WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 25: XXI. De predikant van Broby.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

XX.

Vrouw Musica.

Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele, zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit marmeren tafels mochten weer schitteren in ’t licht; de witte godinnen dansten weer in ’t zwarte veld boven de spiegels; de verschillende bloemen in ’t zijden damast glinsterden in ’t avondrood. Er werden rozen geplukt en in ’t water gezet, en de geheele zaal werd met hun geur vervuld. ’t Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren, die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen, die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen te verlustigen.

Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta Berling te troosten.

Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen; anders zouden ze immers geen kavaliers zijn.

Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben.

En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna onhoorbaar suizen.

De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok.

’t Gaat goed, ’t gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde, waar hij thuis behoort.

Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit, en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is ’t voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland.

Ik weet waarom de ouden hem liefhadden.

Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan wel begrijpen hoe het was als hij kwam.

Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor, een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend.

Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij maakt alle huisgenooten gelukkig.

Hij had het nooit koud en was nooit moe.

De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja, men moest de ouden over hem hooren spreken.

’t Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw.

En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. „Ga maar voor de piano zitten, Gösta Berling,” zeide hij, „daar doe je ’t meeste nut.” En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude, verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in, en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op, sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch.

De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei ze: „Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo dwaas maken.”

Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw Musica’s poging om hem op te wekken. Misschien was hij ’t allerliefst met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd is. ’t Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn.

En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer.

Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht en doet koeien en schapen na.

Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt hij hun de waarheid.

„Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad uitricht hier in de wereld,” zegt hij, „dan moet jullie, kavaliers, toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie zijn, moesten zich daarvoor wachten!”

Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder de kavaliers heeft.

Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen.

Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd heeft.

Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst.

Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende instrument, waarop zooveel polka’s getrommeld worden, is voor hem een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk ding met de vele snaren, die aan ’t werk van den grooten meester leven kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk hoort hij de andantes en de scherzo’s daarbinnen bruisen. Ja, de piano is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid die voor hem open te doen.

Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen klank laten hooren.

Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen is. Hij zal moed vatten en ’t heiligdom aanroeren en zijn jongen heer en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid te verheugen.

Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door, beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het voorhoofd, doet het over—en slaat dan de handen voor ’t gezicht en schreit.

Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. ’t Heiligdom is immer geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs vervulden, is er overgebleven. ’t Is een oude, rammelende piano en anders niet.

Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de geschilderde toetsen.

„Ziehier, Löwenborg,” zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, „hier is je piano. Speel nu voor Gösta.”

En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden.

In ’t hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt.

Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem hooren kon.

Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen toon met bovenaardsche kracht.

„o Smart,” speelt hij, „waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw blik versteent?”

„o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig.

„Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige, onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde, en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op de fluit. Het was zalig u te zien.

„Maar gij verdweent, ach, gij verdweent.

„En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn klachten waren als ’t gebrul van een wild dier, als de donder van den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de groene aarde.

„Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende, dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed.

„o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?”

Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken, en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden.

Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie; maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar, die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad, verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken.

Hij voelde zich beschaamd. „Gösta,” zei hij tot zichzelf, „kun je niet meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard werdt, jij, die elken boom in ’t bosch, elk grasje op ’t veld hebt hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst van verdragen verleerd?

„Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in ’t hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren; laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met vroolijke woorden tegemoet.

„’t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand het kunnen uithouden.

„Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet.

„Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit, of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge?

„Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef.”

En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan.

Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als in geestvervoering. Dat is Gösta Berling’s oude lach! Zijn goed vriendelijk, aanstekelijk lachen. ’t Is de lieflijkste muziek, die de oude in zijn leven gehoord heeft.

„Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?” barstte hij uit. „Nu ben je immers beter!”

Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling’s melancholie genas.

XXI.

De predikant van Broby.

Liefde, gij almachtige, gij weet wel, dat het soms schijnt, alsof een mensch zich aan uw macht heeft ontworsteld. Alle zachte gevoelens, die de menschen vereenigen, schijnen in zijn hart gestorven. Reeds strekt de waanzin zijn klauwen uit naar den ongelukkige; maar dan komt gij in uwe almacht, gij ’s levens goede engel en ’t verschrompelde hart bloeit opnieuw als de staf van den heilige.

Niemand kan gieriger zijn dan de predikant van Broby, niemand meer van alle menschen verwijderd dan hij door boosheid en onbarmhartigheid. Zijn kamers worden den heelen winter niet verwarmd, hij zit op een ongeverfde houten bank, hij kleedt zich in lompen, leeft van droog brood en wordt woedend als een bedelaar bij hem aanklopt. Hij laat het paard honger lijden in den stal en verkoopt het hooi; zijn koeien knagen ’t dorre gras aan den kant van den weg en ’t mos van de huismuren, en men kan zijn uitgehongerde schapen tot op den weg hooren blaten.

De boeren gooien hem ’t eten toe, wat de honden niet willen eten en de kleeren, die de armen niet meer willen dragen. Zijn hand is steeds uitgestrekt om te bedelen, zijn rug gebogen om te danken. Zoodra hij een muntstuk ziet, trilt zijn hart van onrust, tot het in zijn zak zit en wee hem, die niet op den vervaldag zijn pacht betaalt.

Hij trouwde laat, en ’t was beter geweest als hij ’t nooit gedaan had. Van verdriet en vermoeienis stierf zijn vrouw. Nu dient zijn dochter bij vreemden. Hij wordt oud; maar de ouderdom verlicht zijn zwaren arbeid niet. De waanzin der gierigheid is over hem gekomen.

Maar op een schoonen dag in ’t begin van Augustus komt een zware koets, door vier paarden getrokken, den Brobyheuvel op. Een deftige oude dame komt aanrijden in galatoilet met koetsier en palfrenier en een juffrouw van gezelschap. Zij komt den predikant van Broby bezoeken. Zij heeft hem gekend in haar jeugd.

Zij hadden elkaar liefgehad, terwijl hij huisonderwijzer was op het buiten van haar vader, maar haar trotsche familie belette het huwelijk. En nu komt zij den Brobyheuvel oprijden om hem te zien, vóór zij sterft. Alles wat het leven haar nog geven kan is den geliefde van haar jeugd weer te zien.

De deftige oude dame zit te droomen in haar koets. Zij rijdt niet den Brobyheuvel op naar een kleine, armoedige pastorie. Zij is op weg naar ’t koele, donkere prieel beneden in ’t park, waar haar geliefde wacht. Zij ziet hem voor zich! Hij is jong, hij kust haar, hij heeft haar lief. Nu ze weet dat ze hem zien zal, stijgt zijn beeld voor haar op met wonderlijke helderheid. Hoe mooi is hij toch. Hij kan dwepen, hij kan gloeien, hij vult haar ziel met verrukking.

Nu is ze geel bleek, vervallen en oud. Hij herkent haar misschien niet, zestig jaar oud, als ze nu is, maar ze komt ook niet om gezien te worden, maar om te zien, om den geliefde van haar jeugd te zien, die ongedeerd door den tand des tijds, nog altijd jong en mooi en warm van hart is.

Zij komt ver weg, zoo ver weg, dat ze nooit iets van een predikant van Broby gehoord heeft.

Nu ratelt de koets den heuvel op en nu ziet zij de pastorie boven op den top liggen.

„Om Godswil,” jammert een bedelaar aan den kant van den weg, „geef een arm man een penning.”

De voorname dame geeft hem een zilverstuk en vraagt of de pastorie van Broby hier dicht bij is.

