WeRead Powered by ReaderPub
Geschiedenis van Suriname cover

Geschiedenis van Suriname

Chapter 39: Art. XV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author presents a chronological history of Suriname beginning with its indigenous inhabitants and continuing through European exploration, colonization, internecine struggles for control, the English interregnum (1804–1816), and developments into the modern era. Drawing extensively on unpublished gubernatorial minutes, diaries, and state papers from Dutch and British archives, the narrative reconstructs political decisions, administrative conflicts, and social relations among white, colored, and black populations. The treatment balances criticism and praise of officials, acknowledges source gaps, and supplements the text with appendices on missionary activity, a chronological table, colonial charters, and clergy lists, while omitting extensive statistical tables and illustrative plates.

“Octroy ofte fondamenteele conditiën, onder dewelke haar Hoog Mog. ten besten en de voordeele van de Ingesetenen deser Landen, de Colonie van Suriname hebben doen vallen in handen ende onder directie van de Bewinthebberen van de Generaale Nederlantsche Geoctroijeerde West-Indische Compagnie.”

“De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:

Allen dengenen die dezen sien ofte horen lesen, salut. Doen te weten:

Nademaal wy in die persuasie zijn, dat de Colonie van Suriname van sodanige constitutie ende gelegentheit is, dat deselve in niet veele jaren tot een considerabele Colonie van dese Landen gemaekt soude konnen werden, doch dat hetselve met weynig hope van succes kan werden ondernomen, bij aldien den ondernemer sich niet getroost van in den beginne groote kosten te supporteren, alleenlijk op verwachtinge van na verloop van vele jaren de vrugten van sijn uijtgeschoten geldt ende arbeid te genieten, ende dat een colonie nootsakelijk in sijn geboorte moet smoren, indien men de Coloniërs in den aanbeginne swaarder belast, als sij bequaam ende magtig zijn te dragen, in plaatse van deselve door hulpe ende assistentie te ondersteunen mitsgaders door Privilegiën ende fondamentele wetten te versekeren, dat se in het toekomende in geene ondragelijke lasten sullen werden geïnvolveert; want door sodanigen maniere van doen de albereijts aanwezende Coloniërs ondergehouden en alle anderen afgeschrikt werden, omme tot voortsettinge van sodanigen Colonie, ende op hope van het doen van voordeel en van welvaren ende van het paisibel jouisseren van dien, sich mede derwaarts te begeven; ende dat ter contrarie, indien men de coloniërs in den aanbeginne sachtelijck en selfs met hulpe ende assistentie handelt, mitsgaders dat men haer volkomen gerustheijdt geeft datse voor het toekomende, als sy in staet van middelen ende welvaren souden mogen wesen gekomen, niet en sullen werden geexactioneert, ofte met schattingen uijtgeput, een Colonie op een welgelegen plaetse gefondeert wesende, aan een kleijn begin in korten tijdt door toevloeijinge aan alle kanten tot een bijsonder en groot werck gemaeckt kan werden; ende dat de Generale Geoctroijeerde West-Indische Compagnie deser Landen, sich niet ongenegen en toont, om op soodanige gronden en andere fondamentele en onveranderlijke conditiën de bescherminge ende den opbouw van de voorsz. Colonie van Suriname door de Heeren Staten van Zeelandt eenige jaren geleden, ondernomen, ten besten van dese Landen en van de gemelte West-Indische Compagnie verder voort te setten en soo mogelijck onder de genadige toelatinge en zegen van Godt Almachtig, tot het gewenscht en beoogmerckt eijnde te brengen. Soo ist; dat Wy mede considererende, dat het voordeel ende welvaren, dat in gevalle van verhoopt succes van deselve Colonie sal proflueren, door accres van Commercie ende Navigatie, door het debit van veelderhande Manufacturen ende vruchten door het Manufactureren van de rouwe waaren, dewelke van daer in retouren herwaerts gebracht ende gemanufactureert wesende, wederom in andere handen gedebiteert ende verhandelt werden door den consinuelen aenbouw en de reparatie van schepen derwaerts varende, en van de worm aldaer opgegeten wordende, door het aanqueecken van zeevarend volck en bequame Matrosen ende uijt andere Hoofden meer sal komen, aen alle de Ingezetenen gesamentlijck ende sulcks vervolghens aen den staet selve, goedtghevonden hebben, gelijck Wij goedtvinden bij desen, de voorsz. Colonie van Suriname met alle hare appendensien en dependensiën onder de conditiën en fondamentele onveranderlijcke Articulen hierna volgende te cederen en over te geven aen de gemelde Generale West-Indische Compagnie deser Landen, om bij deselve gheaenvaert te werden, met alsulken recht als de voorzsz. Compagnie is, hebbende op alle hare conquesten, gelegen in de Limiten van den Octroije, aen haer verleent met dat onderscheijdt alleen, dat de meer ghemelte compagnie ten eeuwigen dage niet bevoeght sal zijn, ofte vermogen eenighe de minste veranderinge te brengen in datgene, hetwelcke by de volgende Articulen bepaelt ende gelitimeert staet, dewijle wy de voorsz. Articulen gunnen, consenteren en accorderen, gelijck wy doen by desen, als een octroy ofte privilegie gegeven ten voordeele en tot gerustheyt van alle diegene, dewelcke sigh op de voorsz. Colonie albereyts ter neder hebben gesteldt of noch sullen komen te begeven, sonder dat daervan oyt ofte oyt selfs by de Machten van dese Landen, ten nadeel van de Opgezetenen aldaer sal moge werden gerecedeert.

