WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 20: XVI. Het ijzer van Ekeby.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

XVI.

Het ijzer van Ekeby.

Het was voorjaar, en het ijzer van alle ijzermijnen van Wermeland moest naar Götaborg gezonden worden.

Maar op Ekeby had men geen ijzer om te verzenden. In ’t najaar was er gebrek aan water geweest; in ’t voorjaar hadden de kavaliers geregeerd.

In dien tijd schuimde het sterke bier langs de breede grauwe steenen trappen van den Björksjöwaterval, en het lange Löfvenmeer was niet meer met water, maar met brandewijn gevuld. In hun tijd werd er geen ijzer in den oven gelegd; maar de smeden stonden met schootsvel en op klompen voor het vuur, en draaiden onmetelijke stukken gebraad om aan ’t lange spit, en de smidsjongens hielden met lange tangen gelardeerde kapoenen boven ’t vuur. In die dagen ging er dans over de heuvels; men sliep op de schaafbank en speelde kaart aan het aanbeeld.

In die dagen werd geen ijzer gesmeed.

Maar het voorjaar kwam, en op de kantoren van de groothandelaars te Götaborg begon men op het ijzer van Ekeby te wachten. Men haalde de contracten voor den dag, die met den Majoor en de Majoorske gesloten waren en daarin stonden leveranties van vele honderden ponden genoemd.

Maar wat gaven de kavaliers om de contracten van de Majoorske! Zij onderhielden de vreugde en ’t vioolspel en de feesten. Zij zorgden er voor, dat de dans over de heuvelen ging.

Er kwam ijzer van Stömne, er kwam ijzer van Sölje. Van Kymsberg werd ijzer aangevoerd over de heide naar ’t Weenermeer.

Van Uddeholm kwam ijzer en van Munkefors en van alle hoeven. Maar waar blijft het ijzer van Ekeby?

Is Ekeby niet meer de grootste ijzermijn van Wermeland? Waakt niemand voor de eer van het oude goed?

Dat is aan onverschillige kavaliers overgelaten, die den dans laten gaan over de heuvelen. Voor wat anders kunnen hun armzalige hersens zorgen?

Maar waterval en beek, schuiten en pramen, havens en sluizen verwonderen zich en vragen: „Komt het ijzer van Ekeby niet?”

En er wordt gefluisterd en gevraagd in berg en dal, in bosch en meer: „Komt het ijzer van Ekeby niet? Komt er nooit meer ijzer van Ekeby?”

En diep in de bosschen lacht de kolenbranderij, en het is alsof de koppen van de groote hamers in de donkere smidse honend grijnzen; de groeven doen hun groote muilen open en schateren; de lessenaars op de kantoren van de groothandelaars, waarin de contracten met de Majoorske liggen, schudden van ’t lachen.

„Heb je ooit zoo iets geks gehoord? Ze hebben geen ijzer op Ekeby! O, in de beste mijn van heel Wermeland hebben ze geen ijzer!”

Op, zorgeloozen! op, zwervers! Hoe kun jullie ’t verdragen, dat zulk een schande over Ekeby komt?

Zoo waarachtig je dat mooiste plaatsje op Gods groene aarde lief hebt, zoo waarachtig dat het doel is, waarnaar je verlangen uitgaat in den vreemde, zoo waarachtig je het niet noemen kunt onder vreemden zonder tranen in de oogen te krijgen, staat op kavaliers, en redt de eer van Ekeby!

Nu, al hebben de hamers van Ekeby gerust, dan hebben ze toch wel gewerkt in de zes andere mijnen. Er moet genoeg ijzer zijn, meer dan genoeg!

En Gösta Berling gaat op reis, om met de opzichters van de zes andere mijnen te spreken. Op Lögfors, dat dicht bij de Björksjöbeek even boven Ekeby lag, vond hij ’t niet noodig te vragen. Dat lag al te dicht bij Ekeby en was geheel onder het beheer van de kavaliers geweest. Maar hij reed een paar mijl naar ’t Noorden, naar Lötafors. Daar was ’t mooi, dat was zeker! ’t Boven-Löfvenmeer breidde er zich voor uit, en vlak er achter lag de Gurlita Klätt met zijn steilen top en zijn wild, romantisch aanzien, dat zoo goed bij een ouden berg past. Maar de smidse, die is niet in orde. Het drijfwerk is kapot en is ’t geheele jaar kapot geweest.

„Maar waarom is ’t niet gemaakt?”

„De timmerman, beste vriend, de timmerman, de eenige in den omtrek, die het maken kan, was op andere plaatsen in beslag genomen.”

„Maar waarom heb je hem geen boodschap gestuurd?”

„Een boodschap! Alsof we niet den eenen bode na den anderen gezonden hebben! Elken dag! Maar hij kon immers niet komen! Hij had het te druk met het bouwen van kegelbanen en prieeltjes op Ekeby!”

Toen werd het plotseling Gösta Berling duidelijk hoe ’t hem op deze reis gaan zou.

Hij trekt verder naar ’t Noorden, naar Björnide. IJzer! Is er ijzer? Neen, natuurlijk niet! Zij hadden immers geen kolen gehad, en van Ekeby hadden ze geen geld voor de kolenbranders gekregen, noch mannen om de kolen te halen. ’t Werk had den heelen winter stilgestaan.

Dan gaat Gösta naar ’t Zuiden. Hij komt bij Hän aan den oostelijken oever van ’t Löfvenmeer, en bij Löfstafors, diep in ’t bosch, en bij Elgfors—maar ’t gaat hem daar niet beter. Nergens hebben ze ijzer, en overal schijnt het, dat het de schuld van de kavaliers is, dat er niets is.

Dan gaat Gösta terug naar Ekeby. En de kavaliers zien met sombere gezichten naar de vijftig pond die in ’t magazijn liggen, en ze buigen de hoofden van smart en schaamte, want zij hooren hoe heel de natuur honend om Ekeby lacht, en het komt hen voor, als beefde de aarde van snikken, als dreigden de boomen hen met booze gebaren, als klaagden gras en kruid—omdat het gedaan is met de eer van Ekeby.

