WeRead Powered by ReaderPub
Goede Vaêr Tromp / of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden cover

Goede Vaêr Tromp / of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Chapter 18: Hoe men vrede kreeg.
Open in WeRead

About This Book

The narrative recounts the life and career of Maarten Harpertsz. Tromp while tracing how the United Provinces developed into a naval power. It blends biographical episodes, sea‑faring scenes, and battle descriptions with explanations of fleet organization and national maritime policy, written in an accessible, didactic tone for younger readers. Vivid port and shipboard vignettes, sailor dialogues, and contemporary songs illustrate naval life, while analyses of engagements, tactics, and leadership show the strategic growth of Dutch seapower. The work alternates storytelling with historical commentary to situate an individual career within broader political and military developments.

Wie niet hooren wil moet voelen.

“Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?” vroeg Huib den volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden, toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden vertrouwelijk om te gaan.— “Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee!”

“Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!”

“Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw is er een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! ’T is schande! Het en is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen! Wie wil er ook dienen op eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen bestaat! Dat onze Tromp er niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!”

“Tromp er niets van zeggen!” sprak luitenant Leinsz. “Man, man, heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen zitten even als Hunne Hoogmogenden?”

“Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!” bladzijde 168

“Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande verwaarloosd worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat kunnen ze! Geld uitgeven voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te versieren en op te schikken, dat kunnen ze; maar als er eenige weinige penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn der Vereenigde Provinciën te bevorderen, dan blijven de koorden der beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over spreken. Maar inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen en de toestand der vloot blijft dezelfde!”

“Er is veel van aan, geloof ik!” mompelde Huib.

“Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft hij om betere en grootere schepen gevraagd!”

“Zoo, heeft hij dat?”

“Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals we van onzen Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?”

“Ik en weet het niet!”

“We zullen eens zien!” zeide een en met dat: “Wij zullen eens zien!” werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of Polak was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!”

“En is de Ammiraal al aan boord?”

“Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje aan. ’T is toch een vent, die Witte! bladzijde 169

Jammer, eeuwig jammer, dat hij zoo ’n bullebak is!”

“Hei daar, luie slampampers, waar is je Ammiraal?” vroeg Witte zoodra hij een voet op het dek zette en onze twee mannen in het oog kreeg.

“’K zal hem gaan roepen, Ammiraal! Hij is in de kajuit!”

“Hoeft niet, ’k zal hem zelf wel vinden!” was het norsche antwoord. Tromp had hem echter aan zien komen en trad hem te gemoet.

“Dag de With!”

“Dag Tromp! Een mooie boel, hé?”

“Ja, ’t is erg!”

“En moet dat nou jou Ammiraalschip heeten? Kerel, laat me eens uitvloeken, ’k heb er behoefte aan, ’t is schande! ’T is schande!”

“Ja De With! het kon wel beter zijn!” sprak Tromp bedaard.

Maar Witte bleef niet bedaard. Hij smeet zijn hoed over het dek, stampte met zijnen degen, alsof hij door de planken heen wilde, en zeî: “Kon-het-wel-beter-zijn? Nederige Tromp, tevreden Ammiraal, kon het wel beter zijn? Eene klomp met drie zwavelstokskens lijkt meer op een Ammiraalschip dan deze oude kast, die zoo doornageld is als een plankje van de grootte mijner hand met honderd spijkergaten! Weet-je, dat ik me bij de Heeren beklaagd heb?”

“Jawel, en ik heb het ook gedaan!”

“Ei, en zeker ook zoo’n alles afdoend antwoord, nietwaar? Ze zullen ver komen, die luiden met hun hoogeschool-wijsheid, ze zullen ver komen! Maar weet je wat ik zeg? Wie niet hooren wil moet voelen! En voor het overige, ik heb me als kwajongen laten doopen om te kunnen bladzijde 170vechten, het komt er voor mij zoo precies niet op aan! Herinner je jezelven dien tijd nog wel eens, Marten?”

“Ja, nog dikwijls Witte, nog dikwijls!”

