DE NEDERLANDSCHE PERS OVER „GÖSTA BERLING”.
Handelsblad, 4 December 1898:
Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer zij het ook duur gekocht geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en prikkelend te gelijk.
Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden vóór hij het geheel genoten heeft.
Het Vaderland, 5 December 1898:
Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder en oorspronkelijk talent: men zou zeggen, dat er in haar iets van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. „Gösta Berling” is een boek om tweemaal te lezen.
Kerkelijke Courant, 21 Januari 1899:
Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche Schrijfster Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meyboom een uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in zóó aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat.
Arnhemsche Courant, 6 December 1898:
’t Is een bijzonder boek, betooverend door zijn rijke fantasie. De schrijfster laat in het oude Wermeland eene geschiedenis gebeuren die de liefde in den arbeid verpersoonlijkt; met meesterlijk talent weeft zij de poëzie door het kleurige, origineele leven dat zij ons afmaalt. Het heeft ook zijn genot, zijn geest te laten afdwalen in het ongewone, sage-achtige.
De Tijdspiegel, April 1899:
Het is een eigenaardig, een merkwaardig boek, maar ook een zeer mooi boek, waarvoor wij schrijfster en vertaalster recht dankbaar mogen zijn, terwijl ook den uitgever de lof toekomt, dat hij het uiterlijk in overeenstemming heeft gebracht met den inhoud.
Gösta Berling, de afgezette predikant (die geestelijkheid van Wermeland is van een poover gehalte), beleeft en doet beleven allerlei wonderlijke avonturen. Maar onder alles bewaart hij zijn karakter, zijne reine ziel, in den goeden zin, waarin Maeterlinck het bedoelt. Eene duidelijke voorstelling van dit eigenaardig geschrift te geven, is niet wel mogelijk. Men moet het niet lezen om den roman, maar om den grilligen vorm en de prachtige taal, waarin heerlijke natuur-tafereelen en pittige gedachten worden geschonken met kwistige hand, waarin een menschenleven wordt geteekend en een blik geslagen in eene menschenziel.
Ned. Spectator, 10 Juni 1899:
De schrijfster verlangt niet, dat men gelooven zal aan die oude verhalen en spookhistories. In losse en verspreide stukken komen tot haar de sprookjes des levens van de hier optredende personen: van een ellendeling als graaf Dohna, een duivel als Sintram, een duivelswijf als gravin Märta, een godsgezant als kapitein Lennart, een zwervelinge als de Majoorske, een boetelinge als gravin Elisabeth, en .... een man als Gösta Berling, die als de zonnestraal, ieder vreugde brengt, en zelf zich verdoemd acht op aarde.
Ruwheid ligt op vele dezer levens. En dat kon niet anders. Zweden is een luguber land, de winter lang, de zomer kort en vele plaatsen liggen ver af. In dien tijd waren er velen, die geen anderen God kenden dan de „brandewijn” en dag en nacht loofden het „gezegende brouwsel”.
Slechts een jaar brengen wij in West-Wermeland door en weten dus niet, hoe het al die „levens” zal gaan. Maar in dien korten tijd zagen we de natuur van die levens in botsing met de omstandigheden en we leerden ze door en door kennen. We bespeurden machtige wetten en stalen grondregels. „De man moet zijn leed weten te dragen, juist omdat hij een man is”. En dan dat heerlijke woord, tot Gösta Berling gericht door zijne vrouw: „Je moet werken zonder heldendaden, je moet niet schitteren en de wereld verbazen, je moet zóó leven, dat je naam niet al te vaak op de lippen der menschen komt.”
DE NOORSCHE PERS OVER „GÖSTA BERLING”.
Het Avondblad van Skaane:
„Dit boek is iets van ’t allerschoonste wat de Zweedsche dichtkunst in de laatste tientallen jaren heeft voortgebracht.”
Georg Brandes schreef in de Politiken:
„Vol leven en kleur, naïef, poëtisch! Een boek met een dwepend hart en persoonlijke originaliteit geschreven. Vol erotiek en ridderlijkheid en zwakheid en dwaasheid en don quichotterie. Er is feeststemming in dit werk. Selma Lagerlöf heeft fantaisie, gloed, kleur en stijl.... Zij voert den lezer een geheel nieuwe wereld binnen, een klein wereldje, vol kleur en beweging, afgesloten van den samenhang tusschen Zweden en Europa, een wereldje, dat zijn eigen leven leeft en zijn eigen maatschappelijke wetten heeft—de wereld van het oude Wermeland.”
De „Dannebrog” (Deensche Courant):
„Een eigenaardig en boeiend boek. Een reeks oude verhalen, geschiedenissen van heerenhoeven en familiesagen zijn door de schrijfster met kloekheid en kracht in naam van ’t volkssprookje samengeweven tot de geschiedenis van één jaar, een jaar rijk aan omwentelingen in ’t lot der menschen en in de harten der menschen, rijk aan „oude haat en nieuwe liefde”. ’t Boek is een hymne aan twee sterke levensmachten: liefde en arbeid!
Men kan niet ontkennen, dat het een merkwaardig rijk boek is, vol van echte poëzie, het werk van een nieuwe en volkomen oorspronkelijke persoonlijkheid.”
Het Zuidzweedsche Dagblad:
„De meeste schilderingen zijn werkelijk klassiek. Een achtergrond van rijke fantaisie en diep gevoel, een geur van poëzie, die ’t geheel doortrokken heeft, een zwellend leven en kracht in de teekening; zelfstandigheid en oorspronkelijkheid in de keus van ’t onderwerp en de opvatting, zoowel als in uitvoering en stijl.”
Noorsch Tijdschrift:
„Selma Lagerlöf heeft de goddelijke gaven der scheppende fantaisie in rijke mate. En bij haar heeft die ’t vermogen van hoog te stijgen bewaard. Zij heeft die soort originaliteit die zich een eigen vorm moet zoeken. ’t Is onze eenvoudige plicht uit dank voor het zeldzame, het rijk poëtische genot dat het lezen van Gösta Berling ons schonk, te erkennen dat het een meesterstuk, een werk van den eersten rang is. Allen die ’t vermogen bezitten origineele poëzie te verstaan, zullen met genot Gösta Berling lezen, ja er door bekoord worden. ’t Is een werk van rijke fantaisie, van diep en warm gevoel, van een fijne opvatting van menschen en hun eigenaardigheden, van een gevoelig poëtisch gemoed en een ongewoon kunstenaarstalent.”
Voldemar Vedel in de „Tilskuer”:
„Het betooverende van dit boek ligt in de exotische geur en het sterke jubelende leven dat hier voor ons wordt opgeworpen door een zeer origineele en indrukwekkende kunst van voorstellen. Welk een bezielde wereld vol kleuren wordt ons hier voorgetooverd in de grauwe werkelijkheid van het dagelijksch leven.”
Het Dagblad (Deensche Courant):
„Een zeldzaam genot zal Gösta Berling den lezer bereiden, n.l. ’t genot eindelijk weer eens tegenover een schrijfster te staan, die een persoonlijkheid is, die haar eigen weg gaat, die kracht en talent heeft om origineel te zijn. Selma Lagerlöf copieert niemand. Zij heeft een nieuwe overvloedige stof in behandeling genomen en die op haar eigenaardige wijze behandeld, met zulk een vaart en kracht in de voorstelling, dat zij dadelijk bij dit boek (haar eerste) alle tegenwoordige schrijfsters in ’t noorden ver vooruit is, ja ook de meeste schrijvers. Met één slag heeft zij roem en vrienden gewonnen, en men ziet met gespannen verwachting haar volgend werk te gemoet.”
Het Morgenblad (van Christiania):
„„Gösta Berling” is een merkwaardig boek, bekoorlijk, boeiend op ’t oogenblik en onuitputtelijk in dat soort echte poëzie, waarnaar de gedachten telkens opnieuw terugkeeren. Toen de eerste uitgave te Stockholm uitkwam, veroverde zij het Zweedsche publiek met storm en er werden vele lange verhandelingen over geschreven. Allen schenen te voelen dat men een meesterstuk in zijn soort voor zich had en de schrijfster een talent van den eersten rang was.
’t Is zóó rijk van inhoud en zóó eigenaardig, dat het voor een aanmelder onmogelijk is, ook maar bij benadering een duidelijke voorstelling te geven, welk zeldzaam poëtisch genot het boek aanbiedt. Wij kunnen alleen allen die eenig poëtisch gevoel hebben, aanmanen het zelf te lezen.”
Bij den Uitgever dezes verscheen mede:
De Koninginnen van Kungahälla.
Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF
door MARGARETHA MEYBOOM.
PRIJS ..... ing. ƒ 2.90; geb. ƒ 3.50.
De Noorsche Pers over de „Koninginnen van Kungahälla”.
Noorsche blad Morgenbladet:
Het is moeilijk in een korte aankondiging maar bij benadering den indruk te geven hoeveel en hoe veel verschillends er in dit boek te vinden is. Ieder, die ontvankelijk voor poëzie is, zal hier geboeid worden door een menigte détails, rijk aan poëzie, die telkens weer gelezen kunnen worden en even frisch blijven. En men zal hier, zoowel als in wat de schrijfster vroeger gaf, getroffen worden door de kracht en rijkdom van haar zeldzame fantaisie en haar groote gave van verschillende gevoelens en stemmingen weer te geven.
’t Zweedsche blad Dagens Nyheter:
In dit boek toont Selma Lagerlöf weer haar eigenaardig en bewonderenswaardig talent. Zij heeft immers meer dan misschien eenig tegenwoordig Zweedsch dichter de gave van vertellen. Het is alsof alles, wat door haar hersens gaat, op hetzelfde oogenblik een gebeurtenis wordt. En tegelijkertijd heeft zij een levendig gevoel en een liefdevollen eerbied voor de eenvoudige natuurlijke gevoelens (in werkelijkheid niet velen in aantal, in hoe verschillende vormen ze ook mogen optreden), die ten slotte de groote drijfkrachten in het leven der menschen zijn.
En dit maakt, dat wat zij vertelt, zoo vol beteekenis wordt. Wanneer ik hiervan een bijzonder voorbeeld geven moest zou ik het aangrijpende verhaal: „het grafschrift” noemen. Het geeft in eenige bladzijden een heel menschenleven.
’t Deensche blad Jyllandsposten:
’t Zijn schrijvers als zij (Selma Lagerlöf), die de ontstemming tegen de nieuwe literatuur zullen doen verdwijnen, en als eenmaal de waarde van die literatuur gewogen zal worden, zullen ’t haar boeken zijn die de weegschaal naar de goede zij doen overslaan. En zij zal hen tot inkeer brengen die honend van „dames romans” spreken. Want haar stijl en gedachtengang is zoo vast als die van een man maar wezen kan en er is in haar boeken niets „damesachtigs”, of ’t moest dit zijn dat de liefde daarin zich vertoont als iets hoogs en edels, maar daarom niet minder waar is.
Met dit boek schijnt ze haar plaats in te nemen tusschen de eerste schrijvers der Noorsche letterkunde.
De afdeeling: „De Koninginnen van Kungahälla” wordt ingeleid met een preludium van enkele vast aangeslagen accoorden.
Dan komt „De Boschkoningin”, de sage van den jongen Romeinschen koopmanszoon, de stichter van Kungahälla. Een stil vlietenden stroom, het oerbosch daaromheen. Duisternis en stilte in de maagdelijke eenzame verte, de droomerige eenzaamheid der natuur. Zelfs in de taal voelt men die. „Santa Catharina van Siena” is zóó, dat we stijl en inhoud genieten zonder te weten van wie we ’t meest genieten omdat zij te zamen smelten. „De vlucht naar Egypte” is een parel onder de verhalen. Er ligt eene hooge rust over den stijl en het onderwerp. Let op den oudtestamentischen vorm in het dankgebed van Maria, een vorm die zoo van zelf komt, zooals al het groote echte doet.
Het Finsche blad Unfundstadsbladet zegt:
Deze schrijfster heeft een wonderlijk vermogen om eerst later haar zwakheden te doen merken. Haar onuitputtelijke fantaisie biedt u, in welke sferen ze zich ook beweegt, aanhoudend nieuwe verrassingen. Haar taal en haar ongeteugelde springende wijze van vertellen, heeft telkens nieuwe wendingen. Nu en dan lijkt het wel een verstoppertje spelen met contrasten en beelden. Men komt in de verzoeking om meê te doen en te raden, wat volgen zal. En men raadt het nooit. Maar daardoor wordt de belangstelling voortdurend gespannen tot ademloos worden toe en het minder uitstekende gaat met het beste meê in de vliegende vaart, waarmee ze haar lezers meesleept. Ik weet werkelijk geen schrijver in de geheele moderne literatuur en maar weinige in de oudere, op wie het zoo vaak gebruikte woord: „meesleepend” kan worden toegepast in heel zijn oorspronkelijke, frissche beteekenis, want het is ook werkelijk zoo, dat men verbaasd is nog op zijn stoel te zitten, als men een verhaal of een werk van Selma Lagerlöf heeft doorgelezen.
Bij den overgang naar „Onze lieve Heer” en de „Heilige Petrus” moeten we weer de gemakkelijkheid bewonderen, waarmeê deze schrijfster van toon verandert.
In de „Ring van den visscher”, is de taal schoon en het koloriet levendig.
In „Het Grafschrift” wordt men door den pathos van de tragedie gegrepen.
Oscar Levertin noemt in zijn critiek van dit boek, in ’t Zweedsche dagblad, „Het Grafschrift” „een magnifiek verhaal, de tragedie van een huwelijk en van een vrouw in eenige van gevoel trillende bladzijden”.
Verder verscheen bij denzelfden Uitgever de Tweede druk van:
INGRID
Naar het Zweedsch van SELMA LAGERLÖF
DOOR
MARGARETHA MEYBOOM.
PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; GEBONDEN ƒ 2.50.
DE NEDERLANDSCHE PERS OVER „INGRID”.
Nieuws van den Dag:
Dit is een nieuw boek door de schrijfster van „Gösta Berling” en reeds daardoor voor velen aantrekkelijk. „Ingrid” is een wonderlijk verhaal, een sprookje gelijk, een gedicht in proza over het onzienlijke, maar bovenal een lofzang op de oneindige macht der liefde die het al verwint. Er gaat een groote bekoring uit van dit boek, zoo vreemd en bovennatuurlijk maar tegelijk zoo echt menschelijk en diep treffend. Het is de eigenaardige gave van deze Zweedsche schrijfster om zulk een gegeven—de genezing van een krankzinnige door een jong meisje—te hebben verheven tot een waarlijk poëtisch verhaal. Mej. Margaretha Meyboom verdient dank voor de wijze waarop zij dit werk in ons bereik heeft gebracht door een vloeiende bewerking.
De Kerkelijke Courant:
Weêr hebben wij een zonderling en een mooi boek voor ons. Het is of de Zweedsche schrijfster droomen vertelt, zoo vrijmoedig schildert zij de vreemdste toestanden, en tegelijk heerscht zij over den mooien vorm en echt diep gevoel. Ingrid, bijna levend begraven en later met liefde en geduld den krankzinnige genezend, staat voor ons als de heldin uit een sprookje, maar een sprookje uit een rijk gemoed gevloeid.
Het Vaderland:
De auteur van „Gösta Berling” is hier weer op haar eigenaardige wijze voor den dag gekomen en de mengeling van reëel en onreëel is haar uitmuntend gelukt. Dit boek heeft iets van een sprookje en is toch zoo gewoon menschelijk, roerend. Een boek als „Ingrid” is een buitenkansje; de vertaling verdient warm te worden geprezen.
De Telegraaf:
Een wondersprookje is Ingrid. Het is of het Noorden een dubbele natuur bezit, de eene, die zich openbaart in groote, ronde, opene, fluweelen kinderoogen, waarvan wij ook dikwijls bij Grieg den indruk krijgen en de andere verheven somber, stijgende tot het daemonische als de donkerschaduwige pijnwouden met even door het zwart getak de violette schemering, als de zee en haar kaal kustgebergte en de eerste strofen der Völuspâ.
De korte inhoud van Ingrid is als volgt. Gunnar Hede, een student met bijzonderen aanleg voor de viool, wordt door geldelijke omstandigheden gedwongen, zijn leven, dat hij tot nog toe heeft geleid, op te geven. Hij zwerft rond als koopman en wordt, toen een der pogingen om zijn kapitaal te herstellen mislukt, krankzinnig. Zoo dwaalt hij rond, met den mars op den rug, groetend: de dieren, die hij tegenkomt, aangebast door de hofhonden, bespot en geduld door de menschen. Daarnaast, maar van hem verwijderd, leeft Ingrid, het meisje met de sterrenoogen, die hem liefheeft als den student, die op haar grootvaders viool speelde toen zij, ’n kind, met de oude en een troepje reizende kunstenaars rondzwierf. Zij weet niet, dat de „geitebok” die student is, de geliefde in hare droomen, hij, die haar zou redden en die haar, de schijndoode, uit het graf deed opstaan en in zijn mars verborg. Een wondersprookje, die liefde van het schijndoode meisje en den waanzinnige, het mystieke zieledrama der droomster met de sterrenoogen, die de nevelen van den waanzin doet verdwijnen, het als in een droom scherp en toch veraf uitgebeelde gaan van twee zielen, die verwijderd van elkander door een geheimzinnig fluïde worden saamgehouden,—een gedicht in proza.
De Avondpost:
Wie Gösta Berling van de Zweedsche schrijfster Selma Lagerlöf heeft gelezen—een van de weinige boeken waarvan de herinnering ook na jaren levendig blijft—zal verlangend zijn, kennis te maken met haar jongste werk: Ingrid, dat Margaretha Meyboom op zoo uitnemende wijze verdietschte. Niet minder dan van Gösta Berling gaat er van dit wonderlijke sprookjesachtige verhaal een eigenaardige bekoring uit. Het vertelt van de zwerftochten van een waanzinnige door groote bosschen en uitgestrekte gemeenten, van de macht welke de muziek over zijn ziel heeft; van de demonen van zijn waanzin, die hem geen rust gunnen, tot een jong meisje, „Ingrid met de sterrenoogen”, hen op de vlucht drijft.
Het is een dichtwerk van buitengewone waarde, deze verheerlijking van de alvermogende macht der liefde. Zulke hooge poëzie, naïef en diepzinnig tegelijk, kan slechts ontstaan in een land, waar de lucht nog vervuld is van sagen en legenden.
Bij den Uitgever dezes verscheen mede:
VICTORIA.
EEN VERHAAL VAN LIEFDE.
Naar het Noorsch van KNUT HAMSUN
DOOR
GERRIT P. BAKKER.
PRIJS INGENAAID ƒ 1.90; IN PRACHTBAND ƒ 2.50.
DE NOORSCHE PERS OVER „VICTORIA”.
Fœdrelands Ven:
Victoria is een boek over liefde en slechts daarover, een geschiedenis van reine liefde, de allerhoogste, vrij van zinnelijkheid, de sterkste, de fijnste liefde, een vertelling van haar macht over de zinnen der menschen, over haar droomende schoonheid, haar eeuwig ledig verlangen.
Er ligt een geur over dit boek, als van een wind, die over een rozenhaag heeft gestreken en die benevelt als zuidelijke wijn. Het zingt tot de ziel als zoete muziek in de duisternis der nachten aan de Middellandsche Zee, als de sterren hoog aan den hemel staan.
Vestlandsk Tid:
In zijn levendige, kleurrijke taal vertelt Hamsun hier de geschiedenis der liefde van de burchtfreule Victoria en den armen dichter Johannes Mulder.
In karakter teekenende kunst is Hamsun nooit dichter het hoogste punt genaderd dan in dit boek; er ligt een hooge vlucht en diep gevoel in de schildering.
Lurens Duskends Amtstid:
„Victoria” is een boek van een fijne en zeldzame bekoorlijkheid en terzelfdertijd van enkel grootheid. Er wordt niets in gevonden, wat niet ieder kan lezen. Er is niets gevaarlijks, niets slechts, niets ruws, niets pijnlijks, niets onbehaaglijks in. Het is ideaal schoone kunst van ’t begin tot het einde. Neem en lees het.
Politiken:
Dit boek, waar overal zoo hard over wordt geschreeuwd, moet ge lezen, als ge niet iets bijzonder kostbaars wilt verliezen, zei ik tot mijzelf.
Dus begon ik, en het weg te leggen, voor het uitgelezen was, was onmogelijk. Het ongelezene zou mij klaar wakker gehouden hebben den geheelen nacht. Hamsun’s wijze van schrijven is namelijk eenig. Zulk een rijkdom in woord en beeld—en phantasie wordt slechts in Hamsun’s boeken gevonden. Als hij schrijft, moet ik aan de oude speellieden denken, die zoo konden spelen, dat de houwdegens begonnen te dansen.
Kultur og Kirke:
Uit een oogpunt van kunst is het vol schoonheid, phantasie en stemming.
Kristiania Dagsavis:
„Victoria” zal als fakkellicht door zijn stemming feest met zich brengen overal, waar het gelezen wordt.
Norsk Skoletid:
Het is een dichter, die over een dichter schrijft; met een opbruisende en rijke phantasie schildert hij zijn liefdesgeschiedenis, rein en schoon—en weemoedig, want ze krijgen elkander niet.
Intelligenssedlen:
Door den roman „Sult” plaatste Knut Hamsun zich in de eerste rij van onze jonge schrijvers. Knut Hamsun, die met „Sult” begon, kan nu roepen „Victoria”.
DE KONINGINNEN VAN KUNGAHÄLLA.
Een boek van de schrijfster van Gösta Berling.
Gaf Gösta Berling ons een bijzondere vermenging van sprookjesoverlevering met eigen-beschrijvingen uit jonger dagen, hier klinkt wonderlijk betooverend de werkelijkheid samen met verre heiligenlegenden. We hooren van Christenkoningen en Noorsche heidinnen, van Heiligen en van den Vervloekte, en wij kunnen wijzen op deze en gene trek in ’t verhaal waar schrijfster ongetwijfeld spreekt van figuren uit de volkstraditie, nevelachtige helden uit ’t verleden trekken ons voorbij—en tegelijk, wij gevoelen ’t: alles heeft voor de schrijfster werkelijkheid. Maar verging ’t ons zoo ook niet bij de verhalen over de Kavaliers van Ekeby en gravin Märta?
’t Is een ontzaglijk mooi boek alweer, dit nieuwe. Wat moet deze schrijfster geleefd en geleden en veel ondervonden hebben om zoo eenvoudig ons vaag en teeder zielsleven te kunnen uitbeelden in een boeiend vertelsel. En hoe ernstig klinken hare onbevangen woorden, en hoe scherptreffend in hare ironie!
De verhalen uit „de Koninginnen van Kungahälla” verplaatsen bijna allen ons in Scandinavië of in Italië. Wonderlijk is het, dat de schrijfster, die kenmerkend nationaal van karakter is, en in hare fantasieën haar volk ons zoo toont dat wij ’t ongetwijfeld herkennen zullen, wanneer wij Zuid-Zweden bereizen—wonderlijk is het, dat zij in een kort verhaal ons ook weer onmiddellijk weet te brengen in typisch Italiaansche sfeer. Zóo moet ’t volk daar in de Campagna, zóo moeten de Venetiërs zijn—zóó, als zij het beschrijft. Hoe gevoelt de Zweedsche de toomlooze, álvernietigende hartstocht van ’t Italiaansche meisje, en haar oud-Romeinsche trots! En in hooge mate schoon dunkt mij hare visie van ’t machtig Venetië, de lagunestad op haar onvasten bodem, de stad van San Marco, de stad van de zee, Venetië, steeds in ontzetting over die gevaarlijke, die haar rijkdom toevoerde, en dien rijkdom weer verslinden wil—de daemonische zee. Heerlijk mooi geeft ze in ’t verhaal van opsteken en bezwering van den storm ons een beeld van ’t algemeene volksgeloof en volksgevoel dier Italiaansche stad.
Maar waarom noem ik juist dit? Er is in deze verzameling een ongeëvenaarde verscheidenheid en rijkdom van verhalen saamgevat, die ons eenvoudig-weg spreken van de moeilijkste en diepste dingen van ons leven.
En wij, in ’t besef hoe wij-zelf slechts zelden—en dan nog bevangen, lomp en onschoon kunnen spreken van de fijne en diepe gevoelens van ons hart—wij gevoelen onze machteloosheid waar ’t geldt de schrijfster te danken voor al wat ze ons aanbiedt ook in haar nieuwe boek.
’t Lijkt wel een wonder—en toch is het zoo: Ziehier een mooi en zeer ernstig boek—waarvoor ’t publiek vatbaar zal zijn. Een kunstwerk, dat populair zal worden.
Selma Lagerlöf is wèl een buitengewone schrijfster.
Minerva, 27 Sept. 1900.
INGRID.
Een verhaal van de schrijfster van Gösta Berling.
Terwijl wij nog de hollandsche vertaling van „De Wonderen van den Anti-Christ” verwachten, verrast ons een nieuw-uitgekomen boek van Selma Lagerlöf. Een verhaal is het, geen tweehonderd bladzijden lang, in een paar uur uit te lezen; een verhaal, dat geregeld afgewikkeld wordt, en niet zooals Gösta Berling ons een bouquet geeft, samengebonden van een menigte frissche en wonderlijke geschiedenissen. Dit boek vertelt niet van een breeden kring als de kavaliersbende en van een wijde omgeving als de bevolking der verspreide hoeven van Wermeland—het doet ons ’t eenvoudig verhaal van een jongen man, die een krankzinnige is, en tegelijk de held en heerlijkheid van een jong meisje, Ingrid met de sterrenoogen. En in ’t verhaal van lot en liefde dezer twee ligt de inhoud van ’t boekje.
