TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
Waarin de drukkersjongen aan de deur komt.
Te midden van zijne uitspanningen en vermaken, die bescheiden genoeg en, zoo al niet fijn, ten minste goedkoop waren, zag Pen een vreeselijk zwaard boven zijn hoofd hangen, dat eerlang moest nederstorten en een einde aan zijne pret en feestgelagen zou maken. Zijn geld was bijna op. De contributie voor zijne club had er een derde van verslonden. Hij had de voornaamste meubelstukken moeten betalen, waarmee hij zijn slaapkamertje voorzien had. Kortom, hij was aan zijn laatste bankbriefje van vijf pond gekomen, en wist geen middel te bedenken om het aan een opvolger te helpen; want onze vriend was tot nog toe als een jonge prins behandeld, of liever als een kind in de [283]lange kleeren, dat dadelijk van zijne moeder voedsel krijgt, zoodra het schreeuwt.
Warrington wist niet, over welke middelen zijn makker beschikken kon. Daar Pen een eenig kind was, met eene moeder, die op eene buitenplaats woonde, en een ouden dandy van een oom, die elken dag met een groot heer dineerde, kon de ander niet weten, dat Pen geene aanzienlijke inkomsten had. Hij bezat gouden kettingen en eene toiletdoos, waarvoor een lord zich niet had behoeven te schamen. Zijne manier van leven was aristocratisch; wel was hij niet verkwistend; want met de meeste opgeruimdheid dineerde hij met eene kan porter en eene portie vleesch uit eene restauratie, waarbij hij de grootste tevredenheid en een goeden eetlust aan den dag legde, maar hij kon er niet toe komen om het, zooals men zegt, uit te rekenen. Hij kon niet besluiten, om maar een dubbeltje aan den knecht te geven; hij kon niet nalaten eene vigilante te nemen als hij er lust toe had, of als het regende, en even zeker als hij de vigilante nam, betaalde hij den koetsier te veel. Hij had een afkeer van gewasschen handschoenen en dergelijke kleine bezuinigingen. Hij had bezwaarlijk milder kunnen zijn, als hij tien duizend pond ’s jaars te wachten had gehad; en zoodra een bedelaar met eene aandoenlijke geschiedenis, of een paar aardige kinderen met pruilende gezichtjes hem in den weg kwamen, kon hij de hand niet uit zijn zak houden. Het was bij hem misschien eene grootschheid van karakter, die zich niet verledigen kon om op geld te letten; eene aangeboren edelmoedigheid en goedgeefschheid; en misschien eene kleine ijdelheid, die zich door lof, al ware het maar de lof van koffieknechts en koetsiers, gestreeld gevoelde. Ik geloof, dat de meest wijzen onder ons niet weten wat onze eigen beweegredenen zijn, en dat sommige handelingen, waarop wij ons het meest verheffen, ons zullen verbazen als wij, gelijk eenmaal het geval zal zijn, tot de ware bron daarvan opklimmen.
Warrington kende dus de geldelijke omstandigheden van Pen niet, die deze ook niet had goedgevonden hem toe te vertrouwen. Dat Pen aan de academie vroolijk geleefd had en zeer spilziek was geweest, wist de ander; iedereen was daar spilziek en vroolijk; maar hoe groot de verteringen van den zoon en hoe klein de inkomsten der moeder waren, dit waren punten, die men nog niet ter kennis van mijnheer Warrington gebracht had.
Eindelijk brak de bom los, toen Pen met een zuur gezicht naar het geld keek, nadat hij zijn bankje gewisseld had, en dat naast Warrington’s bierkan op het schenkblad uit de herberg lag.
„Dat is de laatste roze,” zeide Pen; „hare gelijken zijn reeds lang verdwenen, en nu heeft ook zij hare bladeren afgeworpen.” En daarop verhaalde hij Warrington alles wat wij weten van het fortuin zijner moeder, zijne eigen dwaasheden en Laura’s edelmoedigheid, hetgeen, Warrington onder het rooken van zijne pijp aandachtig aanhoorde.
„Schraalheid van kas zal u goeddoen,” zeide Pen’s vriend, terwijl bij, toen het verhaal uit was, zijne pijp uitklopte; „ik weet voor een mensch – let wel, een fatsoenlijk mensch, want voor andere heeft die artsenij geene kracht, –– niets heilzamers dan een toestand van geldgebrek. Het is een middel van afleiding en opwekking; het houdt den geest bij voortduring wakker; gelijk een ruiter, die over eene heg zal springen, of een man, die door zijn vijand met een wapen bedreigd wordt, die voorwerpen [284]onafgewend in het oog moet houden en zijn moed verzamelt om over den hinderpaal heen te komen, of om den slag af te wenden. Een beetje nooddwang brengt uw moed aan het licht, zoo gij dien bezit, en schenkt u kracht om den strijd met de Fortuin te aanvaarden. Gij zult eens zien hoeveel dingen ge missen kunt, als ge geen geld hebt om ze te koopen. Ge zult geen behoefte hebben aan nieuwe handschoenen en verlakte laarzen, eau de Cologne en vigilantes. Gij zijt als een bedorven kind groot gebracht en door de vrouwen bedorven, waarde Pen. Als een ongetrouwd man, die gezondheid en talenten bezit, zijn kost niet kan verdienen in de wereld, verdient hij er niet te blijven. Laat hij zijn laatsten halven stuiver besteden om den tol op de Waterloo-brug te betalen en dan in de Theems springen. Laat hem een schapebout stelen en men zal hem naar eene strafkolonie zenden. Hij is niet geschikt om hier te leven. Dixi – ik heb gezegd. Nu nog een slokje bier!”