Art. I.

“Dat de Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt de voorsz. Colonie van Suriname met haer Geschut, Amunitie van Oorlogh, ende wat des meer zy, mitsgaders alle vordere appendentiën ende dependentiën van dien, en in dier voegen, als de gemelte haer Edele Mog. de selve Colonie althans besitten, sullen overleveren aen de gemelte generale geoctroijeerde West-Indische Compagnie; met dien verstande, dat alle lasten ende voordeelen ofte profijten van de voorsz. Colonie, sullen komen ende begonnen hebben te lopen voor reeckeninge van de geseyde Compagnie, op den dagh dat het octroy sal werden gearresteert, ende dat alle voorgaende lasten en gemaeckte schulden, hetzy soldije van de Militie, Gagiën ende Tractementen, ofte andere, uyt wat hoofde die soude mogen voorkomen, ende van wat natuyre die soude mogen zijn geen uytgesondert, ter verantwoordinge in lasten sullen blijven van de gemelte haer Ed. Mog., sonder dat oyt of oyt de voorsz. Compagnie ter sake van dien aengesproken en gemolesteert, ofte by eenigh rechter als schuldig sal mogen werden aengesien, en veel min geoordeelt.

Art. II.

“Dat de voorsz. Compagnie gehouden sal zijn voor den tijdt van tien achter een volgende jaren, aen alle de Coloniërs en Opgezetenen aldaer, indistinctelijk te verleenen exemptie en immuniteyt van alle lasten, waermede althans beswaerdt zijn, uytghenomen alleen het Lastgeld van de schepen, ende het Waeghgeld, in voegen als hetselve by het vierde Articul sal gereguleerd werden tot voorkominge van frauden en disordres dewelcke als nu ten merckelijken nadeele van de Colonie selfs aldaer in swang gaen.

Art. III.

“Dat oock alle diegenen dewelcke hier nu sigh op de voorsz. Colonie sullen komen ter nederstellen, voor gelijcke thien jaren sullen hebben gelijcke vrijheyt en exemptie.

Art. IV.

“Dat de voorsz. eerste thien jaren ge-escouleert wesende, de gemelte Compagnie niet en sal vermogen oyt of oyt eenighe Lasten of Impositiën op te stellen, ofte te heffen buyten diegene dewelcke in dit Articul specifiquelijck staen ter neder gestelt, ten ware uyt noot ende te gelijckelijck met vry en liber consent van den Gouverneur ende den Politycquen Raet aldaer, dewelcke mede ten dien eynde, door de Coloniërs selve ende uyt de beste onder haer geformeert sal werden; ende namentlijk sal de voorsz. Compagnie noyt meer mogen trecken als drie guldens voor yder last dat een schip groot is, voor uytgaen, in gelijcke drie guldens voor inkomen, wegens het Lastgeldt voor de schepen, ende voor de binnelasten niet anders als vijftigh pont suycker voor yder Opgezeten, soo Blancken als Negros, wegens Hooft-gelt jaerlijcks en twee en een half per cento van de waerde van alle goederen, dewelcke van daer na dese Landen sullen werden versonden, ofte aldaer verkocht wegens Waegh-gelt, sullende ten dien eynde ende specialijck mede tot voorkominge van veele frauden ende disordres aldaer een of meer Wagen werden opgerecht, ende by yder Wage gestelt een bequame Keurmeester die de Suyckeren sullen moeten keuren, of die bequaam zijn om gelevert te konnen werden, ende sullen aldaer alle goederen by betalinge ofte afleveringe t’elckens ende soo meenighmael als verkocht ofte van daer na dese Landen versonden werden, het voorsz. Waegh-geldt van twee ende een half per cento subject zijn, ende moeten werden gewogen en voorgeslagen.

Art. V.

“Dat de voorsz. Compagnie nu door dese overdracht Meester en Eygenaer werdende van de geseyde Colonie, niet en sal vermogen ten rigoureusten te procederen tot inning van de schulden, dewelcke aldaer wegens reets aengebrachte ende geleverde slaven uytstaende heeft; maer dat tot gerustheydt van soodanige Coloniërs, dewelcke tot prompte betalinge onmachtigh zijn, deselve sal gedaen werden in drie termijnen, yder van twaelf maenden, en waervan de eerste sal wesen verschenen twaelf maenden na dat de Compagnie in de reëele possessie van de gemelte Colonie sal wesen gekomen.

Art. VI.

“Dat dewijle de gemelte Colonie niet wel kan worden voortgeset, dan door middel van Swarte Slaven ofte Negros ende dat niemandt buyten de voorsz. Compagnie in dese Landen bevoeght is eenighe slaven te halen van de kuste van Africa, alwaer alleen in gehandelt werden, soo sal de voorsz. Compagnie geobligeert zijn, aen de geseyde Colonie jaerlijck te leveren sodanigen aental slaven, als aldaer sullen wesen gerequireert.

Art. VII.

