WeRead Powered by ReaderPub
Geschiedenis van Suriname cover

Geschiedenis van Suriname

Chapter 22: Naschrift.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author presents a chronological history of Suriname beginning with its indigenous inhabitants and continuing through European exploration, colonization, internecine struggles for control, the English interregnum (1804–1816), and developments into the modern era. Drawing extensively on unpublished gubernatorial minutes, diaries, and state papers from Dutch and British archives, the narrative reconstructs political decisions, administrative conflicts, and social relations among white, colored, and black populations. The treatment balances criticism and praise of officials, acknowledges source gaps, and supplements the text with appendices on missionary activity, a chronological table, colonial charters, and clergy lists, while omitting extensive statistical tables and illustrative plates.

Naschrift.

Door gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij inzage verleend in de officieele bescheiden, door den heer Baron van Heeckeren op ’s Rijks-Archief gedeponeerd, welke betrekking hebben op den tijd (1831–1838), dat hoogstdeszelfs vader, de heer E. L. baron van Heeckeren, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen was. Toen ik deze gunstige beschikking ontving, was de geschiedenis bijna, het tijdvak van van Heeckeren reeds geheel afgedrukt. Kon ik dus de resultaten van het onderzoek dier belangrijke bescheiden niet ter plaatse, waar zij eigenaardig behooren, mededeelen, in een naschrift willen wij echter het voornaamste daaromtrent aanstippen.

Uit die belangrijke bescheiden onder anderen blijkt, dat het onwaar is, hetgeen soms wel eens door de partij der reactie beweerd en als bewijs van de goede behandeling der slaven is aangevoerd, namelijk, dat de afschaffing der slavernij in de Britsch West-Indische bezittingen door de slaven in Suriname bijna met onverschilligheid werd vernomen, en dat er van geen onrust onder de slaven sprake was. Integendeel leest men gestadig van oproerige gezindheid der slaven, in het nabij Britsch Guyana gelegen district Nickerie. Reeds in 1831, toen de kwestie der emancipatie in Engeland ter sprake kwam, was het gerucht daarvan in de Nickerie ter oore der slaven gekomen, en, volgens berigt van den Landdrost Tyndall aan van Heeckeren, heerschte er in het geheele district dien ten gevolge een oproerige geest onder de slaven en sprak men van eene zamenspanning tot opstand op nieuwjaarsdag1. De President van het Gemeente bestuur, de Baljuw enz. werden daarop naar de Nickerie gezonden, met last om de gesteldheid der zaken te onderzoeken en verder naar bevind te handelen. Zij begaven zich naar het bedoelde district en—als naar gewoonte—werden de belhamels met gestrengheid gecorrigeerd2.

Desniettegenstaande bleef er een onrustige geest onder de slaven heerschen ten gevolge van verspreide geruchten omtrent de meerdere vrijheid, die de slaven in Berbice genoten. Vele slaven liepen weg en daar de Britsche autoriteiten hen niet dwongen naar hunne meesters terug te keeren, zocht de koloniale regering dit op allerlei wijze te beletten. De kustvaart der Engelschen werd verboden en als represaille zouden de van Britsche koloniën ontvlugte slaven mede niet terug gegeven worden3.

De Amsterdamsche kooplieden, belanghebbenden bij de Surinaamsche plantaadjes, vreesden zeer voor de gevolgen der Britsche Emancipatie; zij wendden zich per rekwest tot Z. M., met verzoek, om het garnizoen met 2000 man te versterken, ten einde in staat te zijn een mogelijken opstand der slaven te bedwingen. Het garnizoen werd daarop met 200 man versterkt4.

Toen de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana tot stand was gekomen, werd de communicatie tusschen het Nickerie-district en de Berbice strengelijk verboden5. Daar de gewone maatregelen niet genoegzaam waren, werd een vaartuig op de Corentijn gestationneerd, om de ontvlugting der slaven te beletten6; terwijl de heer G. de Veer naar Demerary werd gezonden, ten einde van het Britsche Gouvernement de uitlevering van de gevlugte slaven te vragen7.

In 1837 had mede op nieuw een opstand der slaven in de Nickerie plaats; na hunne veroordeeling door het geregtshof te Paramaribo werden zij, onder geleide van 30 à 40 man militairen, naar de Nickerie terug gezonden, om daar hunne straf te ondergaan8.

Telkens vindt men ook gewag gemaakt van ontvlugting van slaven uit de andere gedeelten der kolonie, terwijl vele boschtogten ter verstoring der wegloopers plaats vonden.

Hetgeen zoo dikwerf door de slavenmannen beweerd is en nog beweerd wordt omtrent het geluk der slaven, wordt op nieuw door deze feiten wedersproken en wij zeggen het den graaf de Gasparin na, waar hij zegt: »Eene instelling, die het kwade toelaat, het in groote mate in ’t leven roept, zeggende: dat de mensch een ding is, die instelling teelt noodzakelijk meer misdaden, meer misbruiken, meer verkrachtigingen, meer laagheden, dan de verbeelding der romanschrijvers ooit zal kunnen te voorschijn roepen. Wanneer een geheele stand het regt niet heeft, noch om zich te beklagen, noch om zich te verdedigen, noch in regten te getuigen; wanneer zijne stem zich niet kan doen hooren op eenige wijze hoegenaamd, dan is het veroorloofd de bekoorlijke tafereelen te verwerpen, die ons van zijn geluk worden opgehangen.

Men zou geheel onbekend moeten zijn met het menschelijk hart en met de geschiedenis, om den minsten twijfel hieromtrent te kunnen blijven koesteren.