De bedelaar ziet haar met sluwen, scherpen blik aan. „De pastorie ligt daar,” zegt hij, „maar de dominé is niet thuis; er is niemand thuis in de pastorie.”

De deftige oude dame ziet er uit alsof ze een flauwte nabij was. Het koele prieel verdwijnt, haar geliefde is er niet. Hoe kon ze ook hopen hem na veertig jaar terug te vinden.

Wat wilde de freule in de pastorie!

De freule was gekomen om den dominé te bezoeken. Zij had hem vroeger gekend.

Zestig mijlen en veertig jaar hadden hen gescheiden. En bij elke mijl, die ze dichterbij gekomen is, heeft ze een jaar achter zich gelaten met al zijn lasten en zorgen. En nu ze de pastorie heeft bereikt is ze weer een twintigjarig meisje zonder zorg en zonder herinneringen.

De bedelaar staat haar aan te zien en voor zijn oogen wordt ze van zestig twintig en van twintig weer zestig jaar oud.

„De dominé komt van middag weer thuis,” zegt hij. „De freule doet ’t best met naar de herberg in Bro te rijden en van middag weer terug te komen. Dan sta ik er voor in, dat hij weer thuis is.”

Een oogenblik later rolt de zware koets met de kleine oude dame den heuvel af naar de herberg; maar de bedelaar staat haar na te zien en beeft over ’t heele lichaam. Hij had wel op de knieën willen vallen en ’t wagenspoor kussen.

Keurig gekleed, gewasschen en geschoren, met schoenen met glimmende gespen aan, met zijden kousen, met geplooide kraag en manchetten staat de dominé van Broby op dien zelfden middag voor de vrouw van den proost in Bro.

„Een deftige dame, de dochter van een graaf! hoe kunt u meenen, dat ik, arme man! die in mijn huis noodigen kan. Mijn vloeren zijn zwart, mijn mooie kamer is zonder meubelen, de zolder in de zaal is groen van schimmel en vocht! Help mij, lieve Mevrouw. Denk er aan dat ze de dochter van een graaf is!”

„Kunt u niet zeggen dat u op reis is.”

„Lieve Mevrouw, ze heeft 40 mijl gereisd om mij, arme man! te zien. Ze weet niet hoe ik het heb. Ik heb geen bed om haar te logeeren. Ik heb niet eens een bed voor haar dienstboden.”

„Welnu, laat haar dan heengaan.”

„Lieve, beste Mevrouw! Begrijpt u dan niet wat ik meen? Ik wil liever alles geven wat ik heb, alles wat ik met vlijt en moeite heb bijeen gegaard, dan dat ze weg zou gaan, zonder dat ik haar onder mijn dak ontvangen had. Ze was twintig jaar, toen ik haar het laatst zag; dat is nu veertig jaar geleden, denk daarom, lieve Mevrouw. Help mij, zoodat ik haar bij mij ontvangen kan. Hier is geld als dat helpen kan, maar hier is meer dan geld noodig.”

O, Eros, de vrouwen hebben U lief. Ze doen liever honderd moeielijke dingen voor U, dan één voor andere goden.

In ’t huis van den proost worden kamers en de keuken en de provisiekamer leeggedragen.

Als de proost van zijn catechisatie terugkomt, vindt hij de kamers leeg en kijkt om de deur van de keuken om naar zijn middageten te vragen en vindt daar niemand. Geen eten, zijn vrouw is er niet en evenmin de dienstboden. Wat is daaraan te doen! Eros wil het zoo. Eros, de machtige!

En op den middag komt dan de zware wagen den Brobyheuvel opschommelen. En het kleine oude dametje zit er aan te denken of er nu niet weer een nieuwe tegenspoed komen zal, en of het nu werkelijk waar is dat zij de eenige vreugde van haar leven genieten zal.

En daar draait de koets de pastorie in, maar houdt stil in het hek. Het groote hek is te klein, de koets te breed. De koetsier knalt met de zweep. De paarden zetten aan, de knecht vloekt, maar ’t achterste wiel van de koets zit vast en blijft vast zitten. De gravendochter kan niet in den tuin van haar geliefde komen.

Maar daar komt iemand. Hij is het! Hij licht haar uit den wagen. Hij draagt haar met onverzwakte kracht en drukt haar in de armen even warm als vroeger voor veertig jaar. Zij ziet hem in de oogen. Zij stralen, zooals ze deden toen ze nog pas vijf en twintig zomers gezien hadden.

Een storm van aandoeningen, een stroom van warmte bruist haar door de ziel. Ze herinnert zich, dat hij haar eens de trap van ’t terras heeft opgedragen. Ze had gemeend dat haar liefde al die jaren geleefd had, maar ze was toch vergeten wat het was, in sterke armen gesloten te worden en in jonge, stralende oogen te zien.

Zij ziet niet dat hij oud is. Zij ziet alleen in zijn oogen.

Zij ziet de zwarte vloeren niet, noch de zolderingen die groen van vochtigheid zijn, zij ziet alleen zijn stralende oogen. De predikant van Broby is een statig man. Hij is zelfs mooi op dit oogenblik. Hij wordt innemend alleen door haar aan te zien. Hij hoort zijn stem, zijn heldere, sterke stem, die klinkt als een liefkozing. Zóó spreekt hij alleen tot haar. Wat had hij toch meubels van den proost noodig in zijn leege kamers, wat had hij eten en dienstboden van noode. De oude dame zou dat alles bijna niet gemist hebben.

Hoort zij zijn stem niet? Ziet ze zijn oogen niet? Nooit, nooit te voren is ze zóo gelukkig geweest. Hoe sierlijk buigt hij, sierlijk en fier als was zij een vorstin en hij haar gunsteling. Hij spreekt zooals ouden van dagen doen, met vele stereotype gezegden, als hij tot haar spreekt.

Zij glimlacht maar en is gelukkig!

Tegen den avond biedt hij haar den arm en ze wandelen in zijn ouden vervallen tuin. Zij ziet niet dat die leelijk en slecht onderhouden is; vergroeide struiken worden tot geschoren hagen, ’t onkruid tot zachte, smaragdgroene grasperken in haar oogen. Lange lanen beschaduwen haar en door ’t donkere loof ziet zij witte beelden schemeren van jeugd, trouw, hoop en liefde.

Ze weet, dat hij getrouwd geweest is, maar ze denkt er niet aan. Hij is immers vijf en twintig, zij twintig jaar. Hij is zeker niet ouder, jong en vol kracht als hij is. Is hij dezelfde, die eens de gierige dominé van Bro worden zal. Hij! die glimlachende jongeling? Soms suist het in zijn ooren. Zouden ’t boden van een donkere toekomst zijn? Maar de ellende der armen, de vloek der bedrogenen, de schimpscheuten der verachting, de spotliederen, de hoon, dat alles bestaat nog niet voor hem. Zijn hart brandt van eene reine, onschuldige liefde. Die fiere, jonge man zal nooit geld zóó liefhebben, dat hij in ’t stof, ja in ’t vuil kruipen zal om het op te rapen, van de voorbijgangers bedelen, vernedering, schande, koude en honger verdragen om het machtig te worden. Zal hij zijn kind honger laten lijden, zijn vrouw pijn doen, alleen om dat ellendige geld! Dat is immers onmogelijk. Zoo kan hij niet zijn. Hij is een goed mensch, zooals anderen. Hij is geen monster.