“Wie had dat ooit gedacht, dat wij het zóó ver brengen zouden! Ik denk nog dikwijls aan een van jou goede kameraads, die met jou gelijk naar zee ging! Hoe heette hij ook? Wacht, ik weet het,—Huib Maerlant heette hij. Toen ik hem vertelde dat ik, als ik naar zee ging, Ammiraal zou moeten worden, schold hij mij uit en zeî: ,Je wordt pluimgraaf op het schip waarop ik kapitein ben! Je bent nog al lang met hem in kennis geweest, weet-je ook wat er van hem geworden is?”

“Jawel, Witte! Daar staat hij!” sprak Tromp en wees op den ouden matroos, die nog altijd bij Leinsz. stond.

In een paar stappen was Witte bij hem, tikte hem op den schouder en zeî: “Dag Huib Maerlant!”

“Dag, heer Ammiraal!” antwoordde Huib ontroerd.

“Nou, waarom zeg je nu niet als voor een goede veertig jaar: “Leelijk Kregel Mennonietje?”

Huib zweeg.

“Jawel, nou denk je zeker dat ik je dat inpeperen zal! Maar... maar... Tromp, kom eens hier! Is dit dezelfde Huib Maerlant, die in het laatste gevecht zoo netjes de Engelsche vlag naar beneden wist te halen?”

“Dezelfde, Witte!”

“Een poot, ouwe jongen! Voor jou heb ik respect, al heb je ’t niet ver gebracht! ’T geluk zal je wel niet gediend hebben, zooals ons! Maar zeg, heb je geen lust om bij mij aan boord te komen? Ik zal je vooruit schoppen, dat je met je oude beenen jezelven niet bijhouden kunt!” bladzijde 171

“Ik wilde liever hier aan boord blijven, heer Ammiraal!”

“Nou goed, goed! Als je wilt, dan kan je komen! Dag Huib!”

Witte verwijderde zich en na nog een en ander met Tromp afgesproken te hebben ging hij van boord, in ’t voorbijgaan tot Huib roepende: “Als je soms nog kippenvoêr mocht noodig hebben, dan weet je waar mijne oude luî wonen! Gegroet!”

Denzelfden dag reeds vertrok Tromp om de vloot, die 98 schepen sterk was te verzamelen. Het getal schepen was dus groot genoeg; maar de grootte, de bemanning, de wapening en de geschikte geest lieten veel te wenschen over. Alras zag men dat het weer mis zou loopen.

In Duins was niets te doen dan alleen een drietal koopvaarders prijs te verklaren. De Engelsche vloot was onder bevel van George Monk en Richard Deane naar onze kust vertrokken.

Tromp besloot haar op te zoeken en ontdekte haar den 15den van Zomermaand op de hoogte van Nieuwpoort. Hij verdeelde zijne vloot in vijf smaldeelen en wachtte de Engelsche vloot moedig af. Den geheelen dag werd er zoowel door de Nederlanders als door de Engelschen met ongeëvenaarden moed gevochten.—Ook nu kwam het weer duidelijk uit, dat vele kapiteins van onze vloot niet voor hunne taak berekend waren, en weldra kwam er zooveel verwarring, dat het voordeel geheel aan de zijde der Engelschen was.

Den volgenden dag werd de strijd hervat.

“Ziet ge dat groote schip daar, jongens? Dat is de bodem van den Vice-Ammiraal William Penn! Voorwaarts kinderen, houdt moed! Voor ons dat schip!”

De aanval was woedend, de ontvangst moorddadig! bladzijde 172

Vijfmaal gaf Tromp het de volle laag, klampte hem eindelijk aan boord en nam zijn bovenschip in. Doch William Penn was bij het Engelsche zeevolk geliefd en dertien schepen snelden toe om hem te helpen.

Maar Goede Vaer Tromp werd door het Hollandsche zee volk als een vader vereerd.

“Mannen, Goede Vaer Tromp krijgt het te kwaad, helpt hem! Vooruit, vooruit!” schreeuwde Witte. Ook De Ruyter, die gezien had, dat de Ammiraal het onmogelijk langer volhouden kon, snelde hem te hulp.

’T was meer dan tijd, dat hij ontzet werd, want de Engelschen waren hem bijna meester.

Met zijn bijkans ontredderd schip voegt Tromp zich weer bij de vloot.

