WeRead Powered by ReaderPub
Geschiedenis van Arthur Pendennis cover

Geschiedenis van Arthur Pendennis

Chapter 30: DERTIGSTE HOOFDSTUK. De tempelridders.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows Arthur Pendennis from his provincial upbringing through education and entry into London society, tracing his romantic entanglements, friendships, and family troubles. Episodes mix comic social satire and earnest moral observation as he makes mistakes, faces financial and emotional reversals, and gradually matures. Interwoven scenes depict manners, institutions, and a range of vivid characters, balancing sentimental episodes with incisive commentary on ambition, reputation, and the costs of social advancement.

[Inhoud]

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De tempelridders.

Academische collegiën, scholen en Inns of court koesteren nog eenigen eerbied voor den ouden tijd en hebben een groot aantal gebruiken en instellingen van onze voorvaderen in stand gehouden, welke door de menschen, die aan onze voorouders geen bijzondere hoogachting toedragen, of misschien niet heel goed met hen bekend zijn, sinds lang zijn afgeschaft. Voor gezondheid, gemak en zindelijkheid is in een goed ingericht werkhuis of gevangenis veel beter gezorgd dan op eene voorname school, die in den ouden tijd gesticht is, of in eene Inn, waar de geleerdheid troont. Op deze laatste plaats vinden de bewoners goed, in donkere vertrekjes te wonen, en voor eene zitkamer en de kast, die zij [265]tot slaapkamer moeten gebruiken, een prijs te betalen, waarvoor zij eene villa met tuin in de voorsteden, of een ruim huis op een der minder bezochte pleinen van Londen zouden kunnen huren. De armste ambachtsman in Spitalfields heeft een regenbak, en kan over eene onbepaalde hoeveelheid water beschikken; maar voor de heeren in de Inns of court en aan de academiën wordt de hoeveelheid, die zij van dit kosmetiek behoeven, door waschvrouwen en beddenopmaaksters in kannen gehaald, en genoemde heeren wonen in huizen, die reeds lang gebouwd waren eer zindelijkheid en fatsoenlijkheid onder ons in de mode kwamen. Er leven nog personen, die op het volk smalen en er met verachtelijke bijnamen van spreken. Maar, mijne heeren, het lijdt weinig twijfel, dat uwe voorouders tot het groote gilde der ongewasschenen behoorden, en het is vrij zeker, dat de deugd der reinheid, die men zegt, dat het naast aan de vroomheid grenst, vooral in den Temple slechts onder groote bezwaren en in zeer beperkte mate in beoefening kon gebracht worden.

De oude Grump, die als advocaat de zittingen van het hof van assises te Norfolk bijwoonde, en dertig jaar de kamers onder die van Warrington en Pendennis bewoond had, werd doorgaans wakker van de kletterende stortbaden, welke die heeren in hunne vertrekken namen (en waarvan een gedeelte nu en dan door de zoldering in zijne kamer droop), en verklaarde, dat deze gewoonte eene dwaze en fatterige nieuwigheid was, terwijl hij dagelijks de waschvrouw verwenschte, die door het halen van water de trappen, welke hij beklimmen moest, glibberig maakte. Grump, die op het oogenblik veel meer dan eene halve eeuw oud was, had zich dan ook nooit de bedoelde weelde veroorloofd. Hij was er zeer goed zonder water gekomen, en onze vaderen vóór hem ook. Was er onder al de ridders en baronets, lords en gentlemen, wier wapens op de muren der vermaarde zaal in den Upper Temple geschilderd zijn, niet één menschlievend genoeg, om warme baden te stichten voor de rechtsgeleerden, die toen zijne makkers waren, of na hem zouden komen? De geschiedschrijver van den Temple meldt niet, dat er ooit zulk een plan bestaan heeft. Wel heeft men daar het Pomp-plein en het Fontein-plein met hunne watertoestellen; maar men heeft nooit vernomen, dat een rechter zich in de kom van de fontein verlustigd heeft, en men komt onwillekeurig tot de overtuiging, dat de pomp aan menigen advocaat, die in het recht van den ouden tijd zeer ervaren was, goed zou gedaan hebben.