Maar waarom toch al dat gepraat en al die verwondering? Daar is het ijzer van Ekeby immers!

Daar is het, op pramen geladen aan den oever van den Klarelv, klaar om de beek afgevoerd te worden, klaar om gewogen te worden op de ijzerwaag te Karlstad, klaar om op een Weener schuit naar Götaborg gebracht te worden. Dus de eer van Ekeby is gered.

Maar hoe is dat mogelijk? Op Ekeby was immers niet meer dan vijftig pond ijzer; op de zes andere plaatsen was immers niets? Hoe is ’t nu mogelijk, dat volgeladen pramen nu een ongehoorde menigte ijzer naar de waag te Karlstad kunnen brengen?

Ja, dat moet ge de kavaliers vragen.

De kavaliers zijn zelf aan boord van de zware, leelijke vaartuigen. Zij zijn van plan zelf het ijzer van Ekeby naar Götaborg te brengen. Geen gewone veerman mag meegaan. De kavaliers zijn zelf gekomen met flesschen en proviandkorven, met waldhoorn en viool, met geweren en vischsnoeren en kaarten. Zij willen alles voor hun dierbaar ijzer doen, en ’t niet verlaten, eer het aan de kade te Götaborg gelost is. Ze willen zelf lossen en laden, op het zeil en het roer passen. Zij zijn juist de rechten om dat goed te doen. Is er wel een zandbank in de Klarelv of een rif in ’t Weenermeer, dat zij niet kennen? Vat hun hand niet even zeker het roer of de talie als den strijkstok of den teugel?

Geen van de kavaliers is thuis gebleven. Oom Eberhard heeft zijn schrijflessenaar verlaten, neef Christoffel kwam uit den hoek bij de kachel. Zelfs de stille Löwenborg ging mee. Niemand houdt zich terug, als het de eer van Ekeby geldt.

Maar het is niet goed voor Löwenborg den Klarelv te zien. Hij heeft hem in zeven-en-dertig jaar niet gezien, en al dien tijd is hij niet meer in een boot geweest. Hij haat de glinsterende oppervlakte van het meer en de grijze beken. Hij denkt aan al te droevige dingen, als hij op het water komt, en daarom doet hij het liever niet. Maar vandaag kon hij niet tehuis blijven. Hij moest ook mee de eer van Ekeby te redden. Voor zeven-en-dertig jaar heeft hij zijn bruid in den Klarelv zien verdrinken, en sinds dien tijd is zijn arm hoofd vaak verward geweest.

En terwijl hij daar staat en naar de beek ziet, beginnen zijn oude hersens meer en meer beneveld te worden. Die grauwe beek, die daar wegspoelt met zooveel kleine, blinkende golfjes, is een groote slang met zilveren schubben, die op roof loert. De hooge, gele zandmuren aan weerskanten zijn de wanden van een val. Op den bodem ligt de slang, en de breede landweg, die door den wand heen breekt en door mul zand naar ’t veer loopt, waar naast de pramen vastliggen, is de ingang naar dat vreeselijk hol des doods.

En de kleine, oude man staat met zijn blauwe oogjes te staren. Zijn lange, witte haren fladderen in den wind, en zijn wangen, gewoonlijk zachtrood, zijn doodsbleek van angst. Hij weet zoo zeker, of iemand ’t hem gezegd heeft, dat er spoedig langs dien weg iemand komen zal en zich in den muil van de loerende slang werpen.

Nu zijn de kavaliers gereed van wal te steken. Zij grijpen de lange stangen, om de pramen midden in den stroom te steken; maar daar roept Löwenborg, plotseling: „Houd op, om Godswil! Houd op!”

Zij weten wel, dat hij weer verward wordt, omdat hij de praam onder zich voelt bewegen, maar onwillekeurig heffen zij de stangen nog niet op. En hij, die ziet, dat de beek op roof loert en dat er noodzakelijk een moet komen, om zich in haar muil te werpen, wijst waarschuwend naar den weg, alsof hij iemand komen ziet.

Dit weten wij allen, dat ’t leven vaak zulke toevalligheden meebrengt, als wat er nu volgen zal. Hij, die daar nog verbaasd over wezen kan, mag zich er over verwonderen, dat de kavaliers met hun pramen juist aan het meer bij Klarelv moesten liggen op den morgen na den nacht, toen Gravin Elisabeth haar tocht naar ’t Oosten begon. Maar het zou nog veel wonderlijker geweest zijn, als de jonge vrouw geen hulp in haar nood had gevonden. Het trof nu zoo, dat zij, die den heelen nacht geloopen had, langs den weg kwam, die naar het veer leidde, juist toen de kavaliers van land wilden stooten. En zij bleven staan en zagen naar haar, terwijl zij met den veerman sprak en hij zijn boot losmaakte. Zij was gekleed als een boerenmeisje en zij vermoedden niet wie zij was. Maar zij keken haar toch aan, omdat zij er zoo bekend uitzag. Terwijl zij nu met den veerman stond te praten, werd er een stofwolk zichtbaar op den weg, en uit die stofwolk kwam een groote gele calèche te voorschijn. Zij begreep dadelijk, dat die van Borg kwam, dat zij haar zochten, en dat zij nu ontdekt zou worden. Zij kon er niet aan denken in de boot van den veerman weg te komen, en de eenige schuilplaats, die zij zag, waren de pramen van de kavaliers. Zij vloog er heen, zonder te zien wie er aan boord was. En ’t was goed dat ze ’t niet zag, want anders had zij zich liever onder de hoeven van de paarden geworpen, dan tot hen haar toevlucht te nemen.

Toen ze aan boord was, riep ze alleen: „Verberg mij, verberg mij!” En toen struikelde zij en viel op het ijzer. Maar de kavaliers spraken haar moed in. Zij stootten snel van land, zoodat de pramen in den stroom kwamen en naar Karlstad dreven, juist toen de calèche bij den veerman kwam.