De Engelschen volgen hem en dringen al verder en verder door. Men vecht met leeuwenmoed, maar niets baat. De gansche vloot is verloren als men den strijd nog langer voortzet. Het sein tot den aftocht wordt gegeven. De Engelschen hebben eene schitterende overwinning behaald!

De Vereenigde Provinciën verschrikken op dit vreeselijke bericht!

Wat te doen?

Wat te doen? Eenige dagen later begeven zich drie bevelhebbers ter zee langs het Buitenhof te ’s-Gravenhage naar de zaal waar Hunne Hoogmogenden vergaderd zijn.

’T is de Luitenant Admiraal Tromp met twee zijner onderbevelhebbers, Michiel de Ruyter en De With.

Ze worden ter vergadering binnengeleid en beleefd ontvangen.

De Luitenant-Admiraal is het eerst aan het woord.

In scherpe trekken schetst hij den toestand der vloot bladzijde 173en eindigt met te zeggen: “Meer dan vijftig schepen bevinden zich bij de Engelsche vloot, die beter zijn dan het beste schip der Vereenigde Provinciën!

Men houdt van dit verslag getrouw aanteekening.

Thans staat De With op en na de woorden van Tromp bevestigd te hebben, zegt hij: “Wat helpt het dat ik zwijg; ik ben voor mijne Opperheeren; ik mag en moet het zeggen, de Engelschen zijn meester van de zee, maar ze zijn ook meester van ons!”

Nu is de beurt aan De Ruyter.

“Ik en wil niet veel woorden verspillen,” zegt deze. “Wat de heeren Tromp en De With gezegd hebben is waar, ja, ze hebben nog niet alles gezegd! Maar ik zeg u, ik en verkies niet meer in zee te steken als de toestand niet verandert. De Heeren moeten nu maar weten wat zij doen! Wie niet hooren wil moet voelen!” bladzijde 174

Hoe men vrede kreeg.

Eindelijk werden Hunne Hoogmogenden wijs genoeg om in te zien, dat het zoo niet langer kon, en ze besloten handen aan het werk te slaan en vooral trachtten ze de vloot van grootere schepen te voorzien. Het handgeld en de soldij werden mede verhoogd en de ongelukkige uitslag van de laatste twee zeegevechten had bij oud en jong de geestdrift van een vrij volk, dat zich bedreigd ziet, doen ontwaken.

Overal heerschte leven en beweging.

“Naar zee!” klonk het hier. “Naar zee!” klonk het daar. “Naar zee!” klonk het overal.

Het was of de dagen van Duins weer teruggekeerd waren.

Rijken en armen, aanzienlijken en geringen boden zich aan om op de vloot te dienen. De Amsterdamsche secretaris Gerardt Hulst kwam met vierentwintig wel uitgeruste zeelieden, die hij zelf bezoldigde en den kost gaf, aan boord van Witte Cornelisz. De With, zich als vrijwilliger inschepen. Jan Oomes en Jan Van Uffelen kwamen elk met acht man en Jacobus Van den Kerckhove bracht er vier mede. Zelfs vrouwen wisten weer in mansgewaad vermomd op do vloot te komen en de Predikant Robert Junius verliet zijne stille pastorie om den armen bladzijde 175stervenden zeeman bij zijn heengaan woorden van troost te kunnen toespreken.

Zoo was de vloot in het begin van Oogstmaand gereed om zee te kiezen.

Eene groote zwarigheid bestond er. Ze was deze:

Nog altijd kruiste de Engelsche vloot op onze kusten en te Vlissingen in de Wielingen, te Goedereede en te Tessel bevond zich de onze. Die uit de Wielingen met die te Goedereede te vereenigen ging nog, maar te zamen telden ze dan nog maar tweeëntachtig schepen, zoo groot als klein, en hoewel er heel veel verbetering was aangebracht, ze was toch nog niet voldoende om met hoop op een goeden uitslag de Engelschen aan te tasten, die eene kostelijk uitgeruste vloot van ongeveer honderdtwintig schepen onder zich hadden. Te Tessel lagen nog zevenentwintig schepen en vier branders onder bevel van De With en Tromp begreep, dat het zaak was zich met deze te vereenigen.

Toch diende er niet lang gemard; want veel tijd was al verloren gegaan en de handel had reeds onnoemelijke schade geleden.