Desniettemin bezitten die eerwaardige Inns, welke het Lam, de Vlag en het Gevleugelde Paard tot zinnebeelden hebben, aantrekkelijkheden voor degenen, die er wonen, en eene soort van behaaglijkheid en vrijheid, die men zich altijd met genoegen herinnert. Ik weet niet, of de beoefenaar van het recht zich de opwekking der geestdrift veroorlooft, of zich aan dichterlijke herinneringen overgeeft wanneer hij historisch geworden kamers voorbijgaat, en zegt: „Ginds heeft Eldon gewoond – hier zat Coke over Lyttleton na te peinzen – hier sloofde Chitty zich af – hier schreven Barnwell en Alderson te zamen hun beroemd werk – hier maakte Byles zijn groot boek over het Wisselrecht af en bracht Smith zijn onsterfelijk werk over de gerechtelijke antecedenten bijeen, – hier arbeidt Gustavus altijd voort, met Salomo tot zijn bijstand;” – maar de letterkundige kan niet anders dan liefde koesteren voor de plaats, die zoovele zijner medebroeders bewoond of met scheppingen [266]van hun brein bevolkt hebben, scheppingen, die voor ons even wezenlijk zijn als de schrijvers, wier vindingen zij waren. Sir Roger de Coverley, die in den tuin van den Temple wandelt en zich daar met den Spectator onderhoudt over de schoonen met hoepelrokken en mouches, die over het gras drentelen, staat even duidelijk voor mijne oogen als de oude Samuel Johnson, die, met den Schotschen heer op zijne hielen, door den mist naar de kamer van Dr. Goldsmith in Brick Court draaft; of Henry Fielding, die met inktvlekken op zijne lubben en een natten handdoek om zijn hoofd, te middernacht artikelen voor het Covent Garden Journal afroffelt, terwijl de drukkersjongen in den gang zit te slapen.

