WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 35: XXXI. Kevenhüller.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

XXXI.

Kevenhüller.

In 1770 werd in Duitschland de later zoo geleerde en beroemde Kevenhüller geboren. Hij was de zoon van een burchtgraaf en zou hebben kunnen wonen in een groot kasteel en rijden aan de zijde van den keizer, als hij gewild had; maar hij had er geen lust in.

Hij zou molenwieken hebben willen vastmaken aan den hoogsten toren van den burcht, de ridderzaal tot een smederij inrichten en de vrouwenvertrekken tot horlogemakerswerkplaats. Hij zou het kasteel met snorrende wielen hebben willen vullen en met bewegende hefboomen. Maar daar dit niet aanging, zei hij al die weelde vaarwel en werd horlogemakersleerling. Hij leerde al wat er te leeren was van kamraderen, van veeren en slingers. Hij leerde zonnewijzers en sterrenwijzers maken, pendules met fluitende kanarievogeltjes en herders, die op den hoorn bliezen, klokkenspel, dat een heelen toren vulde met zijn wonderlijke machinerie en uurwerken zóo klein, dat ze in een medaillon gezet konden worden. Toen hij zijn getuigschrift als meester gekregen had, nam hij den ransel op den rug, den knuppel ter hand en ging van de eene plaats naar de andere om alles te bestudeeren, wat door rollen en raderen bewogen werd. Kevenhüller was geen gewoon horlogemaker, hij wilde een groot uitvinder en wereldhervormer worden.

Toen hij zooveel landen doorgezworven had, kwam hij ook naar Wermeland, om er molenwielen en mijnmachines te bestudeeren. Op een heerlijken zomermorgen gebeurde het, dat hij dwars over de markt te Karlstad ging. Maar op dienzelfden tijd had de boschvrouw goedgevonden haar wandeling tot in de stad uit te strekken. En Hare Hoogheid kwam in eigen persoon, dwars over de markt, maar van den anderen kant, en zoo kwam zij Kevenhüller tegen.

Dat was een ontmoeting voor een eenvoudig horlogemaker. Zij had schitterende groene oogen en licht, golvend haar, dat bijna op den grond hing, en zij was gekleed in groene zijde met weerschijn. Een heidin en een heks was ze, maar ze was schooner, dan al de christenvrouwen, die Kevenhüller ooit gezien had. Hij stond als betooverd en zag haar aan, terwijl zij naar hem toe kwam.

Zij kwam regelrecht uit het dichtste kreupelhout in het hart van ’t bosch, waar de varens zoo hoog worden als boomen, waar de reusachtige dennen het zonlicht buiten sluiten, zoodat slechts hier en daar een zonnestraal als een lichtende droppel op het gele mos kan vallen, en waar de kamperfoelie over de bemoste steenen kruipt.

Ik had wel in Kevenhüllers plaats willen zijn. Ik had haar graag gezien, toen zij daar aankwam met varens en dennenaalden in ’t ruige haar en een kleine zwarte adder om den hals, met de veerkrachtige stap van een wild dier, omringd van den frisschen geur van harst en aardbeien, van kamperfoelie en mos.

Wat zullen de menschen haar toch aangekeken hebben, toen ze daar over de markt te Karlstad liep. De paarden zullen wel verschrikt geworden zijn door den glans van haar lang haar, dat door den morgenwind opwoei. De straatjongens liepen haar zeker achterna. De knechts lieten hun werktuigen vallen om haar aan te gapen. De vrouwen gilden en stormden naar den bisschop en het domkapittel om het monster de stad uit te doen zetten.

Zelf ging ze rustig en majestueus voort en glimlachte over al dit alarm, zoodat Kevenhüller haar kleine roofdier-tandjes achter de roode lippen zag glinsteren.

Zij had een mantel om den rug hangen, opdat niemand aan haar hollen rug zou merken wie zij was; maar ’t ongeluk wilde, dat ze vergeten had haar staart te verbergen. Die sleepte haar na over de straat.

Kevenhüller zag de staart; maar het speet hem, dat hare hoogheid zoo ten spot voor de stadbewoners zou zijn, en hij boog voor de schoone en zeide eerbiedig: „Zou Uwe Hoogheid haar sleep niet willen opnemen.”

De boschvrouw werd getroffen; niet minder door zijn vriendelijkheid, dan door zijn hoffelijkheid. Zij bleef vlak voor hem staan en zag hem aan, zoodat het hem was, alsof er vonken uit haar oogen in zijn hersens sprongen.

„Let goed op, Kevenhüller,” zeide zij, „van nu af aan zult ge met uw twee handen elk kunstwerk kunnen maken wat ge wilt; maar niet meer dan één van elke soort.”

Dat zei ze, en ze kon haar woord houden. Want wie weet niet, dat de in ’t groen gekleede uit ’t kreupelhout in ’t bosch, macht heeft bekwaamheid en wonderbare krachten te schenken aan hen, die haar gunst weten te winnen!

Kevenhüller bleef in Karlstad en huurde daar een werkplaats. Hij hamerde en werkte dag en nacht. In acht dagen had hij een wonderwerk klaar. ’t Was een wagen, die van zelf reed. Die ging den heuvel op en af, kon gestuurd en gekeerd worden, ging snel of langzaam, stond stil of ging voort al naar men wilde. Een prachtige wagen was het.

Nu werd Kevenhüller een beroemd man en kreeg vrienden door de heele stad. Hij was zoo trotsch op zijn wagen, dat hij naar Stockholm reed om hem aan den koning te laten zien. Hij hoefde nergens op nieuwe paarden te wachten of met de knechts aan stations te kibbelen. Hij hoefde geen sneeuwhoen op te jagen of te slapen op de bank in de herberg. Hij reed fier in zijn eigen wagen en deed de reis in een paar uur.

Hij reed regelrecht naar het paleis. En de koning kwam met de hofdames naar buiten en zag hem rijden. Zij konden hem niet genoeg prijzen.

Toen zeide de koning: „Dien wagen moogt ge mij wel geven, Kevenhüller.”

En hoewel hij weigerde, hield de koning vol en wilde den wagen hebben.

Toen zag Kevenhüller, dat in ’t gevolg van den koning een hofdame stond met licht haar en in ’t groen gekleed. Hij herkende haar wel en begreep, dat zij het was, die den koning geraden had om zijn wagen te vragen. Maar hij werd wanhopend. Hij kon niet verdragen dat een ander zijn wagen zou bezitten, en hij durfde toch den koning zijn dringend verzoek niet weigeren. Daarom reed hij met zulk een vaart tegen den slotmuur, dat de wagen in duizend stukken sprong.

Toen hij weer in Karlstad teruggekomen was, probeerde hij een nieuwen wagen te maken, maar hij kon het niet.

Toen werd hij verschrikt door de gave, die de boschvrouw hem had geschonken.

Hij had het luie leven op ’t kasteel van zijn vader verlaten om een weldoener voor velen te worden, niet om tooverdingen te maken, die maar één mensch gebruiken kon. Wat baatte het hem een groot meester te worden, ja de grootste van allen, als hij zijn wonderwerk niet vermenigvuldigen kon, zoodat het duizenden ten goede kwam. En de geleerde, algemeen ontwikkelde man verlangde zóó naar kalm, verstandig werk, dat hij steenhouwer en metselaar werd.

Toen bouwde hij den grooten toren bij de Westerbrug, naar het model van den hoofdtoren van zijn vaders ridderslot, en zijn bedoeling was ook woonhuizen, portalen, binnenplaatsen, wallen en een hangenden toren te bouwen, zoodat een heele ridderburcht zou verrijzen aan den oever van den Klarelv.

En daar zou hij den droom zijner kinderjaren tot werkelijkheid maken.

Alles wat industrie en handenarbeid was, zou zijn plaats vinden in de zalen van zijn slot. Witte molenaarsjongens en zwarte smeden, horlogemakers met groene schermen voor de vermoeide oogen, verwers met donkre handen, wevers, draaiers, vijlers, allen zouden ze hun werkplaats hebben in zijn kasteel.

En alles ging goed. Van de steenen, die hij zelf gehouwen had, bouwde hij met eigen handen zijn toren. Hij maakte er molenwieken aan vast—want de toren zou een molen worden en nu zou hij aan de smidse beginnen.

Zoo stond hij er op een dag naar te kijken, hoe de lichte sterke wieken door den wind werden bewogen. En toen kwam zijn oude kwaal weer over hem.

Het was hem alsof de groen gekleede hem weer aanzag met haar vonkelende oogen, tot zijn hersens opnieuw ontvlamden. Hij sloot zich op in zijn werkplaats, at niet en sliep niet, maar werkte zonder ophouden. En zoo maakte hij in acht dagen een nieuw wonderding.

