WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 8: IV. La Cachucha.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

II.

Het Kerstfeest.

Op den eersten Kerstdag geeft de Majoorske Samzelius een groot feest op Ekeby.

Zij zit als gastvrouw aan een tafel, gedekt voor vijftig gasten. Zij zit daar in glans en heerlijkheid; de korte bonten pels, het gestreepte wollen kleed en de kleine pijp zijn verdwenen. Zijde ruischt om haar heen, gouden armbanden hangen zwaar om haar armen, en paarlen liggen koel op haar witten hals.

Waar zijn de kavaliers? Waar zijn zij, die den vorigen avond in de smidse punch dronken uit den blanken koperen ketel op de gezondheid van de nieuwe heeren van Ekeby?

In een hoek bij de kachel zitten de kavaliers aan een aparte tafel. Vandaag is er voor hen aan de groote tafel geen plaats. Bij hen komen de schotels laat en komt de wijn spaarzaam; hen bereiken de blikken der schoone dames niet; niemand luistert er naar Gösta’s scherts.

Maar de kavaliers zijn als getemde veulens, als matte roofdieren. Maar één uur nachtrust hebben zij gehad; toen reden zij naar de vroegpreek bij fakkel- en sterrenlicht. Zij zagen de Kerstlichten en hoorden de Kerstpsalmen, en zij glimlachten als kinderen. Zij vergaten den Kerstnacht in de smidse, als was dat een akelige droom.

Groot en machtig is de Majoorske op Ekeby. Wie waagt het zijn arm tegen haar op te heffen? Wie waagt het den mond tegen haar te openen, om tegen haar te getuigen? Zeker niet een paar arme kavaliers, die haar brood aten, velen jaren lang, en sliepen onder haar dak. Zij zet ze waar zij wil, zij kan haar deur voor hen sluiten als zij wil, en zij kunnen haar macht niet eens ontvluchten. God zij hen genadig! Ergens anders dan op Ekeby kunnen zij niet leven.

Aan de groote tafel geniet men het leven; dáár stralen de mooie oogen van Marianne Sinclaire, daar klinkt de vroolijke lach van gravin Dohna.

Maar bij de kavaliers is het stil. Was het toch niet billijk, dat zij, die aan den Booze verkocht zijn, ter wille van de Majoorske, met de andere gasten aan één tafel zaten? Wat is dat toch voor een schandaal, die tafel daar bij de kachel! Zijn de kavaliers dan niet waardig bij de notabelen aan tafel te zitten?

Trotsch zit daar de Majoorske tusschen den graaf van Borg en den predikant van Bro. De kavaliers laten het hoofd hangen als stoute kinderen, die in den hoek staan. En de gedachten van den vorigen nacht worden weer in hen wakker.

Als schuwe gasten komen de vroolijke invallen, de dwaze vertelsels aan de tafel in den hoek.

Daar houden de toorn en de beloften van den vorigen nacht intocht in de hersens der kavaliers. Wel maakt de patroon Julius den sterken kapitein Kristiaan Bergh wijs, dat de fijne gebraden vogels, die nu aan de groote tafel worden rondgediend, niet toereikend zijn voor alle gasten, maar die aardigheid gaat niet op.

„Er zijn er niet genoeg,” zegt hij. „Ik weet hoeveel er waren; maar dat hindert niet, kapitein Bergh; ze hebben voor ons hier aan de kleine tafel kraaien gebraden.”

Maar slechts een flauwe glimlach speelt er om de lippen van den overste Beerencreutz, en Gösta ziet er den heelen dag uit, alsof hij van plan is den een of ander dood te slaan.

„Is niet alle eten goed genoeg voor de kavaliers?” vraagt hij.

Eindelijk komt een groote schotel prachtig gebraden vogels bij de kleine tafel.

Maar kapitein Kristiaan is boos. Heeft hij de kraaien niet levenslang een vurigen haat toegedragen—die leelijke schreeuwende schepsels. Zóo bitter was zijn haat, dat hij in ’t najaar vrouwenkleeren aantrok, en zich voor iedereen belachelijk maakte, alleen om ze onder schot te krijgen, als ze het koren op de velden wegvraten. Hij vervolgde ze in den paartijd op ’t veld in ’t voorjaar, om ze dood te slaan. Hij zocht hun nesten in den zomer, smeet de scheeuwende, veerlooze jongen er uit en verbrijzelde de halfuitgebroede eieren.

Nu trekt hij den schotel met de fijne vogels naar zich toe.

„Meen je, dat ik ze niet ken?” brult hij den knecht tegemoet. „Geloof je, dat ik ze moet hooren schreeuwen, om ze te herkennen? Foei voor den duivel! Hoe durf je Kristiaan Bergh kraaien voorzetten!”

