IX.
De jonge gravin.
De jonge gravin slaapt tot tien uur en wil elken dag versch brood hebben. De jonge gravin borduurt en leest verzen. Van eten koken en weven heeft zij geen verstand. De jonge gravin is verwend.
Maar zij is opgewekt en laat haar vroolijkheid schijnen over alles en iedereen. Men vergeeft haar graag haar lang slapen en het versche brood, want zij overlaadt de armen met weldaden en is vriendelijk voor iedereen.
De vader van de jonge gravin is een Zweedsch edelman, die zijn heele leven in Italië heeft gewoond, omdat in dit prachtige land een van zijn mooie dochters hem vast gehouden heeft. Toen graaf Hendrik Dohna in Italië reisde, werd hij opgenomen in het huis van den edelman, maakte kennis met diens dochters, trouwde met één van hen en voerde haar mee naar Zweden.
Zij, die al vroeg Zweedsch geleerd heeft en alles liefheeft wat Zweedsch is, voelt zich gelukkig in ’t berenland. Vroolijk doet ze mee aan den reidans van genoegens om ’t Löfvenmeer, en men zou denken, dat ze er altijd gewoond had. Maar van ’t gravin zijn heeft ze niet veel verstand. Er is geen spoor van stijfheid, van waardigheid, van „uit de hoogte zijn,” in deze jonge vrouw. Vooral de oude heeren zijn met de jonge gravin ingenomen. ’t Was merkwaardig te zien, hoe hoog zij bij hen aangeschreven stond. Als ze haar op een bal ontmoet hadden, kon men er zeker van zijn, dat ze allemaal, de rechter in Munkerud, de proost in Bro, Melchior Sinclaire, zoo goed als de kapitein van Berga, hun vrouw in diep vertrouwen vertellen, dat—als ze de jonge gravin voor 30 of 40 jaar ontmoet hadden, ja dan zouden ze....
„Ja, toen was ze nog niet geboren,” antwoordden dan de oude dames. En als zij de jonge gravin later ontmoeten, plagen ze er haar mee, dat zij hun de harten der oude heeren ontsteelt.
De oude dames zijn wat bekommerd over haar. Zij weten nog zoo goed hoe ’t met gravin Märta ging. Zij was even vroolijk en goed en bemind, toen zij voor ’t eerst naar Borg kwam, en zij werd een ijdele, genotzieke coquette, die er nu alleen aan denkt hoe zij zich ’t best amuseeren zal. „Had zij maar een man, die haar aan ’t werk kon houden!” zeggen de oude dames. „Kon ze maar een weefsel opzetten.” Want weven troost in alle verdriet en absorbeert alle belangstelling. ’t Weefgetouw heeft menige vrouw gered.
De jonge gravin wil graag een knappe huishoudster worden. Zij kan zich niets heerlijkers voorstellen dan als een gelukkige huisvrouw in een goed onderhouden huis te leven; op groote feesten gaat zij vaak bij de oude dames zitten.
„Hendrik wil zoo graag dat ik een knappe huishoudster worden zal,” zegt zij, „zoo als zijn moeder is. Wilt u mij leeren, hoe ik een weefsel opzetten moet?”
Dan zuchten de oude dames tweemaal. Eerst over graaf Hendrik, die zich verbeeldt, dat zijn moeder een knappe huishoudster is, en dan over de moeielijkheid van een zoo onkundig jong kind zulke ingewikkelde zaken te verklaren. Als men maar begint over „schering” en „inslag,” over „spoel” en „tweedraads” of „vierdraads,” dat loopt het haar al door elkaar. En dan nog „oogjesgoed” en „gerstekorrel”!!
Ieder, die de jonge gravin ziet, is er verbaasd over, hoe zij met den dommen graaf Hendrik heeft kunnen trouwen. Die arme domooren! Zij hebben het kwaad waar ze ook zijn. Maar ’t allerergst hebben zij ’t in Wermeland.
Er liepen al allerlei verhalen over graaf Hendriks domheid, en hij was pas twee- of drie-en-twintig jaar oud. Men vertelt b.v. hoe hij Anna Stjärnhök amuseerde op een sleevaart.
„Je bent mooi, Anna,” zei hij.
„Och kom, Henrik.”
„Je bent de mooiste in heel Wermeland.”
„Neen, dat ben ik volstrekt niet.”
„De mooiste op deze sledevaart ben je toch.”
„Neen, Henrik, dat ben ik ook niet.”
„Nu, maar de mooiste in deze slee ben je toch zeker; dat kun je niet ontkennen.”
Neen, dat kon ze niet. Want graaf Henrik is niet mooi; hij is even leelijk als dom. Men beweert, dat het hoofd, dat op zijn schouders zit, de laatste paar honderd jaar door de heele familie gebruikt is, en dat daarom de hersens van den laatsten erfgenaam zóo versleten zijn. „Zijn hoofd is al door zijn vader en grootvader gebruikt; hoe zou anders zijn haar zoo dun, zijn lippen zoo bloedeloos en zijn kin zoo spits zijn?”
Hij heeft altijd grappenmakers om zich heen, die hem uitlokken om allerlei domheden te zeggen, en deze dan verbreiden in een verbeterde uitgave. ’t Is een geluk voor hem, dat hij ’t niet merkt. Zelf is hij plechtig en waardig in zijn heele optreden; hij kan zich niet voorstellen, dat anderen dat niet zouden zijn. De waardigheid zit hem in zijn heele lichaam; hij beweegt zich afgemeten, loopt stijf en draait zijn hoofd niet om; zonder dat zijn heele lichaam meegaat.
Maar de jonge gravin houdt toch van hem, niettegenstaande zijn oudemannetjeshoofd. Zij wist immers niet, toen zij hem in Rome ontmoette, dat hij in zijn eigen land met den aureool van domheid omgeven was. Daar was iets van den glans der jeugd over hem, en zij waren onder zulke romantische omstandigheden tot elkaar gekomen. Men moest de gravin maar eens hooren vertellen hoe graaf Henrik haar had moeten schaken. De monniken en kardinalen waren woedend geweest, omdat zij den godsdienst van haar moeder, waarin zij was opgevoed, verloochenen wou en Protestant worden. ’t Heele volk was in oproer geweest en had haar vaders paleis belegerd. Henrik werd door bandieten vervolgd; haar moeder en zusters smeekten haar dit huwelijk op te geven. Maar haar vader was razend geworden, omdat dat Italiaansche canaille hem verbieden wou, zijne dochter te geven aan wien hij verkoos. Hij beval graaf Henrik haar te schaken. En toen, omdat het onmogelijk voor hen was thuis te trouwen, slopen zij en Henrik door allerlei achterstraatjes naar het Zweedsche consulaat. En toen zij daar haar Katholiek geloof afgezworen had en Protestant geworden was, werden ze oogenblikkelijk getrouwd en naar ’t noorden gezonden in een gesloten wagen, met een paar vlugge paarden er voor. „Er was geen tijd voor een huwelijks-afkondiging, zie je,” placht de jonge gravin te zeggen. „En ’t was ook akelig op een kantoor te trouwen, in plaats van in een van de mooie kerken; maar anders had Henrik mij ook nooit kunnen krijgen. Zij zijn bij ons allemaal zoo driftig; allemaal! Papa en mama, en de kardinalen en de monniken, allen zijn ze driftig. Daarom moest alles zoo in ’t geheim gaan, want als de menschen ons hadden zien wegsluipen, hadden ze ons zeker allebei doodgeslagen, alleen om mijn ziel te redden. Henrik was toch al verloren.”
Maar de jonge gravin houdt van haar man, ook nadat zij op Borg zijn gekomen en daar een kalmer leven leiden. Zij heeft in hem den glans van zijn ouden naam en van zijn beroemde voorvaderen lief. Zij ziet zoo graag hoe haar tegenwoordigheid zijn stijfheid verzacht; zij hoort zoo graag hoe zijn stem week wordt, als hij met haar spreekt. En dan houdt hij van haar en verwent haar. En dan is ze nu eenmaal met hem getrouwd. De jonge gravin kan zich niet voorstellen, dat een getrouwde vrouw niet van haar man houden zou.
En tot zekere hoogte beantwoordt hij dan ook aan haar ideaal van manlijkheid. Hij is rechtschapen en waarheidlievend. Hij heeft nog nooit zijn woord gebroken. Zij houdt hem voor een echten edelman.
Den achtsten Maart viert de leenman Scharling zijn verjaardag, en dan wemelt het van gasten, die den Brobyheuvel bestijgen. Zij komen van Oost en West, bekenden en onbekenden, en stroomen naar het landgoed van de Scharlings. Allen zijn welkom. Er is spijs en drank genoeg voor allen, en in de danszaal is plaats voor de danslustigen van zeven gemeenten. De jonge gravin komt ook; zij komt overal, waar men dans en vroolijkheid verwachten kan.
Maar zij is niet zoo opgewekt als anders. ’t Is alsof zij er een voorgevoel van heeft, dat ’t nu haar beurt is in de wilde jacht van het avontuur te worden meegesleept.