Indien wij de geschiedenis van één enkelen dag konden vernemen, gelijk die wordt doorgebracht in elk dier huizen van vier verdiepingen op het morsige binnenplein, waar onze vrienden Pen en Warrington woonden, zou een of andere Asmodeus van den Temple er een merkwaardig boek over kunnen schrijven. Misschien woont er gelijkvloers een voornaam advocaat, die rechtszaken voor de balie van het parlement behandelt, en die op den tijd van het diner naar Belgravia rijdt, als wanneer ook zijn klerk een heer wordt, zijne vrienden onthaalt en in de wereld gaat. Nog slechts kort geleden woonde hij uitgehongerd en zonder bezigheden op een zolderkamertje; hij leefde van letterkundig werk, dat hij tersluiks verrichtte; hij hoopte en wachtte en verloor den moed, en er kwamen maar geen clienten; hij putte zijne eigen middelen en de hulpvaardigheid zijner vrienden uit; hij moest nederig uitstel verzoeken aan schuldeischers, en het geduld van arme crediteuren inroepen. Met volle zeilen scheen hij het verderf te gemoet te gaan, toen het rad der Fortuin plotseling eene wenteling maakte en den geluksvogel een dier prachtige prijzen in den schoot wierp, die soms in de groote loterij van het advocaatsberoep getrokken worden. Veel knapper advocaten dan hij hebben geen vijfde gedeelte van het inkomen van zijn klerk, die weinige maanden geleden ternauwernood krediet kon krijgen voor het poetsen van zijn meesters onbetaalde laarzen. Op de eerste verdieping zult gij misschien als bewoner een man met een beroemden naam vinden, die reeds eene halve eeuw in de Inn gewoond heeft en wiens brein vol boekengeleerdheid is, wiens planken buigen onder klassieke en rechtsgeleerde werken. Hij heeft al die vijftig jaren alleen geleefd, alleen en voor zich zelven, en geleerdheid verzameld en geld opgestapeld. Hij komt nu des avonds uit de club, waar hij heerlijk gedineerd heeft, op zijne eenzame kamers thuis, waar hij als een ondeugende oude hermiet leeft. Wanneer hij sterft zal de Inn eene marmeren plaat ter zijner gedachtenis in den muur laten metselen, terwijl zijne erfgenamen een gedeelte zijner boekerij zullen verbranden. Zoudt gij zulk een uitzicht voor uw ouden dag willen hebben, zoudt gij geld en geleerdheid willen opstapelen en zóó eindigen? Maar wij moeten niet te lang aan de deur van mijnheer Doomsday blijven staan. Boven hem woont de achtenswaardige mijnheer Grump, die ook een oud bewoner der Inn is, en als Doomsday thuis komt en Catullus gaat zitten lezen, met drie deftige rechtsgeleerde heeren van zijn leeftijd aan een stevigen rubber whist zit, na een diner, waar zij hunne drie stevige flesschen port gedronken hebben. Zondags kunt gij zien, hoe die oude knapen in de kerk van den Temple zitten te dutten. Zelden komen procureurs hen lastig vallen met de opdracht van eene zaak, en gelukkig hebben zij van [267]zich zelven eenig vermogen. Aan den anderen kant van het derde portaal, waar Pen en Warrington wonen, zit mijnheer Paley, met den hoogsten graad gepromoveerd en tot fellow van zijn Collegie benoemd, lang na middernacht, ja tot twee ure des morgens, oude processen te lezen en er de hoofdpunten uit te noteeren; ’s morgens ten zeven ure staat hij weer op en zit dan op het kantoor van den advocaat, bij wien hij leert, zoodra het open is, waar hij werkt tot een uur vóór het diner; na den maaltijd, in de gemeenschappelijke zaal, komt hij thuis en gaat hij weer processen lezen en uittrekken tot het aanbreken van den volgenden dag, als wanneer misschien mijnheer Arthur Pendennis en diens vriend mijnheer Warrington van een of anderen hunner avontuurlijke tochten thuis komen. Wat heeft mijnheer Paley zijn tijd geheel anders besteed! Die heeft zich niet weggeworpen; hij heeft enkel en alleen een veelomvattend verstand met inspanning neergedrukt tot het peil van een onbeduidend onderwerp, en, om dit behoorlijk te overmeesteren, met vasten wil alle verhevene denkbeelden, alle dingen, die méér waard zouden zijn, al de wijsheid van wijsgeeren en geschiedschrijvers, al de vindingen der dichters, allen geest, alle verbeelding, alle denkvermogen, alle kunst, liefde, waarheid buitengesloten, opdat hij zich die onmetelijke fabel van het recht zou mogen eigen maken, met welks toelichting hij zijn onderhoud hoopt te verdienen. Warrington en Paley waren in vroeger dagen mededingers naar de eereprijzen der universiteit geweest en hadden elkander zeer na op de hielen gezeten; en iedereen verklaarde nu, dat de eerstgenoemde zijn tijd en zijne talenten verspilde, maar prees daarentegen Paley om zijne vlijt. Het zou echter nog de vraag kunnen zijn, wie van beiden zijn tijd het best besteedde. De een kon tijd vinden om te denken, en dat kon de ander nooit. De een kon genegenheid opvatten en vriendschap bewijzen, en de ander moest noodwendig altijd zelfzuchtig zijn. Hij kon geen vriendschapsband aanhouden, of eene weldaad doen, of een werk van genie bewonderen, of in geestdrift ontsteken op het zien van iets schoons, of op het hooren van een roerend lied; hij had geen tijd en geen aandacht voor iets anders dan zijne rechtsgeleerde boeken. Buiten den lichtkring zijner studeerlamp was alles donker. De liefde, de natuur, de kunst (die de uitdrukking is van onze lofprijzing van Gods heerlijke wereld en van de mate van ons begrip daarvan) gingen hem niet aan. En als hij des avonds zijne eenzame lamp uitdraaide, legde hij zich, met de vaste overtuiging, dat hij zijn dag nuttig had besteed, zonder dankgevoel en zonder zelfverwijt, ter ruste. Maar hij ijsde wanneer hij zijn oud kameraad Warrington op de trap ontmoette, en schuwde hem als iemand, die aan het verderf gewijd was.