Daarbij komt, dat zij, die, gelijk ik, eigenhandig de regterlijke stukken onzer koloniale slavernij hebben doorzocht, vreeselijk wantrouwend zijn geworden en gevaar loopen met een ongeloovig oog de beschrijvingen te beschouwen dier arkadische toestanden, welker waarde wij hebben kunnen toetsen!”9

De gewone middelen ter correctie der slaven—en deze waren toch nog al krachtig—schijnen sommige meesters nog niet genoegzaam te zijn geweest tot bedwang der slaven, waarom meermalen door meesters aan het Gouvernement verlof werd gevraagd, om slaven, die zich slecht gedroegen, op ’s lands fortificatiën te doen arbeiden, onder strenge discipline en zonder dat de meester huur hiervan behoefde te trekken. Dat verzoek werd meestal toegestaan, mits de eigenaar de onkosten der boeijen betaalde10. Ook werd vermeerdering van het getal policie-dienaren noodzakelijk geacht en hun getal werkelijk met zes vermeerderd, ten einde meermalen ontdekte verbindtenissen tusschen slaven van Paramaribo en wegloopers, die in den omtrek huisden, tegen te gaan11.

Van de vergunning om slavenmagten bijeen te trekken (zie bladz. 665) werd ruimschoots gebruik gemaakt en gedurig leest men van overschrijvingen van slaven op de privé namen der eigenaren. Verscheidene malen werd toestemming verleend tot het afzonderlijk verkoopen der kinderen van hunne moeders, waartoe dan echter de moeder toestemming moest verleenen. Of deze toestemming altijd vrijwillig en zonder dwang van buiten werd gegeven, laten wij in het midden.

Op bladzijde 656 gewaagden wij als in het voorbijgaan, op grond van door ons ingewonnen inlichtingen, dat: de zoogenaamde vrije gouvernements-arbeiders, menschen van prijs gemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst gesteld—niet veel beter dan slaven werden behandeld; in officieele bescheiden wordt deze bewering bevestigd; de Britsche gezant leverde klagten bij onze regering in, dat de zoogenaamde vrije arbeiders als slaven behandeld werden en onder eene zeer strenge tucht stonden. De Gouverneur werd door den Minister opgedragen hieromtrent rapport te doen12. Dit rapport hebben wij niet gevonden, doch uit verscheidene omstandigheden blijkt, dat de tucht over de zoogenaamde vrije arbeiders uiterst gestreng was.

De tegenwoordigheid van den Engelschen commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel was velen een doorn in het oog—(men zie o. a. het later gebeurde daaromtrent (bladz. 691) onder het bestuur van Elias.) Die Engelsche heeren werden door de slaven in zekeren zin als hunne beschermers aangezien, ofschoon zij omtrent hen niets te gebieden hadden. Het geval waarop Halberstadt, in zijn op bladzijde 678 aangehaalde werkje, doelt, betreffende willekeurige handelwijze van het koloniaal Gouvernement omtrent zekeren Engelschen grondeigenaar, den bij ons bekenden John Bent, staat ook hiermede eenigermate in betrekking.

John Bent had in September 1833 aan J. H. Lance, den Engelschen regter in het gemengd geregtshof ter wering van den slavenhandel, in die kwaliteit een brief geschreven, waarin hij als aanklager optrad tegen zekeren Nicholson (een Engelschman), wonende in het district Nickerie: »dat die het er op toeleidde, om zekere slaven uit de naburige Britsche kolonie Berbice met geweld te vervoeren, en dat Nicholson getracht zou hebben den bevelhebber van zekere op de kolonie varende schoener Carolina J. Green daartoe te verleiden. Lance, die de kolonie eerlang stond te verlaten, had dien brief medegedeeld aan de betrokkene partij en aan zijnen opvolger Dalrymph, terwijl hij—daar deze zaak buiten zijne competentie was—de beslissing aan den Gouverneur overliet, vertrouwende, dat deze betamende maatregelen zou nemen.

Van Heeckeren was over deze handelwijze van Bent zeer gebelgd; hij zag hierin eene bedoeling, om, door het kenbaar maken van deze zaak aan het Engelsch gouvernement, in de kolonie eene Engelsche jurisdictie, immers eene Engelsche surveillance te vestigen over inwoners en burgers der kolonie, en botsingen tusschen beide gouvernementen mogelijk te maken. Uit het ingesteld onderzoek bleek niets misdadigs van Nicholson, en daar Bent—zoo vermeende van Heeckeren—met vilipendentie van Nederlandsche autoriteiten zijne medeburgers bij een vreemden regter, tot geheel andere einden tegenwoordig, had aangeklaagd, zou men, krachtens artikel 67 van het reglement, wel vrijheid hebben gevonden om Bent uit de kolonie te verbannen. De Gouverneur vergenoegde zich evenwel slechts met:

a. Bent het Burgerregt te ontnemen: zijn naam zou in het Burger-register worden doorgehaald;

b. den Procureur-Generaal te gelasten op Bent een wakend oog te houden; en

c. Bent te bedreigen, dat, wanneer hij verder aanleiding daartoe gaf, hij de kolonie zou moeten ontruimen13.

De Nederlandsche regering berustte in de handelwijze van van Heeckeren ten opzigte van Bent, »ofschoon men er anders wel aanmerkingen op zou kunnen maken, doch men vertrouwde, dat de Gouverneur het beste weten zou wat met de eer en de waardigheid van het koloniaal Gouvernement overeenkwam.”14

In Januarij 1836 werd Bent weder in zijn burgerregt hersteld15, en later schijnt de verhouding tusschen hem en den Gouverneur beter te zijn geworden, daar Bent bij de zending van de Veer naar Demerary (zie bladz. 814) in den arm werd genomen, ten einde die zending, zoo mogelijk, te doen gelukken16.

Op voordragt van G. N. G. Vlier, omtrent een plan tot proefneming van kolonisatie met de vrije bevolking van Paramaribo, ten einde hen tot den landbouw op te leiden, werd in 1833 eene commissie gevormd17. Het plan was om 20 huisgezinnen op Voorzorg te plaatsen; ieder huisgezin zou ƒ 600 voorschot ontvangen, terwijl zij voor hunnen arbeid geen slaven mogten bezigen. De commissie besloot provisioneel de proefneming met zes huisgezinnen te nemen18; onderscheidene omstandigheden, waarbij ook de ongeschiktheid van het terrein oorzaak waren, deden die proefneming mislukken.

Door het Nederlandsch gouvernement werd zekeren Bouni, voormalig Controleur der Bosschen, in dienst der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Volksvlijt te Brussel, naar Suriname gezonden, ten einde te onderzoeken welk hout aldaar geschikt bevonden werd voor ’s Rijks dienst en welke de beste wijze was dit te verkrijgen19.

Bouni overleed, kort na zijne aankomst te Suriname, waardoor het beoogde doel grootendeels werd gemist; de Minister van Koloniën verzocht echter den Gouverneur, dat men voortging met de nasporingen en tot proef een Rijks transportschip bevrachtte met 10,000 kubiekvoeten hout; dat men een plan vormde tot het oprigten van een corps negers, speciaal voor de houtvelling, en poogde betrekkingen met de Boschnegers aan te knoopen, ten einde hout van hen te koopen, ook ijzerhard, pokhout en letterhout, geschikt voor meubelmakers, door welker meerdere waarde de vrachtprijs minder kostbaar zou worden20.

Er is van tijd tot tijd eenig hout naar Nederland verzonden, doch deze handel kan nog veel uitbreiding erlangen.

Na de wegruiming van eenige moeijelijkheden, werden in 1836 nieuwe vredestraktaten met de onderscheidene stammen der Boschnegers gesloten21, en in 1838 ook den Becoe- en Musinga-negers veroorloofd houtwaren naar de Beneden-Saramacca af te voeren22.

Dikwijls kwamen bij de Commissie van onderwijs, aan wie het toevoorzigt en de verzorging, de opvoeding en het onderhoud der behoeftige weezen was opgedragen23, verzoeken in tot het oprigten van eene school voor arme kinderen, die daarop gratis onderwijs konden erlangen, daar het slechts aan eenige kinderen op de stadsschool verleend voorregt veel te beperkt was. In 1836 werd aan dit verzoek gehoor verleend: het vroegere cholera-hospitaal werd tot school en onderwijzerswoning ingerigt; het onderwijs zou zich bepalen tot lezen, schrijven, rekenen, de zedeleer en koraalgezang;—dit laatste echter slechts voor zoover de kinderen in een der Christelijke kerkgenootschappen waren opgenomen. De onderwijzer zou eene bezoldiging van ƒ 1200 ontvangen24. Later werden twee stadsscholen opgerigt: eene voor gealimenteerden en eene voor kinderen van behoeftige ouders25; en werd ook in eene betere verzorging der behoeftige wezen voorzien.

Op Bladz. 671 schreven wij, dat vereenvoudiging in het bestuur der kolonie zeer gewenscht was, want dat het onderhoud van een legio ambtenaren, waarvan sommige weinig te doen hadden, enorme kosten veroorzaakte. Uit de officieele bescheiden blijkt, dat dit inderdaad zeer groot was, en het moet ons verwonderen, dat de Nederlandsche regering toeliet, dat groote sommen verspild werden (zie bladz. 677), daar de slechte staat van ’s lands geldmiddelen niet veroorloofde onkosten voor Suriname te doen en telkens bij den Gouverneur werd aangedrongen om remises te zenden26.

Tijdens het Embargo (zie bladz. 671) door Engeland en Frankrijk op de Hollandsche schepen gelegd, werden de meeste ladingen uit Nederland naar Suriname en omgekeerd met neutrale schepen vervoerd. Dit verzwaarde echter de kosten en handel en landbouw werden hierdoor gedrukt.

Ook ondervond de handel belemmeringen door de voorzorgsmaatregelen tegen de cholera-morbus genomen (zie bladz. 661); vooral echter beklaagden zich de zeeofficieren bij de quarantaine over de moeijelijke dienst en bij herhaling wendden zij zich hierover tot den Gouverneur27.

Met veel lof wordt gewaagd van den dienstijver en de belangelooze behartiging van het welzijn der volkplanting door den R. C. pastoor J. Groof. Uit aanmerking daarvan werd hem uit de koloniale kas toegelegd eene gratificatie van ƒ 1000 ’s jaars28, en erkende Z. M. deze zijne diensten, door hem tot Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw te benoemen29.

In het journaal van van Heeckeren van 8 April 1835 vindt men vermeld, dat zekeren heer Mr. J. M. Lotze het verzoek heeft gedaan, om het oude archief der kolonie te analiseren en te bearbeiden. Van Heeckeren begreep, dat dit voor de kennis der Geschiedenis van Suriname belangrijk kon zijn en stond hem dus zijn verzoek toe; en zoo lang als hij ter gouvernements-secretarie werkzaam zou wezen, zou hij als ambtenaar worden aangemerkt en hem schrijfbehoeften enz. worden verstrekt30. Wij hebben niets verder van de resultaten van dien arbeid vernomen en vestigen daarom de aandacht op deze bijzonderheid, daar hiervan misschien een of ander bij het koloniaal archief berust en welligt nuttig kon zijn voor verdere nasporingen ten behoeve der Geschiedenis van Suriname.


1 Journaal van van Heeckeren, 24 December 1831. 

2 Journaal van van Heeckeren, 24 December 1832. 

3 Journaal van van Heeckeren, 20 Julij 1832, 11 Maart 1833. 

4 Journaal van van Heeckeren, 7 Januarij 1834. 

5 Journaal van van Heeckeren, 25 Julij en 19 September 1833. 

6 Journaal van van Heeckeren, 8 Augustus 1838. 

7 Journaal van van Heeckeren, 19 Augustus 1837. De uitslag van deze zending hebben wij niet in de officieele bescheiden geboekt gevonden; wij veronderstellen echter, dat hij niet gunstig is geweest, daar het toestaan van dit verzoek geheel tegen de door de Engelschen hieromtrent gevolgde handelwijze zou hebben gestreden. 

8 Journaal van van Heeckeren, 5 April 1837. 

9 Een groot volk dat zich verheft. De Vereenigde Staten in 1861, uit het Fransch van Graaf Agénor de Gasparin, bladz. 9

10 Journaal van van Heeckeren, 29 April 1833, enz. enz. enz. 

11 Journaal van van Heeckeren, 8 October 1833. 

12 Journaal van van Heeckeren, 2 Februarij 1832. 

13 Journaal van van Heeckeren, 9 September 1833. 

14 Ministeriële Missive, 4 December 1833. 

15 Journaal van van Heeckeren, 16 Januarij 1836. 

16 Journaal van van Heeckeren, 19 Augustus 1837. 

17 Journaal van van Heeckeren, 17 Januarij 1834. Zie ook bladz. 710

18 Journaal van van Heeckeren, 15 September 1834, 13 April 1835, enz. 

19 Ministeriële missive, 27 Februarij 1836. 

20 Ministeriële missive, 23 November 1836. 

21 Journaal van van Heeckeren, 11 November 1835,10 Maart, 1 Julij 1836, enz. 

22 Journaal van van Heeckeren, 25 Januarij 1838. 

23 Journaal van van Heeckeren, 2 Maart 1833. 

24 Journaal van van Heeckeren, 16 Junij 1836. 

25 Journaal van van Heeckeren, 10 Augustus 1836. 

26 Ministeriële missives, 13 Augustus 1832, enz. enz. enz. 

27 Journaal van van Heeckeren, 20 Augustus 1832, enz. enz. 

28 Journaal van van Heeckeren, 26 April 1836. 

29 Ministeriële missives van 8 Februarij en 11 November 1836. 

30 Journaal van van Heeckeren, 8 April 1835. 

Chronologische tafel

der voornaamste gebeurtenissen in de geschiedenis van Suriname vermeld.

Jaren. Bladz.
1492. Ontdekking van Amerika 12
1499. Eerste ontdekkingsreizen naar Guiana 24
1500. Tweede ontdekkingsreizen,,naar,,Guiana,, 24
1580. Togten der Hollanders en Zeeuwen 28
1593. Guiana wordt, in naam van Filips den Tweeden, door Domingo de Vera, in bezit genomen 26
1595. Togten van Walther Raleigh 28
1596. Togten,,van,, Laurens Keimis 28
1599. Togten,,van,, van Hollanders en Zeeuwen 29
1605. Eerste proeven ter kolonisatie door de Engelschen 30
1606. Tweede proeven,,ter,,kolonisatie,,door,,de,,Engelschen,, 30
1608. Derde proeven,,ter,,kolonisatie,,door,,de,,Engelschen,, 31
1614. Octrooi aan de Hollanders en Zeeuwen verleend, om de nieuw ontdekte havens van Guiana, met uitsluiting van anderen, te bevaren 29
1624. Proeve ter kolonisatie door de Franschen 31
1630. Vestiging van kapitein Marechal in Suriname 32
1640. De Franschen nemen bezit van Suriname 32
1650. Lord Willoughby, Graaf van Parham, laat eene volkplanting in Suriname aanleggen 33
1662. Koning Karel de Tweede van Engeland schenkt Suriname bij giftbrief aan van Parham 34
1664. Vestiging der Joden in Suriname 37
1667. Vermeestering van Suriname door Abraham Crijnsen 40
Suriname wordt door de Engelschen onder John Hermans hernomen 43
1668. Suriname wordt bij verdrag aan de Hollanders teruggegeven 45
1668. Philip Julius Lichtenberg wordt tot Gouverneur van Suriname benoemd 46
1669. Lichtenberg komt in Suriname en aanvaardt het bestuur 48
1671. Lichtenberg,, keert naar Nederland terug 48
1672. Pieter Versterre aanvaardt a. i. het bestuur, onder den titel van Luitenant-Gouverneur 48
1677. Pieter Versterre sterft. 48
Abel Thisso wordt Luitenant-Gouverneur. 48
Tobias Adriaensen aanvaardt het bestuur, onder den titel van Kapitein-Commandeur der Provincie Suriname 48
1678. — keert naar Nederland terug 48
Johannes Heinsius wordt Gouverneur 49
1679. Oorlog met de Indianen 50
1680. Honderd en vijftig man troepen komen uit Zeeland ter versterking van het garnizoen 51
Heinsius sterft 51
1682. De hulptroepen keeren naar Holland terug 51
Laurens Verboom neemt a. i. het bestuur op zich 52
De nieuwe West-Indische Compagnie wordt opgerigt en Suriname bij octrooi aan haar afgestaan 53
1683. De W.-I. Compagnie verkoopt ⅓ aandeel van Suriname aan de stad Amsterdam, ⅓ aan Cornelis van Aersens, Heer van Sommelsdijk en de nieuwe eigenaars noemen zich in dat contract: “De geoctroijeerde Sociëteit van Suriname”, onder welken titel de directie wordt gevoerd 54
1683. Sommelsdijk wordt tot Gouverneur benoemd, komt in Suriname en aanvaardt het bestuur 59
1684. Sommelsdijk stelt een raad van Policie en Justitie aan 61
1685. Op de Joden-Savanne wordt eene Synagoge gebouwd. 72
1686. Fransche Emigranten komen als volksplanters in Suriname. 65
Labadisten komen,,als,,volksplanters,,in,,Suriname.,, 67
1688. Sommelsdijk laat eene kerk bouwen aan de Cottica 62
Sommelsdijk wordt door oproerige soldaten vermoord 78
Vredenburg neemt a. i. met de Raden van Policie het bestuur op zich 81
1689. Johan van Scharphuisen wordt tot Gouverneur van Suriname benoemd en aanvaardt het bestuur 84
De Franschen wagen een aanval op Suriname, die mislukt. 85
1696. Van Scharphuisen keert naar Nederland terug 86
Paulus van der Veer aanvaardt als Gouverneur het bestuur. 86
1707. Paulus,,van,,der,,Veer,, keert naar Nederland terug 87
Willem de Gruijter wordt Gouverneur 87
1707. Willem de Gruijter sterft 87
François Anthony de Rayneval neemt a. i. het bestuur op zich. 87
1710. Johan de Goyer wordt Gouverneur 88
1712. Mislukte aanval der Franschen, onder Cassard 89
Hernieuwde aanval en brandschatting der kolonie door Cassard. 89
1713. Twisten tusschen de Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname en de Kolonisten 95
1715. Johan de Goyer sterft 102
François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 102
1716. Johan Mahony wordt Gouverneur 102
1717. Johan,,Mahony,, sterft 102
François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 102
1718. Jean Coutier wordt Gouverneur 102
1721. Jean,,Coutier,, sterft 102
François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 102
1722. Mr. Hendrik Temminck wordt Gouverneur 102
1724. De eerste koffij van Suriname te Amsterdam aangebragt 107
1727. Mr. Hendrik Temminck sterft 102
François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 103
1728. Mr. Karel Emelius Henry de Cheusses wordt Gouverneur 103
Verwoesting van plantaadjes door gevlugte negerslaven 103
1730. De Cheusses laat een nieuw Gouvernementshuis bouwen 103
1733. De eerste Cacao verzonden naar Amsterdam 108
1734. De Cheusses sterft 103
Johan François Cornelis de Vries neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 103
Jacob Alexander Henry de Cheusses wordt Gouverneur 103
1735. Jacob,,Alexander,,Henry,,de,,Cheusses,, sterft 103
Johan François Cornelis de Vries neemt met twee Raden van Policie a. i. het bestuur op zich 103
Johan François Cornelis de Vries sterft 103
Twee Raden van Policie nemen a. i. het bestuur op zich 104
Mr. Joan Raye wordt Gouverneur 104
1737. Mr.,,Joan,,Raye,, sterft 104
Gerard van de Schepper neemt a. i. het bestuur op zich. 104
1738. Gerard,,van,,de,,Schepper,, wordt definitief tot Gouverneur benoemd 105
1739. Vestiging der Moravische Broeders in Suriname 108
1742. Oprigting eener Mijncompagnie 110
De Schepper erlangt zijn ontslag 105
Mr. Joan Jacob Mauricius wordt Gouverneur 105–163
Johann Pfaff eerste Luthersche Predikant komt in Suriname 200
1743. Kinderpokken, heete koortsen en andere ziekten heerschen in Suriname 219
1744. Het Hof van Civiele Justitie wordt uitgebreid 165
De Luthersche kerk wordt gebouwd 178
Een gebouw voor het Hof van Policie, tevens tot Hervormde kerk, gebouwd 178
Mauricius neemt voorzorgsmaatregelen tegen een aanval der Franschen 207
1745. Brand te Paramaribo 219
1746. Zware boschbrand in Suriname 219
Hevige tegenstand tegen Mauricius 208
1747. Komst van Boerenfamiliën ter kolonisatie in Suriname 218
Mauricius tracht vrede te sluiten met de Marrons 221
1749. Oprigting van eene kas tegen de wegloopers 220
1750. Prins Willem de vierde wordt door HHM. gemagtigd om maatregelen te nemen tot herstel van rust en orde in Suriname; hij zendt de heeren van Spörche, Bosschaert Stenis en de Swart als commissarissen naar de kolonie, ten einde de zaken aldaar te onderzoeken 222
De genoemde commissarissen komen in Suriname aan en beginnen hun onderzoek 223
1751. Mauricius wordt door de commissie (ongeschonden zijne eere en met behoud zijner gagie) provisioneel ontslagen, ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen 224
H. E. van Spörche neemt provisioneel het bestuur op zich en de andere commissarissen keeren naar Holland terug 224
Begin der finantiële crisis; —geldleening van een millioen guldens door Willem Gideon Deutz 233
1752. Van Spörche sterft 236
Baron van Verschuer neemt onwettig, en met voorbijgang van den Commandeur Crommelin, provisioneel het bestuur op zich 238
1753. Crommelin wordt door de Prinses Gouvernante en de Sociëteit van Suriname in zijne regten hersteld; van Verschuer moet aftreden en Crommelin wordt a. i. Gouverneur 241
Tegenstand der Cabale tegen Crommelin 242
Twisten tusschen de Hervormde Predikanten en het Hof van Policie 244
1753. Tweespalt onder de Hoogduitsche Joden 245
Mauricius wordt in zijne eer hersteld 247
1754. P. A. van der Meer tot Gouverneur van Suriname benoemd; komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 251
Maatregelen van voorzorg tegen een gevreesden inval der Spanjaarden 251
Aan het Orange-pad bij Para wordt eene kolonisatie beproefd 253
1756. Van der Meer sterft 258
Jan Nepveu neemt, tijdens de afwezigheid van Crommelin, a. i. het bestuur op zich 258
Crommelin keert in de kolonie terug 259
1757. Crommelin,, aanvaardt a. i. het bestuur 259
Crommelin,, wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 260
1758. Een nieuw hospitaal wordt gebouwd 274
1760. Het hospitaal wordt voltooid 274
Vrede met de Aucaner-Boschnegers gesloten 156
1761. Twisten tusschen Crommelin en het Hof van Policie 266
Eerste uitgifte van kaartengeld 263
1762. Crommelin stelt voor een nieuw slavenreglement zamen te stellen, doch ondervindt hierbij veel tegenwerking 292
Vrede met de Saramaccaner-Boschnegers gesloten 158
1763. Hevige brand te Paramaribo 274
Opstand der slaven in Berbice 280
1764. Twee brandspuiten worden uit Nederland aangevoerd 275
Openbare putten voor drinkwater worden gemaakt 275
Kinderpokken onder de slaven 274
1765. Het opperhoofd der Saramaccaner-Boschnegers ondersteunt de zending der Broedergemeente 284
1766. Aardbeving te Suriname 275
1767. Hevige boschbrand 275
1768. Crommelin vraagt verlof om naar Nederland te gaan; dit verzoek wordt toegestaan en Jan Nepveu a. i. het bestuur opgedragen 297
1770. Crommelin ontvangt op zijn verzoek eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur; hij vertrekt vervolgens naar Nederland, en Jan Nepveu wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 298
Nieuwe geldleeningen door de kolonisten 302
1772. Oprigting eener drukkerij door Mr. Beeldsnijder-Matroos 316
Oprigting van het corps negerjagers 320
Een corps van 800 soldaten, onder Fourgeoud, gaat naar Suriname, ten einde den opstand der negers te breidelen 324
1772. Sommige togten tegen de wegloopers worden met afwisselend gevolg gedaan 332
1773. Het corps, onder Fourgeoud, komt in Suriname 325
Twisten tusschen Fourgeoud en Nepveu 334
De eerste boschtogt wordt door Fourgeoud gedaan. 338
Toenemende finantiële moeijelijkheden ten gevolge van onberaden geldleeningen 306
Oprigting eener liefhebberij-comedie 317
1774. Eerste wekelijksche uitgifte eener courant. 316
1775. Oprigting van eenen Hollandschen Schouwburg 318
Nieuwe hulptroepen komen uit Nederland 341
1776. Oprigting van eenen Joodschen Schouwburg. 318
Nepveu doet een binnenlandsch cordon, ter bescherming tegen de invallen der Boschnegers, oprigten 349
Bonni vlugt over de Marowijne op Fransch grondgebied. 350
De eerste negerslaaf wordt door de Moravische Broeders gedoopt 358
1777. De Fransche Intendant Malouet komt in Suriname om over de op Fransch grondgebied gevlugte negers, met den Gouverneur, te onderhandelen 351
Door de Sociëteit wordt een Boekhouder-Generaal aangesteld. 351
1778. Fourgeoud verlaat de kolonie 353
Voorzorgsmaatregelen tengevolge van den tusschen Engeland en Amerika uitgebroken oorlog 355
1779. Nepveu sterft 356
Bernard Texier neemt a. i. het bestuur op zich 356
Bernard,,Texier,, wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 360
Hevige ziekten onder menschen en vee 362
1780. Voorzorgsmaatregelen bij het uitbreken van den oorlog tusschen Nederland en Engeland 365
Toeneming van de Broedergemeente onder de negers. 381
Een natuurkundig-gezelschap opgerigt. 383
1781. Hulp door de Franschen aan Suriname betoond. 374
Het Collegium Medicum opgerigt. 383
1783. De vredes preliminariën met Engeland geteekend. 380