Onderweg heeft ze naar de ondergaande zon zitten kijken. Die ging niet onder te midden van gouden strepen op lichte wolkjes. Grauwbleek was de schemering, met korte, koude windstooten. De jonge gravin zag hoe dag en nacht met elkaar streden en hoe alles, wat leefde, door angst werd aangegrepen onder dien geweldigen strijd. De paarden stoven voort met hun laatste vracht om onder dak te komen. De houthakkers haastten zich weg uit het bosch, de meisjes naar huis. De wilde dieren huilden in het woud. En de dag, de vriend der menschen, werd overwonnen! De kleuren verdwenen; het licht werd gedoofd; koud en leelijk was alles wat ze zag. Wat zij gehoopt, liefgehad en gedaan had—’t was haar of ook dat alles werd gehuld in ’t grauw van de schemering. ’t Was het uur van vermoeidheid, van nederlaag, van machteloosheid, voor haar, zoowel als voor de heele natuur. Zij denkt er aan, hoe haar eigen hart, dat nu met zijn tintelende vroolijkheid alles in purper en goud hulde—hoe datzelfde hart eens de kracht zal missen om haar wereld te verlichten.
„O, onmacht! de onmacht van mijn eigen hart,” zei ze tot zichzelf, „die verstikkende grauwe schemering! Eens zal die ook mijn ziel beheerschen! Dan zal ik ’t leven leelijk en grauw zien, zooals ’t misschien wel is; dan zal mijn haar grijs worden, mijn rug gekromd, mijn hersens verlamd.”
Op hetzelfde oogenblik draaide de slede het landgoed van den leenman in, en toen de jonge gravin opzag, viel haar oog op een getralied venster in een zijgebouw, en daarachter zag zij een gezicht met een paar booze oogen.
Dat was het gezicht van de Majoorske van Ekeby. En nu voelde de jonge vrouw, dat het met haar genoegen voor dien avond gedaan was. Men kan nog wel blij zijn, als men de smart niet ziet, maar ze alleen hoort bespreken, als iemand, die ver weg is. Maar moeilijker is het de vreugd des harten te bewaren, als men van aangezicht tot aangezicht tegenover het bitter lijden staat.
De jonge gravin weet wel, dat de leenman de Majoorske heeft laten arresteeren en dat zij aangeklaagd zal worden, omdat zij met een paar anderen de kavaliers ’s nachts overvallen en gebonden heeft, en ze weg zou gevoerd hebben, als niet de Majoor met zijn beren gekomen was, om ze te bevrijden. Maar zij heeft er niet aan gedacht, dat ze daar op het landgoed bewaard werd, zoo dicht bij de balzaal, dat men van daar haar venster kan zien en zij de dansmuziek en al het vroolijk gedruisch van ’t bal hooren kan. En de gedachte aan haar rooft haar alle genot.
De gravin danst wel mee. Ze danst de wals en de quadrille, het menuet en de anglaise, maar na elken dans kan zij niet laten naar ’t venster te sluipen en naar ’t zijgebouw te zien. Er is licht in ’t venster van de Majoorske en ze kan haar heen en weer door de kamer zien loopen. ’t Lijkt wel of ze nooit rust, maar aanhoudend heen en weer loopt. En ieder keer als de gravin naar buiten gezien heeft, bewegen haar voeten zich onwilliger in den dans, en ’t lachen stokt haar in de keel.
De vrouw van den leenman merkt, dat zij de beslagen glazen afveegt, om naar buiten te zien, en gaat naar haar toe.
„Och, wat een ellende toch,” fluistert zij de gravin in.
„Ik vind ’t bijna onmogelijk vanavond te dansen,” antwoordt de gravin, ook fluisterend.
„’t Is waarlijk niet voor mijn pleizier, dat we hier bal hebben, terwijl zij daar zit,” antwoordt mevrouw Scharling. „Ze heeft al dien tijd in Karlstad gezeten; maar nu komt de zaak gauw voor, en daarom is ze vandaag hierheen overgebracht. We konden haar niet in ’t ellendige arresthok op ’t raadhuis brengen, en daarom gaven we haar de groote weefkamer daarboven. Als niet juist al die menschen hier vandaag geweest waren, had ik haar mijn kamer afgestaan. Ja, de gravin kent haar nauwelijks; maar zij was ons aller moeder, onze koningin. Wat moet ze wel van ons denken, dat we hier dansen, terwijl zij ’t zoo treurig heeft? ’t Is maar goed, dat de meesten niet weten, dat zij daar zit.”
„Zij had nooit gearresteerd moeten worden,” zegt de jonge gravin, streng.
„Neen, dat is een waar woord; maar het kon niet anders, als we ten minste erger ongelukken wilden voorkomen. Er was niemand, die haar verbieden kon haar eigen stroobossen in brand te steken en de kavaliers weg te jagen; maar de Majoor maakte immers gewoonweg jacht op haar. Niemand weet wat hij gedaan zou hebben, als zij niet in verzekerde bewaring gebracht was. Scharling heeft er veel last van gehad, dat hij haar gevangen nemen liet. Zelfs in Karlstad waren de menschen ontevreden, omdat hij niet alles door de vingers zag; maar hij deed immers wat hij meende dat het best was.”
„Nu zal ze wel veroordeeld worden,” zegt de gravin.
„Och, neen, veroordeeld wordt ze niet. De Majoorske van Ekeby wordt wel vrijgesproken; maar het is toch te veel voor haar, al wat ze deze dagen moet doorleven. Denk eens aan, zoo’n trotsche vrouw, en dan als een misdadiger behandeld te worden. Als zij maar niet krankzinnig wordt. Ik geloof, dat we haar hadden moeten toestaan hierheen te loopen, dan was ze misschien wel weggeloopen.”
„Laat haar vrij!” zegt de gravin.
„Dat kan ieder ander doen, behalve de leenman en zijn vrouw,” fluistert mevrouw Scharling. „Wij moeten immers op haar passen. Vooral vannacht, nu er zooveel van haar hier zijn. Daarom zitten twee knechts op wacht voor haar deur, en die is gegrendeld en gesloten, zoodat niemand bij haar komen kan. Maar als iemand er haar uit wilde helpen, gravin, dan zouden Scharling en ik even blij zijn.”
„Mag ik niet naar haar toe gaan?” vraagt de jonge gravin.
Mevrouw Scharling grijpt snel haar hand en trekt haar meê. In de voorkamer slaan ze elk een shawl om en haasten zich over de plaats.
„’t Kan best zijn, dat zij niet eens met ons spreken wil,” zegt mevrouw Scharling. „Maar ze kan dan ten minste zien, dat we haar niet vergeten.”
Zij gaan door de eerste kamer, waar twee mannen zitten en wacht houden voor de gesloten deur, en ze komen ongehinderd bij de Majoorske. Zij was opgesloten in een groote kamer, vol weefgetouwen en toebehooren. ’t Vertrek werd gebruikt als weefkamer; maar er waren ijzeren stangen voor de ramen en zware sloten op de deur, om ’t in tijd van nood als gevangenis te gebruiken.
De Majoorske blijft heen en weer loopen zonder op hen te letten. Zij moet een lange reis maken in die dagen. Zij kan aan niets anders denken, dan dat zij dertig mijl loopen moet, naar haar moeder, die daar, in de Elvedalsbosschen, op haar zit te wachten. Zij heeft geen tijd om te rusten; zij moet gaan. Zij is rusteloos en heeft het gevoel van voort te moeten. Haar moeder is al in de negentig. Zij kan niet lang meer leven.
Zij heeft de lengte van den vloer in ellen uitgemeten, en nu telt zij, en legt de ellen aan elkaar tot vamen, de vamen tot mijlen.
Moeilijk en lang schijnt de weg haar toe, en toch durft zij niet te rusten. Zij waadt door hooge sneeuwhoopen. Zij hoort de eeuwige bosschen ruischen, waar zij ook gaat. Zij rust in de rookkamers van de Finnen en in de hutten der houthakkers, van takken gebouwd.
Soms als er geen menschen te zien zijn, vele mijlen ver, moet ze een bed van takken maken en onder de wortels van een omgewaaiden den slapen.
En eindelijk heeft zij het doel bereikt: de dertig mijl zijn afgelegd; ze komt uit het bosch en ziet roode huizen op een plaats, met sneeuw bedekt. De beek bruist schuimend voort in een rij kleine watervallen, en aan het welbekende bruisen hoort zij, dat ze thuis is.
En haar moeder, die haar ziet aankomen, bedelende zooals ze gewild heeft, gaat haar te gemoet en....
Als de Majoorske zoo ver gekomen is, heft zij het hoofd, ziet om zich heen, krijgt de afgesloten deur in het oog, en dan weet ze waar ze is.
Ze vraagt zich af of ze op weg is gek te worden en gaat zitten om te rusten en na te denken. Maar een oogenblik later is ze weer op weg, telt de ellen en de vamen, tot ze mijlen heeft, rust in de hutten, en slaapt dag noch nacht, eer ze de dertig mijl heeft afgelegd. In al den tijd, dat zij gearresteerd zit, heeft zij bijna nooit geslapen.
En de twee vrouwen die haar zijn komen bezoeken, zien haar met angst aan. De jonge gravin heeft nooit kunnen vergeten hoe ze daar heen en weer liep.
Ze ziet haar dikwijls in haar droomen, en wordt dan wakker, met de oogen vol tranen en een klacht op de lippen.
De oude vrouw is vreeselijk vervallen. Heur haar is zoo dun geworden, en losse vlokken steken uit de kleine vlecht. Het gezicht is scherp en ingevallen; de kleeren zijn onordelijk en verscheurd. Maar trots dat alles heeft zij nog zóoveel voornaams over zich, iets zóo gebiedends, dat zij niet alleen medelijden, maar ook eerbied inboezemt.