“Ende opdat tot bijsondere voortsettinge van alle wercken en plantagiën aldaer, een yegelijk Colonier of Planter, en soowel de kleyne of onmachtigen, als de groote ofte machtigen van hare nodige Negros mogen werden voorsien, sal de gemelte Compagnie gehouden zijn de Negros, dewelcke van tijdt tot tijd sullen werden aengebracht publyck te verkopen, en by twee stuk t’effens op te veylen, wel verstaende, dat deselve Compagnie, om versekert te zijn van de voldoeninge van de prijs die voor de voorsz. Negros sal werden uytgelooft, by het verkopen van de voorsz. Negros sal mogen bedingen sodanige sekerheyt als deselve sal oordelen tot haer gerustheidt dien aengaende te konnen strecken.

Art. VIII.

“Dat de betalinge der alsoo publyck verkochte Negros sal geschieden in drie termijnen yder van ses maenden, gereguleerd na de tijdt dat de suyckeren bequamelijckst gelevert konnen werden; des sal alsdan de voorsz. betalinge precise moeten werden gedaen, ende by nalatigheidt van dien de gebrekige by wegen van parate executie, en sonder eenige Rechtspleginge tot een effective voldoeninge gecompelleert werden; met dien verstande evenwel, dat het den Gouverneur vry sal staen, ter requisitie van de Coloniërs en Planters te verleenen provisioneele surcheantie van de voornoemde executie, doch niet anders dan om merckelijcke redenen, dewelcke hen daer toe soude mogen brengen, en op speciale approbatie van de Heeren Bewinthebberen van de voorsz. Compagnie.

Art. IX.

“Dat dewijle tot den aenbouw van voorsz. Colonie mede ten hoogsten nootsakelijck is, dat het getal der blancke Menschen aldaer, soo veel en spoedigh mogelijck geaugmenteert werde; soo sal de Compagnie besorgen, dat derwaerts uyt dese Landen soo veel Personen mogen werden getransporteert, als de voorsz. Compagnie sal konnen en bequaem wesen uyt te wercken.

Art. X.

“Dat ten dien eynde alle schepen uyt dese Landen derwaerts aenleggende, gehouden sullen zijn (indien de geseyde Compagnie sulcks soude mogen begeren) yder twaelf Personen over te voeren, voor een somme van dertigh guldens voor yder Persoon, wegens transport en kostgelt te genieten, te kosten aen haer Lastgeldt in het uytgaen en inkomen half en half, twee Personen voor een, indien beneden de twaelf jaren zijn.

Art. XI.

“Dat om de voorsz. Colonie krachtelijck en so veel mogelijk voort te setten en om alle voordeelen, dewelcke hy verhoopt succes van deselve sullen komen af te vloeijen, te doen vallen in de schoot van de Coloniërs en Planters aldaer ende van de Ingezetenen van desen staet, den Handel en Traffycque op Suriname, ende van daer indistinctelijck liber en open sal zijn aen alle ingezetenen van desen staet, blijvende niettemin geobligeert in conformité van den octroye van de voornoemde Compagnie, de selve Compagnie te erkennen, en aen haer by forme van recognitie te betalen het Lastgeldt in het vierde van dese fondamentele Articulen geëxpresseert, en daer en boven te stellen cautie, van niet te sullen komen op de kuste van Africa, ofte alle de plaatsen alwaer de voorsz. Compagnie den handel privative heeft, ende met uytsluitinge van de Ingezetenen van desen staat, ende dat sy met de voornoemde hare schepen en laandinge wederomme in dese Landen sullen retourneren, sullen de voorsz. schepen, het geseyde Lastgelt betaelt, ende cautie gestelt hebbende, aanstonds t’ haerder requisitie aen hare pasporten en commissiën, door de gemelte Compagnie geholpen ende ge-expedieert moeten werden, ten eynde in haer voorgenomen reyse niet mogen belet, ofte in faveur van andere schepen opgehouden werden; daer en boven tot particuliere gerustheyt van gemelte haer Edele Mogende de Heeren Staten van Zeelandt, werdt mede vastgestelt, dat derselver Ingezetenen in t’ gaan en wederkomen, en aldaer te Lande behouden, sullen ten allen tijden de vrije en onbekommerde Navigatie, Commercie en inwoninge, sonder dat die oyt sal mogen werden gesloten, of in eenigen manieren hoger, swaerder ofte meerder, sullen mogen werden belast, gelimiteert ofte in haar vrijheyt bepaelt, als ten aensien van eenigh Ingezeten van Hollandt, ofte van eenige andere Provincie sal vermogen te geschieden, maar dat alles op het fondament van dit Octroy aan de Ingezetenen van alle de Provinciën egaal sal zijn, soo wel de lasten als de voorrechten, zonder disstinctie onder gelijcke verbintenisse.

Art. XII.

“Dat den Handel en de Vaert op ende van de Voorsz. Colonie alleen, sal mogen geschieden, directelijck uit en na dese Landen, ende dat oock vervolgens alle de vruchten, waren, en gewassen nergens heen, als directelijck op dese Landen sullen mogen worden gesonden, mitsgaders ook alle Behoeften voor de voorsz. Colonie gerequireert, uijt desen Landen ende nergens anders van daen derwaerts werden gebracht.

Art. XIII.

