XXVIII.
De moeder van het kind.
Daar moesten toch allen ’t wel eens over zijn: dat het kind een vader moest hebben.
’t Kind was ’t erbarmelijkste kleine wezentje, dat men zich kon voorstellen, klein en rood, met duizend plooien in de huid. ’t Was een wurmpje, dat altijd schreeuwde en stuipen had van de geboorte af aan, een arme zwerveling, die in ’t leven gekomen was zes of zeven weken voor hij er permissie toe had, en daarom zich niet recht schikken kon in deze wereld.
’t Kind woog zoo weinig, dat het niet eens de moeite waard is te zeggen hoeveel. Men moest het in een lamsvelletje naaien, en ’t wilde niet drinken, noch slapen. Maar ’t leefde. Niemand begreep hoe ’t in leven bleef; maar ’t leefde!
’t Kind was geboren in een boerenhuisje ten oosten van de Klarelv. De moeder van ’t kind was daar gekomen en had er haar dienst aangeboden op een dag, in ’t begin van Juni. Zij was ongelukkig gemaakt, had ze tegen de bewoners van het huis gezegd, en haar moeder was toen zoo hard tegen haar geweest, dat ze genoodzaakt was te vluchten. Zij heette Elisabeth Karls dochter, maar ze wou niet zeggen waar ze vandaan was, want dan zouden haar ouders misschien te weten komen waar ze was, en als zij haar vonden, zouden zij haar dood plagen, daar was ze zeker van. Zij verlangde geen loon, alleen voedsel en een dak boven haar hoofd. Zij kon werken, weven of spinnen of voor de koeien zorgen—wat ze maar wilden. Als zij ’t verlangden, kon ze ook wel wat betalen.
Zij was zoo verstandig geweest met bloote voeten op de plaats te komen, met de schoenen onder den arm; ze had grove handen, ze sprak de taal van het land en was als een boerenmeisje gekleed.
Zij geloofden haar.
De man vond dat ze er zwak uitzag, en had niet veel vertrouwen in haar werkkracht. Maar ergens moest ze toch wezen, de stumper. En zoo stonden ze haar toe te blijven.
Zij had iets over zich, dat maakte, dat allen op de boerderij vriendelijk voor haar waren. Zij had het goed getroffen. De menschen daar waren rustig en kalm.
De huismoeder hield van haar, sinds ze had ontdekt, dat ze weven kon. Zij leende een weefgetouw van den proost, en de moeder van het kind had den heelen zomer aan het weefgetouw gezeten.
Niemand dacht er aan, dat zij gespaard moest worden. Zij moest als een boerin werken, al dien tijd. Zij wilde dat zelf ook het liefst en was niet bijzonder ongelukkig. Het leven onder de boeren trok haar aan, ofschoon zij alle comfort, waar ze aan gewend was, moest ontberen. Maar men nam hier alles zoo eenvoudig en kalm op. Aller gedachten draaiden zich om het werk, en de dagen gleden zoo eentonig voorbij, dat men er zich door vergiste en meende midden in de week te zijn, als de Zondag kwam.
Op een dag in ’t eind van Augustus hadden zij ’t druk gehad met den haveroogst en de moeder van het kind was mee naar het veld gegaan, om schoven te binden. Toen had zij zich te veel vermoeid en het kind was geboren, maar te vroeg. Zij wachtte het eerst in October.
Nu stond de huismoeder met het kind in de armen en warmde het bij ’t vuur, want het stumpertje had het koud in de warmste dagen van Augustus. De moeder lag in ’t kamertje daar binnen en luisterde naar wat er van het kind gezegd werd. Zij kon zich voorstellen hoe de knechts en de meisjes er heen gingen en het bekeken.
„Zoo’n klein stumpertje!” zeiden zij altijd, en dan volgde: „arm klein ding, dat je geen vader hebt.”
Deze en gene verwonderde er zich over, dat het zoo rood en gerimpeld was; maar dan was er altijd een, die antwoordde, dat alle kindren zoo waren.
Zij klaagden niet over ’t schreien van het kind. Zij waren overtuigd dat kinderen moeten schreien, en alles samen genomen, was het kind vrij krachtig voor zijn leeftijd. ’t Scheen, dat alles in orde geweest zou zijn—als het kind maar een vader had gehad.
De moeder lag naar dat alles te luisteren en was verwonderd. De zaak kwam haar plotseling zoo heel gewichtig voor. Hoe zou dat stumpertje, dat geen vader had, door het leven komen?
Zij had van te voren haar plan gemaakt. Zij wilde het eerste jaar op de boerderij blijven. Later zou zij een kamer huren en haar brood met weven verdienen. Zelf zou zij ’t noodige verdienen om het kind te voeden en te kleeden. Haar man kon gerust blijven denken, dat zij hem onwaardig was. Zij had gedacht, dat het kind misschien een beter mensch zou worden, als het door haar alleen werd opgevoed, dan wanneer een domme, trotsche vader het leiden zou.
Maar nu het kind geboren was, kon zij niet meer zoo over dat alles denken. Nu kwam het haar voor, dat ze egoïst geweest was. „’t Kind moest een vader hebben,” zei ze in zichzelf.
Was de kleine niet zoo’n stumpertje geweest, had hij maar gedronken en geslapen als andere kinderen, had zijn hoofd maar niet altijd op den eenen schouder gehangen, en was hij niet telkens den dood nabij geweest door een stuip, dan zou die questie haar niet zóó gewichtig geschenen hebben. Maar deze hulpelooze stumper moest een vader hebben.
’t Was niet gemakkelijk een besluit te nemen; maar dat moest zij toch doen, en dat wel dadelijk. Het kind was drie dagen oud en de boeren in Wermeland wachten zelden langer met hun kind te laten doopen. Onder welken naam moest nu ’t kind in ’t doopboek ingeschreven worden? En wat moest de dominé van de moeder van ’t kind weten? ’t Was toch zeker niet goed tegenover ’t kind het als een vaderlooze te doen inschrijven. ’t Was nu eenmaal in deze wereld vol ellende gekomen; maar het scheen er naar te verlangen weer heen te gaan. Misschien zou ’t beter tieren als het een vader had. Als dit kind nu een zwak en ziekelijk man werd, hoe kon zij dan verantwoorden, dat zij hem van de voordeelen van een hooge geboorte en rijkdom beroofd had?
De moeder wist immers wel, dat het een gewichtige gebeurtenis en een groote vreugde is, als er een kind ter wereld komt. Nu scheen het haar toe, dat het zwaar moest zijn te leven voor dien kleine, waar allen medelijden mee hadden.
Zij zou hem graag willen zien slapen op zijde en kant. Zij wilde hem zien omgeven met blijdschap en trots. Ja, het kind moest een vader hebben.
De moeder begon er ook over te denken, dat zij een al te groot onrecht beging tegenover den vader van het kind. Had zij het recht het voor zich alleen te behouden? Dat kon zij toch niet. Zulk een dierbaar, klein wezentje, wiens waarde door geen mensch te bepalen is, zou zij zich toeëigenen?
Dat kon toch niet eerlijk zijn.
De moeder wilde niet gaarne naar haar man terug. Zij was bang, dat zij dat niet overleven zou.
Maar de kleine was in grooter gevaar dan zij. Hij kon ieder oogenblik sterven, en hij was niet gedoopt.
Dat, wat haar van huis gedreven had, haar groote zonde, was weg. Nu voelde zij waarlijk geen liefde voor iemand anders dan dien kleinen vaderlooze, die een vader moest hebben.
De moeder liet den man en de vrouw van het huis bij zich komen en zeide hun alles. De man reed toen naar Borg, om graaf Dohna te vertellen, dat zijn vrouw leefde en dat er een kind geboren was, dat een vader moest hebben.