„Zeker hebt gij het gezegd; maar hoe kan men den kost verdienen?” zeide Pen. „Er is in Engeland overvloed van brood en vleesch, maar men moet het met werk of geld betalen. Wie wil echter van mijn werk gediend zijn? en welk werk kan ik verrichten?”
Op deze woorden barstte Warrington in lachen uit. „Indien wij eens,” sprak hij, „eene advertentie in de Times plaatsten voor eene betrekking als ondermeester op eene voorname kostschool, waar de jongelui voor de academie en den handel worden opgeleid, bijv.: Een candidaat in de letteren, van het St. Bonifacius-Collegie te Oxbridge, die bij zijn examen voor het doctoraat gedropen is –”
„Loop naar –” zeide Pen.
„– biedt zich aan om onderwijs te geven in de oude talen, de wiskunde en de eerste beginselen van het Fransch; hij kan haarsnijden, de kleinste leerlingen wasschen en aankleeden, en met de dochters van den hoofdonderwijzer quatre-mains op de piano spelen. Men adresseere zich aan A. P., Lamb Court in den Temple.”
„Ga je gang maar!” gromde Pen.
„Men kan allerlei beroepen bij de hand nemen. Daar hebt ge uw vriend Bloundell, bij voorbeeld; Bloundell is een oplichter van beroep; reist op het vasteland, tracht kennis met jongelui van aanzien te maken en licht hen dan op. Bob O’Toole, met wien ik heb schoolgegaan, is thans postbode op Ballynafad en brengt de brieven van den goeden Jack Finucane naar die stad. Ik ken iemand, mijnheer, een dokters zoon, evenals – nu, word maar niet boos, ik wil niets beleedigends zeggen – een dokters zoon, zeg ik, die hier de lessen in de hospitalen bijwoonde, maar met zijn vader twist kreeg over geldzaken. Wat deed hij, toen hij aan zijn laatste vijf pond gekomen was? hij liet zijne snorren staan, reisde naar eene provinciestad, gaf zich daar uit voor professor Spineto, eksteroogensnijder en nagelknipper van den keizer aller Russen, en kwam, door eene gelukkige operatie op den redacteur der provinciale courant, in eene drukke praktijk, zoodat hij er drie jaren goed van leefde. Hij is toen weder met zijne familie verzoend en nu in zijn vaders likpotten opgevolgd.”
„Laat de likpotten naar de maan loopen!” schreeuwde Pen. „Ik kan geen postkar rijden, geen likdorens snijden, en mijn kost niet met valsch spelen verdienen. Weet gij me niets anders aan de hand te doen?”
„Ja wel, gij kunt correspondent worden,” zeide Warrington. „Ieder [285]heeft zijne geheimen, weet ge. Voordat gij mij op de hoogte bracht hoe het met uwe middelen stond, kon ik niet anders denken, dan dat gij iemand van fortuin waart, want met uwe verwenschte voornaamheid van manieren en voorkomen, moet ieder u daarvoor houden. Naar hetgeen gij mij van de inkomsten uwer moeder vertelt, is het duidelijk, dat gij haar niets meer moet afpersen. Gij kunt niet meer blijven teren op hetgeen die vrouwen bezitten. Gij moet dat juweel van een meisje het hare terugbetalen. Heet ze niet Laura? – nu, op uwe gezondheid, Laura! Word liever opperman, dan nog een enkelen stuiver van huis te vragen!”
„Maar hoe kan ik er dan zelf een verdienen?” vroeg Pen.
„Waarvan denkt ge wel, dat ik leef?” hernam de ander. „Van mijn erfdeel als jongere broeder, Pendennis? Ik heb mijne eigen geheimen, beste jongen,” en bij die woorden werd Warrington’s gelaat somber, „Vijf jaar geleden heb ik dat erfdeel opgemaakt, en het zou beter geweest zijn, indien ik wat vroeger mij zelven ook van kant gemaakt had. Sinds dien tijd heb ik op mijne eigen wieken gedreven. Ik heb niet veel geld noodig. Als mijne beurs plat is, zet ik mij aan het werk om haar te vullen, en dan lig ik weer als eene slang, of een Indiaan, te luieren, totdat ik den brok verteerd heb. Kijk maar eens! ik begin weer honger te krijgen,” besloot Warrington en liet aan Pen eene lange schrale beurs zien, die aan het ééne einde slechts weinige goudstukken bevatte.