Het kan het aanschouwen van die ziellooze vlijt en zelfbehaaglijke kleingeestigheid, die op Paley’s vaal gelaat te lezen stond en uit zijne half gesloten oogen sprak, of eene natuurlijke overhelling tot vermaak en gezelligheid, waarop wij bekennen moeten, dat mijnheer Pen buitengemeen verzot was, geweest zijn, welke dien rampzaligen jonkman weerhield zijn streven naar de waardigheden van opperrechter of lord-kanselier met dien ijver, of liever die volharding te vervolgen, die onmisbaar is voor heeren, welke tot die eerezetels willen opklimmen. Hij genoot het leven in den Temple met groote opgewektheid; zijne geachte familie meende, dat hij zoo vlijtig studeerde als een rechtgeaard student betaamde, en zijn oom schreef brieven vol gelukwenschen aan de liefhebbende [268]weduwe op Fairoaks en berichtte haar, dat de jongen uitgeraasd had en de bestendigheid zelve werd. Maar het ware van de zaak was, dat het leven, hetwelk Pen nu leidde, eene nieuwe soort van prikkel voor hem bezat, en, nadat hij eenige der fatterige manieren en voorname airs had laten varen, welke hij aangenomen had onder zijne aristocratische medestudenten, waarmee hij nu weinig meer verkeerde, de minder verfijnde vermaken en uitspanningen van een ongetrouwd heer te Londen hem zeer nieuw en aangenaam waren, gelijk hij ze dan ook volop genoot. Er was een tijd, dat hij de dandy’s hunne fraaie paarden in Rotten Row benijd zou hebben, maar thans was het hem genoeg in het Park te wandelen en naar hen te zien. Hij was nog te jong om zonder een grooter naam en een aanzienlijker fortuin dan hij bezat, in de Londensche wereld opgang te maken, en te vadsig, om zonder die hulpmiddelen vooruit te komen. De oude Pendennis streelde zich met de overtuiging, dat hij zwaar in het recht studeerde, omdat hij van de gelegenheid, om in voorname wereld te verkeeren, geen gebruik maakte en, na een half dozijn bals en partijen bijgewoond te hebben, voor de verveling en eentonigheid dier bijeenkomsten terugdeinsde; en wanneer men den waardigen majoor naar zijn neef vroeg, gaf de oude heer ten antwoord, dat de jonge schavuit zich gebeterd had, zoodat men hem bijna niet van zijne boeken weg kon krijgen. Doch de majoor zou bijna even erg geijsd hebben als mijnheer Paley, indien hij geweten had welk een leven mijnheer Pen eigenlijk leidde en hoezeer hij zijne rechtsgeleerde studiën met vermaken afwisselde.

Eenige uren lezens des morgens, eene wandeling in het Park, een roeipartijtje op de rivier, een tochtje den heuvel op naar Hampstead en een bescheiden diner in eene restauratie, een avond hier of daar in vroolijkheid, maar niet in ondeugd doorgebracht (want Arthur Pendennis koesterde zulk eene oprechte bewondering voor de vrouwen, dat hij er geene in zijn gezelschap dulden kon, die niet braaf en rein waren, althans in zijn oog), een stil avondje thuis met een vriend, een pijpje en een matig teugje Britschen drank, waarvan vrouw Flanagan, de waschvrouw, steeds de qualiteit onderzocht: – dit waren de bezigheden van onzen jongen heer, zoodat men zal moeten erkennen, dat hij geen onpleizierig leven leidde. Gedurende den studietijd legde mijnheer Pen eene prijzenswaardige stiptheid aan den dag in de vervulling van ten minste één onderdeel der plichten van een student, namelijk het nuttigen van zijn diner in de eetzaal der Inn. De eetzaal van den Upper Temple levert ook inderdaad een belangwekkend gezicht op, en behoudens eenige onbeduidende veranderingen en anachronismen, die daar langzamerhand zijn ingevoerd, zou men er zich kunnen neerzetten, in de overtuiging, dat men aan een maaltijd in de zeventiende eeuw deel nam. De gepromoveerde advocaten en de studenten hebben hunne afzonderlijke tafels; degenen, die het reeds tot de waardigheid van rechter gebracht hebben, zitten aan de voornaamste tafel op eene verhevenheid, omringd van de portretten van opperrechters en vorstelijke personen, die de feestmaaltijden in deze zaal met hunne tegenwoordigheid, of met blijken van hunne goedkeuring, vereerd hebben. Toen Pen hier voor het eerst werd binnengeleid en rondkeek, vond hij het tooneel, dat zich aan zijn oog vertoonde, zeer aardig. Als medestudenten zag hij hier heeren van allerlei leeftijd, van zestig tot zeventien jaar; zwaarlijvige procureurs met grijze hoofden, die den als hooger beschouwden advocaatsrang wilden bekomen, dandy’s en heeren van de [269]wereld, die, om de eene of andere reden, eenmaal wilden kunnen zeggen, dat zij sinds zeven jaar advocaat waren; bruinachtige, zwartoogige inboorlingen der koloniën, die overgekomen waren om hier te promoveeren en later op de eilanden, waar zij thuis behoorden, te praktizeeren, en eindelijk vele heeren van Iersche afkomst, die eenigen tijd in Middle Temple Lane doorbrengen, alvorens zij naar hun groen geboorteland terugkeeren. Er waren kleine groepjes hardwerkende studenten, die gedurende den ganschen maaltijd over het recht spraken; anderen, die hunne hoofdzaak van roeien maakten en wier gesprek over wedstrijden, den Vauxhall, de opera enz. liep; nog anderen, die ver waren in de politiek en in de debatteerclubs der studenten het woord voerden; en met al die soorten van studenten – uitgezonderd de eerste, wier gesprekken eene bijna onbekende en, in elk geval, in eene geheel onverschillige taal voor hem waren – maakte mijnheer Pen allengs kennis, daar hij in vele punten met hen sympathiseerde.