De boer kwam ’s avonds laat tehuis. Hij had den graaf niet tehuis gevonden, want die was op reis; maar toen was hij naar den predikant te Svartsjö gegaan en had met hem over de zaak gesproken. Zoo hoorde de gravin, dat haar huwelijk onwettig verklaard was en zij geen man meer had.
De predikant schreef haar een vriendelijken brief en bood haar zijn huis aan. Er werd haar ook een brief van haar eigen vader aan graaf Dohna gezonden, die een paar dagen na haar vlucht op Borg moest zijn aangekomen. Het was misschien juist die brief, waarin de oude den graaf verzocht, zich te haasten met het wettigen van zijn huwelijk, die den graaf den kortsten weg gewezen had, om van zijn vrouw af te komen. Men kan zich wel voorstellen, dat de moeder van het kind nog meer boos dan bedroefd werd, toen zij het verhaal van den boer hoorde. De moeder van een sterk, mooi kind kon zulk een bericht met verachting hebben ontvangen en er trotsch op geweest zijn, dat zij het kind alleen mocht behouden. Maar de moeder van dit arme, hulpelooze kindje had bijna een gevoel, alsof ze haar man zou hebben kunnen vermoorden. Zij had geen trots om zich mee te troosten.
Dien nacht kwam er geen slaap in haar oogen. ’t Kind moest een vader hebben, dacht zij telkens weer.
Den volgenden morgen moest de boer op haar verzoek naar Ekeby rijden en Gösta Berling halen.
Gösta deed den zwijgenden man vele vragen, maar kwam niets te weten. Ja, de gravin was den heelen zomer in zijn huis geweest. Zij was gezond geweest en had gewerkt. Nu was er een kind geboren, ’t Kind was zwak, maar de moeder zou gauw weer beter zijn.
Gösta vroeg of de gravin wist, dat haar huwelijk ontbonden was.
Ja, nu wist zij het. Zij had het gisteravond gehoord.
Op dien geheelen tocht had Gösta nu eens een gevoel van koortshitte, dan weer koude rillingen. Wat wilde zij van hem? Waarom liet zij hem roepen?
Hij dacht aan het leven in dien zomer aan de oevers van het Löfvenmeer. Zij hadden de dagen met scherts en spel en met pleiziertochtjes doorgebracht, en in dien tijd had zij gewerkt en geleden. Nooit had hij zich de mogelijkheid voorgesteld haar weer te zien. Ach, had hij dat maar durven hopen! Dan zou hij als een beter man voor haar gestaan hebben. Nu had hij alleen zijn gewone dwaasheden om op terug te zien.
Tegen acht uur des avonds bereikte hij de boerderij en werd dadelijk bij de moeder van het kind gebracht. ’t Was halfdonker in de kamer; hij kon haar nauwelijks zien zooals zij daar lag. De man en de vrouw kwamen ook binnen.
Nu moet men niet vergeten, dat zij, wier bleek gezichtje hem in ’t donker te gemoet scheen, steeds het reinste en hoogste was, wat hij kende, de schoonste ziel, die een aardschen vorm had aangenomen. Toen hij nu weer den zegen van haar tegenwoordigheid voelde, had hij behoefte zich op de knieën te werpen en haar te danken, omdat zij zich opnieuw aan hem openbaarde; maar hij was zóó ontroerd, dat hij niets kon zeggen of doen.
„Lieve gravin Elisabeth,” zei hij alleen.
„Goeden avond, Gösta.”
Zij reikte hem de hand, die weer wit en doorschijnend geworden was. Zij lag stil, terwijl hij zijne ontroering trachtte te bedwingen.
De moeder werd niet door een heftig gevoel geschokt toen zij Gösta zag. Het verwonderde haar alleen, dat hij ’t meest aan haar scheen te denken. Hij kon toch wel begrijpen, dat het nu de hoofdzaak was, dat het kind een vader moest hebben.
„Gösta,” zei ze zacht. „Nu moet je me helpen, zooals je me eens beloofd hebt. Je weet, dat mijn man mij verlaten heeft, mijn kind geen vader heeft.”
„Ja, Mevrouw de gravin, maar dat moet veranderd kunnen worden. Nu er een kind is moet de graaf gedwongen kunnen worden het huwelijk te wettigen. U kunt er op aan, dat ik u helpen zal.”
De moeder glimlachte: „Geloof je, dat ik mij weêr aan graaf Dohna opdringen wil?”
’t Bloed steeg Gösta naar ’t hoofd. Wat wilde ze dan? Wat verlangde zij van hem?
„Kom eens hier, Gösta,” zeide zij en reikte hem opnieuw de hand. „Je moet niet boos worden om wat ik nu zeggen wil: maar ik dacht, dat jij, die.... die....”
„Een afgezette predikant zijt, een zwierbol, een kavalier, de moordenaar van Ebba Dohna....” „Ik ken al mijn verdiensten op mijn duim!” viel Gösta haar in de rede.
„Ben je nu al boos, Gösta?”
„Ik zou het liefst willen, dat Mevrouw de gravin niets meer zei.”
Maar de moeder van het kind ging voort: „Er is er meer dan éen, Gösta, die je vrouw zou willen worden uit liefde; maar zoo is het niet met mij. Als ik je liefhad, zou ik geen moed hebben te spreken zooals ik nu doe. Voor mijzelf zou ik zoo iets niet vragen, Gösta; maar, zie je, het kind moet toch een vader hebben. Nu begrijp je zeker wel, wat ik je vragen wou. ’t Is wel een groote vernedering voor je, omdat ik een vrouw zonder man ben en een kind heb. Ik dacht er niet aan, dat je het misschien wel zoudt willen doen, omdat je minder bent dan anderen—ofschoon, ja, daar dacht ik ook aan. Maar het meest dacht ik er aan, dat je ’t misschien zoudt willen doen omdat je zoo goed bent, Gösta, omdat je een held bent en je kunt opofferen. Maar misschien is het te veel gevergd. Misschien kan een man zooveel niet doen. Als je me te veel veracht, als het je te veel tegen de borst stuit, vader van het kind van een ander genoemd te worden, zeg het dan maar. Ik zal er niet boos om worden. Ik zie wel dat het te veel verlangd is. Maar mijn kind is zoo ziek, Gösta. Het is zoo hard, dat men bij zijn doop den naam van zijn vader niet noemen kan.”
Terwijl hij naar haar luisterde, voelde hij hetzelfde, als toen hij op dien voorjaarsmorgen haar aan land moest zetten en haar aan haar lot overlaten. Nu moest hij haar helpen om haar toekomst,—haar heele toekomst te verwoesten. Hij moest het doen, hij, die haar liefhad.
„Ik wil alles doen wat gij wilt,” antwoordde hij.
Den volgenden dag sprak hij er over met den Proost in Bro, want Svartsjö is met Bro gecombineerd, en daar moest het huwelijk afgekondigd worden. De goede, oude Proost werd geroerd door zijn verhaal, en beloofde alle noodige maatregelen te nemen.
„Ja,” zeide hij, „je moet haar helpen, Gösta, dat moet je. Zij zou anders waanzinnig kunnen worden. Zij gelooft, dat het haar kind schaden zal, als ze zijn vader niet noemen kan. Zij heeft een heel teer geweten.”
„Maar ik weet, dat ik haar ongelukkig zal maken,” barstte Gösta uit.
„Dat mag je volstrekt niet, Gösta! Nu moet je zien een verstandig man te worden nu je vrouw en kind hebt om voor te zorgen.”
Intusschen zou de Proost naar Svartsjö gaan om met den predikant en rechter te spreken. En ten slotte werd in de kerk van Svartsjö het huwelijk van Gösta Berling en Elisabeth van Thurn afgekondigd.
Toen werd de moeder van het kind met de grootste voorzichtigheid naar Ekeby gebracht, en daar werd het kind gedoopt.