Maar wat de gravin allerminst vergeten kon, waren de oogen, ingezonken, als naar binnen ziende, met nog een greintje verstandelijken gloed, maar bijna gedoofd, en met een vonk van wildheid in de diepte. Onwillekeurig werdt ge bang, dat de oude u aan zou vallen, met de tanden bijten en met de nagels krabben. Ze hebben daar lang gestaan, toen de Majoorske plotseling stilstaat voor de jonge vrouw en haar streng aanziet. De gravin wijkt een stap terug en grijpt mevrouw Scharling bij den arm. Opeens komt er leven en uitdrukking in de trekken van de Majoorske. Hare oogen zien weer de wereld in met helder bewustzijn.
„Ach neen, ach neen,” zegt ze glimlachend, „zoo erg is het nog niet, mijn lieve, jonge dame.”
Zij verzoekt hen plaats te nemen en gaat zelf zitten. Zij krijgt weer een waas van de oude waardigheid, zoo welbekend door de groote feesten op Ekeby en de bals in ’t paleis van den gouverneur te Karlstad. Zij vergeten de lompen en de gevangenis, en zien alleen de trotsche, de rijkste vrouw van Wermeland.
„Lieve gravin,” zegt zij, „wat brengt u er toe het bal te verlaten, om een eenzame, oude vrouw als ik ben op te zoeken? U is al te goed.”
Gravin Elisabeth kan niet antwoorden; haar stem wordt verstikt door ontroering. Mevrouw Scharling antwoordt voor haar, dat zij niet kon dansen, omdat ze aan de Majoorske dacht.
„Lieve mevrouw Scharling,” antwoordt de Majoorske; „is het nu zóo ver met mij gekomen, dat ik de jongelieden in hun vreugde stoor? Schrei niet om mij, mijn lieve, jonge gravin,” ging ze voort. „Ik ben een oude, slechte vrouw, die haar verdiende loon krijgt. U vindt het immers niet goed, als iemand zijn moeder slaat?”
„Neen, maar....”
De Majoorske valt haar in de rede en strijkt haar het lichte, krullende haar van het voorhoofd. „Kind, kind,” zegt zij, „hoe kon je er toch toe komen dien dommen Henrik Dohna te nemen!”
„Maar ik houd van hem.”
„Ja, ik begrijp het wel, ik begrijp het wel,” zegt de Majoorske. „Een goed kind en niet meer; schreit met de bedroefden en lacht met de blijden. En is gedwongen: „Ja” te zeggen tegen den eerste, die zegt: „Ik heb je lief.” Ach, ja. Ga nu naar binnen en dans, mijn lieve, jonge gravin. Dans en wees blij; in u is geen kwaad.”
„Maar ik zou zoo graag iets voor de Majoorske doen.”
„Kind,” zei de Majoorske, plechtig: „eens woonde er een oude vrouw op Ekeby, die de winden des hemels bedwong. Nu is ze zelf gevangen en de winden zijn vrij. Is het dan wonder, dat er een storm over ’t land gaat? Ik die oud ben, heb dat meer gezien, gravin. Ik ken dat. Ik weet, dat Gods geweldige storm over ons komt. Nu vaart hij over de groote rijken, dan over de kleine, vergeten landen. Gods storm komt overal! Over de grooten en over de kleinen. Het is grootsch Gods storm te zien komen.
„Gods storm! Adem Gods, kom en blaas over de aarde! Stemmen uit water en lucht, klinkt tot onze ontzetting. Laat de stormvlagen suizen over het land, aanbonzen tegen de wankelende muren, de verroeste sloten breken en de hellende huizen omwerpen.
„Angst zal komen over het land. De kleine vogelnesten worden uit de takken geschud. Het nest van den gier-sperwer zal uit den spar met geraas ter aarde vallen, en tot in ’t uilennest in de bergkloof zal de wind met zijn drakentong reiken.
„Wij meenden, dat alles hier zoo goed was, maar dat was zoo niet. Wij hadden behoefte aan den storm, die van God komt. Ik begrijp dat en klaag niet. Ik verlang alleen naar huis—naar mijn moeder te komen.”
Plotseling zonk zij ineen.
„Ga nu, jonge vrouw,” zegt zij. „Ik heb geen tijd meer. Ik moet op weg. Ga nu; maar hoed u voor hem, die op de wieken van den storm komt.”
En zij begint weer haar rusteloos heen en weer loopen. Haar trekken worden slapper; de oogen krijgen weer die zonderlinge uitdrukking, alsof ze naar binnen zien. De gravin en mevrouw Scharling kunnen niets anders doen dan heengaan.
Zoodra zij bij de dansenden terugkomen, gaat de jonge gravin regelrecht naar Gösta Berling toe.
„Ik moet u de groete van de Majoorske doen, Mijnheer Berling,” zegt zij. „Zij verwacht, dat u haar uit de gevangenis helpen zult.”
„Dan zal zij lang moeten wachten, mevrouw de gravin.”
„Och, help haar toch, mijnheer Berling.”
Gösta ziet somber voor zich. „Neen,” zegt hij; „waarom zou ik haar helpen? Waarvoor ben ik haar dank schuldig? Alles, wat ze gedaan heeft, diende tot mijn ongeluk!”
„Maar, mijnheer Berling!....”
„Als zij er niet geweest was,” antwoordde hij heftig, „dan sliep ik nu daarginds in de eeuwige bosschen. Ben ik verplicht mijn leven voor haar te wagen, omdat ze mij tot kavalier op Ekeby gemaakt heeft? Meent mevrouw de gravin soms, dat het een bijzonder eervolle betrekking is?”
De jonge gravin wendt zich af, zonder te antwoorden. Ze is boos.
Zij gaat naar haar plaats terug, met bitterheid vervuld over de kavaliers. Hier zijn ze gekomen met waldhoorn en viool en willen den strijkstok over de snaren laten gaan, tot de haren versleten zijn, zonder er aan te denken, dat de vroolijke tonen tot in de armoedige kamer van de gevangenis klinken. Hier zijn ze gekomen om zich de schoenzolen stuk te dansen, en denken er niet aan, dat hun oude weldoenster hun schaduwen voorbij de beslagen vensters kan zien glijden. Ach, hoe grauw en leelijk wordt de wereld! Ach, wat donkere schaduwen werpen nood en hardheid over de ziel van de jonge gravin! Kort daarna komt Gösta Berling haar ten dans noodigen.
Zij weigert ronduit.
„Wil de gravin niet met mij dansen?” vraagt hij, terwijl het bloed hem naar de wangen stijgt.
„Met u evenmin als met een van de andere kavaliers,” antwoordt zij.
„Zijn wij zulk een eer niet waard?”
„Dat is geen eer, mijnheer Berling. Maar ik heb er geen pleizier in met menschen te dansen, die den plicht der dankbaarheid vergeten.”
Gösta heeft zich al op zijn hiel omgedraaid.
Dit tooneel is door velen gehoord en gezien. Allen geven de gravin gelijk. De ondankbaarheid en harteloosheid van de kavaliers tegenover de Majoorske heeft de algemeene verontwaardiging gewekt.
Maar Gösta Berling is in die dagen gevaarlijker dan een wild dier in het bosch.
Sinds hij van de jacht is thuis gekomen en Marianne niet meer op Ekeby vond, is zijn hart één open wonde.
Hij is in een stemming om iemand een bloedig onrecht aan te doen en smart en pijn om zich heen te verspreiden.
Zij zal haar verdiende loon hebben, zegt hij in zichzelf. Zij zal er niet gemakkelijk afkomen. De gravin houdt er immers van geschaakt te worden. Zij zal haar zin hebben. Hij heeft niets tegen een avontuur.
Acht dagen lang heeft hij geleden ter wille van een vrouw. Dat is nu lang genoeg.
Hij roept Beerencreutz, den overste, Kristiaan Bergh, den sterken kapitein, en den tragen neef Kristofer, die zich nooit bedenken, als er sprake van een dollen streek is, en beraadslaagt met hen, hoe zij de gekrenkte eer van de kavaliers wreken zullen.
Het eind van het feest is gekomen. Een lange rij sleden rijdt de plaats op. De heeren trekken hun pelzen aan. De dames zoeken naar hun goed, dat in een wanhopige wanorde in de kleedkamer ligt.
De jonge gravin heeft zich gehaast om van dit afschuwelijke bal weg te komen. Zij is het eerst klaar van alle dames. Zij staat glimlachend midden in de kamer en ziet de verwarring aan, toen de deur opengerukt wordt en Gösta Berling zich op den drempel vertoont. Geen man heeft het recht in deze kamer binnen te dringen. Oude dames staan daar met hun dun haar. Zij hebben de fijne mutsjes afgezet. En de jongere hebben hun kleedjes onder de pelzen opgenomen, om de garneering niet te kreukelen onder het rijden.
Maar zonder zich te storen aan het waarschuwend roepen van alle kanten, springt Gösta Berling op de gravin af en grijpt haar aan. Hij neemt haar op in zijn armen en vliegt de kamer uit, de voorkamer in en van daar de stoep af.
Het geschreeuw der verschrikte vrouwen houdt hem niet terug. Als zij hem nasnellen zien zij alleen, dat hij in een slee springt met de gravin in de armen. Zij hooren den koetsier met de zweep klappen en de paarden voortstuiven. Zij kennen den koetsier: dat is Beerencreutz; zij kennen het paard: dat is Don Juan. En diep bekommerd over het lot der gravin roepen zij de mannen.
En deze verliezen geen tijd met veel vragen! Met den graaf aan ’t hoofd zetten zij den vrouwenroover na.