En precies als hij de hulpelooze, jonge kraaien tegen de rotsen slingert, zoo smakt hij den eenen gebraden vogel na den anderen tegen den wand. Saus en vet vliegt om hem heen, de verbrijzelde vogels stuiven terug en glijden over den grond. En de kavaliers schateren.

Daar klinkt de vertoornde stem van de Majoorske.

„Zet hem de deur uit!” roept zij tot de bedienden.

Maar dat durven ze niet. Hij is toch Kristiaan Bergh, de sterke kapitein.

„Zet hem de deur uit!”

Hij hoort dat bevel, en verschrikkelijk in zijn woede, wendt hij zich nu tot de Majoorske, zooals een beer zich van zijn gevallen vijand naar een nieuwen aanvaller keert. Hij gaat naar de groote tafel, die den vorm van een hoefijzer heeft. De vloer dreunt onder de voetstappen van den reus. Hij blijft vlak over haar staan, met de tafel tusschen hen in.

„Zet hem de deur uit!” roept de Majoorske nog eens.

Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand verbijsterd heeft?

Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist:

„Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?”

„De deur uit, kapitein!”

„Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken....”

„Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand vloeken dan ik!”

„Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?”

„Zwijg, kapitein!”

„Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje geweest was.”

„Zwijg!”

„Omdat je zoo’n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd, maar nu zal ’t met je gedaan zijn.”

De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; „Ja nu is ’t met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh.”

Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken, en de tranen van angst komen hem in de oogen.

„Ik ben dronken!” roept hij uit; „ik weet niet wat ik zeg; ik heb niets gezegd! Een hond en een slaaf—niets anders ben ik veertig jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond, die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!”

En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.

Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius.

Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.

De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich; hij heft den arm op.

Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar stem. „Je hebt mij gestolen!” barst ze uit. „Je kwam als een roover en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan, met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover je gehandeld zooals je verdiende.

„Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan.”

De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben, dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen.

„Ik wist het niet,” zegt hij stampvoetend.

„Dan is ’t goed, dat je het nu weet,” valt zij hem in de rede, met snijdende stem. „Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te hooren; ’t is goed, dat je ’t nu weet, dat ik vrij met je spreken kan, mijn meester en cipier! Weet ’t dan nu, dat ik hem toch heb toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen ’t weten, die me belasterd hebben.”

’t Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven, gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is, maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken kan over de schoonste herinnering van haar leven.

„Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!”

Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij, hoe hij haar straffen moet.

„Weg!” brult hij, „weg uit mijn huis!”

Zij staat versteend.

En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt immers alles uit, zooals de Booze ’t voorspeld heeft. Nu zien ze er de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is ’t zeker ook wel waar, dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden, en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks!

„Weg met jou,” gaat de Majoor voort. „Bedel je brood langs den weg. Je zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood.”

„Wil je mij uit mijn huis jagen?”

„Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!”

Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur, en hij volgt haar op den voet.

„Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt,” klaagt zij; „zul je nu ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?”

„Weg met jou!”

Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: „je zult verloochend worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren....!”

De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat ’t beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor een oogenblik Kristiaan Bergh.

„Het is een oude historie!” roept hij. „Ik wist van niets vóór vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen.”

Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed.

„Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk,” zegt ze. En zij gaat van de deur weg.

De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt, met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil.

„Helpt mij toch!” roept ze; „laat ons dien man binden en naar buiten brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van ’t houthakken in mijn bosschen en ’t erts vervoeren uit mijn bergwerken, de kolenbrander door ’t kolen leveren aan mij, de houtvlotter door ’t halen van mijn houtvlotten. Ik ben ’t, die den winst brengende arbeid geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen.”

Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor.

„Neen,” zegt hij, „ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar naar den berenkuil beneden.”

En bij die woorden zinken de helpende handen neer.

Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers.

„Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die ’t ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen, kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden.”

Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de groote tafel heeft gezeten. „Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar, Anna,” zegt hij zacht; „weet je of het de Majoorske was, die Ebba vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?”

„Help de Majoorske, Gösta,” is haar eenig antwoord.

„Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een moordenaar gemaakt heeft.”

„Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta.”

„Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is ’t wel waar wat Sintram zei.”

En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om de Majoorske te helpen.

Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen van den nacht bevestigen?

„Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft, mompelden zij.

Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen handen tot voor haar gezicht. „Je zult verloochend worden zooals je mij verloochent,” roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. „Moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!”

Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog:

„Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij, Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen, neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna, Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben, die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers, nu zal er een storm over ’t land varen, nu is jullie tijd voorbij; waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie, want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven, nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!”

De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het hoofd en zegt:

„Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?”