De Proost sprak toen met haar en wees er haar op, dat ze nog op haar besluit terugkomen kon. Ze moest bedenken wat zij deed, als ze trouwde met een man als Gösta Berling. Zij moest tenminste eerst aan haar vader schrijven.
„Ik kan er geen spijt van hebben,” antwoordde zij; „denk eens, dat mijn kind stierf eer het een vader had.”
Toen het huwelijk voor de derde maal werd afgekondigd, was de moeder hersteld en al verscheidene dagen op geweest. Des middags kwam de Proost naar Ekeby en sloot het huwelijk tusschen haar en Gösta Berling. Maar niemand dacht er aan, dat dit een bruiloft was. Er waren geen gasten genoodigd. Men gaf alleen het kind een vader; dat was alles.
De moeder straalde van stille vreugd, alsof zij een groot doel bereikt had. De bruidegom was bedroefd. Hij dacht er aan, hoe ze haar toekomst bedierf door haar huwelijk met hem. Hij merkte met ontzetting, dat hij nauwelijks voor haar bestond. Al haar gedachten waren voor het kind.
Een paar dagen later hadden de vader en de moeder een groot verdriet. Het kind stierf in een stuip.
’t Kwam menigeen voor, dat de moeder niet zóo heftig en bitter bedroefd was als men verwacht had: er lag een waas van triomf over haar. Het was alsof zij er in juichte, dat zij haar toekomst had bedorven ter wille van het kind. Als de kleine bij de engelen in den hemel kwam, zou hij het toch weten, dat hij op aarde een moeder had gehad, die hem liefhad.
Dit alles gebeurde stil en ongemerkt. Toen het huwelijk van Gösta Berling en Elisabeth von Thurn in Svartsjö werd afgekondigd, wisten de meesten niet eens wie de bruid was. De geestelijken en het personeel van de hoeven, die wisten hoe alles was toegegaan, spraken er zoo min mogelijk over. Het was alsof ze er bang voor waren, dat de een of ander, die niet meer geloofde aan de macht van het geweten, aan het gedrag van de jonge vrouw een boosaardige verklaring zou geven. Men was zoo bang, dat iemand zeggen zou: „Nu kan je wel zien, dat zij haar liefde voor Gösta niet heeft kunnen overwinnen. Nu is ze met hem getrouwd, onder een voorwendsel, dat zoo mooi lijkt.” Ach, de ouden waren zoo teer voor die jonge vrouw. Nooit konden ze verdragen, dat men wat kwaads van haar zei. Zij wilden nauwelijks toegeven, dat zij gezondigd had. Zij wilden niet inzien, dat eenig kwaad die ziel bevlekte, die zoo bang voor het booze was.
Een andere gewichtige gebeurtenis, die juist in dien tijd plaats had, maakte ook, dat Gösta’s huwelijk maar weinig besproken werd. Majoor Samzelius werd door een ongeluk getroffen. Hij was meer en meer zonderling en menschenschuw geworden. Hij ging ’t meest met dieren om en had een heelen dierentuin gemaakt op Sjö. Gevaarlijk was het ook, want hij had gedurig zijn geladen geweer bij zich en schoot dat telkens af, zonder op te passen, waar hij op mikte. Op een dag werd hij door een tammen beer gebeten, waar hij zonder nadenken op geschoten had. Het gewonde dier viel op hem aan, terwijl hij dicht bij de tralies stond, en beet hem vreeselijk in den arm. Daarop brak het los en liep het bosch in.
De Majoor werd bedlegerig en stierf aan de wond, maar eerst kort vóór Kerstmis. Als de Majoorske geweten had, dat hij ziek was, had zij het bestuur op Ekeby weer in handen kunnen nemen. Maar de kavaliers dachten aan het contract met den Booze op Kerstavond in de smidse. Zij wisten wel, dat zij niet komen zou, eer hun jaar om was.
XXIX.
Liefde overwint alles.
Onder de trap naar de galerij in de kerk te Svartsjö is een groote kast, vol versleten spaden van de doodgravers, van gebroken kerkbanken, oude stukken blik en andere prullen.
Daarin, onder een dikke laag stof, voor de oogen der menschen verborgen, staat een kist met prachtig mozaiek van paarlemoer ingelegd. Veegt men ’t stof weg dan glimt en glinstert zij als de bergwand in een sage. De kist is gesloten en de sleutel is goed bewaard en wordt niet gebruikt. Geen sterveling mag een oog in die kist slaan. Niemand weet wat er in is. Eerst als de negentiende eeuw haar einde nadert wordt de sleutel in ’t slot gestoken, de deksel opgelicht en de schatten die daar verborgen zijn aan menschenoogen vertoond.
Zoo heeft de eigenaar van de kist het beschikt.
Op de koperen plaat op den deksel staat: Labor vincit omnia. (De arbeid overwint alles). Maar een ander opschrift zou beter gepast hebben. Er had moeten staan: Amor vincit omnia. (De liefde overwint alles). Ook die oude kist in de kast onder de trap in de kerk is een bewijs voor de almacht der liefde.
O Eros, alles beheerschende God!
Voorwaar! Gij, o Liefde zijt eeuwig. Oud is het menschengeslacht op aarde; maar gij hebt het gevolgd door alle eeuwen heen. Waar zijn de goden van ’t Oosten, de sterke helden, die den bliksem als wapen voerden, zij die aan de oevers van den heiligen stroom offers aannamen van melk en honing?
Dood zijn ze! Dood is Bel, de sterke krijgsman, dood Thot, de reus met de havikskop; dood zijn de heerlijke goden, die rustten op bedden van wolken van den Olympus, dood zij, die heldendaden deden en in het wel versterkte Walhalla woonden. Al de goden der ouden zijn dood, behalve Eros, Eros de alles beheerschende.
Zijn werk is alles wat ge ziet. Hij houdt de geslachten in stand. Hem ziet ge overal. Waar kunt gij gaan, dat ge zijn voetspoor niet ziet? Wat hooren uw ooren, waar ge niet den wiekslag van zijn suizende vleuglen in hoort. Hij woont in de harten der menschen en in den kiemenden zaadkorrel. Voel zijn hartslag trillen in de dooden dingen en beef!
Wat woont er op aarde, dat niet verlangen voelt naar hem en zijn lokstem hoort. Niets ontkomt aan zijn macht. Alle oude wraakgoden zullen vallen, alle kracht en geweld voorbij gaan. Maar voorwaar! Gij, o liefde, zijt eeuwig!
De oude Eberhard zit aan zijn schrijftafel, een prachtig meubel, met ontelbare laden, met marmeren blad en beslagen met oud koper. Hij werkt met vlijt en ijver, alleen boven in den kavaliersvleugel. O, Eberhard, waarom zwerft ge niet rond in bosch en veld in de laatste dagen van den stervenden zomer, zooals de andere kavaliers doen. Ge weet het toch, dat niemand ongestraft de godin der wijsheid dient. Gebogen is uw rug, al zijt ge ook maar even zestig jaar; het haar dat uw schedel dekt is uw eigen niet, rimpels zijn gegroefd in uw voorhoofd, dat zich over uw ingezonken oogen welft, en het verval van den ouderdom vertoont zich in de vele plooien om uw tandeloozen mond.
O Eberhard! Waarom zwerft gij niet door bosschen en velden? De dood zal U zooveel te eerder van uw schrijftafel halen, omdat ge u door ’t leven er niet van weg hebt laten lokken.
Oom Eberhard haalt een dikke streep onder zijn laatsten regel. Uit de ontelbare laden van zijn schrijftafel haalt hij de geelgeworden, gekreukelde vellen te voorschijn, al de ongelijke deelen van zijn groot werk, dat werk, dat den naam van Eberhard Berggren door de tijden heen zal dragen. Maar juist als hij ’t eene pak op ’t andere heeft gestapeld en er in stille verrukking op zit te staren, gaat de deur open en de jonge gravin treedt binnen.