In den wagen zaten gravin Märta en graaf Henrik. De graaf liep op den veerman toe om hem te vragen of hij de gravin gezien had. Maar daar hij een beetje verlegen was, omdat hij naar zijn weggeloopen vrouw moest vragen, zei hij alleen:

„Er is iets weggeraakt.”

„Zoo?” antwoordde de veerman.

„Er is iets weggeraakt. Ik vraag of je iets gezien hebt.”

„Waar vraagt u naar?”

„Dat doet er niet toe; maar er is iets weggeraakt. Ik vraag of je iets over de beek hebt gezet vandaag.”

Maar op die manier kwam hij niets te weten, en gravin Märta moest zelf met den veerman spreken. Een minuut later wist zij, dat zij, die zij zochten aan boord van een van die langzaam voortglijdende pramen was.

„Wat zijn dat voor menschen op die pramen?”

„Och, dat zijn immers de kavaliers, zooals wij ze noemen.”

„O zoo!” zegt de gravin. „Ja, dan is je vrouw goed bewaard, Henrik. Dan kunnen we even goed dadelijk weer naar huis gaan.”


Maar op de pramen heerscht nu juist niet zulk een groote vreugde als gravin Märta meende. Zoolang de gele calèche in ’t gezicht was, zat de verschrikte jonge vrouw in elkaar gedoken op de lading, zonder zich te verroeren of een woord te spreken. Zij staarde maar voor zich heen in ’t water.

’t Is zeer waarschijnlijk, dat zij de kavaliers pas herkende, toen zij de gele calèche had zien verdwijnen. Zij vloog op. ’t Was alsof ze opnieuw vluchten wilde; maar zij werd door de naastbijstaanden teruggehouden en zonk toen zacht jammerend weer neer op de lading.

En de kavaliers durfden niet tegen haar te spreken of haar iets te vragen. Zij zag er uit alsof zij aan den rand van den waanzin stond.

De hoofden der zorgeloozen begonnen gebukt te gaan onder hun verantwoordelijkheid.

Dat ijzer alleen was al een zware last voor hun ongeoefende schouders, en nu moesten ze bovendien nog op een jonge adellijke dame passen, die van haar man gevlucht was.

Als ze die jonge vrouw op de winterfeesten ontmoet hadden, was ’t dezen of genen onder hen gebeurd, dat hij aan een klein zusje dacht dat hij eens heel lief gehad had. Als hij met haar gespeeld had en zijn kracht gemeten, dan had hij haar voorzichtig moeten aanpakken; als hij met haar sprak, was hij gewoon op zichzelf te passen en geen leelijke woorden te gebruiken. Als een vreemde jongen onder ’t spelen ruw tegen haar geweest was of leelijke liedjes voor haar gezongen had, dan had hij zich op dien jongen geworpen met grenzenlooze verbittering en hem half dood geslagen; want zijn zusje moest nooit iets leelijks hooren of verdriet hebben of kennis maken met slechtheid en onvriendelijkheid.

Gravin Elisabeth was de vroolijke zuster van alle kavaliers geweest. Als zij haar handje in hun harde vuisten gelegd had, was het geweest alsof ze gezegd had: „Voel hoe zwak ik ben; maar u is mijn groote broer; u zult mij beschermen tegen anderen, tegen u zelf.” En zij waren hoffelijke ridders geweest, zoolang zij haar gezien hadden.

Nu zagen de kavaliers haar ontzet aan en herkenden haar nauwlijks. Zij was vervallen en vermagerd. Haar hals had zijn ronding verloren, haar gezichtje was doorschijnend. Zij had zich zeker gestooten op haar nachtelijke wandeling; want nu en dan siepelde er een bloeddroppel uit een wondje aan haar slaap, en haar licht krullend haar, dat over het voorhoofd hing, was aan elkaar gekleefd door bloed. Haar kleed was vuil na de lange wandeling op wegen, vochtig van dauw en haar schoenen zagen er treurig uit. De kavaliers hadden ’t gevoel alsof zij een vreemde was. Die gravin Elisabeth, die ze gekend hadden, had niet zulke wilde, brandende oogen. Hun arm zusje was bijna tot waanzin gebracht. Het was alsof een ziel, uit een andere wereld neergedaald, met de werkelijke ziel streed om de heerschappij in dit gepijnigde lichaam.

Maar zij behoeven zich niet te bekommeren over de vraag, wat zij met haar moeten doen.

De oude gedachten worden bij haar wakker.

Daar is de verzoeking immers weer. God wil haar opnieuw beproeven. Zie, nu is zij onder vrienden. Is zij nu voornemens den weg der boete te verlaten?

Zij staat op en roept, dat ze weg moet.

De kavaliers beproeven de gravin te kalmeeren. Zij zeggen haar, dat ze gerust kan zijn. Zij zullen haar voor alle vervolging beschutten.

Zij smeekt in de kleine boot te mogen gaan, die zij achter de praam aan sleepen, aan land te mogen roeien en haar tocht alleen voort te zetten.

Maar zij kunnen haar immers niet laten gaan. Wat moet er van haar worden? Het is beter, dat ze bij hen blijft. Wel zijn ze maar arme, oude lieden, maar zij zullen er wel wat op vinden haar te helpen.

Dan wringt ze de handen en smeekt hen haar te laten gaan. Maar zij kunnen dat verzoek niet inwilligen. Ze zien, dat ze zoo zwak en ellendig is, dat ze op den weg sterven zal.

Gösta Berling staat een eind van hen af en staart neer in ’t water. Misschien wil die jonge vrouw hem liefst niet zien. Hij weet het niet, maar zijn gedachten spelevaren en juichen. „Nu weet niemand, waar ze is,” denkt hij; „nu kunnen wij haar mee naar Ekeby nemen. Wij houden haar daar verborgen, wij kavaliers! en wij zullen goed voor haar zijn. Zij zal onze Koningin, onze heerscheres zijn, maar niemand zal weten, dat ze daar is. Wij zullen haar zoo goed bewaken, zóó goed! Misschien kan ze gelukkig bij ons worden: al de ouden zullen haar met liefderijke zorg, als een dochter behandelen.

