WeRead Powered by ReaderPub
Gösta Berling cover

Gösta Berling

Chapter 9: V. Het bal op Ekeby.
Open in WeRead

About This Book

The narrative traces a charismatic, disgraced clergyman whose dismissal leads him to become the center of an unruly circle of cavaliers and outcasts gathered at a decaying manor. Episodic chapters mix passionate romances, comic revelry and strained moral reckonings as the household's fortunes and relationships shift. Folklore and supernatural intrusions mingle with vivid landscape portraits, local customs and music, producing a tapestry of mythic anecdotes and personal transformations. Themes of pride, exile, love, repentance and social contrast recur, culminating in varied paths toward ruin or redemption for different characters, while the story continually returns to the manor as a stage for fate and human frailty.

V.

Het bal op Ekeby.

O, gij vrouwen uit vroeger tijden. Wie van u spreekt, is het als vertoeven zijn gedachten in ’t Paradijs. Louter liefelijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge, en vriendelijk als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens, sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw of hard. Gij, zachte heiligen, als versierde beelden stondt ge in den tempel van het tehuis. Wierook en gebeden werden u geofferd; door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie.

O, gij vrouwen uit vroeger tijden, ik zal nu verhalen hoe een van u aan Gösta Berling haar liefde schonk.

Veertien dagen na het bal op Borg, was er feest op Ekeby. Dat was het heerlijkste feest van de wereld. Oude mannen en vrouwen werden jong opnieuw, lachten en waren vroolijk, als zij daarover spraken.

Maar toen waren ook de kavaliers alleenheerschers op Ekeby. De Majoorske ging het land door met den bedelstaf en de Majoor woonde op Sjö. Hij kon niet eens bij het feest zijn; want de pokken waren uitgebroken op Sjö en hij was bang de besmetting over te brengen.—Wat een overvloed van genot brachten die twaalf heerlijke uren niet mee! van ’t eerste knallen van de kurken aan tafel tot de laatste streek van den strijkstok, lang na middernacht!

Zij zonken neer in den afgrond der tijden die vorstelijke uren, bezield door vonkelenden wijn, door de fijnste gerechten, door de heerlijkste muziek, door de geestigste comedies en de schoonste tableaux-vivants. Ze zonken neer, duizelend door de sierlijkste dansen. Waar vond men zulke gladde dansvloeren, zulke ridderlijke kavaliers, zulke schoone vrouwen?

Ja, gij vrouwen uit vroeger dagen. De zalen van Ekeby wemelden van de schoonsten onder u. Daar is de jonge gravin Dohna, tintelend van vroolijkheid en altijd bereid tot spel en dans, zooals ’t past bij haar twintig jaren; daar zijn de mooie dochters van den rechter van Munkerud en de vroolijke jonge dames van Berga, daar is Anna Stjärnhök, duizendmaal bekoorlijker nog dan vroeger door den zachten weemoed, die over haar gekomen was na dien nacht, toen zij door de wolven vervolgd werd; daar zijn er nog velen, die nog wel niet vergeten zijn, maar spoedig zullen vergeten worden, en daar is ook de hartveroverende Marianne Sinclaire.

Zij de wijdberoemde, die schitterde aan ’t hof van den koning en straalde in de kasteelen der graven, de koningin der schoonheid, die ’t land doortrok en overal gehuldigd werd;—zij die de vonk der liefde ontstak, waar ze zich vertoonde, zij had zich verwaardigd op het feest der kavaliers te komen.

De eer van Wermeland was groot in de tijden, door zooveel fiere namen gedragen. De blijde kindren van dat schoone land hadden veel om trotsch op te wezen. Maar als zij hun grootheden noemden, dan vergaten ze nooit van Marianne Sinclaire te spreken.

De roem van haar overwinningen ging door ’t geheele land.

Men sprak van de gravenkronen, die om haar hoofd gezweefd hadden, van de millioenen, die voor haar voeten gelegd waren, van de zwaarden der krijgslieden en de kransen der dichters, die haar hadden gewenkt.