Op een dag steeg hij op zijn toren en begon vleugels aan zijn schouders vast te maken.

Twee straatjongens en een gymnasiast, die op de brug zaten en kattekwaad bedachten, zagen hem en zij gaven een gil, die door de heele stad klonk. Ze vlogen weg en draafden de straten op en neer, bonsden op alle deuren en riepen: „Kevenhüller gaat vliegen, Kevenhüller gaat vliegen!”

Intusschen stond de groote uitvinder heel kalm op zijn toren en trok zijn vleugels aan, terwijl daar beneden de menschenmassa te voorschijn golfde uit de nauwe straten van het oude Karlstad.

De dienstmeisjes lieten de kokende spijs in de pan staan en liepen weg van ’t rijzende deeg. De oude vrouwtjes lieten de breikous vallen, zetten den bril op en liepen de straat op. De raadsheeren en de burgemeester stonden van de rechtbank op. De rector gooide de grammatica in een hoek, de schooljongens liepen uit de school zonder verlof te vragen. De geheele stad liep uit naar de Westerbrug.

Spoedig was de heele brug zwart van menschen. De markt stond volgepakt en de oevers van de beek tot het huis van den bisschop toe, wemelden van menschen. Er was nog grooter gedrang dan op de jaarmarkt, er waren nog meer toeschouwers dan toen koning Gustaaf III door de stad kwam rijden, door acht paarden getrokken, en in zulk een woeste vaart, dat de wagen op twee wielen stond bij ’t zwenken.

Eindelijk had Kevenhüller zijn vleugels aan en zette af. Hij deed een paar slagen en was toen in de vrije lucht. Hij dreef in de wolkenzee hoog boven de aarde.

Hij ademde met volle teugen de frissche lucht in. Die was zoo krachtig en zuiver daar boven. Zijn borst zette zich uit, en ’t oude ridderbloed begon in hem te koken. Hij daalde neer als een duif, zweefde hoog in de lucht als een havik, zijn vleugels waren vlug als die van een zwaluw, hij stuurde zijn vlucht met de zekerheid van een valk. En hij zag neer op die menschenmassa’s daar beneden, die aan de aarde gekluisterd waren, terwijl hij daar ronddreef in de wolkenzee. Ach, kon hij toch voor ieder van hen maar een paar vleugels maken! Kon hij toch iedereen maar de macht geven zich zoo hoog in de frissche lucht te verheffen. Hoe anders zouden ze dan worden! De herinnering aan de ellende van zijn leven verliet hem zelfs niet in dit oogenblik van triomf. Hij kon niet alleen genieten. Ach, die boschvrouw! Kon hij ze maar vinden!

Zijn oogen waren bijna verblind door den sterken zonneschijn. Toen zag hij hoe daar iets op hem aan kwam vliegen. Groote vleugels, juist als de zijne zag hij bewegen en daar tusschen in een menschelijk lichaam. Geel haar fladderde in den wind, groene zijde golfde achter haar en wilde oogen schitterden. Daar was zij!

Daar was ze!

Kevenhüller bedacht zich niet. Met wilde vaart stoof hij op de wonderbare toe om haar te kussen.... of te slaan.... Hij wist het zelf niet.—Maar in ieder geval om haar te dwingen den vloek van zijn bestaan op te heffen. In die wilde vaart verloor hij zijn bezinning. Hij merkte niet waar hij heenvloog, hij zag niets dan de wilde oogen en het vliegend haar. Hij kwam dicht bij haar en strekte de armen uit om haar te grijpen.... Toen verwarden zijn vleugels zich in de hare en de hare waren sterker. Zijn vleugels werden tegengehouden en gebroken. Hij zelf werd een paar maal in ’t rond geslingerd, hij wist niet waarheen.

Toen hij weer tot bewustheid kwam, lag hij op ’t dak van zijn eigen toren met de verbrijzelde vliegmachine naast zich. Hij was recht op zijn eigen molen afgevlogen. De wieken hadden hem gegrepen, hem een paar keer rondgedraaid en hem toen op ’t torendak geworpen.

Zoo was dus dit spel voorbij!

Kevenhüller was op nieuw wanhopend. Eerlijk werk verveelde hem en tooverkunsten durfde hij niet meer te probeeren. Maakte hij op nieuw een wonderwerk en brak dat weer—dan zou zijn hart ook van droefheid breken. En al brak het niet, dan zou de gedachte dat hij er niemand meê van nut kon zijn, hem nog krankzinnig maken.

Hij zocht zijn ransel en knuppel weer op, liet zijn molen staan en besloot de boschvrouw op te gaan zoeken.

Hij nam een paard en wagen, want hij was niet meer zoo jong en vlug ter been. En men zegt dat hij, als hij aan een bosch kwam uit zijn wagen ging en de groengekleede uit ’t kreupelhout riep:

„Boschvrouw! Boschvrouw! Ik ben het, Kevenhüller, kom dan toch.”

Maar ze kwam niet.

Op deze reizen kwam hij ook naar Ekeby een paar jaar vóór dat de Majoorske verdreven werd. Hij werd er vriendelijk ontvangen en hij bleef er. En de schare in de kavaliersvleugel werd verrijkt met een lange, krachtige ridderfiguur, een flink man, die zich bij drinkgelagen en op de jacht niet onbetuigd liet. De herinneringen uit zijn kinderjaren kwamen weer boven: hij stond toe dat men hem „Graaf” noemde, en hij kreeg meer en meer het uiterlijk van een ouden roofridder, met zijn grooten arendsneus, zijn zware wenkbrauwen, zijn vollen baard, die spits onder de kin uitliep en de op zijde uitstaande snor.

Hij werd een der kavaliers en was niet beter dan een van de anderen in de schaar, die volgens ’t volksgeloof, door de Majoorske voor den Booze in gereedheid gebracht werd. Zijn haar werd grijs en zijn hersens sliepen. Zoo oud was hij, dat hij niet meer aan de heldendaden van zijn jeugd kon gelooven. Hij was niet de man met de wonderkrachten. Hij had nooit de van zelf rijdende wagen en de vliegmachine gemaakt. Ach neen! praatjes! allemaal praatjes.

Maar toen gebeurde het, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd en de kavaliers heeren en meesters werden van het groote landgoed. Toen begon daar een leven zooals nooit te voren! Er ging een storm over het land; al het kwade kwam in beweging; al het goede beefde, de menschen streden op aarde en de geesten in den hemel. Wolven kwamen van ’t Dovrefjeld met heksen op den rug, de natuurmachten braken los en de boschvrouw kwam naar Ekeby.

De kavaliers kenden haar niet. Zij meenden, dat het een arme vrouw in nood was die een wreede schoonmoeder tot vertwijfeling had gebracht. En zij gaven haar bescherming, ze eerden haar als een koningin en hadden haar lief als een kind.

Alleen Kevenhüller zag wie ze was. In het begin was hij ook verblind, zooals alle anderen. Maar op een dag had ze een kleed van groene zijde aan, met weerschijn en toen ze dat aanhad, herkende Kevenhüller haar.

Daar zat ze op zijden kussens, op de beste sofa van Ekeby, en al die oude heeren stelden zich aan als dwazen door haar te bedienen. De een was haar kok, de ander haar kamerheer, een derde haar voorlezer, een vierde haar hofmuzikant, een vijfde haar schoenmaker. Ieder deed het zijne in haar dienst.

’t Moest verbeelden dat zij ziek was, die booze heks! Maar Kevenhüller wist wel wat er van die ziekte aan was. Ze hield hen allen voor den gek, dat deed ze!

Hij waarschuwde de kavaliers voor haar: „Zie toch naar haar kleine, scherpe tanden,” zei hij, „naar haar wilde, schitterende oogen. Zij is de boschvrouw—al het booze komt los in dezen verschrikkelijken tijd. Ik zeg jelui, ze is de boschvrouw en komt hier om ons in ’t verderf te storten. Ik heb haar meer gezien!”

Maar nu Kevenhüller de boschvrouw gezien en herkend had, kwam de werklust weer over hem. ’t Begon weer te branden en te koken in zijn hersens, zijn vingers tintelden van verlangen hamer en vijl te grijpen, hij kon zich niet beheerschen. Met een verbitterd hart trok hij het werkpak weer aan en sloot zich in de oude smidse op, die zijn werkplaats zou zijn.

En van Ekeby ging er een roep uit over Wermeland: „Kevenhüller is weer aan ’t werk gegaan.

En ademloos luisterde men naar de hamerslagen in de afgesloten werkplaats, naar het gekras van de vijlen en ’t steunen van de blaasbalg.

Een nieuw wonderwerk zal ontstaan. Wat zal dat wel zijn? Zal hij ons nu leeren over ’t water te loopen? of een ladder maken naar ’t zevengesternte. Niets is onmogelijk voor dien man. Met eigen oogen hebben we hem op vleugels door de lucht zien zweven. Wij hebben zijn wagen door de straten zien gaan. Hij heeft de gave van de boschvrouw. Niets is onmogelijk voor hem.

