XXIV.
Het kerkhof.
’t Was een heerlijke avond in Augustus. ’t Löfvenmeer lag spiegelglad; ’t was koel geworden en een fijne nevel, door de zon verlicht, verborg de bergen.
Beerencreutz, de overste met den witten knevel, klein en forsch, reusachtig sterk en met ’t kaartspel in den zak, kwam naar ’t strand en zette zich in de breede schuit.
Achter hem kwamen Majoor Anders Fuchs, zijn oude wapenbroeder en de kleine Ruster, de fluitspeler, die tamboer bij de jagers van Wermeland geweest was en vele jaren den overste als vriend en dienaar gevolgd had.
Op den anderen oever van ’t meer ligt het kerkhof, ’t verwaarloosde kerkhof van Svartsjö, dun bezaaid met scheve, rammelende ijzeren kruisjes, ruig als een nooit geploegd veld, begroeid met stijf en hoog gras, dat daar staat als herinnering aan de waarheid, dat geen menschenleven op een ander gelijkt, maar dat ze onderling verschillen als de halmen van ’t gras.
Men vindt daar geen met grint bedekte paden, geen schaduwrijke boomen, behalve de groote linde op een vergeten graf.
De steenen muur sluit zich hoog en afwijzend om ’t armoedige veldje. Armelijk en troosteloos is het kerkhof, leelijk als ’t gezicht van een gierigaard, geteisterd door de weeklachten van hem, wiens levensgeluk hij verstoorde.
En toch zijn zij zalig, die daarbinnen rusten, zij die in de gewijde aarde werden neergelaten onder psalmen en gebeden. Acquilon, de speler, hij, die verleden jaar stierf op Ekeby, is buiten den muur moeten begraven worden. Die man, die eens zoo fier en ridderlijk was, die dappere krijgsman, die kloeke jager, de speler wien ’t geluk diende, hij was geëindigd met ’t erfdeel van zijn kinderen te verspillen.
Alles wat hij zelf had verworven, alles wat zijn vrouw zoo zuinig bijeengehouden had. Vrouw en kinderen had hij voor vele jaren verlaten om op Ekeby als kavalier te gaan leven.
Op een avond in den vorigen zomer had hij de hoeve verspeeld, waar zij woonden. Liever dan zijn schuld te betalen, had hij zich voor ’t hoofd geschoten. Maar ’t lijk van den zelfmoordenaar werd begraven buiten den bemosten muur van het kerkhof.
Sinds hij stierf waren de kavaliers maar met hun twaalven geweest. Niemand was gekomen om de plaats van den dertiende in te nemen—niemand dan de zwarte, die uit den grooten oven was gekomen op Kerstavond.
De kavaliers hadden zijn lot droeviger dan dat van zijn voorgangers gevonden. Wel wisten ze, dat er ieder jaar een van hen sterven moest. Maar wat zou dat? Kavaliers moesten niet oud worden. Als hun verduisterde oogen de kaarten niet meer konden onderscheiden, als hun bevende handen het glas niet meer konden opheffen, wat is dan ’t leven voor hen en wat kan ’t leven dan meer van hen verwachten? Maar als een hond buiten den muur van ’t kerkhof te liggen, waar ’t gras, dat hem bedekt geen rust kan krijgen, maar wordt betreden door het blatende schaap, door spade of ploeg beschadigd; waar de wandelaar gaat zonder zijn schreden te matigen, waar kinderen spelen zonder lachen en scherts terug te houden; daar te liggen, waar de steenen muur ’t geluid belet door te dringen als de engel van den jongsten dag met zijn bazuin de dooden daarbinnen wekt—o, daar te liggen!....
Nu roeit Beerencreutz zijn boot over ’t meer. Hij vaart van avond over ’t meer mijner droomen, aan wiens oevers ik goden zie wandelen en uit wiens diepte mijn tooverslot opstijgt. Hij vaart voorbij Lagön, waar de dennen rechtop uit ’t water steken, gegroeid als ze zijn op lage, cirkelvormige zandbanken en waar de splinters van de verwoeste zeerooversburchten nog op schuine hellingen liggen. Hij vaart voort langs de dennenparken van Borg, waar de oude dennen nog aan dikke wortels over den bergkloof hangen, waar de geweldige beer gevangen werd en waar oude hunnebedden en grafheuvels van den ouderdom der streek getuigen.
Hij roeit om de landtong heen, stapt uit beneden het kerkhof en gaat over het gemaaide veld, dat aan den graaf van Borg hoort, naar Acquillons graf.
Daar aangekomen buigt hij zich neer en streelt het gras, zooals men allicht de deken liefkoost, waaronder een zieke vriend rust. Dan neemt hij het kaartspel en zet zich bij het graf.
„Hij is hier zoo alleen buiten, Johan Frederik. Hij verlangt zeker wel naar een partijtje.”
„Zonde en schande is ’t dat een kerel als hij hier buiten moet liggen,” zegt de groote beerenjager Anders Fuchs en zet zich naast hem neer.
Maar de kleine Ruster, de fluitspeler, spreekt met bewogen stem, terwijl tranen hem aanhoudend langs de wangen loopen: „Naast u overste, naast u was hij de beste man van de wereld.”
De drie waardige mannen zitten nu om het graf en geven de kaarten rond. Ernstig en ijverig beginnen zij hun spel.
Ik zie rond in de wereld. En ik zie veel graven. Daar rusten de machtigen door ’t marmer gedrukt. Treurmarschen klinken daarover. Vanen worden neergelaten over die graven. Ik zie graven waaraan veel zorg en liefde wordt besteed. Bloemen, met tranen en kussen bedekt, rusten op hun groene kleeden. Vergeten graven zie ik, vermetele, leugenachtige graven, anderen die niets zeggen; maar nooit zag ik ruiten boer en klaveren vrouw te gast genood op een graf.
„Johan Frederik heeft het gewonnen,” zegt de overste trotsch. „Zei ik het niet? Ik heb hem spelen geleerd. Ja, nu zijn wij dood.”
Daarmeê neemt hij de kaarten op, staat op en gaat door de anderen gevolgd naar Ekeby terug.
Nu zal de doode toch wel geweten of gevoeld hebben, dat niet allen hem en zijn verlaten graf hebben vergeten. Wonderlijke hulde brengen verwilderde harten aan hen die ze liefhebben, maar zij wiens lijk geen rust in gewijde aarde mag vinden, hij moet toch blij zijn als niet allen hem verwerpen.
Vrienden, menschenkinderen, als ik sterf, zal ik zeker rusten midden op het kerkhof in het graf mijner vaderen. Zeker zal ik de mijnen niet van hun dak hebben beroofd, noch de hand aan mijn eigen leven geslagen hebben; maar zeer zeker zal ik niet zulk een liefde gewonnen hebben, zeker zal niemand zóóveel voor mij doen als de kavaliers voor dezen misdadiger. Zeer zeker komt niemand des avonds als de zon ondergaat en ’t eenzaam en treurig in ’t verblijf der dooden wordt, om tusschen mijn verstijfde vingers de bonte kaarten te leggen.
Niet eens zal men komen—wat ik liever zou hebben—want kaarten bekoren mij niet—met viool en strijkstok bij mijn graf, opdat mijn schim, die om ’t vergaande stof zweeft, mag wiegen op den stroom der tonen als een zwaan op de vonkelende golven.
XXV.
Oude liederen.
Marianne Sinclaire zat op een stillen namiddag in ’t eind van Augustus in haar kamer en maakte haar brieven en oude papieren in orde.
Van alles lag om haar heen. Groote leeren tasschen en kistjes met ijzer beslagen, waren in haar kamer gebracht. Haar kleeren lagen uitgespreid op stoelen en sofa’s. Van den zolder en uit kasten en uit de laden der commodes was alles voor den dag gehaald: zijde en fijn linnen; sieraden om te poetsen, shawls en bontwerk om te onderzoeken en uit te kiezen.
Marianne was bezig alles klaar te maken voor een lange reis. ’t Was niet zeker of ze ooit weer thuis zou komen. Ze stond voor een keerpunt in haar leven en verbrandde daarom een menigte oude brieven en dagboeken. Zij wilde niet langer gedrukt worden door herinneringen aan ’t verleden.
Zooals ze daar nu zit, krijgt ze een bundel oude liedjes in handen. ’t Waren copieën van oude volksliedjes, die haar moeder voor haar placht te zingen toen ze klein was. Zij maakte het lint los, dat er om heen gebonden was en begon te lezen.
Ze glimlachte weemoedig, toen ze een poosje gelezen had; het was een wonderlijke wijsheid, die de oude liedjes verkondigden.
Geloof niet aan ’t geluk, niet aan voorteekenen van geluk, geloof niet aan rozen en liefelijke bloemen.
Geloof niet aan een lach, zeiden ze. Zie Valberg de schoone Jonkvrouw rijdt in een gouden koets en toch is ze zoo bedroefd, alsof de paardenhoeven en de wielen haar geluk zullen verbrijzelen.
Geloof niet aan den dans, zeiden ze. Menig voet glijdt licht over den gewreven dansvloer, terwijl het hart zwaar is als lood. Kleine Kirsten danste zoo vroolijk en blij en toch verdanste zij haar jong leven.