Hij heeft zich nooit durven afvragen of hij haar liefheeft. Hij kan haar niet tot de zijne maken zonder zonde, en hij wil haar niet neerhalen tot iets laags of slechts; dat was alles, wat hij wist! Maar haar op Ekeby te verbergen en goed voor haar te zijn, nu anderen slecht voor haar geweest zijn, haar al het goede te laten genieten wat ’t leven maar geven kan, och, wat een droom, wat een zalige droom!

Maar hij wordt daaruit gewekt, want de jonge gravin is wanhopend, en haar woorden hebben den snijdenden klank der vertwijfeling. Zij ligt op de knieën tusschen de kavaliers en smeekt weg te mogen gaan.

„God heeft mij nog niet vergeven,” roept zij; „laat mij gaan!”

Gösta ziet, dat geen van de anderen in staat is haar te gehoorzamen. Hij ziet in, dat hij het doen moet. Hij, die haar liefheeft, hij moet het doen.

Het was zwaar voor hem naar haar toe te gaan. ’t Was of ieder lid van zijn lichaam er zich tegen verzette. Hij sleept zich naar haar voort en zegt, dat hij haar aan land wil zetten.

Zij staat dadelijk op. Hij draagt haar in de boot en roeit met haar naar den oostelijken oever. Hij legt aan bij een klein plankje en helpt haar uit de boot.

„Wat zal er nu van u worden, mevrouw de gravin?” zegt hij.

Zij heft ernstig den vinger omhoog en wijst naar den hemel.

„Als u ooit in nood komt....”

Hij kan niet spreken; zijn stem begeeft hem, maar zij begrijpt hem en antwoordt:

„Ik zal u bericht zenden, als ik u noodig heb.”

„Ik zou u zoo graag voor alle kwaad bewaren,” zegt hij.

Zij reikt hem de hand ten afscheid, en hij is niet in staat iets meer te zeggen. Haar hand ligt koud en slap in de zijne.

Zij heeft geen oor voor iets anders dan voor de inwendige stemmen, die haar dwingen onder vreemden te gaan. Zij weet nauwlijks, dat het juist de man is, dien ze liefheeft, dien ze nu verlaat.

En zoo laat hij haar gaan en roeit naar de kavaliers terug.

Toen hij weer op de praam terugkwam, beefde hij van vermoeidheid, en zag er afgemat en zwak uit. Het was hem alsof hij ’t zwaarste werk in zijn leven verricht had. Nog een paar dagen hield hij moed, tot de eer van Ekeby gered was. Hij bracht het ijzer naar de waag te Karlstad. Maar toen was het voor langen tijd uit met zijn kracht en levensmoed.

De kavaliers merkten niets aan hem zoolang zij aan boord waren. Hij hield elke zenuw gespannen, om vroolijk en zorgeloos te schijnen; want door vroolijkheid en zorgeloosheid moest de eer van Ekeby worden gered. Hoe zou dit gewaagde spel gelukken, als zij begonnen waren met bekommerde gezichten en bedrukte harten?

Als het nu waar is, wat het gerucht zegt, dat de kavaliers meer zand dan ijzer in de pramen hadden; als het waar is, dat ze onophoudelijk dezelfde stangen heen en weer naar de waag te Karlstad droegen, tot al de vele honderden ponden waren afgewogen—als het waar is, dat dit alles gebeuren kon, omdat de weger en zijn ondergeschikten zoo goed getracteerd werden uit de flesschen en de manden met proviand, die de kavaliers van Ekeby hadden meegenomen, dan kan men wel begrijpen, dat zij vroolijk moesten zijn op de ijzerpramen.

Wie kan dat nu weten? Maar als het zoo was, is het zeker, dat Gösta Berling geen tijd had om te treuren.

Gösta voelde niets van de vreugde van ’t avontuur en ’t gevaar. Zoo vaak hij durfde, zonk hij ineen van vertwijfeling.

„Ekeby! Land, dat ik liefheb,” sprak hij dan in zichzelf, „dat uw eer strale over de wereld!”

Zoo spoedig de kavaliers de quitantie van den weger hadden gekregen, laadden zij hun ijzer op een Weener schuit. Gewoonlijk werd dit door schippers gedaan, die ook het ijzer naar Götaborg vervoerden. De eigenaars van de mijnen in Wermeland bekommerden zich in den regel niet verder om hun ijzer, als ze de quitantie van den weger hadden.

Maar de kavaliers wilden niets ten halve doen. Zij wilden hun ijzer zelf naar Götaborg brengen. Op weg trof hen een ongeluk. Er brak in den nacht een storm los; de schuit dreef af door den wind en de golven, stootte op een klip en zonk met heel zijn kostbare lading. De waldhoorn en ’t kaartspel en de volle wijnflesschen zonken mee. Maar als men er goed over dacht, deed het er niet zooveel toe, dat het ijzer verloren ging. De eer van Ekeby was toch gered. Het ijzer was gewogen op de waag te Karlstad. En al moest nu de Majoor aan de groothandelaars te Götaborg schrijven, dat, nu zij hun ijzer niet gekregen hadden, hij ook hun geld niet hebben wou, dit deed er eigenlijk ook niet toe, want Ekeby was zoo rijk, en de eer van ’t goed was toch gered!

Maar als nu havens en sluizen, slooten en kolenbranderijen, schuiten en pramen wonderlijke dingen beginnen te fluisteren? Als er nu een dof gesuis door de bosschen gaat dat de heele vaart bedriegerij was? Als men nu in heel Wermeland beweert, dat er nooit meer dan die ellendige vijftig pond op de pramen geweest is, en dat de schipbreuk met opzet veroorzaakt is? Dan is er een slimme streek uitgevoerd, een echte kavalierstreek! Dat schaadt de eer van het oude goed niet.