Op een nacht, heel in ’t begin van October had hij zijn wonderwerk klaar. Hij kwam uit zijn werkplaats en had het in zijn hand. Het was een wiel, dat onophoudelijk in ’t rond ging. En de spaken straalden als vuur, en warmte en licht gingen van hen uit. Kevenhüller had een zon gemaakt. Toen hij die naar buiten bracht in den winternacht, werd het zóó licht dat de musschen begonnen te tjilpen en de wolken straalden van morgenrood.

Dat was een heerlijke uitvinding. Er zou geen kou en geen duisternis meer op aarde zijn. Hij duizelde als hij daaraan dacht. De zon zou blijven op- en ondergaan, maar als ze verdween, zouden duizenden van zijn vuurwielen over ’t land vlammen en de lucht zou trillen van warmte als op een heeten zomerdag. Men zou den oogst binnenhalen onder den winterlijken sterrenhemel, aardbeien en boschbessen zouden ’t geheele jaar door den grond in ’t bosch bekleeden, nooit zou ’t water tot ijs verstijven.

Nu die uitvinding gedaan was zou de geheele aarde vernieuwd worden. Zijn vuurwiel zou de pels der armen, de zon der mijnwerkers zijn. Het zou aan de fabrikanten drijfkracht, aan de natuur leven en aan de menschen een rijk en gelukkig bestaan geven.

Maar op ’t zelfde oogenblik wist hij dat dit maar droomen waren, en dat de boschvrouw hem nooit zou toestaan zijn vuurwiel te vermenigvuldigen. En in zijn woede en wraakzucht wenschte hij haar te dooden en hij wist nauwelijks wat hij deed. Hij ging naar het hoofdgebouw en in de vestibule; dicht onder de trap zette hij zijn vuurwiel neer, hij hoopte dat het huis in brand zou raken en de heks verbranden.

Toen ging hij weer in zijn werkplaats en bleef daar stil zitten luisteren.

Op de plaats riep en schreeuwde men. Nu was het te hooren, dat er een heldendaad was verricht.

Ja! spring en schreeuw en jammer maar! Nu verbrandt ze toch, die boschvrouw, die jelui op zijden kussens hebt gezet.

Zou zij nu de handen wringen van angst? zou ze nu voor de vlammen vluchten van de eene kamer in de andere?

Wat zal die groene zij mooi branden en hoe zullen de vlammen spelen met heur golvend haar; houd moed knetterende vlammen! steek haar aan, verbrand, verniel haar! Laat de heks verbranden. Vrees niet voor haar tooverspreuken. Er zijn er wel, die levenslang branden voor haar schuld!

Klokken luiden, wagens ratelen, spuiten komen te voorschijn, water wordt uit het meer aangedragen, van uit alle dorpen stroomen de menschen toe. Men hoorde geschreeuw, gejammer en luide bevelen; nu stortte het dak in met verschrikkelijk gekraak en in een zee van vonken. Maar Kevenhüller stoorde er zich niet aan. Hij zat op zijn aanbeeld en wreef de handen. Daar hoorde hij een geraas alsof de hemel instortte en jubelend vloog hij op. „Nu is het gebeurd,” juichte hij. „Nu kan ze niet ontkomen, nu is ze verbrijzeld onder de balken of door de vlammen verkoold. Nu is ’t gedaan!”

Toen dacht hij aan de eer en macht van Ekeby, die moest opgeofferd worden om haar te vernietigen. Die heerlijke zalen, waar zooveel vreugde gewoond had, de kamers, waar de schoonste herinneringen fluisterden, de tafel, die eens zooveel smakelijke gerechten droeg, de kostbare oude meubels, het zilver en porselein, dat niet meer terug te krijgen was!

En met een kreet sprong hij op. Zijn vuurwiel! zijn zon! ’t model waar alles van afhing!——Had hij ’t niet onder de trap gezet om ’t huis aan te steken?

Kevenhüller zag voor zich uit, versteend van schrik.

„Ben ik dan krankzinnig?” zei hij. „Hoe kon ik dat toch doen!”

Op ’t zelfde oogenblik ging de goed gegrendelde deur van zijn werkplaats open en de boschvrouw trad binnen.

Ze stond op den drempel, glimlachend en stralend van schoonheid. Haar groen kleed had vlek noch rimpel. Geen brandlucht was aan haar golvend haar. Ze zag er uit, als toen hij haar op de markt te Karlstad in zijn jeugd gezien had. De staart sleepte om haar voeten en zij had al de wildheid en geuren van ’t woud over zich.

„Nu staat Ekeby in brand,” riep ze lachend.

Kevenhüller had den hamer opgeheven en wilde die naar haar hoofd werpen, maar toen zag hij dat zij zijn vuurwiel in de hand had.

„Zie eens, wat ik voor je gered heb,” zei ze. Kevenhüller wierp zich voor haar op de knieën. „U hebt mijn wagen gebroken, mijn vleugels verbrijzeld, mijn leven verwoest! Genade! Erbarming!”

Zij sprong op de schaafbank en ging daar zitten, even jong en even schalks, als toen hij haar op de markt te Karlstad zag.

„Ik geloof, dat je weet wie ik ben,” zei ze.

„Ik ken u, ik heb u altijd gekend,” antwoordde de arme man. „U is het genie! Maar laat mij nu vrij. Neem uw gave van mij weg. Neem mij mijn wonderkracht af! Laat mij een gewoon mensch zijn! Waarom vervolgt u mij. Waarom vernietigt u mij!”

„Dwaas,” zei de boschvrouw. „Ik heb niet anders dan goed bedoeld. Ik gaf je een groot geschenk, maar ik kan het wel terugnemen als je dat wilt. Maar bedenk je wel! Je zult er berouw van hebben!”

„Neen, neen, neem mij mijn wonderkracht af!” barstte hij uit.

„Eerst moet je dit vernielen,” zei ze en wierp het vuurwiel voor hem op den grond.

Hij aarzelde niet. Hij zwaaide den hamer over de vuurzon, dat toch maar een leelijk tooverding was, nu het toch niet tot nut van duizenden dienen kon. De vonken vlogen door de kamer, scherven en vlammen dansten om hem heen en zoo lag daar zijn laatste meesterwerk in splinters.

„Ja, nu neem ik mijn geschenk terug,” zei de boschvrouw.

Toen ze heenging bleef ze in de deur staan en de weerschijn van den brand daarbuiten was om haar heen. Hij zag haar na.

Schooner dan ooit te voren scheen zij hem toe. Niet meer boosaardig, maar fier en streng.

„Dwaas!” zei ze. „Heb ik je ooit verboden andren je werk te laten namaken? Wat wilde ik anders dan het genie vrij maken van handenarbeid!”

Toen verdween zij.

Kevenhüller was een paar dagen krankzinnig. Daarna werd hij weer een gewoon mensch.

Maar in zijn waanzin had hij Ekeby doen afbranden. Geen mensch was er toch bij gekwetst. Maar ’t was een groot verdriet voor de kavaliers, dat het gastvrije thuis, waar ze zooveel goeds genoten hadden, zooveel schade moest lijden in hun tijd.

Ach, kinderen van later tijd! Hadden gij of ik de boschvrouw maar ontmoet op de markt van Karlstad! Meent ge dat ik niet door ’t bosch geloopen heb en geroepen: „Boschvrouw, boschvrouw! Hier ben ik Kevenhüller, Kevenhüller!”

Maar wie ziet haar tegenwoordig nog? Wie klaagt er tegenwoordig over, dat hij te veel van haar gaven ontving?

XXXII.

De markt van Broby.

Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby, die acht dagen duurt. ’t Is ’t groote feest van den herfst. Die wordt voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor ’t eerst gedragen te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken staan den heelen dag op tafel; ’t brandewijnrantsoen wordt verdubbeld; er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve.

Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen van marktgeschenken en marktgeld.

En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de heuvels bij Bro, bij en over ’t groote jaarmarktsveld! Kramen zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen vaten op rijen.

Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de tuiniers van de groote hoeven.

Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel.

Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan ’t Löfvenmeer. De handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten, spannenden paardenhandel.

Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En ’t is niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit hun eenzame huizen in ’t bosch komen naar de markt met haar golvende menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven.

Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is toch de hoofdzaak niet. ’t Is er vooral veel om te doen veel vrienden en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst, spritsen en brandewijn te tracteeren, of „het” meisje over te halen een gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes te zoeken voor de kleintjes thuis.

Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers van Ekeby en de boeren uit ’t bosch van Nygaard, de paardenkoopers uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers van den grooten weg.

Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet, wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een omgevallen kar op te rapen. En ’t volgend oogenblik is er een nieuwe oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt meisje heeft.

En dan—tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om de Westgothlanders te helpen.

Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van de metalen plaat, die ’t dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed en hij zwaait dit geweldige wapen.

Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur doorgetrapt in ’t cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar iemand slaan, nu hij eenmaal zoo’n best wapen heeft.

De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en koeien, die wild worden door ’t geraas verhinderen hen voort te komen.

In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt, en op haar stormt de reus af.

Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag.

Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken door de hoog opgeheven armen van een man.

Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook bewusteloos op het veld.

Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder tegenstand binden en wegvoeren.

Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden.

En ’t wordt stil op dat groote veld, waar nog pas ’t leven bruiste in al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser ’t volk bij zijn lijn.

De vriend van het volk is dood. Er is rouw over ’t volk gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,—volkomen bewusteloos. Een wond ziet men niet, maar ’t is alsof zijn schedel iets platter geworden is.

Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat, die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog leeft.

„Waar zullen wij hem heendragen?” vragen zij elkaar.

„Naar huis,” antwoordde een barsche stem uit de schare.

O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis.

’t Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust, op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden; hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar ’t land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem, die stierf om vrouwen en kinderen te redden.

Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde, wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis.

En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt, leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De mannen ontblooten ’t hoofd, de vrouwen buigen ’t hunne zooals ze in de kerk doen als Gods naam wordt genoemd.

Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk, hoe handig in ’t helpen en raden, hoe vroom. En ’t is merkwaardig om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet.

Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers staan.

„Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt,” zegt Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd.

’t Marktveld is als uitgestorven. ’t Volk gaat met kapitein Lennart naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, ’t psalmboek wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank van den koopman.

Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt.

Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open.

En ze vraagt,—zooals ze al eens te voren vroeg: „Wat wilt gij?”

En de overste antwoordt,—zooals hij al eens te voren geantwoord heeft:

„Wij zijn hier met uw man.”

Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man, die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart.

„Dat is zijn eigen gezicht!” mompelde zij. Zonder meer te vragen, buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer.

De overste helpt haar ’t groote ledikant naar voren trekken, bed en kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons en wit linnen gelegd.

„Leeft hij nog?” vraagt ze.

„Ja,” antwoordt de overste.

„Is er nog hoop?”

„Neen, er is niets aan te doen.”

’t Blijft een poos stil in de kamer;—dan komt plotseling een gedachte in haar op:

„Schreien die allen om hem?”

„Ja.”

„Wat heeft hij dan gedaan?”

„’t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en kinderen van den dood te redden.”

Zij zit weer een poos stil en denkt na.

„Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden geleden thuiskwam?”

De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst!

„Gösta had hem immers geschilderd!”

„Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?”

Beerencreutz haalde de breede schouders op.

„Ik heb veel te verantwoorden.”

„Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt.”

„Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En dan ook—hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij.”

„Wie dan?

„Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken.”

„Dat is waar,” antwoordt zij.

Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen.

Hij vertelt alles, zoo goed als hij ’t zich herinneren kan. Zij luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen, tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt.

Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw haar stem:

„Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. ’t Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit.”

Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare verootmoedigde mannen.

Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: „Wil iemand van hen, die mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is en wat hij gedaan heeft?”

En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om het volk te helpen.

’t Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet heeft willen hooren noemen.

Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op ’t ziekbed gevonden heeft en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft, bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had, heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en geloof wekken.

Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer.

Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op ’t eind. Zij weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan ’t ziekbed gesproken wordt, fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes vooruit. „Daar is een die getuigen kan,” zeggen de anderen, en laten hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun getuigenis af en treden weer in ’t duister terug.

„Wat zegt zij nu?” vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten komt. „Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter.

„Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft zijn leuningstoel voor ’t bed gezet en de kleederen er op gelegd, die ze zelf voor hem geweven heeft.”

Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar allen weten het: „hij sterft.”

Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg.

Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij haalt diep adem en geeft den geest.

Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied omhoog. ’t Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel.

XXXIII.

De kleine hoeve in ’t bosch.

’t Was lang vóór ’t jaar, waarin de kavaliers Ekeby bestuurden.

De herdersjongen en ’t herderinnetje speelden samen in ’t bosch, bouwden huizen van steenen, plukten boschbessen en maakten herdersfluitjes. Beiden waren in ’t bosch geboren. ’t Woud was hun tehuis en hun zomerweide. Zij leefden er in vrede met hun omgeving, zooals men in vrede leeft met zijn bedienden en huisdieren.

De kinders noemden de los en de vos hun hofhonden, de wezel hun kat; hazen en eekhorens maakten hun veestapel uit. Uilen en korhoenders zaten in hun vogelkooi; de dennen waren hun dienaars en de jonge berken gasten op hun feesten. Zij kenden de holen wel, waar de adder lag ineengekruld voor den winterslaap en als zij baadden, zagen zij de ringslang door ’t klare water aankomen; maar zij waren voor slangen en kabouters niet bang. Die hoorden nu eenmaal in ’t bosch en daar voelden zij zich tehuis. Daar waren zij nergens bang voor.

Diep in ’t bosch lag het huisje, waar de jongen woonde. Een boschweg leidde over heuvels daarheen; bergen stonden er om heen en sloten de zon buiten; bodemlooze moerassen lagen in de nabijheid en zonden ’t heele jaar ijskoude dampen uit. Weinig bekoorlijk was zulk een woonplaats voor stedelingen.

De herdersjongen en ’t herderinnetje zouden eenmaal trouwen, daar op die kleine hoeve wonen en van hun handenwerk leven. Maar eer ze trouwden, kwam de ellende van den oorlog over ’t land en de jongen werd soldaat. Hij kwam heelhuids en ongedeerd terug, maar zijn ziel behield een lidteeken door dien tocht. Al te veel van het kwaad der wereld en der menschen wreedheid had hij gezien. Hij was niet meer in staat het goede te vinden.

In ’t begin merkte niemand eenige verandering aan hem. Hij ging met zijn meisje naar den predikant en hun huwelijk werd ingezegend. De kleine hoeve in ’t bosch bij Ekeby werd hun tehuis, zooals zij al lang geleden afspraken, maar in dat huisje vonden zij het geluk niet.

De vrouw liep daar rond en zag haar man als een vreemde aan. Sinds hij uit den oorlog teruggekomen was, herkende ze hem niet meer. Ze lachte hard en luid en sprak weinig. Ze was bang voor hem.

Hij deed niemand kwaad en was een vlijtig werkman. Toch was hij niet bemind, want hij geloofde van ieder kwaad. Zelf voelde hij zich als een gehate vreemdeling. Nu waren de dieren in ’t bosch zijn vijanden. De berg, die de zon verborg en ’t moeras, dat dampen uitzond waren zijn tegenstanders.—’t Bosch is een gevaarlijke woonplaats voor hem, die booze gedachten in zich omdraagt.

Wie in de wildernis wonen wil, verwerve zich vriendelijke herinneringen. Anders ziet hij enkel moord en verdrukking bij planten en dieren, zooals hij die vroeger onder de menschen zag. Hij verwacht kwaad van allen, die hij ontmoet.

Jan Hök, de soldaat kon zelf niet verklaren wat hem scheelde. Hij voelde alleen, dat niets hem goed ging. Zijn tehuis bood hem geen vrede. Zijn zonen die daar opgroeiden werden sterk, maar woest. Geharde en moedige mannen werden het; maar ook zij leefden in oneenigheid met allen.

Zijn vrouw begon in haar verdriet de geheimen van de wildernis te bespieden. In ’t moeras en ’t kreupelbosch zocht zij heelende kruiden. Zij peinsde over ’t doen en laten der onderaardsche machten en zij wist welk offer hun welgevallig was. Zij kon ziekten genezen en hun, die door liefde leden, goeden raad geven. Zij kreeg de naam van een heks te zijn, en men schuwde haar, hoewel zij veel menschen tot groot nut was.

Eens begon de vrouw tegen haar man over haar kommer te spreken:

„Sinds je naar den oorlog ging,” zei ze, „ben je heelemaal veranderd. Wat hebben ze je daar toch gedaan?”

Maar hij stoof op en had haar bijna geslagen, en zoo ging het ieder keer, als zij over den oorlog sprak. Dan werd hij bijna waanzinnig van drift. Van niemand kon hij het woord „oorlog” hooren; spoedig werd het bekend, dat hij niet kon verdragen, dat men daarvan sprak, en dus vermeden de menschen dit onderwerp.