De oude en vrijgevige Inn van den Upper Temple verschaft in hare eetzaal voor een zeer matigen prijs een uitmuntend, hoewel eenvoudig diner, van soep, vleesch, gebak en portwijn of sherry, aan de advocaten en studenten, die daar komen eten. Elk tafeltje is voor vier gasten bestemd, en elk viertal krijgt een stuk ossevleesch of schapebout, een appeltaart en eene flesch wijn! Maar de eerzame bezoekers dier eetzaal, die tot den minderen stand der studenten behooren en desniettemin van een goed leventje houden, kennen verscheidene onschuldige kunstjes om hun maal te verbeteren; „loopjes”, zooals men in de gemeenzame spreektaal zegt, – waardoor zij fijnere schotels trachten machtig te worden, dan de gewone alledaagsche, waarmee de studenten zich moeten vergenoegen.

„Wacht eens even,” zeide mijnheer Lowton, een dier gourmands van den Temple, terwijl hij Pen aan zijn tabbaard trok; „de tafels hier zijn zeer vol, en daar ginds zitten slechts drie rechters voor tien schotels; als wij wachten, zullen wij misschien wel iets van hunne tafel krijgen.” Op die woorden keek Pen met zekere nieuwsgierigheid, gelijk Lowton met groote begeerigheid, naar de verheven tafel der rechters, waar drie oude heeren achter een dozijn zilveren schoteldeksels stonden, terwijl de kapelaan het gebed opdreunde.

Lowton was een groot man, wanneer het op de leiding van een diner aankwam. Hij trachtte het zoo aan te leggen, dat hij de eerste, of „kapitein” van de tafel was, waardoor hem het dertiende of laatste glas uit de flesch portwijn ten deel viel. Als zoodanig had hij dan ook het bestuur over het stuk vleesch, hetwelk hij op zijne geliefkoosde wijze voorsneed, en wist zich dikwijls behendig van de saus te bedienen, hetgeen Pen verbazend vermaakte. Arme Jack Lowton! wat gij van het leven genoot, was zeer onschuldig; hoewel gij door en door een epicurist waart, ging uwe begeerte de grenzen van anderhalve shilling niet te buiten!

Pen was een weinig ouder dan vele zijner medestudenten en had, gelijk wij reeds gezegd hebben, in houding en voorkomen iets voornaams en vrijmoedigs, dat hem voor een man van de wereld deed erkennen, – iets geheel anders dan die bleeke studenten, die met elkander over het recht spraken, en die geweldige dandy’s, met fantasie-overhemden en zonderlinge borstspelden en vesten, die het luierende gedeelte der kleine maatschappij vertegenwoordigden. De bescheidene en goedhartige Lowton [270]had zich aangetrokken gevoeld door Pen’s voorname blikken en houding, en had aan tafel kennis met hem gemaakt door het gesprek te openen.

„Vandaag, geloof ik, dat het gekookt vleesch is, mijnheer,” zeide Lowton tegen Pen.

„Ik geef u mijn woord, mijnheer, dat ik het niet weet,” zeide Pen, nauwelijks in staat zijn lach te bedwingen; maar hij liet er op volgen: „ik ben hier nog vreemd, het is mijn eerste jaar,” na welke mededeeling Lowton hem de voornaamste personen in de zaal begon aan te wijzen.