Geloof niet aan scherts. Menigeen gaat aan den feestdisch met schertsende woorden en zou graag willen sterven van droefheid. Daar zit schoone Adelheid en laat zich ’t hart van hertog Frydenborg in negen stukken voordienen, omdat ze er zeker van is, dat ze na dat gezien te hebben kracht tot sterven zal krijgen.—
Och gij oude liedjes, waar mag men dan aan gelooven. Aan tranen en lijden?
Zelden zucht een vroolijk hart; maar vaak lacht een bedroefde mond. Aan tranen en zuchten gelooven de oude liedjes, aan smart en voorteekenen van verdriet. Smart is werkelijkheid, de vaste rots onder het zand. Aan smart en aan haar kenteekenen kan men gelooven.
Hoe troosteloos zijt ge, zeide Marianne, hoe schiet uw oude wijsheid te kort bij ’s levens volheid.
Zij ging naar het venster en keek uit in den tuin waarin haar ouders wandelden. Zij liepen op en neer op de breede paden en spraken over alles wat zij zagen, over al wat hun oogen trof, over ’t gras op het veld en de vogelen des hemels.
„Zie,” zeide Marianne, „daar gaat nu een hart, dat zucht van smart, hoewel ’t nooit vroeger zoo gelukkig is geweest.” En plotseling viel haar de gedachte in, dat misschien ten slotte alles aan de menschen zelf lag, dat vreugde en smart maar afhing van hun verschillende wijzen van zien. Zij vroeg zich af of het vreugde of smart was, wat ze dit jaar doorgemaakt had. Ze wist het zelf bijna niet.
Ze had bitter lijden beleefd. Haar ziel was ziek geweest, ze was ter aarde gebogen door diepe vernedering. Want toen ze weer thuis gekomen was, had ze in zich zelf gezegd: „ik wil me niets kwaads van mijn vader herinneren”
Maar haar hart sprak anders. „Hij heeft mij het bitterst leed aangedaan,” zeide het, „hij heeft mij gescheiden van hem dien ik liefheb, hij heeft me tot vertwijfeling gebracht toen hij moeder sloeg. Ik wensch hem niets kwaads; maar ik ben bang voor hem.”
En ze merkte, dat zij zich moest dwingen om stil te blijven zitten, als haar vader zich naast haar zette; ze had lust van hem weg te loopen. Ze beproefde zich te vermannen, ze sprak met hem als gewoonlijk en was bijna altijd bij hem. Zij kon zich beheerschen, maar zij leed onuitsprekelijk. En eindelijk kwam het zoover dat ze alles aan hem verafschuwde; zijn zware, grove stem, zijn zwaren stap, zijn groote handen, zijn reusachtige gestalte. Zij wenschte hem geen kwaad, zij wilde hem niet schaden, maar ze kon hem niet naderen zonder angst en afschuw. Haar onderdrukt hart wreekte zich. „Ge liet me niet liefhebben,” zei het, „maar ik ben toch uw meester. Ge zult eindigen met te haten.”
Gewend als ze was, alles waar te nemen wat zich in haar ziel bewoog, merkte ze dat die afschuw van dag tot dag toenam. En tegelijkertijd was ze voor goed aan huis gebonden. Zij zag in dat het het beste zou zijn als ze weg kon gaan naar andere menschen; maar daar kon ze na haar ziekte niet toe komen. Er zou nooit eenige verlichting in dit alles komen. Ze zou altijd meer gepijnigd worden, en eindelijk zou haar zelfbeheersching tekort schieten, en ze zou uitbarsten tegenover haar vader en hem de verbittering van haar hart toonen, en er zou strijd en ellende van komen.
Zoo was het voorjaar en de voorzomer voorbij gegaan. In Juli had zij zich verloofd met baron Adriaan om een eigen tehuis te hebben.
Op een schoonen dag was baron Adriaan ’t landgoed op komen rijden op een prachtig paard. Zijn huzarenrok schitterde in de zon, zijn sporen, sabel en tuig straalden en vonkelden, om niet te spreken van zijn eigen frisch gezicht en stralende oogen. Melchior Sinclaire had zelf op de stoep gestaan en hem ontvangen toen hij kwam. Marianne had aan ’t venster zitten naaien. Ze had hem zien komen en hoorde nu ieder woord, dat ze samen spraken.
„Goeden dag, ridder Zonneschijn,” riep de grondeigenaar. „Wel drommel, wat ben je mooi. Je bent toch niet op een vrouw uit.”
„Ja oom, dat is ’t juist,” antwoordde hij lachend.
„Maar schaam je je niet kerel! Wat heb jij om een vrouw van te onderhouden?”
„Geen cent, oom. Had ik wat dan mocht de duivel gaan trouwen, voor mijn part.”
„En dat zeg jij, ridder Zonneschijn, dat zeg jij? Maar die geborduurde jas heb je toch kunnen koopen.”
„En je paard dan? Dat is een kostbaar beestje, jongetje. Waar heb je dat dan vandaan.”
„Geleend, oom!”
Daar kon de groote grondeigenaar niet tegen. „God zegen je, jongen,” zei hij, „je hebt wel een vrouw met een zakduitje noodig. Als je Marianne kunt krijgen, neem haar dan.”
En zoo was de zaak al in orde, eer de baron van zijn paard gekomen was. Maar Melchior Sinclaire wist wel wat hij deed, want baron Adriaan was een flinke man.
Daarop was de jonge man bij Marianne gekomen en was onmiddellijk met zijn boodschap voor den dag gekomen.
„Och Marianne, lieve Marianne, ik heb al met je vader gesproken. Ik zou je zoo graag tot vrouw hebben. Zeg dat je wilt, Marianne.”
Ze had al gauw de waarheid uit hem gekregen.
De oude baron, zijn vader, had zich weer laten verleiden tot het koopen van eenige leege mijnen. De oude baron had zijn heele leven mijnen gekocht en er was nooit iets in geweest. Zijn moeder was in zorgen; hij zelf had schulden gemaakt en nu vroeg hij haar om daarmeê zijn vaderlijk huis en zijn huzarenrok te redden. Zijn tehuis was Hekeby, het lag aan den andren kant van het meer vlak over Björne. Ze kende hem goed, ze waren even oud en speelkameraden.
„Je kon best met mij trouwen Marianne, ik heb nu een ellendig leven. Ik moet op geleende paarden rijden en kan mijn kleermaker niet betalen. Dat kan immers op den duur niet. Ik zal mijn ontslag moeten vragen, en dan schiet ik mij voor den kop.”
„Maar Adriaan, wat moet dat nu voor een huwelijk worden. We zijn immers in ’t minst niet op elkaar verliefd.”
„Nu ja, wat liefde betreft, om dien onzin geef ik geen steek,” had hij toen gezegd, „Ik rijd graag op een goed paard, en ga op de jacht; maar ik ben geen kavalier; ik wil werken. Als ik maar geld krijgen kon, zoodat ik de hoeve thuis overnemen kon en mijn moeder een rustigen ouden dag bezorgen kon, dan zou ik al heel tevreden zijn. Ik kan wel zaaien en ploegen, want ik houd van flink werken.
En hij had haar met zijn goedige oogen aangezien, en ze wist, dat hij waarheid sprak en dat hij een man was, waar ze op vertrouwen kon. Ze verloofde zich met hem, voor ’t grootste gedeelte om van huis te komen, maar ook omdat ze hem wel lijden mocht.
Maar nooit zou ze die maand vergeten, die nu volgde, dien Augustusavond dat hun engagement publiek werd, heel dien waanzinnigen tijd.
Baron Adriaan was elken dag gedrukter en stiller geworden. Hij kwam dikwijls genoeg naar Björne, soms tweemaal per dag, maar ze merkte hoe ontstemd hij was. Als hij bij anderen was kon hij lachen en schertsen, maar als hij met haar samen was, werd hij onmogelijk! Zwijgend en vervelend. Zij begreep wel wat er aan scheelde: het was zoo gemakkelijk niet als hij gedacht had, met een leelijk meisje te gaan trouwen. Nu had hij iets tegen haar. Niemand wist beter dan zij zelf hoe leelijk ze was. Ze had hem dadelijk getoond, dat zij niet van liefkozingen of betuigingen van liefde hield, maar hij leed natuurlijk onder de gedachte, dat zij zijn vrouw zou worden en dat werd bij den dag erger. Maar waarom liep hij zichzelf te plagen? Waarom verbrak hij zijn engagement niet. Ze had hem toch duidelijk wenken in die richting gegeven. Zelf kon ze niets doen, want haar vader had haar ronduit gezegd, dat haar naam geen extravagances wat engagementen betreft meer lijden kon. Toen had zij hen beiden diep veracht, en elke uitweg om deze beide meesters te ontsnappen, kwam haar geoorloofd voor. En toen, maar een paar dagen na hun verlovingsfeest was een verandering gekomen, plotseling en wonderlijk!
Op ’t pad van Björne voor de stoep lag een groote steen, die veel moeite en ergernis gaf. Wagens kantelden er door om, paarden en menschen vielen er over, meisjes die met zware melkvaten kwamen, struikelden er over en morsten met melk, maar de steen bleef toch liggen, omdat hij er al zoolang gelegen had; hij had er al gelegen in den tijd van Sinclaires vader, lang voor dat iemand er aan had gedacht Björne te bouwen. De grondeigenaar kon niet inzien, waarom hij nu opeens weg moest.