„Maar hoe vult gij die beurs dan weer?” vroeg Pen.
„Ik schrijf,” gaf Warrington ten antwoord; „maar dat vertel ik aan de wereld niet,” voegde hij er met een blos bij. „Ik wil niet, dat men er mij naar vraagt; of misschien ben ik een ezel en laat ik mij niet gaarne nageven, dat ik om den broode schrijf. Maar ik werk voor de rechtsgeleerde tijdschriften; kijk eens, deze artikelen zijn van mij.” En bij die woorden sloeg hij eenige bladen om. „Ook schrijf ik nu en dan in een dagblad, dat onder redactie van een mijner vrienden staat.”
Toen Warrington op zekeren dag met Pen naar de club ging, liet hij zich eenige nommers van de Dageraad geven en wees met den vinger een paar artikelen aan, die Pen met genoegen las. Het kostte hem later geen moeite dien stijl, die krachtige denkbeelden en korte volzinnen, dat gezonde verstand, dien hekelenden geest en die geleerdheid te herkennen.
„Daartoe ben ik niet in staat,” zeide Pen met oprechte bewondering voor de talenten van zijn vriend. „Ik weet maar weinig van staatkunde en geschiedenis, Warrington; en mijne kennis van de letterkunde is zeer oppervlakkig. Ik kan mij op vleugelen als de uwe niet verheffen.”
„Maar gij kunt het op uwe eigene, mijn jongen, hetgeen gemakkelijker en misschien nog hooger gaat,” zeide de ander goedaardig. „Uit die kleine schetsen en verzen, die ik van u gezien heb, spreekt eene natuurlijke begaafdheid, die in deze dagen zeldzaam is. Gij behoeft niet te blozen, verwaande jonge aap! Gij hebt er sedert tien jaar evenzoo over gedacht. Gij bezit, geloof ik, het heilige vuur, een sprankje van den echten dichtergloed, mijnheer; en daarbij vergeleken, hebben al onze olielampen, hoe netjes ook afgeknipt, niets te beteekenen. Pen, gij zijt een dichter, beste jongen!” en bij die woorden strekte Warrington de groote hand uit en klopte Pen op den schouder.
Arthur was zoo opgetogen, dat de tranen hem in de oogen opwelden.
„Wat zijt gij vriendelijk voor mij, Warrington,” sprak hij. [286]
„Ik houd van u, ouwe jongen,” zeide de ander. „Ik had het drommels eenzaam op mijne kamer; ik had iemand tot gezelschap noodig en uw open en eerlijk gelaat nam mij voor u in. De manier van uw lachen tegen Lowton, dien armen goeden klaplooper, beviel mij. Kortom, ik kan niet duidelijk zeggen waarom gij zulk een goeden indruk op mij hebt gemaakt – maar waarheid is het, jongetje. Ik sta alleen op de wereld, en ik moest iemand hebben, die mij gezelschap hield!” en uit Warrington’s oogen straalde een blik vol welwillendheid en droefheid.
Pen werd te aangenaam door zijne eigen gedachten bezig gehouden, dan dat hij de droefgeestigheid van den vriend, die hem zoo prees, opmerkte. „Ik dank u, Warrington,” riep hij uit, „ik dank u voor vriendschap, die gij mij betoont en – en voor hetgeen gij van mij zegt. Ik heb mij inderdaad dikwijls verbeeld, dat ik een dichter was. Ik zal het worden – ik geloof, dat ik het ben, als gij het zegt, al mocht ook de wereld van een ander gevoelen zijn. Wat – wat beviel u het best, – de Ariadne op Naros (ik was pas achttien jaar toen ik dat schreef) of mijn prijsvers?”
Op die toespraak schaterde Warrington het van lachen uit. „Wel, jonge ezel,” gilde hij bijna, „van al de ellendige rijmelarij, die ik ooit heb ingekeken, is de Ariadne op Naxos bijna de afgrijselijkste en walgelijkste; en het prijsvers is zoo hoogdravend en onbeduidend, dat het mij waarachtig verwondert, dat gij er de medaille niet voor gekregen hebt. Ik hoop toch niet, dat ge u voor een dichter van den ernstigen stempel houdt, die Milton en Æschylus zal overschaduwen? Zit ge van plan een Pindarus te worden, malle pimpelmees, en meent ge de krachtige wieken te bezitten, die den Thebaanschen adelaar als oppervorst in de azuren gewesten des hemels doen heerschen? Neen, jongetje, ik geloof, dat gij een artikel voor een tijdschrift en een aardig versje kunt schrijven; – dat is het, wat ik van u denk.”
„Voor den drommel,” riep Pen, opspringende en met den voet stampende; „ik zal u toonen, dat ik meer kan dan gij denkt.”
Warrington begon alleen nog harder te lachen en deed bij wijze van antwoord vier en twintig haastige trekken achter elkander uit zijne pijp.