“Ende opdat de voorsz. Ingesetenen derwaerts traffiquerende, gerust mogen gesteld wesen, dat sy in de voorsz. liberteijt van derwaerdts ende herwaerdts te navigeren, door de schepen van de Compagnie niet en sullen werden geprejudicieert, door de avantagiën, die de deselve Compagnie aan haer eijgen schepen soude genegen mogen sijn te geven ende toe te brengen, soo sal de gemelte Compagnie bij desen aennemen van geen meerder schepen derwaerts te sullen senden, als die gerequireerd sullen werden en machtigh zijn, om de noodige Negros daer na toe te voeren ende de suijckeren ende andere waren, door den verkoop der voorsz. Negros, ofte door de opgestelde Impositiën eijgen geworden zijnde aen de voorsz. Compagnie, van daer af te halen, sullende de voorsz. Compagnie geen goederen van Particulieren in hare schepen vermogen te doen laden en overvoeren, als alleen in die schepen, die slaven daer hebben gebracht.

Art. XIV.

“Dat de Koopluijden daer te Lande aengekomende wesende met hare schepen en goederen, sullen mogen gaen liggen op alle soodanige Plaetsen, als sy sullen oordeelen voor haer commodienst ende profijtelijckst te wesen; mits daerinne aen de Compagnie selve, ofte aen andere Opgezetenen geen belemmering komen te geven, en dat daerdoor de gemelte Compagnie in haer impositiën en Gerechtigheden niet en werde verkort, waer op den Gouverneur en Raeden seer exactelijck sullen hebben te reflecteren.

Art. XV.

“Dat gelijck het yder een vry staet, met sijn persoon, Familie en Goederen in de voorsz. Colonie te komen, het oock alsoo sal wesen gepermitteert aen een yegelijk, dewelcke alrede sigh daer ter neder gesteld heeft, ofte sal komen te stellen, ten allen tijde van daer te vertrecken met hare Slaven, Beesten en verdere roerende goederen, en dat naer soodanige andere Plaetsen ofte Eijlanden als het haer sal believen, konnende tot het voorsz. transport, huuren afkoopen alsulcke Schepen of Vaartuigen, als sy tot haer voorsz. desseijn hen sullen oordeelen dienstig te wesen.

Art. XVI.

“Ende opdat de Coloniërs ende Planters in Suriname mitsgaders de Ingesetenen deser Landen met deselve commercierende, volkomen gerust mogen sijn, dat de voorsz. exemptiën en privilegiën effective sullen werden achtervolght en naergekomen; soo zal den Gouverneur ende den Politiquen Raedt, in voegen de zelve hiernaer sullen werden aengestelt, gehouden zijn op haren Eedt te besorgen, dat daer jegens geen infractiën komen gemaekt te werden.

Art. XVII.

“Sullende den Gouverneur, die ’t hoogste gesagh sal competeren bij de voorsz. Compagnie absolute aengestelt werden, mits de selve, ende oock sijne Instructie by hoogghemelte haer Hoog Mogende werde gheapprobeert, en dat hem by deselve haer Hoog Mogende en Sijne Hoogheidt den Heere Prince van Oranje, de nodige commissie gegeven sal moeten werden.

Art. XVIII.

“Dat den voorsz. Politiquen Raedt sal bestaan ende gecompaseert wesen nu voor de eerste maal uit thien persoonen en bij vervolgh van tijden naer het accrois van de Colonie, de Inclinatie van de Ingezetenen, ofte om andere redenen op het welghevallen en goetvinden van de voornoemde Compagnie moghten werden verhooght tot veertig persoonen incluis.

Art. XIX.

“Sullende de voornoemde Raedtspersoonen uijt de aensienlijckste, verstandighste en moderaetste onder de Coloniërs, haer levenlangh gedurende tot de voorsz. Raedsplaets beroepen werden, te weten door pluraliteit van stemmen van alle de Coloniërs een dubbelt getal genomineert wesende, sal den Gouverneur daaruit electie doen, waerinne by afstervingh ofte vertreck tot suppletie gecontinueerd sal werden, ter tijde en wijle het getal der Coloniërs soo sal wesen, dat hetselve niet wel als met een disordre soude konnen werden gepractiseert, als wanneer de Compagnie op approbatie van haer Hoog Mogende sal mogen ordonneeren, dat de nominatie tot de voorsz. suppletie jaerlijcks, op een vastgestelden dagh geschiede door de overgebleven Raetspersonen alleen; sullende echter de voorsz. veranderingh niet mogen werden gemaekt als naer dat het getal der Raedtspersoonen, ten minsten tot dertigh personen sal wesen geaugmenteert.

Art. XX.

“Dat al hoewel den gemelten Gouverneur in alle sacken zoo politijck als Militair het opperste gezag zal hebben, soo sal hy evenwel daer omtrent in saken van eenig aanbelang gehouden zijn, den gemelten Raedt te Convoceren, de sacke aldaer voordragen, ende in deliberatie leggen, en het besluijt formeren, soo en in dier voegen, als by pluraliteit van stemmen oirbaer en dienstigh geoordeeld sal wesen, sullende sodanigh besluit, soo als het soude mogen liggen, door den voornoemden Gouverneur moeten opgevolgt ende getrouwelijck ter executie geleyt werden.

Art. XXI.