Daar is zij, de jonge heerscheres. Zij die allen vereeren en dienen, meer dan grootouders den kleinzoon. Zij, die ze als een arme zieke gevonden hebben en alle heerlijkheid der aarde schonken, zoo als een Sagenkoning de arme schoone, die hij vond in het woud.
Voor haar klinken waldhoorn en viool op Ekeby. Voor haar roert zich alles, voor haar leven en werken allen op het groote landgoed.
Zij is nu gezond; maar nog zeer zwak. De eenzaamheid in dit groote huis valt haar lang, en nu ze weet dat de kavaliers weg zijn, wil ze eens zien hoe het er in den kavaliersvleugel uitziet, dat beruchte vertrek.
Zoo komt ze zacht binnen en ziet naar de gewitte muren en de geelgeruite bedgordijnen; maar ze wordt verlegen, nu ze merkt dat er iemand in de kamer is.
Oom Eberhard gaat haar plechtig te gemoet en voert haar naar den grooten stapel papieren.
„Zie eens, Mevrouw de gravin, zegt hij, „nu is mijn werk gereed. Nu zal het de wereld in gaan. Nu zullen groote dingen geschieden.”
„Wat zal er dan gebeuren, Oom Eberhard?”
„Och Mevrouw de gravin! als een bliksemstraal zal dit werk inslaan in de wereld, licht brengen en dooden! Sedert Mozes hem van uit Sinaïs donderwolk deed neêrdalen en hem in ’t heilige der heilige van den Tempel plaatste,—al dien tijd is hij veilig geweest, de oude Jehova! Nu zal het ieder duidelijk worden wie hij is! Inbeelding! leegte! damp! het doodgeboren kind van onze eigen, arme hersens!—Hij zal in ’t niet verzinken,” zei de grijsaard en legde zijn gerimpelde hand op de papieren. „Hier staat het en als de menschen dat lezen, moeten zij ’t gelooven. Zij zullen verschrikt opstaan en hun domheid inzien; zij zullen de kruisen stukslaan en voor brandhout gebruiken, de kerken voor korenbeurzen en de priesters zullen de aarde gaan bebouwen.”
„Ach, oom Eberhard,” zei de jonge gravin met een lichte rilling, „is u zulk een verschrikkelijk mensch? staan er zulke vreeselijke dingen in dat boek?”
„Vreeslijk?” herhaalde de oude man—„het is immers de waarheid!—Maar wij zijn als kinderen die hun gezicht in den schoot van een vrouw verbergen, zoodra ze een vreemdeling zien. Wij zijn gewoon ons voor de waarheid te verbergen, voor de eeuwig vreemde! Maar nu zal zij komen en haar tenten onder ons opslaan, nu zullen allen haar kennen.”
„Allen?”
„Niet alleen de filosofen, maar allen, Mevrouw de Gravin, allen!”
„En zal dan Jehova sterven?”
„Hij en alle engelen, alle heiligen, alle duivelen, alle leugens!”
„En wie zal dan de wereld besturen?”
„Gelooft u dan werkelijk dat iemand die vroeger bestuurde? Gelooft u dan aan een voorzienigheid, die de menschen en de haren der menschen telde? Niemand heeft de wereld bestuurd en niemand zal het voortaan doen.”
„Maar wat zal er dan van ons, arme menschen, worden?”
„Wat we geweest zijn! Stof! Hij die uitgebrand is, kan niet meer branden. Hij is dood! Wat zijn wij, die door ’t leven fladderen? De vonken des levens spatten van den een op den ander. Wij worden ontstoken, vlammen op en worden uitgebluscht. Dat is het leven!”
„Ach Eberhard, is er dan geen leven na dit?”
„Neen!”
„Niets aan de andere zijde van ’t graf?”
„Niets!”
„Geen goed of kwaad, geen hoop, geen doel?”
„Niets.”
De jonge vrouw trad naar ’t venster. Zij zag uit over ’t gele loof van den herfst, over de dahlias en asters, die hun hoofden lieten hangen op de door den wind gebroken stengels. Zij zag de zwarte golven van ’t Löfvenmeer, en een oogenblik geeft ze toe aan den twijfel.
„Oom Eberhard,” zegt ze, „wat is de wereld grauw en leelijk! Wat is alles hoopeloos. Ik wil graag sterven!”
Maar op hetzelfde oogenblik was het haar als hoorde zij een jammerkreet diep in haar ziel. Haar sterke levenskracht, haar warm voelen riepen luide om ’t geluk te mogen leven!
„Is er dan niets, dat ’t leven schoonheid geven kan, nu u me God en onsterfelijkheid afneemt?” barstte ze uit.
„Arbeid!” antwoordde de grijsaard.
Maar op haar gezicht komt een uitdrukking van verachting voor deze arme wijsheid. Het ondoorgrondelijke rijst voor haar op! Zij voelt den geest, die in alles leeft. Zij voelt de macht, die gebonden neerligt in alle schijnbaar doode stof, maar die zich ontwikkelen kan tot eindloos wisselend leven. Met duizelend hoofd zoekt zij een naam voor het goddelijk leven in de natuur.
„Ach, Eberhard!” zegt zij. „Wat is arbeid? Is dat een God? Heeft dat een doel in zich zelf? Noem iets anders!”
„Ik weet niets anders,” antwoordde de grijsaard.
Daar heeft zij den naam gevonden, dien ze zoekt, een armen, vaak bezoedelden naam.
„Oom Eberhard, waarom noemt u de liefde niet?”
Daar glijdt een glimlach langs den tandenloozen mond door rimpels en plooien omgeven.
„Hier,” antwoordt de filosoof en slaat met de gebalde vuist op het zware pak, „hier worden alle goden vermoord. En ik heb Eros niet vergeten. Wat is liefde anders dan een drang van het lichaam? Waarom zou ze hooger staan dan andere lichamelijke behoeften? Maakt de honger ons tot een God? Of de vermoeidheid? Zij zijn even veel waard. Het moet nu uit zijn met die dwaasheid. Leve de waarheid!”
De jonge gravin buigt het hoofd. Dat is niet waar! Dat kan niet waar zijn. Maar zij weet er niets tegen te zeggen.
„Uw woorden hebben mijn ziel gewond,” antwoordde ze, „maar nog geloof ik u niet. De goden van wraak en geweld kunt ge dooden. Meer kunt ge niet doen!”
Maar de grijsaard vat haar hand en legt die op zijn boek en antwoordt met al het fanatisme van het ongeloof.
„Als u dit gelezen hebt, moet u mij wel gelooven!”
„Dan hoop ik, dat het mij nooit onder de oogen komt!” antwoordt ze. „Want als ik dat gelooven moet, kan ik niet langer leven.”
En diep bedroefd gaat ze heen.
Maar hij blijft lang zitten peinzen, nadat zij is weggegaan.
Die oude papieren met godslasterlijk schrift bedekt, zijn de wereld nog niet ingegaan. Nog heeft de naam van oom Eberhard niet door de wereld geklonken.
Zijn groot werk ligt wel bewaard in de kist in de kerkkast onder de trap te Svartsjö, en zal eerst aan ’t eind van deze eeuw het licht zien.
Maar waarom heeft hij dat gedaan? Vreesde hij voor de kracht van zijn bewijzen? Was hij bang voor vervolging? Ach hoe weinig kent ge oom Eberhard. Begrijp dit nu goed! Hij heeft de waarheid liefgehad, niet zijn eigen eer! En daarom heeft hij de laatste opgeofferd, niet de eerste, opdat een kind, dat hij als een vader liefhad zou kunnen sterven in het geloof aan wat haar heilig was.
XXX.
Het meisje van Nygaard.