Het duurde niet lang, of Pen kreeg gelegenheid om zijne kunst te toonen. Die voorname uitgever Bacon van Paternoster Row (vroeger Bacon en Bungay) zond niet alleen het rechtsgeleerde tijdschrift, waarin mijnheer Warrington schreef, en andere belangrijke en ernstige periodieke geschriften in het licht, maar onthaalde de wereld ook elk jaar op een sierlijk en verguld boekdeel, getiteld het Lente-jaarboek, dat onder redactie van Lady Violet Lebas stond en niet alleen de voornaamste, maar ook de hoogst geplaatste dichters van onzen tijd onder zijne medewerkers telde. De gedichten van Lord Dodo en die van jonkheer Percy Popjoy, wiens ridderballaden hem zooveel naam verschaft hebben, verschenen het eerst in dezen bundel; de Oostersche Liederen van Bedwin Sands en vele andere werken van onze adellijke jeugd werden voor het eerst wereldkundig gemaakt in het Lente-jaarboek, dat sedert het lot van andere lentebloemen gedeeld heeft en van het wereldrond verdwenen is. Het boek was luisterrijk versierd met de portretten der schoonste dames van dien tijd, of met andere voorstellingen van roerende en aandoenlijke tafereelen; en daar die platen lang te voren waren gekozen en het graveeren veel tijd kostte, waren het de uitstekende dichters, die de verzen bij de platen moesten maken, in [287]plaats, dat de teekenaars hunne tafereelen ontwierpen naar de gedichten.
Juist toen dit jaarboek weder uitgegeven moest worden, wilde het geval, dat Warrington in Paternoster Row aanliep, om mijnheer Hack te spreken, die voor Bacon de handschriften nalas en het opzicht over de uit te geven werken hield; want daar mijnheer Bacon hoegenaamd geen begrip van poëzie of letterkunde had, bediende hij zich zeer wijselijk van de hulp van een deskundige. Toen Warrington dus naar kamer van Hack ging, om over zijne eigen zaken te spreken, vond hij dien heer met een stapel proefplaten en gedrukte vellen van het Lentejaarboek voor zich, en Warrington nam er eenige op om ze te bekijken.
Percy Popjoy had een vers bij een der platen, het Kerkportaal, geleverd. Een Spaansch dametje spoedde zich met een groot gebedenboek naar de kerk en werd bespied door een jong heer in een mantel, die zich in eene nis verborgen had. Het was een aardig tafereeltje, maar Percy Popjoy was door zijn verheven genie in den steek gelaten, want hij had er de verfoeilijkste verzen bij geschreven, waaraan zich ooit een jong edelman bezondigd heeft.
Warrington barstte in lachen uit toen hij het vers las, en mijnheer Hack lachte mee, doch als een boer, die kiespijn heeft. „Het kan niet gaan,” zeide hij; „het publiek zal er den draak mee steken. Bij Bungay zal men een zeer goed jaarboek uitgeven, en men heeft daar jufvrouw Bunyan tegenover Lady Violet gesteld. Wij hebben wel is waar de meeste getitelde medewerkers, maar de verzen zijn al te slecht. Lady Violet erkent het zelve, maar zij is aan haar eigen gedicht bezig, en wat moeten wij doen? Wij kunnen de plaat niet ongebruikt laten en het geld verliezen; de ouwe heeft er zestig pond voor betaald.”
„Ik ken iemand, die er, geloof ik, wel een vers bij zou kunnen maken,” zeide Warrington. „Laat mij het plaatje meenemen en zend dan morgenochtend maar bij mij om het vers. Ik verwacht echter, dat gij goed betalen zult.”
„Natuurlijk,” antwoordde Hack; waarop Warrington, na zijne eigen zaken te hebben afgehandeld, met de plaat in de hand naar huis ging.
„Kom aan, jongen, nu is er eene kans voor u!” zeide hij tegen Pen. „Maak me daar eens een vers bij.”
„Wat is dat? Het Kerkportaal – eene dame, die er binnengaat, en een jonge heer, die haar uit een herbergvenster begluurt. Wat drommel moet ik daarmee uitvoeren?”
„Probeer maar!” zeide Warrington. „Tracht nu voor ditmaal uw kost eens te verdienen, waarnaar gij zoo verlangt.”
„Nu, ik zal het probeeren,” hernam Pen.
„En ik ga eten,” zeide Warrington en liet mijnheer Pen in diep gepeins achter.
Toen Warrington dien avond zeer laat thuis kwam, was het vers gereed. „Daar is het,” zeide Pen, „Ik heb het er eindelijk uitgeperst. Ik geloof, dat het voldoende zal zijn.”
„Dat geloof ik ook, zeide Warrington nadat hij het gelezen had. Het luidde als volgt: [288]
HET KERKPORTAAL.
’k Treed het heiligdom niet in,
Maar verstout me, in wereldzin,
Soms hier rond te dwalen,
Wachtend bij ’t gewijd portaal,
Dat haar oog een hemelstraal
Op mij neer doe dalen.