Maar het is nu zoo lang geleden. ’t Kan immers best zijn, dat de kavaliers op andere plaatsen ijzer gekocht hebben, of dat ze iets in een of ander pakhuis gevonden hebben, waar ze eerst niet van wisten. In zulke dingen komt men nooit achter de waarheid. De weger wilde er tenminste niet van hooren dat bedrog mogelijk geweest was. En hij zou ’t toch wel weten.

Toen de kavaliers thuis kwamen, hoorden ze groot nieuws. ’t Huwelijk van graaf Dohna zou ontbonden worden. De graaf had zijn hofmeester naar Italië gezonden, om bewijzen te halen, dat het huwelijk onwettig was. Hij kwam in den zomer met voldoende inlichtingen terug. Waarin die nu eigenlijk bestonden, weet ik zoo precies niet meer. Men moet voorzichtig zijn met die oude verhalen. Ze zijn als half verdorde rozen; de bladen vallen licht uit, als men ze te stevig aanpakt. De menschen zeggen, dat het huwelijk in Italië niet door een werkelijken priester is gesloten. Ik weet er ook niet meer van, dan dat de rechtbank te Bro het huwelijk van Graaf Dohna en Elisabeth van Thurn verklaarde nooit een wettig huwelijk te zijn geweest.

Maar daar wist de jonge vrouw toch niets van. Zij leefde onder de boeren, ver van daar. Als zij ten minste nog leefde.

XVII.

’t Huis van Liljecrona.

Er was onder de kavaliers een, die ik dikwijls een groot musicus genoemd heb. Hij was een groot, zwaargebouwd man, met een groot hoofd en zwart ruig haar. Hij was toen zeker niet veel ouder dan veertig jaar, maar had een grof gezicht en iets kalms. Dat maakte, dat men hem voor ouder aanzag dan hij was. Hij was een goed man, maar droefgeestig.

Op een namiddag nam hij zijn viool onder den arm en ging weg van Ekeby. Hij nam van niemand afscheid, maar toch was hij niet van plan ooit weerom te komen. Hij walgde van ’t leven daar, van ’t oogenblik af, dat hij gravin Elisabeth in haar ongeluk gezien had. Hij liep door zonder te rusten dien avond en den heelen nacht, tot hij ’s morgens vroeg tegen zonsopgang aan een kleine hoeve kwam: Löfdala genoemd, die hem toebehoorde.

’t Was zoo vroeg, dat er nog niemand op was. Liljecrona ging zitten op de groene wipplank voor ’t hoofdgebouw en keek naar zijn bezittingen. Lieve hemel, er was toch geen mooier plekje op de wereld. ’t Grasveld voor ’t huis lag op een zachte helling en was met fijn lichtgroen gras bedekt.

Er was geen tweede grasveld zoo mooi als dit. De schapen mochten er op grazen, en de kindren er op spelen met hun speelgoed, ’t bleef altijd even groen en frisch. ’t Werd nooit gemaaid, maar minstens eens in de week liet de huismoeder alle stokjes en strookjes en verdorde bladen wegvegen uit het frissche gras.

Hij keek naar de paden voor ’t huis en trok plotseling zijn voeten terug. De kinderen hadden er den vorigen avond mooie patroontjes in geharkt en zijn groote voeten hadden ’t kunstwerk al niet weinig beschadigd.

Wat groeide toch alles hier. De zes vogelbessenboomen, die de plaats als ’t ware bewaakten, waren zoo hoog als beuken en zoo breed van kroon als eiken. Zulke boomen waren zeker nergens te vinden. Prachtig waren ze met hun dikke stammen, met geel mos begroeid en met groote witte bloemtrossen, die uit het donkere loof staken. Hij moest aan den hemel met zijn sterren denken.—’t Was toch wonderlijk zooals de boomen daar op de plaats groeiden. Daar stond een oude wilg, zóó dik, dat twee man hem niet omspannen konden. Nu was hij hol en gespleten en de bliksem had hem den top afgeslagen, maar hij wilde niet doodgaan. Ieder voorjaar schoot een bos frissche takken uit den geknakten hoofdstam, om te toonen, dat hij leefde. De lijsterbes aan den oostelijken gevel was zoo groot geworden, dat hij ’t heele huis overschaduwde; ’t heele dak was wit van de afgevallen bloem-bladen, want de boom was al uitgebloeid. En de berken, die in kleine groepen hier en daar op ’t veld stonden, zij waren op zijn hoeve in hun paradijs. Zij groeiden daar op zooveel verschillende manieren, alsof ze afgesproken hadden andre boomen na te apen. De een leek op een linde, dicht van loof, met een groote kroon, een ander stond rank, als een pyramide, gevormd als een populier, en een ander weer liet zijn takken hangen als een treurwilg. Er waren er geen twee gelijk; maar prachtig waren ze allemaal.

Toen stond hij op en liep om het huis. Daar lag de tuin, zoo wonderlijk mooi, dat hij onwillekeurig bleef staan en diep ademhaalde.

De appelboomen bloeiden. Dat wist hij immers wel. Dat had hij immers op alle hoeven gezien, ’t was alleen maar, dat ze nergens zóó bloeiden als hier in dezen tuin, waar hij ze al had zien bloeien van toen hij nog klein was, af.

Hij liep met gevouwen handen en heel voorzichtig de paden op en neer. De aarde was wit en de boomen waren wit, hier en daar met een tintje bleek rood. Zoo iets heerlijks had hij nog nooit gezien! Hij kende iederen boom, zooals men zijn broers en zusters en schoolkameraden kent. De astrakan-appelboom was heelemaal wit, dat was ook een winterappel. Maar de bloesems van de zomerappels waren bleek-rood en die van de paradijsappels heelemaal rood.

’t Allermooist was de oude wilde appelboom, die niet geënt was, waarvan de kleine, wrange appels niet te eten waren. Die was niet zuinig op zijn bloesems. Hij leek wel een groote sneeuwberg in de morgenzon.

Denk er om, ’t was morgen en heel vroeg!