Maar geen van zijn kameraden wist er iets van, dat hij meer kwaad zou gedaan hebben dan anderen. Hij had gevochten als een goed soldaat. ’t Was alleen al dat vreeselijke wat hij gezien had, dat hem zóó verschrikt had, dat hij sinds dien tijd niets anders zien kon. Aan den oorlog had hij al zijn verdriet te danken. Hij meende dat heel de natuur hem haatte, omdat hij aan zulke dingen had meêgedaan. Zij, die ontwikkelder zijn, kunnen zich troosten met de gedachte, dat zij voor hun vaderland en hun eer streden. Maar wat wist hij daarvan? Hij voelde alleen, dat alles hem haten moest, omdat hij bloed vergoten had en anderen geschaad.

In den tijd, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd, woonde hij alleen in zijn huisje. Zijn vrouw was dood en zijn zonen heengegaan. Maar op markttijden was toch zijn kamer vol gasten. Zwartharige, donkergekleurde landloopers kwamen daar binnen. Zij voelen zich ’t meest op hun plaats bij hen, die de menschen schuwen. Kleine, langharige paardjes klauteren ’t boschpad op, en trekken karretjes met vertinde pannen, met kinderen en hoopen vodden. Vrouwen, oud vóór hun tijd, met gezichten door rooken en drinken opgezwollen, en mannen met bleeke, scherpe gezichten en gespierde lichamen volgen de karren. Als de landloopers aan de kleine hoeve komen, begint daar een vroolijk leven. Brandewijn en kaartspel en vreugdegedruisch brengen ze mee. En ze spreken van dieverijen en paardenhandel en van bloedige vechtpartijen weten ze te vertellen.

Op Vrijdag begon de jaarmarkt in Broby en toen werd kapitein Lennart gedood. Sterke Mons, die den doodelijken slag toebracht, was de zoon van den grijsaard in de boschhut. Toen dus de landloopers Zondagmiddag daar bijeenzaten, reikten ze Jan Hök de brandewijnflesch vaker dan gewoonlijk en spraken met hem over ’t leven in de gevangenis, over gevangeniskost en huisonderzoek, want dat alles kenden zij bij ondervinding.

De oude zat op het aambeeld in ’t hoekje bij den haard en sprak weinig. Zijn groote, glanslooze oogen staarden heen over dien wilden troep in de kamer. De schemering was gevallen, maar ’t turfvuur gaf licht.

Lompen, ellende en nood verlichtte het!

Heel zacht werd de deur geopend en twee vrouwen traden binnen, ’t Was de jonge gravin Elisabeth, gevolgd door de dochter van den predikant van Broby.

Wonderlijk scheen zij den oude toe, toen zij beminlijk en stralend in haar liefelijke schoonheid in den lichtkring van ’t vuur trad. Zij vertelde hun, dat Gösta Berling sinds den dood van kapitein Lennart niet meer op Ekeby gezien was. Zij en haar dienstmeisje hadden in ’t bosch heen en weer geloopen en hem dien heelen middag gezocht. Nu zag zij, dat hier binnen mannen waren, die veel gezworven hadden en alle paden kenden. Hadden zij hem gezien? Zij was hier gekomen om wat te rusten en te vragen of zij hem gezien hadden.

’t Was vruchteloos vragen. Niemand van hen had hem gezien.

Zij boden haar een stoel. Zij zonk er op neer en bleef een poosje zwijgend zitten. ’t Gedruisch in de kamer was verstomd. Allen zagen haar verwonderd aan. Toen schrikte ze van de stilte om zich heen en zocht een onverschillig onderwerp om over te spreken.

Zij wendde zich tot den grijsaard in den hoek. „Ik meen gehoord te hebben dat u soldaat geweest zijt, vadertje,” begon ze. „Vertel me eens iets van den oorlog.”

Maar toen werd ’t nog stiller. De grijsaard bleef zitten, alsof hij niets gehoord had.

„Ik zou heel graag eens van den oorlog hooren vertellen, door iemand die er zelf bij geweest was,” ging de gravin voort.

Maar ze hield plotseling op; want de dochter van den predikant van Broby zag haar aan en schudde met het hoofd. Zij moest iets gezegd hebben wat ongepast was. Alle menschen in de kamer keken haar aan, alsof ze tegen de allereerste regelen van wellevendheid gezondigd had. Plotseling vroeg een landloopster met harde, scherpe stem:

„Is zij dat niet, die vroeger gravin op Borg was?”

„Ja, dat is ze.”

„Dat was toch heel wat anders, dan in ’t bosch naar den gekken dominé te loopen zoeken. Wel foei wat een ruil!”

De gravin stond op en nam afscheid. Zij had genoeg gerust. De vrouw, die gesproken had ging met haar mee tot buiten de deur.

„Mevrouw de gravin, u begrijpt wel, dat ik wat zeggen moest. Want ’t gaat niet aan met den oude over den oorlog te praten. Hij kan niet verdragen dat woord te hooren. Ik meende het goed.”

Gravin Elisabeth haastte zich voort; maar spoedig bleef ze staan. Zij zag het dreigende, donkre bosch, de groote berg en het dampend moeras. Akelig moest het wezen hier te wonen voor hem, die ’t hart vol booze herinneringen had. Zij kreeg medelijden met den oude, die daar binnen zat met de donkergekleurde landloopers tot gezelschap.

„Anna Lize,” zeide ze, „laat ons omkeeren. Die menschen daarbinnen waren vriendelijk voor ons; maar ik heb mij leelijk gedragen. Ik wil den oude over prettiger dingen praten.”

En blij, dat ze iemand gevonden had, wien ze troosten kon, ging zij de kamer weer binnen.

„Ik geloof,” zei ze, „dat Gösta Berling hier in ’t bosch rondzwerft en er over denkt zich van kant te maken. Hij moet dus gauw gezocht en daarin verhinderd worden. Juffrouw Anna Lize en ik hebben gemeend hem nu en dan te zien; maar dan verdween hij weer. Hij houdt zich in die streek bij den berg op, waar ’t meisje van Nygaard gevonden is. En nu kwam ik op de gedachte, dat ik niet naar Ekeby hoef te gaan om hulp te halen. Hier zitten zooveel flinke mannen, die hem gemakkelijk zullen vinden.”

„Ga dan toch heen, kerels!” barstte de landloopster uit. „Als de gravin zich niet te goed rekent om jelui een dienst te vragen, moet jelui dadelijk gaan!”

De mannen stonden onmiddellijk op en gingen uit om te zoeken.

De oude Jan Hök zat stil voor zich uit te staren met zijn doffe oogen. Afschrikwekkend, somber en hard zat hij daar. De jonge vrouw vond geen woorden om hem aan te spreken. Toen zag ze, dat een kind ziek lag op een bos stroo en dat een vrouw een gekwetste hand had. Dadelijk begon zij hen te helpen. Zij was spoedig goede vrienden met de babbelende vrouwen en vroeg om de kleinste kinderen te mogen zien.

Een uur later kwamen de mannen terug. Zij brachten Gösta Berling gebonden in de kamer. Op den vloer voor het vuur legden zij hem neer. Zijn kleeren waren gescheurd en vuil, zijn gezicht uitgeteerd en zijn oogen woest. Vreeslijke dagen had hij gehad. Op de vochtige aarde had hij gelegen, met gezicht en handen in ’t mos gewroet, zich langs steenhellingen en door ’t dichtst van ’t bosch voortgesleept. Hij wilde de mannen niet goedwillig volgen; daarom hadden zij hem overmand en gebonden.

Toen zijn vrouw hem zoo weerzag werd zij boos. Ze maakte zijn banden niet los, maar liet hem op den grond liggen. Met verachting wendde ze zich van hem af.

„Wat zie je er uit,” zei ze.

„Ik had niet meer onder je oogen willen komen,” antwoordde hij.

„Ben ik dan je vrouw niet? Heb ik dan geen recht te verwachten, dat je bij mij zult komen met je verdriet? Met bittre angst heb ik deze twee dagen op je gewacht.”

„Ik heb immers kapitein Lennart ongelukkig gemaakt. Hoe zou ik bij je durven komen. Hoe kon ik dat?”

„Je bent nooit bang geweest, Gösta.”

„De eenige dienst, dien ik je bewijzen kan, Elisabeth, is je van mij te bevrijden.”

Onuitsprekelijke verachting vonkelde in haar oogen.

„Wil je me dan tot de vrouw van een zelfmoordenaar maken?”

Zijn gezicht vertrok zich smartelijk.

„Elisabeth, laat ons samen ’t stille bosch ingaan en daar met elkander spreken.”

„Waarom zouden deze menschen ons niet mogen hooren?” barstte ze uit, met harde, verbitterde stem sprekend. „Zijn wij dan beter dan zij? Heeft één van hen zooveel verdriet en ellende in de wereld gebracht dan wij? Zij zijn de kindren van ’t bosch en den grooten weg; ieder haat hen. Laten zij ’t hooren, hoe zonde en smart ook den heerscher over Ekeby vervolgt, den door allen beminden Gösta Berling. Meen je, dat je vrouw zich voor beter houdt dan zij? Of doe jij dat?”