De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet, dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft liefgehad, zal een moordenaar worden.

„Moet ik nu ook nog vergeven?” zegt zij. „Heb je niet schuld aan al mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug je over je werk.”

Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug, met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een moordenaar te maken.

Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten.

Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö, dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer’s testament, waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden, maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken de grootst mogelijke schade deed.

Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd, dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen, d. w. z. „niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;” en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was, die hen in het verderf had willen storten.

De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden, omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof.

Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker, dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat ’t beter voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid, schuld te hebben aan Ebba Dohna’s zelfmoord. Hij verhief zijn hand niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te helpen. Dat kon hij niet.

Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun harten waren vol vreugd—en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht, hij spreidde die niet op ’t gelaat of op de lippen ten toon.

III.

Gösta Berling, de dichter.

’t Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg.

In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd en had een jonge, schoone vrouw. ’t Zou vroolijk toegaan op het oude grafelijke goed.

Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat van allen, die er dit jaar ’t Kerstfeest vierden, Gösta Berling, „de dichter,” zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer, maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden, om van Ekeby naar Borg te komen.

De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal, om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid en tintelde van geest.

Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla toen woonde en waar hij wilde gaan eten.

Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten, en vertrok even ongaarne als zij.

De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin, gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun wisselvallig lot.

De zorg stond voor de deur, zeide zij. ’t Waren moeilijke tijden op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen, die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij „voor den pot zorgen.” Maar dat kon er nog door, als hij maar niet met een ellendigen vos thuiskwam, ’t ongelukkigste dier, dat Onze Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is.

En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te werken, die engel.

Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door ’t huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze ’t nog niet gezien; maar ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis, en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen.

„Want hoe moet het toch gaan?” riep ze uit en droogde haar oogen, die telkens vol tranen schoten, „wij hebben schuld aan den boozen Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van ’t eene bal naar ’t andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit, met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert—behalve arbeid!”

Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten over de witte handen, die Gösta kussen mocht.

Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun kring. Vroolijk vroegen ze hem: „Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge daar in het beloofde land?”

„Daar vloeien melk en honig,” antwoordde hij. „Wij halen ’t ijzer uit de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud voort; daarmeê vergulden we ’s levens ellende, en we houwen onze bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen.”

Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over haar lippen kwam maar één woord: „dichter!”

„Veel zonden heb ik op mijn geweten,” antwoordde Gösta, „maar nooit heb ik een regel poëzie geschreven.”

„Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben.”

Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder met hem over zijn misbruikt leven. „Ik zal ’t nog wel beleven, dat je een man wordt,” zei ze. En hem scheen ’t toe, dat ’t hem goed deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige liefde koesterde voor groote daden.

Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij ’t vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en ’t kerstbier gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen, hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de booze Sintram binnen.

Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. ’t Was duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen.

„Heb je ’t gehoord?” vroeg de Booze; „heb je ’t gehoord, dat vandaag voor ’t eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten, dat ze met Ferdinand verloofd is.”

Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd.

En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke liefde.

Maar—in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte duizend plannen.

„Hoor,” riep hij uit, „nog is ’t geen tijd van klagen! ’t Is de dominé’s-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen ’t nooit worden. Nu ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik zal ze weghalen van de dominé’s-familie, van haar bruidegom. Ik zal ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste geen pleizier van haar hebben.

Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de vroolijke meisjes naar ’t bal te nemen; maar de vurige wenschen van de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven, om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal.

De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes, rood gebonden, in de hand.

„Neem die,” zeide ze tegen Gösta, „en houd ze, als je niet slaagt. ’t Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht zullen worden.”

„Ik slaag altijd.”

„Ach, Gösta, Gösta,” antwoordde ze, en streek met de hand over zijn ontbloot hoofd, „sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je ’t onthouden, dat ’t geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!”

Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar ’t bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten Don Juan willen rijden!

Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch en overmoedig,

„Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?”

„Heeft hij gezegd, dat je ’t mooiste meisje bent tusschen ’t Löfvenmeer en de Klarbeek?”

„Je bent dom, Gösta, dat weten de menschen wel. Hij heeft ’t huwelijk van mij en den ouden Dahlberg afgekondigd.”

„Als ik dat geweten had, had ik je niet in mijn slee willen hebben, en niet hier achterop gestaan. Dat had ik je nooit willen rijden.”

De trotsche erfdochter antwoordde: „Ik zou zonder Gösta Berling nog wel naar Borg gekomen zijn.”

„’t Is toch jammer van je, Anna,” zei Gösta nadenkend, „dat je geen vader of moeder hebt. Daardoor ben je geworden zooals je nu bent, en niemand kan je nu hooge eischen stellen.”

