vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.—Als kwikzilver schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen hen nog op de hielen.
Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben, waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande, deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en boete duren zouden, eene boete, die hun opgelegd was geworden als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd hadden.—Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding door de Christenheid bevorderd hebben.
Toen men deze “boete doende” pelgrims, over wie men aanvankelijk alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat, leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. “Niet, martelaars en slachtoffers van den Koning der Mongolen,” zeide men, “waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor te bereiden.” Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij “Kaïniten,” kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men noemde hen ook, “zonen van den Booze,” terwijl men hunnen naam “Gitanos” van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk gaf men hunnen naam “Zigeuners” of “Zigauners,” ingekort tot “Gauner” (dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.
Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus, tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de vlugge Zigeuners aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen, nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.—Ook de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten, verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam, was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd’armes vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze te voorschijn kwamen.
In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving, en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen, de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.
Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen, noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen, konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat ieder “heiden” (zoo noemde men ze hier)—die zich betrappen liet, na gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.—Ook niet het nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen bodem gevat werd, aan den dood vervallen verklaard en aan den scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen van Indië zijn grondgebied in beide werelddeelen onverwijld verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten: “ubi bene ibi patria”1 en bleven tot op den huidigen dag talrijk in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn stelde, zoo bleven zij toch overal en plantten zich voort, als de vossen in de zandholen onzer heidevelden.
Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen, ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven, en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.
Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere Vorsten van de “eeuw der humaniteit,” vaardigden bijna gelijktijdig zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen, vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene manier gewijzigd.
In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in Southampton) vormden zich “comités voor de verbetering van den toestand der Zigeuners.” Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten geeft,—want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het algemeen verzwakt—zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen, dat tot nu toe aan die vreemde en tegenstribbelende menschen, ook zachtheid bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw, hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem van voor-historische tijden.
De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het dorp blijven moesten, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg, en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland, dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had, nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken, waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels uitbreiden zou.
Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden, zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald, zoo b.v. het volgende:
Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde, haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam en als hare dochter hield. Charlotte Stanley—zoo heette de kleine, lieftallige wilde—werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw op.—Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte, de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds, aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte, in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde, dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.—De man, dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had, moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank van Schotland voerde.—Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret, waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.
Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan, en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor 400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij zich genesteld hebben.—In de beneden-Donau-landen, waar zij zich bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000 geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp, de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri2 het talrijkst zijn, en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden, dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen, en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem mogen rondkruisen, in rekening brengen.
In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.
In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.
Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.
Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken, hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen, hangen blijven wil.
Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,—deze den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert, wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers en goudwasschers van die streken geworden zijn.
Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer, algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. “Zoo veel smeden, zoo veel Zigeuners,” zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije, zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte Sudra’s ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen, b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon en de eerste na den Koning is.
In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond, om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond, brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als huisvader vestigen.
Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers, vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.
Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken, even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der Tataren-clans waren, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld, geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.
De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch, kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke wijze kan aantoonen. “Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe, worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast.”
De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners, verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer, geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera “la dame blanche” volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was, naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor 300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd, onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het land in zwang zijn,—zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten, dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: “De Orpheus der Magyaren,” terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.
Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale onverwachte wendingen en afwisselende tempo’s. Zij murmelt en stoeit als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt, door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm, de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling, en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:
En rondom in wijde kringen
Hoort het moedig volk ons aan.
Laat de vedels wilder zingen!
Wilt de bekkens harder slaan!
Woester en niet zachtkens meer
Klinkt der instrumenten strijd;
D’oude krijgszang ruischt ook weer,
Die te voren met veel macht
Flinke knapen en ook grijsaards
Tegen Turken samenbracht.
In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl, die, zooals zij zeide, door den Paus voor de “grootste zangeres van dien tijd” bestemd was geweest.
De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen kunst onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de “Ziganka” noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de “Gitana” genoemd wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op het Spaansche tooneel.
Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.
In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid, voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven onder te doen.
Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle moeilijke plannen—dikwijls ook die voor diefstal en bedrog—weten gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde maar wankelmoedige—schandere maar lichtzinnige—poëtische maar zinnelijke karakters—, zij komen niet zoover in de wereld als zij, die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst en hoogeren zedelijken zin verbinden.—Hunne onbestemdheid laat geene moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft, weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den gever ondankbaar vergetende.
Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten, om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed in zekerheid te brengen.
Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het “vanwaar” en “waarheen”; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk, luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche, Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk de rol van “Hans Lustig” ten deel, en zij zouden ieder Christen, die te vergeefs tracht het gebod “zorg niet voor den dag van morgen” na te leven, tot voorbeeld dienen.
Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder, even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op, en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde, in het hartje van den winter, van de koude. “Daar, neem dat!” riep zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder wierp. “Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm je er mee en troost je.”
De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar, in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende stokken gebonden is.—Deze woningen, met welke vergeleken de tent van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte, dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene, nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en welgemaakte mannen en vrouwen. “Hun geheele leven door, lijden zij schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat.” Men beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking wegsterft.
Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen voor eene Preciosa of Esmeralda,—meisjes, die haar leven lang door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin opgekweekte hyacinthe—in snit en glans met de oogen der Indische Princes Damajantie zou kunnen vergelijken—die nooit anders dan grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera “la Muette de Portici.” Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid altijd nog een zekeren stijl. “Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar bijna nooit gemeen.”—Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang der hoogere standen.
Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland, de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van bewoners en koloniën verwisselen.—Merkwaardiger echter is het, dat zij ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid zoo zeer bewaard hebben.—De Zweden brachten in den dertigjarigen oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen, tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.
Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk rond, dat door de Jutsche boeren de “Natmänds” genoemd wordt, en waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.—Alle pogingen, om deze half wilde Jutsche “Natmänds” tot een ordelijk, kalm leven te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de Hindostansche paria’s.—“Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor den armen ‘Natmänd’ die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die door een Natmänd gebruikt is.” Zij bezigen eene taal, die in Jutland “potjes-latijn” genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.—Even als in andere landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt, doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater, weinig van het Christendom over.
Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den Koran, en zij kussen, als zij zich in een Christelijk land bevinden, het kruis. In ieder nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek, dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam wisten te geven, dan dien van “heidens”.
Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen, dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.
Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,—die door Sir Walter Scott in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn “Jood” in Duitschland, Victor Hugo in zijn “Notre dame de Paris” in Frankrijk,—even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet “de Stanleys”, een andere “de Levells” enz.
In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm heet, en schertsenderwijze ook wel “the Metropolis of the Gipsy-kingdom of Scotland (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk in Schotland)” genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft: “zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij aan een Europeesch hof opgevoed zijn.” En dit is ongeveer hetzelfde, wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland opgemerkt hebt.—Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt dezelfde autoriteit: “zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen.”—Ook dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding, aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.
Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe kennis maken.
Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls, als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.
Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van het “echte,” van hun eigen volk zijn. Zij bezitten—merkwaardig genoeg—een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze “verworpelingen” het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij zich daardoor, dat zij zich boven allen stellen. Even als de Osmanen betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: “Gadschi” of “Giaur”. Zij zelf echter zijn de “Rannitschel” (de kinderen der ware moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.
Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden; in Spanje b.v. het volgende:
In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele “Gitaneria” (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend, welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was besloten een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen, toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel, maakten alle Zincalo’s der voorsteden van Cordova zich op, om het bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen, terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar nooit weder te betreden.
Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der “Morisco’s” of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven, in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming “Gitanos,” d.i. Egyptenaren, schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken, misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg, uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den bij de Franschen gebruikelijken naam “Bohemiens” (Bohemers) voor hen aangenomen hebben.
De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder belangrijk en opmerkenswaardig.—Zij stemmen in alle deelen overeen met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe, geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude, eerwaardige taal komt ook bij hen, “als een in lompen gekleed wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens te voorschijn.”
Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland, in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar, even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord “Gitaneria” (zigeunerij) gebruiken. “De Spaansche Gitano” zegt Borrow, “is het lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient, verkwist hij reeds voor den avond.”
Dit alles en in één woord ook alles anders, wat men bovendien nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld, waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft, op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich zelven trouw is gebleven.
Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij alle andere Aziaten.—Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven, laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken, geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van bijgeloof der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch, bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft, zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip “hebben” en “bezitten”, ook geen voor “moeten” of “plicht” of “wet”. Zij hebben hunne geheele “zaak op niets gesteld.” Zij zijn onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze, en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen van Rusland aantreft, dat daar “de windsbruid” genoemd wordt, en dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels gevoerd,—als het water in droppels en atomen over Europa verbreid wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten, tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit, zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen, maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel, dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.
1 Waar ’t goed is, daar is het vaderland. Vert.
2 Door het Patrimonium Petri verstaat men het gedeelte van den Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert.