WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 19: XV. Boete.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

XIII.

Neef Christoffel.

Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat altijd in ’t hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat ’t vuur niet uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter zijn pels om.

Hij was bij den zwerm geweest, die in ’t gevolg van den grooten keizer over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven, nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende.

Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was.

En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend.

In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij juist dien naam gekregen had.

’t Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan wat anders gewend, dan van ’t eene stokje op ’t andere te springen en gevoerd te worden. Doodsgevaar en ’t moorden van menschen brachten eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede.

’t Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een berenjacht was ’t eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor ’t eerst gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig als de oorlogskans, prikkelend als ’t gevaar, tintelend van leven en pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.—Hij moest dieper in zijn pels en dichter bij ’t vuur kruipen.


Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen bij den haard.

Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge ’t niet?

De lente, de heerlijke lente is gekomen!

De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij luiden als met duizend klokjes: „weest blij, de lente is gekomen! de heerlijke lente!”

Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en van den boom der eer, die op ’t slagveld groeit. Voor de oogen van zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de lente niet noodig hebben om te bloeien.

O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op ’t kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend is en geboren is om te vervolgen en te dooden?

O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den kavaliersvleugel. Op—drink den vonkelenden wijn des levens in de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht, maar de inhoud heeft betrekking op u. ’t Is zoo wonderlijk u te zien, terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit!


Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard.

Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij ook, dat de lente gekomen is.

Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit.

Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen, om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn vreugde te deelen.

Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn horen en wekt alom zalige vreugde.

En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en zetten hun paarden aan. ’t Geluk zelf staat op de teenen in ’t zadel; en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig Arabisch paard.

Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit.

De lijster roept hem aan:

„Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?”

„Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!” antwoordt neef Christoffel.

„Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen zorg!” roept de vogel hem na.

Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en wordt bij de gravin toegelaten.

Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op zijn slot te heerschen.

Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van dat wachten.

Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten, waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen, begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo vermakelijk als ze kan.

„Ja,” zegt ze eindelijk, „zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. ’t Is een ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!”

De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende oogen.

„Ik ben ook oud en arm,” zegt hij, „en ik heb tien jaar lang aan den haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat soms ook belachelijk!”

„O, dat is heel wat anders!” barst de gravin uit.

„God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen eens anders brood te eten,” zegt neef Christoffel ernstig. „Ik heb geleerd de armoede te eerbiedigen.”

„U ook al!” roept de gravin en heft de handen ten hemel. „Wat zijn de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!”

„Ja,” zegt hij, „onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat, die met de armoede spot.”

„Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel.”

En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet.

Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit ’t armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats.

Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van den booze te fnuiken.

Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn manchet en gooit dien op ’t vuur. God alleen weet, wat hij op dat oogenblik dacht.

Misschien verbeeldde hij zich, dat ’t gravin Märta zelf was, die daar op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo, er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had.

Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in ’t hoekje van den haard zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam weg als een gevangen arend.

Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De wereld staat hem open. ’t Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan.

XIV.

De wegen des levens.

Moeilijk zijn de wegen, die de menschen te gaan hebben op aarde.

Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!

Waarom gaat daar zooveel smart ongehinderd haar gang, tot ze verdwaalt in de woestijn of neerzinkt in ’t moeras of neerstort van de bergen? Waar zijn de kleine boerenmeisjes, waar zijn de prinsessen uit de sprookjes, in wier spoor rozen groeien; waar zijn zij, die bloemen moeten strooien op de moeilijke wegen?

Nu heeft Gösta Berling, de dichter, besloten te trouwen. Hij zoekt alleen nog maar een bruid, die arm en gering genoeg is voor een gekken predikant. Schoone, edele vrouwen hebben hem liefgehad; maar zij zullen niet te voorschijn treden en naar zijn hand dingen. De verstooteling moet kiezen uit de verstootenen.

Wie zal hij kiezen?

Soms komt er een arm jong meisje op Ekeby uit een eenzaam wouddorpje boven op de bergen; zij verkoopt bezems. In dat stadje, waar altijd armoede en groote ellende heerscht, zijn er velen, die niet bij hun volle verstand zijn, en het meisje met de bezems is er een van.

Maar mooi is ze. Haar lang zwart haar is opgenomen in zulke dikke vlechten, dat ze ternauwernood plaats kunnen vinden op haar hoofd; haar wangen zijn fijn gerond, haar neus recht en niet heel groot, haar oogen blauw. Zij hoort tot de melancholieke, madonna-achtige type, die men nog vindt onder de mooie meisjes aan de oevers van het lange Löfvenmeer.

Dus—nu had Gösta een bruid—een half wijs meisje met bezems is een goede vrouw voor een gekken predikant. Hij heeft dus maar naar Karlstad te reizen om ringen te halen, en dan kunnen ze weer eens een vroolijken dag hebben aan ’t Löfvenmeer. Ze zullen nog eens om Gösta Berling lachen, als hij zich met het bezemverkoopstertje verlooft en haar trouwt. Wat zullen ze lachen! Een vermakelijker streek heeft hij nooit uitgehaald!

Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan: woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!

Moet niet de verstootene den weg der verstootenen gaan? Den weg van toorn, van smaad, van onheil? Wat doet het er toe of hij valt, of hij te gronde gaat? Is er iemand, die het de moeite waard vindt hem tot staan te brengen?

Is er iemand, die hem een helpende hand, een verkwikkenden drank reikt? Waar zijn de kleine bloemenmeisjes, waar de princessen uit het sprookje?—waar zijn zij, die rozen moeten strooien op de moeilijke wegen?

Neen, neen, de jonge gravin op Borg zal Gösta Berling in zijn plannen niet storen; zij zal aan haar reputatie denken, aan den toorn van haar man, aan den haat van haar schoonmoeder; zij zal niets doen om hem terug te houden.

Onder de lange godsdienstoefening in de kerk van Svartsjö zal zij haar hoofd buigen, haar handen vouwen en voor hem bidden. In slapelooze nachten kan zij misschien over hem schreien en bezorgd voor hem zijn; maar zij heeft geen bloemen, om op den weg van den verstootene te strooien, geen droppel water, om den dorstende te reiken, geen lichten handdruk, die hem van den rand van den afgrond terug kan voeren.

Gösta Berling geeft er niet om of zijn bruid met zijde en sieraden getooid is. Hij laat haar van hoeve tot hoeve gaan met bezems, zooals gewoonlijk; maar als hij alle aanzienlijke mannen en vrouwen uit den omtrek op Ekeby bijeenverzameld heeft, dan zal hij zijn verloving afkondigen. Dan zal hij haar uit de keuken binnenroepen, zooals zij van haar lange zwerftochten komt, met het stof en het vuil van den weg op haar kleeren, misschien in lompen en met ongekamde haren, met verwilderde oogen, met verwarde woorden op de lippen. En dan wil hij de gasten vragen of hij nu niet een bruid gekozen heeft, die goed bij hem past, of niet de gekke predikant trotsch wezen mag op zulk een schoone bruid, op dat zachte madonnagezicht, met die blauwe, dwepende oogen.

Niemand zou er van te voren iets van weten; maar het gelukte hem niet zijn geheim te bewaren, en éen van hen, die het te weten kwam, was de jonge gravin Elisabeth Dohna. Maar wat kon zij er aan doen?

De dag van de verloving is gekomen; de schemering is gevallen. De gravin staat aan het venster van haar blauwe kabinet, en staart naar het noorden. Zij gelooft haast, dat zij Ekeby zien kan, hoewel de nevel en haar tranen haar de oogen verduisteren. Zij ziet duidelijk het groote huis met de drie verdiepingen; de drie rijen verlichte vensters stralen. Zij stelt zich voor hoe de champagne ingeschonken wordt, de toasten hoort ze, en hoe Gösta Berling zijn verloving met het bezemverkoopstertje afkondigt.

Als ze nu bij hem stond en stil de hand op zijn arm lei, of alleen maar hem vriendelijk aanzag, zou hij dan niet terugkeeren van den slechten weg der verstootenen? Heeft niet een woord van haar hem tot die wanhopende daad gedreven? Zou niet een woord van haar hem kunnen terughouden?

De gravin rilt voor de zonde, die hij begaan zal tegenover dat arme, ongelukkige kind, dat nu verlokt zal worden hem lief te hebben voor de grap van éen dag. Misschien ook—en zij rilde nog meer voor de zonde, die hij tegenover zichzelf beging—om als een drukkende last hem voor ’t leven te bezwaren en zijn geest voor goed de kracht te ontnemen om zich weer omhoog te werken.

En alles samen genomen, was het toch haar schuld. Zij had met veroordeelende woorden hem den slechten weg opgedreven. Zij, die had moeten zegenen en verzachten, waarom had zij een doorn te meer in de doornenkroon van den zondaar gevlochten?

Ja, nu weet ze wat ze doen zal. Zij zal de zwarte paarden voor de sleê laten spannen, Ekeby binnen stormen, vlak voor Gösta Berling gaan staan, en hem zeggen, dat ze hem niet veracht, dat ze niet wist wat zij zei, toen ze hem uit haar huis joeg.... Neen—zoo iets kon ze toch niet doen. Ze zou verlegen worden en geen woord durven zeggen. Ze was immers getrouwd en moest voorzichtig zijn. ’t Zou tot allerlei praatjes aanleiding geven, als ze zoo iets deed. Maar als ze het niet deed, hoe zou het dan met hem gaan?

Ze moest voort.

En dan denkt ze er aan, dat ze daar onmogelijk heen kan komen. Om dezen tijd van het jaar kunnen geen paarden meer over ’t Löfvenmeer gaan. ’t IJs is op ’t punt van te smelten; ’t is al aan den oever losgeraakt. ’t Ligt los, gebarsten en vuil; ’t water spiegelt er door naar boven; op sommige plaatsen staat het op ’t ijs in zwarte plassen, op andere plaatsen is het ijs verblindend wit. Maar voor ’t grootste gedeelte is ’t toch grauw en vuil door smeltende sneeuw, en de wegen gaan er als lange, zwarte strepen overheen.

Hoe kan zij er aan denken om heen te gaan! Haar schoonmoeder, de oude gravin Märta, zou het haar nooit toestaan. Den heelen avond moest zij naast haar in de groote huiskamer zitten en naar de oude hofgeschiedenissen hooren, die de vreugd van de oude dame zijn.

Maar de nacht komt. En haar man is niet thuis. Nu is ze vrij!

Rijden kan ze niet; zij durft de bedienden niet roepen; maar de angst drijft haar uit haar huis. Ze kan niet anders.

Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan op aarde. Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!

Maar deze weg in den nacht over het smeltende ijs—waarmede zal ik dien vergelijken? Is dat niet de weg, dien de kleine bloemenmeisjes zelf moeten gaan, een onzekere, wankelende, gladde weg, de weg van hen, die geslagen wonden willen genezen, van hen, die willen oprichten, de weg van hen met vlugge voeten, met heldere oogen, met moedige, liefdevolle harten!

’t Was over middernacht, toen de gravin den oever van Ekeby bereikte. Zij was op het ijs gevallen, was over de breede kloven gesprongen, zij was vlug en licht over de plaatsen geloopen, waar haar voetspoor met water volgeloopen was; zij was uitgegleden. Zij had gekropen. ’t Was een zware gang geweest. Zij had onder ’t loopen geschreid. Zij was nat en moe geworden, en buiten op het ijs hadden de duisternis, de eenzaamheid en de leegte om haar heen haar angstig gemaakt. Nu, vlak bij Ekeby, was zij door water van een voet hoog gewaad, om aan land te komen.

En toen zij op den oever gekomen was, had zij geen moed voor iets anders gehad, dan om zich op een steen te zetten en van moeheid en hulpeloosheid te schreien.

Moeilijke wegen gaan de menschenkinderen, en de kleine bloemenmeisjes zinken soms naast hun korf neer, juist als zij degenen bereiken, op wier wegen zij bloemen willen strooien.

Deze voorname jonge vrouw was toch een beminnelijk heldinnetje. Zulke wegen was zij niet gewend te gaan in haar zonnig vaderland. Geen wonder dus, dat zij aan den oever van het onheilspellende, vreeselijke meer zit, nat, moe en ongelukkig, en denkt aan de effen, met bloemen omzoomde paden van haar vaderland.

Ach, voor haar bestaan Zuid en Noord niet meer. Zij staat midden in het leven. Zij schreit niet van heimwee; zij schreit, arm bloemenmeisje, kleine heldin, omdat ze zoo moe is, dat ze hem niet bereiken kan, op wiens weg ze bloemen wil strooien. Zij schreit, omdat ze gelooft, dat ze te laat gekomen is.

Daar komen eenige menschen haastig langs het strand aanloopen. Ze ijlen haar voorbij, zonder haar te zien, maar ze hoort hun woorden: „Als de dam doorbreekt, gaat de smidse er aan,” zegt de een; „en de molen en de werkplaats en ’t huis van den smid,” voegt een ander er bij.

Dan herleeft haar moed. Zij staat op en volgt hen.

De molen en de smidse van Ekeby lagen op een smal, vooruitstekend stuk land, waaromheen de Björksjöbeek bruiste. Die kwam bruisend tegen de landpunt aan, wit schuimende van den geweldigen val daarboven, en om de bebouwde streek voor het water te beschutten, lag er in dien tijd een geweldige golfbreker voor. Maar de kisting was oud en de kavaliers hadden ’t roer in handen. Zij dansten over stok en steen; maar zij hadden geen tijd om toe te zien, hoe de koude en de tijd de oude steenen kisting hadden geteisterd.

Toen kwam het water in ’t voorjaar en de kisting begon te wijken.

De waterval bij Ekeby is een geweldige grauw steenen trap, waar de golven van de Björksjöbeek bruisend langs storten. Ze worden duizelig van de vaart, tuimelen omver en bonzen tegen elkaar. Ze stuiven in toorn op en bespatten elkaar met schuim, vallen nu over een steen, dan over een stok, en springen weer op, om opnieuw te vallen, al schuimend en proestend en donderend.

En die wilde, opgehitste golven, door de lentelucht als in een roes, dronken door hun pas herwonnen vrijheid, loopen nu storm op den ouden steenen muur. Zij komen, werkend en proestend, stormen hoog op hem af, en trekken zich weer terug, alsof zij hun witte koppen gestooten hebben. Maar ’t is een stormloopen: zij gebruiken groote ijsstukken als schild, stukken hout als stormrammen; zij storten, bonzen en bruisen tegen den armen muur op, tot het opeens is, alsof deze hun een: „Wees voorzichtig!” toeroept. Zij stuiven terug, en een groote steen, die van de kisting is losgeraakt, komt hen achterna en zinkt bulderend in den stroom.

’t Is alsof zij daarvan geschrikt zijn; zij staan stil, ze jubelen, ze houden raad, en dan stuiven ze weer voort. Daar zijn ze weer met ijsblokken en stukken hout, vol dwaze streken, onbarmhartig, wild, dol van vernielzucht.

„Als die kisting maar weg was,” zeggen de golven; „als die kisting maar weg was! Dan kwamen de smidse en de molen aan de beurt.

„De dag der vrijheid is gekomen—weg met de menschen en het menschenwerk. Ze hebben ons besmeerd met steenkool; ze hebben ons onder ’t juk gebracht als ossen, ons in ’t rond laten rijden, ons opgesloten, ons met planken den weg versperd, ons gedwongen de zware wielen te trekken, de lompe blokken timmerhout te dragen!

„Maar nu willen we ons vrijmaken.

„De dag der vrijheid is gekomen! Hoort het, o, golven daar boven, in Björksjö. Hoort het, broeders en zusters in moeras, beek en woudstroom; komt, komt, stort u weêr in de Björksjöbeek; komt met frissche krachten, bulderend, suizend, om ’t juk van eeuwen te breken, komt, komt! Het bolwerk der tirannie moet vallen. Dood over Ekeby!”

En zij komen. Golf aan golf stort neer langs den waterval, om tegen de kisting storm te loopen, om mee te helpen aan ’t groote werk. Als in een roes door de pas herwonnen vrijheid, in grooten getale, als éen man, komen ze en maken steen voor steen los. De eene aardkluit na de andere vegen ze weg van den wankelenden golfbreker.

Maar waarom laten de menschen toch de woeste golven razen, zonder weerstand te bieden? Is Ekeby uitgestorven?

Neen, er zijn menschen, een radelooze, verwarde, hulpelooze schare. De nacht is donker, ze kunnen elkaar niet zien, ze kunnen niet zien waar ze loopen. De waterval bruist geweldig; er is een vervaarlijk gedruisch van barstend ijs en tegen elkaar bonzend hout. Ze kunnen niet hooren, wat ze zeggen.

De woestheid, die over de bruisende golven is gekomen, vult ook de hersens der menschen; zij hebben geen enkele gedachte in hun hoofd; zij zijn als zinneloozen.

De fabrieksklok luidt: „Hij, die oore heeft om te hooren, die hoore. Wij hier, bij Ekeby’s smidse, zijn den ondergang nabij. De beek valt ons aan. De dam wankelt, de smidse is in gevaar, de molen ook en onze eigen armelijke huisjes, die we liefhebben, hoe klein ze ook zijn.”

De golven meenen zeker, dat het klokgelui hun vrienden roept, want er vertoont zich geen mensch. Maar in ’t bosch en in ’t moeras komt beweging. „Help, help!” roept de klok. „Na eeuwen van slavernij hebben we ons eindelijk vrijgemaakt. Komt, komt!”

De bruisende golven en de luidende fabrieksklok zingen het doodslied over Ekeby’s eer en roem.

En intusschen wordt de eene bode na den anderen naar de kavaliers gezonden.

Zijn zij in een stemming om aan de smidse en den molen te denken?

Honderden gasten zijn in Ekeby’s groote zalen bijeen. ’t Meisje met de bezems wacht in de keuken. Het spannend oogenblik van de verrassing is gekomen. De champagne parelt in de glazen. Julius staat op om den eersten toast te houden. Al de oude avonturiers verheugen zich over de stomme verbazing, die over het gezelschap zal komen.

Buiten op ’t ijs van het Löfvenmeer gaat de jonge gravin Dohna een duisteren, levensgevaarlijken gang, om Gösta Berling een waarschuwend woord te kunnen toefluisteren,

Aan de beek loopen de golven storm op Ekeby’s eer en aanzien; maar in de groote zalen heerscht alleen vreugde en gespannen verwachting; de kaarsen schitteren, de wijn stroomt; daarbinnen denkt niemand aan wat daarbuiten gebeurt, in den donkeren, stormachtigen voorjaarsnacht.

Nu is het oogenblik gekomen. Gösta staat op en gaat zijn bruid halen. Hij moet door de vestibule. De groote deuren staan wijd open; hij blijft staan; hij ziet naar buiten in den stikduisteren nacht. En hij hoort, hij hoort!

Hij hoort de klok luiden, de beek bruisen; hij hoort het gedreun van het barstende ijs, het gedruisch van het tegen elkaar bonzend hout, den bruischenden, honenden, fieren overwinnaars- en vrijheidszang van de golven.

Dan vergeet hij alles en vliegt naar buiten in den nacht. Zijnentwege mogen zij daarbinnen blijven staan met opgeheven glazen en wachten tot den jongsten dag, hij geeft er niet om. Zijn bruid mag wachten, Julius’ toast op zijn lippen besterven. Vannacht worden er geen ringen gewisseld; geen stomme verbazing zal het schitterend gezelschap vervullen.

Wee u, gij oproerige golven; nu geldt het in waarheid een strijd voor de vrijheid! Nu komt Gösta Berling naar de beek; nu hebben de lieden een aanvoerder, nu staan de verdedigers op de muren; nu begint een geweldige strijd.

Hoor, hoe hij de menigte toeroept! Hij beveelt, hij zet allen aan ’t werk.

„Licht moeten we hebben, allereerst licht. Hier hebben we niet genoeg aan de hoornen lantaarn van den molenaar. Zie die hopen takken daar, draag ze hierheen en steek ze in brand. Dat is werk voor vrouwen en kinderen. Gauw maar! Maak een groot vuur van takken. Dat zal ons bij ’t werk lichten; dat wordt van verre gezien en roept hulp hierheen. En zorg er voor, dat het niet uitgaat; haal stroo en sprokkelhout, en laat de heldere vlammen tot de wolken gaan.

„Hier, mannen, hier is werk voor jullie. Hier is hout en planken, timmert een noodkisting, dien we voor den wankelenden muur kunnen neerlaten. Snel aan ’t werk! Maakt hem sterk en vast. Houdt steenen en zakken met zand klaar, om hem te doen zinken. Vlug, neemt je bijlen, laat de hamerslagen dreunen, zet de boor in ’t hout, en laat de zaag door de droge planken gaan.

„En waar zijn de jongens? Hierheen! Komt voor den dag, wilde rekels. Haalt stangen, haalt bootshaken, en komt hier midden in ’t gevecht. Op den dam, jongens! Midden tusschen de golven, al schuimen en koken ze ook, en bespatten ons met hun wit schuim. Weert ze af, verzwakt ze, weert ze af, die aanvallen, die de muren doen barsten. Schuift de stukken timmerhout en de ijsblokken op zij; gaat liggen, als ’t niet anders kan, en houdt de losgerukte steenen met je handen vast; bijt er in, pakt ze met ijzeren vuisten. Vechten! jongens, deugnieten, wilde katers! Hier op de muren met jelui! Wij zullen vechten om iederen duimbreed grond!”

Zelf gaat Gösta ’t verst vooruit op den dam, en staat midden in ’t schuim, terwijl de grond onder zijn voeten beeft. De golven brullen en razen, maar zijn woest hart geniet van het gevaar, van de onrust en den strijd. Hij lacht, hij heeft vroolijke invallen voor de jongens om zich heen op den dijk; nooit woonde hij een vroolijker nacht bij.

Het reddingswerk gaat goed vooruit. Het vuur vlamt op, de bijlen dreunen, de dam houdt nog.

Ook de andere kavaliers en de honderd gasten zijn aan den waterval gekomen. Van heinde en ver komen menschen; allen zijn aan ’t werk bij de vuren, de kisting bij de zandzakken en op de wankelende, bevende, steenen kisting. Ziezoo, nu is de kisting klaar. Nu moet hij neergelaten worden voor den wankelenden, schuddenden golfbreker. Houdt de steenen en zandzakken klaar, en de bootshaken en de touwen, opdat hij niet weggeslagen worde, opdat de menschen overwinnen en de onderworpen golven tot hun slavernij terugkeeren.

Daar, op het beslissende oogenblik, krijgt Gösta een vrouw in het oog, die op een steen aan de beek zit. De vlammen van het takkenvuur verlichten haar, zooals ze daar zit en op de golven staart. Hij kan haar niet duidelijk zien door den mist en het schuim: maar zijn oogen worden onophoudelijk tot haar getrokken. Telkens en telkens moet hij naar haar zien; het is alsof die vrouw juist hem wat te zeggen heeft.

Onder al die honderden, die aan den oever zich bewegen en werken, is zij de eenige, die stil zit, en zijn blik zoekt haar onophoudelijk, hij ziet alleen haar.

Zij zit ver vooruit, zóo ver, dat de golven om haar voeten slaan en ’t schuim over haar heen spat. Zij moet druipnat zijn. Zij is donker gekleed, heeft een zwarte sjaal om het hoofd, zit in elkaar gedoken, met de hand onder de kin, en staart onophoudelijk naar hem heen, naar den golfbreker. Hij voelt, dat die starende oogen trekken en lokken, hoewel hij haar gezicht niet onderscheiden kan; hij denkt aan niets anders dan aan haar, die daar aan den oever bij de witte golven zit.

„’t Is de meermin uit het Löfvenmeer, die hierheen de beek op is gekomen, om mij in ’t ongeluk te lokken,” denkt hij, „Zij zit daar en lokt en lokt; ik moet haar wegjagen.”

Het komt hem voor, alsof al die golven, met de witte koppen het leger van die vrouw zijn; zij heeft ze opgehitst, zij heeft ze tot dezen aanval op hem aangevoerd.

„Ik moet ze immers wel wegjagen,” zegt hij. Hij grijpt een bootshaak, springt aan land en snelt op de vrouw toe. Hij verlaat zijn plaats op de buitenste punt van den golfbreker, om de meermin weg te jagen. Het was hem in dit oogenblik van overspanning alsof de booze machten uit de diepte tegen hem streden. Hij wist niet wat hij dacht, wat hij geloofde; maar hij moest die zwarte wegjagen van steen tot steen, daar aan den oever.

Ach, Gösta, waarom is uw plaats ledig in ’t beslissend oogenblik! Nu komen ze met de kisting; een lange rij mannen staan op den golfbreker; zij hebben touwen en steenen en zandzakken klaar, om hem te laten zakken en vast te leggen; zij staan klaar en wachten en luisteren. Waar is de bevelhebber? Waar is de stem, die gebiedt en regelt?

Neen, Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zijn stem wordt niet gehoord; zijne bevelen leiden ’t werk niet.

Dus moet de kisting zonder hem worden neergelaten. De golven wijken op zij; hij stort neer in de diepte, en steenen en zandzakken achter hem aan. Maar hoe werd het werk zonder leider uitgevoerd! Zonder voorzichtigheid, zonder orde! de golven bruisen weer voort; met vernieuwde razernij strijden zij met dit nieuw beletsel; zij rollen de zandzakken op zij, rukken de touwen stuk, maken de steenen los, en zie—het lukt! het lukt! Honend, jubelend, tillen ze de heele kisting op hun schouders, rukken en trekken—en nu hebben ze hem in hun macht. Weg met die ellendige verschansing! In ’t Löfvenmeer er mee! En dan opnieuw op den wankelenden, hulpeloozen, steenen dam aan.

Maar Gösta Berling houdt jacht op de meermin. Zij zag hem aankomen met de bootshaak. Zij werd bang. ’t Scheen wel of zij in ’t water wilde springen; maar zij bedenkt zich en springt aan land.

„Meermin!” roept Gösta, en zwaait de bootshaak over haar hoofd. Zij vlucht in de elzestruiken aan den oever, raakt vast in de dichte takken en blijft staan.

Dan werpt Gösta Berling de bootshaak weg, gaat naar haar toe en legt de hand op haar schouder.

„U is vanavond laat buiten, gravin Elisabeth,” zegt hij.

„Laat mij met rust; laat mij naar huis gaan.”

Hij gehoorzaamt oogenblikkelijk en keert zich om.

Maar omdat zij niet alleen een voorname dame, maar eigenlijk een goed mensch is, die de gedachte niet kan verdragen, dat zij een ander tot vertwijfeling gebracht heeft; omdat zij een klein bloemenmeisje is, die altijd rozen genoeg in haar korf heeft, om ook den eenzaamsten weg te versieren, heeft zij dadelijk spijt, loopt hem na en vat zijn hand.

„Ik kwam....” zegt zij, stotterend, „ik kwam om te.... ach!.... o, u hebt het toch niet gedaan? Toe, zegt u me, dat u ’t niet gedaan hebt! Ik werd zoo bang, toen u op me afkwam; maar ik zocht u juist. Ik wou u vragen er niet meer aan te denken, wat ik laatst gezegd heb, maar weer als vroeger bij ons te komen.”

„Hoe is mevrouw de gravin hierheen gekomen?”

Zij lacht zenuwachtig. „Ik weet wel, dat ik te laat zou komen; maar ik wilde niemand zeggen, dat ik wegging, en dan ook.... u weet wel, dat men niet meer over het meer kan rijden.”

„Is u dan over ’t meer geloopen?”

„Ja, ja, dat ben ik.... maar antwoord me nu. Is u verloofd? U begrijpt wel, dat ik zoo graag zou willen, dat ’t niet waar was. ’t Is immers toch verkeerd en ’t is alsof ’t mijn schuld zou zijn, alles mijn schuld! U moest niet zoo aan een woord van mij hechten. Ik ben immers een vreemde, die de gebruiken van het land niet kent. Het was zoo leeg op Borg, sinds u niet meer bij ons kwaamt.”

Zooals Gösta Berling daar nu staat, tusschen de natte elzestruiken op den moerassigen grond, is het alsof iemand handevol rozen over hem strooit. Tot aan de knieën staat hij in de rozen; zij schitteren voor zijn oogen, in ’t donker; hij ademt begeerig hun geur in.

„Is het gebeurd?” herhaalt zij.

Hij moet haar antwoorden en een einde aan haar angst maken, hoewel hij er zoo gelukkig door is. Hoe warm wordt het in hem en hoe licht, als hij er aan denkt, wat voor een weg zij gegaan is, hoe nat zij is, hoe moe, hoe bang ze moet zijn en hoe haar stem vol tranen is. „Neen,” zegt hij, „Ik ben niet verloofd.”

Dan grijpt ze nog eens zijn hand en drukt die. „Ik ben zoo blij, zoo blij,” zegt zij, en haar borst, die door angst is samengeknepen geweest, trilt nu door haar snikken.

Nu zijn er bloemen genoeg op den weg van den dichter. Al wat donker en slecht en hatelijk is, smelt weg uit zijn hart.

„Wat is u goed, wat is u goed, zegt hij.

Dicht bij hen loopen de golven storm op al de eer en heerlijkheid van Ekeby. Nu hebben de menschen geen leider meer, niemand, die hun moed en hoop inspreekt. Nu stort de golfbreker omver, de golven sluiten zich over hem, en storten, trotsch als overwinnaars, naar de landpunt, waar de molen en de smidse liggen. Niemand werkt meer om de golven weerstand te bieden, niemand denkt nu aan iets anders dan aan leven en have te redden.

De twee jonge menschen vinden het zoo natuurlijk, dat Gösta de gravin naar huis brengt; hij kan haar immers niet alleen laten in den duisteren nacht, haar niet nog eens alleen over het smeltende ijs laten gaan. Zij denken er niet eens aan, dat men hem noodig heeft, daar ginds bij de smidse; zij zijn er zoo blij om, dat ze weer goede vrienden zijn.

’t Ligt zoo voor de hand te gelooven, dat deze jonge menschen een warme liefde voor elkaar koesteren; maar wie kan dit zeker weten? In losse en verspreide stukken heeft het schitterende sprookje van hun leven mij bereikt. Ik weet immers niets van wat er diep in hun zielen leefde. Wat kan ik zeggen van de motieven tot hun daden? Ik weet alleen, dat in dien nacht een jonge schoone vrouw haar leven, haar eer en naam, haar gezondheid waagde, om een armen stumper op den goeden weg terug te brengen. Ik weet alleen, dat in dien nacht Gösta Berling het geliefde landgoed liet ondergaan, om met haar mee te gaan, die om zijnentwil de vrees voor dood en schande en straf overwonnen had.

Vaak heb ik hen in gedachten over ’t ijs gevolgd, dien vreeselijken nacht, die toch voor hen zoo goed afliep. Ik geloof niet, dat er in hun ziel iets verborgens of verbodens was, dat onderdrukt moest worden op dat oogenblik, terwijl zij vroolijk over het ijs loopen, over alles pratende, wat er in den tijd van hun scheiding gebeurd was.

Hij is weer haar slaaf, haar page, die aan haar voeten ligt, en zij is zijn dame. Zij zijn alleen blij, enkel gelukkig. Geen van hen zegt een woord, dat op liefde doelt. Lachende plassen zij door ’t water aan den oever. Zij lachen, als ze verdwalen en als ze den weg vinden, als ze glijden en als ze vallen, en als ze weer opstaan,—altijd lachen ze.

’t Is weer een vroolijk spel, dit gezegende leven, en zij zijn kinderen, die ondeugend geweest zijn en gekibbeld hebben.

Ach! wat is ’t heerlijk weer goede vrienden te zijn en weer als vroeger samen te spelen!

’t Gerucht zweefde heen en weer en te zijner tijd bereikte Anna Stjärnhök het gerucht van deze wandeling.

„Nu zie ik,” zei ze, „dat God meer dan een snaar op zijn lier heeft. Ik zal mijn hart tot rust brengen en hier blijven, waar men mij noodig heeft. God kan een man van Gösta Berling maken, ook zonder mijn hulp.”

XV.

Boete.

Lieve vrienden, als ’t u ooit gebeuren mocht, dat ge een armen stumper op uw weg ontmoet, een bedroefd wezentje, dat haar hoed op den rug laat hangen en de schoenen in de hand draagt, om ook niet de minste beschutting tegen de gloeiende zon en de steenen op den weg te hebben, een hulpelooze, die uit vrijen wil alle smarten laat neerdalen op haar hoofd—gaat haar voorbij met eerbiedig beven.

’t Is de boetvaardige, weet ge?—de boetelinge op weg naar het heilige graf.

De boetelinge draagt een ruwen mantel en leeft van water en brood, al is hij ook een koning. Hij moet loopen en mag niet rijden. Hij moet bedelen—hij mag niets bezitten. Hij moet tusschen de distels slapen. Hij moet de harde grafsteenen uithollen met de knieën. Hij moet den geesel over zijn rug laten gaan. Hij kan slechts vreugde in lijden vinden, geen ander genot dan in smart.

De jonge gravin Elisabeth was eenmaal een van hen, die den ruwen mantel droegen en den weg der doornen gingen. Haar hart klaagde haar aan. Zij smachtte naar lijden, als de vermoeide naar een verkwikkend bad. Nood en ellende bracht zij over zich, en jubelend daalde zij neer in den nacht van smart.

Haar man, de jonge graaf met het oude hoofd, kwam op Borg terug, den morgen na den nacht, toen de molen en de smidse van Ekeby door den stroom waren verwoest. Hij was pas thuis gekomen, toen Gravin Märta hem roepen liet en hem wonderlijke dingen vertelde.

„Je vrouw is uit geweest vannacht, Henrik. Zij bleef vele uren weg. Ze kwam thuis met een man. Ik hoorde hem haar goeden nacht zeggen. Ik weet ook wie hij is. Ik zag haar uitgaan en terugkomen;—dat was zeker haar bedoeling niet. Zij bedriegt je, Henrik. Ze bedriegt je, dat schijnheilige wezen. Ze heeft je nooit liefgehad, mijn arme jongen. Haar vader wilde haar alleen maar goed getrouwd hebben. Zij nam je alleen om bezorgd te zijn.”

Zij deed haar woord zoo goed, dat graaf Henrik buiten zichzelf was. Hij wilde scheiden. Hij wilde zijn vrouw naar haar vader terugzenden.

„Neen, mijn jongen,” zei Gravin Märta; „op die manier zou ze heelemaal te gronde gaan. Zij is verwend en heeft een slechte opvoeding gehad. Laat haar maar aan mij over; ik zal haar wel tot haar plicht terugbrengen.”

En de graaf liet de gravin binnenroepen, om haar te zeggen, dat zij voortaan onder zijn moeder zou staan. Ach, welk een tooneel volgde er nu! Een jammerlijker comedie werd er wel nooit gespeeld in dit huis der smart.

Vele booze woorden sprak hij tot haar. Hij hief zijn handen ten hemel en klaagde dien aan, omdat hij toegelaten had, dat zijn naam door een schaamtelooze vrouw door het slijk gesleurd werd. Hij dreigde haar met de gebalde vuist en vroeg haar welke straf ze groot genoeg achtte voor een misdaad als de hare.

Zij was in ’t geheel niet verlegen voor haar man. Ze meende nog steeds, dat ze goed gehandeld had. Ze zeide hem, dat ze al een geduchte verkoudheid had opgedaan, en dat dàt straf genoeg was.

„Elisabeth,” zegt gravin Märta; „dit is niet iets om gekheid over te maken.”

„Wij beiden,” antwoordt de jonge vrouw, „zijn ’t nooit eens kunnen worden over den rechten tijd voor ernst en gekheid.”

„Maar je moet toch begrijpen, Elisabeth, dat geen eerbare vrouw midden in den nacht uit haar huis gaat, om met een berucht avonturier rond te zwerven.”

Toen begreep Elisabeth Dohna, dat haar schoonmoeder besloten had haar ongelukkig te maken. Ze begreep dat ze tot het uiterste moest strijden, opdat het haar niet gelukken zou een vreeselijke ellende over haar te brengen.

„Henrik, smeekte zij, „laat je moeder zich niet tusschen ons zetten. Laat mij je vertellen hoe alles gegaan is. Je bent rechtvaardig; je zult me niet veroordeelen zonder me te hooren. Laat mij je alles vertellen, en dan zul je zien, dat ik alleen gehandeld heb zooals je me geleerd hebt.”

De graaf knikte zwijgend, als teeken van toestemming. En gravin Elisabeth vertelde nu hoe zij er toegekomen was Gösta Berling op den verkeerden weg te drijven. Zij vertelde alles, ook hoe zij door haar geweten gedreven was geworden uit te gaan en hem te redden, wien zij onrecht gedaan had. „Ik had immers geen recht hem te veroordeelen,” zeide zij, „en mijn man heeft mij zelf geleerd dat geen offer te groot is, als men een onrecht goed wil maken, niet waar, Henrik?”

Graaf Henrik wendde zich tot zijn moeder.

„Wat zegt moeder hiervan?” vroeg hij. Zijn klein lichaam was nu heelemaal stijf van waardigheid, en zijn hoog, smal voorhoofd lag in majestueuze plooien.

„Ik?” vroeg de gravin; „ik zeg, dat Anna Stjärnhök wel wist wat ze deed, toen ze Elisabeth die historie vertelde.”

„Moeder begrijpt me niet,” zei de graaf. „Ik vraag wat moeder van die historie zegt. Heeft gravin Märta Dohna beproefd haar dochter, mijn zuster, over te halen met een ontslagen predikant te trouwen?”

Gravin Märta zweeg een oogenblik. Ach, wat was Henrik toch dom! Nu jaagde hij immers op het verkeerde spoor. Haar jachthond zette den jager na en liet den haas loopen. Maar gravin Märta bleef nooit lang een antwoord schuldig.

„Beste jongen,” zei ze en haalde de schouders op, „er is alle reden om die oude histories te laten rusten, dezelfde reden, waarom ik je ook verzoek alle publiek schandaal te voorkomen. ’t Is namelijk hoogst waarschijnlijk, dat hij vannacht omgekomen is.”

Ze zei dit op zachten, treurigen toon—maar er was geen woord waar van al wat ze zei.

„Elisabeth heeft lang geslapen vanmorgen, en heeft daardoor niet gehoord, dat er al menschen om het meer heen zijn gezonden om Gösta Berling te zoeken. Hij is niet naar Ekeby teruggekomen, en men vreest dat hij verdronken is. ’t IJs is van morgen gaan kruien. Zie maar, de storm heeft het aan duizend stukken geslagen.”

Gravin Elisabeth zag naar buiten. Het meer was bijna vrij van ijs.

Toen schaamde zij zich over zichzelf. Zij had God’s rechtvaardigheid willen ontvluchten. Zij had gelogen en gehuicheld. Zij had zich gehuld in ’t kleed van de onschuld.

De wanhopige vrouw wierp zich op de knieën voor haar man, en de bekentenis barstte los van hare lippen.

„Veroordeel me, verstoot me! Ik heb hem liefgehad. Twijfel er niet aan of ik hem heb liefgehad! Ik ruk mij de haren uit; ik verscheur mijn kleeren van smart. Ik geef om niets meer, nu hij dood is. Ik wil mij niet meer verdedigen. Je zult alles weten. Ik heb de liefde van mijn hart van mijn man weggenomen en die aan een vreemde gegeven. Ach, ik ongelukkige, ik heb mij laten verlokken tot verboden liefde.”

Arme, jonge, wanhopige vrouw! Lig daar aan de voeten van uw rechters en zeg hun alles. Wees welkom, martelaarschap! Wees welkom, schande! Ach, kondt gij den bliksem van den hemel afroepen over uw jong hoofd!

Zeg uw man, hoe ontzet ge waart, toen de hartstocht over u kwam, geweldig en onweerstaanbaar, hoe ge hebt gesidderd over de ellendigheid van uw hart. Liever hadt ge de spoken op het kerkhof van aangezicht tot aangezicht gezien, dan de demonen in uw eigen ziel.

Zeg hun, hoe gij, van Gods aangezicht verdreven, u onwaardig voelde op aarde te zijn. Onder tranen en gebeden hebt ge gestreden. „O, God, red mij! O, Zone Gods, die de duivelen uitdrijft, red mij,” hebt gij gebeden. Zeg hun, dat ge meendet, dat het ’t best was alles te verbergen. Niemand zou weten hoe slecht ge waart. Ge meendet, dat het God welbehagelijk was zoo te handelen. Ge geloofdet ook, dat het de weg Gods was, dien ge gingt, toen ge den man, dien ge lief hadt, wilde redden. Hij wist niets van uwe liefde.

Hij zou niet verloren gaan om uwentwil. Wist gij wat recht of wat onrecht was? God alleen wist het en hij had u veroordeeld. Hij had den afgod van uw hart getroffen. Hij had u gevoerd op den grooten weg der boete en der verlossing.

Zeg hun, dat ge weet, dat verbergen geen redding brengt. De demonen hebben het duister lief. Laat de handen van uw rechters zich maar om den geesel klemmen. De straf zal als verzachtende balsem op de wond der zonden dalen. Uw hart smacht naar lijden.

Zeg hun dit alles, terwijl ge daar op uw knieën ligt op den vloer, de handen wringt in uw vreeselijke smart, spreekt op den woesten toon der vertwijfeling en met een wilden lach de gedachte begroet aan straf en schande, tot uw man u aangrijpt en u opheft van den vloer.

„Gedraag je zooals ’t een gravin Dohna past; anders zal ik moeder moeten verzoeken je als een kind te tuchtigen.”

„Doe met mij wat je wilt!”

Daar valt het vonnis van den graaf:

„Moeder heeft voor je gesproken. Daarom mag je in mijn huis blijven wonen. Maar in ’t vervolg zal zij bevelen en jij gehoorzamen.”


Zie den weg der boete! De jonge gravin is de geringste der dienstmaagden geworden.

Hoe lang, ach, hoe lang?

Hoe lang zal een trotsch hart zich kunnen buigen? Hoe lang ongeduldige lippen zwijgen? Hoe lang een heftige hand teruggehouden worden?

Weldadig is de ellende der vernedering. Terwijl de rug zeer doet door den zwaren arbeid, zwijgt het hart. Bij hen, die maar een paar uren op den harden stroozak rusten, komt de slaap ongeroepen.

Zelfs als de oude vrouw tot een boozen geest wordt, om de jonge genoeg te kunnen plagen, dankt zij haar weldoenster. Nog is het kwaad niet dood in haar. Jaag de doodmoede op, ieder morgen om vier uur. Draag de ongeoefende werkster een zware dagtaak op aan ’t zware weefgetouw. Dat is goed! De boetvaardige heeft misschien geen kracht genoeg om zelf den geesel voldoende te zwaaien.

Als de tijd van de groote voorjaarswasch komt, laat gravin Märta haar aan de tobbe in ’t waschhok staan. Zij komt zelf om op ’t werk toe te zien. „’t Water in je tobbe is koud,” zegt zij, neemt kokend water uit een pan en giet het haar over de bloote armen.

’t Is een koude dag, als de waschvrouwen aan het meer moeten staan en het goed uitspoelen.

Regenbuien stroomen op hen neer, met sneeuw vermengd, en doorweeken hun kleeren. Die worden koud en zwaar als lood.’t Is een hard werk wat ze moeten doen. Het bloed springt te voorschijn van onder de fijne nagels.

Maar gravin Elisabeth klaagt niet. Gods goedheid zij geloofd! Waar vindt de boetvaardige meer verlichting dan in lijden? Als rozebladen dalen de geeselslagen op haar rug.

De jonge vrouw verneemt spoedig, dat Gösta Berling leeft. De oude heeft haar door list tot bekentenis willen brengen. Maar wat zou dat? Het was Gods wil. God heeft het zoo beschikt. Zoo is de zondares op den reddenden weg der verzoening gelokt.

Er is maar één ding, dat haar beangstigt. Hoe zal het haar schoonmoeder gaan, wier hart om harentwille verhard werd? O, God zal haar genadig oordeelen. Zij moet boos zijn, om de zondares te helpen Gods liefde te herwinnen.

Zij wist niet hoe vaak een ziel, die alle ander genot beproefd heeft, eindelijk haar vreugde in wreedheid zoekt. Als de ongeduldige, verduisterde ziel vleierij en liefkoozingen, de prikkeling van dans en spel mist, dan zinkt ze neer in haar eigen duistere diepte en zoekt de wreedheid. Dan is er nog een bron van genot voor het verslapt gevoel in ’t pijnigen van dieren en menschen.

De oude is zich geen boosaardigheid bewust.

Ze gelooft, dat ze een lichtzinnige echtgenoote straft. Ze ligt des nachts wakker en bedenkt nieuwe pijnigingen. Wee haar, ze bedrijft heiligschennis. De arbeid zelf, die groote weldaad, verandert zij in een straf en een plaag.

Op een avond gaat zij door het huis en laat de gravin haar met een kaars bijlichten.

Zij draagt die in de hand zonder blaker.

„De kaars is opgebrand,” zegt de jonge gravin.

„Laat dan den kandelaar branden,” antwoordt gravin Märta.

En zij gaan voort, tot de walmende pit uit gaat op de verbrande hand.

Maar dit zijn maar kleinigheden. Er zijn pijnigingen voor de ziel, die alle lichamelijke pijnen te boven gaan. Gravin Märta noodigt gasten en laat de huisvrouw dienen aan haar eigen tafel.

Zie, dat is een vreeselijke dag voor de boetelinge. Vreemde menschen zullen haar in haar vernedering zien. Zij zullen het zien, dat zij niet meer waardig is aan de tafel van haar man te zitten. O, hoe honend zullen hun koele blikken op haar rusten! Maar ’t is erger, veel erger! Niemand ziet haar aan. Allen zitten stil en gedrukt aan tafel. Mannen en vrouwen zijn even ontstemd. Maar zij verzamelt al die dingen en legt ze als gloeiende kolen op haar hoofd. Is haar zonde zóo vreeselijk? Is het een schande, in haar nabijheid te zijn?

Maar dan komt de verzoeking: Anna Stjärnhök, die haar vriendin geweest is, en haar buurman, de rechter van Munkerud, slaan de armen om haar heen, als ze bij hen komt, nemen haar den schotel met vleesch uit de hand, schuiven een stoel aan en willen haar niet loslaten.

„Kom hier zitten, mijn kind, kom hier zitten,” zegt de rechter. „Je hebt niets kwaads gedaan.”

En als uit éen mond verklaren alle gasten dat zij, als zij niet aan tafel blijft zitten, allen zullen heengaan. Zij zijn geen beulen. Zij willen niet naar de pijpen van gravin Märta dansen. Zij laten zich niet zoo gemakkelijk wat wijs maken als die schaapskop van een graaf.

„Ach, goede heeren, ach, lieve vrienden! Weest niet zoo barmhartig. U dwingt er me toe zelf mijn zonde bekend te maken. Er is éen, dien ik te lief gehad heb.”

„Kind, je weet niet eens wat zonde is. Je weet niet hoe onschuldig je bent. Gösta Berling wist immers niet eens, dat je van hem hield. Neem nu in je huis de plaats weer in, die je toekomt. Je hebt niets kwaads gedaan.”

Zij doen haar moed herleven voor een poosje, en zijn op eens zelf zoo vroolijk als kinderen. Gelach en scherts klinken om de tafel. Die driftige, lichtbewogen menschen, ze zijn zoo goed; maar ze zijn toch van den Booze gezonden. Zij willen haar wijsmaken dat ze een martelares is, en honen openlijk gravin Märta, alsof ze een heks was. Maar zij begrijpen het niet. Ze weten niet hoe de ziel naar reinheid smacht; zij weten niet hoe de boetvaardige door haar hart gedwongen wordt de steenen op den weg en de gloeiende zon te verdragen.