’t Koor der klokken bengelt luid
Boven ’t stadgewemel uit,
Boven wind en stroomen.
Thans verstomt de klokkengalm:
’k Hoor den statige’ orgelpsalm:
Spoedig zal zij komen.
Eindelijk zie ’k mijn liefste, met
Schuchtren maar verhaasten tred
Naar het godshuis snellen.
De oogen afgewend van mij
Komt zij – is er – gaat voorbij.
Moog haar God verzellen!
Kniel daar, heilige! ongestoord.
Elke smeekbeê word’ verhoord,
Die ge omhoog zult zenden!
Ik blijf buiten; mijn gemoed
Zou de reinheid en den gloed
Van uw beden schenden.
Maar vergun me, een korten stond,
Bij dien mij verboden grond
Nog mij te bezinnen,
Als een uitgebannen geest,
Die door ’s hemels poort, bedeesd
De englen ziet daarbinnen!
„Hebt ge nog meer van dien aard, jonge heer?” vroeg Warrington. „Wij moeten maken, dat ze u een paar guinjes per bladzijde geven; en als de verzen bevallen, zult ge ook voet krijgen in Bacon’s tijdschriften en kunt ge er een aardig duitje uit halen.”
Pen keek zijne portefeuille na en vond nog eene ballade, die hij meende, dat een goed figuur in het Lente-jaarboek zou maken, en na die kostbare stukken aan Warrington overhandigd te hebben, begaven beiden zich uit den Temple naar Paternoster Row, het vermaarde hoofd kwartier van de Muzen en hare meesters. Bacon’s winkel was een oud en lang gebouw, met eenige boeken, door deze firma uitgegeven, in het winkelraam onder het borstbeeld van den beroemden Bacon, Lord Verulam, en mijnheer Bacon’s naam op een koperen plaatje aan de afzonderlijke deur zijner woning. Vlak tegenover Bacon lag het huis van Bungay, dat pas geverfd en rijk versierd was in den stijl der zeventiende [289]eeuw, zoodat men zich had kunnen voorstellen, dat de deftige Evelyn den drempel betrad, of dat de nieuwsgierige mijnheer Pepys de boeken in de toonkast bekeek. Warrington ging Bacon’s winkel binnen, maar Pen bleef buiten wachten. Hij had afgesproken, dat zijn ambassadeur geheel voor hem zou handelen, en hij wandelde nu in zenuwachtige spanning de straat op en neer, in afwachting van den uitslag der onderhandeling. Menige arme duivel had vóór hem die steenen betreden, met dezelfde bezorgdheid en benauwdheid op zijne hielen, daar zijn brood en zijn roem van het vonnis afhingen, dat zijne vermogende patronen in Paternoster Row over hem zouden uitspreken. Pen bekeek al het moois in de winkels en de merkwaardige verscheidenheid van letterkundige voortbrengselen in hunne kasten. In dezen winkel lagen boeken met gothische letters, of met de duidelijke doch magere letters der Aldussen en Elzeviers; in dien er naast zag men het Stuivers Gruwelen-Magazijn, de Halve stuivers Jaarboeken der misdaad en de Geschiedenis der beruchtste moordenaars uit alle landen, het Magazijn van allerlei, de Snaaksche bram en andere voortbrengselen van de stuiversdrukpers; aan een ander venster zag men portretten van heeren met een ongunstig uitzicht, waaronder het facsimile der geachte handteekeningen van de weleerwaarde heeren Grimes Wapshot en Elias Howle prijkte, terwijl exemplaren van de werken, die zij geschreven, en de preeken, welke zij gehouden hadden, aan iedereen, die niet tot de Britsche Staatskerk behoorde, tot wegwijzer strekten, waar hij zielevoedsel vinden kon. Een venstertje dicht in de nabijheid was behangen met zinnebeelden, medailles, rozenkransen, armzalige heiligenprentjes met goud en kleuren, en godgeleerde twistschriften, waaruit de geloovigen van de Roomsche belijdenis de beste wijze konden leeren om het met de Protestanten klaar te spelen, en wel voor een stuiver het stuk, of negen stuivers het dozijn ter verspreiding; terwijl men in den winkel daarnaast exemplaren van Verlaat den schoot van Rome zag liggen, eene predikatie, die bij de inwijding van het Herdersbosch Collegie gehouden was door John Thomas lord-bisschop van Ealing. Men kon zich bijna geene richting voorstellen, die in deze vreedzame oude Paternoster Row, onder den galm der klokken van de St.-Paulskerk, niet aangeprezen en verkondigd werd.
Pen keek de kasten en winkels in, zooals iemand, die een onderhoud met den tandmeester moet hebben, de boeken op de tafel in diens voorzaal bekijkt. Alles stond hem later nog duidelijk voor den geest. Het was hem, alsof Warrington nooit meer te voorschijn zou komen, en werkelijk had deze ook geruimen tijd noodig, om de zaak van zijn vriend te bepleiten.