Behoudelijck nogthans, dat den gemelden Gouverneur midtsgaders den Raed gesamentlijck en yder in het bijsonder in alle saken, in deese fondamentele articulen niet specialijck gelimiteert en bepaelt, gehouden sullen zijn te obtempereren, ende op te volghen het bevel ende de ordres dewelcke haer van tijdt tot tijdt door de gemelte Compagnie gegeven, ende geprescribeert sullen werden ende dat op den Eedt by hun respectivelijck ten ingangh van hunne Bedieningen gedaen, en sulcks dat de voorsz. hare besluijten alleen plaets sullen hebben in alle saecken, dewelcke in deze Articulen als privilegiën bevat sijn, en verders in alle andere saecken, waaromtrent den gemelten Gouverneur geen specialen last en ordre ofte instructie sal hebben bekomen.

Art. XXII.

“Dat oock den voornoemden Gouverneur ende Raden sullen moeten vaceren tot het administreren van alle Criminele Justitie.

Art. XXIII.

Dat in reguarde van de civile Justitie, afgezondert van het voorsz. crimineel, deselve geadministreert ende waergenomen sal werden door den gemelten Gouverneur, benevens ses aansienelijcke en verstandige Personen, om de twee jaren daer toe op naervolgende wijse, hetzij uijt het midden van den voorsz. Raedt, hetzij uijt de Coloniërs ofte Planters te verkiesen, sullende in dese, gelijck ook in de deliberatie van den voorsz. Politiquen Raedt, met de meeste stemmen geconcludeert werden, ende den gemelten Gouverneur niet meer als een stem hebben; dog in Cas van egualiteit van stemmen aen wederzijden, sal met het advis van den Gouverneur geconcludeert werden.

Art. XXIV.

“Dat de voornoemde zes personen twee jaren als Rechters en Raden van Justitie gedient hebbende, de eene helft van deselve sal moeten afgaen, om plaetse te maken der anderen, dewelke haer in het voornoemde emploi volgen sullen, om voor twee volgende jaren benevens den gemelden Gouverneur ende de drie aengheblevene Raden van Justitie de voorsz. Rechtbanck te besorgen, sullende de voornoemde Raden van Justitie aengestelt werden als volght: namentlijck door den Gouverneur ende den Politiquen Raedt; by pluraliteijt van stemmen, voor de eerste mael twaelf Persoonen, en vervolghens van twee jaren tot twee jaren, op den eersten dagh van Januarij zes persoonen genomineert wesende, sal den Gouverneur daaruijt voor de voorsz. eerste mael ses Persoonen verkiezen en vervolgens voor de voorsz. twee tot twee jaren drie Persoonen, en uijt de oude Raden van Justitie mede drie Persoonen, om benevens hem als vooren voor twee jaren Recht en Justitie te administreren.

Art. XXV.

“Dat de voornoemde Raden van Politie van meerder rang en respect sullen wesen, als de voornoemde Raden van Justitie, doch dat in de voorsz. respective collegiën, die gene onder deselve de preseance ende voorrang zullen hebben, voor de eerste maal, die de oudtste van jaren sullen sijn, ende vervolgens die eerst tot de voorsz. digniteijten en Bedieningen sullen wesen beroepen, met die distinatie evenwel, dat in het voorsz. collegie van Justitie, de Raden van Politie, dewelcke daartoe zouden mogen werden beroepen, altijdt uijt respect de preseance en de voorrangh sullen hebben.

Art. XXVI.

“Dat de voornoemde Raden van Politie en Justitie respective, de voorsz. hare Bedieningen sullen moeten waernemen, sonder daervoor eenige weddens of vergeldingen te genieten, maer alleen uijt liefde ten besten van ’t gemeen.

Art. XXVII.

“Dat het onderhout van de Fortresse aen de Riviere van Suriname, midtsgaders het maken en onderhouden van alle vordere Fortificatiën, by aldien sulcks bevonden soude mogen werden te wesen gerequireert, sal zijn ten laste van de voorsz. Compagnie, gelijck oock het Geschut, de Amunitie van oorlogh, de soldijen en het onderhoudt van ’t Guarnisoen, ende alles wat relatie heeft tot bescherminge ende defensie van de voorsz. Colonie.

Art. XXVIII.

“Dat de voornoemde Bewindhebberen sullen moeten besorgen, dat de Coloniërs ten allen tijden sijn voorzien van een of meer Bedienaars des Goddelijken Woordts, nadat de gelegentheijdt van de Colonie het zoude moghen komen te vereisschen ten einde de Coloniërs ende, de verdere opgesetenen aldaer in de vreese des Heeren, ende Leere ter Zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden mitsgaders tot het gebruyck der Heylighe Sacramenten bequame occasie hebben, sullende de voornoemde Predicanten niet by de voorsz. Compagnie, maar by de Coloniërs en Opgezetenen selve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur ende Raden daertoe op approbatie van Bewinthebberen sullen mogen ordonneren en heffen.

Art. XXIX.

“Dat oock den voornoemden Gouverneur ende Raedt op approbatie van Bewinthebberen sullen mogen stellen eenige kleyne en modicque lasten, tot verval van de noodige kosten van de voorsz. respective collegiën van Raden ende Rechters, mitsgaders tot onderhoudt van Kerckendienst, Schoolmeesters en diergelijcke, voor sooveel hetselve soude mogen werden geoordeelt nootsakelijck of dienstigh te wesen.

Art. XXX.

“Dat den voornoemden Gouverneur en Raden niet en sullen wesen bevoeght eenighe Impositiën ofte Lasten te mogen stellen ofte heffen anders als op speciale approbatie van haer Hoogh Mogende, en van de Heeren Bewinthebberen, ten eynde de gemelte Coloniërs oock mogen wesen gerust ten respecte van de buytensporigheden, waer in de voorsz. Raden selve soude mogen komen te vallen.