Wat deze verschijning tot een bijzondere groote vreugd maakt is, dat wij hier weervinden de onbegrijpelijke teedere en ernstige schrijfster die Gösta Berling dichtte. Gunnar Hede en Ingrid zijn twee beelden om in onze herinnering te plaatsen naast de heele reeks die daar reeds opgericht staat in de figuren van Gösta en Marianne Sinclaire en de Majoorske en zoo heel velen meer.
Bij Hede en bij Ingrid wordt weder de algemeen menschelijke natuur zoo verbijsterend innig aanschouwd, dat we misschien beginnen met te zeggen: dat we hier alles zien in andere afmeting en houding dan in de gewone natuur—maar spoedig door de betoovering der diepere waarheid aangegrepen, alles aanzien met verfrischten blik. Zoo zegt men wel eens bv., dat iedereen op zijn manier maniac, krankzinnig is, en we weten wel zoowat, wat met dat zeggen bedoeld wordt en in welken zin het waar is. Maar in de afbeelding van den krankzinnigen Hede brengt de schrijfster ons klaarweg voor oogen wàt krankzinnigheid werkelijk beteekent; en daarin zien wij tot beklemmens toe, hoe menschelijk, hoe bekend deze gewaarwording is. Zoo ook toont zij, in haar slotverhaal met preciese trekken, het wezen van Ingrid met den vreemden glimlach en de sterrenoogen, dat onaardsche meisje, dat almachtig is en toch waarlijk-levend, dat in alle wisselingen van hare ontroering kenmerkend menschelijk is—en tegelijk behoort in andere sfeer—een vreemde op aarde.
Maar dit is alles te goed en te mooi, dan dat ik verder het als inleiding bespreken zou. Ik wil kort zijn en wil alleen hen onder de vele lezers van Gösta Berling, die de schoonheid en macht van dat boek beseffen, er op wijzen, dat wij verrijkt zijn met een verhaal van de schrijfster van den breeden kavaliersroman, en uit dezelfde wereld. Hen allen zal het zeker een groot genot zijn om opnieuw, al is ’t niet voor lang, te luisteren naar de woorden van die krachtige dichteres, voor wie ernst en poëzie éen zijn, voor wie het Ideale gelegen is in de werkelijkheid.
C. E. H.
Codering
Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.
De advertenties aan het begin van het boek zijn naar het einde verplaatst.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering |
|---|---|---|
| 1, 7, 15, 105, 131, 131, 134, 169, 169, 191, 215, 216, 218, 221, 222, 222, 260, 334, 335, 336, 337, 338, 343, 343, 344 | Karlstadt | Karlstad |
| 3, 91, 215, 251 | , | . |
| 4 | laafst | laatst |
| 5, 5, 29, 30, 30, 30, 31, 40, 46, 64, 73, 73, 80, 87, 112, 116, 121, 125, 131, 134, 134, 144, 201, 204, 269, 274, 292, 293, 298, 304, 341, 370, 382, IV, IV | [Niet in bron] | ” |
| 5, 6, 10, 308 | dominee | dominé |
| 6 | zij | zijn |
| 9, 105, 115, 142, 146, 153 | [Niet in bron] | . |
| 11, 11 | Löfven-meer | Löfvenmeer |
| 11, 83, 91 | [Niet in bron] | - |
| 11 | beneden-Löfven-meer | beneden-Löfvenmeer |
| 11, 233, 236, 328, 350, 352, 366 | honderde | honderden |
| 13 | [Niet in bron] | en |
| 15, 17, 17, 25, 26, 27, 27, 27, 31, 85, 87, 110, 142, 155, 176, 262, 371, 382, III, IV, IV | [Niet in bron] | „ |
| 15, 85, 101, 121, 351 | . | ? |
| 18 | . | , |
| 20, 115 | Ik | ik |
| 20 | kavelier | kavalier |
| 22 | Beerenkreutz | Beerencreutz |