Het zendingsstation der Broedergemeente onder de Indianen wordt door de Boschnegers verwoest. 381
Texier sterft. 384
Wolphert Jacob Beeldsnijder-Matroos neemt a. i. het bestuur op zich. 385
Nieuwe aanvallen der wegloopers 390
1783. Oprigting van een Letterkundig Genootschap onder de zinspreuk: “Docendo Docemur” 417
1784. Pogingen tot herstel van den geschokten finantiëlen toestand 387
De vrede met Engeland hersteld 390
Betere regeling van het brieven-vervoer 396
Beeldsnijder-Matroos draagt het bestuur over aan den tot Gouverneur benoemden J. G. Wichers 397
1785. De uitoefening der R. C. godsdienst wordt toegestaan; R. C. priesters komen in Suriname en er wordt eene R. C. kerk en pastory gebouwd 407
De privilegiën, Ascamoth enz. der Portugesche Joden worden gewijzigd 411
Het eeuwfeest van de stichting der Synagoge op de Joden-Savanne wordt plegtig gevierd 411
Het Genootschap der Surinaamsche Lettervrienden wordt opgerigt 419
1787. De R. C. kerk wordt, met het celebreren eener Hoogmis, ingewijd 409
1789. Nederlaag der Bonni-negers 435
1790. Een Landbouwkundig-Genootschap wordt opgerigt 424
Het etablissement Voorzorg, aan de Saramacca, ter verpleging van Boassi lijders, wordt opgerigt 439
Wichers vertrekt naar Nederland 439
J. J. Friderici neemt a. i. het bestuur op zich 440
1792. J. J. Friderici wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 440
Bonni wordt gedood 444
1793. Invloed der Fransche revolutie op den gang der zaken in Suriname 461
Oorlogsverklaring van Frankrijk aan Engeland en Nederland 452
Maatregelen genomen tot verdediging der kolonie tegen de Franschen 453
Afschaffing der Slavernij in Cayenne, bij decreet der Nationale Vergadering in Frankrijk 455
1795. Maatregelen genomen tot verdediging der kolonie tegen de Engelschen 469
Opheffing of vernietiging van de Geoctroijeerde Sociëteit van Suriname 470
1796. Tijding in Suriname ontvangen van de verwijdering van Prins Willem de Vijfde, uit Nederland, enz. 459
Invoering der nieuwe orde van zaken in Suriname 462
Opstand der slaven in Berbice 464
1796. De oorlogsverklaring van Engeland aan de Bataafsche Republiek wordt in Suriname bekend gemaakt. 476
1796. Friderici laat, zonder toestemming van het Hof van Policie, kaartengeld maken 477
1799. Spaansche hulptroepen komen in Suriname 480
De Engelschen nemen het protectoraat van Suriname op zich, terwijl Friderici Gouverneur blijft 485
1801. Vredes-preliminairen tusschen Frankrijk en Engeland geteekend 493
De vrede tusschen Frankrijk en Engeland te Amiens gesloten 493
1802. O. W. Blois van Treslong komt Suriname, in naam der Bataafsche Republiek, overnemen 494
Friderici wordt geschorscht 495
Blois van Treslong neemt, met twee Raden van Policie, provisioneel het bestuur op zich 496
De handel met Holland wordt heropend 498
1803. Pierre Berranger, tot Commissaris-Generaal en Gouverneur a. i. van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 500
1804. De Engelschen vertoonen zich op de Suriname. 503
De kolonie wordt bij capitulatie aan de Engelschen overgegeven 504
Sir Charles Green wordt tot Gouverneur van Suriname benoemd en aanvaardt het bestuur 513
De handel van en naar Engeland wordt opengesteld 520
1805. Green keert naar Engeland terug 541
William Carlyon Hughes wordt Luitenant-Gouverneur 541
Nieuw kaartengeld uitgegeven 544
Opstand van een gedeelte der negerjagers. 548
1806. Beperkende bepalingen van den slavenhandel in Suriname ingevoerd 546
1807. De afschaffing van den slavenhandel in Suriname bekend gemaakt 547
Klagten der inwoners over de handelingen van de beambten, bij het Custom-house 555
1808. Verlevendiging van den handel 557
Hughes sterft 557
John Wardlau neemt a. i. het bestuur op zich 557
1809. Cayenne wordt door de Engelschen veroverd 558
Charles Baron Bentinck, tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 559
1810. Er wordt eene kerk voor de Hervormde Gemeente gebouwd. 563
1811. Bentinck sterft 564
Pincon Bonham aanvaardt voorloopig het bestuur 564
Bonham tracht orde in de verwarde finantiën te brengen 565
1812. Bonham wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 569
1813. John Bent wordt tot Administrateur der verhypothekeerde plantaadjes benoemd en komt daartoe in Suriname 569
1813. De commissie van John Bent verwekt veel ontevredenheid in Suriname en een hevige tegenstand openbaart zich 573
1814. De tegenstand wordt heviger 583
De Commissie van John Bent wordt opgeheven 586
De vrede tusschen Frankrijk en Engeland wordt hersteld, Nederland herwint zijne nationaliteit 590
De handel van Suriname met Holland wordt op nieuw geopend 592
1815. Suriname zal weder onder Nederlandsch bestuur komen 592
De kolonisten in het distrikt Nickerie wenden pogingen aan, om onder Engelsch bestuur te blijven, of ten minste vrijheid te erlangen met Engelsche koloniën handelsbetrekkingen te mogen onderhouden 593
Er worden voorbereidende maatregelen genomen, om Suriname aan het Nederlandsch bestuur over te geven 595
1816. Willem Benjamin van Panhuijs neemt Suriname, in naam van den Koning der Nederlanden, van Bonham over 596
Van Panhuijs aanvaardt het bestuur als Gouverneur 599
De nieuwe orde van zaken wordt geregeld 601
Van Panhuijs sterft 606
Mr. Cornelis Rijnhard Vaillant neemt a. i. het bestuur op zich 607
1817. Nieuwe schoolwetten worden in Suriname ingevoerd 607
1818. Tusschen Engeland en Nederland wordt een tractaat gesloten tot wering van den slavenhandel 608