Art. XXXI.

“Dat den voornoemden Gouverneur sal wesen gehouden Eedt van getrouwigheyt aen haer Hoogh Mogende, mitsgaders aen de Bewinthebberen van de voorsz. Compagnie te doen ende voornoemde Raden ende Rechters gelijcken Eedt, na seker Formulier daer van te beramen, in handen van den voornoemden Gouverneur; ende dat de Soldaten, Matrosen ende verdere Bedienden, dewelcke by de voorsz. Compagnie sullen werden gesoldoijeert en betaalt, alle aanghenomen en be-eedight sullen werden op en volgens de generale Articulbrief van de Compagnie, sullende alle de Opgezetenen ende Coloniërs mede Eedt van getrouwigheydt aen den Staet ende Compagnie moeten doen Particulier Formulier daervan insgelijcks te beramen na het exempel van de Eeden der Burgeren en Ingezetenen deser Landen.

Art. XXXII.

“Laatstelijck, dat indien by experientie van eenighe jaren soude mogen werden ondervonden, dat de voorsz. Colonie te lastigh soude vallen voor de gheseyde West-Indische Compagnie, soodanigh, dat de Bewinthebberen ende de Hooft-participanten souden mogen oordeelen, dat het verder aenhouden van de voornoemde Colonie voor deselve Compagnie soude wesen seer nadeeligh en ruineus, in sulcken gevalle het de gemelte Bewinthebberen, sal wesen gepermitteert, van de voorsz. Colonie by abondonnement afstandt te mogen doen, met al sulcken effect, dat den Staet omtrent de besorginghe van de voorsz. Colonie, alsdan gehouden sal zijn ordres te stellen buyten de geseyde Compagnie.


“Weshalven wy ontbieden ende versoecken, oock lasten en bevelen allen en eenen ygelijcken die dit eenigsints aengaen magh, dat sy van dit ons Consent en Octroy, en van allen den inhouden van dien, oock de vrijheden ende exemptiën, in voegen en manieren boven verhaelt, soowel de gemelte West-Indische Compagnie deser Landen, als diegene die sigh als boven albereydts op de voorsz. Colonie hebben ter neder ghestelt ofte sigh noch souden willen ter neder stellen, doen, laten, en gedogen rustelijck, vredelijck, en volkomentlijck genieten ende gebruicken, sonder aan deselve, of hier tegens te doen ofte te laten geschieden eenigh hinder, letsel, ofte moeijenisse ter contrarie, want onse ernstige meyninge sulcks is.—Gegeven in den Hage onder het groot Zegel van den Staet, de Paraphure van den Heer Presiderende in onse vergaderinge ende de Signature van onzen Griffier, op den drie en twintigsten September 1682. Was geparapheert A. GERLAGHUS, VT.,—Onderstond, ter ordonnantie van de hooggemelte Heeren Staten-Generaal. Was geteekent H. FAGEL. Hebbende onder uyt hangen het Zegel van haer Hoogh Mogende in rooden wassche, aan een rooden zijden bandt.

Naamlijst der Predikanten bij de Hervormde Gemeente te Suriname.