Niemand kent die plek aan den voet van den berg, waar de dennen het dichtst groeien en waar een dikke laag zacht mos de aarde dekt. Hoe zou iemand die kennen? Dit is nooit te voren betreden door een menschenvoet; geen menschentong heeft haar een naam gegeven; geen voetpad voert naar die verborgen plaatsen. Rotsblokken zijn er om heen opgestapeld, gedoornde braamranken sluiten haar af, afgewaaide takken versperren den weg, de herder kan haar niet vinden, de vos veracht haar. Het is de eenzaamste plek in ’t bosch, en nu zoeken duizenden menschen er naar!
Wat een eindelooze stoet van zoekenden! Zij zouden de kerk van Bro kunnen vullen, en niet alleen die van Bro, maar die van Löfvik en Svartsjö. Wat een eindelooze stoet van zoekenden!
Kinderen, die niet met den stoet mee mogen, staan aan den weg of hangen over ’t hek, overal waar hij voorbijkomt. De kleinen hebben niet gedacht, dat er zulk een massa menschen in de wereld waren, zulk een eindelooze massa. Als ze groot worden, zullen ze zich dien langen, golvenden menschenstoet herinneren.
Hun oogen zullen vol tranen staan bij de herinnering aan den overweldigenden indruk, dien het maakte, dien eindeloozen stoet langs wegen te zien trekken, waar men dagen lang niemand zag dan een paar eenzame wandelaars, eenige groepjes bedelaars of een boerenwagen.
Allen, die aan den weg wonen, springen op en vragen: „Is er een ongeluk gebeurd in het land? Komen de vijanden? Waar gaat ge heen? Waar gaat ge toch heen?”
„Wij zoeken,” antwoordden zij: „we hebben al twee dagen lang gezocht. Wij zullen ook vandaag nog zoeken, en dan kunnen wij het niet langer uithouden. Wij willen het Björnebosch doorzoeken en de met dennen begroeide heuvels ten westen van Ekeby.”
De stoet is van Nygaard uitgegaan, een armoedig dorpje tusschen de oostelijke bergen. Het mooie, jonge meisje, met het dikke, zwarte haar en de roode wangen, is al acht dagen lang weg. Het meisje met de bezems, dat Gösta Berling tot zijn bruid wilde maken, is in de groote bosschen verdwaald. In acht dagen heeft niemand haar gezien. Toen gingen menschen uit Nygaard uit om haar te zoeken, en alle menschen, die hen zagen voorbij komen, gingen mee om te zoeken. Uit ieder huis kwamen menschen, om zich bij den stoet aan te sluiten.
Dan gebeurde het vaak, dat een nieuw aangekomene vroeg: „Mannen van Nygaard, waarom is dit alles? Waarom liet men dit mooie meisje alleen gaan op eenzame wegen? ’t Bosch is groot en God had haar het verstand ontnomen.”
„Er is niemand, die haar kwaad doet,” antwoordden ze dan, „en zij doet niemand kwaad. Zij gaat veilig als een kind. Wie is wel beter bewaard dan die door God zelf bewaard wordt! Vroeger is zij altijd teruggekomen.”
Zoo is de stoet der zoekenden door de bosschen ten oosten getrokken, die Nygaard van de vlakte scheiden. Nu, den derden dag, trekken zij voorbij de kerk van Bro, naar de bosschen ten westen van Ekeby.
Maar waar de stoet heentrekt, wekt hij de grootste verbazing; telkens moet een der mannen achterblijven, om te antwoorden op de vraag: „Wat wilt ge, wat zoekt ge?”
„Wij zoeken het meisje met de donkere haren en de blauwe oogen. Zij is naar ’t bosch gegaan om te sterven. Zij is al acht dagen weg geweest.”
„Waarom is zij naar het bosch gegaan, om te sterven? Had zij honger? Was zij ongelukkig?”
„Neen, nood heeft ze niet geleden, maar een ongeluk heeft haar dit voorjaar getroffen. Zij heeft Gösta Berling, den gekken predikant, gezien en hem vele jaren lang liefgehad. Zij wist niet beter. God heeft haar het verstand ontnomen.”
„Ja, dan heeft God haar zeker van het verstand beroofd, mannen van Nygaard.”
„In dit voorjaar kwam het ongeluk—vroeger heeft hij nooit naar haar omgezien. Toen heeft hij haar gezegd, dat zij zijn bruid zou zijn. ’t Was maar een grap;—hij liet haar weer gaan; maar zij kon zich niet troosten. Zij kwam aanhoudend naar Ekeby terug. Zij volgde hem op de hielen, waar hij ook heen ging. Zij verveelde hem. Toen zij er het laatst was, hebben zij de honden op haar aangehitst. Sinds dien tijd heeft niemand haar gezien.”
Op, alle mannen! ’t Geldt een menschenleven.
Een mensch is de bosschen ingegaan, om te sterven. Misschien is zij al dood. Of misschien zwerft ze nog om, zonder den weg te vinden. ’t Bosch is groot en haar verstand is bij God.
Ga mee met den stoet, ga mee! Laat de haver in schoven staan, tot de dunne korrel uit de aar valt; laat den aardappel in den grond verrotten; laat de paarden los, opdat ze niet in den stal verdorsten; laat de deur van den koestal open staan, zoodat de koeien des nachts onder dak kunnen komen; neem de kinderen mee, want de kinderen behooren aan God. God is met hen. Hij leidt hun schreden.
Zij zullen helpen, waar het menschelijk verstand te kort komt.
Komt allen mee, mannen, vrouwen en kinderen. Wie durft thuis te blijven? Wie weet of God niet juist van plan is hem als werktuig te gebruiken? Komt, allen die barmhartigheid behoeft, opdat niet eenmaal uw ziel hulpeloos rond zal zwerven op eenzame plaatsen, rust zoeken en ze niet vinden zal. Komt, God heeft haar het verstand ontnomen, en ’t bosch is groot.
Ach! Wie kan de plek vinden, waar de dennen het dichtst groeien en ’t mos het zachtst is? Ligt daar iets donkers, dicht onder den bergwand? Ach, ’t is een mierenhoop. Geloofd zij Hij, die den voet der zinneloozen bestuurt; ’t is anders niet!
Welk een tocht! Niet de feestlijk versierde feeststoet, die den overwinnaar begroet, die bloemen strooit op zijn wegen en zijn ooren met gejubel vult; niet de pelgrimsstoet met psalmgezang en de zwiepende geeselslagen, op weg naar het heilige graf; niet de stoet der landverhuizers op krakende, zwaar beladen wagens, die uittrekken om een nieuw tehuis te zoeken voor menschen, die nood lijden; niet een leger met trommen en wapens; het zijn maar boeren, in baaien werkpakken en versleten schootsvellen; ’t zijn maar hun vrouwen, met breikousen in de hand, en de kinderen op den rug of hangend aan de rokken.
’t Is grootsch menschen bijeen te zien voor een groot doel. Laat ze uittrekken om hun weldoeners te huldigen, om hun vaderland te verdedigen, laat ze uittrekken! Maar noch honger, noch godsvrucht, noch oorlog heeft deze menschen op weg gedreven. Hun moeite is vergeefsch, hun arbeid zonder loon, zij zoeken alleen een zinnelooze. Hoeveel zweetdroppels, hoeveel uren gaans, angst en gebeden het hun ook kost, het wordt toch alleen maar beloond door ’t weervinden van een arme verdwaalde, wier verstand bij God is. Kan men anders dan dit volk liefhebben?
Moet niet wie aan den weg staat en hen voorbij ziet trekken, tranen in de oogen krijgen, als hij ’t zich herinnert: mannen met scherpe trekken en harde handen, vrouwen met vroeggerimpelde voorhoofden en vermoeide kinderen, die God zou leiden naar de rechte plaats?
Hij vult den weg, die stoet van bedroefde zoekenden. Met ernstige blikken zien zij naar het bosch; zij gaan voort met sombere gezichten, want zij weten, dat zij eerder een doode, dan een levende zullen vinden.