Hij hief zich met moeite op de ellebogen op en zag haar met opvlammende fierheid aan: „Ik ben zoo’n ellendeling niet als je wel meent.”

En toen hoorde ze wat er in de laatste twee dagen gebeurd was.

’t Eerste etmaal had Gösta in ’t bosch rondgeloopen, door gewetenswroeging voortgejaagd. Hij kon niet verdragen, dat de menschen hem aanzagen. Maar aan sterven had hij niet gedacht. Hij wilde ver weg trekken, naar een ander land. Maar op den Zondagmorgen kwam hij neer van de heuvels en ging naar de kerk te Broby. Nog ééns wilde hij ’t volk zien, het arme, hongerige volk van Löfsjö, dat hij verlangd had te helpen, toen hij bij den schandeheuvel zat van den predikant van Broby, en dat hij had liefgehad toen hij het in den nacht had zien wegtrekken met ’t doode meisje van Nygaard.

De godsdienstoefening was begonnen, toen hij bij de kerk kwam. Hij sloop naar boven naar de galerij en zag neer op het volk. Bittre smart greep hem aan. Hij had tot hen willen spreken, hen troosten in hun armoede en hulpeloosheid. Had hij maar mogen spreken in Gods huis! Hij zou—zoo hopeloos als hij zelf was, wel woorden van hoop en redding voor hen allen gevonden hebben.

Toen verliet hij de kerk, ging in de sakristy en schreef het bericht, dat zijn vrouw ontvangen had. Hij had geloofd, dat de arbeid zou hervat worden op Ekeby en koren uitgedeeld, aan die er ’t meest behoefte aan hadden. Hij had gehoopt, dat zijn vrouw en de kavaliers zijn beloften zouden vervullen als hij weg was.

Toen hij uit de kerk kwam, zag hij een kist staan voor de sakristy. Die was grof en haastig in elkaar geslagen, maar met rouwfloers en bloemkransen versierd, hij begreep, dat het de kist van kapitein Lennart was. Men had zeker de kapiteinsvrouw verzocht, de begrafenis te verhaasten, zoodat de groote menigte marktbezoekers aan de plechtigheid deel kon nemen.

Hij stond naar de kist te zien, toen hij een zware hand op zijn schouders voelde. Sintram stond achter hem.

„Gösta,” zei hij, „als je iemand goed plagen wilt ga dan heen en sterf. Er is niets wat zóó een eerlijk man, die geen kwaad vermoedt, in de war kan brengen. Ga heen en sterf, zeg ik je.”

Ontzet luisterde Gösta naar wat de booze sprak. Hij klaagde er over, dat zijn goed beraamde plannen in de war gestuurd waren. Verlaten dorpen had hij willen zien aan het strand van het Löfvenmeer. Daarom had hij de kavaliers tot Heeren van Ekeby gemaakt; daarom had hij de predikant van Broby de gemeente laten uitmergelen; daarom had hij droogte en honger over het land gebracht. Op de markt te Broby zou de beslissende slag zijn gevallen. Door ellende aangehitst zou ’t volk tot moord en diefstal zijn overgegaan. Daarna zou ’t gerecht zijn gekomen en ’t volk nog ellendiger gemaakt hebben. Hongersnood, oproer en allerlei ellende zouden het geteisterd hebben. Zoo akelig en gehaat zou op ’t laatst dit land geworden zijn, dat niemand er meer wilde wonen en dat alles zou dan Sintrams werk geweest zijn. En dat zou zijn vreugde en trots geweest zijn, want hij was boos! Hij had verlaten streken en onbebouwde velden lief. Maar deze man, die op ’t juiste oogenblik gestorven was, had hem ’t spel bedorven.

Toen vroeg Gösta hem, waartoe dit alles gediend zou hebben.

„’t Zou mij genot gegeven hebben, Gösta. Want ik ben boos! Ik ben de wilde beer op de rotsen, de sneeuwstorm op de vlakte. Moorden en vervolgen is mijn lust. Weg met de menschen en hun werk! Ik houd niet van menschen. Ik kan ze wel een poosje laten loopen en met hen spelen als een kat met de muis, dat is wel eens aardig voor een poosje! maar nu was ik ’t spelletje moe, Gösta, nu wilde ik toebijten, dood en verderf brengen!”

Hij was krankzinnig, volslagen krankzinnig. Hij was lang geleden voor de grap met deze duivelskunstenarijen begonnen en nu had de boosheid macht over zijn ziel gekregen en hij meende een booze geest uit de hel te zijn. Zóólang had hij het booze in zijn ziel gekweekt en gevoed, dat het zijn geest verduisterde. Zoo kan de boosheid menschen krankzinnig maken, zoo goed als de liefde en smart.

De booze mijneigenaar was razend. En in zijn woede begon hij aan de kransen en ’t rouwfloers van de kist te rukken, maar toen riep Gösta:

„Raak die kist niet aan!”

„Zie eens hier! Zou ik die niet aanraken? Ja zeker, ik zal mijn vriend Lennart op ’t veld gooien en zijn kransen vertrappen. Zie je dan niet, wat hij mij heeft gedaan? Zie je niet in welk een mooie grauwe koets ik rijd?”

En toen zag Gösta, dat een paar gevangenwagens met politiedienaars en veldwachters buiten den kerkhofmuur stonden te wachten.

„Zie eens hier! Moet ik de vrouw van den rechter niet bedanken, omdat zij gisteren in oude papieren is gaan zitten pluizen om bewijzen tegen mij te vinden in die oude kruithistorie? Moet ik haar dan niet vertellen, dat ze zich liever had moeten bezighouden met brouwen en bakken, dan mij ’t recht op den hals te sturen? Moet ik niet wat hebben voor al de tranen, die ik geschreid heb om Scharling te bewegen mij hierheen te laten gaan om te bidden bij ’t lijk van mijn goeden vriend?”

En weer begon hij aan ’t rouwfloers te rukken.

Toen ging Gösta dicht bij hem staan en hield zijn armen vast.

„Alles wil ik er voor geven als u die kist niet aanraakt,” zei hij.

„Doe wat je wilt!” zei de krankzinnige, „en roep wie je wilt! Ik zal toch nog wel iets gedaan krijgen eer de leensman hier is. Vecht maar met me als je lust hebt. ’t Zal mooi staan als we hier bij de kerk vechten. Laten we eens vechten bij al die kransen en het rouwkleed.”

„Ik wil de rust van dezen doode koopen tegen welken prijs u wilt,” zei Gösta; „neem alles wat ik heb, neem mijn leven!”

„Dat zijn groote woorden, jongetje!”

„U kunt ’t immers probeeren.”

„Nu maak je dan van kant.”

„Dat wil ik graag doen; maar eerst moet deze kist ongedeerd in ’t graf staan.”

En hierbij bleef het. Sintram liet Gösta zweren, dat hij 12 uren na de begrafenis van kapitein Lennart er niet meer zou zijn. Want dan weet ik ten minste, dat je geen brave kerel meer worden kunt.”

Dat was gemakkelijk te beloven voor Gösta Berling. Hij was er blij om dat hij zijn vrouw de vrijheid hergeven kon. Zijn wroeging had hem voortgejaagd, tot hij doodmoe was. ’t Eenige wat hem bezorgd maakte was, dat hij aan de Majoorske beloofd had niet te sterven, zoolang de dochter van den predikant van Broby op Ekeby diende. Maar Sintram zei, dat ze nu niet meer als een dienstmeisje kon beschouwd worden, nu ze haar vaders schatten geërfd had.

Gösta bracht daartegen in, dat hij zijn schatten zoo goed verstopt had, dat niemand ze had kunnen vinden; maar Sintram lachte en zei, dat ze tusschen de duivennesten in den toren van Broby verborgen waren. Toen ging hij heen.

Gösta ging toen het bosch in. ’t Liefst wilde hij sterven op de plaats, waar het meisje van Nygaard gestorven was. Hij had daar den heelen middag rondgezworven. Hij had zijn vrouw in ’t bosch gezien. En daarom had hij zich nog niet van kant kunnen maken.

Dit alles vertelde hij aan zijn vrouw, terwijl hij daar gebonden lag op de vloer in de boschhut.

„Ach,” zeide ze treurig, toen hij had uitgesproken, „hoe goed ken ik dat alles.