„’t Is nog meer jammer, dat je dat niet eerder gezegd hebt; dan had een ander me kunnen rijden.”

„De dominé’s-vrouw denkt zeker als ik, dat je behoefte hebt aan iemand, die een vader voor je kan zijn; anders had ze je zeker niet met zoo’n ouden knol ingespannen.”

„Dat heeft de dominé’s-vrouw niet gedaan.”

„De hemel beware me, heb je zelf zóo’n knappen man gekozen?”

„Hij neemt mij niet om mijn geld.”

„Neen, zulke oude heeren kijken alleen naar blauwe oogen en roode wangen. En ze hebben nog gelijk!”

„Foei, Gösta, schaam je je niet!”

„Maar pas nu op, dat je niet langer met de jonge mannen speelt. Je plaats is nu op de canapé. Met dans en spel is ’t nu voorbij. Nu mag je een kaartje leggen met den ouden Dahlberg.”

Zwijgend reden zij voort, tot ze de steile heuvels bij Borg opreden.

„Dank je voor den rit! ’t Zal lang duren eer ik weer met Gösta Berling rijd.”

„Dank je voor die belofte! Ik ken menigeen, dien ’t berouwd heeft dat hij met je naar het feest reed.”

Zeer ontstemd trad de fiere schoonheid van het stadje de danszaal in en zag de verzamelde gasten aan.

’t Allereerst zag ze den kleinen, kalen Dahlberg naast den grooten, slanken, blonden Gösta Berling. Zij had hen allebei de zaal wel uit willen jagen. Haar verloofde kwam haar ten dans noodigen, maar zij ontving hem met honende verbazing.

„Wil jij dansen? Ben jij dat gewoon?”

En de jonge meisjes kwamen om haar geluk te wenschen.

„Speel geen comedie, meisjes! Je gelooft toch niet, dat iemand verliefd kan worden op den ouden Dahlberg? Maar hij is rijk en ik ben rijk; daarom passen we goed bij elkaar.”

De oude dames gingen naar haar toe, drukten haar de witte hand en spraken over ’t grootste geluk in ’t leven.

„Feliciteer de dominé’s-vrouw liever,” antwoordde zij. „Zij is er gelukkiger mee dan ik.”

Maar daar stond Gösta Berling, de vroolijke kavalier, met gejuich begroet om zijn helderen lach, zijn geestige woorden, die gouden glans wierpen over ’t grijze, dagelijksche leven. Nooit te voren had ze hem zoo gezien als dien avond. Hij was geen verstootene, geen verworpeling, geen daklooze grappenmakker, neen, een koning onder de mannen, vorstelijk van geboorte!

Hij en de andere jonge mannen smeedden een samenzwering tegen haar. Zij moest er maar eens over nadenken hoe verkeerd ze deed, toen zij zich zelf met haar schoonheid en rijkdom aan den ouden man gaf. En zij lieten haar tien dansen over zitten. Zij voelde haar bloed koken van spijt en smart.

Voor den elfden dans kwam een man haar uitnoodigen; hij was de geringste onder de geringen, een stumper, met wien geen ander dansen wilde.

„Als ’t bier op is, komt ’t zaksel in ’t glas,” zeide zij.

Toen speelden ze een pandspel. Blonde jonge meisjes staken de hoofden bijeen en veroordeelden haar te kussen wie ze ’t liefst had. En glimlachend verwachtten ze haar den ouden Dahlberg te zien kussen. Maar zij stond in haar toorn.

„Mag ik niet liever een oorveeg geven aan wie ik ’t minst liefheb?”

Een oogenblik later brandde Gösta’s wang onder haar vaste hand. Hij werd rood tot over de ooren, maar bedwong zich, greep haar hand, hield die een oogenblik vast en fluisterde:

„Kom over een half uur in de roode zaal beneden.”

Zijne blauwe oogen straalden en boeiden haar als met tooverkracht. Zij voelde, dat zij gehoorzamen moest.

Zij ontmoette hem beneden met trots en booze woorden.

„Wat gaat het Gösta Berling aan, met wien ik trouwen wil?”

Hij vond nog niet dadelijk zachte woorden, en ’t scheen hem ook niet geraden dadelijk over Ferdinand te spreken.

„Ik vind niet, dat ’t een te strenge straf was, dat je tien dansen moest blijven zitten. Maar je wilt ongestraft je woord breken. Als een beter man dan ik de straf in zijn hand genomen had, zou die harder geworden zijn.”

„Wat heb ik jullie toch gedaan, dat je mij niet met rust kunt laten? Jullie vervolgt me om mijn geld! Ik zal ’t in ’t meer gooien, dan kan, wie er zin in heeft, het opvisschen.” Ze hield de handen voor de oogen en schreide.