Pen’s aangeboren verwaandheid zou nog vervaarlijker gestegen zijn, indien hij het verslag had kunnen hooren, dat Warrington van hem gaf. Toevallig kwam Bacon zelf in de kamer van Hack, terwijl Warrington daar stond te praten, en daar deze Bacon’s zwakke zijde kende, werkte hij zeer behendig ten behoeve van zijn vriend. In de allereerste plaats zette hij zijn hoed op om tegen Bacon te spreken en richtte, van de tafel af, waarop hij zich neergezet had, het woord tot hem. Bacon was er mee gestreeld als een gentleman hem grof behandelde, en paste dit van zijn kant weer op zijne kinderen toe, gelijk jongens elkander een klap overgeven. „Hoe! Kent gij mijnheer Pendennis niet, Bacon?” zeide Warrington. „Gij komt niet veel in de groote wereld, anders zoudt gij [290]hem wel kennen. Het is een man van groote bezittingen in het westen van Engeland, van eene der oudste familiën in dit rijk, vermaagschapt aan, de helft van den adel – het is een neef van Lord Pontypool; – te Oxbridge behoorde hij tot de knapste studenten en elke week dineert hij op Gaunt House.”
„Och kom! is het wezenlijk waar, mijnheer? Wel, men zou zeggen! Wel Heere bewaar me!” zeide mijnheer Bacon.
„Ik heb daar juist verzen van hem aan mijnheer Hack laten zien en hij is gisterenavond laat opgebleven, om ze op mijn verzoek te schrijven. Nu wil Hack hem een exemplaar van dat boek geven – hoe heet dat ding ook?”
„Zoo! Zoo? Ja, hoe heet dat ding ook? Wel, wel!”
„Het Lente-jaarboek, zoo heet het, – als betaling voor die verzen. Gij begrijpt toch wel, dat een man als mijnheer Arthur Pendennis geen diner op Gaunt House laat loopen om niets? Gij weet zoo goed als iemand, dat de voorname lui betaald willen worden.”
„Ja, dat weet ik, mijnheer Warrington,” antwoordde de uitgever.
„En ik zeg u, dat hij een genie is, – dat hij opgang zal maken, mijnheer. Het is nog een nieuwe naam, mijnheer.”
„Dat is van zooveel van die voorname jonge heeren gezegd, mijnheer Warrington merkte de uitgever met een zucht aan. „Daar hadt ge burggraaf Dodo; ik gaf hem eene flinke som voor zijne gedichten en verkocht er slechts tachtig exemplaren van. De Agincourt van jonkheer Popjoy is geheel en al eene mislukte speculatie geweest.”
„Nu, dan zal ik mijn beschermeling aan den overkant bij Bunga brengen,” zeide Warrington en sprong van de tafel. Maar deze bedreiging was te veel voor Bacon, die dadelijk zijne bereidwilligheid te kennen gaf om in elk billijk voorstel van Warrington te treden en eindelijk aan zijn deskundige vroeg wat het voorstel was. Toen hij hoorde, dat de onderhandeling vooralsnog slechts over een paar balladen liep, die Warrington voor het Lentejaarboek aanbood, riep Bacon uit: „Wel Heere bewaar me! geef hem dadelijk een briefje op mijn bankier!” en met dit papiertje ging Warrington nu de straat op en overhandigde het met een glimlach aan Pen. Deze was even uitgelaten blij, alsof iemand hem een fortuin vermaakt had. Dadelijk bood hij Warrington een diner te Richmond aan. Wat zou hij nu voor Laura en zijne moeder koopen? want, zeide hij, iets moest hij toch doen.
„Het boek zelf, met den naam van den jongen heer onder de verzen, midden onder de groote lui, zal haar meer genoegen doen dan iets anders” zeide Warrington.
„Goddank! Goddank!” riep Arthur uit: „Nu behoef ik mijne oude moeder niet meer tot last te zijn. Nu kan ik Laura afbetalen. Nu kan ik in mijn eigen onderhoud voorzien. Nu kan ik zelf door de wereld komen!”
„Nu kan ik de dochter van den groot-vizier trouwen; nu kan ik een huis in Belgrave Square koopen; nu kan ik een mooi luchtkasteel bouwen!” vervolgde Warrington, die behagen schepte in de opgewondenheid van den ander. „Gij kunt nu een stuk brood verdienen, Pen, en ik moet bekennen, dat het brood, hetwelk men zelf verdient, goed smaakt.”
Dien middag hadden zij bij hun diner in de club eene fijne flesch op Pen’s kosten. Sedert lang had hij zich zulk eene weelde niet veroorloofd; maar Warrington wilde hem niet voor het hoofd stooten, en dus dronken zij gezamenlijk op het welslagen van het Lente-jaarboek. [291]
Evenals een ongeluk, komt ook een geluk zelden alleen, en zoo deed zich spoedig eene nieuwe kans voor mijnheer Pen op, om tot een bestaan te geraken. Op zekeren dag wierp Warrington hem een brief over de tafel toe, dien de drukkersjongen gebracht had. „Van kapitein Shandon, meneer,” had de kleine afgezant gezegd, waarna hij op zijne gewone plaats, de bank in den gang, ging zitten en daar in slaap viel. Hij kwam er later nog dikwijls en bracht menige boodschap aan Pen.