Ach, dat zwarte onder aan den bergwand! Het is toch geen mierenhoop, maar een omgevallen boom! De Hemel zij geloofd, ’t is maar een omgevallen boom. Maar zoo precies kan men ’t ook niet zien, want de dennen staan zoo dicht bij elkaar.
Zóó lang is de stoet, dat de voorsten, de sterke mannen, heel bij het bosch ten Westen van Björne zijn, als de achtersten, de mismaakten, de zwakke ouden en de vrouwen, die hun kleine kinderen dragen, nauwelijks de kerk te Broby voorbij zijn.
En dan verdwijnt de heele stoet in het donkere bosch. De vóórmiddagzon beschijnt hen tusschen de dennen door—de avondzon zal de schare beschijnen, als zij uit het bosch komt.
’t Is de derde dag van ’t zoeken; zij zijn aan ’t werk gewend. Ze zoeken onder aan den steilen bergwand, waar de voet licht uitglijdt, onder de omgevallen boomen, waar men armen en beenen kan breken, onder de dichte dennentakken, die over het zachte mos hangen en tot rusten uitnoodigen.
Het leger van den beer, het hol van den vos, de onderaardsche woning van den das, de zwarte grond van de kolenbranderij, de dennen met de witte naalden, de berg, die door den boschbrand geteisterd is een maand geleden, de steen, die door den reus weggeworpen is, dat alles is gevonden; maar niet de plek onder den bergwand, waar dat zwarte ligt.
Niemand is er geweest om te zien of het een mierenhoop of een omgevallen boomstam of een mensch is. Ach! het is wel een mensch; maar niemand is er geweest en heeft haar gezien!
De avondzon ziet op hen neer aan den anderen kant van het bosch, maar de jonge vrouw, wier verstand God heeft weggenomen, is niet gevonden. Wat zullen ze nu doen? Zullen ze het bosch nog eens doorzoeken? ’t Bosch is gevaarlijk in ’t donker; daar zijn bodemlooze moerassen en steile kloven. En wat kunnen zij, die niets vonden, toen de zon scheen, nu vinden, daar het donker is?
„Laat ons naar Ekeby gaan!” roept éen onder de menigte.
„Laat ons naar Ekeby gaan!” roepen dan allen samen: „Laat ons naar Ekeby gaan!”
„Laat ons die kavaliers vragen, waarom ze de honden op iemand hebben aangehitst, wier verstand God had weggenomen; waarom ze een zinnelooze tot vertwijfeling hebben gebracht. Onze arme, hongerige kinderen schreien, onze kleeren zijn gescheurd, het koren staat in schoven, tot de korrels uit de aren vallen, de aardappelen verrotten in den grond, onze paarden loopen wild rond, onze koeien worden niet verzorgd, wijzelf vergaan bijna van vermoeienis—en dat alles is hun schuld. Laat ons naar Ekeby gaan en gericht over hen houden. Laat ons naar Ekeby gaan!”
„In dit vervloekte jaar komt alles op ons, boeren, neer. God’s hand drukt zwaar op ons. De winter zal hongersnood brengen. Wie is het dien Gods straf zoekt? Niet den predikant van Broby. Zijn gebeden rijzen nog op tot God. Wie kan het anders zijn dan deze kavaliers. Laat ons naar Ekeby gaan!”
„Zij hebben de hoeve bedorven. Zij hebben de Majoorske op den weg laten zwerven als bedelares. Het is hun schuld, dat we geen werk hebben. Het is hun schuld, dat we honger moeten lijden. De nood is hun werk. Laat ons naar Ekeby gaan!”
En daar snellen sombere, verbitterde mannen naar de groote hoeve; hongerige vrouwen met schreiende kinderen op den arm volgen hen. Achteraan komen de mismaakten en de afgematte ouden. En als een zwellende stroom gaat de verbittering door de rijen, van de ouden naar de vrouwen, van de vrouwen naar de sterke mannen vooraan.
’t Is de najaarsstroom, die komt. Weet ge nog wel hoe de voorjaarsstroom kwam, kavaliers? Nu komen de golven van de bergen, nu gaat er opnieuw een adem van verwoesting over Ekeby’s macht en eer.
Een arbeider, die het veld beploegt langs den boschkant, hoort het woeste geschreeuw van het volk. Hij spant éen van de paarden af, springt er op en draaft naar Ekeby. „Er komt een ongeluk!” roept hij: „de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in.” Hij rijdt door de hoeve, buiten zichzelf van schrik: „alle spoken uit het bosch zijn losgebroken!” roept hij, „de booze geesten komen en steken de hoeve in brand en slaan de kavaliers dood.”
En achter hem hoort men leven en gehuil van de aanstormende menigte. De najaarsstroom bruist op Ekeby toe!
Weten ze wat ze willen, die daar vol verbittering aanstormen? Willen ze brand? moord? plundering?
Het zijn geen menschen, die daar aankomen; ’t zijn de spoken uit het bosch, de wilde dieren van de velden. Wij, duistere machten, die ons onder de aarde verborgen moeten houden, wij zijn vrij voor éen zalig uur. De wraak heeft ons vrijgemaakt.
Het zijn de geesten van de bergen, die het erts gebroken hebben, de geesten van het woud, die boomen geveld en de kolen gebrand hebben, de geesten van het veld, die het koren lieten groeien; zij zijn vrij, zij gebruiken hun kracht om te verwoesten. Dood over Ekeby, dood over de kavaliers!
Hier vloeit de brandewijn in stroomen. Hier ligt het goud in de kelder-gewelven opgestapeld. Hier is de voorraadschuur vol koren en vleesch. Waarom zullen de kinderen der rechtvaardigen honger lijden en de boosdoeners volop hebben?
Maar nu is hun tijd voorbij, de maat is vol, kavaliers! Leliën, die nooit gesponnen hebt, vogels, die nooit vergaderd hebt in de schuren, de maat is vol! In het woud ligt zij, die u oordeelt; wij zijn haar boden. Het zijn geen rechters, die uw vonnis vellen. Zij, die in het woud ligt, heeft u geoordeeld.
De kavaliers staan in het hoofdgebouw en zien het volk komen. Zij weten al, waarvoor zij aangeklaagd worden. Voor deze éene keer zijn zij onschuldig. Als het arme meisje naar het bosch gegaan is om te sterven, dan is dat niet omdat zij de honden op haar afgejaagd hebben—dat hebben zij nooit gedaan,—maar omdat Gösta Berling voor acht dagen met gravin Elisabeth getrouwd is.
Maar wat baat het met deze razende menschen te spreken? Zij zijn moe, zij zijn hongerig; de wraak hitst hen op; de roofzucht verlokt hen. Zij komen aanrennen met woest geschreeuw, en voor hen uit rijdt de arbeider, die van den schrik waanzinnig is geworden: „de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in.
De kavaliers hebben de jonge gravin verborgen in ’t binnenste kamertje. Löwenborg en oom Eberhard zullen daar zitten en op haar passen; de anderen gaan de schare te gemoet. Zij staan op de stoep voor het hoofdgebouw, ongewapend en glimlachende, als de eerste schreeuwende bende aankomt.
En het volk blijft staan voor die kleine schaar rustige mannen. Er zijn er wel, die in hun gloeiende verbittering ze graag op den grond geworpen en met hun met ijzer beslagen hielen vertrapt hadden, zooals het volk van de ijzermijn te Sund met den chef en den inspecteur vóor vijftig jaar gedaan hebben; maar zij hadden gesloten deuren verwacht, opgeheven wapens, weerstand en gevecht.
„Beste vrienden,” zeggen de kavaliers, „besten vrienden, jullie zijn moe en hongerig, laat ons je wat te eten geven en proeft eerst van Ekeby’s eigengemaakten brandewijn.”