„Heldenmanieren, heldenfeiten! Altijd gereed om handen in ’t vuur te steken, Gösta! altijd bereid je zelf weg te gooien. Hoe groot leek me dat eens! En nu—hoe waardeer ik kalmte en bezonnenheid. Wat nut deedt je den doode met die belofte! Al had nu Sintram die kist eens omgegooid en er ’t rouwfloers afgerukt. Die zou wel weer opgezet zijn en met nieuw floers en nieuwe kransen bedekt. Als je nu je hand op de kist van dien goeden man hadt gelegd en daar, voor Sintrams oogen hadt gezworen te leven om dat arme volk te helpen—dan zou ik je geprezen hebben. Als je nu, toen je ’t volk in de kerk gezien hadt, tegen je zelf hadt gezegd: „Ik zal het helpen, ik zelf zal al mijn krachten besteden om het te helpen,” en niet dien last op de schouders van je zwakke vrouw en van oude mannen met weinig kracht gelegd hadt—dan zou ik je geprezen hebben.”—

Gösta Berling lag een poos zwijgend vóór zich te kijken.

„Wij, kavaliers zijn vrije mannen,” zei hij toen. „Wij hebben elkaar beloofd te leven voor de vreugde, en voor vreugde alleen! Wee ons allen als een die belofte ontrouw wordt.”

De gravin vertelde toen op haar beurt wat zij de laatste dagen gezien en gehoord had.

’t Was stil in de woning van de kavaliers. De kromme waldhoorns, die ter eere van den marktdag gepoetst en met nieuwe groene koorden en kwasten versierd waren, hingen ongebruikt aan de haken aan den wand. De violen lagen in ruwe zijde gewikkeld, elk in haar kist, met den strijkstok er naast, met de harst en een paar snaren aan ’t hoofdeind. De fluiten werden niet uit het bad genomen, waar zij in gelegd waren, om dicht te worden. Men hoorde geen Bellmansliedjes, geen scherts of lachen. Op de groote tafel, die vol witte kringen was van de toddyglazen, stond het blaadje nog, maar niemand mengde den dampenden drank. Beerencreutz zat met de kaarten te spelen, maar niemand maakten aanstalten om het spel te beginnen.

Deze kavaliers, die de koningen der vreugd zouden zijn—wat waren ze nu? Zij leken wel halfbevroren wintervliegen, die een warm hoekje zochten achter de kachel in ’t donker. ’t Was eenzaam en koud om hen heen geworden. Den vorigen dag was de doodsdag van kapitein Lennart geweest.

Toen had Gösta Berling gehoord, dat de kavaliers onwillekeurig door een hunner drinkgelagen aanleiding geweest waren, dat er in ’t laatste jaar misverstand en scheiding gekomen was tusschen den kapitein en zijn vrouw. Van zijn sterfbed was Gösta in de bosschen en velden gevlucht, zooals hij gewoon was te doen, zoo vaak zijn geweten een diepe, smartelijke wonde kreeg. Zij wisten, dat hij lang, misschien wel weken lang, weg zou blijven, tot de tijd zijn ellende zou verzacht hebben. De jonge gravin bleef op haar kamer en wilde geen van hen zien.

De rozen waren verwelkt, de bladeren vielen af, het gras was geel geworden, de herfst was gekomen. En de kavaliers begonnen te gelooven, dat het leven zelf uitgebloeid was. Örneclou zag op eens, dat hij oud en leelijk was. Oom Eberhard had zijn groot wetenschappelijk werk af, ’t geweten van patroon Julius wilde niet meer slapen, Liljecrona verlangde naar huis.

En zij vroegen zichzelf af, waarmee ze verdiend hadden, dat de wijn niet meer smaakte, het kaartspel niet vermakelijk meer was en muziek hen niet meer opwekte. Waarom was de blijdschap van hen geweken? Wat hadden zij voor kwaad gedaan, die arme stumpers van kavaliers?

Daar ging de deur open, en de dochter van den predikant van Broby kwam binnen. Zij was een vlijtig meisje, die dit heele jaar een hopeloozen strijd gestreden had tegen wanorde en verkwisting. Er was iets zoo strengs en plichtmatigs over haar, dat de kavaliers altijd een zeker respect voor haar gehad hadden, ofschoon ze niet veel meer dan een kind was.

„Ik ben vandaag weer naar huis geweest en heb naar mijn vaders geld gezocht,” zei ze tegen de kavaliers; „maar ik heb niets gevonden. Alle schuldbekentenissen zijn doorgeschrapt, en laden en kasten zijn leeg.”

„Dat is jammer voor u, juffrouw,” antwoordde Beerencreutz.

„Toen de Majoorske van Ekeby wegging,” ging de dochter van den predikant van Broby voort, „vroeg ze mij haar huis te besturen. En als ik nu ’t geld van mijn vader gevonden had, zou ik Ekeby weer opgebouwd hebben. Maar toen ik niets anders vond om mee te nemen, nam ik een paar takjes mee van mijn vaders schandeheuvel; want mij wacht groote schande, als mijn meesteres thuiskomt en mij vraagt wat er van Ekeby geworden is.”

„U moet u geen dingen aantrekken, waar u geen schuld aan hebt,” antwoordde Beerencreutz.

„Maar ik heb niet alleen takjes voor mij meegenomen,” zei de dochter van den predikant, „ik heb ook een paar voor de heeren meegebracht. Als het u belieft, heeren. Mijn vader is toch de eenige niet, die schade en schande in de wereld gebracht heeft.”

En zij ging van den een naar den ander en legde eenige van de dorre takjes voor elk van hen neer. Enkelen vloekten; maar de meesten lieten haar begaan. Eindelijk zeide Beerencreutz met de waardigheid van een voornaam heer: „Het is goed, ik dank u, juffrouw. U kunt gaan.”

Toen zij weg was, sloeg hij met de gebalde vuist op de tafel, zoodat de glazen rammelden. „Van dit oogenblik af,” zei hij, „drink ik nooit meer. Zoo iets zal de brandewijn mij geen tweede keer leveren!”

Daarop stond hij op en ging heen. En weer werd het drukkend stil in de woning van de kavaliers.

Maar voor ieder van hen lagen een paar takjes van den „schandeheuvel”. En van die takjes klonken allerlei akelige vragen:

„Waar is de Majoorske? Wat is er van Ekeby’s eer en macht geworden? Waarom is kapitein Lennart vermoord? Waar is de rijkdom van Löfsjö?”

En plotseling was het, alsof het huis vol stemmen was, die allen antwoordden. Het was den ouden heeren te moede alsof ze midden in een gonzenden, stekenden bijenzwerm zaten. Want op al die vragen kwamen antwoorden, die staken en brandden.

De kavaliers hebben hun weldoenster verdreven.

De kavaliers, aan wie zij een tehuis gegeven had, hebben haar laten rondzwerven. Zij gaf hun voedsel en vreugde; zij gaven haar honger en smart.

De kavaliers hebben het schoonste landgoed in Wermeland bedorven. De kavaliers hebben voor kapitein Lennart de deur van zijn huis gesloten. De kavaliers hebben zorgeloosheid en dronkenschap onder de armen verspreid, zij hebben de gemeente van Löfsjö bedorven.

De stemmen hadden nog niet lang gegonsd en gestoken, voor de een na den ander van de kavaliers opstond en heenging. En toevallig kwamen ze langzamerhand allen bij elkaar aan de beek, daar waar de smidse en de molen gestaan hadden.

Daar zag men overal de sporen van de verwoesting, door de vlammen aangericht. De groote hamer stak uit een grooten hoop balken en staken; de zware buitenmuren stonden nog; maar daaromheen was alles verwoest, en beneden op den grond zag men nog de zwarte stookplaats met haar wijden muil gapen.

En ziet, ziet! In al die wanorde liep de overste al heen en weer, en werkte! Hij ruimde een plaats leeg voor een nieuwen molen en een nieuwe smidse. En naarmate de anderen kwamen, haastten ook zij zich aan het werk. Spoedig waren zij er allen. Zij sleepten balken weg, groeven steenen uit en hieuwen en staken. En spoedig klonken er weer liedjes; lachen en schertsen werd gehoord. Zij waren weer moedig en sterk; zij zouden Ekeby wel weer opbouwen. Zij zouden de Majoorske naar huis halen: zoo gauw mogelijk wilden zij de dochter van den predikant van Broby zenden om haar te halen. De armen in de gemeente Löfsjö zouden weer werk krijgen.

Maar het contract dan? Het zwarte, met bloed geschreven contract van den Kerstnacht?

Ach, zij handelden nu meer kavaliersachtig dan vroeger! Zij werkten, en zij zouden blijven werken; maar hun loon zou uit eer, niet uit geld bestaan.

„En wat zul je nu doen, Gösta?” vroeg de gravin toen ze dit alles verteld had.

„Wat wil je van mij—een afgezet predikant, door de menschen verworpen, door God gehaat!” antwoordde hij droevig.