De geliefde van zijn jeugd gaat niet aan de zijde van een verachte ellendeling, die ’t ambt, dat hij gewaagd heeft te aanvaarden, onwaardig is. Neen, Eros, almachtige God, ten minste dezen avond niet. Dezen avond is hij niet de predikant van Broby en ook den volgenden en den daaropvolgenden niet.

Den dag daarna vertrekt zij. Het hek is breeder gemaakt. De koets rolt den Brobyheuvel af zoo snel als uitgeruste paarden loopen kunnen.

Welk een droom, welk een heerlijken droom! Geen enkele wolk in al die drie dagen.

Zij reed glimlachende terug naar haar kasteel en haar herinneringen. Nooit hoorde zij zijn naam meer noemen, zij vroeg nooit naar hem. Zij wenschte niet anders dan dezen droom steeds weer te droomen, zoolang ze leefde.

De predikant van Broby zat in zijn eenzaam huis en schreide, schreide als een wanhopende. Zij had hem jong gemaakt! Zou hij nu weer oud moeten worden? Zou de booze geest terugkomen? Zou hij weer verachtelijk moeten worden, verachtelijk als hij geweest was?

XXII.

De heiligenbeelden.

De kerk van Svartsjö is wit van binnen en van buiten; de wanden zijn wit, de preekstoel, de banken, de zolder, de vensterbanken, het altaarkleed—alles is wit. In de kerk van Svartsjö zijn geen sieraden, geen schilderijen, geen wapens. Boven ’t altaar ziet men alleen een houten kruis en een witte doek.

Vroeger was dat alles anders. Toen was de zolder geschilderd en allerlei bonte figuren van steen en klei stonden in dit godshuis.

Op een dag, in den zomer, heel lang geleden, had een kunstenaar in Svartsjö naar den hemel staan kijken en acht geslagen op het trekken der wolken langs den hemel, de zon tegemoet. Hij had de witte glinsterende wolken gezien, die des morgens aan den horizont staan; hij zag hoe ze zich hooger en hooger opstapelden; hij had de kolossen grooter en grooter zien worden en zich verheffen om naar boven te stormen. Zij hieven hun standaard op als krijgers, zij trokken uit om den ganschen hemel te veroveren. Tegenover de zon, den beheerscher van ’t wereldruim, huichelden zij en namen een onschuldige gedaante aan. Hier was een leeuw, die zich in een gepoederde dame veranderde, dáár een reus met armen, die koorden verbrijzelde; hij legde zich neer als een droomende sphinx; eenigen bedekten hun naaktheid door mantels met gouden randen om te slaan, anderen legden rood op hun sneeuwwitte wangen. Hier waren vlakten, daar wouden, ginds gemetselde burchten, met hooge torens. De witte wolken veroverden den zomerhemel. Zij vulden het geheele blauwe gewelf. Zij bereikten de zon en verborgen haar.

„O hoe schoon zou ’t zijn,” dacht de vrome kunstenaar, „als de zielen vol verlangen op deze torenhooge bergen konden klimmen, en door hen als door een wiegend vaartuig al hooger en hooger konden worden gebracht.”

En toen begreep hij in eens, dat de witte zomerwolken de vaartuigen waren, waarin de zielen der zaligen wegvoeren.

Hij zag ze daarboven! Daar stonden ze op de bewegelijke massa’s met leliën in de hand en gouden kronen op het hoofd. De lucht weergalmde van hun zangen. De engelen zweefden hun op breede, sterke vleugels te gemoet. O, welk een oneindig aantal zaligen. Al naarmate de wolken zich uitbreidden, zag hij er meer; zij rustten op wolkenbedden als witte waterlelies op het meer. Zij versierden ze als leliën het veld. Welk een jubelende vaart naar den hooge! de eene wolk na de andere rolde voort! Allen waren bezet met hemelsche heirscharen in zilveren wapenrustingen, met onsterfelijke zangers in mantels met purper afgezet.

Die kunstenaar had later de zoldering in de kerk van Svartsjö geschilderd. Hij had de drijvende wolken van den zomerschen hemel willen weêrgeven, die de zaligen in de heerlijkheid des hemels zouden invoeren. De hand die ’t penseel gevoerd had, was krachtig geweest, maar ook wat stijf, zoodat de wolken meer op de gekrulde haren van een allongepruik leken dan op aangroeiende bergen van zachte nevelen. En zooals de heiligen zich voor de fantaisie van den meester vertoonden, had hij ze niet kunnen weergeven; maar hij had ze als menschen gekleed met lange roode mantels en stijve bisschopsmutsen of in zwarte lange kleederen met stijve gepijpte kragen. Hij had ze groote hoofden en kleine lichamen gegeven en ze van zakdoeken en gebedenboeken voorzien. Latijnsche spreuken kwamen uit hun mond en voor hen, die hij ’t hoogste stelde, had hij stevige houten stoelen op de wolkenruggen gezet, zoodat ze in een gemakkelijke zittende houding naar de eeuwigheid zouden kunnen gaan.

Maar iedereen wist immers, dat geesten en engelen zich nooit aan den armen kunstenaar hadden vertoond en daarom verwonderde men er zich niet erg over, dat hij ze niet bovenaardsch schoon had kunnen maken. Menigeen had toch zeker de schilderij van den goeden meester buitengewoon mooi gevonden en het had velen ernstig en godsdienstig gestemd. ’t Was wel waard door onze oogen gezien te worden.

Maar in ’t jaar van de kavaliers liet Graaf Dohna de heele kerk wit schilderen. Toen werd de geschilderde zolder bedorven. En ook liet hij al de heiligenbeelden van klei vernietigen.

Ach, die heiligenbeelden!

’t Zou beter voor me zijn, als nood en ellende van menschen me zóóveel verdriet kon doen, als ik voelde over ’t wegnemen van die beelden van klei; als de wreedheid van menschen tegenover menschen mijn hart met een bitterheid vervullen kon als die ik om hunnentwille gevoeld heb.

Maar éen van hen was ook St. Olof met de kroon om den helm, de bijl in de hand en een overwonnen reus onder den voet; op de preekstoel stond Judith met een rood lijf en een blauwen rok, met een zwaard in de eene en een zandlooper in de andere hand—in plaats van het hoofd van den assyrischen veldheer; daar was ook een geheimzinnige koningin van Saba met een blauw lijf en rooden rok, met een ganzepoot aan ’t eene been en de handen vol sibyllijnsche boeken; daar was de heilige Christoffel met zijn bloeienden staf, en de heilige Erik met scepter en bijl en een ouden mantel met gouden bloemen om.

Ik heb daar in de kerk van Svartsjö zoo menig Zondag gezeten en er me over geërgerd, dat de beelden weg waren. Hoe verlangde ik naar hen. Ik zou er niet zoo precies op gezien hebben of er een neus of een voet ontbrak, of ’t verguldsel er wat afgesleten was en de verf verbleekt. Ik zou om hun hoofd de glorie der legende hebben gezien.

’t Moet altoos zoo geweest zijn met die heiligenbeelden, dat ze hun scepters of ooren en handen verloren en gerepareerd en opgeknapt moesten worden. Dat verveelde de gemeente en zij verlangde van hen af te komen. Maar de boeren zouden toch de heiligen geen kwaad gedaan hebben, als graaf Dohna er niet geweest was. Hij heeft ze laten wegnemen.