„F. G., Dinsdagmorgen,
„Waarde Heer,
„Bungay komt straks, om over de Pall Mall Gazette te spreken. Gij zoudt de man zijn, dien wij hebben moeten, om ons aan artikelen over de wezenlijke groote wereld te helpen, – ge begrijpt mij: levendig, scherp en verduiveld aristocratisch. Lady Hipshaw zal er in schrijven, maar ge weet, dat zij niet veel beteekent; en wij hebben twee lords, maar hoe minder die uitvoeren, hoe beter. Wij moeten u hebben. Gij behoeft maar te zeggen wat uwe voorwaarden zijn. Wij zullen zeker opgang maken met de Gazette.
„Moet B. bij u komen om er over te spreken, of kunt gij mij hier eens komen opzoeken?
„Altijd de uwe,
C. S.”
„Nu gaan zij elkander nog meer in de wielen rijden,” zeide Warrington, toen Pen den brief gelezen had. „Bungay en Bacon haten elkander als de pest; ieder hunner heeft de zuster van den ander getrouwd, en vroeger waren zij de innigste boezemvrienden en compagnons. Hack zegt, dat het mevrouw Bungay is, die al het kwaad tusschen hen beiden gesticht heeft, terwijl Shandon, die veel voor Bungay werkt, zegt, dat het de schuld van mevrouw Bacon is; ik, voor mij, weet niet wie gelijk heeft: het is oud lood om oud ijzer. Maar sedert zij hunne vennootschap ontbonden hebben, voeren die twee uitgevers een verwoeden oorlog met elkander. Nauwelijks zendt de een een reisverhaal, een bundel verzen, een magazijn of een vierendeeljaars-, maandelijksch-, wekelijksch- of jaarlijksch-tijdschrift in het licht, of zijn mededinger komt met iets dergelijks in het veld. Ik heb den armen Shandon met de grootste pret hooren vertellen, hoe hij Bungay bewogen had een groot diner te Blackwall aan al zijne schrijvers te geven, door hem te vertellen, dat Bacon zijn corps op eene partij te Greenwich genoodigd had. Toen Bungay uw beroemden vriend Wagg had aangenomen tot redacteur van den Londenaar, haastte zich Bacon dadelijk om mijnheer Grindle over te halen zijn naam aan het Westminster Magazijn te leenen. Toen Bacon den comischen Ierschen roman Barney Brallaghan uitgaf, reisde Bungay dadelijk naar Dublin en kwam met zijne dolle Hibernische vertelling Looney Mac Twolter voor den dag. Toen doctor Hicks zijne Omzwervingen door Mesopotamië in het licht zond bij Bacon, ondernam Bungay professor Sandiman’s Onderzoekingen in de Sahara. Bungay geeft nu zijne Pall Mall Gazette uit, als een tegenwicht tegen Bacon’s Whitehall Review. Wij zullen eens iets naders van de Gazette gaan hooren. Wellicht is daarbij een plaatsje voor u te krijgen. Pen, mijn beste jongen. Wij moeten Shandon gaan opzoeken; hij is altijd thuis.” [292]
„Waar woont hij?” vroeg Pen.
„In de Fleet-gevangenis,” antwoordde Warrington. „En hij is er ook zeer goed thuis; hij is daar koning.”
Pen had deze phase van het Londensche leven nog nooit gezien en trad met groote belangstelling de grijnzende poort van het sombere gebouw binnen. Zij gingen de voorzaal door, waar de beambten en bewaarders gezeten waren, en kwamen door een klein poortje in de gevangenis. Pen werd getroffen en in spanning gehouden door het gedruis en de menschenmenigte, het leven, het geschreeuw, de woeligheid en de armoede, die er heerschten. De menschen liepen onophoudelijk en rusteloos heen en weer, gelijk de dieren in de hokken eener menagerie. Mannen speelden op de plaats stuivertje-wisselen. Anderen wandelden en stampten op en neer; de een was in gesprek met zijn advocaat in een kalen zwarten rok; de ander wandelde droevig voort met zijne vrouw aan zijne zijde en een kind op zijn arm. Sommigen waren in havelooze kamerjaponnen gehuld en hadden een voorkomen van verloopen fatsoen. Iedereen scheen bezig te zijn en het druk te hebben en op het punt te staan van te verhuizen. Het was Pen alsof hem de keel toegesnoerd werd, en alsof men hem er nimmer weer uit zou laten, nu de deur achter hem gesloten was.