De dauw deed alle bladen glinsteren, al ’t stof was weggespoeld. Over de met bosschen bekleede bergen, waar de hoeve dicht bij lag, kwamen de eerste zonnestralen aansluipen. ’t Leek wel alsof ze de dennetoppen in brand gestoken hadden. Over de frissche klavervelden, over rogge en gerstvelden en over den jongen haver lagen de fijnste nevels als doorzichtige sluiers en de schaduwen waren nog scherp geteekend—als bij maneschijn.

Hij stond stil en keek naar de groote groentebedden tusschen de paden. Hij wist, dat de huismoeder en de meisjes daaraan gewerkt hadden. Ze hadden gegraven, geharkt, gemest en gewied en den grond bewerkt tot die fijn en licht werd. Toen ze ’t bed glad gemaakt en de kanten scherp afgezet hadden, hebben ze touwtjes en stokjes genomen en ’t in strepen en vierkanten verdeeld. Toen hebben ze de paden vastgetrapt en gezaaid en geplant tot alle strepen en vierkanten vol waren. En de kinderen hebben meêgedaan en waren een en al ijver en pret, hoewel ’t een zwaar werk voor hen was, gebogen te staan en de armen over de breede bedden te rekken. En ongelooflijk goed hebben ze geholpen, dat kan ieder wel begrijpen.

Nu begonnen de plantjes op te komen!

Wat stonden ze daar allerliefst, de erwten en boonen met hun twee dikke zaadlobben en hoe mooi gelijk kwamen de worteltjes en raapjes op. ’t Alleraardigste waren de kleine gekroesde peterselieblaadjes, die de aarde boven zich ophieven, alsof ze nog verstoppertjes met het leven speelden.

En hier was een klein bedje, waar de strepen niet heel gelijk op waren en waar de kleine vierkantjes er uit zagen als een staalkaart van alles wat er geplant en gezaaid kon worden. Dat was de tuin van de kinderen.

Liljecrona zette vlug de viool aan de kin en begon te spelen. De vogels begonnen te zingen in ’t hooge kreupelhout, dat den tuin voor den noordenwind beschutte. ’t Was niet mogelijk te zwijgen voor al wie een stem had, zoo heerlijk was de morgen. De strijkstok bewoog zich van zelf.

Liljecrona ging op en neer in de paden en speelde. „Neen,” dacht hij, „mooier dan hier is ’t nergens. Wat is Ekeby met Löfdala vergeleken?”

Zijn huis is met graszoden gedekt en maar éen verdieping hoog. ’t Lag aan den zoom van ’t woud, met den berg achter zich en ’t lange dal voor zich. Er was niets bijzonders aan te zien. Er was geen meer, geen waterval, geen strand en geen park, maar het was toch mooi! ’t Was mooi omdat het een goed, vreedzaam thuis was. Daar was ’t leven licht. Alles wat elders bitterheid en haat gebaard zou hebben, werd daar met zachtheid verholpen. Zoo moest het zijn in een tehuis.

Binnen in ’t huis ligt de huismoeder te slapen in een kamer, die op den tuin uitziet. Ze wordt plotseling wakker en luistert, maar ze beweegt zich niet. De muziek komt al dichter en dichter bij en eindelijk is het, alsof de speelman onder haar venster blijft staan. ’t Is niet de eerste keer, dat ze die viool onder haar venster hoort. Zóó pleegt haar man te komen, als ze op Ekeby een ongewoon wilden streek hebben uitgehaald.

Hij staat daar en biecht en vraagt om vergeving. Hij vertelt haar van de duistere machten, die hem weglokken van wat hij ’t liefste heeft: van haar en de kinderen. Want hij heeft hen lief. Waarachtig! Hij heeft hen lief.

Terwijl hij spreekt, staat ze op en kleedt zich aan, zonder eigenlijk te weten, wat ze doet. Ze is geheel verdiept in zijn spel.

„’t Zijn geen weelde, geen uitspattingen, die me weglokken,” speelt hij. „Geen liefde voor andere vrouwen, geen eer, maar de bekoorlijke veelzijdigheid van ’t leven. Ik moet er al de schoonheid, de bitterheid, den rijkdom van voelen om mij heen. Maar nu heb er genoeg van, ik ben moe en verzadigd. Ik wil mijn huis niet meer verlaten. Vergeef me, heb geduld met me.”

Dan trekt ze ’t gordijn op zij en hij ziet haar mooi, goed gezicht.

Ze is goed en ze is verstandig. Haar oogen brengen, als de zon, zegen over alles wat ze bestralen. Zij bestuurt en bewaakt het huis. Waar zij is, moet alles groeien en gedijen. Zij draagt het geluk met zich meê.

Hij springt op de vensterbank bij haar en is gelukkig als een bruidegom.

En hij licht haar op in zijn armen en zet haar in den tuin onder de appelboomen. Daar zegt hij haar hoe mooi alles is en wijst haar de groentebedden en de tuin van de kinderen en de aardige, vroolijke peterselieblaadjes.

Als de kinderen wakker worden is er groote verrukking en luid gejubel, omdat vader gekomen is. Ze leggen beslag op hem. Hij moet al het nieuwe en merkwaardige zien, ’t kleine molentje, dat ze aan de beek gemaakt hebben, ’t vogelnestje in den wilgenboom en de kleine karpers in den vijver, die bij duizenden in den waterspiegel zwemmen.

En dan maken vader, moeder en alle kinderen een lange wandeling over de velden.

Hij moet zien, hoe dik de rogge staat, hoe de klaver groeit en hoe de aardappelen hun gekrulde bladen beginnen op te steken uit de aarde.

Hij moet de koeien zien, als ze thuis komen van ’t veld, de jonggeboren kalfjes en lammetjes begroeten, naar eieren zoeken en alle paarden suiker geven.

De kinderen hangen den heelen dag aan zijn arm. Geen lessen, geen werk, maar alleen met vader rondzwerven.

En ’s avonds speelt hij polka’s voor hen en den heelen dag is hij zulk een vriend en speelkameraad voor hen, dat ze in slaap vallen met het smeekend verzoek of vader nu altijd bij hen blijven wil.