Maar hij ligt in de sleê en houdt de jonge gravin vast. Alle smart is vergeten, en onder de blijde bekoring van het avontuur, zingt hij uit volle borst een lied van liefde en rozen. Hij houdt haar vast tegen zich aan gedrukt; maar zij doet geen poging om te ontvluchten. Haar gezichtje rust wit, als versteend, aan zijn borst.
Och, wat zal een man doen, als hij een bleek, hulpeloos gezichtje zóo dicht bij zich ziet, als hij de blonde haren, die anders het glanzende, witte voorhoofd bedekken, ter zijde ziet geschoven, als de oogleden zich zwaar over de schelmsche, schitterende grijze oogen gesloten hebben.
Kussen natuurlijk, de bleeke lippen, de gesloten oogen, het blanke voorhoofd kussen.
Maar daar komt de jonge vrouw tot zich zelf. Zij gooit zich achterover. Als een stalen veer is zij. En hij moet met haar worstelen om te voorkomen, dat zij uit de slee springt, tot hij haar bevend en overwonnen in een hoek gedrongen heeft.
„Zie eens,” zegt Gösta dan heel rustig tot Beerencreutz. „De gravin is de derde, die Don Juan en ik dezen winter wegvoeren. De anderen hingen om mijn hals en kusten mij; maar zij wil niet door me gekust worden en ook niet met me dansen. Kun jij uit die vrouwen wijs worden, Beerencreutz?”
Maar toen Gösta de plaats afreed, toen de vrouwen gilden en de mannen vloekten, toen de sleebellen klonken en de zweepen klapten en alles rumoer en verwarring was, werden de mannen, die de Majoorske bewaakten, wonderlijk te moede.
„Wat is er te doen?” dachten ze; „waarom schreeuwen ze zoo?”
Op eens wordt de deur opengetrokken, en een stem roept: „Zij is weg! Nu rijdt hij met haar weg!”
En zij springen op en vliegen als dwazen voort zonder te zien of het de Majoorske of iemand anders is, die weg is. En ze treffen ’t goed, want ze krijgen een slee, en zij rijden ver weg en lang, eer ze te weten komen wie ze eigenlijk vervolgen.
En kapitein Bergh en Kristofer gaan op hun gemak naar de deur, steken kalm het slot open en doen de deur open.
„De Majoorske is vrij,” zeggen zij.
Zij komt naar buiten. Zij staan stokstijf elk aan een kant van de deur en zien haar niet aan.
Buiten wacht slede en paard.
Zij gaat naar buiten, zet zich in de slee en rijdt weg. Háár vervolgde niemand, en niemand weet ook waar zij heen rijdt.
Don Juan draaft den Brobyheuvel af, naar het toegevroren meer. Het fiere dier vliegt over den weg. Versterkend giert de ijskoude wind om de wangen van den rijdenden. De bellen klinken. Maan en sterren schijnen blauwachtig, wit ligt de sneeuw in ’t rond en glanst en schittert.
Gösta voelt poëtische gedachten in zich ontwaken. „Beerencreutz,” zegt hij, „dit is leven! Zooals Don Juan met die jonge vrouw voortrent, zoo sleept de tijd de menschen meê. Jij bent de noodzakelijkheid, die den rit bestuurt. Ik ben de begeerte, die den wil gevangen houdt. En zoo wordt de machtelooze dieper en dieper omlaag getrokken.”
„Houd je mond toch!” schreeuwt Beerencreutz; „nu halen ze ons haast in.” En met zwiepende zweepslagen hitst hij Don Juan aan tot aanhoudend sneller vaart.
„Zij zijn de wolven, wij zijn de buit!” roept Gösta. „Don Juan, mijn jongen, verbeeld je, dat je een jonge eland bent. Stuif door ’t kreupelhout, waad door het moeras, spring van de rotsen in het heldere meer, zwem er over, den kop fier omhoog, en verdwijn in de reddende duisternis van het dennenwoud. Draaf, Don Juan, oude vrouwenroover, draaf als een jonge eland!”
Zijn woest hart zwelt van blijdschap onder dien dollen rit. De kreten der vervolgers zijn als een juichlied voor hem. Zijn woest hart zwelt van blijdschap, als hij merkt, dat de gravin beeft van schrik, zoodat haar tanden klapperen.
Plotseling laat zijn ijzeren vuist haar los, hij staat op in de slee en zwaait met zijn muts.
„Ik ben Gösta Berling!” roept hij. „Heer van tienduizend kussen en dertienduizend liefdesbrieven. Hoera voor Gösta Berling! Pak hem als je kunt!”
’t Volgend oogenblik fluistert hij de gravin in: „Is dit niet een heerlijke rit? Achter ’t meer Löfven ligt ’t Weenermeer. Daarachter de zee! Overal oneindige, heldere, blauwgrijze ijsvlakten! Rollende donder, krakend ijs, geroep en geschreeuw achter ons, vallende sterren in de lucht, klinkende bellen vóór ons! Altijd voort! Hebt u lust de reis te wagen, lieve, jonge mevrouw?”
Hij laat haar los. Zij stoot hem heftig terug.
Een oogenblik later ligt hij op de knieën aan haar voeten.
„Ik ben een ellendeling, een ellendeling. U hadt mij niet moeten tergen. U stond daar zoo fier en hoog, en meende, dat een kavaliersvuist u nooit bereiken kon. U heeft aarde en hemel lief. U hadt geen steenen moeten toevoegen aan den last, dien hij, die door aarde en hemel veracht wordt, dragen moet!”
Hij grijpt haar handen en brengt ze aan zijn gezicht.
„Als u wist wat het is, te weten dat men een uitvaagsel is!” zegt hij. „Dan geef je er niet meer om, wat je doet,—’t kan je niet meer schelen.”
Daar voelt hij, dat ze geen handschoenen aan heeft. Hij trekt een paar groote ruige wanten uit den zak en doet ze haar aan. En nu is hij opeens heelemaal kalm en zet zich in de slee neer, zoo ver mogelijk van de jonge gravin.
„U hoeft niet bang te zijn,” zegt hij. „Ziet u niet waar we heenrijden? U kunt toch wel begrijpen, dat wij u geen kwaad durven doen.”
Zij is bijna bewusteloos geweest van schrik; maar nu ziet zij, dat zij ’t meer al over zijn gereden en dat Don Juan nu den steilen heuvel opklautert naar Borg. Zij laten het paard stilhouden bij de stoep van ’t hoofdgebouw en laten de jonge gravin uitstappen voor haar eigen huis.
En toen zij zich door haar dienstboden omringd ziet, die naar buiten komen loopen, krijgt zij haar moed en tegenwoordigheid van geest terug.
„Wil je voor het paard zorgen, Anderson,” zegt zij tegen den koetsier. „Deze heeren, die mij naar huis gereden hebben, zijn zeker wel zoo vriendelijk even mee naar binnen te gaan. De graaf komt dadelijk.”
„Zooals u wenscht,” antwoordt Gösta en stapt dadelijk uit de slee. Beerencreutz werpt de leidsels weg, zonder zich een oogenblik te bedenken. Maar de jonge gravin gaat vooruit en leidt hen met slecht verborgen leedvermaak in de groote zaal.
Zij had stellig gedacht, dat de kavaliers zich tweemaal zouden bedenken, eer zij haar voorstel, om haar man af te wachten, aannamen. Zij wisten dus niet welk een streng en rechtvaardig man hij was. Zij vreesden niet voor de straf, die hij hun zou opleggen, omdat zij haar met geweld aangegrepen hadden en haar gedwongen met hen te rijden.
Zij wilde hem hun hooren verbieden ooit weer hun voeten in haar huis te zetten. Zij wilde hem de bedienden zien roepen en de kavaliers aanwijzen als mannen, die zij nooit meer binnen de poorten van Borg mochten laten komen. Zij wilde hem zijn verachting hooren uitspreken, niet alleen voor wat zij haar gedaan hadden, maar ook voor hun gedrag tegenover de Majoorske, hun weldoenster.
Ja, hij, die voor haar louter teerheid en oplettendheid was, hij zou in regelmatige toorn opstaan tegen haar vervolgers. De liefde zou zijn woorden gloed geven. Hij, die haar beschutte en omringde als een wezen van hooger orde, hij zou niet verdragen, dat ruwe mannen op haar aanvielen en haar aangrepen als een roofvogel een muschje. Heel die kleine vrouw gloeide van wraakzucht, van ’t hoofd tot de voeten. Haar man zou haar helpen en de donkere schaduwen verdrijven.
De overste Beerencreutz, met den dikken witten snor ging toch onvervaard de eetzaal binnen en stapte naar den haard, waar altijd vuur moest branden, als de gravin van een bal naar huis kwam.
Gösta bleef in het donker bij de deur en zag zwijgend naar de gravin, terwijl een bediende haar goed afdeed. En terwijl hij daar zat en die jonge vrouw aanzag, werd hij zóó tevreden, als hij in vele jaren niet geweest was. Het werd hem helder; het was hem als een openbaring, dat in haar binnenste een leliereine ziel woonde.
Lang had die gebonden en sluimerend gelegen, maar nu zou die wel voor den dag komen. Hij was zoo gelukkig, doordat hij alle reinheid en vroomheid en onschuld ontdekt had, die in haar hart woonden. Hij moest bijna om haar lachen, omdat ze zoo boos keek en daar stond met gloeiende wangen en gefronste wenkbrauwen.
„Ze weet het zelf niet, hoe zacht en goed ze is,” dacht hij.
De zijde van haar natuur, die naar buiten gekeerd was, zou nooit haar inwendig ik geheel tot zijn recht laten komen, dacht hij. Maar Gösta Berling moest haar van dat oogenblik dienen, zooals men al wat schoon en verheven is dienen moet. Ja, het was hem onmogelijk er berouw over te hebben, dat hij zoo pas nog zoo ruw tegen haar gedaan had. Als zij niet zoo bang geweest was, als zij hem niet zoo heftig van zich gestooten had, als hij niet gevoeld had hoe heel haar ziel in opstand gekomen was tegen zijn ruwheid, dan was hij nooit te weten gekomen welk een fijne, edele ziel er in haar woonde.
Hij had geen reden gehad dat vroeger te gelooven.
Zij was immers louter danslust en vroolijkheid geweest. En dan had zij immers dien dommen graaf Henrik kunnen trouwen!
Maar nu zou hij haar slaaf zijn tot zijn dood. Haar hond en haar slaaf,—zooals Kaptein Kristiaan zei,—en anders niet.
Hij zat daar bij de deur, Gösta Berling, met gevouwen handen, en hield een soort van eeredienst. Sedert dien dag, dat hij de vlammen der inspiratie over zich had voelen komen, had hij niet zulk een hoogtij in zijn ziel gevoeld. Hij liet zich niet storen, hoewel graaf Dohna met een massa menschen binnen kwam, die vloekten en raasden over de duizend dolle streken van de kavaliers.
Hij liet Beerencreutz den storm afwachten. Hij had wel wat anders om over na te denken.
De overste stond kalm aan den haard, met den voet op het hekje er voor, den elleboog op de knie gesteund en de kin op de hand, en zag de binnenstormenden aan.
„Wat moet dat beteekenen?” schreeuwde de kleine graaf hem toe.
„Dat beteekent,” antwoordde hij, „dat, zoo lang er vrouwen zijn, men ook dwazen vindt, die naar hun pijpen dansen.”
De jonge graaf werd vuurrood. „Ik vraag wat dat beduidt?” herhaalde hij.
„Ja, dat zou ik ook wel willen weten,” spotte Beerencreutz. „Mag ik weten wat het beteekent, dat de vrouw van Henrik Dohna niet met Gösta Berling dansen wil?”
De graaf zag zijn echtgenoote vragend aan.
„Ik kon niet, Henrik,” barstte zij uit. „Ik kon niet met hem dansen, noch met een van de anderen. Ik dacht aan de Majoorske, die zij in de gevangenis lieten versmachten.”
De kleine graaf richtte fier zijn stijf lijfje op en hief zijn oudemannetjeshoofd zoo hoog mogelijk.
„Wij, kavaliers,” ging Beerencreutz voort, „staan niemand toe ons te hoonen. Wie niet met ons dansen wil, moet met ons rijden. Er is de jonge gravin niets kwaads gebeurd, en daarmee is ’t uit.”
„Neen,” zei de graaf, „daarmee is ’t niet uit. Ik ben aansprakelijk voor de handelingen van mijn vrouw. Nu vraag ik waarom Gösta Berling zich niet tot mij wendde om voldoening, toen mijn vrouw hem beleedigd had.”
Beerencreutz glimlachte. „Ik vraag,” herhaalde de graaf.
„Men vraagt den vos geen permissie om hem te villen,” antwoordde de overste.
De graaf legde de hand op de smalle borst.
„Ik heb den naam, dat ik een rechtvaardig man ben,” zei hij. „Ik kan mijn dienstboden richten. Waarom zou ik geen gericht over mijn vrouw kunnen houden? De kavaliers hebben daar geen recht toe. De straf, die zij haar gegeven hebben, hef ik op. Die heeft niet plaats gehad. Begrijpt gij, heeren? Die heeft nooit plaats gehad.”
De graaf kraaide die woorden uit in zijn hoogste falset.
Beerencreutz wierp een snellen blik om zich heen. Er was niet éen der aanwezigen: Sintram en Daniël Bender en Dahlberg of wie dan ook, die niet inwendig lachte, omdat hij zoo den gek stak met den dommen Henrik Dohna.
De jonge gravin begreep het niet direct. Wat zou voor niets gerekend worden? Haar angst, de kavaliers, die ruw haar fijn lichaam aangegrepen hadden, dat woeste zingen, de ruwe woorden, de wilde kussen—moest dat alles niets? Was er van dezen avond niets, waar de grauwe godin van de schemering geen macht over had?
„Maar, Henrik....”
„Zwijg,” antwoordde hij. En hij zette zich in postuur om een straf-predikatie tegen haar te houden. „Wee u, dat gij, een vrouw, u tot rechter wildet verheffen over mannen. Wee u, dat gij, die mijn echtgenoote zijt, het waagt iemand te beleedigen, wiens hand ik druk. Wat gaat het u aan, dat de kavaliers de Majoorske in de gevangenis hebben gezet? Hadden zij geen gelijk? Gij zult nooit begrijpen hoe het een man in de ziel grijpt te hooren spreken over ontrouw van vrouwen. Wilt ge soms zelf den boozen weg opgaan dat ge zulk een vrouw verdedigt?”
„Maar Henrik!”....
Zij klaagde als een kind, en strekte de armen uit, als om de harde woorden af te weren. Zóo was zij misschien nooit te voren toegesproken.
Zij was zoo hulpeloos onder die harde mannen, en nu keerde zich haar eenige verdediger tegen haar. Nooit meer zou haar hart de kracht hebben de wereld licht te maken.
„Maar Henrik! jij moest mij toch beschermen!”
Gösta Berling werd nu uit zijn overpeinzingen wakker, nu het te laat was. Hij wist niet wat hij doen moest. Hij meende het zoo goed met haar. Maar hij durfde geen partij te kiezen tusschen man en vrouw.
„Waar is Gösta Berling?” vroeg de graaf.
„Hier,” antwoordde Gösta. En hij deed een erbarmelijke poging over alles heen te schertsen. „De graaf hield zeker een toespraak, en ik ben in slaap gevallen. Wat zou de graaf er van zeggen, als wij nu naar huis gingen, zoodat u naar bed kon gaan?”
„Gösta Berling, daar mijn echtgenoote geweigerd heeft met u te dansen, beveel ik, dat zij uwe hand zal kussen en u om vergeving vragen.”
„Mijn waarde graaf Henrik,” zei Gösta, glimlachend, „dit is geen hand, die ’t een jonge vrouw past te kussen. Gisteren was ze rood van ’t bloed van een geschoten eland, morgen zal ze zwart van roet zijn na een gevecht met een kolenbrander. De graaf heeft een edel en verheven vonnis geveld. Dat is mij voldoening genoeg. Kom, Beerencreutz!”
Maar de graaf versperde hem den weg.
„Ga niet heen,” zei hij. „Mijn vrouw moet mij gehoorzamen. Ik wil, dat mijn echtgenoote zal weten wat er van komt, als zij eigenmachtig handelt.”
Gösta bleef staan, niet wetend wat te doen. De gravin stond bleek en onbeweegelijk.
„Ga nu,” zeide de graaf.
„Ik kan niet, Henrik.”
„Je kunt wèl,” antwoordde hij hard. „Je kunt. Maar ik weet wel wat je wilt. Je wilt mij tot een tweegevecht met dien man dwingen, omdat je in je grilligheid niet met hem op hebt. Goed, als jij hem geen voldoening wilt geven, dan zal ik het doen. Vrouwen zien altijd graag, dat mannen om hunnentwil gedood worden. Ik zal duelleeren, mijn echtgenoote! Over eenige uren zal ik een bloedig lijk zijn.”
Zij zag hem lang aan. En zij zag hem toen zooals hij was: dom, laf, opgeblazen van hoogmoed en ijdelheid—het erbarmelijkste mensch, dat men zien kon.
„Wees gerust,” zei ze. En ze was ijskoud geworden. „Ik zal het doen.”
Maar nu werd Gösta Berling heftig bewogen. „Mevrouw de gravin mag het niet doen! Neen, u mag niet! U is immers een kind, een zwak, onschuldig kind, en u zoudt mijn hand kussen! U, die zoo’n mooie, reine ziel hebt. Ik zal u nooit meer aanraken, o, nooit meer. Ik breng dood en verderf over alles, wat goed en onschuldig is. U moogt me niet aanraken. Ik ben bang voor u als ’t vuur voor ’t water; u mag niet!”
En hij hield de handen op den rug.
„’t Kan mij niet schelen,” antwoordde zij. „Nu kan ’t mij niet meer schelen. Ik vraag u om vergeving. Ik verzoek u mij uw hand te laten kussen.”
Maar Gösta hield steeds de handen op den rug. Hij liet zijn oogen door de zaal gaan en ging naar de deur.
„Als ge de voldoening niet aanneemt, die mijn vrouw u aanbiedt, Gösta Berling, moet ik met u vechten en behalve dat haar een andere, hardere straf opleggen.”
De gravin haalde de schouders op. „Hij weet immers geen raad van angst,” fluisterde zij. „Laat ik het nu doen. ’t Doet er niet toe, of ik vernederd word. U hebt dat immers zoo gewild.”
„Heb ik dat gewild? Gelooft u, dat ik dat gewild heb? Nu, als ik geen handen meer heb, die u kussen kunt, zult u wel begrijpen dat ik dàt niet gewild heb.”
Hij liep naar den haard en stak er beide handen in. De vlam sloeg er om heen, de huid schrompelde, de nagels knetterden. Maar op ’t zelfde oogenblik greep Beerencreutz hem in den nek en slingerde hem met kracht over den vloer.
Hij tuimelde op een stoel en bleef daar zitten. En hij schaamde zich bijna over zijn gedrag. Zou zij denken, dat het vertooning was? Zich zoo aan te stellen in een kamer vol menschen moest wel een dwaze vertooning lijken. Er was immers volstrekt geen gevaar bij.
Maar eer hij van de stoel was opgestaan, lag de gravin naast hem op de knieën. Zij greep de roode, met roet bezoedelde handen en bekeek ze.
„Ik zal ze kussen,” barstte zij uit, „ze kussen, zoodra ze niet meer te ziek en pijnlijk zijn.” En groote tranen rolden haar over de wangen, toen zij de blaren onder de geblakerde huid zag opkomen.
Zoo werd hij voor haar als een openbaring van een ongekende heerlijkheid. O, dat zóó iets nog op de wereld gebeuren kon, dat men zóó iets om harentwille kon doen! Wat was hij toch voor een man! Tot alles in staat, geweldig in goed en kwaad, de man van groote daden, van sterke woorden, van schitterende dingen. Een held, een held! Van andere stof gemaakt dan de anderen. De slaaf van een luim, van den lust van het oogenblik, woest en verschrikkelijk, maar met een ontembare kracht, voor niets ter wereld vervaard.
Zij had zich den heelen avond gedrukt gevoeld en niets anders dan smart, wreedheid en lafheid gezien. Nu was dat alles vergeten. De jonge gravin was weer blij, dat zij een mensch was. De godin van de schemering was overwonnen. De jonge gravin zag weer licht en kleuren in de wereld.
Toen de gravin kort daarna hoorde, dat de Majoorske bevrijd was, gaf zij een groot feest voor de kavaliers. Van dien tijd af begon de lange vriendschap tusschen haar en Gösta Berling.
X.
Spookhistories.
O gij kinderen van dezen tijd. Ik heb u niets nieuws te vertellen, alleen oude, half vergeten verhalen. Sprookjes uit de kinderkamer, waar de kleintjes op lage bankjes zaten om de grijze sprookjesvertelster, of van ’t vuur in de hut, waar de knechts en de daglooners zaten te praten, terwijl de damp uit hun natte kleeren sloeg en ze ’t mes uit de lederen schede trokken om de boter op hun dikke, zachte sneê brood te smeren; of uit de zalen waar de oude heeren in schommelstoelen zaten en over den ouden tijd spraken bij hun dampende toddy.
Stond dan een kind, dat naar de sprookjesvertelster geluisterd had, of naar de daglooners, of naar de oude heeren ’s wintersavonds voor ’t venster, dan waren ’t geen wolken, die het aan den horizont zag, maar de kavaliers, die daar voort joegen in hun oude kariolen; de sterren waren kaarsen, die in de oude gravenburcht op Borg brandden en bij ’t spinnewiel, dat in de kamer naast hem snorde, zat de oude Ulrika Dillner. Want ’t hoofd van zoo’n kind zat vol menschen uit den ouden tijd en het dweepte met hen en was met hen vervuld.
Maar werd zulk een kind, waarvan de ziel met sprookjes verzadigd was, over den donkren zolder naar ’t provisiekamertje gestuurd om linnen of beschuiten te halen, dan vlogen zijn voetjes voort, dan ging ’t in vliegende vaart de trappen af, de vestibule door naar de keuken. Want boven in ’t donker had ’t kind aan alle oude verhalen gedacht, die het gehoord had van den boozen grondeigenaar op Fors, van hem, die zijn ziel aan den duivel verkocht had.
Het stof van den boozen Sintram rust al sinds lang op het kerkhof te Svartsjö, maar niemand moet gelooven, dat zijn ziel rust vond in God, zooals op den grafsteen staat.
Terwijl hij leefde, hoorde hij tot de menschen, voor wier huis op lange regenachtige Zondagmiddagen gewoonlijk een zware koets stilhield, met zwarte paarden bespannen. Een elegant, in ’t zwart gekleed heer stapt uit den wagen en helpt den heer des huizes met kaart en dobbelspel de langzaam voortkruipende uren verdrijven, die hem door hun eentonigheid wanhopend maakten, ’t Spel duurt tot na middernacht en als de vreemde tegen de morgenschemering vertrekt, laat hij gewoonlijk een of ander onheilspellend afscheidscadeau achter.
Ja, zoolang Sintram leefde, werd zijn komst door geesten aangekondigd. Voor hem uit gaan ze, hun wagen rolt de plaats op, hun zweep knalt, hun stem hoort men op de stoep, de huisdeur gaat open en dicht. De honden en menschen worden door ’t gedruisch gewekt; maar er komt niemand. ’t Zijn de geesten, die Sintrams komst aankondigen.
Brr! die vreeselijke menschen, die door booze geesten bezocht worden. Wat zou dat toch wel voor een groote hond geweest zijn, die zich in Sintrams tijd op Fors vertoonde. Hij had verschrikkelijke, vonkelende oogen en een lange vuurroode tong, die van uit den gapenden muil hing. Op een dag, juist toen de knechts in de keuken waren om te eten, had hij aan de keukendeur gekrabd en alle dienstmeisjes hadden gegild van schrik. Maar de grootste en sterkste van de knechts had een vlammend stuk hout uit ’t vuur genomen, de keukendeur opengerukt en ’t brandend hout in den bek van den hond geslingerd. Die was met een vervaarlijk gehuil gevlucht. Vuur en rook was uit zijn muil gekomen, vonken spatten om hem heen en zijn voetspoor op den weg glom als vuur. En was ’t ook niet verschrikkelijk, hoe het toeging als de grondeigenaar op reis ging?—Hij reed uit met paarden; maar als hij laat in den nacht thuiskwam, had hij altijd zwarte stieren voor den wagen. De menschen, die aan den straatweg woonden, konden de groote zwarte horens tegen den nachthemel duidelijk onderscheiden, als hij voorbij reed. Ze hoorden de dieren loeien en zagen met ontzetting de strepen vonken, die hun hoeven en de wielen van den wagen uit ’t dorre gras sloegen.
Ja de kleine voetjes moeten zich wel haasten over den grooten donkren zolder. Stel u eens voor, dat er eens iets verschrikkelijks—b. v. hij, wiens naam men niet noemen mag, uit dien donkren hoek daar te voorschijn kwam. Wie was veilig voor hem? Hij verscheen niet alleen voor de boozen. Had niet Ulrika Dillner hem gezien? Zij en Anna Stjärnhök konden vertellen hoe ze hem gezien hadden.
Vrienden, menschenkindren! Gij die danst en lacht. Ik bid u, ik smeek u, danst voorzichtig, lacht zachtjes, want er wordt zooveel onheil gesticht, als uw dunne zijden schoentjes op menschenharten treden, en uw zilveren lach kan zielen tot vertwijfeling brengen.
’t Was zeker omdat de voeten der jongeren te hard op ’t hart van de oude Ulrika getreden hadden, en ’t lachen der jongeren te overmoedig in haar ooren had geklonken, dat er plotseling een onweerstaanbaar verlangen naar den naam en de waardigheid van een getrouwde vrouw over haar kwam. Zij zei eindelijk: Ja! tegen den boozen Sintram, die haar al vaak ten huwelijk had gevraagd en volgde hem naar Fors als zijn vrouw. Zoo werd ze gescheiden van de oude vrienden op Berga, de oude, haar liefgeworden bezigheden en de oude zorgen voor ’t dagelijksch brood.
Het huwelijk ging hals over kop. Sintram kreeg met kerstmis het jawoord en zij vierden bruiloft in Februari. Anna Stjärnhök woonde nu in ’t huis van kapitein Uggla. Zij was een uitstekende plaatsvervangster voor de oude Ulrika, dus deze kon zonder gewetensbezwaar heengaan en den titel van Mevrouw veroveren.
Zonder gewetensbezwaar, ja! maar niet zonder spijt. Ze was niet op een goede plaats gekomen. De groote leege kamers waren vol griezelige dingen. Zoodra ’t donker werd, begon ze te trillen van angst. Ze verging van heimwee.
De lange zondagmiddagen waren het ergste. Ze waren eindeloos, en eindeloos waren ook de bittere gedachten, die dan voortkropen door haar hersens.
Op een zondag, dat Sintram niet thuis gekomen was uit de kerk, ging zij in de groote zaal en zette zich voor de piano. Die was haar laatste troost. De piano met een fluitspeler en een herderinnetje op de witte klep geschilderd, was haar eigendom, een erfstuk van haar ouders. Aan die piano klaagde ze haar nood, die begreep haar.
Maar weet ge wat ze speelt? Niets dan een polka! En dat zij, die zoo bitter bedroefd is.
Ach, zij kan niet anders spelen! Eer haar vingers gekromd werden om den potlepel en ’t voorsnijmes, had ze die éene polka geleerd. Die zit haar nog in de vingers, maar ze kan niets anders spelen—geen treurmarsch, geen hartstochtelijke sonate, niet eens een weemoedig volksliedje, alleen een polka.
Die speelt ze zoo vaak ze haar oude piano iets toevertrouwen wil. Die speelt ze als ze lacht en schreit; toen ze haar bruiloft vierde, speelde ze die en toen ze voor ’t eerst in haar eigen woning kwam. En die speelt ze ook nu.
De oude snaren begrijpen haar wel. Ze is ongelukkig, diep ongelukkig.
Een wandelaar, die voorbij kwam en die tonen hoorde, zou denken, dat de booze grondeigenaar een bal gaf aan zijn buren en vrienden, zoo vroolijk klinkt de polka. ’t Is een fleurige, vroolijke melodie. Daarmee speelde ze den honger weg op Berga.
Als die klonk, moesten alle dansen.
Dan sprong de band, die de jicht om de gewrichten gelegd had en tachtigjarige heeren werden naar den dansvloer gelokt. De heele wereld kreeg lust te dansen bij die polka, zóó vroolijk klonk ze—maar de oude Ulrika schreit.
Ze heeft onwillige bedienden om zich heen en nijdige dieren. Ze verlangt zoo naar een vriendelijk gezicht, naar een lachenden mond. Dat smartelijk verlangen moet de polka weêrgeven.
De menschen kunnen maar niet onthouden, dat ze Mevrouw Sintram is. Ze noemen haar allemaal juffrouw Dillner. En haar berouw over de ijdelheid, die haar verlokte den titel van Mevrouw na te jagen, wil ze uiten in de polka.
De oude Ulrika speelt alsof ze de snaren wil stukspelen. Er is zooveel dat ze verdooven wil; ’t gejammer van verarmde boeren, de vloeken van afgebeulde arbeiders, ’t hoonlachen van onwillige bedienden en dan allermeest de schande! De schande, dat ze de vrouw is van een slechten man.
Bij die tonen heeft Gösta Berling de gravin Dohna ten dans gevoerd. Marianne Sinclaire en haar aanbidders dansten er op. En de Majoorske van Ekeby heeft er zich bij op de maat bewogen, toen de mooie Altring nog leefde. Zij ziet ze voorbij zweven, paar aan paar, jong en schoon. Een stroom van vroolijkheid ging uit van haar naar hen, van hen naar haar. Haar polka deed hun wangen gloeien, hun oogen stralen. Nu is zij van dat alles gescheiden! Laat de polka klinken, er zijn zooveel, ach! zóóveel herinneringen te verdooven.
Ze speelt om haar angst te dempen. Haar hart krimpt ineen van angst als ze den zwarten hond ziet, als ze de bediende hoort fluisteren over de zwarte stieren. Ze speelt de polka aldoor weer van voren af aan om haar angst te dempen.
Daar merkt ze, dat haar man is thuisgekomen. Ze hoort hoe hij de kamer inkomt en in den schommelstoel gaat zitten. Ze kent het krakend geluid van den stoel zoo goed, dat ze niet eens omkijkt.
En terwijl ze speelt, hoort ze den schommelstoel krakend heen en weer gaan. Nu hoort ze haar eigen spelen al niet meer—alleen het kraken.
Arme, oude Ulrika, gepijnigd, eenzaam, hulpeloos, als zwervend in een vijandelijk land, zonder een vriend om haar nood aan te klagen, zonder andere troost dan een rammelende oude piano, die haar antwoordt met een polka. Is het niet als een schaterlach op een begrafenis, als een drinklied in een kerk?
Maar terwijl de schommelstoel maar altijd door blijft kraken, hoort ze plotseling een geluid alsof de piano met haar klachten spot. Ze houdt op, midden in een maat.... Ze staat op en kijkt naar den schommelstoel.
En in ’t volgend oogenblik ligt ze bewusteloos op den grond. Want ’t was haar man niet, die daar zat; maar een ander. Hij, wiens naam de kindren niet mogen noemen, hij, die ze dood zou doen schrikken, als ze hem op den eenzamen zolder tegenkwamen.
Zou hij, wiens ziel met sprookjes gevuld werd, wel ooit zich aan hun macht kunnen ontworstelen?
Buiten huilt de nachtwind. Een ficus en een oleander slaan tegen ’t hek van ’t balkon met hun stijve bladen.
De hemel welft zich duister over de lange rijen bergen en ik, die hier alleen zit in den nacht en schrijf bij ’t lamplicht, met opgetrokken gordijnen; ik die nu oud ben en wijs moest zijn, ik voel dezelfde rilling langs mijn rug, als toen ik deze geschiedenis voor ’t eerst hoorde, en ik moet telkens van mijn werk opzien om te kijken of zich iemand daar in den hoek verbergt, en ik moet naar buiten op ’t balkon om te zien, of niet een groot zwart hoofd over ’t hek kijkt. Die ontzetting, die de oude verhalen wekken, als de nacht donker en de eenzaamheid groot is, verlaat me nooit en beheerscht me eindelijk zoo geheel, dat ik naar bed moet gaan en de dekens over mijn hoofd trekken.
Als kind was ik er altijd verbaasd over, dat Ulrika Dillner dien middag overleefde. Ik had het zeker niet gedaan.
’t Was een geluk, dat Anna Stjärnhök kort daarna naar Fors kwam rijden, dat ze haar op den grond in de zaal vond liggen en haar weer bijbracht. Met mij zou dat zeker niet zoo gegaan zijn. Ik zou al lang dood geweest zijn.
Ik hoop voor u allen, lieve vrienden, dat ge geen tranen in de oogen der ouden moogt zien. Dat ge niet radeloos zult staan bij een oude van dagen, die ’t grijze hoofd tegen uw borst leunt om daar steun te vinden of de oude handen om de uwe vouwt. Dat ge geen oude lieden moogt zien, die gebogen gaan onder leed, dat gij niet kunt verlichten.
Wat zijn de klachten der jongen! Zij hebben nog kracht en hoop. Maar hoe ellendig is ’t niet de ouden te zien schreien, als zij, die u steunden in uw jonge jaren, neerzinken en machteloos jammeren.
Daar zat Anna Stjärnhök naar de oude Ulrika te luisteren en zag geen uitkomst voor haar. De oude vrouw schreide en beefde. Haar oogen stonden verwilderd, ze sprak soms zoo verward, alsof ze niet meer wist, waar ze was. De duizend rimpels, in haar gezicht waren éens zoo diep als gewoonlijk. Haar krullen, die over de oogen hingen, waren door haar tranen uit de krul gegaan en haar geheele magere gestalte schokte van ’t snikken.
Eindelijk neemt Anna het besluit aan die ellende een eind te maken. Zij zal haar meê naar Berga nemen. Wel was zij de vrouw van Sintram; maar op Borg kon ze niet blijven. Ze zou nog krankzinnig worden, als ze bij dien boozen man bleef. Anna besloot de oude Ulrika mee te nemen.
Ach, de oude was zoo verschrikt en zoo blij door dat besluit. Maar zij durfde waarlijk niet zoo haar huis en haar man te verlaten. Hij was in staat den grooten zwarten hond op haar af te sturen.
Maar Anna Stjärnhök overwon haar tegenstand, half met scherts en half met dreigementen en eer er een half uur voorbij was, had ze haar bij zich in de slee.
Anna reed zelf en ’t was de oude Disa, die voor de slee liep. De weg was slecht, want ’t was in Maart; maar ’t deed de oude Ulrika goed weer in de oude, welbekende slee te zitten, met het oude paard er voor, dat al zooveel jaren een oude getrouwe op Berga geweest was, juist als zij zelf.
Daar ze van aard opgeruimd en moedig was, de oude sloof, hield ze met schreien op toen ze voorbij Arvidstorp waren, bij Högbro lachte ze weer en toen ze voorbij Munkeby reden, was ze aan ’t vertellen van haar jeugd, toen ze bij de gravin op Svaneholm was.
Ze reden nu door de eenzame, verlaten streken ten noorden van Munkeby op een heuvelachtigen, steenachtigen weg. De weg sleepte zich voort over alle heuvels, die hij bereiken kon, kroop ze langzaam op in groote bochten, viel ze halsoverkop weer af en haastte zich dan rechtuit door ’t dal om zoo gauw mogelijk weer een nieuwen heuvel te vinden om bij op te klauteren.
Ze reden juist de Vestratorpsheuvel af toen de oude Ulrika plotseling zweeg, en Anna in den arm kneep. Zij staarde naar een grooten, zwarten hond aan den kant van den weg.
„Kijk eens,” fluisterde ze.
De hond stoof het bosch in. Anna had hem niet goed gezien.
„Rijd voort,” zei de oude Ulrika, „rijd zoo hard je kunt. Nu komt Sintram te weten, dat ik hier ben.”
Anna probeerde haar angst weg te schertsen, maar ze hield vol.
„Je zult zien, nu hooren we zijn bellen gauw, we hooren ze, eer we op den volgenden heuvel zijn.”
En terwijl de oude Disa op den top van den Elofsheuvel even uitblies, hoorde men ’t geluid van bellen beneden uit het dal komen.
Nu werd de arme Ulrika weer radeloos van angst. Ze jammerde en schreide, zooals kort geleden in de zaal op Fors. Anna wilde Disa aanzetten, maar die keerde alleen de kop om en keek haar verbaasd aan. Meende ze, dat Disa niet wist, wanneer ze draven of stapvoets rijden moest? Wou ze haar soms leeren, hoe ze een slee moest trekken, haar, die al twintig jaar lang elken steen, elke brug, elken heuvel en helling hier in den omtrek kende?
Intusschen klonken de bellen steeds dichterbij.
„Daar is hij, daar is hij. Ik ken zijn bellen wel,” jammerde de oude Ulrika.
’t Geluid kwam steeds nader. Nu en dan klonk ’t zoo onnatuurlijk sterk, dat Anna omkeek om te zien of ’t paard van Sintram de kop ook in haar slee stak, dan weer stierf het weg. ’t Is of alleen de bellen hen vervolgen.
’t Is als wanneer men ’s nachts van een feest naar huis rijdt. Bellen klinken in melodieën, ze spreken, ze zingen, ze antwoorden, ’t Woud weerklinkt van hun gerinkel. Anna verlangt er bijna naar, dat hun vervolgers zoo nabij komen, dat ze Sintram zelf en zijn rood paard zien kon. Ze huiverde van dat ontzettende bellengerinkel. Ze is niet bang, ze is ’t nooit geweest, maar die bellen vindt ze vreeselijk, ze martelen haar.