Zij gingen een plein over en eene steenen trap op, en door gangen vol menschen, vol gedruis, vol vallichten, waar allerwege zwarte deuren toegeslagen werden en galmden. Pen had een gevoel, zooals men in een koortsigen droom in den vroegen morgen kan hebben. Eindelijk zeide de kleine jongen, die Shandon’s brief had gebracht, en die hen onder het eten van appelen door de Fleet Street was gevolgd en hun den weg door de gevangenis had gewezen: „Dit is de deur van den kapitein,” waarop Shandon’s stem hen verzocht binnen te komen.
Ofschoon de kamer kaaltjes was, zag ze er niet onpleizierig uit. De zon scheen door het venster, waarbij eene dame zat te werken, die eenmaal schoon en opgeruimd was geweest, maar wier verwelkt gelaat nog altijd vriendelijk en vol uitdrukking was. Dit trouwe schepseltje aanbad haar man, in weerwil van al zijne gebreken en door eigen schuld veroorzaakte tegenspoeden en ongelukken, en hield hem voor den besten en knapsten der mannen, gelijk hij ook inderdaad een der goedhartigste was. Niets scheen ooit in staat, zijn opgeruimd humeur te verstoren: noch schulden, noch schuldeischers, noch ellende, noch de flesch, evenmin als het rampspoedige lot zijner vrouw of de vernietigde vooruitzichten zijner kinderen. Hij hield, op zijne manier, dol veel van zijne vrouw en de kleintjes; hij had altijd de zoetste woordjes en glimlachjes voor hen ten beste en bracht hen met de grootste liefde ten verderve. Hij kon zich zelven noch iemand anders een genoegen ontzeggen, dat met geld te koopen was; hij zou zijne laatste guinje met Piet en Klaas gedeeld hebben en men kon zeker zijn, dat hij een zwerm van dergelijke aanhangers bezat. Hij endosseerde de wissels van iedereen en betaalde nooit zijne eigene schulden. Hij was bereid voor elke partij te schrijven en zich zelven of een ander met gelijke onverschilligheid aan te tasten. Hij was een der geestigste, beminnelijkste en onverbeterlijkste der Ieren. Als men Charles Shandon eenmaal gezien had, moest men van hem houden, en zelfs degenen, die hij in ellende stortte, konden bezwaarlijk boos op hem zijn. [293]
Toen Pen en Warrington binnentraden, zat de kapitein (die eenmaal bij een Iersch militieregiment gediend en daarvan nog den titel behouden had) in eene gescheurde kamerjapon op het bed, met een lessenaartje op zijne knieën, waarop hij iets schreef, zoo snel als zijne vlugge pen vliegen kon. De eene natbeschreven strook papier na de andere viel van den lessenaar op den grond. Boven zijn bed hing eene schilderij, met de portretten zijner kinderen, van welke het jongste, een meisje, door de kamer kroop.
Tegenover den kapitein zat mijnheer Bungay, een gezet man met een dom uitzicht, met wien het kleine meisje een gesprek trachtte aan te knoopen.
„Pa is heel knap, zegt ma,” zoo sprak het kind.
„Ja! heel knap,” zeide Bungay.
„En u is heel rijk, meneer Bundy,” kreet het kind, dat nog ternauwernood duidelijk kon spreken.
„Marie!” riep mama van haar werk.
„O, laat haar maar praten,” zeide Bungay met een zwaren lach; „laat haar zeggen dat ik rijk ben – hi, hi! – ja, ik ben vrij goed af, mijn schatje.”
„Als u rijk is, waarom haalt ge dan pa hier niet uit?” vroeg het kind.
Op deze woorden begon mama hare oogen af te wisschen met het werk, waaraan zij bezig was. (De arme dame had gordijnen voor de vensters gehangen, de schilderij der kinderen hier gebracht en boven het bed geplaatst, en nog enkele pogingen gedaan om het vertrek wat op te knappen). Mama begon dus te schreien; mijnheer Bungay werd rood en keek knorrig uit zijne kleine, roode oogen; Shandon’s pen ijlde voort, en op dit oogenblik klopten Pen en Warrington aan.
Kapitein Shandon zag van zijn arbeid op en zeide: „Hoe vaart ge, mijnheer Warrington? Binnen ééne minuut ben ik tot uw dienst. Gaat zitten, heeren, als gij ten minste plaats kunt vinden,” en voort ging de pen weer.
Warrington trok een ouden koffer vooruit – de eenige bruikbare zitplaats – en zette zich, na eene buiging tegen mevrouw Shandon en een knikje tegen Bungay, daarop neer; het kind kwam bij Pen staan en keek hem aandachtig aan; en na een paar minuten hield het krassen op; Shandon wierp zijn lessenaartje op zijde en bukte om de papieren op te rapen.
„Ik geloof dat dit wel voldoen zal,” sprak hij. „Het is het prospectus voor de Pall Mall Gazette.”
„En hier is het geld er voor,” zeide Bungay, terwijl hij een bankje van vijf pond neerlegde. „Ik ben een man van mijn woord, al zeg ik het zelf. Als ik gezegd heb, dat ik betalen zal, dan doe ik het ook.”
„Nu, dat is meer dan sommigen zeggen kunnen,” zeide Shandon en stak het bankje gretig op.