Ik heb er hem om gehaat, zooals een kind haten kan. Ik heb hem gehaat, zooals een hongerige bedelaar de gierige huismoeder haat, die hem brood weigert. Ik heb hem gehaat, zooals een arme visscher den onwetenden knaap haat, die zijn net heeft bedorven en een gat in zijn boot gehakt. Hoe hongerde en dorstte mijn ziel niet onder de lange godsdienstoefeningen. En hij had het brood, waar mijn ziel van leven moest, weggenomen. Hoe verlangde ik niet naar het oneindige, naar den hemel. En hij had mijn vaartuig bedorven, en mijn net verscheurd, waarmee ik de hemelsche visioenen had willen vangen.

In de wereld der volwassenen is geen plaats voor echte haat. Hoe zou ik nu zulk een ellendig wezen als graaf Dohna kunnen haten of een armen waanzinnige zooals Sintram of een afgeleefde wereldsche vrouw als gravin Märta. Maar toen ik een kind was, ja, toen was ’t maar gelukkig voor hen, dat ze al lang dood waren.

De predikant stond misschien wel op den preekstoel te spreken over vrede en verzoening; maar op onze plaats in de kerk kon men hem niet verstaan. Ach, had ik de oude heiligenbeelden van klei maar bij me gehad—zij zouden wel voor me gepreekt hebben, zoodat ik ze kon hooren en verstaan.

Maar nu zat ik er meestal over te denken hoe ’t gekomen was, dat ze weggeroofd en bedorven werden.

Toen graaf Dohna zijn huwelijk voor onwettig had laten verklaren, inplaats van zijne vrouw op te zoeken en ’t huwelijk te laten wettigen, had hij aller verontwaardiging gewekt; want men wist, dat zijn vrouw alleen zijn huis had verlaten om niet doodgeplaagd te worden. Nu scheen het, dat hij Gods genade en de achting der menschen wilde herwinnen door een goed werk en daarom liet hij de kerk van Svartsjö opknappen. Hij liet de heele kerk wit schilderen en de geschilderde zoldering wegnemen. Hij zelf droeg met zijn knechts de schilderijen naar beneden in een boot en wierp ze in de diepte van ’t Löfvenmeer.

Hoe durfde hij ’t toch wagen de hand aan die uitverkorenen Gods te slaan.

Dat zulk een gruwel toch gebeuren kon! Voerde de hand, die ’t hoofd van Holofernes afsloeg dan ’t zwaard niet? Had de koningin van Saba dan alle geheime wijsheid vergeten, die dieper wondt dan een vergiftige pijl. Heilige Olof, gij oude viking, St. Joris, gij oude drakendooder, leeft dan de roem uwer daden niet meer, is de glorie uwer wonderen verbleekt?—Maar de zaak zal wel geweest zijn, dat de heiligen geen geweld met geweld willen keeren. Daar de boeren van Svartsjö geen verf voor hunne kleeren en geen verguldsel voor hun kronen meer over hadden, lieten zij graaf Dohna begaan, toen hij hen wegdroeg en ze in ’t diepe Löfvenmeer wierp. Zij wilden Gods huis niet ontsieren. Die armen! Zij dachten zeker aan den tijd, dat men voor hen knielde en gebeden tot hen opzond.

En ik zat te denken aan die boot, met heiligen belast, die op een stillen zomeravond heengleed over den blanken spiegel van ’t Löfvenmeer. De knecht, die roeide, nam langzame, groote slagen en wierp schuwe blikken op de wonderlijke passagiers, die op den voor- en achtersteven lagen; maar graaf Dohna, die er ook bij was, voelde zich dapper. Hij nam ze een voor een met zijn eigen handen en wierp ze in ’t water. Zijn voorhoofd was helder en hij haalde diep adem. Hij meende een strijder voor de reine evangelische leer te zijn. En er geschiedde geen wonder ter eere der heiligen. Stil en moedeloos zonken ze neer en gingen hun vernietiging te gemoet.

Maar den volgenden Zondag stond daar de kerk van Svartsjö vlekkeloos wit. Geen beelden stoorden meer de aandacht der kerkgangers. Alleen met de oogen der ziel moet de vrome de heerlijkheid des hemels en ’t gelaat der heiligen zien. De gebeden der menschen moeten op hun eigen sterke vleugels den Allerhoogste bereiken. Zij behoeven zich niet meer vast te klampen aan de gewaden der heiligen.

Groen is de aarde, de heerlijke woning der menschen, blauw is de hemel, waar ze allen naar verlangen. De wereld straalt in duizend kleuren. Waarom is de kerk wit?—Wit als de winter, naakt als de armoede, bleek als de angst. Ze schittert niet van rijp als een bosch in den winter. Ze prijkt niet met paarlen en kant als een bruid. De kerk staat daar wit en koud met geverfd leem bedekt, zonder een enkel beeld, zonder een schilderij.

Dien Zondag zat graaf Dohna in een met bloemen versierden leuningstoel in het koor, opdat allen hem zouden zien en prijzen. Nu zou hij geëerd worden, omdat hij de oude banken in orde had laten maken, de leelijke beelden wegnemen, nieuwe ruiten inplaats van de gebroken zetten en de heele kerk wit verven. Het stond hem natuurlijk vrij dat alles te doen. Als hij den toorn des Almachtigen wilde verzachten, was het immers goed, dat hij naar zijn beste weten Zijn tempel versierde. Maar waarom nam hij er dan eerbewijzen voor aan?

Hij, die daar kwam met de zonde der onverzoenlijkheid op zijn geweten, hij had immers op de knieën moeten vallen op ’t zondaarsbankje en zijn broeders en zusters smeeken God te bidden, hem in zijn heiligdom te dulden. Het ware hem beter geweest daar te staan als een arme zondaar, dan daar ginds in ’t koor te zitten en lof aan te nemen, omdat hij zich met God had willen verzoenen.

Ach, graaf Dohna! God had u zeker op ’t zondaarsbankje verwacht. Hij liet er zich niet door verblinden, dat de menschen u niet durfden te berispen.

Toen de godsdienstoefening voorbij was en de laatste psalm gezongen, verliet niemand de kerk, maar de predikant ging den preekstoel op om een dankrede aan den graaf te houden, maar zóó ver zou het toch niet komen. Want de deur ging open, en daar kwamen de oude heiligen de kerk binnen, druipend van ’t water uit het Löfvenmeer, vuil van groen kroos en bruinen modder. Ze hadden zeker gehoord, dat hier een lofrede gehouden zou worden op hem, die hen ten val gebracht, ze uit ’t heilige huis Gods verjaagd en ze neergestort had in de koude, alles vernietigende golven. De oude heiligen wilden een woordje meespreken.

Zij houden niet van ’t eentonig kabbelen der golven. Ze zijn gewend aan psalmen en gebeden. Zij zwegen en berustten in alles, zoolang ze meenden, dat het dienen moest tot Gods eer. Maar zoo was het niet.

Hier zit graaf Dohna met eer overladen in ’t koor en wil aangebeden en geprezen worden in Gods huis. Daarom zijn ze opgestegen uit hun vochtig graf en komen de kerk in. En de geheele gemeente herkent hen. Daar gaat de heilige Olof met de kroon om den helm en St. Erik met de gouden bloemen op den mantel en den grijzen Sint Joris en de heilige Christoffel. Meer niet, de Koningin van Saba en Judith waren niet meêgekomen.

Maar toen de menschen wat van hun verbazing bekomen waren, ging er een hoorbaar gefluister door de kerk. „De kavaliers”.

Ja zeker, ’t zijn de kavaliers. En zij gaan recht op den graaf af zonder een woord te spreken, lichten zijn stoel op hun schouders op, dragen hem de kerk uit en zetten hem daar buiten op den kerkheuvel.