„Die bellen doen me pijn,” zegt ze. En dadelijk vangen de bellen de woorden op. „Doen pijn,” zingen ze; „doen pijn, pijn, pijn! doen pijn, pijn, pijn!” klinkt het op alle mogelijke melodieën. ’t Was nog niet lang geleden, dat ze dezen zelfden weg reed, door wolven vervolgd. Ze had in ’t donker hun witte tanden in de open muil zien blinken; ze had gedacht, dat de wilde dieren van ’t woud haar zouden verscheuren; maar toen was ze niet bang geweest. En heerlijker nacht had ze nooit beleefd. Schoon en sterk was ’t paard geweest, dat hen voorttrok, schoon en heerlijk de man, die de vreugde van ’t avontuur met haar deelde.
Maar ach! dit oude paard, deze oude bevende reisgenoot. Ze voelt zich zóó machteloos, dat ze wel had willen schreien. Ze kan niet weg komen van die verschrikkelijke bellen, die haar nog krankzinnig zullen maken.
Ze houdt stil en stapt uit de slee. Dit moet uit zijn! Waarom zal ze vluchten, alsof ze bang was voor dien verachtelijken ellendeling.
Eindelijk ziet ze een paardenkop uit de steeds toenemende schemering te voorschijn komen, dan een paard en ten slotte een slee en daarin zit Sintram. Maar ze let er niet op, dat ze niet over den weg komen. ’t Leek wel of ze voor haar oogen ontstonden, en uit het duister te voorschijn komen, naarmate ze klaar gekomen zijn.
Anna werpt de teugels aan Ulrika toe en gaat Sintram te gemoet. Hij houdt zijn paard in.
„Zie eens, wat treft dat mooi,” zegt hij. „Lieve juffrouw Stjärnhök, laat mij mijn reisgenoot naar uw slee overbrengen. Hij moet naar Berga van avond, en ik moet gauw naar huis.”
„Waar is uw reisgenoot?”
Sintram maakt het zeil van de slee los en laat Anna een man zien, die slapend onder in de slee ligt. „Hij is een beetje dronken,” zegt hij; „maar wat zou dat? Hij blijft wel slapen. En ’t is ook een goede kennis van u, juffrouw Stjärnhök. ’t Is Gösta Berling.”
Anna rilt.
„Want dit moet ik u zeggen,” gaat Sintram voort, „wie zijn geliefde verlaat, verkoopt hem aan den duivel. Op die manier ben ik ook in zijn klauwen gekomen. Men meent natuurlijk goed te doen. Zelfverloochening is goed en liefhebben is uit den booze.”
„Wat meent u, mijnheer Sintram? waar spreekt u over?” vraagt Anna diep geschokt.
„Ik meen, dat u Gösta niet van u hadt moeten laten heengaan.”
„Dat was Gods wil.”
„Ja, natuurlijk. Zelfverloochening is goed en liefde uit den booze. De goede God wil de menschen niet gelukkig zien. Hij zendt hen zijn wolven achterna. Maar stel nu eens, dat het God niet was, die ’t deed, juffrouw Anna! Kon ik ’t niet even goed geweest zijn, die mijn grauwe lammetjes van Dovrefjeld haalde en ze den jongen man en ’t jonge meisje achterna zond? Als ik ’t nu eens was, die de wolven gestuurd had, omdat ik iemand, die mij behoorde, niet missen wilde? Als God het nu eens niet gedaan had!”
„Mijnheer Sintram,” zegt Anna met zwakke stem, „u moet me daar niet aan doen twijfelen, want dan ben ik verloren.”
„Zie nu eens hier,” zegt Sintram en buigt zich over den slapenden Gösta, „zie eens naar zijn pink. Dat wondje geneest nooit. Daar namen wij bloed uit, waarmeê we ’t contract onderteekenden. Hij behoort mij. Er is groote kracht in bloed. Hij behoort mij. Alleen liefde kan hem redden; maar als ik hem maar behouden mag, zal ik wel wat van hem maken.”
Anna Stjärnhök verweert zich krachtig tegen de betoovering, die over haar komt. ’t Is immers onzin, pure onzin! Niemand kan zijn ziel aan den Booze verkoopen. Maar ze heeft geen macht over haar eigen gedachten. De schemering ligt zwaar op haar. ’t Bosch staat daar zoo donker en zwijgend. Ze kan zich niet los maken uit de verschrikkelijke macht van dit oogenblik.
„Meent u misschien, juffrouw Stjärnhök,” gaat de grondeigenaar voort, „dat er niet zoo veel meer aan hem te bederven valt? Geloof dat niet. Heeft hij de boeren verdrukt? Is hij arme vrienden ontrouw geworden? Heeft hij ooit valsch gespeeld? Is hij ooit de minnaar van een getrouwde vrouw geweest? Juffrouw Anna?”
„Ik geloof dat u de duivel zelf zijt, mijnheer Sintram.”
„Laat ons ruilen, juffrouw Anna. Neem Gösta Berling en word zijn vrouw. Behoud hem en geef geld aan de familie op Berga. Ik sta hem u af. U weet, dat hij mij toebehoort. Denk maar, dat het niet God was, die de wolven uitzond dien nacht en ruil met mij?”
„Wat wilt u in ruil hebben?”
Sintram grijnsde.
„Wat ik hebben wil? O, ik ben met weinig tevreden. Ik wil maar dat oudje hebben, dat daar in uw slee zit, juffrouw Anna.”
„Satan, verzoeker!” roept Anna uit, „ga weg van mij. Zal ik een oude vriendin, die op mij vertrouwt, ontrouw worden? Zal ik haar in uw macht geven, opdat ge haar plagen kunt tot ze krankzinnig is?”
„Stil, stil, wees kalm, juffrouw Anna. Denk er eens over. Hier is een mooie jonge man en daar een versleten oude sloof. Een van hen moet ik hebben. Wie wilt u me geven?”
Anna lachte; een wanhopig, vertwijfeld lachen, „zullen we hier zielen staan ruilen, mijnheer Sintram, zooals men paarden verruilt op de markt van Broby?”
„Ja juist.—Maar als juffrouw Anna wil, kunnen we ’t ook van een ander standpunt bezien. Uit dat van de eer der familie Stjärnhök.”
En hij roept met luider stem zijn vrouw, die in Anna’s slee zit, en tot onuitsprekelijken schrik van ’t jonge meisje, gehoorzaamt ze oogenblikkelijk, stapt uit de slee en komt bevend en rillend naar hem toe.
„Zie zoo, dat is nu eens een gehoorzame vrouw,” zegt Sintram, „juffrouw Anna kan ’t niet helpen, dat ze komt, als haar man roept. Nu neem ik Gösta uit mijn slee en leg hem hier neer. Ik verlaat hem voor altijd juffrouw Anna. Nu kan, wie wil, hem meênemen.”
Hij buigt zich neer om Gösta op te tillen. Maar daar komt Anna vlak bij hem, ziet hem doorborend aan en sist als een gemarteld dier: „In Gods naam, man, rijd naar huis. Weet je niet wie er in den schommelstoel op de zaal zit en op je wacht? Durf je hem te laten wachten?”
’t Is voor Anna nog ’t vreeslijkste van alles te zien, hoe die woorden op den boozen man werken. Hij rukt aan de teugels, wendt zijn slee en rijdt naar huis, terwijl hij ’t paard aanzet met zweepslagen en woest geschreeuw. De steile helling af met levensgevaar, terwijl een lange streep vonken onder de wielen en de paardehoeven uitspat, in de lichte Maartsche sneeuw.
Anna Stjärnhök en Ulrika Dillner staan alleen op den weg; maar ze spreken geen woord. Ulrika rilt voor Anna’s blik, en Anna heeft de arme stumper, voor wie ze haar geliefde geofferd heeft, niets te zeggen.
Zij had kunnen schreien en tieren, zich op den grond kunnen werpen, sneeuw en zand op haar hoofd strooien. Vroeger had ze ’t lieflijke der zelfverloochening gevoeld, nu smaakte ze er al de bitterheid van. Wat was het offer van haar liefde tegenover het offer van den geliefde zelf?—
Zij reden zwijgend naar Berga, maar toen ze daar aankwamen en de deur van de kamer openging, viel Anna Stjärnhök flauw,—voor ’t eerst en voor ’t laatst van haar leven. Want daar binnen zaten Sintram en Gösta rustig te praten. ’t Blaadje met toddy stond al voor hen. Ze waren er al minstens een uur.
Anna Stjärnhök viel flauw, maar de oude Ulrika bleef rustig staan. Zij had wel gemerkt, dat ’t niet in den haak was met hem daar op den weg.
Later kwamen de kapitein en zijn vrouw met den grondeigenaar overeen, dat de oude Ulrika op Berga zou blijven.
Hij wilde haar werkelijk niet krankzinnig maken, zei hij.
Gij kindren van dezen tijd. Ik verlang immers niet, dat iemand deze oude verhalen gelooven zal. ’t Zijn immers louter verzinsels en leugens! Maar ’t berouw, dat de harten heen en weer slingert tot ze jammeren als de planken van Sintrams zaal onder den schommelstoel, en de twijfel, die voor onze ooren zingt als de bellen voor Anna Stjärnhök in ’t eenzame woud.... wanneer worden zij tot verzinsels en leugens?