Maar op een van de laatste dagen in Augustus gebeurde het, dat twee meisjes, die met een zware tobbe aan kwamen dragen, over den steen vielen. Zij bezeerden zich leelijk en de ontevredenheid over den steen was groot.
’t Was tegen twaalf uur. De grondeigenaar was op zijn morgenwandeling, maar daar het werkvolk juist op de hoeve was tusschen acht en negen, beval Mevrouw Gustava een paar knechts den steen los te graven. Zij kwamen met spaden en hefboomen, groeven en zwoegden en eindelijk kregen zij den steen des aanstoots weg van zijn plaats. Zij droegen hem naar den tuin, zes man hadden er genoeg werk aan.
Nauwelijks was de steen weg of de grondeigenaar kwam thuis en dadelijk zag hij wat er gebeurd was. ’t Is wel mogelijk dat hij boos was. ’t Was alsof het ’t zelfde huis niet meer was, vond hij. Wie had gewaagd den steen weg te nemen? O zoo! had Mevrouw Gustava het bevolen. Die vrouwen hebben ook geen hart. Wist zijn vrouw dan niet hoe lief hij dien steen had.
En hij ging op den steen af en droeg hem van den tuin weg over de hoeve, heelemaal naar de plaats waar hij gelegen had en gooide hem daar weer neer. En ’t was een steen, die zes man met moeite verdragen hadden. Die daad werd zeer bewonderd in Wermeland.
Terwijl hij den steen over de plaats droeg, had Marianne aan het venster in de eetzaal gestaan en naar hem gezien. Zij had hem nooit zóó verschrikkelijk gezien. En hij was haar heer en meester, die vreeselijke man met zijn grenzenlooze kracht, een onredelijke, grillige meester, die nooit naar iets anders dan zijn eigen lust vroeg.
Zij zouden juist aan het tweede ontbijt gaan en zij stond met het broodmes in de hand. Onwillekeurig lichtte zij het op.
Mevrouw Gustava greep haar bij de pols.
„Marianne!”
„Wat is er, moeder!”
„Ach Marianne, je ziet er zoo vreemd uit. Ik word er bang van.”
Marianne zag haar lang aan. Zij was een kleine, uitgedroogde vrouw, met grijs haar en gerimpeld. En ze was pas vijftig jaar. Ze had lief als een hond, trots schoppen en slagen. Ze was meestal opgewekt en maakte toch zulk een treurigen indruk. Ze was als een boom die door storm geteisterd is, ze had nooit tijd tot groeien gehad.
Ze had geleerd langs omwegen te gaan, loog als het noodig was en hield zich vaak dommer dan ze was om verwijten te ontgaan. Zij was alles te zamen genomen, geheel door haar man gevormd.
„Zou u heel bedroefd zijn als vader stierf, moeder?” vroeg Marianne.
„Marianne, je bent boos op je vader, je bent altijd boos op hem. Waarom kan alles niet weer goed worden, nu je een anderen verloofde hebt.”
„Ach, moeder, ik kan er niets aan doen. Ik kan ’t niet helpen, dat ik voor hem ril. Weet u dan niet hoe hij is. Hoe kan ik van hem houden. Hij is driftig en ruw, hij heeft u geplaagd zoodat u oud is geworden vóór uw tijd. Waarom moet hij onze meester zijn! Hij doet immers alsof hij gek is. Waarom moet ik hem eeren en achten? Hij is niet goed, niet barmhartig. Ik weet dat hij sterk is; hij kan ons doodslaan, wanneer hij maar wil. Hij kan ons uit het huis zetten als hij wil. Moet ik hem daarom liefhebben?”
Maar toen werd mevrouw Gustava heel anders dan ze gewoonlijk was. Ze werd sterk en moedig en sprak op een toon van gezag: „Pas op, Marianne! Ik begin bijna te gelooven dat je vader gelijk had, toen hij je van den winter buiten de deur sloot. Je zult zien, dat je hiervoor gestraft zult worden. Je moet leeren te verdragen zonder te haten, te lijden zonder je te willen wreken.”
„Ach moeder, ik ben zoo ongelukkig.”
En onmiddellijk volgde de straf. Uit de vestibule klonk een dof dreunen, alsof er iets zwaars viel.
Niemand kwam ooit te weten of Melchior Sinclaire op den stoep gestaan had en door de open deur van de eetkamer Mariannes woorden gehoord had, of dat alleen de lichamelijke overspanning hem een aanval van beroerte bezorgd had. Toen zij buiten kwamen was hij bewusteloos. Zij waagden later niet hem naar de aanleiding te vragen. Zelf liet hij nooit merken, dat hij iets gehoord had. Marianne waagde nooit te denken, dat hij zich onwillekeurig gewroken had. Maar toen zij haar vader daar zag liggen op dezelfde plek waar zij geleerd had hem te haten, verdween plotseling de bitterheid uit haar hart.
Hij kwam spoedig bij en nadat hij zich een paar dagen rustig gehouden had, was hij weer beter;—maar heel anders dan vroeger.
Marianne zag haar ouders in den tuin wandelen. Dat deden ze nu vaak. Hij ging nooit alleen uit, ging niet van huis, werd knorrig als er gasten kwamen of als iets anders hem van zijn vrouw scheidde. Hij was plotseling oud geworden. Hij kon er niet toe komen een brief te schrijven; zijn vrouw moest het doen; hij besliste nooit meer iets alleen, maar vroeg haar opinie overal over en liet alles gebeuren zooals zij wenschte. En hij was altijd zacht en vriendelijk. Hij zelf merkte de verandering, die over hem gekomen was en zag hoe gelukkig zijn vrouw was. „Nu heeft ze het goed,” zei hij eens tegen Marianne en wees op mevrouw Gustava.
„Och, lieve Melchior,” barstte ze uit, „je weet wel dat ik veel liever had, dat je weer beter werdt.”
En dat had ze werkelijk liever gehad. ’t Was haar een genot te vertellen hoe de groote grondeigenaar in zijn sterke dagen was. Ze vertelde hoe hij alles verdragen kon, zoo goed als de kavaliers van Ekeby, hoe hij zaken deed en veel geld verdiende, juist als zij meende, dat zijn woestheid hun huis en hof ontnemen zou. Maar Marianne wist dat ze gelukkig was niettegenstaande al die klachten. Alles voor hem te zijn, was haar genoeg. Beiden zagen zij er oud uit, afgeleefd vóór hun tijd. Marianne kon zich wel voorstellen hoe hun leven zou worden. Hij zou langzamerhand zwakker en zwakker worden; de eene attaque na de andere zou hem steeds meer hulpeloos maken en zij zou hem oppassen tot de dood hen scheidde, maar dat kon nog lang duren. Mevrouw Gustava kon haar geluk nog lang behouden. „En dat is billijk,” dacht Marianne, „want het leven is haar nog veel schuldig.’”
Ook zij zelf had het nu beter. Ze voelde niet meer die hopelooze vertwijfeling, die haar tot een huwelijk dwong om ten minste een andere heer en meester te krijgen. Haar gewond hart had rust gevonden. Haat en liefde hadden het geslingerd; maar nu dacht ze niet meer aan alles wat ze geleden had. Ze moest erkennen dat haar zieleleven meer waard, grooter en rijker geworden was dan vroeger, hoe zou ze dan kunnen wenschen dat dit alles niet gebeurd was. Was het misschien waar, dat alle leed iets goeds bracht? Kon alles medewerken ten goede? Ze was begonnen alles goed te noemen, wat haar als mensch op hooger ontwikkelingstrap bracht. De oude liedjes hadden geen gelijk. De smart was niet de eenige werkelijkheid. Nu wilde ze op reis gaan en een betrekking zoeken, waarin ze nuttig zou kunnen zijn. Was haar vader nog de oude geweest, dan had hij haar nooit toegelaten haar verloving te verbreken. Nu had mevrouw Gustava voorzichtig de zaak in orde gebracht. Marianne mocht zelf Baron Adriaan helpen met het geld wat hij noodig had.
Ook aan hem kon ze nu met vreugde denken; nu was hij immers vrij! In zijn frisschen moed en levenslust had hij haar altijd aan Gösta Berling doen denken; nu zou ze hem weer blij zien. Hij zou opnieuw de Ridder Zonneschijn zijn, die stralend was komen aanrijden op haars vaders landgoed. Ze zou hem grond bezorgen, waar hij kon graven en ploegen, zooveel zijn hart maar begeerde en zou hem een mooie jonge bruid naar het altaar zien voeren.
Onder zulke gedachten zet zij zich neer om aan hem te schrijven en hem zijn vrijheid terug te geven. Ze schrijft vriendelijk en dringend, verstandig en schertsend en toch zóo, dat hij kan begrijpen, hoe ernstig ze het meent.
Terwijl ze schrijft, hoort ze hoefslagen op den weg.
„Lieve ridder Zonneschijn,” denkt ze, „dat is nu voor het laatst.”
En onmiddellijk daarop komt de baron bij haar binnen.
„Maar Adriaan! kom je hier binnen,” en ze ziet verschrikt naar al de wanorde om haar heen.
Hij wordt dadelijk verlegen en beschroomd en stamelt een verontschuldiging.
„Ik zat juist aan je te schrijven,” zegt ze, „zie hier; je kunt den brief ook wel dadelijk lezen.”