Anno 1668 Ds. Baseliers, overleden 1689
Anno,, 1687 (Mei) Ds.,, Henricus Rosinus, overl. 1694.
Anno,, 1695 (Junij) Ds.,, Cornelis Wachtendorp, beroepen van Kommewijne, derwaarts terug ber. September 1701.
Anno,, 1696 (Dec.) Ds.,, Agidius de Hoy, ber. van Perika en Kottika, overl. Aug. 1698.
Anno,, 1697 (Aug.) Ds.,, Christophorus Nucella, overl. Maart 1705.
Anno,, 1705 (April) Ds.,, Cornelis Voltelin, overl. Sept. 1706.
Anno,, 1707 (Maart) Ds.,, Boëthuis Moda, overl. Nov. 1708.
Anno,, 1708 (Dec.) Ds.,, Justus Fauvarque1, overl. Sept. 1709.
Anno,, 1710 (Julij.) Ds.,, Diderik Jacob Engel, overl. Sept. 1713.
Anno,, 1712 (Nov.) Ds.,, David Estor1, Emeritus October 1731.
Anno,, 1713 (Dec.) Ds.,, Abraham Aegidius Engel, overl. 1734.
Anno,, 1729 (Junij) Ds.,, Emanuel Vieira, op zijn verzoek ontslagen Augustus 1731 en naar het vaderland teruggekeerd; terug gekomen en andermaal in dienst getreden September 1739; van hier naar Perika en Kottika beroepen Junij 1743; van daar terug beroepen naar Paramaribo Mei 1758, waar hij als Extra ordinaris Predikant dienst deed en overleed 1760.
Anno,, 1732 (Julij) Ds.,, Petrus IJver1 op zijn verzoek ontslagen in Januarij 1755, deed echter dienst als extr. ord. Predikant, overl. Julij 1763.
Anno,, 1732 (Aug.) Ds.,, Jan Martinus Kleijn, ber. Julij 1733 naar Perika en Kottika.
Anno 1734 (Dec.) Ds. Georgius Wilhelmus Montanus ber. Julij 1736 naar Altenwiedt, Graafschap Wiedt, doch vóór zijn vertrek in Junij 1738 overleden.
Anno,, 1743 (Augs.) Ds.,, Eggo Fonkens van Hoevenberg. Twee dagen na zijne aankomst krankzinnig geworden, in Mei 1744 naar Holland gezonden, terug gekeerd in April 1749, doch in Junij deszelfden jaars ontslagen en naar Nieuw-Engeland vertrokken.
Anno,, 1746 (Oct.) Ds.,, Lambertus de Ronde, in Februarij 1750 op zijn verzoek ontslagen en naar het vaderland vertrokken.
Anno,, 1752 (Dec.) Ds.,, Lambertus Doesburgh, ber. van de Commewijne in Sept. 1756 op zijn verzoek ontslagen; Augustus 1764 weder beroepen, in Julij 1765 overleden.
Anno,, 1753 (Aug.) Ds.,, Johannes van der Gaegh, overleden Febr. 1760.
Anno,, 1756 (Sept.) Ds.,, Timotheus Hölscher, overleden Julij 1764.
Anno,, 1762 (Oct.) Ds.,, Daniël Schouten, provisioneel beroepen, overl. Nov. 1763.
Anno,, 1765 (Febr.) Ds.,, Elie Piere Louis Roijere, eerst Fransch Predikant alhier, tot de Hollandsche kerk overgegaan en in Febr. 1767, op zijn verzoek, ontslagen.
Anno,, 1768 (Julij) Ds.,, Jacobus Tallans, overleden Sept. 1777.
Anno,, 1769 (Dec.) Ds.,, Jan Anthony Aemilius, Augustus 1770 ontslagen en naar het vaderland terug gezonden.
Anno,, 1770 (Oct.) Ds.,, Gerard Jacob Lepper, ontslagen Mei 1775, weder beroepen December 1777, overleden Julij 1778.
Anno,, 1780 (Febr.) Ds.,, J. C. de Cros, beroepen van Perika en Kottika; aldaar terug geroepen April 1781, van daar weder beroepen naar Paramaribo Julij 1797, overleden October 1799.
Anno,, 1780 (Dec.) Ds.,, W. P. Schierbeek, overleden Febr. 1785.
Anno,, 1783 (April) Ds.,, Jon Samuel Casimir Bernard Donkerman, overl. Febr. 1785.
Anno,, 1783 (Mei) Ds.,, Apollonius Adrianus Sporon, (provisioneel beroepen) overleden November 1789.
Anno,, 1786 (Febr.) Ds.,, A. van Groenevelt, overleden Febr. 1800.
Anno,, 1793 (Jan.) Ds.,, David Salaindre Lapra, overleden Oct. 1796.
Anno,, 1809 (Julij) Ds.,, Pieter Jan van Esch, overl. Nov. 1814.
Anno,, 1815 (Dec.) Ds.,, Henricus Uden Masman, weleer Predikant te Koorndijk in Zuid-Holland, van daar beroepen naar de Kaap de Goede Hoop, van daar herwaarts overgekomen, in 1826 met verlof naar ’t vaderland vertrokken en Emeritus geworden.
Anno 1827 (Oct.) Ds. Andries Roelofsz, beroepen van …, Emeritus geworden en naar ’t Vaderland teruggekeerd Mei 1851.
Anno,, 1851 (Dec.) Ds.,, J. H. Betting, weleer Predikant te Beest in Gelderland, in 1843 herwaarts gekomen met eene commissie van onderzoek tot kolonisatie alhier, later buitengewoon dienstdoend Predikant te Curaçao.
Anno,, 1852 (April) Ds.,, Cornelis van Schaick, beroepen van Dwingeloo in Drenthe.
Anno,, 1856 Ds.,, Conradi, beroepen van Curaçao.

Naar aanleiding dezer opgave had de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Paramaribo, van hare vestiging in 1668 tot 1854, zes en dertig geordende Predikanten, wordende aldus bediend:

Van …. 1668 tot Mei 1687 door Ds. Baselier.
Van,, Mei 1687 tot,, Mei 1689 door,,Ds.,, Baseliers en Rosinus.
Van,, Mei 1689 tot,, Oct. 1694 door,,Ds.,, Rosinus.
Van,, Oct. 1694 tot,, Junij 1695 door,,Ds.,, Vakant.
Van,, Junij 1695 tot,, Dec. 1696 door,,Ds.,, Wachtendorp.
Van,, Dec. 1696 tot,, Aug. 1698 door,,Ds.,, Wachtend., v. Hoy en Nucella
Van,, Aug. 1698 tot,, Sept. 1701 door,,Ds.,, Wachtendorp en Nucella.
Van,, Sept. 1701 tot,, Maart 1705 door,,Ds.,, Nucella.
Van,, Maart 1705 tot,, April 1705 door,,Ds.,, Vakant.
Van,, April 1705 tot,, Sept. 1706 door,,Ds.,, Voltelin.
Van,, Sept. 1706 tot,, Maart 1707 door,,Ds.,, Vakant.
Van,, Maart 1707 tot,, Nov. 1708 door,,Ds.,, Moda.
Van,, Nov. 1708 tot,, Dec. 1708 door,,Ds.,, Vakant.
Van,, Dec. 1708 tot,, Sept. 1709 door,,Ds.,, Fauvarque.
Van,, Sept. 1709 tot,, Julij 1710 door,,Ds.,, Vakant.
Van,, Julij 1710 tot,, Sept. 1713 door,,Ds.,, D. J. Engel en Estor.
Van,, Sept. 1713 tot,, Dec. 1713 door,,Ds.,, Estor.
Van,, Dec. 1713 tot,, Aug. 1731 door,,Ds.,, Estor, A. A. Engel en Vieira
Van,, Aug. 1731 tot,, Oct. 1731 door,,Ds.,, Estor en Engel.
Van,, Oct. 1731 tot,, Julij 1733 door,,Ds.,, Engel, Yver en Kleyn.
Van,, Julij 1733 tot,, Dec. 1734 door,,Ds.,, Engel, Yver en Montanus.
Van,, Dec. 1734 tot,, Junij 1738 door,,Ds.,, Yver en Montanus.
Van,, Junij 1738 tot,, Sept. 1739 door,,Ds.,, Yver.
Van,, Sept. 1739 tot,, Junij 1743 door,,Ds.,, Yver en Vieira.
Van,, Junij 1743 tot,, Oct. 1746 door,,Ds.,, Yver.
Van,, Oct. 1746 tot,, Febr. 1750 door,,Ds.,, Yver en de Ronde.
Van,, Febr. 1750 tot,, Dec. 1752 door,,Ds.,, Yver.
Van,, Dec. 1752 tot,, Sept. 1756 door,,Ds.,, Yver, Doesburgh en v.d. Gaegh.
Van Sept. 1756 tot Mei 1758 door Ds. Yver, v. d. Gaegh en Hölscher.
Van,, Mei 1758 tot,, Febr. 1760 door,,Ds.,, Yver, v. d. Gaegh, Hölscher en Vieira.
Van,, Febr. 1760 tot,, Oct. 1762 door,,Ds.,, Yver en Hölscher.
Van,, Oct. 1762 tot,, Julij 1763 door,,Ds.,, Yver, Hölscher en Schouten.
Van,, Julij 1763 tot,, Nov. 1763 door,,Ds.,, Hölscher en Schouten.
Van,, Nov. 1763 tot,, Julij 1764 door,,Ds.,, Hölscher.
Van,, Julij 1764 tot,, Aug. 1764 Vakant.
Van,, Aug. 1764 tot,, Julij 1765 door,,Ds.,, Doesburgh en Roijere.
Van,, Julij 1765 tot,, Febr. 1767 door,,Ds.,, Roijere.
Van,, Febr. 1767 tot,, Julij 1768 Vakant
Van,, Julij 1768 tot,, Aug. 1770 door,,Ds.,, Tallans en Hemilius.
Van,, Aug. 1770 tot,, Oct. 1770 door,,Ds.,, Tallans.
Van,, Oct. 1770 tot,, Mei 1775 door,,Ds.,, Tallans en Lepper.
Van,, Mei 1775 tot,, Sept. 1777 door,,Ds.,, Tallans.
Van,, Sept. 1777 tot,, Dec. 1777 Vakant.
Van,, Dec. 1777 tot,, Julij 1778 door,,Ds.,, Lepper.
Van,, Julij 1778 tot,, Febr. 1780 Vakant.
Van,, Febr. 1780 tot,, Dec. 1780 door,,Ds.,, Cros.
Van,, Dec. 1780 tot,, April 1781 door,,Ds.,, Cros en Schierbeek.
Van,, April 1781 tot,, April 1783 door,,Ds.,, Schierbeek.
Van,, April 1783 tot,, Mei 1783 door,,Ds.,, Schierbeek en Donkerman.
Van,, Mei 1783 tot,, Febr. 1785 door,,Ds.,, Schierbeek, Donkerman en Sporon.
Van,, Febr. 1785 tot,, Febr. 1786 door,,Ds.,, Sporon.
Van,, Febr. 1786 tot,, Nov. 1789 door,,Ds.,, Sporon en Groenevelt.
Van,, Nov. 1789 tot,, Jan. 1793 door,,Ds.,, Groenevelt.
Van,, Jan. 1793 tot,, Oct. 1796 door,,Ds.,, Groenevelt en Lapra.
Van,, Oct. 1796 tot,, Oct. 1799 door,,Ds.,, Groenevelt en Cros.
Van,, Oct. 1799 tot,, Febr. 1800 door,,Ds.,, Groenevelt.
Van,, Febr. 1800 tot,, Julij 1809 Vakant.
Van,, Julij 1809 tot,, Nov. 1814 door,,Ds.,, Van Esch.
Van,, Nov. 1814 tot,, Dec. 1815 Vakant.
Van,, Dec. 1815 tot,, Dec. 1826 door,,Ds.,, Uden-Masman.
Van,, Dec. 1826 tot,, Oct. 1827 Vakant.
Van,, Oct. 1827 tot,, Mei 1851 door,,Ds.,, Roelofsz.
Van,, Mei 1851 tot,, Dec. 1851 Vakant.
Van,, Dec. 1851 tot,, April 1852 door,,Ds.,, Betting.
Van,, April 1852 door,,Ds.,, Betting en van Schaick.2
Van,, 1856 1861 door,,Ds.,, Van Schaick en Conradi.

1 Ds. Fauvarque, Estor en IJver, deden ook dienst bij de Fransche Hervormde Gemeente. 

2 Zie: Proeve van eene Geschiedenis der Hervormde Kerk in Suriname, door C. van Schaick, West-Indië, eerste jaargang.