„Die daar ginds is de rechter Boosey, die kale, die onder de schilderij zit en nu soep eet; ik wou wel eens weten of het schildpadsoep is! Zij krijgen dikwijls schildpadsoep. Die naast hem zit is Balls, de rijks-advocaat, en Swettenham – van de firma Hodge en Swettenham, weet ge. Dát is Grump, de oudste advocaat; men zegt, dat hij hier veertig jaar gedineerd heeft. De rechters zenden dikwijls visch van hunne tafel naar die van de oudste advocaten. Ziet ge die vier wel, die tegenover ons zitten? Dat zijn eerste pieten – van je voornaamste jongelui, dat kan ik u verzekeren: mijnheer Trail, zoon van den bisschop van Ealing, jonkheer Fred Ringwood, broeder van Lord Cinqbars; ik wil wedden om zooveel ge wilt, dat die wel eene goede betrekking zal krijgen; en Bob Suckling, die altijd met hem omgaat – ook een groote hans. Ha! ha!” En hier barstte Lowton in het lachen uit.

„Wat is er?” vroeg Pen, die in dit alles groot behagen schepte.

„Ik wil maar zeggen, dat ik met die jongelui gaarne dineer,” zeide Lowton, met een veelbeteekenend knipoogje, terwijl hij zich inschonk.

„En waarom?” vroeg Pen.

„Wel, omdat zij – weet je – hier niet komen om te dineeren, maar zich houden alsof zij het doen. Zij hier dineeren, de hemel bewaar me! Zij gaan naar een of ander van de voorname clubs, of anders op een groot diner. Gij kunt hunne namen in den Morning Post zien, als ergens eene voorname partij in Londen gegeven is. Ik wed, om wat ge wilt, dat Ringwood zijn cab en Trail zijn brougham (die Trail is een eerste doordraaier en brengt het geld van den bisschop onder de menschen, dat verzeker ik u) op dit oogenblik aan den hoek van Essex Street laat wachten. Zij dineeren! Ik geef u mijn woord, dat zij nog in geen twee uren dineeren!”

„En waarom zoudt gij gaarne met hen aanzitten, als zij toch niet dineeren?” vroeg Pen, die het nog altijd niet begreep. „Er is hier toch genoeg, niet waar?”

„Wat zijt gij toch groen!” zeide Lowton. „Ik vraag excuus, maar inderdaad gij zijt groen. Gij ziet, dat zij geen wijn gebruiken, en als men met die drie jongelui aanzit, heeft men de flesch alleen. Dat is de reden waarom Corkoran zich bij hen heeft ingedrongen.”

„Nu, mijnheer Lowton, ik moet zeggen, dat gij een slimme vogel zijt,” riep Pen zeer ingenomen met zijn nieuwen bekende; waarop de ander zedig antwoordde, dat hij het grootste gedeelte zijns levens in Londen had doorgebracht en zijne oogen natuurlijk niet op zak hield, waarna hij met zijne opmerkingen tegen Pen voortging.

„Er zijn hier heel wat Ieren,” zeide hij; „die Corkoran is er één van, en ik kan niet zeggen, dat ik het bijzonder op hem heb. Die knappe jongen daar, met die blauwe das, dat paarsche overhemd en dat gele [271]vest, behoort er ook toe; het is Molloy Maloney van Ballymaloney, neef van den generaal-majoor Sir Hector O’Dowd – hi, hi,” zeide Lowton, die het Hibernisch accent poogde na te bootsen. „Hij bluft altijd op zijn oom en kwam denzelfden dag, toen hij ten hove voorgesteld was, met eene broek met zilveren strepen hier in de eetzaal. Die andere daar, naast hem, met dat lange, zwarte haar, is een vreeselijke rebel; als gij hem in de debatteerclub hoort, mijnheer, stolt u het bloed in de aderen! Die volgende is ook een Ier, Jack Finucane, Londensche correspondent van een dagblad. Al die Ieren hangen aan elkander. Het is uwe beurt om uw glas te vullen. Hoe? wilt gij geen port meer? Houdt gij niet van port onder het eten? Dan gaat dit op uwe gezondheid!” De goede man gevoelde zijne genegenheid voor Pen toenemen, omdat deze bij het diner niet van portwijn hield.