Hij neemt den brief en zij zit hem aan te zien, terwijl hij leest. Ze verlangt er naar, zijn gezicht te zien ophelderen en stralen van vreugd. Maar hij heeft nog niet veel gelezen, toen hij vuurrood wordt, den brief op den grond gooit, hem onder den voet trapt en vloekt dat ’t huis er van dreunt.
Marianne beeft. Ze is geen beginner in de studie der liefde. En toch begrijpt ze eerst nu dien onervaren knaap, dat groote kind.
„Adriaan, lieve Adriaan,” zegt ze, „wat is dat toch voor een comedie, die je met me gespeeld hebt. Kom eens hier en vertel me alles.”
Hij kwam en smoorde haar bijna door zijn liefkozingen. Arme jongen, hoe had hij verlangd en geleden!
Kort daarna zag zij het venster uit. Daar wandelde mevrouw Gustava nog altijd en babbelde met den grooten grondeigenaar over bloemen en vogels, en hier zat zij te babbelen over liefde.
„’t Leven heeft ons beiden zijn heiligen ernst laten zien,” dacht ze, en glimlachte weemoedig.
„’t Zal ons troosten, dat we ieder ons groot kind hebben om meê te spelen.”
’t Deed haar toch goed, dat men haar lief kon hebben. Het was heerlijk hem te hooren fluisteren over de tooverkracht, die van haar uitging, en hoe hij zich schaamde over wat hij in hun eerste gesprek gezegd had. Hij wist toen niet welk een macht ze had. Och, geen man kon haar naderen, zonder haar lief te hebben. Maar ze had hem bang gemaakt. Hij had zich zoo wonderlijk onderdrukt gevoeld.
’t Was geen geluk!—maar ook geen ongeluk. Zij zou beproeven het leven met dien man te aanvaarden.
Zij begon zichzelf te begrijpen en dacht aan de woorden in ’t oude liedje van de tortelduif, den vogel van het verlangen. „Ze drinkt nooit het heldere water, ze maakt het eerst troebel met haar voet, dan past het beter voor haar droevige stemming.” Zoo zou zij ook niet uit de bron des levens het heldere onvermengde geluk drinken. Troebel door weemoed, zoo was het leven ’t beste voor haar.
XXVI.
De dood als bevrijder.
Mijn bleeke vriend, de Dood, kwam in Augustus, toen de nachten bleek waren, in den maneschijn, bij ’t huis van kapitein Uggla. Maar hij durfde niet aanstonds binnengaan onder het gastvrije dak, want er zijn maar weinigen, die hem liefhebben.
Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder heeft een moedig hart. Het is hem een lust te rijden door de lucht, door gloeiende kanonskogels gedragen. Hij neemt de sissende granaat op den nek en lacht als die springt en de splinters om hem heen vliegen. Hij danst met de spoken op het kerkhof en schuwt de pestzalen in het hospitaal niet, maar hij beeft aan de deur der rechtschapenen, op den drempel der goede menschen.
Want hij wil niet met tranen begroet worden, maar met stille vreugd; hij die de zielen bevrijdt van de boeien der smart, van de ketenen van ’t stof en ze laat genieten van het vrije, heerlijke leven in de wereldruimte.
En de Dood sloop in ’t oude bosch, achter ’t woonhuis, waar nog op den huidigen dag de slanke beuken met hun witte stammen wedijveren, om aan de fijne bladknoppen in hun toppen ’t licht des hemels te verschaffen. In dat bosch, dat toen jong en vol dicht groen was, verschool mijn bleeke vriend zich terwijl de zon aan den hemel stond, maar des nachts stond hij aan den zoom van ’t woud, wit en bleek met zijn zeis, die blonk in den maneschijn.
O Eros, aan u behoorde eens dit woud. De ouden van dagen weten te vertellen, hoe verliefde paren er vroeger rust en schaduw zochten. En nog heden, als ik voorbij Berga kom, knorrig over de steile heuvels en over ’t verstikkende stof, verheug ik mij over uw bosch met de nu maar weinige witte stammen, die stralen van herinneringen aan jonge, schoone menschen, die elkaar liefhadden.
Maar nu stond de Dood daar en de nachtdieren zagen hem. Avond aan avond hoorden de bewoners van Berga, hoe de vos huilde om zijn komst aan te kondigen. De adder kronkelde over ’t pad tot dicht bij ’t huis. Hij kon niet spreken, maar men begreep wel, dat hij den machtige aan kwam kondigen. En in den appelboom buiten ’t venster van mevrouw Uggla liet de uil zijn gekras hooren. Want alles in de natuur kent den dood en beeft voor hem.
En zoo geschiedde het dat de rechter van Munkerud, die op een feest bij den proost van Bro geweest was, ongeveer tegen twee uur ’s nachts voorbij Berga reed en een licht zag branden in ’t venster van de logeerkamer. Hij zag duidelijk een gele vlam en de witte kaars en later sprak hij met verwondering over dat licht, dat in den zomernacht had gebrand. Toen lachten de vroolijke jonge dames op Berga en zeiden dat de rechter een vizioen gehad had, want hun vetkaarsen waren al lang opgebrand in Maart; en de kapitein vloekte er op, dat er niemand in de logeerkamer geweest was sinds velen weken, maar de vrouw van den kapitein werd bleek en zweeg; want die witte kaars met de heldere vlam placht zich te vertoonen, als iemand uit haar familie verlost zou worden door den Dood, den grooten Bevrijder.
Kort daarna, op een heerlijken Augustusdag, kwam Ferdinand thuis van zijn landmetersdienst in de noordelijke bosschen. Hij was bleek en ziek, door een onherstelbare longziekte aangetast, en zoodra zijn moeder hem zag, wist ze dat haar jongen sterven zou. Ze zou hem dan moeten missen, dien goeden zoon, die nooit zijn ouders ’t allerminste verdriet deed. De jonge man moest de aarde met al haar vreugd verlaten, en zijn geliefde bruid, die hem wachtte, de rijke hoeven, en de dreunende smidse, die hem zouden toebehooren.
Eindelijk, toen mijn bleeke vriend een maand lang geaarzeld had, vatte hij moed en ging op een nacht naar het woonhuis. Hij wist dat nood en honger daar met vroolijke gezichten ontvangen werden, waarom zouden ze hem dan niet met blijdschap tegemoet komen.
Zacht ging hij ’t pad langs en wierp een donkere schaduw over ’t grasveld, waar de dauwdroppels in den maneschijn glinsterden. Hij kwam niet als een vroolijk maaier met bloemen op den hoed en den arm om het middel van zijn meisje. Hij liep gebogen als een uitgeteerde stumpert en verborg zijn zeis in de plooien van zijn mantel, terwijl uilen en vleermuizen om hem heen fladderden.
Dien nacht hoorde mevrouw Uggla, die wakker lag, dat er aan ’t venster geklopt werd, en zij ging overeind in het bed zitten en vroeg: „wie klopt daar?”
En de ouden vertellen, dat de Dood haar antwoordde: „’t is de Dood, die aanklopt.”
Toen stond ze op, deed het venster open en zag vleermuizen en uilen in den maneschijn fladderen, maar den Dood zag ze niet.
„Kom binnen,” zei ze halfluid, „Vriend en Bevrijder. Waarom toefdet ge zoo lang? Ik heb u gewacht, ik heb u geroepen. Kom binnen en bevrijd mijn zoon.”
Toen gleed de Dood binnen, gelukkig als een onttroonden koning, die in zijn hoogen ouderdom zijn kroon terugkrijgt, blij als een kind, dat naar zijn spel geroepen wordt.
Den volgenden dag zat Mevrouw Uggla aan ’t ziekbed van haar zoon en sprak met hem over de zaligheid der verloste zielen en hun heerlijk leven.
„Zij werken,” zeide ze, „zij werken zeker. ’t Zijn kunstenaars, groote kunstenaars, mijn jongen! Als ge bij hen komt, zeg mij dan eens wat gij zult worden.
Een van de beeldhouwers zonder beitel, die rozen en leliën uithouwt, of een van de schilders die ’t avondrood scheppen? En als de zon dan ondergaat in al zijn heerlijkheid zal ik hier zitten en denken: dat is Ferdinand’s werk.
Mijn beste jongen, denk er eens aan hoeveel er te zien en te doen is daarboven. Denk aan alle zaadjes, die in ’t voorjaar ten leven moeten gewekt worden, alle stormen, die gestuurd moeten worden, alle droomen, die uitgezonden moeten worden. En denk aan de lange reizen door ’t hemelruim van de eene wereld naar de andere.
Denk eens aan mij, jongelief, als je zooveel moois te zien krijgt. Je arme moeder zal nooit wat anders zien dan Wermeland.
Maar op een schoonen dag ga je naar onzen lieven Heer en vraagt Hem of Hij je niet een van de wereldbollen geven wil, die rondwentelen in ’t hemelruim en dan doet Hij dat. Als je die krijgt is hij koud en vochtig, vol afgronden en klippen en er zijn geen bloemen of dieren op. Maar dan zul je werken aan de ster, die God je gegeven heeft. Je maakt er licht en warmte en lucht, je brengt er planten en nachtegalen en klaaroogige gazellen heen, je laat er watervallen storten in de afgronden, je heft de bergen op en bezaait de vlakte met roode rozen. En als ik sterf, Ferdinand, en mijn ziel terugbeeft voor de lange reis en er tegen opziet van de oude bekende plaatsen te scheiden, dan zit je te wachten buiten ’t venster in een wagen met paradijsvogels bespannen, in een schitterende gouden koets.