Toen werd het hart van den dichter geroerd. Hij schaamde zich over zijn strengheid, en zijn stem werd zacht:

„Ach, kind, vergeef me. Vergeef den armen Gösta Berling. Niemand geeft er om wat zulk een lummel zegt of doet; dat weet je immers wel. Niemand schreit er om, dat hij boos is; je kunt even goed om een muggebeet schreien. ’t Was onzin, maar ik wou verhinderen, dat het mooiste en rijkste van onze jonge meisjes met dien ouden man zou trouwen. En nu heb ik je alleen maar bedroefd gemaakt.”

Hij ging naast haar in de sofa zitten en sloeg zijn arm om haar schouders, om haar met teerheid te steunen en op te beuren. Zij trok zich niet terug. Zij leunde tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn hals en schreide met het mooie hoofdje op zijn schouder.

Och, arme dichter, sterkste en zwakste onder de menschen; niet om uw hals moesten die blanke armen rusten.

„Als ik het geweten had,” fluisterde zij, „dan had ik den ouden nooit genomen. Ik heb je van avond gezien. Zoo is er geen ander.”

Maar met bleeke lippen stamelde Gösta:

„Ferdinand.”

Zij sloot hem de lippen met een kus.

„Hij is niets waard. Wie kan in je schaduw staan? Ik zal je trouw zijn.”

„Ik ben Gösta Berling,” zei hij, somber; „mijn vrouw kun je niet worden.”

„Ik heb je lief! De eerste onder de mannen. Je behoeft niets te zijn, niets te doen. Een geboren koning ben je.”

Toen bruiste het bloed van den dichter. Ze was zoo schoon, zoo bekoorlijk in haar liefde. Hij sloot haar in zijn armen.

„Als je de mijne wilt zijn, kun je niet in de pastorie blijven. Laat ik je dadelijk naar Ekeby brengen van nacht; ik zal je wel weten te verdedigen tot we bruiloft kunnen vieren.”


’t Werd een onvergetelijke tocht dien nacht. Zij gaven toe aan hun jonge liefde en lieten zich door Don Juan meevoeren. ’t Knetteren van de sneeuw onder de slee klonk als de klachten der bedrogenen. Wat stoorden zij zich daaraan! Zij lag aan zijn borst, en hij boog zich over haar heen en fluisterde haar in ’t oor: „Is er iets zaligers dan gestolen vreugde?”

Een huwelijks-afkondiging. Wat beteekende dat? Zij hadden hun liefde. En de toorn der menschen? Gösta Berling geloofde aan het noodlot. Het lot had hem gedwongen. Tegen het lot kan niemand zich verzetten. Al waren de sterren de bruiloftskaarsen geweest, en Don Juans bellen de kerkklokken, die haar bruiloft inluidden met den ouden Dahlberg, dan had ze toch met Gösta Berling moeten vluchten. Zóó machtig is ’t noodlot.

Zij waren goed en wel voorbij de pastorie en Munkerud gekomen. Op de helft van den weg naar Ekeby lag Berga. De weg ging langs het bosch; rechts lagen hooge donkere bergen, links een lang, besneeuwd dal.

Daar kwam Tancred aanrennen. Hij stoof over den weg. Huilend van schrik sprong hij in de slee en kromp ineen aan Anna’s voeten.

Door Don Juans leden ging een schok! Hij versnelde zijn vaart met groote sprongen.

„Wolven,” zei Gösta Berling.

Zij zagen een lange, grauwe streep zich langs den weg bewegen. ’t Ware minstens een dozijn.

Anna werd niet bang. De dag was zoo rijk aan verrassingen geweest, en de nacht beloofde ook zoo te worden. Dit was leven—voort te snellen over de blinkende sneeuw, trots wilde dieren en menschen.

Gösta stootte een vloek uit, boog zich voorover en gaf Don Juan een geweldige slag met de zweep.

„Ben je bang?” vroeg hij. „Zij snijden den hoek af en halen ons daar ginds bij de bocht van den weg in.”

Don Juan sprong voort en liep om ’t hardst met de wilde dieren in ’t bosch. Tancred huilde van woede en angst. Zij kwamen aan de bocht gelijk met de wolven en Gösta verdreef den voorsten met de zweep.

„Ach, Don Juan, mijn jongen, hoe gemakkelijk zou je niet twaalf wolven ontloopen, als je ons menschen maar niet meê te sleepen hadt.”

Zij bonden de groene reisdeken achteraan de slee. De wolven werden er bang voor en hielden zich een tijd lang op een afstand. Maar toen ze hun vrees overwonnen hadden, stoof een van hen, blazend, met de tong uit den bek en open muil, op de slee af. Toen nam Gösta Madame de Staëls Corinna en wierp het in den wolvenmuil.