| 24 | Kristoffel | Christoffel |
| 27 | uwe | Uwe |
| 30, 36, 83, 86, 386 | [Niet in bron] | , |
| 31 | contrakt | contract |
| 35, 36, 36, 41, 138 | kaptein | kapitein |
| 37, 38, 306 | ” | [Verwijderd] |
| 37 | jou | jouw |
| 40 | mompelde | mompelden |
| 42, 78 | , | [Verwijderd] |
| 45 | iippen | lippen |
| 46 | Svartjsö | Svartsjö |
| 60, 276 | Marianna | Marianne |
| 61, 382 | „ | [Verwijderd] |
| 65 | ”, | ,” |
| 66 | Marianne’s | Mariannes |
| 66 | de oude dames deden haar pelzen en kappen aan, | [Verwijderd] |
| 72 | u | uw |
| 76, V | bizonder | bijzonder |
| 83 | noorsche | Noorsche |
| 85, 372, 373, 373 | Christiaan | Kristiaan |
| 85 | verbrandt | verbrand |
| 91, 91, 92, 93, 94, 95, 99, 99, 99, 101, 115, 237 | Gurlitta | Gurlita |
| 93 | heilingen | hellingen |
| 96 | waart | waard |
| 98 | ligt | licht |
| 98 | eene | Eene |
| 102 | ”! | !” |
| 106 | wllde | wilde |
| 106 | St. Claire | Sinclaire |
| 107, 107 | mee | meê |
| 109 | opgewacht | op gewacht |
| 110 | Wordt | Word |
| 115 | rots | Klätt |
| 115 | dankje | dank je |
| 123 | bewijstzijn | bewustzijn |
| 126 | Lövenmeer | Löfvenmeer |
| 128, 142 | oudemannetjes hoofd | oudemannetjeshoofd |
| 130 | kon | kan |
| 131 | cavaliers | kavaliers |
| 131 | gewoon weg | gewoonweg |
| 132 | voor | als |
| 133 | mijnen | mijlen |
| 138 | Broby-heuvel | Brobyheuvel |
| 141, 142 | Berencreutz | Beerencreutz |
| 142 | Kristian | Kristiaan |
| 143 | Daniel | Daniël |
| 145 | uw | u |
| 156 | [Niet in bron] | ik |
| 157 | Stjärnhok | Stjärnhök |
| 160 | Svartsjo | Svartsjö |
| 161, 366 | bizonders | bijzonders |
| 182 | kustte | kuste |
| 183 | uitkwamen | uitkwam |
| 185 | kaveliersvleugel | kavaliersvleugel |
| 186 | paschen | paaschen |
| 190, 317 | Ekebij | Ekeby |
| 194, 194, 214 | Björksöbeek | Björksjöbeek |
| 197 | nn | nu |
| 197 | Middden | Midden |
| 207 | Tezwijl | Terwijl |
| 209 | hieldt | hield |
| 210 | waart | waar |
| 213 | Björksöwaterval | Björksjöwaterval |
| 214 | Gurlita-klätt | Gurlita Klätt |
| 215 | Götaberg | Götaborg |
| 248 | jengd | jeugd |
| 254 | begeep | begreep |
| 273 | geeindigd | geëindigd |
| 278 | opkomen | op komen |
| 279 | daarmêe | daarmeê |
| 280 | ergenis | ergernis |
| 287 | en en | en |
| 288 | uigezonden | uitgezonden |
| 292, 293 | kapteinsvrouw | kapiteinsvrouw |
| 303 | [Niet in bron] | ,” |
| 309 | toeeigenen | toeëigenen |
| 327 | brandwijn | brandewijn |
| 328 | aandacht | aan dacht |
| 339 | menschlijk | menschelijk |
| 347 | niemand | iemand |
| 347 | Dalecarliers | Dalecarliërs |
| 347 | dichst | dichtst |
| 349 | blijft | blijven |
| 351 | andere | anderen |
| 351 | Kaptein | Kapitein |
| 351 | zinwendingen | zinswendingen |
| 359 | Löfsjó | Löfsjö |
| 366 | duizende | duizenden |
| 366 | Honderde | Honderden |
| 368 | [Niet in bron] | te praten |
| 372 | arbied | arbeid |
| 377 | melkkeler | melkkelder |
| 380 | hehben | hebben |
| 382 | geweet | geweest |
| VI | romeinschen | Romeinschen |
| VIII | Noorsche | Zweedsche |
| 386, 387 | bizondere | bijzondere |
| 386 | Kaveliers | Kavaliers |
| 386 | fantasien | fantasieën |
| 386 | Venetiers | Venetiërs |
| 386, 386 | Venetie | Venetië |
| 386 | rijkom | rijkdom |