Hij blijft ook acht heele dagen en is al dien tijd gelukkig als een kind. Hij is verliefd op alles thuis, op vrouw en kinderen en denkt niet aan Ekeby.

Maar dan komt er een morgen, dat hij weer weg is. Hij kon het niet langer dragen, het was te veel geluk voor hem.

Ekeby was duizendmaal minder; maar Ekeby lag midden in den stroom der groote gebeurtenissen. Och! wat was daar veel om over te droomen en te musiceeren. Hoe kon men toch leven zonder de heldendaden der kavaliers en het lange Löfvenmeer, waar de wilde jacht van het avontuurlijke om heen bruischte.

Op zijn hoeve ging alles den ouden rustigen gang. Alles groeide en gedijde onder de zorg van de vriendelijke huismoeder. Allen daar op de hoeve waren stil gelukkig. Alles wat op andere plaatsen tweedracht en bitterheid gebaard zou hebben, ging daar zonder klacht of verdriet. Alles was zooals ’t behoorde. Als nu de heer des huizes verlangde als kavalier op Ekeby te leven, wat zou dat? Helpt het wat er over te klagen, dat de zon ’s avonds in ’t westen ondergaat en de aarde in duisternis achterlaat?

Wie is onbedwingbaar zonder onderwerping! Wie is zeker van overwinning zonder geduld!

XVIII.

De heks van Dovre.

De heks van Dovre gaat langs den oever van ’t Löfvenmeer. Men heeft haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van de rotsen in de groene dalen?

Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand nauwelijks meer te onderscheiden is door ’t eeuwenoude vuil. Ze stopt haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er pleizier in haar wat te geven;—ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg.

Ze is oud. Hoe lang is ’t wel geleden, dat de lichte glans der jeugd lag over ’t breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;—over den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is ’t geleden, dat ze als een klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij niet door ’t land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf, heb haar zelf gezien.

Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in ’t grint van den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan veel kwaad, maar weinig goed doen. ’t Is ’t beste haar te vriend te houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand.

Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel.

Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over ’t meer, stormknoopen kan ze binden.

Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval, kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik, dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten, zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt, zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn macht als zij van ’t rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen, en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op; ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde paden, even kalm alsof ze op ’t bergpad wandelt.

Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de pracht van den Junidag te genieten.

Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich in. „Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?” zeggen de meisjes, „en eens ruiken of die genoeg gerookt is?”

Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning van de trap van ’t terras en ziet naar den ham, maar op ’t zelfde oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen.

Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die frissche lucht van pas gerookten ham. ’t Is godenspijs! Die moet de heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham.

De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven?

Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op wat ze wenscht en dat is het hare.

Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. „Weg, bedelaarster!” zegt ze.

„Geef mij dien ham,” zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen.

„Je bent dwaas!” riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in de provisiekamer te brengen.

De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van begeerte. „Geef mij dien bruinen ham!” herhaalt ze, „of je zult er berouw van hebben.”

„’k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent.”

Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en zwaait die wild.

Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge, haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken.

„Jou zelf zullen de eksters opvreten!” schreeuwt ze eindelijk.

En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar ’t zuiden gaat ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de bergen naar ’t dal trok.

Gravin Märta blijft op ’t terras staan en lacht om haar onredelijke boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze droomt; maar ze komen—de eksters die haar zullen verslinden. Uit ’t park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl de schreeuwende eksters buiten rondvliegen.

Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid van den zomer en van ’s levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde.

Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen willen, dat zóó de sage luidt.

De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op ’t dak. Ze zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in ’t park en bleven daar. ’t Was onmogelijk ze te verjagen van ’t landgoed. Als men op ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel, kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof—dan kwamen ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar ’t woonhuis met bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in ’t huis.

Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den grond, sluipende, fluisterende menschen.

In ’t hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw.

Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht; ’s nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep, dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit.

Geen menschenlot kon bitterder zijn.

Wie kan laten haar te beklagen?

Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb, was niet veel goeds. ’t Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek geen plaats vonden.

Maar ’t is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst anderen en dan zich zelf.

XIX.

Het zomerfeest.

’t Was midden in den zomer, evenals nu ik dit schrijf. De heerlijkste tijd van het jaar was gekomen.

In dien tijd werd Sintram, de booze eigenaar van Fors, angstig en treurig. Hij ergerde zich over de overwinning van ’t licht en de nederlaag van de duisternis.

Hij was boos over den mantel van bladen, dien de boomen hadden omgeslagen en over ’t bontgekleurde kleed, dat de velden bedekte.

Alles hulde zich in schoonheid. Zelfs de weg, hoe nat en vuil hij ook was, werd met bloemen omzoomd, met gele en paarse bloemen.

Toen de pracht van den langsten dag over de bergen lag en ’t klokgelui uit de kerk van Bro door den wind naar Fors gedragen werd, stond Sintram op in toorn. ’t Scheen hem alsof God en menschen waagden hem te vergeten en hij besloot ook naar de kerk te gaan.

Zij die over den zomer jubelden, zouden eens zien dat hij er nog was, hij Sintram, die de duisternis zonder morgen, den dood zonder opstanding, den winter zonder lente liefheeft.

Hij deed zijn wolvenpels aan en de ruige bonten wanten. Hij liet zijn rood paard voor de kapslee spannen en liet bellen aan ’t glanzende, fraai versierde tuig hangen. En gekleed alsof er een kou van dertig graden heerschte reed hij naar de kerk. Hij meende, dat het knarsen onder de slee van de scherpe kou kwam. Hij meende dat ’t witte schuim op den rug van ’t paard rijp was. Hij voelde geen warmte. Van hem ging kou uit, zooals warmte uitstraalt van de zon.

Hij reed over de groote vlakte ten noorden van Bro. Groote, welvarende dorpen kwam hij voorbij en velden, waarboven de zingende leeuwerikken fladderden. Nooit heb ik de leeuwerikken hooren zingen als over die velden. Dikwijls heb ik er me over verwonderd hoe hij doof kon zijn voor die honderden zangers.