Weer kregen ze een poosje rust, tot de dieren dien buit verscheurd hadden; maar toen voelden ze weer het rukken van de wolven aan de groene reisdeken, en hoorden hun snelle, korte ademhaling. Zij wisten, dat ze niet aan een menschenwoning kwamen voor ze Berga bereikten; maar erger dan de dood scheen het Gösta toe de menschen te ontmoeten, die hij bedrogen had. Hij zag in, dat het paard moe zou worden, en wat zou er dan van hen worden?

Daar zagen ze Berga aan den zoom van ’t bosch liggen. Er brandde licht in de vensters. Gösta wist wel voor wie!

Maar nu vluchtten de wolven, uit vrees voor de nabijheid van menschen, en Gösta reed Berga voorbij. Hij kwam toch niet verder dan tot de plaats, waar de weg opnieuw het bosch in gaat; daar zag hij een donkere plek voor zich uit. De wolven wachtten hem op.

„Laat ons naar de pastorie teruggaan en zeggen, dat we een pleziertochtje in ’t sterrenlicht gedaan hebben. Dit gaat niet.”

Zij keerden om; maar in ’t volgende oogenblik was de slee weer door wolven omringd. Grauwe gestalten gleden hen voorbij, de witte tanden glinsterden in de open muilen en de gloeiende oogen tintelden. Zij huilden van honger en bloeddorstigheid. Ze verlangden hun glimmende tanden in ’t weeke menschenvleesch te drukken. De wolven sprongen Don Juan op den rug en hingen aan het tuig. Anna zat er over na te denken of zij hen heelemaal op zouden eten, dan of er nog iets over zou blijven en of de menschen den volgenden morgen afgeknaagde ledematen zouden vinden in de bloedige, vertrapte sneeuw.

„Nu geldt het ons leven,” zei ze, boog zich neer en greep Tancred bij den nek.

„Doe dat niet; dat helpt niet. ’t Is niet om den hond, dat de wolven van nacht in ’t bosch zwerven.”

Met die woorden reed Gösta Berling Berga binnen; maar de wolven vervolgden hen tot vlak bij de stoep. Hij moest ze met de zweep van zich afhouden.

„Anna,” zeide hij, toen zij bij de stoep stil hielden. „God wilde het niet. Houd je nu goed; als je de vrouw bent, waar ik je voor houd, houd je dan goed.”

In ’t huis hoorde men de bellen van de slee en kwam naar buiten.

„Hij heeft haar,” riepen ze, „hij heeft haar! Leve Gösta Berling!” En de pas aangekomenen werden hartelijk omhelsd.

Er werden niet veel vragen gedaan. ’t Was al diep in den nacht; de reizigers waren geschokt door hun gevaarlijken tocht en hadden behoefte aan rust. ’t Was immers alles goed, nu Anna gekomen was.

Alles was goed! Alleen Corinna en de groene reissjaal, een kostbaar geschenk van juffrouw Ulrika, waren bedorven.

Alles sliep in huis. Toen stond Gösta op, kleedde zich aan en sloop naar buiten. Ongemerkt haalde hij Don Juan uit den stal, spande hem voor de slee en wilde wegrijden. Toen kwam Anna Stjärnhök uit het huis.

„Ik hoorde je uitgaan,” zeide zij. „Toen ben ik ook opgestaan. Ik ga met je mee.”

Hij ging naar haar toe en vatte haar hand.

„Begrijp je het nog niet? Het kan niet. God wil het niet. Luister nu en probeer het te verstaan. Ik was hier vanmiddag, en zag hoe bedroefd ze waren over je ontrouw. Toen reed ik naar Borg, om je naar Ferdinand terug te brengen. Maar ik ben altijd een ellendeling geweest, en zal ’t wel altijd blijven. Ik werd hem ontrouw en wilde je voor mijzelf houden. Hier woont een oude vrouw, die gelooft dat ik éens een man zal worden. Haar werd ik ontrouw. Je waart zoo mooi en de zonde zoo bekoorlijk. Gösta Berling is zoo licht te verleiden. Ach, wat ben ik toch een verachtelijk wezen! Ik weet hoe lief zij hun tehuis hebben, en ik was op het punt het te laten plunderen. Ik vergat alles om jou. Je was zoo bekoorlijk met je liefde. Maar nu, Anna, nu ik hun vreugde over je terugkomst gezien heb, wil ik je niet houden. O, mijn lieveling. Hij daarboven speelt met onze plannen. Nu moeten wij ons buigen onder zijn straffende hand. Zeg me, dat je van nu af aan je deel van den zwaren last op je nemen wilt. Zij allen daar binnen vertrouwen op je. Zeg me, dat je bij hen blijven wilt, en ze steunen en helpen. Als je me liefhebt, als je mijn bitter verdriet wilt verzachten, beloof me dit dan. Mijn lieveling, is je hart zóó groot, dat je jezelf kunt overwinnen, en ’t glimlachend doen?”