De menigte wil er niet van hooren. Zij huilt en dreigt. Maar de kavaliers worden niet boos.
„Wacht maar,” antwoorden ze, „wacht maar even. Zie, Ekeby is open. De kelderdeur, de provisiekamer, de melkkamer, alles is open. Jullie vrouwen vallen bijna om van vermoeienis; de kinderen schreien. Laat ons ze eerst eten geven. Dan kun jelui ons laten doodslaan. Wij zullen niet wegloopen. Maar we hebben den zolder vol appelen. Laat ons even appels voor de kinderen halen.”
Een uur later is het feest in vollen gang op Ekeby. Het grootste feest, dat de groote hoeve ooit heeft gezien, wordt in den herfstnacht, in ’t schijnsel van de groote, heldere, volle maan, gevierd.
De stapels brandhout zijn aangestoken; over de heele hoeve vlammen groote vuren. Het volk zit in groepjes en geniet warmte en rust, terwijl alle goede gaven over hen uitgestort worden.
Kloeke mannen zijn in de schuur gegaan en hebben genomen wat noodig was. Kalven en schapen zijn geslacht, ook een paar grootere stukken vee. De dieren werden in stukken gehouwen en in een oogenblik gebraden. Deze honderden hongerige menschen verslinden de spijzen. Het eene dier na het andere wordt naar buiten gebracht en geslacht. Het schijnt alsof de heele schuur op één nacht geledigd zal worden.
Juist dien middag was het bakken voor den winter klaar gekomen. Nadat de jonge gravin op Ekeby was, waren de lieden weer aan ’t werk gegaan. Het was alsof de jonge vrouw er geen oogenblik aan dacht, dat zij nu de vrouw van Gösta Berling was. Noch hij, noch zij spraken daar ooit over; maar daarentegen nam zij de plaats in van huisvrouw op Ekeby. Zij beproefde, zooals een goede en bekwame vrouw altijd doet, met vurigen ijver de wanorde en verkwisting tegen te gaan, die op de hoeve heerschten. En zij werd gehoorzaamd. De dienstboden voelden met een zeker welbehagen, dat er weer een huisvrouw boven hen stond.
Maar wat hielp dat nu, dat zij den keukenzolder met brood had laten vullen, dat zij had laten karnen en brouwen en kaas maken heel de lange Septembermaand, die zij daar geweest was? Wat hielp het?
Naar buiten, naar ’t volk, met alles wat er is, opdat ze Ekeby niet verbranden en de kavaliers doodslaan. Naar buiten met brood en boter en kaas? Naar buiten met tonnen en vaten, met hammen van den zolder, met de brandewijnflesschen en appels!
Hoe kan al wat er op Ekeby is den toorn van de boeren verzachten! Zij mogen blij zijn, als zij ze daar vandaan krijgen, zonder dat er een of andere misdaad gebeurt.
Alles wat er gebeurt is toch ten slotte om harentwille—ter wille van de huisvrouw van Ekeby. De kavaliers zijn moedige en in de wapenen geoefende mannen. Zij zouden zich verdedigd hebben, als zij hun eigen zin gedaan hadden. Zij zouden liever die roofzuchtige scharen met een paar schoten hebben verjaagd, als zij er niet geweest was, zij, die zacht en goed was en voor het volk gesproken had.
Hoe later het in den nacht wordt, hoe zachter de schare gestemd wordt. De warmte en de rust en het eten en de brandewijn doen hun geweldige opgewondenheid bedaren. Zij beginnen te lachen en te schertsen; zij vieren het begrafenisfeest van het meisje uit Nygaard. Wee hem, die niet drinkt en schertst bij het begrafenisfeest; dat is in de eerste plaats noodig.
Kinderen vallen aan op de massa’s vruchten, die hen gebracht worden. Arme dagloonerskinderen, die blauwbessen en boschbessen voor lekkernij aanzien, bijten nu in blanke glasappels, die in den mond smelten, langwerpige, zoete paradijsappels, geelachtige citroenappels, peren met roode wangen en pruimen van allerlei soort: gele, roode en blauwe. Ach, niets is te goed voor het volk, dat zijn macht durft te toonen.
Tegen middernacht is het, alsof de menigte aan naar huis gaan denkt. De kavaliers houden op spijzen en wijn te brengen, flesschen open te trekken en bier af te tappen. Zij slaken een zucht van verlichting, in het gevoel, dat het gevaar voorbij is.
Maar juist op dat oogenblik komt er een licht te voorschijn aan een venster in het hoofdgebouw. Allen, die het zien, schreeuwen luid. Het is een jonge vrouw, die ’t licht draagt.
’t Duurt maar een oogenblik; dan is ze weer weg; maar het volk meent, dat zij haar herkend hebben.
„Ze had dik, zwart haar en roode wangen!” roepen ze. „Ze is hier. Ze houden haar hier verborgen!”
„Ach, kavaliers! Heb jullie haar hier? Heb jullie ons kind, van wie God het verstand weggenomen heeft, hier op Ekeby? Goddeloozen, wat doe je met haar? Nu laat je ons in angst over haar de heele week lang, en we zoeken haar drie dagen! Weg met wijn en spijzen! Nu willen we haar hier buiten hebben. Later zul je wel zien wat we met jelui doen zullen.”
De getemde wilde dieren huilen en brullen. Met woeste sprongen vallen ze op Ekeby aan.
Ze zijn vlug; maar de kavaliers zijn nog vlugger. Zij vliegen op en slaan de grendels voor de deur naar de vestibule. Maar wat kunnen zij uitrichten tegen de vooruitdringende schare? De eene deur na de andere wordt opengerukt. De kavaliers worden teruggedrongen; zij zijn ongewapend. Zij worden in de dichte menigte ingesloten, zoodat zij zich niet kunnen bewegen. Het volk wil naar binnen en het meisje van Nygaard zoeken.
Zij vinden haar in het binnenste kamertje.
Niemand heeft tijd om toe te zien of ze blond of donker is. Zij lichten haar op en dragen haar naar buiten. Ze moet niet bang zijn, zeggen ze. Ze wilden alleen maar de kavaliers te lijf. Zij zijn gekomen om haar te redden.
Maar als zij naar buiten stroomen uit het gebouw, komen zij een anderen stoet tegen.
Op de eenzame plek in het bosch rust nu niet meer het lijk van een vrouw, die van de hooge helling neerstortte en stierf door den val. Een kind heeft haar gevonden. Enkele zoekenden, die nog in het bosch waren achtergebleven, hebben haar opgenomen op hun schouders. Zie, daar komen zij.
Zij is schooner in den dood dan zij in het leven was. Schoon is zij, zooals zij daar ligt met haar lang, donker haar. Het is een prachtige gestalte, nu de eeuwige vrede op haar neergedaald is.
Op de schouders van de mannen wordt zij door de volksmenigte gedragen. Het wordt heel stil, waar ze voorbij gaat. Met gebogen hoofden huldigen allen de majesteit van den dood.
„Zij is pas gestorven,” fluisteren de mannen. „Zij heeft zeker door ’t bosch geloopen tot vandaag toe. Ze heeft zeker voor ons willen vluchten en is toen van de rots gestort.”
Maar als dit het meisje van Nygaard is, wie is dan zij, die uit Ekeby naar buiten gedragen wordt?
De stoet uit het bosch ontmoet den stoet uit het huis. De vuren op de hoeve vlammen nog. Het volk kan de twee vrouwen zien en herkent ze. Die andere is immers de jonge gravin van Borg!
Maar wat beteekent dat? Zijn we nu een nieuwe misdaad op ’t spoor? Waarom is de jonge gravin hier, op Ekeby? Waarom heeft men ons verteld, dat ze ver weg of dood was? In naam van de eeuwige rechtvaardigheid, zullen we nu de kavaliers niet aanvallen en ze tot pulver stampen onder onze, met ijzer beslagen hielen?