En mijn arme onrustige ziel wordt opgenomen in je wagen en komt naast je te zitten en wordt geëerd als een koningin. Dan rijden we door het hemelruim, voorbij de stralende wereldbollen en als wij bij éen van die hemelsche woningen komen, die al heerlijker en heerlijker worden, dan vraag ik—want ik weet niet beter: „zullen we hier of daar niet blijven?”
Maar dan glimlach je zwijgend en spoort je paradijsvogels aan. En eindelijk komen we op de kleinste van alle hemelbollen, maar ’t is de schoonste van allen, die ik gezien heb. En dan houden we stil buiten het gulden slot en je leidt me binnen in ’t huis van de eeuwige blijdschap.
En daar is de provisiekast altijd gevuld en de boekenkasten ook. De dennenbosschen staan er niet, zooals hier op Berga, vlak om het huis en sluiten de heele mooie wereld af, maar ik kan uitzien over de oneindige zee en door de zon beschenen vlakten. En duizend jaar is als één dag.
Zoo stierf Ferdinand, verrukt door de lichtende visioenen, glimlachend tegen de heerlijkheden die hem wachtten.
Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder had nooit zoo iets schoons beleefd. Want wel waren er die schreiden bij Ferdinand’s sterfbed, maar de zieke zelf glimlachte tegen den man met de zeis, toen hij zich op den rand van het bed zette, en zijn moeder luisterde naar zijn laatsten snik als een liefelijke muziek. Ze was bang, dat de dood zijn werk niet zou kunnen volbrengen, en toen alles voorbij was, kwamen er tranen in haar oogen. Maar ’t waren vreugdetranen, die op het verstijfde gelaat van haar zoon vielen.
Nooit was mijn bleeke vriend zoo gevierd geworden als bij de begrafenis van Ferdinand Uggla. Als hij zich had durven vertoonen, zou hij verschenen zijn in een met goud bestikten mantel, met een baret met veeren versierd en zou voor den lijkstoet uit naar ’t kerkhof gedanst hebben, maar nu zat hij, de oude eenzame ineengedoken op den muur van de begraafplaats met zijn oude zwarte mantel om en zag den stoet aankomen.
’t Was een wonderlijke begrafenis! Zon en gulden wolkjes maakten den dag schitterend, lange rijen roggeschoven versierden ’t veld, de appels in den boomgaard van den proost blonken in heldre kleuren tusschen ’t loof en in den tuin van den koster glinsterden dalia’s in den zonneschijn.
’t Was een wonderlijke lijkstoet, die tusschen de lindeboomen door trok. Voor de met bloemen getooide kist uit gingen mooie kindren en strooiden bloemen. Men zag geen rouwkleeren, geen krip, geen witte plooikragen met breede plooien. De vrouw van den kapitein had het zoo gewild. Hij, die in vreugde stierf zou niet door een sombren lijkstoet, maar door een schitterende bruidschaar naar zijn goede rustplaats gebracht worden.
Onmiddellijk achter de kist ging Anna Stjärnhök, de schoone, schitterende bruid van den doode. Zij had den bruidskrans op het hoofd, de bruidssluier voor en was gekleed in een wit sleepend bruidsgewaad van witte, glanzende zijde. Zoo getooid ging zij naar ’t graf om daar aan haar bruidegom verbonden te worden.
Achter haar kwamen paar aan paar aanzienlijke oude dames en deftige heeren. De sierlijk uitgedoschte vrouwen kwamen met vonkelende gespen en broches, met melkwitte paarlen, kettingen en gouden armbanden. De veeren op hun mutsen wiegden op zijde en kant boven hun krullend haar, van hun schouders golfden de fijne zijden shawls, die zij als bruidsgeschenk gekregen hadden, neer over de bontkleurige zijden kleederen. En de mannen kwamen in hun galagewaad, met kanten kragen, met jassen met vergulde knoopen en vesten van brokaat en rijk geborduurd fluweel. ’t Was een bruiloftsstoet. Zoo had de kapiteinsvrouw het gewild.
Zelf ging ze naast Anna Stjärnhök aan den arm van haar man. Had zij een gewaad van schitterend brokaat bezeten, zij zou het gedragen hebben; had ze kostbaarheden en een fijne kanten muts gehad, zij had ze aangedaan om haar zoon te huldigen op zijn bruiloftsdag. Maar nu had ze niet anders dan dit zwarte stoffen kleedje en die oude, geel geworden kanten, waarmeê ze al zoo menig feest bijwoonde en zij droeg het ook bij deze plechtigheid.
Maar hoewel de begrafenisgasten met pracht en praal kwamen, bleef er geen oog droog, toen zij bij ’t luiden der klokken naar het graf opgingen. Mannen en vrouwen schreiden, niet zoozeer over den doode, als wel over zichzelf. Zie—daar ging de bruid, daar werd de bruidegom weggedragen, daar gingen ze zelve als voor een feest getooid, en toch wie van hen, die de paden dezer wereld betreedt, weet niet dat hem droefheid en rouw, smart en dood wacht. Zij schreiden bij de gedachte, dat niets op aarde hen daarvoor bewaren kon.
De kapiteinsvrouw schreide niet, maar zij was de eenige wier oogen droog bleven.
Toen nu de gebeden gelezen waren en de aarde op de kist geworpen, gingen allen vandaar naar de rijtuigen. Slechts de kapiteinsvrouw en Anna Stjärnhök bleven bij ’t graf om den doode nog voor ’t laatst vaarwel te zeggen. De oude zette zich bij het graf neer en Anna nam naast haar plaats.
„Zie,” zei de kapiteinsvrouw, „ik heb tegen God gezegd: „Laat de Dood, de bevrijder komen en mijn zoon wegnemen. Laat hem, dien ik ’t meest liefheb wegvoeren naar Uw vrede en die stille dreven, en slechts vreugdetranen zullen er in mijn oogen zijn; met bruiloftspraal zal ik hem naar ’t graf brengen, en mijn roode rozenstruik, de rijkbloeiende zal ik hem mede geven naar het kerkhof. En nu is het zoo! Mijn zoon is dood. Ik heb den dood als een vriend begroet; ik heb hem de liefste namen gegeven; ik heb vreugdetranen over ’t verstijfde gelaat van mijn kind geschreid en als het herfst zal zijn, als de bladeren vallen, zal ik mijn roode rozenstruik hierheen verplaatsen. Maar weet jij, die hier naast me zit, waarom ik aldus tot God gebeden heb?”
Zij zag Anna Stjärnhök vragend aan, maar ’t meisje zat bleek en stil aan haar zij. Misschien streed zij om de inwendige stemmen te smoren, die reeds nu, op het graf van den doode, haar begonnen toe te fluisteren, dat zij nu eindelijk vrij was.
„’t Is jouw schuld!” zeide de kapiteinsvrouw.
’t Meisje zonk ineen als onder een knotsslag. Zij antwoordde niet.
„Anna Stjärnhök, eens was je trotsch en eigenzinnig. Toen heb je met mijn zoon gespeeld, hem genomen en weer verstooten. Maar wat was dat! Hij moest het verdragen, hij zoo goed als anderen. En ’t kan ook zijn, dat wij allen je geld even liefhadden als jezelf. Maar toen je terugkwam, bracht je zegen over ons huis, je waart toen vriendelijk en zachtmoedig, sterk en goed! Je omringde ons met liefde, je hebt ons zoo gelukkig gemaakt, Anna Stjärnhök, en wij arme menschen lagen aan je voeten.
En toch.... En toch wilde ik dat je niet gekomen waart. Dan had ik God niet hoeven te bidden het leven van mijn zoon te verkorten. Hij zou met kerstmis je verlies hebben kunnen dragen. Maar sinds hij je had leeren kennen, zooals je nu bent, zou hij er de kracht niet toe gehad hebben.
Hoor nu, Anna Stjärnhök! vandaag heb je je bruidskleed aangetrokken om mijn zoon te volgen, maar als hij was blijven leven, hadt je hem nooit als bruid mogen volgen naar de kerk van Bro. Want je hadt hem niet lief!
Ik zag het wel. Je bent alleen uit barmhartigheid gekomen, omdat je ons droevig lot wou verzachten. Je hadt hem niet lief! Meen je, dat ik de liefde niet ken, dat ik haar niet zie, waar ze is, en voel waar ze ontbreekt. Toen dacht ik: „O dat God ’t leven van mijn zoon wegneemt vóór hem de oogen opengaan.
Ach hadt je hem toch maar liefgehad! Was je maar nooit bij ons ingekomen, hadt je maar nooit ons leven mooier gemaakt, nu je hem toch niet lief hadt. Ik wist wat mijn plicht was: als hij niet gestorven was had ik hem moeten zeggen, dat je hem niet liefhadt, maar dat je alleen zijn vrouw wilde worden, omdat je de barmhartigheid zelf bent. Ik had hem moeten dwingen je vrij te laten en dan zou zijn levensgeluk bedorven zijn geweest. Zie je! daarom bad ik God, dat hij sterven mocht, opdat ik de rust van zijn hart niet zou behoeven te storen. En ik heb me verheugd over zijn ingezonken wangen, over zijn zware ademhaling, ik heb gebeefd van angst dat de dood zijn taak niet volvoeren wou.”