Ze zeggen niets, en zien rechts noch links. Zij dragen eenvoudig graaf Dohna uit Gods huis en als dat gedaan is gaan ze weer heen, den naasten weg naar het meer.

Niemand houdt hen tegen en zij verspillen ook geen tijd met het verklaren van hun meening. Die was duidelijk genoeg: „Wij, kavaliers van Ekeby, hebben onze eigen overtuiging. Graaf Dohna verdient niet in Gods huis geprezen te worden. Daarom dragen wij hem naar buiten. Nu kan ieder, die wil, hem weer binnen brengen.”

Maar hij werd niet weer naar binnen gebracht. De lofrede van den predikant werd nooit gehouden. De gemeente stroomde de kerk uit. Er was niemand, die niet vond, dat de kavaliers goed gedaan hadden.

Zij herinnerden zich de vroolijke jonge gravin en hoe gruwelijk zij op Borg gepijnigd was geworden. Zij dachten aan haar, die zoo goed voor de armen was, die zoo mooi was geweest, dat ’t voor hen al een troost was naar haar te kijken. Wel was het zondig met zulke vertooningen in de kerk te komen; maar de predikant en de gemeente voelden, dat zij zelf op het punt geweest waren nog erger den spot met den Allerhoogste te drijven. En zij schaamden zich tegenover de dwazen.

„Als de menschen zwijgen, moeten de steenen spreken,” zeiden ze.

Maar na dien dag kon graaf Henrik het niet meer uithouden op Borg. Op een donkeren nacht in ’t begin van Augustus reed een gesloten kales tot dicht voor de groote stoep. Alle dienstboden gingen er omheen staan en gravin Märta kwam naar buiten, in doeken gehuld met een dichten sluier voor ’t gelaat. De graaf gaf haar den arm, maar ze sidderde en beefde. Slechts met de grootste moeite kon men haar bewegen door ’t voorhuis en den stoep af te gaan.

Eindelijk kwam zij in den wagen, de graaf sprong er ook in, de deuren werden dicht geslagen en de koetsier liet de paarden in galop wegrijden.

Toen de eksters den volgenden morgen wakker werden, was ze weg.

De graaf leefde nog lang in het zuiden. Borg werd verkocht en is menigmaal van eigenaar verwisseld. Allen hadden ze het landgoed lief; maar slechts weinigen bezaten het met genoegen.

XXIII.

Gods gezant.

Kapitein Lennart, Gods gezant, kwam op een namiddag in Augustus in de herberg te Broby en ging in de keuken. Hij was toen op weg naar zijn huis „Helgesaeter,” dat een kwart mijl ten noorden van Bro ligt, dicht bij den zoom van ’t woud.

Kapitein Lennart wist toen nog niet, dat hij een van Gods gezanten zou worden op aarde. Zijn hart was tot overloopens toe vol van vreugd, omdat hij zijn tehuis weer zou zien. Hij had veel geleden, maar nu kwam hij weer thuis en alles zou weer goed worden. Hij wist niet, dat hij een van hen zou worden, die niet onder een eigen dak mochten rusten of zich bij een eigen haard koesteren.

Kapitein Lennart was recht in zijn schik. Toen hij niemand in de keuken aantrof, hield hij er huis als een wilde jongen. Een, twee, drie verzette hij ’t weefgetouw en bracht het spinnewiel in de war, hij smeet de kat op den kop van den hond en lachte, dat het door ’t huis klonk, toen de twee kameraden in den oogenblikkelijken schrik de oude vriendschap braken en op elkaar aanvlogen met gekromde klauwen, nijdige oogen en de haren te berge.

Toen kwam de herbergierster op al dat gedruisch aan. Zij bleef op den drempel staan en keek naar den man, die om de vechtende dieren stond te lachen. Ze kende hem wel; maar toen ze hem ’t laatst zag, zat hij op de gevangenkar met de handboeien aan.

Ze wist het nog best. Voor vijf en een half jaar geleden had een dief op de winterkermis te Karlstad de sieraden van de vrouw van den Gouverneur gestolen. Veel ringen, armbanden en gespen, waar de rijke dame grooten prijs op stelde—want ’t meeste had ze geërfd of present gekregen—waren toen verloren gegaan. Ze werden nooit gevonden, maar ’t gerucht liep spoedig door ’t heele land, dat kapitein Lennart op Helgesaeter de dief wezen moest.

De boerin had nooit kunnen begrijpen waar zulk een gerucht vandaan gekomen was.

Was kapitein Lennart dan niet een goed en eerlijk man? Hij leefde gelukkig met zijn vrouw, waarmeê hij eerst een paar jaar geleden getrouwd was, want hij had pas laat een vrouw kunnen onderhouden. Had hij nu niet een goed inkomen door zijn tractement en zijn landgoed? En nog wonderlijker vond zij het, dat kapitein Lennart zijn ontslag kreeg, zijn ridderorde moest teruggeven en tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld werd.

Hij zelf had gezegd, dat hij op de markt was geweest en van daar was weggereden, eer hij iets van den diefstal gehoord had. Op den straatweg had hij een leelijke oude gesp gevonden, die hij mee naar huis genomen had en aan zijn kinderen gegeven. Maar die gesp behoorde tot de gestolen zaken en dat werd zijn ongeluk. Maar eigenlijk was het alles Sintrams schuld geweest. De booze grondeigenaar had voor aanklager gespeeld en bij het getuigenverhoor de verklaring afgelegd, die hem had doen vallen. ’t Scheen dat het noodig voor hem was, kapitein Lennart uit den weg te werken, want kort daarna werd er tegen hemzelf een proces gevoerd, omdat men ontdekt had, dat hij kruit aan de Moren had verkocht in den oorlog van 1814. De menschen meenden, dat hij bang was voor de verklaring, die kapitein Lennart tegen hem had moeten afleggen. Nu werd hij vrijgesproken, bij gebrek aan bewijs.

De herbergierster kon dien man niet genoeg aanzien. Zijn haar was grijs geworden en zijn rug gebogen. Hij had ’t zeker niet best gehad. Maar zijn vriendelijk gezicht en zijn goed humeur had hij nog. Hij was nog dezelfde kapitein Lennart, die haar naar het altaar gebracht had, toen zij de bruid was1 en die bij haar bruiloft gedanst had. Hij bleef zeker nog op den weg staan praten met ieder, die hij tegenkwam, en hij wierp zeker nog elk kind een geldstuk toe. Hij zou nog tegen elk gerimpeld oudje zeggen, dat ze met den dag jonger en mooier werd en hij zou nog best eens op een ton kunnen gaan zitten en op de viool spelen voor hen, die om den Meistang wilden dansen. Och hemel, ja!

„Nu, moeder Karen!” begon hij, „durf je me niet aan te zien?”

Hij was daar eigenlijk binnen gegaan om te hooren, hoe het bij hem thuis was, en of zij hem daar verwachtten. Zij konden immers wel nagaan, dat hij zoowat tegen dezen tijd zijn straf had uitgediend.

De herbergierster vertelde hem niets dan goed nieuws. Zijn vrouw was zoo flink geweest als een man. Zij had een hoeve gepacht en alles was goed gegaan onder haar bestuur. De kinderen waren gezond, het was een lust ze te zien. En natuurlijk verwachtten ze hem. De vrouw van den kapitein was een strenge vrouw, die nooit sprak over wat ze dacht. Maar dit wist de herbergierster, dat niemand met kapitein Lennarts lepel had mogen eten of in zijn stoel zitten, terwijl hij weg was. Nu in ’t voorjaar was er geen dag voorbijgegaan, dat zij niet naar den steen op den top van den Brobyheuvel gegaan was en den weg langs gekeken had of hij niet komen zou. En nieuwe kleeren had zij voor hem gereed, thuisgeweven kleeren, waarvan zij zelf ’t grootste deel gemaakt had. Zie, aan dat alles kon men wel merken, dat hij gewacht werd, al zeide ze ook niets.