Tromp besloot dus aan boord te gaan, doch richtte vooraf het verzoek aan de Algemeene Staten, dat eenigen van ’s Lands regeering mochten mede gaan om de zaken te helpen besturen. Het kon ook zijn dat hij door ziekte verhinderd werd de noodige bevelen te geven, en—het kon ook zijn dat een noodlottige kogel hem het leven benam.

De Algemeene Staten vertrouwden echter op zijne kennis, hoopten dat de noodlottige kogel nog in lang niet gegoten mocht zijn en bleven aan den wal.

Den zesden van Oogstmaand stak Tromp in zee. bladzijde 176

Met harten vol verwachting staarden de Amsterdamsche kooplieden op de met gras begroeide straten;— de winkeliers droomden weer van een rijk gewin;—de handwerkstand hoopte op de dagen van vroeger toen er volop werk was; —de Admiraliteiten keken over het ontzaggelijk hooge cijfer der genomen koopvaardijschepen heen en zagen in hunne verbeelding alweder de havens in een mastbosch herschapen. Toch wisten ze toen nog niet dat er reeds meer dan zestienhonderd koopvaarders door den vijand genomen waren.—

Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de Wielingen te vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu was het nog maar te doen om De With uit Tessel te krijgen.

Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet.

En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht.

De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom zijn smaldeel.

De wind was pal tegen en stond op de kust!

“Dan maar tegen den wind in! Vooruit!”

De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in!

“Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!”

De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel.

“Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen op ons gevestigd!”

Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen! bladzijde 177

“Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer Tromp wacht ons!”

De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen.

“Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen de banken in het Spanjaardsgat afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken worden! Voorwaarts!”

Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de woestijn, maar de zee,—niet het dichte woud,—maar de open Oceaan is.

Langzaam breekt het licht in het oosten door en....

“Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem met de volle laag op de Engelsche Rôorokken!”

’T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot is het, die zich bij hem aansluit.

Den ganschen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet den Admiraal met het losbranden van het geschut!

Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met leedwezen aan.

Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in.

Alleen de wachters waken.

Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den vroegen morgen de kerkklok te Schevelingen al geluid.

De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar bladzijde 178het huis des Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af.

Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel.

Er komt beweging in de kerk! Zou ’t een opkomend onweder zijn?

Het gerommel laat zich weer hooren, maar ’t is kort en afgebroken.

Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol! Ginds liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en zien niet tegen den moeielijken weg op om naar Schevelingen te gaan.

Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand!

Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen!

Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het uit van angst!

Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om hunne vaders!

De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het land wagen!

Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder uit honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond verstommen!—

De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich vragend tusschen de Schevelingers: “Wie is die? Wie is die? Is dat Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?”—

Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het bladzijde 179moest zijn dat er hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: “Wel mensch, en zie je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne de onze! Die groote dat binne de Rôorokken!”

De vloten naderen al meer en meer.

Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht!

Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter bij den strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen gewrongen en dat alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste onweder nog nimmer gehoord werd.

En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin, treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: “Heere, Heere, behoed ons, behoed ons!”—

Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen.

De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!..

Begeven we ons nu naar de vloot.

Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib.

“Wel, Huib, warmpjes vandaag hé!”

Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!” maar onderwijl hij dit doet, loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken.

“Huib, wat scheelt er aan? Wat is ’t Huib?”

“Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!” luidt het antwoord.

Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als bladzijde 180al die Engelsche schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als Engeland ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter zijn dan onze winst.—

Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: “Ik heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!” gaf hij den geest.

Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, “zijn ouwe trouwe speelkameraad Tromp” viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen om zijne laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten.

De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het Ammiraalschip gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan was nu al het lot van den dag beslist.

Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen.

“Mannen,” roept hij, “onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe zijne ziel! De Vereenigde Provinciën verliezen in hem den grootsten man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn vader door de Turksche roovers aangevallen en gedood werd, riep hij: “Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?” en nam den degen van den gevallene in de hand om zich op de Turken te werpen.—Ammiraal Tromp was onze Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: “Mannen, zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?”— bladzijde 181

Dat hielp. Huib sprong op en riep: “Ja, ja, wreken! wreken!”

Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord.

Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen of hij roept uit: “Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!”

Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich, doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood van Tromp verborgen te houden.

Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten.

“De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden en de zee loeide!”

Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag, dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had.

En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich naar Goedereede moeten laten sleepen.

De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: “Is Tromp dood! Dat strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!”

Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op den vijand in.

Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt bladzijde 182ook niet, en toch is van de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den fokkemast over. Hij zelf heeft eene zijner handen verloren en twintig wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld, vierentwintig zijn gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit!

De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: “Het is schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der overwinning!” denken ze!

Maar wie niet wijken, wie zich liever dood vechten of in het gezicht van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan, niet die vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht slaan.

Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle zeilen verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende overwinning had kunnen worden.

De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in Tessel aankomt, maar toch zijn ze er!...

Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen werden in den grond geboord of verbrand. Slechts één schip werd genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten niet minder.

De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar den vrede verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand van het jaar 1654 te Westminster gesloten werd. bladzijde 183

Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte toen de tijding zich verspreidde: “De Luitenant-Ammiraal Marten Harpertsz. Tromp is gesneuveld!”

Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te Delft in de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen werden op onbekrompen wijze door ’s Lands Staten begiftigd en zelfs achtte men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn’ lijfknecht Gerrit Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen, tot Luitenant aanstelde.

Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten hem. Vondel schreef:


“Hij ruste nimmer onbeweent.
Al heeft de doot het lijf verslonden:
De Faem is aen geen graf gebonden.
De deugd verduert het koud gebeent.

en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op onzen held aldus uit:


“Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen,
De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan,
Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren.” bladzijde 184

De tanden zijn overleefd.

De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.

’T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschen oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest, hadden de Vereenigde Provinciën hoofdzakelijk te danken aan Michiel Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield.

Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wèl bij!

Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met ledige manden naar huis keerde. bladzijde 185

En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars nog niet aangebroken.

Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.

Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.

Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet, en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af dat het een aard had.

Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.

Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den ouden uitstekende, roept het: “Grootvader, ook zingen!”

“Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?”

“Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!” zegt de vrouw.

“Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!”

Betje zit op de knieën van den ouden man en deze zegt: “Nou zal ik het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg van Maassluis naar Rotterdam. bladzijde 186We hadden toen een matroosje van onze kennis opgezocht! Niet, Jaantje?”

“Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer wat om me te plagen!” antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met eene sterk bevende stem te zingen:


“Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
Dat in den boomgaert zat?”

en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:


Wy zaeien noch wy maeien nyet
Wy teeren op....

“Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt, kinderen, nou naar huis!”

“Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel komen!” zegt de vrouw.

“Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en....”

“Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je ’t leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader eene hand!”

Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.

Babbelende en snappende, maar heel langzaam, èn om de hitte, èn omdat grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar het dorp.

Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee zijn! Ge begrijpt dat al lang.

“Maar hoe komen ze hier?”

’K zal het u zeggen.

Kort na het sluiten van den vrede te Westminster bladzijde 187nam Huib zijn ontslag uit den dienst, “want,” zeide hij, “nu Tromp dood is, kan ik er geen pleizier meer in vinden!”

Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.

Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch, en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo’n gezellig ouwentje gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.

Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of sjouwde wat aan de haven en ’s avonds vertelde hij historietjes uit zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel, dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.

Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en zeî altijd: “Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen.”

Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept: “Hola!” bladzijde 188

Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: “Jonge Kees, jongen, hoe maak-je ’t? Wel, dat is goed dat je me eens komt opzoeken! Dat is goed!”

De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees, verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg: “Hoe wist je dat ik hier woon?” antwoordde de jonge visscher: “Ik en wist niet, dat je hier woonde!”—

“Zoo, zoo,” zegt Huib, “dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens, Jonge Kees, ben je al getrouwd?”

Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood wordt, antwoordt hij: “Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?”—

“De vrouw Adriana!” zegt Huib vroolijk lachende.

“Neen, De Harten Harpertsz. Tromp!” verbetert Jonge Kees.

De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes in steken en deelen in de winst?”

“Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen komen wonen!”

“O, Wat dat betreft—”

“Mannen, de boontjes worden koud,” zeide vrouw Lanoy. “schikt bij en eet!”

Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder en.... de bladzijde 189mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd, als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.

En ’t gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.

“Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;— voor de braven is er een Vader, die waakt!

Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in

Goede Vaer Tromp.