Zij zweeg en wachtte op antwoord. Maar Anna Stjärnhök kon nog niet spreken. Zij luisterde nog naar vele stemmen in de diepte van haar ziel.
Toen barstte de kapiteinsvrouw in wanhoop uit:
„O, hoe gelukkig zijn zij, die hun dooden mogen betreuren! Zij die stroomen tranen mogen vergieten. Ik moet met droge oogen staan aan ’t graf van mijn zoon, ik moet blij zijn dat hij gestorven is. Wat ben ik toch rampzalig!”
Toen drukte Anna Stjärnhök de handen vast tegen haar borst. Zij dacht aan dien winternacht, toen zij bij haar jonge liefde gezworen had deze arme menschen tot steun en troost te zijn. En zij rilde! Was dan alles te vergeefs geweest? Was haar offer niet door God aangenomen? Moest alles in vloek verkeeren in plaats van zegen te brengen?
Maar als zij nu alles ten offer bracht, zou God dan haar werk niet zegenen en haar tot een steun, een hulp, een zegen voor de menschen maken?
„Wat verlangt u dan om uw zoon te kunnen betreuren?” vroeg zij.
„Dan moest ik mijn oude oogen niet meer kunnen gelooven! Als ik geloofde, dat je mijn zoon hadt liefgehad, zou ik treuren over zijn dood.”
Toen stond het meisje op, de oogen schitterend van geestvervoering. Zij rukte haar bruidssluier af en breidde die over het graf. Zij nam haar krans en legde die daarop.
„Zie nu hoe lief ik hem had!” riep zij uit. „Ik geef hem mijn krans en mijn sluier. Aan hem verbind ik mij. Nooit zal ik een ander toebehooren.”
Toen stond ook de kapiteinsvrouw op. Zij bleef een oogenblik zwijgend staan. Haar geheele lichaam beefde, haar gezicht vertrok zich krampachtig. Maar eindelijk kwamen de tranen, tranen van rouw!
Maar mijn bleeke vriend, de Dood, de Bevrijder, rilde toen hij die tranen zag. Dus ook hier was hij niet met vreugde begroet, niet eens hier was men van harte blij geweest bij zijn komst.
Hij trok de kap diep over ’t gezicht, gleed zacht van den kerkhofsmuur naar beneden en verdween tusschen de schoven op het veld.
XXVII.
De droogte.
Als levenlooze dingen kunnen liefhebben, als aarde en water vrienden van vijanden onderscheiden, dan zou ik gaarne hun liefde bezitten. Ik zou willen dat de zwarte aarde mijne voetstappen niet als een zware last voelde drukken, dat zij me gaarne vergaf dat ze om mijnentwil door ploeg en eg gekwetst wordt, en dat zij zich gewillig opende om mijn lijk te ontvangen. En ik zou willen dat het water, als ik zijn blanken spiegel stuk sla met mijn roeiriemen, het zelfde geduld met mij had als een moeder met een wild kind, dat op haar knie klautert zonder de gladde zijde van haar feestkleed te ontzien.
Ik zou goede vrienden willen zijn met de heldere lucht, die boven de bergen trilt, met de stralende zon en met de vonkelende sterren. Want vaak schijnt het mij toe alsof de levenlooze dingen met de levende voelen en lijden. De scheiding tusschen hen en ons is niet zoo groot als de menschen meenen. Welk stofje op aarde is niet meegevoerd door den cirkelgang van het leven. Is niet misschien het warrelend stof van den weg eens gestreeld als zacht haar, of bemind als goede, weldoende handen. Heeft niet wellicht het water in ’t wagenspoor op den weg als bloed door kloppende harten gestroomd?
De geest van ’t leven woont nog in de doode dingen. Wat voelt hij, terwijl hij slaapt den droomloozen slaap? Gods stem hoort hij. Zou hij der menschen stem ook vernemen?
O, gij menschen van later tijd, hebt ge dat niet gezien? Als twist en haat de aarde vervullen, moeten ook de doode dingen veel lijden. Dan wordt de weg wild en roofzuchtig als een roover, dan wordt de akker karig als een gierigaard. Maar wee hem, door wiens schuld de wouden zuchten en de bergen treuren.
’t Was een merkwaardig jaar, toen de kavaliers regeerden. Mij dunkt, toen moet de onrust der menschen de rust der doode dingen verstoord hebben. Hoe zal ik de besmetting roemen, die zich toen over ’t land verspreidde. Zou men niet meenen dat de kavaliers de goden dier streek waren en dat allen door hun geest bezield werden? Door den geest van ’t avontuurlijke, van zorgeloosheid en verwildering.
Kon men alles vertellen, wat er in dat jaar onder de menschen op de kust van ’t Löfvenmeer gebeurde, dan zou de wereld verbaasd staan. Want oude liefde ontwaakte, nieuwe werd geboren. Oude haat vlamde op en lang gesuste wraak greep naar buit! Allen vlogen op in begeerte naar ’s levens lieflijkheden: dans en spel, muziek en feestgelagen jaagden zij na. Alles wat zich anders diep in de zielen verbergt, werd openbaar.
Van Ekeby ging die besmettelijke onrust uit. Zij verspreidde zich eerst tot de mijnen en heerehoeven en joeg de menschen in dwaasheid en zonde. Tot zoover hebben wij het kunnen volgen, doordat de ouden van dagen de herinnering bewaard hebben aan een en ander, wat op de groote hoeven gebeurd is, maar hoe zij zich verder verspreidde onder het volk, daarvan weten wij weinig. Maar niemand behoeft er aan te twijfelen, dat de onrust der tijden van stad tot stad, van hut tot hut ging. Waar een zonde verborgen was, barstte zij uit; waar een breuk was tusschen man en vrouw werd die tot een klove, waar een groote deugd of een sterke wil was werden ook die openbaar. Want niet alles wat geschiedde, was uit den booze; maar de tijd was zoo, dat het goede vaak evenveel verderf bracht als het booze. Het ging als met hevige stormen diep in ’t bosch, als de eene op den andere valt, den eene spar den anderen meesleept en ook het kreupelhout meegerukt wordt door de neerstortende reuzen.
Ach, twijfel er niet aan of die gisting ook gevoeld werd door de boeren en de bedienden. Overal verwilderden de harten en werden de hoofden verward. Nooit ging de dans zóó lustig bij de kruiswegen; nooit was de afstand tusschen booze woorden en messteken zóó kort.
Maar bij de menschen bleef de onrust niet. Zij verspreidde zich over al wat leeft. Nooit hadden wolf en beer erger huisgehouden, nooit hadden vos en uil onheilspellender gehuild, en onbeschaamder geroofd, nooit verdwaalden de schapen vaker in ’t bosch, nooit heerschte er zooveel ziekte onder den kostbaren veestapel.
Hij, die den samenhang der dingen wil zien, moet uit de stad weggaan en in een eenzame hut aan den zoom van ’t bosch gaan wonen. Hij moet vele nachten waken bij de kolenbranderij, of bij de groote meren dagen en nachten doorbrengen in de lichte zomermaanden, als de houtvlotten langzaam voortdrijven naar het Weenermeer; dan zal hij leeren op alle teekenen in de natuur acht te geven en begrijpen hoe de doode dingen in verband staan met de levende. Hij zal zien dat als er onrust op de aarde is, de vrede van de doode dingen verstoord wordt.
Het volk weet dat wel. In zulke tijden dooft de booze boschnimf het vuur in de kolenbranderij, slaat de meermin de booten stuk, zendt de stroomgeest ziekten uit en laat de kabouter de koeien verhongeren. En zoo ging het dit jaar. Nooit had de overstrooming in de lente zóóveel schade aangericht. De molen en smidse van Ekeby waren haar eenige offers niet.
Kleine beekjes, die vroeger als de lente haar krachten gaf, hoogstens een leege schuur konden meenemen, vielen nu geheele hoeven aan en spoelden ze weg. Nooit had men gehoord, dat de donder al vóór St. Jansdag zóóveel schade had aangericht. Na dien tijd hoorde men hem niet meer.
Toen kwam de droogte!
Zoolang de lichte nachten duurden, kwam er geen regen. Alleen zonnestralen daalden op de aarde neer. Ach, die heerlijke zonneschijn! de leven brengende, hoe zal ik van haar kwaadstichten vertellen! De zonneschijn is als de liefde. Wie weet niet hoeveel ellende zij brengt—en wie kan laten haar te vergeven? De zonneschijn is als Gösta Berling—zij brengt ieder vreugde; daarom zwijgt ieder over ’t kwaad dat zij doet.
Zulk een droogte na St. Jansdag zal wel niet overal zooveel onheil brengen als in Wermeland. Maar hier was de lente laat gekomen. ’t Gras was nog niet ver en werd niet lang. De rogge werd niet voedzaam toen zij aren zette; ’t lentekoren waarvan toen ter tijde ’t meeste brood gebakken werd, had dunne aartjes op stengels, die nog geen kwart el hoog waren; de laat gezaaide rapen groeiden niet en zelfs de aardappelen tierden niet in den steenharden grond.
In zulke jaren worden zij angstig, die daar in de boschhutten wonen en van de bergen daalt de schrik neer tot de rustige vlaktebewoners.
Er is iemand wien Gods hand zoekt—zeggen de menschen.