„Ze gelooven het dus niet?” vroeg kapitein Lennart.

„Neen, kapitein,” antwoordde de boerin: niemand gelooft het!”

Toen bleef kapitein Lennart niet langer in de kamer, hij wilde naar huis.

Buiten trof hij toevallig goede oude vrienden aan. De kavaliers van Ekeby waren juist in de herberg aangekomen. Sintram had ze daar uitgenoodigd om zijn verjaardag te vieren. En de kavaliers bedachten zich geen oogenblik; maar drukten den dwangarbeider de hand en heetten hem welkom thuis. Dat deed Sintram ook.

„Lieve Lennart,” zei hij, „wees er maar zeker van, dat onze lieve Heer hier een bedoeling meê heeft gehad.”

„Jou schurk!” riep kapitein Lennart. „Meen je dat ik niet weet, dat het „onze lieve Heer” niet was, die jou van het schavot redde?”

De anderen lachten. Maar Sintram werd heelemaal niet boos. Hij had er niets tegen, dat er toespelingen werden gemaakt op zijn verbond met den Booze.

Ja, toen namen zij kapitein Lennart weer mee naar binnen om hem een welkom toe te drinken. Daarna mocht hij dadelijk verder gaan. Maar ’t liep slecht met hem af. Hij had zulke verraderlijke dingen in vijf jaar niet gedronken. Hij had misschien den heelen dag niet gegeten en was uitgeput door zijn lange wandeling. En daarom werd hij al wonderlijk in ’t hoofd door een paar glazen.

Toen de kavaliers hem zoover gekregen hadden, dat hij niet recht meer wist wat hij deed, gaven ze hem ’t eene glas na het andere. Zij meenden er niets kwaads mee. ’t Was pure vriendelijkheid. Hij had immers in geen vijf jaar wat lekkers gehad.

Anders was hij de matigste man, die men zich kan voorstellen. En men kan ook wel begrijpen, dat hij niet van plan was zich dronken te drinken, hij zou immers naar huis gaan,—naar vrouw en kinderen, maar nu bleef hij liggen op de bank in de herberg en viel in slaap.

En toen hij daar nu lag zonder bewustzijn, nam Gösta een stuk houtskool en wat bessensap en grimeerde hem. Hij gaf hem een echt misdadigersgezicht; dat paste goed bij hem, meende hij, omdat hij uit de gevangenis kwam. Hij gaf hem een „blauw oog,” een rood lidteeken over den neus, streek zijn haar over ’t voorhoofd in verwarde vlokken en smeerde zijn heele gezicht met roet in.

Zij lachten er een poosje om, en toen wilde Gösta ’t weer afwasschen.

„Neen, laat ’t zitten,” zei Sintram, „dan kan hij ’t zien als hij wakker wordt. Hij zal er pleizier in hebben.”

En zoo bleef het zooals ’t was. En de kavaliers dachten niet meer aan den kapitein. ’t Feest duurde den heelen nacht. Tegen den morgen braken ze op. Toen was er ongetwijfeld meer wijn dan verstand in hun hersens.

Nu was het de vraag, wat zij met Lennart zouden doen.

„Wij zullen hem thuis brengen,” zei Sintram. „Wat zal zijn vrouw blij zijn. ’t Zal heerlijk wezen haar vreugde te zien. Ik word al aangedaan als ik er aan denk. Laten we hem naar huis brengen.”

Zij werden allen geroerd door die gedachte. Lieve hemel, wat zal ze blij zijn, die strenge vrouw op Helgesaeter!

Zij schudden kapitein Lennart half wakker, en zetten hem in een van de rijtuigen, die de slaperige staljongens al lang geleden hadden doen voorkomen. En toen trok de heele schaar naar Helgesaeter. Sommigen sliepen half en vielen bijna uit den wagen, andren zongen om wakker te blijven. Zij leken veel op een bende vagebonden met hun wezenlooze, gezwollen gezichten.

Zij kwamen toch tot Helgesaeter. Ze lieten paarden en wagens achter op de plaats en trokken met zekere plechtigheid op naar het huis.

Beerencreutz en Julius hadden kapitein Lennart tusschen zich in.

„Word nu wakker, Lennart,” zeiden ze tot hem.

„Je bent nu thuis. Zie je dan niet, dat je thuis bent?”

Hij deed de oogen open en werd bijna nuchter. Hij werd aangedaan, omdat ze hem thuis brachten.

„Mijn vrienden,” zeide hij en bleef staan om ze allen te gelijk toe te spreken. „Ik heb God gevraagd waarom ik zóó veel heb moeten lijden.”

„Och, houd toch je mond, Lennart, schei uit met je gepreek,” schreeuwde Beerencreutz.

„Laat hem doorgaan,” riep Sintram, „hij spreekt goed.”

„Ik heb Hem dat gevraagd. Ik begreep het niet. Maar nu begrijp ik het. Hij wilde mij toonen wat voor goede vrienden ik had. Vrienden, die mij naar huis wilden brengen om de vreugde van mij en mijn vrouw te zien. Want mijn vrouw wacht mij. Wat zijn vijf ellendige jaren, daarbij vergeleken!”

En nu bonsden hun vuisten op de deur. De kavaliers hadden geen geduld om meer te hooren.

Binnen kwam beweging. De dienstmeisjes werden wakker en zagen naar buiten. Zij trokken haastig wat kleeren aan, maar ze durfden niet open doen voor al die mannen. Eindelijk werd de grendel van de deur gedaan en de vrouw des huizes trad zelf naar buiten.

„Wat beteekent dit?” vroeg ze.

Beerencreutz antwoordde: „Wij zijn hier met uw man.”

Ze duwden kapitein Lennart naar voren en ze zag hem aankomen, zwaaiend, dronken, met een misdadigersgezicht. En achter hem een schare beschonken, zwaaiende mannen.

Ze deed een stap achteruit. Hij kwam dichterbij met open armen. „Je ging heen als een dief,” barstte ze uit, „en je komt terug als een vagebond.” En toen wilde ze naar binnen gaan.

Hij begreep haar niet, hij wilde haar volgen maar ze stootte hem terug.

„Meen je dat ik iemand als jij als heer over mijn huis en mijn kinders wil aannemen?”

De deur vloog toe en de grendel werd er van binnen voorgeschoven. Kapitein Lennart vloog op de deur toe en rukte aan de knop.

Toen konden de kavaliers het lachen niet laten. Hij was zoo zeker van zijn vrouw geweest en nu wilde ze niets van hem weten. Dat was komiek—vonden ze.

Toen kapitein Lennart hoorde, dat ze lachten, stoof hij op hen af en wilde hen slaan. Zij liepen weg en sprongen in de wagens. Hij vloog ze na, maar in zijn boosheid struikelde hij over een steen en viel. Hij stond op; maar vervolgde ze niet verder. Een gedachte had hem getroffen. In deze wereld geschiedde er niets buiten Gods wil. Neen, niets!

„Waarheen wilt Gij mij leiden?” vroeg hij. „Ik ben als een veer door Uw adem meegevoerd. Ik ben Uw speelbal. Waarheen wilt Gij mij leiden? Waarom sluit Gij de deur van mijn huis voor me?”