Zij aanvaardde met geestdrift den plicht der ontbering.

„Ik zal doen wat je wilt—mij offeren, en ’t met een glimlach doen!” Zij glimlachte droevig. „Zoolang ik je liefheb, zal ik hen liefhebben.”

„Nu eerst zie ik wat voor een vrouw je bent. ’t Valt me zwaar van je heen te gaan.”

„Vaarwel, Gösta; God zij met je! Mijn liefde zal je niet tot zonde verleiden.”

Zij keerde zich om en wilde naar binnen gaan. Hij volgde haar.

„Zul je me gauw vergeten?”

„Ga nu heen, Gösta; wij zijn maar menschen.”

Hij sprong in de slee. Maar toen kwam zij terug.

„Denk je wel aan de wolven?”

„Ja zeker, maar zij hebben hun werk gedaan. Met mij hebben zij vannacht niets meer te maken.”

Nog eens strekte hij de armen naar haar uit. Maar Don Juan werd ongeduldig en draafde weg. Hij greep de teugels niet. Hij lag voorover op de bank en zag achteruit. Toen steunde hij met het hoofd op den rand van de slee en schreide als een wanhopige.

„Ik had het geluk in handen en stootte het terug. Zelf stootte ik het terug. Ach, waarom hield ik het niet!”

Ach, Gösta Berling, sterkste en zwakste onder de menschen.

IV.

La Cachucha.

Strijdros, strijdros! Arm, oud ros, dat daar staat op de weide, vastgebonden aan een touw. Herinnert ge u uw jeugd?

Herinnert ge u den dag van den strijd? Ge sprongt voort als droegen u vleugelen; uw manen golfden om u heen als flakkerende vlammen; bloed en schuim glinsterde op uw zwarte borst. In ’t met goud versierde tuig vloogt ge voort. Het veld dreunde onder uw hoeven. Ge trildet van vreugde, gij moedig dier! Ach, hoe schoon waart gij!

In den kavaliersvleugel van Ekeby heerscht grauwe schemering. In de groote zaal staan de roodgeschilderde kisten der kavaliers langs den wand en hun zondagskleeren hangen aan de haken in den hoek. Het schijnsel van het vuur speelt op de witte muren en op de geel geruite gordijnen voor de alcoven in den muur. De kavaliersvleugel is geen vorstelijk paleis, geen serail.

Maar Liljecrona’s viool klinkt er. Hij speelt la cachucha in den schemer. En hij speelt haar telkens weer van voren af aan.

Snijd de snaren door! Breek den strijkstok. Waarom speelt hij dien vervloekten dans? Waarom toch speelt hij dien, nu Örneclou, de vaandrig, met jicht te bed ligt, zóó stijf dat hij zich niet roeren kan? O, ruk hem de viool uit de hand en werp die tegen den muur als hij niet ophoudt!

La cachucha, speelt ge die voor ons, meester? Kunnen we die nu hier dansen, op de krakende planken van den kavaliersvleugel, tusschen deze nauwe muren, zwart van rook en ruig van vuil, onder dit lage dak? Wee u, dat ge hier la cachucha speelt!

La cachucha, is die voor ons, kavaliers? Buiten huilt de sneeuwstorm! Wilt ge de sneeuwvlokken op maat leeren dansen, speelt ge voor de lichte kinderen van den sneeuwjacht?

Vrouwengestalten, die trillen onder den heeten polsslag van hun bloed, kleine zwarte handjes, die de pannen hebben weggeworpen om de kastagnetten te grijpen, bloote voeten onder de opgeschorte rokken, een hof met marmeren vloer, zigeuners, die neergehurkt zitten en op den doedelzak blazen, of den tambourijn slaan, moorsche bogengangen, maneschijn en zwarte oogen.... kunt ge ons dat alles geven, meester? O, laat anders uw strijkstok rusten.

Ginds bij het vuur drogen de kavaliers hunne natte kleeren. Hoe kunnen zij dansen met hun hooge laarzen met ijzer beslagen, en met dikke zolen. Den heelen dag hebben ze door voeten hooge sneeuw gewaad om den beer in zijn hol te bereiken. Meent ge dat ze met dien ruigen kameraad willen dansen in hun bombazijnen pakken? Een avondhemel vol sterren, roode rozen in donkere vrouwenlokken, warme avondlucht vol bedwelmende geuren, aangeboren schoonheid van beweging, liefdesgeluk, dat opstijgt uit de aarde, neerdaalt uit den hemel, zweeft in de lucht—hebt gij dat alles, meester? Ach, waarom wekt gij ons verlangen naar die dingen!