En ieder slaat zich voor de borst en vraagt: „Ben ik het? O moeder natuur, ben ik het? Houdt om mijn schuld de regen zich ver? Is het uit toorn tegen mij, dat de strenge aarde uitdroogt en hard wordt? En stroomt die eindelooze zonneschijn daarom iederen dag van den wolkeloozen hemel om gloeiende kolen op mijn hoofd te stapelen? En als ik het niet ben, wien zoekt Gods hand dan?
Terwijl nu de rogge kwijnt in de kleine aren, terwijl de aardappel geen voedsel in den grond vindt, terwijl het vee met roode oogen en snuivend van de hitte zich om de opgedroogde bronnen verdringt, terwijl de angst voor de toekomst de harten dichtsnoert, gaan er wonderlijke geruchten door de streek.
„Zulk een bezoeking komt niet zonder reden,” zeggen de menschen. „Wie is het, dien Gods hand zoekt?”
’t Was een Zondag in Augustus. De Godsdienstoefening was geëindigd. De menschen gingen in groepjes over den heeten zonnigen weg. In het rond zagen zij verschroeide wouden en een mislukten oogst. De rogge stond in kleine schoofjes, dun over ’t veld verspreid. Zij die de stoppels zouden afbranden, hadden dit jaar een gemakkelijk werk; maar daarentegen was het droge bosch ook vaak in brand geraakt. En wat de boschbrand gespaard had, hadden de insekten genomen. ’t Dennenbosch had zijn naalden laten vallen en stond kaal als loofboomen in den winter, de berkenbladen hingen gespleten neer, met kale nerven en misvormd.
De sombere schare had geen gebrek aan stof tot gesprek. Daar was nog menigeen, die vertellen kon hoe vreeslijk de noodjaren van 1808 en 1809 geweest was en in den strengen winter van 1812, toen de menschen doodvroren. Hongersnood was hun niet vreemd. Zij hadden zijn woest gezicht wel eerder gezien. Zij wisten hoe men brood van boombast bakt en dat men de koeien kan wennen mos te eten.
Er was een vrouw die proeven genomen had met het bakken van een nieuw soort brood van boschbessen en gerstenmeel. Zij had er stukjes van meegebracht en liet het de andere proeven. Zij was trotsch op haar uitvinding. Maar hen allen drukte dezelfde vraag; die staarde uit aller oogen en zweefde op aller lippen: „Wie is het, dien Gods hand zoekt?”
„Gestrenge God! wie heeft u het offer van gebeden en goede werken onthouden, dat gij ons, armen, het brood ontneemt?”
Een man uit den somberen stoet, die westwaarts over de brug over de Sond en over den Brobyheuvel gegaan was, hield een oogenblik stil voor den weg, die naar het huis van den gierigen predikant van Broby leidde. Hij nam een droog stokje van ’t veld en wierp dat op den weg naar de pastorie.
„Zoo droog als dit stokje zijn de gebeden geweest, die hij tot den Heer opzond,” zei de man.
Hij, die naast hem liep, bleef ook staan. Hij nam een dorren tak op en gooide die bij het stokje.
„Dat is een best offer voor dien dominé,” zei hij.
De derde in ’t groepje volgde dit voorbeeld.
„Als de droogte is hij voor ons geweest. Stokjes en strootjes was alles wat hij ons overliet.”
De vierde zeide: „Wij geven hem wat hij ons gaf.”
En de vijfde: „Tot een eeuwige schande gooi ik dit hier voor hem neer. Ik wou dat hij verdroogde en verschrompelde als deze tak!”
„Droog voer voor den droogte-dominé,” zeide de zesde.
De menschen die achter hen aankwamen, zagen wat ze deden en hoorden wat zij zeiden. Nu kregen ze antwoord op hun vragen.
„Geef hem wat hem toekomt. Hij heeft de droogte over ons gebracht,” riepen allen. En ieder staat stil, spreekt een woord en werpt een takje op den hoop, eer hij verder gaat.
In den hoek waar de wegen uiteen loopen lag spoedig een hoop stokjes en stroo—de schandeheuvel voor den predikant van Broby.
Dat was de geheele wraak van het volk. Niemand hief zijn hand op tegen den predikant of zeide hem een boos woord. Hun harten vol wanhoop en vertwijfeling, werden verlicht door het werpen van een dorren tak op den heuvel. Zelf namen zij geen wraak. Zij wezen alleen den schuldige aan voor den God der wrake.
„Als wij U niet goed gediend hebben, dan is het de schuld van dien man. Wees barmhartig, Heer! en laat hem alleen lijden. Wij teekenen hem met onteering en schande. Wij zijn niet één met hem.”
’t Werd spoedig gebruik, dat ieder, die voorbij de pastorie ging een takje op den schandeheuvel wierp. „God en menschen mogen ’t zien,” dachten zij. „Ook ik veracht den man, die Gods toorn over ons bracht.”
De oude gierigaard merkte spoedig dien heuvel daar aan den weg. Hij liet hem wegnemen—sommigen beweerden, dat hij er zijn keukenvuur mee stookte. Maar den volgenden dag lag er een nieuwe schandeheuvel en zoo gauw hij dien weg ruimde kwam er een nieuwe.
Die dorre takken lagen daar en riepen: „Schande! Schande over den predikant van Broby!”
’t Waren brandend heete, droge hondsdagen. Zwaar van rook, verzadigd van brandlucht was de lucht over de geheele streek. ’t Was moeilijk daarin adem te halen. De gedachten der menschen werden verward in de verhitte hersens. De predikant van Broby was in hun verbeelding tot den demon der droogte geworden. Het kwam de boeren voor, alsof de gierigaard op wacht zat bij de hemelsche sluizen.
Spoedig werd de bedoeling van de gemeente den predikant duidelijk. Hij begreep, dat ze hem aanwees als oorzaak van al deze ellende. In toorn over hem liet God de aarde versmachten. ’t Scheepsvolk dat in noode verkeerde op de woeste baren had het lot geworpen. Hij was de man, die overboord moest. Hij beproefde te lachen om hen en hun dorre takjes; maar toen dit een week geduurd had lachte hij niet meer.—Och, wat een kinderspel! Wat konden hem die takjes schelen! Hij begreep wel dat jaren lang de haat een reden gezocht had om zich te uiten. Hij was niet aan liefde gewend.
Hij werd er niet zachter door. Hij had misschien gewenscht zich te beteren, sinds de oude Freule bij hem geweest was, maar nu kon hij ’t niet. Hij wilde niet tot beterschap gedwongen worden.
Maar langzamerhand werd die schandeheuvel hem toch te machtig. Hij moest er aanhoudend aan denken, en de overtuiging, die allen koesterden schoot ook wortel bij hem. Dat was toch een verschrikkelijke getuigenis, dat werpen met dorre takken! Hij lette steeds op den heuvel, telde de takjes, die er elken dag bij kwamen, en de gedachte daaraan breidde zich uit en verdrong alle andere gedachten. Die schandeheuvel brak zijn kracht.
Iederen dag moest hij den menschen meer gelijk geven. Hij verviel en werd een oud man in een paar weken. Hij had berouw en werd ziekelijk. Het was of dat alles door dien heuvel kwam, alsof zijn geweten gezwegen zou hebben en de lasten van den ouderdom niet gekomen zouden zijn, als die heuvel maar niet aldoor was aangegroeid.
Eindelijk zat hij er den ganschen dag naast en hield de wacht. Maar de menschen waren onbarmhartig: ’s nachts werden er altijd nieuwe takken bijgegooid.
Op een dag komt Gösta Berling langs den weg. De predikant van Broby zit aan den kant, oud en vervallen. Hij zit aan de dorre takjes te plukken en legt ze aan rijen en op hoopjes, er meê spelende als een kind.
Gösta wordt bedroefd om zijn ellendigen toestand.
„Wat doet u daar?” vraagt hij en springt snel uit zijn wagen.
„Ach, ik zit maar te plukken, ik doe eigenlijk niets.”
„U moest naar huis gaan en niet hier zoo aan den stoffigen weg zitten.”
„Neen. ’t Is maar het beste, dat ik hier blijf zitten.”
Nu gaat Gösta Berling naast hem zitten.
„’t Is niet makkelijk om predikant te zijn,” zegt hij na een poosje zwijgen.
„Hier gaat het nog al, hier zijn ten minste menschen. Daar boven is ’t erger!”
Gösta weet wel, wat hij bedoelt. Hij kent die gemeenten in Wermeland wel, waar soms niet eens een pastorie is, die groote gemeenten in de bosschen, waar de Finnen in de rookkamers wonen, waar een mijl in den omtrek maar enkele huizen staan; waar de predikant de eenige ontwikkelde man is in de gemeente. De predikant van Broby had meer dan twintig jaar in zulk een gemeente gestaan.
„Daar worden we heengezonden als we nog jong zijn,” zegt Gösta. „’t Is onmogelijk het leven daar uit te houden. En dan wordt men voor zijn geheele toekomst bedorven. Er zijn velen in die streken ondergegaan.”
„Dat zijn er,” antwoordt de predikant. „De eenzaamheid verderft de menschen.”
„Je komt er,” gaat Gösta voort, „vol vuur en ijver; je spreekt en vermaant en meent, dat alles goed zal gaan en de menschen zich verbeteren zullen.”
„Ja, juist!”
„Maar al gauw merk je, dat woorden niet baten. De armoede staat een beter leven in den weg.”
„Armoede,” mompelt de predikant; „armoede heeft mijn leven verwoest.”