En hij ging heen van zijn huis. Hij geloofde dat het Gods wil was.

Toen de zon opging, stond hij op den Brobyheuvel en zag neer in het dal. Ach, toen wisten de arme dalbewoners niet, dat hun redder nabij was. Geen behoeftige of bedroefde had groene kransen gevlochten en die aan de deur van zijn hut gehangen. Geen geurende lavendelbladen of veldbloemen sierden den drempel, die hij betreden zou. De moeders namen hun kinderen niet op den arm, opdat zij hem zouden zien komen. De hutten waren niet opgeruimd en groen gemaakt ter eere van hem. De mannen werkten niet rusteloos op den akker om zijn hart te verheugen met goed bebouwde velden en goed gegraven slooten.

Ach, van de hoogte waarop hij stond, zag zijn bekommerd oog, hoe de droogte de geheele streek had geteisterd, hoe ’t graan verschroeid was, en hoe ’t volk zich niet meer inspande om den grond te bereiden voor den zaaitijd. Hij zag naar de blauwe bergen op en de heldere morgenzon verlichtte de bruine, verzengde plekken waar de boschbrand gewoed had. Hij zag naar de bergen aan den kant van den weg. Zij waren bijna dood door de droogte. Hij merkte ’t aan allerlei kleinigheden, aan omgevallen hekken aan ’t weinige brandhout, dat gehakt en naar huis gereden was, dat de menschen niet meer op hun zaken pasten; dat de nood voor de deur stond en zij hun troost zochten in onverschilligheid en brandewijn.

Maar misschien was het goed voor hem, dat hij alles zag. Want het was niet voor hem weggelegd het zaad te zien ontkiemen en opkomen op zijn eigen akker; het was niet voor hem weggelegd aan zijn eigen haard te zitten en er de gloeiende kolen te zien dooven, of de zachte handen van zijn kinderen in de zijnen te voelen of een liefhebbende vrouw aan zijn zijde te hebben. Misschien was het goed voor hem, wiens ziel door diepe smart werd gedrukt, dat er andren waren, die hij in hun armoede kon vertroosten. Misschien was het goed voor hem dat deze tijd zulk een droevige tijd was, waarin de karigheid der natuur gebrek over de armen bracht en waar velen die ’t beter hadden, deden wat ze konden om ’t volk te gronde te richten.

Want ’t was niet voor niet, dat de predikant van Broby als een begeerige vrek rondging onder zijn gemeenteleden in plaats van hun een goede herder te zijn.

’t Was niet voor niet, dat de kavaliers regeerden in dronkenschap en overdaad, niet voor niet, dat Sintram hen had doen gelooven, dat dood en verderf hen allen treffen zou.

Kapitein Lennart stond daar op den Brobyheuvel en meende, dat God hem misschien wel gebruiken kon. En zijn vrouw riep hem ook niet berouwvol terug.

’t Moet gezegd worden, dat de kavaliers later volstrekt niet begrepen, hoeveel schuld zij hadden aan de hardheid van de vrouw van den kapitein. Sintram zei niets. Menigeen sprak afkeurend over de vrouw, die te trotsch geweest was zulk een goeden man weer te ontvangen. Zij kon niet verdragen, dat men zijn naam noemde. Kapitein Lennart deed niets om haar tot andere gedachten te brengen.

’t Was een dag later.

Een oude boer in Högberg lag op zijn sterfbed, hij had het sakrament der stervenden ontvangen en zijn levenskracht was verbruikt. Hij moest sterven. Rusteloos als iemand, die op ’t punt staat eene lange reis te maken, liet hij zijn bed van de keuken in de kamer, van de kamer in de keuken brengen. Daaraan kan men merken, meer nog dan aan zijn zwaar ademhalen en half gebroken oogen, dat zijn laatste ure gekomen is.

Om hem heen staan zijn vrouw, zijn kinderen en dienstboden. Hij is gelukkig, rijk en geacht geweest. Zijn sterfbed is niet eenzaam. Hij is in zijn laatste oogenblikken niet door ongeduldige vreemden omgeven. De oude man spreekt over zich zelf, alsof hij voor Gods aangezicht stond en onder zuchten en met veel woorden bevestigen de omstanders, wat hij zegt.

„Ik ben een vlijtig arbeider en eene goede huisheer geweest,” zegt hij. „Ik heb mijn vrouw liefgehad als mijn rechterhand. Ik heb mijn kindren niet zonder zorg en tucht op laten groeien. Ik heb niet gedronken, ik heb de grenssteenen op den akker niet verzet. Ik heb de paarden, die den heuvel opgingen, niet voortgezweept. Ik heb de koeien in den winter geen honger laten lijden; ik heb de schapen niet in den zomer met hun wol laten loopen.”

En om hem heen herhalen de bedienden schreiend, als een echo: „hij was een goed huisheer. Ach God, onze Heer. Hij heeft het paard, dat den heuvel opging, niet voortgezweept; hij heeft de koeien geen honger laten lijden in den winter.”

Zonder dat iemand het merkte, is een arm man de deur ingekomen om wat eten te vragen. Ook hij hoort de woorden van den stervende, en blijft zwijgend aan de deur staan.

En de zieke begint weer: „Ik heb bosschen omgehakt, velden drooggelegd; ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd. Ik heb de schuur driemaal vergroot, zoodat er driemaal meer koren in kon, dan in den tijd van mijn voorvaderen; ik heb drie zilveren bekers laten maken van blanke rijksdaalders en mijn vader liet er maar één maken.”

De woorden van den stervende dringen door tot hem, die daar staat en luistert. Hij hoort hem van zichzelf getuigen alsof hij voor Gods troon staat. Hij hoort de dienstboden en de kinderen bevestigend herhalen: „hij stuurde de ploeg in rechte voren, ja dat deed hij.”

„God zal mij wel een goede plaats in den hemel geven;” zegt de oude.

„De Heer zal den boer wel in den hemel opnemen,” zeggen de dienstboden.

De man aan de deur hoort die woorden en ontzetting grijpt hem aan; hem, die vijf lange jaren Gods speelbal geweest is, een veer die door Zijn adem wordt voortgedreven. Hij gaat naar den zieke toe en vat zijn hand.

„Ach vriend,” zegt hij, en zijn stem beeft van ontroering. „Hebt ge bedacht, wie de Heer is voor wiens aangezicht ge spoedig zult verschijnen? Hij is groot, Hij is geweldig. De wereld is Zijn akker, de storm Zijn dienaar. De hemel trilt onder den tred Zijner voeten. En gij stelt u tegenover Hem en zegt: „ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd, ik heb rogge gezaaid, ik heb bosschen omgehakt.” Wilt ge u zelven prijzen tegenover Hem en u met Hem meten? Weet ge dan niet hoe machtig de Heer is, naar wiens rijk gij gaan zult?”

De oude spert de oogen open; zijn gelaat wordt van angst vertrokken en zijn adem gaat nog zwaarder.

„Stel u niet voor het aangezicht van uw God met groote woorden,” gaat de zwerver voort. „De machtigen der aarde zijn als kaf in Zijn schuur. Zijn dagwerk is zonnen te scheppen. Hij heeft de zee gegraven en de bergen omhoog doen stijgen; Hij heeft de aarde met groen bekleed. Hij is een arbeider zonder weerga, gij kunt u met Hem niet meten. Buig u voor Hem, arme menschenziel! werp u in het stof voor den Heer, uw God. Gods storm vaart over u heen. Gods toorn zal over u komen als een verteerend vuur. Buig u neer. Grijp als een kind een slip van Zijn kleed en bid om Zijn bescherming. Kniel in het stof en smeek om Zijn genade. Verootmoedig u voor uw Schepper, o menschenziel.”