Daar hoort men een ver klinkende stem.
Gösta Berling is op de leuning van de stoep geklommen en spreekt:
„Luister naar mij, jullie ondieren! jullie duivels! Meen je, dat er geen geweren en kruit op Ekeby zijn, jullie dwazen? Meen je dat ik geen lust gehad heb jelui neer te schieten als dolle honden;—maar zij daar heeft voor jelui gesproken! O! als ik geweten had, dat je haar zoudt aanraken, dan was geen van jelui er levend afgekomen.
„Waarom kom jelui hier spektakel maken van avond, als roovers,—en dreigt ons met moord en brand? Wat heb ik met jelui krankzinnige meisjes te maken? Weet ik, waar ze heen loopen? Ik ben te vriendelijk voor haar geweest, dat is de zaak. Ik zou de honden op haar aangehitst hebben! ’t Was beter voor ons beiden geweest, als ik het gedaan had—maar ik heb het niet gedaan. Ik heb nooit beloofd met haar te trouwen, dat heb ik nooit gedaan. Onthoud dat wel!
„Maar nu zeg ik jelui, dat je haar los zult laten, die je hier uit huis gesleept hebt. Laat haar los, zeg ik je, en dat de handen, die haar hebben aangeraakt, in ’t eeuwige vuur mogen branden! Begrijp je niet, dat ze even ver boven jelui staat als de hemel boven de aarde is? Zij is even fijn als jelui grof zijn, even goed als jelui slecht zijn!
„Nu zal ik je zeggen wie ze is. Ten eerste is ze een engel uit den hemel; ten tweede is zij het, die met den graaf van Borg is getrouwd geweest. Maar haar schoonmoeder plaagde haar dag en nacht. Zij moest aan het meer staan en goed wasschen als een dienstmeid. Ze werd geslagen en gepijnigd, zoodat geen van jelui vrouwen het erger hebben kan. Ja ’t scheelde niet veel of ze was in de beek gesprongen, want ze plaagden haar bijna dood. Ik zou wel eens willen weten wie van jelui, ellendige kerels, toen bij de hand geweest zijt om haar leven te redden. Niemand van jelui was er; maar wij, kavaliers, hebben het gedaan. Ja, wij hebben het gedaan.
„En toen later haar kind geboren werd op een boerderij, en de graaf haar groeten liet en zeggen: „wij trouwden in een vreemd land, wij deden ’t niet volgens de wetten en ’t gebruik; je bent mijn vrouw niet, ik ben je man niet, en je kind kan me niet schelen”—ja, toen de zaken zóo stonden, en ze niet hebben wou, dat haar kind als vaderloos in ’t doopboek komen zou—toen zou jelui wel trotsch geweest zijn, als ze toen tegen een van jelui gezegd had: „kom hier en trouw met mij; ik moet een vader voor mijn kind hebben.” Maar zij koos geen van jelui; zij nam Gösta Berling, den gekken predikant, die nooit meer Gods woord verkondigen mag. Ja, dat zeg ik jelui, boeren, zwaarder dingen heb ik nooit gedaan. Want ik was haar zóó weinig waard, dat ik haar niet in de oogen durfde zien; maar ik durfde ook niet weigeren, want zij was wanhopend.
„En nu mag jelui van ons, kavaliers, al het kwaad gelooven wat je maar wilt, maar haar daar hebben wij zooveel goed gedaan als we maar konden. En aan haar heb jelui te danken, dat we je niet allemaal hebben neergeschoten van nacht. En nu zeg ik jelui: laat haar los en gaat heen; anders geloof ik, dat de aarde zich openen zal, om je te verzwelgen. En als je van hier gaat, bidt dan God, dat Hij je vergeeft, dat je haar verschrikt en bedroefd hebt, haar, die zoo goed en onschuldig is. En maakt nu dat je weg komt. We hebben genoeg van jelui.”
Lang vóordat hij uitgesproken had, hadden zij, die de jonge gravin naar buiten hadden gedragen, haar op éen der treden van de stoep neergezet, en nu kwam een groote boer kalm naar haar toe en reikte haar zijn groote hand.
„Nacht, mevrouw, ik dank u wel,” zei hij; „wij meenen het goed met u.”
Na hem kwam een ander en drukte haar voorzichtig de hand: „Nacht, mevrouw, dank u wel, wees u maar niet boos.”
Gösta sprong naar beneden en kwam naast haar staan. Toen gaven ze ook hem de hand.
En zoo kwamen ze langzaam en kalm, de een na den ander, om hen goeden nacht te zeggen vóor ze heen gingen. Zij waren weer getemd; zij waren weer menschen zooals zij waren, toen zij dien morgen hun huis verlieten, eer honger en wraaklust hen tot wilde dieren gemaakt had.
Zij zagen de gravin vlak in ’t gezicht, en Gösta merkte, dat het gezicht van al de onschuld en vroomheid, die zij zagen, tranen in veler oogen deden opwellen. Bij allen was een stille aanbidding van het edelste, wat zij gezien hadden: het waren menschen, die er zich over verheugden, dat éen van hen zoo’n groote liefde voor het goede had.
Allen konden ze haar de hand niet reiken. Er waren er zooveel, en de jonge vrouw was moe en zwak. Maar allen moesten zij haar toch zien, en dan konden ze Gösta de hand drukken. Hij kon wel velen, dat ze zijn arm schudden.
Gösta stond als in een droom. Op dien avond ging er een nieuwe liefde in zijn hart op.
„O, mijn volk,” dacht hij, „o, mijn volk, hoe heb ik je lief!” Hij voelde, dat hij heel die schare liefhad, die daar voorttrok in de duisternis van den nacht, met het doode meisje vooraan gedragen in den stoel; al die menschen met hun grove kleeren en hun kwalijk riekende schoenen; al die menschen die in de grauwe huizen aan den boschkant woonden, die geen pen konden voeren en vaak ook niet konden lezen, die ’s levens vollen rijkdom niet kenden, maar alleen het zwoegen voor het dagelijksch brood. Was het toch niet een kloek volk, een heerlijk volk? Waren ze niet moedig en volhardend, waren ze niet handig en ondernemend? Was de arme niet vaak goed voor den arme? Was niet op de meeste gezichten kracht en verstand te lezen? Was er niet een tintelende humor in hun gesprekken?
Hij had ze lief met een smartelijke, brandende teerheid, die hem de tranen in de oogen deed springen. Hij wist niet wat hij voor hen wilde doen, maar hij had ze lief, allen, met al hun gebreken en zwakheden. O, God! als eens de dag kwam, dat zij ook hem liefhadden!
Hij werd uit zijn droomerijen gewekt doordat zijn vrouw de hand op zijn arm legde. Het volk was weg. Ze stonden geheel alleen op de stoep.
„Ach, Gösta, Gösta, hoe kon je zoo doen!”
Zij hield de handen voor het gezicht en schreide.
„Het is waar wat ik gezegd heb!” barstte hij uit. „Ik heb het meisje van Nygaard nooit beloofd met haar te trouwen. Kom hier Vrijdagavond, heb ik gezegd, dan zal je wat grappigs zien. Dat was alles. Ik kan het niet helpen dat zij verliefd op mij was.”
„Ach, dat meen ik niet. Maar hoe kon je toch zeggen, dat ik goed en rein was? Gösta, Gösta, weet je dan niet, dat ik je al liefhad, toen ik het nog niet mocht? Ik schaamde me voor die menschen. O, ik stierf bijna van schaamte!”
En zij barstte in snikken uit.
Hij stond haar aan te zien. „O, mijn lieveling,” zei hij zacht. „Wat ben je gelukkig, omdat je zoo goed bent. Wat ben je gelukkig, omdat je zoo’n mooie ziel hebt.”