„Een jong dominé komt in zulk een plaats,” gaat Gösta voort, „en is even arm als de anderen, hij zegt tegen den dronkaard: houd op met drinken!”
„Maar de dronkaard antwoordt,” valt de predikant in, „geef me dan wat beters dan brandewijn. Brandewijn is als een pels in den winter, als koelte in den zomer. Brandewijn is een warme kamer en een zacht bed. Geef mij dat en ik zal niet meer drinken.”
„En dan,” herneemt Gösta, „zegt de predikant tegen den dief, ge moogt niet stelen,” en tegen den booze „ge moogt uw vrouw niet slaan,” en tot den bijgeloovige: „ge moet aan God gelooven en niet aan den duivel en de booze geesten.” Maar dan antwoordt de dief: „Geef mij brood,” en de booze zegt: „maak ons rijk, dan zullen we niet meer twisten,” en de bijgeloovige: „leer mij wat beters.” Maar wie kan helpen zonder geld?”
„Het is waar! al wat ge daar zegt!” barst de oude uit. „Aan God geloofden zij; maar nog meer aan den duivel, ’t meest aan den boozen berggeest en den kabouter in de schuur. Al het graan werd in den brandewijnketel gestopt. Niemand zag een eind aan de ellende. In de meeste grauwe kamers heerschte nood. Verborgen smart maakte de tongen der vrouwen bitter. De ongezelligheid dreef de mannen tot dronkenschap. Akkers en vee verzorgden zij niet. Zij vreesden den landheer en bespotten den predikant. Wat kon men met hen beginnen? Wat ik hen op den preekstoel zei, begrepen zij niet. En niemand om raad te vragen, niemand die mij hielp om moed te houden.”
„Er zijn er, die het onthouden,” zegt Gösta. „Gods genade is voor sommigen zóó groot geweest, dat zij na zulk een leven niet als gebrokenen weêrkomen. Hun krachten waren toereikend; zij hebben de eenzaamheid, de armoede, de hopeloosheid verdragen. Zij hebben ’t beetje goed gedaan, wat ze konden en niet gewanhoopt. Zulke mannen zijn er altijd geweest en zijn er nog. Ik zal ze begroeten als helden. Ik wil ze eeren, zoolang ik leef. Ik zou het niet kunnen uithouden.”
„Ik kon het niet,” zucht de predikant.
„Zulk een predikant denkt,” gaat Gösta peinzend voort, „dat hij rijk wil worden, buitengewoon rijk! Geen arme kan het kwaad bestrijden. En dan moet hij sparen.”
„Als hij niet spaarde, zou hij gaan drinken,” gaat de predikant voort. „Hij ziet zooveel ellende.”
„Of suf en lui worden en alle kracht verliezen. ’t Is gevaarlijk daarheen te komen voor hen, die er niet geboren zijn.”
„Hij moet hard wezen om te sparen. Eerst stelt hij zich zoo aan—later wordt het gewoonte.”
„Hij moet hard voor zichzelf en anderen zijn,” gaat Gösta voort. „Sparen is moeilijk. Hij moet haat en verachting verdragen; hij moet kou lijden en honger en zijn medelijden dooden; ’t is bijna alsof hij vergeet waarom hij is begonnen te sparen.”
De predikant van Broby ziet hem schuin aan. Hij vraagt zich af of Gösta hem voor den gek zit te houden. Maar Gösta is een en al ernst en ijver. Het is alsof hij zijn eigen zaak bepleit.
„Zoo is het mij gegaan,” zegt de oude zacht.
„Maar God behoedt hem,” gaat Gösta verder. „Hij wekt de gedachten van zijn jeugd bij den mensch op, die genoeg gespaard heeft. Hij geeft den predikant een teeken als Gods volk hem noodig heeft.”
„Maar als de predikant dan niet gehoorzaamt, Gösta Berling!”
„Hij kan het niet laten,” zegt Gösta met een vriendelijken glimlach. „Hem bekoort de gedachte aan de warme hutten, die hij de armen zal helpen bouwen.”
De predikant ziet neer op de kleine gebouwtjes die hij met de stokjes van den schandeheuvel heeft zitten bouwen. Hoe langer hij met Gösta praat, hoe meer hij overtuigd wordt, dat deze gelijk heeft. Hij heeft altijd plan gehad om goed te doen, als hij maar eerst genoeg had. Hij houdt de gedachte krampachtig vast. Natuurlijk is dat zijn bedoeling geweest.
„Waarom bouwt hij dan die hutten niet,” vraagt hij schuw.
„Hij is er verlegen meê. Menigeen zal denken dat hij uit menschenvrees doet, wat hij altijd van plan is geweest.”
„Hij kan geen dwang verdragen, dat is het.”
„Hij kan toch in stilte helpen. Er is van ’t jaar zooveel hulp noodig. Hij kan iemand zoeken, die zijn gaven uitdeelt. O, ik begrijp alles!” barste Gösta uit en zijn oogen straalden, „van ’t jaar zullen duizenden brood krijgen van hem, dien ze met hun vloek vervolgen.”
„Zoo zal het zijn, Gösta!”
Er kwam een roes over deze twee, die zoo weinig aan de door hen gevoelde roeping hadden beantwoord. De lust hunner jeugd: God en menschen te dienen keerde weer in hun ziel. Zij zwelgden in de weldaden, die zij zouden bewijzen. Gösta zou de helper van den predikant worden.
„Allereerst moeten wij voor brood zorgen,” zegt de predikant.
„Wij moeten voor onderwijzers zorgen en voor landmeters, die ’t land verdeelen. Dan zal ’t volk leeren hun akker te verzorgen en hun vee te hoeden.”
„Wij zullen wegen maken en land ontginnen.”
„Wij zullen sluizen bouwen bij den waterval van Berg, zoodat de weg tusschen ’t Löfven- en Weenermeer vrijkomt.”
„Al de rijkdom, die ’t bosch bevat, zal dubbelen zegen verspreiden, als de weg naar de zee open is.”
„Uw hoofd zal zich buigen onder aller zegenbeden!” roept Gösta uit.
De predikant ziet op. Zijn oogen ontmoeten die van Gösta en ze lezen in elkaars blikken dezelfde gloeiende geestdrift.
Maar op ’t zelfde oogenblik zien ze beiden naar den schandeheuvel.
„Gösta,” zegt de oude, „voor dat alles zijn de krachten noodig van een jong mensch en ik zal spoedig sterven. Dat daar vermoordt me.”
„Ruim het weg!”
„Ach! hoe kan ik dat!”
Gösta treedt dicht op hem toe en ziet hem scherp in de oogen. „Bid God om regen,” zegt hij. „U moet aanstaanden Zondag spreken. Bid dan God om regen!”
De oude predikant krimpt ineen van ontzetting.
„Als het u ernst is, als u niet degeen zijt, die de droogte over ’t land bracht, als u den Allerhoogste hebt willen dienen door uw hardheid, bid dan God om regen. Dat zal het teeken zijn. Daaraan zullen wij weten of God wil wat wij willen.”
Toen Gösta wegreed van den Brobyheuvel was hij verbaasd over zich zelf en de geestdrift, die hem had meêgesleept. Maar dat kon toch een heerlijk leven worden. Ja,—maar niet voor hem. Van zijn diensten wou God niet weten!
In de kerk van Broby was de preek geëindigd en de gewone gebeden gelezen. De predikant zou juist de trappen van den preekstoel afgaan. Maar hij aarzelde. Eindelijk viel hij daarboven op de knieën en bad om regen.
Hij bad zooals een wanhopende bidt, met weinig woorden, onzamenhangend: „Als het mijn zonde is, die u toorn heeft gewekt, o, straf dan mij alleen. Als Gij barmhartig zijt, o God! laat het regenen op mijn gebed. Laat regen neerdalen op den akker der armen! Geef uw volk brood!”
’t Was heet! Een verstikkende atmospheer was in de kerk. De gemeente had half bedwelmd neergezeten; maar bij ’t hooren van deze afgebroken geluiden van die heesche, wanhopende stem, werden allen helder wakker.
„Als er voor mij nog herstel van eer mogelijk is, Heer! geef dan regen....” Hij zweeg.
De deuren stonden open. Daar kwam een heftige windstoot aanbruischen. Die voer over ’t veld, vloog tegen de kerk op en zond een wolk van stof, stokjes en stroo naar binnen. De predikant kon niet meer spreken. Hij daalde wankelend de trappen van den preekstoel af.
De menschen rilden. Moest dat een antwoord beteekenen?
Maar die windstoot was maar de voorlooper van het naderend onweer, dat met ongekende snelheid kwam opzetten.
Toen de psalm gezongen was en de predikant bij het altaar stond, vlamde de bliksem en barstte de donder los, alle andere geluiden overstemmend.
Toen de koster den slotpsalm speelde, tikten de eerste regendroppels reeds tegen de groene ruiten en stormden de menschen allen naar buiten om den regen te zien. Sommigen schreiden, andren lachten, terwijl ze de stortregen over zich heen lieten stroomen.
Ach! hoe groot was hun nood geweest! Hoe hadden ze geleden! Maar God is goed. God zendt zijn regen neer. Wat een uitkomst! Wat een zegen!
De predikant was de eenige, die niet naar buiten kwam om den regen te zien. Hij lag voor het altaar geknield en stond niet weer op.
De vreugde was te groot voor hem. Hij was gestorven van blijdschap.