Veel moest hij voorbij op zijn weg wat hem geërgerd zou hebben, als hij er naar gekeken had. Hij zou dan voor elke deur twee wuivende berken gezien hebben en door open vensters zou hij in kamers gezien hebben, waarvan de wanden en den zolder met bloemen en groen versierd waren. ’t Armste bedelkind liep op den weg met een tak seringen in de hand en elke boerenvrouw had een bouquetje in haar zakdoek gestoken.

Meiboomen met verwelkte bloemen en slap hangende kransen stonden op de hoeven. Daaromheen was het gras plat getrapt, want de vroolijke dansmuziek had er geklonken in den zomernacht.

Beneden op ’t Löfvenmeer wemelde ’t van houtvlotten. De kleine witte zeilen waren opgeheschen ter eere van den dag, hoewel de wind ze niet deed zwellen en elke masttop droeg een groenen krans.

Op de vele wegen die naar Bro voerden, kwamen de kerkgangers aanwandelen. De vrouwen waren vooral fraai uitgedoscht in haar lichte zelfgeweven zomerkleeren, die juist voor dien dag gemaakt waren.

Allen waren in feestgewaad.

En de menschen waren een en al vreugde over de vrede van den heiligendag en de rust na het werk van de week, over de liefelijke warmte, over den veelbelovenden oogst en de aardbeien, die aan de kant van ’t pad al rood begonnen te worden. Zij letten op de stilte in de lucht, den hemel zonder wolken en ’t gezang van den leeuwerik en zeiden:

„Is ’t niet alsof dit een dag des Heeren is?”

Daar kwam Sintram aanrijden. Hij vloekte en zwaaide de zweep over het steigerende paard. ’t Zand knarste leelijk onder zijn slee, ’t gerinkel van zijn bellen verdrong ’t luiden van de kerkklok.

Zijn voorhoofd was in toornige rimpels samengetrokken onder de pelsmuts.

De kerkgangers rilden en meenden, dat ze den Booze zelf gezien hadden. Zelfs vandaag op ’t zomerfeest konden zij ’t booze en de koude niet vergeten. Bitter is ’t lot van hen, die hier op aarde zijn.

De menschen, die in de schaduw van de kerk stonden, of op den muur van ’t kerkhof zaten te wachten op ’t begin van de godsdienstoefening, zagen hem met stille verwondering aan, toen hij naar de kerkdeur ging. Zoo pas nog had de heerlijke dag hun hart met vreugde over ’t leven vervuld; toen ze Sintram zagen, kwam een voorgevoel van onheil over hen.

Sintram trad de kerk in en nam plaats in zijn stoel, sloeg met zijn wanten op de bank, zoodat ’t gerammel van de wolfsklauwen, die aan de pels genaaid waren, door de heele kerk klonk. En enkele vrouwen, die al op de voorste banken hadden plaats genomen, vielen flauw en moesten weggedragen worden.

Maar niemand waagde ’t Sintram te verjagen. Hij stoorde hun aandacht, maar allen waren te bang voor hem, dan dat iemand hem durfde te bevelen de kerk te verlaten.

Vergeefs sprak de oude predikant over de lichtende hoogtij van den zomer. Niemand luisterde naar hem. De menschen dachten alleen aan ’t booze en aan de kou en aan ’t onheil, dat de booze grondeigenaar over hen brengen zou.

Toen de godsdienstoefening voorbij was zag men den booze naar de helling gaan waar de kerk van Bro ligt. Hij zag neer op het water en volgde het voorbij de pastorie tot waar het in ’t Löfvenmeer valt. En men zag hoe hij de vuist balde en die schudde tegen ’t bovenste gedeelte van ’t meer en zijn groene oevers. Daarop gleden zijn blikken zuidwaarts over ’t benedenmeer tot aan de blauwende landtongen, die ’t meer schenen af te sluiten. En voorwaarts vlogen ze, mijlen ver voorbij Gurlita Klätt tot Björnide waar ’t meer ophoudt. Hij zag naar ’t westen en ’t oosten waar de hooge bergen ’t dal omzoomen en hij balde opnieuw de vuist. En ieder voelde, dat als hij een bundel bliksemstralen in zijn rechterhand gehad had, hij die met woeste blijdschap over ’t rustige land geslingerd zou hebben en dood en ellende verspreid zoover hij kon. Want nu had hij zijn hart zoozeer aan ’t kwaad gewend, dat hij alleen in jammer en smart behagen schepte. Langzamerhand had hij zich gewend al wat laag en leelijk was lief te hebben; hij was krankzinniger dan de meest woeste waanzinnige; maar dat begreep niemand.

Er gingen na dien dag wonderlijke verhalen door ’t land. Er werd gezegd, dat toen de kerkknecht de kerk kwam sluiten, de kop van den sleutel brak, omdat een hard samengevouwen papier in het sleutelgat stak. Hij gaf het aan den proost. Het was, zooals men wel begrijpen kon, een brief, een waarschuwing uit de andere wereld.

Men fluisterde over den inhoud. De proost had het papier verbrand, maar de kerkknecht was er bij geweest toen het duivelstuig brandde. De letters hadden rood op zwarten grond gegloeid. Hij kon niet laten het te lezen.

Hij las, zei men, dat de Booze ’t land verwoesten zou, zoover men den kerktoren van Bro kon zien. Hij wilde ’t woud de kerk zien verdringen. Hij wilde de beren en raven zien huizen in de woningen der menschen.

De akkers zouden braak liggen, en men zou geen hond of haan op de velden hooren. De Booze zou zijn heer dienen door leed over alle menschen te brengen. Dat was wat hij beloofde.

En de menschen wachtten in stille vertwijfeling op de dingen, die komen zouden; want zij wisten, dat de macht van den Booze groot was, dat hij al wat leefde haatte, dat hij verwildering wilde zien komen over ’t dal en gaarne oorlog of pest of hongersnood te hulp zou roepen om ieder te verdrijven, die den gezegenden, vreugde brengenden arbeid liefhad.