„Ik ben vandaag ook in de kerk van Bro geweest, Gösta. Ik moet je de groeten overbrengen van twee vrouwen. „Zeg aan Gösta,” zeide Marianne Sinclaire, „dat een vrouw zich niet schamen wil over hem dien ze heeft liefgehad.” „Zeg aan Gösta,” zei Anna Stjärnhök, „dat ik het nu goed heb. Ik bestuur zelf mijn hoeven. De menschen zeggen van mij, dat ik een tweede Majoorske worden zal. Ik denk niet aan liefde, enkel aan werken. Ook op Berga is de eerste bitterheid van de smart overwonnen. Maar we treuren alleen over Gösta. We gelooven in hem en bidden voor hem; maar wanneer,—wanneer wordt hij toch een man!”

„Ben jij nu door de menschen verworpen?” ging de gravin voort. „Al te veel liefde heb je genoten—dat was je ongeluk. Vrouwen en mannen hebben je liefgehad. Als je maar schertste en lachte, als je maar zong en speelde, vergaf men je alles. Wat je in den zin kreeg te doen was hun goed. En je durft je een verworpeling noemen. En je noemt je van God gehaat?—Waarom bleef je kapitein Lennarts begrafenis niet bijwonen?

Omdat hij stierf op een marktdag, was het gerucht van zijn dood ver verbreid geworden. Na de godsdienstoefening kwamen duizenden menschen naar de kerk. ’t Geheele kerkhof en de muur en ’t veld er om heen was zwart van menschen. De lijkstoet werd geordend voor de consistoriekamer. Men wachtte nog maar op den ouden Proost. Hij was ziek en had niet gepreekt. Maar op de begrafenis van kapitein Lennart had hij beloofd te komen. En hij kwam met gebogen hoofd, in zijn eigen droomen verdiept, zooals hij nu pleegt te doen in zijn ouderdom en stelde zich aan ’t hoofd van den stoet. Hij bemerkte niets bijzonders. De oude man had al zóóveel lijkstoeten voorgegaan. Hij ging voort op de bekende wegen zonder op te zien. Hij las de gebeden en wierp aarde op de kist en merkte nog steeds niets.

Toen hief de koster een psalm aan. Nog geloof ik niet, dat zijn grove stem, die anders altijd alleen zingt den ouden Proost uit zijn droomen zou hebben gewekt.

Maar nu zong de koster niet alleen. Honderden en honderden stemmen vielen in! Mannen, vrouwen en kinderen zongen. Toen ontwaakte de Proost. Hij streek zich over de oogen en klom op de opgeworpen aardhoop om te zien, waar al die stemmen vandaan kwamen. Nooit had hij zulk een treurende schare gezien.

De mannen hadden de oude versleten begrafenishoeden op; de vrouwen de witte boezelaars met de breede zoomen voor. Allen zongen, allen hadden tranen in de oogen, allen droegen rouw in hun hart.

Toen begon de oude Proost te beven van ontroering. Wat moest hij aan dit rouwdragende volk zeggen?—Hij moest ze zien te troosten.

Toen het zingen had opgehouden, strekte hij de armen uit.

„Ik zie dat het volk in rouw is,” sprak hij „en smart is zwaarder te dragen voor hen, die nog lang deze aarde zullen betreden, dan voor mij, die spoedig van hier zal gaan.”

Hij zweeg verschrikt. Zijn stem was te zwak en hij aarzelde in de keus van zijn woorden. Maar spoedig begon hij opnieuw. Zijn stem had de kracht harer jeugd terug gekregen en zijn oogen straalden.

Hij hield een heerlijke toespraak, Gösta. Eerst vertelde hij, wat hij wist van Gods gezant. Toen herinnerde hij er ons aan, dat geen uiterlijke glans of groot vermogen dien man zóó bemind had gemaakt; maar alleen dit, dat hij altijd Gods wegen ging. En nu smeekte hij ons om Gods en Christus wille te doen als hij. Ieder moest den ander liefhebben en helpen, ieder moest van den ander het goede gelooven. Ieder moest handelen als kapitein Lennart, want daarvoor had men geen groote gave noodig; maar alleen een vroom hart. En hij verklaarde ons allen, wat er dit jaar gebeurd was. Hij zei, dat het een voorbereiding was voor een jaar van liefde en geluk, dat nu zeer zeker te wachten was. Hij had vaak menschelijke goedheid zien schijnen in verspreide stralen. Nu zou ze schitteren als een heerlijke zon.

En ’t was ons allen, als hoorden wij een profeet spreken. Allen wilden wij elkaar liefhebben en weldoen.

Hij hief de oogen en de handen op en bad vrede af over ons allen. „In Gods naam,” zei hij, „zal de onrust ophouden. Vrede wone in uwe harten en in de geheele natuur. Mogen ook de doode dingen, de dieren en de planten rust voelen en ophouden schade aan te richten.”

En ’t was alsof een heilige rust neerdaalde over de geheele streek. Het was alsof de hoogten schitterden in ’t licht, en de dalen lachten en de herfstnevelen werden rozenrood.

Toen riep hij een helper voor ’t volk aan.

„Er moet iemand komen,” zeide hij, „Het is Gods wil niet, dat gij zult te gronde gaan. God zal iemand opwekken, die de hongerigen zal verzadigen en u op Zijn wegen zal leiden.”

Toen dachten we allen aan jou, Gösta. We wisten dat de Proost over je sprak. ’t Volk dat deze verkondiging hoorde, ging naar huis en sprak over je. En toen Gösta, toen liep je in ’t bosch rond en wilde sterven!

’t Volk wacht op je! In de hutten ver in ’t rond zitten ze er over te praten, dat de gekke dominé van Ekeby hen nu wil helpen, en dat nu alles goed zal worden. Je ben aller held, aller redder kun je worden. Ja, Gösta, ’t is zeker dat de oude over jou sprak. En dat moet je toch wel doen verlangen te leven. Maar ik, die je vrouw ben, ik zeg je dit: dat je nu in allen eenvoud je plicht moet doen. Ga nu niet droomen, dat je Gods gezant ben. Dat zijn we allen, begrijp je? Je moet werken zonder heldendaden, je moet niet schitteren en de wereld verbazen, je moet zóó leven, dat je naam niet al te vaak op de lippen der menschen komt. Bedenk je wèl, voor je je belofte aan Sintram terugneemt. Nu heb je een soort recht te sterven, en ’t leven kon je wel eens weinig heerlijks aanbieden.

Een tijd lang ben ik voornemens geweest naar ’t zuiden terug te gaan, Gösta. Mij, de met schuld beladene, scheen het een al te groot geluk toe, je vrouw te zijn en naast je door ’t leven te gaan. Maar nu zal ik blijven. Als je durft te leven, zal ik hier blijven. Maar verwacht daar geen geluk van. Ik zal je den weg wijzen van strenge plichtsbetrachting. Wacht van mij geen woorden van vreugde en hoop. Al de smart en de rampen, die wij beiden veroorzaakt hebben, zal ik als wachten aan onzen haard zetten. Kan een hart, dat zóó veel geleden heeft als het mijne, nog liefhebben? Zonder tranen en zonder blijdschap zal ik naast je voortgaan. Bedenk je wel Gösta, voor je ’t leven kiest. Wij moeten den weg der boeten gaan.”

Zij wachtte zijn antwoord niet af. Zij wenkte de dochter van den predikant en ging heen. Toen zij in ’t bosch gekomen was, begon ze bitter te schreien en schreide tot zij op Ekeby aankwam.

En eerst toen bedacht zij, dat zij vergeten had met Jan Hök, den soldaat, over vroolijker dingen te praten.

In de boschhut bleef het doodstil, nadat ze was heengegaan.

„God, de Heer zij geloofd en geprezen!” sprak plotseling de oude soldaat.

Zij zagen hem aan. Hij was opgestaan en zag met geestdrift om zich heen.

„Boos en slecht is alles geweest!” zei hij. „Al wat ik gezien heb, sinds mij de oogen geopend werden, was slecht! Slechte mannen en slechte vrouwen! Haat en boosheid in bosch en veld! Maar zij is goed. Een goed mensch heeft in mijn huis gestaan. Als ik hier alleen zit, zal ik aan haar denken. Zij zal met mij zijn op mijne wandelingen in ’t bosch.”

Hij boog zich over Gösta heen; maakte zijn banden los, richtte hem op en nam zijn hand in de zijnen.

„Door God gehaat,” zei hij zacht en knikte nadenkend. „Ja, dat is het juist. Maar nu is dat voorbij. Ik ben het ook niet meer, nu zij in mijn huis heeft gestaan. Zij is goed!”

Den volgenden dag kwam de oude Jan bij den leensman Scharling.

„Ik wil mijn kruis opnemen,” zei hij. „Ik ben een boos man geweest; daarom kreeg ik booze zonen.”

En hij vroeg of hij niet voor zijn zoon in de gevangenis mocht gaan. Maar dat kon immers niet toegestaan worden?