Nieuw kaartengeld wordt gemaakt 612
1819. De kinderpokken rigten te Suriname groote verwoesting, voornamelijk onder de slaven, aan 609
1821. Paramaribo wordt door een hevigen brand voor een groot deel in de asch gelegd 612
1822. Vaillant geeft het bestuur over aan den nieuw benoemden Gouverneur, Johannes de Veer 616
1823. De griep heerscht in Suriname en maakt vele slagtoffers 623
1825. Twee koopvaardijschepen verbranden ter reede van Paramaribo 623
De privilegiën der Joden worden, omdat zij, met de andere ingezetenen, gelijke regten erlangen, ingetrokken 624
1826. Reductie en intrekking van het Surinaamsch kaartengeld 626
1827. Een nieuw muntstelsel wordt in Suriname ingevoerd 628
De Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid wordt opgerigt 634
1828. De Generaal-Majoor J. van den Bosch komt als Commissaris-Generaal in Suriname 630
De Veer erlangt zijn eervol ontslag 630
P. R. Cantz’laar aanvaardt het bestuur als Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen 630
Een nieuw Regeringsreglement, waarbij Suriname en de W. I. eilanden onder een bestuur wordt gebragt, wordt ingevoerd 639
De Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname wordt opgerigt 645
1829. De Particuliere West Indische bank wordt opgerigt 652
Een Landbouwkundig Genootschap, onder de zinspreuk: “Prodesse Conamur”, wordt opgerigt 658
Een kaperschip wordt opgebragt 659
1831. De Particuliere W. I. bank houdt op met het doen van beleeningen 656
Cantz’laar sterft 660
Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren neemt a. i. het bestuur op zich 660
1832. Van Heeckeren wordt definitief tot Gouverneur-Generaal aangesteld 660
Door eenige negerslaven wordt brand te Paramaribo gesticht 666
Een nieuw regerings-reglement wordt ingevoerd 672
1833. Drie negerslaven, die brand te Paramaribo hadden gesticht, worden bij vonnis veroordeeld om levend te worden verbrand, welk vonnis aan hen wordt voltrokken 670
Door Frankrijk en Engeland wordt embargo op de Nederlandsche schepen gelegd 671
1834. Verscheidene togten tegen de wegloopers worden gedaan 676
Een nieuw school-reglement wordt ingevoerd 678
1835. Prins Hendrik komt in Suriname 677
De nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente te Paramaribo wordt ingewijd 677
De eerste steen der Hoogduitsche Synagoge te Paramaribo wordt gelegd 677
Een nieuw reglement voor de schutterij wordt uitgevaardigd 678
1836. Genoemd reglement wordt door velen afgekeurd en dien ten gevolge ontstaat eene groote sensatie te Paramaribo 679
1836. Op het etablissement voor de Boassie-lijders, Batavia, wordt de aldaar gebouwde R. C. kerk ingewijd 680
1837. Nieuwe Hoogduitsche Synagoge ingewijd 680
1838. Van Heeckeren sterft 681
Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op zich 681
1839. Julius Constant Rijk tot Gouverneur-Generaal benoemd, komt in Suriname en aanvaardt het bestuur 682
1840. Er heerscht in Suriname schaarschte aan levensmiddelen 683
1841. De agio op den wissel wordt hooger en Rijk beproeft dit tegen te gaan 687
1842. Rijk keert naar Nederland terug 688
Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op zich 688
Burchard Jean Elias tot Gouverneur-Generaal benoemd, komt in Suriname en aanvaardt het bestuur 689
Elias ondervindt vele tegenwerking van de partij der reactie 689
1843. Voorbereidende maatregelen tot vestiging van Hollandsche kolonisten worden gemaakt 699
1845. Het administratief beheer van Suriname wordt van de W. I. eilanden gescheiden 702
Elias ontvangt, op zijn verzoek, een eervol ontslag 702
Renier Frederik Baron van Raders, tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 705
De Hollandsche kolonisten komen te Voorzorg aan de Saramacca aan 706
Er heerschen hevige ziekten onder de nieuw aangekomen kolonisten 708
1846. Plegtige opening der werkzaamheden aan het geprojecteerde kanaal naar Kwatta 712
1847. De billetten der particuliere West Indische bank worden tegen gereed geld ingewisseld 721
1848. De voorgestelde verbeteringen van het slaven-reglement vinden weinig bijval te Suriname 718
Vrije handelswetten worden in Suriname ingevoerd 722
1849. De kolonisten van Voorzorg en Groningen verlaten successivelijk de nederzetting aldaar 726
1851. De gele koorts heerscht in Suriname en maakt vele slagtoffers 726
De nieuwe slaven-reglementen worden ingevoerd 721
1852. Baron van Raders erlangt zijn eervol ontslag en keert naar Nederland terug 728
Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op zich 729
De Kanter sterft 730
1852. Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 730
1852. De Maatschappij van Weldadigheid viert haar vijfentwintig jarig bestaan 733
1854. De Maatschappij ter bevordering van Godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in Suriname viert haar vijfentwintig jarig bestaan 734
1855. Schmidt auf Altenstadt erlangt, op zijn verzoek, eervol ontslag 740
Charles Pierre Schimpf, tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 740
1859. Schimpf erlangt, op zijn verzoek, eervol ontslag 754
Reinhardt Frans van Lansberge, tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 754
1860. Mr. L. Metman, benoemd tot Commissaris, speciaal belast met alles wat betrekking had tot invoering eener nieuwe wetgeving in West-Indië, komt, tot uitvoering van dezen last, in de kolonie Suriname 756
Metman sterft 756
De Bonni-negers worden van de cijnsbaarheid der Aucaner-negers ontheven 758