Terwijl Pen aan een dier diners met zijn bekende Lowton als „kapitein” van de tafel deel nam, voegde zich iemand in advocaten-toga bij hen, die geen plaats bij de heeren van zijn eigen rang scheen te kunnen vinden en nu naar hunne tafel kwam, en op de bank, waar Pen zat, plaats nam. Hij droeg oude kleeren en een valen tabbaard, dien hij nasleepte, en een hemd, dat wel helder, maar zeer versleten was en veel verschilde van het paarsche hemd van mijnheer Molloy Maloney, die aan de naaste tafel eene in het oog loopende plaats bekleedde. Het is gebruikelijk, dat de heeren, die in de zaal van den Upper Temple dineeren, hunne deelneming aan den maaltijd te kennen geven, door hun naam op een stukje papier te schrijven, dat daarvoor met een potlood op elke tafel gereed ligt. Lowton schreef zijn naam het eerst, daarop volgde Arthur Pendennis, en eindelijk kwam de heer met de oude kleeren. Hij glimlachte toen hij Pen’s naam las en keek hem aan. „Wij moeten elkander kennen,” sprak hij. „Wij zijn allebei studenten van het Bonifacius-Collegie. Ik ben Warrington.

„Zijt gij Warrington de doord …?” riep Pen uit, wien het verheugde dezen grooten man te zien.

„Ja, Warrington de doordraaier, ja wel!” antwoordde Warrington lachende. „Ik herinner mij u nog als jong student. Maar gij schijnt mij in het geheel niet meer te kennen.”

„In het Collegie spreekt men nog altijd van u,” zeide Pen, die eene gulle bewondering voor talent en moed koesterde. „Bil Simes, de schuitenvoerder, dien gij afgerost hebt – gij herinnert het u nog wel – zou u nog wel eens te Oxbridge willen zien. De jufvrouwen Notley, de dochters van de modemaakster –”

„St!” zeide Warrington; „het doet mij genoegen kennis met u te maken, Pendennis. Ik heb veel van u gehoord.”

De jongelui waren dadelijk vrienden en verdiepten zich oogenblikkelijk in een gesprek over de academie. Pen, die zich bij eene vorige gelegenheid als een voornaam heer had willen voordoen, toen hij aan Lowton te verstaan gaf, dat hij bij zijn diner geen portwijn kon drinken, vond – tot groote spijt van den goeden Lowton, geen bezwaar meer om nog wat te nemen, toen hij zag, dat Warrington zijn aandeel met grooten smaak gebruikte. Na afloop van het diner vroeg Warrington waar Arthur voornemens was heen te gaan?

„Ik wilde mij thuis kleeden, om Grisi in de Norma te hooren,” antwoordde Pen.

„Moet gij daar met iemand in gezelschap zijn?” vervolgde Warrington. [272]

„Neen,” zeide Pen, „ik ga enkel om de muziek, want daarvan ben ik een groot liefhebber.”

„Ga liever met mij naar huis eene pijp rooken,” zeide Warrington, „eene enkele pijp. Ga mee; ik woon in Lamb Court; dan praten wij nog wat over de Academie en den ouden tijd.”

En dus gingen zij heen, terwijl Lowton hen zuchtend nazag. Hij wist, dat Warrington de zoon van een baronet was, en met innigen eerbied zag hij tegen de gansche! aristocratie op. Van dien avond af werden Pen en Warrington groote vrienden. Warrington’s opgeruimdheid en hartelijkheid, zijn gezond verstand, zijne ongegeneerde ontvangst en zijne nooit falende pijp tabak bezaten groote bekoorlijkheden voor Pen, die het aangenamer vond zich met hem naar publieke plaatsen te begeven, waar men zich voor een shilling kon vermaken, dan in deftige eenzaamheid, te midden der stille en wellevende bezoekers van den Polyanthus, te dineeren.

Weldra zeide Pen zijne kamers in St. James op, waar hij na het verlaten van zijn hotel zijn intrek genomen had; hij vond het veel voordeeliger zijn verblijf bij Warrington in Lamb Court te nemen, en dáár de ledige kamer van zijn vriend te meubileeren en te betrekken. Want het moet van Pen gezegd worden, dat niemand gemakkelijker dan hij te bewegen was iets te doen, als het iets nieuws was, of hij er lust toe had. Van nu af deelden Pidgeon, de loopjongen, en Flanagan, de waschvrouw, hunne trouw tusschen Warrington en Pen.