Soms dwingt gravin Märta haar dagen lang aan het borduurraam te zitten, en dan vertelt ze eindelooze geschiedenissen van Gösta Berling, dien predikant en avonturier. Reikt haar geheugen niet ver genoeg, dan verzint ze maar wat. Ze zorgt er alleen voor, dat zijn naam den heelen dag de jonge vrouw in de ooren klinkt. Daar is zij ’t meest bang voor. Op zulke dagen voelt zij, dat haar boete nooit eindigen zal. Haar liefde zal niet sterven. Zij gelooft, dat zij zelf eerder sterven zal. Haar lichaamskrachten gaan haar begeven. Ze voelt zich dikwijls zoo ziek.

„Maar waar blijft je ridder toch?” vraagt de gravin, honend. „Dag aan dag verwacht ik, dat hij komen zal aan ’t hoofd van de kavaliers. Waarom bestormt hij Borg niet, zet je op den troon, en werpt je man en mij geboeid in den toren? Heeft hij je al vergeten?”

Zij zou hem wel willen verdedigen en vertellen, dat ze zelf hem verboden heeft haar op welke wijze ook te helpen. Maar, neen, ’t is beter te zwijgen, te zwijgen en te lijden.

Dag aan dag wordt ze door overspanning verteerd. Ze heeft aanhoudend koorts, en is zoo moe, dat zij zich nauwelijks op de been kan houden. Zij verlangt alleen te sterven. Haar sterke levenslust is onderdrukt. Liefde en vreugde wagen zich niet meer te bewegen. Zij heeft voor het lijden geen vrees meer.

’t Is of haar man niet meer weet, dat zij bestaat. Hij zit bijna den heelen dag in zijn kamer, en studeert in half onleesbare handschriften en oud, vuil, gedrukt papier. Hij leest perkamenten bewijzen van adel, met het groote, geweldige, Zweedsche rijkszegel er aan, van rood was in een gedraaid, houten huisje bewaard. Hij bestudeert oude wapens met lelies in een wit veld en een gier in een blauw veld. Zulke dingen begrijpt hij, en hij kan ze gemakkelijk vertalen. En hij leest en herleest oude lijkredenen en bijzonderheden over de edele graven Dohna, waarin hun daden vergeleken worden met die van Israël’s helden en de goden van Hellas.

Al die oude dingen hadden hem altijd genot verschaft. Maar om zijn jonge vrouw geeft hij niet meer.

Gravin Märta heeft een woord gezegd, dat alle liefde in hem gedood heeft: „Zij heeft je om je geld genomen.” Dat kan geen enkel man verdragen. Dat dooft alle liefde. Nu was ’t hem onverschillig, hoe het de jonge vrouw ging. Als zijn moeder haar tot haar plicht terug kon brengen, des te beter. Graaf Henrik bewonderde zijn moeder zeer.

De ellende duurde een maand lang. Maar die heele tijd was natuurlijk niet zoo stormachtig en bewogen, als het schijnt, wanneer de gebeurtenissen op een paar bladzijden bij elkaar gedrongen worden. Gravin Elisabeth moet voor het oog altijd heel kalm geweest zijn. Alleen toen ze hoorde, dat Gösta Berling dood zou zijn, was ze door haar ontroering overmeesterd. Maar zóó groot was haar berouw, omdat ze de liefde voor haar man niet had kunnen bewaren, dat ze waarschijnlijk zich door gravin Märta zou hebben laten doodplagen, als niet op een avond haar oude huishoudster met haar gesproken had.

„Mevrouw de gravin moet met den graaf spreken,” zei de oude. „Lieve hemel, mevrouw lijkt wel een kind. Mevrouw weet misschien niet eens wat haar wacht, maar ik zie wel hoe de zaken staan.”

Maar dàt kon ze juist haar man niet zeggen, nu hij zulk een vreeselijk wantrouwen tegen haar koesterde.

Dien nacht kleedde zij zich stil aan en ging uit. Zij droeg een gewoon boerinnekostuum en had een pakje in de hand. Zij was van plan haar huis te verlaten en nooit terug te komen. Zij ging niet heen om smart en lijden te ontkomen. Maar nu geloofde zij, dat God haar een teeken gegeven had, dat ze heengaan mocht, omdat ze haar lichaamskracht en gezondheid bewaren moest.

Ze ging niet naar ’t Westen over ’t meer, want daar woonde hij, dien ze liefhad. Ze ging ook niet naar ’t Noorden, want daar woonden velen van haar vrienden, en ook niet naar ’t Zuiden, want daar was haars vaders huis, en dat wilde zij geen stap nader komen. Maar ze ging naar het Oosten, want ze wist, dat ze daar geen tehuis had, geen geliefden vriend, geen mensch, dien ze kende, geen hulp of troost.

Ze ging niet met een licht hart, want zij voelde zich niet verzoend met God. Maar toch was zij er blij om, dat zij den last van haar zonde in ’t vervolg onder vreemden zou dragen. Hun onverschillige blikken zouden op haar rusten, verzachtend als ijs op een gezwollen lichaamsdeel.

Zij zou loopen tot ze een armoedig huis aan den boschkant zag, waar niemand haar kende. „Ge ziet wel hoe ’t met me gesteld is en mijn ouders hebben me weggejaagd,” zou ze zeggen. „Geef me voedsel en kleeren en een dak boven mijn hoofd, tot ik zelf mijn brood kan verdienen. Ik heb nog wel wat geld.”

Zoo ging ze langzaam weg in den lichten Juninacht, want de maand Mei was onder haar bitter lijden voorbij gegaan.

Ach, Meimaand! Schoone tijd, als de berkeboomen hun lichtgroen in het duister van het dennenbosch doen lichten, als de Zuidenwind weer komt, verzadigd van warmte. Ik schijn wel heel ondankbaar, meer dan anderen, die zich over uw gaven verheugen, heerlijke maand. Met geen enkel woord heb ik uw schoonheid geprezen. Ach, Meimaand, heerlijke lichte maand, hebt ge wel eens op een kind gelet, dat op moeders schoot zit en sprookjes hoort vertellen? Zoolang het kind hoort van wreede reuzen en het bitter lijden van schoone prinsessen, houdt het zijn hoofd omhoog en de oogen open; maar als de moeder van geluk en zonneschijn gaat vertellen, dan sluit de kleine de oogen en slaapt stil in met het hoofd aan haar borst.

Zie, lieve Meimaand, zoo’n kind ben ik ook. Laat anderen luisteren naar verhalen van bloemen en zonneschijn, ik voor mij verkies de donkere nachten vol visioenen en avonturen; ik verkies de treurige levens, de smartelijke hartstochten van verdoolde harten.