Wreedaard? Gij blaast het signaal van den slag voor ’t gekluisterde strijdros! Rutger van Örneclou ligt te bed, door de jicht verstijfd. Spaar hem de marteling van al die schoone herinneringen. Ook hij heeft de sombrero en ’t bonte haarnet gedragen, ook hij droeg eens het fluweelen buis en den dolk in den gordel. Spaar den ouden Örneclou, meester.

Maar Liljecrona speelt la cachucha, altijd la cachucha. En Örneclou wordt gepeinigd als de minnaar, die de zwaluwen ziet heentrekken naar de woning zijner geliefde, als het hert, dat door zijn vervolgers voorbij den verfrisschenden stroom gejaagd wordt.

Liljecrona neemt een oogenblik de viool van de kin.

„Vaandrig, herinner je je Rosalie van Berger?” Örneclou vloekt geweldig.

„Ze was licht en gracieus als een vlam. Ze vonkelde en danste als een diamant in den punt van een strijkstok. Je herinnert je haar nog wel van ’t theater in Karlstad? We zagen haar toen we nog jong waren, weet je nog wel, vaandrig?”

Of de vaandrig ’t nog weet! Ze was klein en wild en glinsterend als vuur. Zij kon de cachucha dansen. Zij leerde alle jonge heeren in Karlstad de cachucha dansen en kastagnetten slaan. Op het bal van den gouverneur dansten de vaandrig en Mejuffrouw van Berger een „pas de deux” als Spanjaarden gekleed. En hij had gedanst, zooals men danst onder vijgeboomen en platanen, als een Spanjaard, een echte Spanjaard. Niemand in heel Wermeland kon de cachucha dansen zooals hij. Niemand kon háár zoo dansen, dat ’t de moeite waard was er naar te kijken, behalve hij. Welk een kavalier had Wermeland niet in hem verloren, toen de jicht zijn leden deed verstijven en zijn gewrichten deed zwellen. Hij was zoo slank, zoo schoon, zoo ridderlijk! „De mooie Örneclou” noemden de jonge meisjes hem en er waren er, die levenslang boos op elkaar werden om zijnentwil.

En Liljecrona begint weer la cachucha te spelen—altijd weer la cachucha en Örneclou wordt teruggevoerd naar den ouden tijd.

Weer staat hij naast Rosalie van Berger! Zij zijn juist een oogenblik alleen in de kleedkamer geweest, als Spanjaarden verkleed. En hij heeft haar mogen kussen; maar voorzichtig, want zij was bang voor zijn zwartgeverfden baard. Nu dansen ze. Ach! zooals men onder vijgeboomen en platanen danst. Zij wijkt, hij volgt, hij wordt stoutmoedig, zij trotsch, hij vertoornd, zij tot verzoening geneigd. En als hij eindelijk op de knieën valt en haar in zijn open armen opvangt, gaat er een zucht door de zaal, een zucht van verrukking.

Hij was een Spanjaard—een echte Spanjaard.

Juist bij dezen streek van den strijkstok had hij zich zoo gebogen en de armen uitgestrekt en den voet opgeheven om op de teenen voort te zweven. Welk een gratie. Men had hem in marmer kunnen uithouwen!

Hij weet zelf niet hoe ’t kwam, maar hij heeft de voet over de beddeplank gestoken, hij staat recht overeind, hij buigt zich, heft de armen op, knipt met de vingers en wil over den grond zweven als in den ouden tijd, toen hij zulke nauwe schoenen droeg, dat hij de voeten van de kousen moest knippen.

„Bravo, Örneclou! bravo, Liljecrona, speel leven in hem!”

Maar zijn voet weigert. Hij kan niet op zijn teenen staan. Hij trekt een paar keer krampachtig met het ééne been....

Schoone Sennor, ge zijt oud geworden! De Sennorita misschien ook?

Alleen onder Granada’s platanen wordt de cachucha gedanst door eeuwig schoone Ginatos. Eeuwig jong zijn ze als de rozen, omdat iedere lente nieuwe brengt.

Is dan nu de tijd gekomen om de snaren van de viool door te snijden?

Neen, speel voort, Liljecrona, speel de cachucha, altijd weer de cachucha. Leer ons, dat we, al zijn we in de kavaliersvleugel dik en stijf geworden, in onze harten toch dezelfde bleven—dat we nog Spanjaarden zijn.

Strijdros! arm strijdros, beken, dat ge de tonen der trompet liefhebt, die u tot galoppeeren uitnoodigen, al slaat ge ook de pooten ten bloede in uw kluister.