De oogen van den zieke staan wijd open. Hij vouwt de handen; maar zijn gezicht heldert op en ’t zware ademhalen houdt op.

„Menschenziel, arme menschenziel,” barst de vreemdeling uit. „Zoo waarachtig als gij nu in uw laatste ure u in ootmoed voor uw God gebogen hebt, zoo waarachtig zal Hij u als een kind in de armen nemen en u doen ingaan in de heerlijkheid van den Hemel.”

De oude man geeft den laatsten snik en alles is voorbij. Kapitein Lennart buigt het hoofd en bidt. Allen in de kamer bidden onder zuchten en tranen.

En als zij opzien, ligt de oude boer daar stil en vredig. Zijn oog schijnt nog te stralen van den weerschijn der heerlijke visioenen, zijn mond glimlacht,—zijn aangezicht is schoon. Hij heeft God gezien.

„O gij groote, schoone menschenziel,” denken zij die hem zien; „zoo hebt ge dan de boeien van ’t stof verbroken. In uw laatste uren hieft ge u op tot uw Schepper. Ge hebt u voor Hem verootmoedigd en Hij nam u als een kind in de armen.

„Hij heeft God gezien,” zegt de zoon en drukt den doode de oogen dicht.

„Hij zag den hemel open,” snikten de kinderen en de bedienden.

De oude huismoeder legt haar bevende hand in die van kapitein Lennart en zegt: „de kapitein hielp hem door ’t ergste heen.”

Hij staat verstomd. De gave van ’t machtige woord,—van de sterke daad is hem gegeven, hij weet niet hoe! Hij trilt als een vlinder op den rand van ’t pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn vleugels zich in den zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf.


Dat oogenblik was het, dat kapitein Lennart deed uitgaan onder het volk. Anders was hij zeker wel naar huis gegaan en had aan zijn vrouw zijn eigen gezicht laten zien, maar van dat oogenblik geloofde hij, dat God hem gebruiken kon. Toen werd hij Gods gezant; die den armen hulp kon brengen. De nood was groot in dien tijd en er was veel ellende, waar verstand en goedheid beter in zouden helpen dan goud en macht.

Kapitein Lennart kwam op een dag bij de arme boeren, die in den omtrek van Gurlita Klätt woonden. Groot was hun nood, zij hadden geen aardappelen meer, en zij konden geen rogge op de afgebrande velden zaaien, want zij hadden geen koren.

Toen nam kapitein Lennart een bootje en roeide dwars over ’t meer naar Fors en vroeg Sintram om rogge en aardappelen voor de arme boeren. Sintram ontving hem vriendelijk; hij nam hem mee naar de groote welvoorziene korenzolders en naar de kelders, waar nog aardappelen lagen van den oogst van verleden jaar en hij liet hem alle zakken en zakjes vullen, die hij meegebracht had. Maar toen Sintram ’t kleine bootje zag, waarin Lennart gekomen was, vond hij die te klein voor zulk een zwaren last. De booze man liet de zakken in een van zijn groote booten dragen en liet zijn knecht, de sterke Mons, ze over ’t water roeien. Kapitein Lennart had niet anders dan zijn leeg bootje te besturen.

Maar sterke Mons kwam hem toch vooruit, hij was een meester in het roeien en buitengewoon sterk. Kapitein Lennart zit te droomen, terwijl hij over ’t prachtige meer roeit; hij denkt aan ’t wonderlijke lot van de kleine zaadjes. Nu zullen ze op de zwarte aarde geworpen worden, die vol asch is, midden tusschen steenen en boomstronken, maar zij zullen toch wel groeien en wortel schieten in ’t woeste veld. Hij denkt aan de zachte, lichtgroene sprietjes, die de aarde zullen bedekken en hij buigt zich in gedachten neer en streelt ze liefkozend met de hand. En dan denkt hij er aan hoe de herfst en de winter zal heengaan over die zwakke stumpertjes, die zoo laat nog opkwamen uit de warme aarde, en hoe ze toch frisch en moedig zullen zijn, als het voorjaar komt, en in ernst aan ’t groeien zullen gaan. En dan verheugt zich zijn oud soldatenhart bij de gedachte aan de stijve halmen; die zoo rank en recht zullen staan met de spitse aar aan de punt. De stampers zullen wuiven met hun veerbosjes, ’t stof der meeldraden zal opstuiven tot aan de toppen der boomen en zoo zullen de aren gevuld worden met zachte, zoete korrels. En later, als de zeis komt en de halmen vallen en als de dorschvlegel bulderend over hen heen gaat, als de molenaar de korrels tot meel maalt en ’t meel tot brood gebakken is, hoeveler honger zal dan door ’t koren in die boot daar vóór hem niet gestild worden.

De knecht van Sintram legde aan bij de landingsplaats der Gurlita-boeren en veel hongerige menschen kwamen op de boot af. Toen zei de knecht, zooals zijn heer hem bevolen had:

„De grondeigenaar zendt jelui mout en koren. Hij heeft gehoord, dat je gebrek hebt aan brandewijn.”

Toen werden de menschen als waanzinnigen; ze vlogen naar de boot en sprongen in ’t water om zakken machtig te worden. Maar dàt was waarlijk de bedoeling van kapitein Lennart niet geweest. Hij was nu ook aan land gekomen en werd boos toen hij de boeren zoo opgewonden zag. Hij wilde de aardappels voor voeding en de rogge voor zaad laten gebruiken. Hij zou er nooit over denken om mout te vragen. Hij riep ze toe, dat ze de zakken moesten laten liggen; maar zij luisterden niet.

„’k Wou, dat de rogge tot zand in je mond werd en de aardappelen in steenen veranderden,” riep hij toen, want hij was ten hoogste verbitterd, door dat ze ’t koren wegrukten.

Op ’t zelfde oogenblik leek het, alsof kapitein Lennart een wonder had verricht. Twee vrouwen, die om een zak vochten, trokken er een gat in en er liep zand uit. De knechten, die de aardappelenzakken droegen, merkten dat ze zoo zwaar waren, alsof er steenen in zaten.

’t Was alles zand en steenen, anders niet. In stille ontzetting stond het volk den man Gods aan te zien, die tot hen was gekomen. Kapitein Lennart stond een oogenblik stom van verbazing. Maar sterke Mons lachte.

„Roei naar huis, man,” zei kapitein Lennart, „eer de boeren begrijpen, dat er nooit anders dan zand in de zakken geweest is, anders ben ik bang dat ze een gat in je boot boren.”

„Ik ben zoo bang niet,” zei de knecht.

„Roei nu toch naar huis,” zei kapitein Lennart zóó bevelend, dat de man gehoorzaamde. Toen vertelde kapitein Lennart aan de boeren, dat Sintram hem bedrogen had, maar wat hij ook zei, zij wilden niet anders gelooven dan dat er een wonder gebeurd was. Het gerucht hiervan verspreidde zich snel en daar de onontwikkelden van al wat wonderlijk is, houden, werd het een algemeen volksgeloof, dat kapitein Lennart wonderen kon doen. Daardoor kreeg hij veel macht over de boeren en zij noemden hem Gods gezant.


1 In het noorden worden bruid en bruidegom afzonderlijk door verwanten of vrienden naar het altaar gebracht.