En zij was niet alleen schoon. Zij was geestvol en ontwikkeld. De beste mannen van dien tijd verheugden zich als zij met haar konden spreken. Zelf schreef zij niet; maar veel van haar gedachten, door haar in de zielen der dichters onder haar vrienden gelegd, leefden voort in liederen.

In Wermeland, in het berenland vertoefde ze maar zelden. Haar leven bracht ze meestal op reis door. Haar vader, de rijke Melchior Sinclaire was thuis met zijn vrouw op Björne en liet Marianne reizen naar haar voorname vrienden in de groote steden, of op de prachtige buitens. Hij vertelde graag van al het geld, dat zij verkwistte, en de twee oude menschen leefden gelukkig in den glans van Mariannes stralend bestaan.

Haar leven was vol genoegens en hulde. De lucht om haar heen was liefde. Liefde was haar licht bij dag en in de schemering, liefde haar dagelijksch brood.

Dikwijls had ze zelf liefgehad.... dikwijls, dikwijls! Maar nooit had zulk een vlam lang genoeg gebrand om er de ketens in te smeden, die binden voor heel een leven.

„Ik wacht op de liefde, die komt als een veroveraar,” placht zij te zeggen. „Tot nu toe is ze nog niet over een wal geklommen of over een sloot gezwommen. Ik wacht op de geweldige, die me buiten mij zelf brengt. Zóó sterk wil ik de liefde in me voelen, dat ik voor haar beef. Nu ken ik alleen de liefde, waarover mijn verstand glimlacht.”

Haar nabijheid gaf vuur aan de woorden en leven aan den wijn. Haar ziel vol gloed gaf den strijkstok vaart en de dans zweefde lichter, meer bekorend dan vroeger over den dansvloer, wanneer zij die aanraakte met haar fijnen voet.

Zij schitterde in de tableaux, zij bezielde de comedies, haar schoone lippen.... Ach, stil toch, het was haar schuld niet. Zij had het nooit zoo bedoeld, het kwam door het balkon, door den maneschijn, door de kanten sluier, het riddercostuum, het gezang. De arme jonge menschen waren onschuldig. En alles wat oorzaak was van zooveel ongeluk werd met de beste bedoelingen gedaan. Patroon Julius, die overal verstand van had, had een tableau vivant gearrangeerd, enkel en alleen opdat Marianne in al haar heerlijkheid zou uitkomen.

In het theater, dat in de groote zaal op Ekeby opgeslagen was, zaten honderden gasten en zagen op het tooneel de gouden Spaansche maan langs een donkeren nachtelijken hemel drijven. Een Don Juan sluipt langs de straten van Sevilla en houdt stil onder een balkon, met klimop bedekt. Hij was als monnik verkleed; maar men zag een geborduurde manchet uit de wijde mouw komen en een blinkende degenpunt stak beneden uit de monnikspij.

Hij verhief zijn stem en zong:

„Mij lokt geen beker gulden wijn,

Mij lokt geen roode vrouwenmond,

Een smeekend oog, dat liefde vraagt,

Beweegt mij ’t harte niet.

Toon mij uw fiere schoonheid niet

O sennorita, wijk van mij!

Der Heilige Maagd behoort mijn hart

Zij troost me in ’s werelds leed.”

Toen hij zweeg, trad Marianne te voorschijn op het balkon, in een zwart fluweelen gewaad, met kanten sluier. Zij boog zich over het hek en zong langzaam en ironisch:

„Waarom vertoeft gij, vrome man,

Te middernacht bij mijn balkon?

Zeg, bidt gij voor mijn ziel?”

En toen plotseling, warm en innig:

„O vlucht! vlucht snel, u dreigt gevaar

Men kan uw degen duidlijk zien.

En hoort, trots al uw vroom gezang,

De sporen van uw hiel.”

Bij deze woorden wierp de monnik zijn kleed af en Gösta Berling stond onder ’t balkon in een ridderkleed van zijde en goud. Hij stoorde zich niet aan de waarschuwing van de schoone vrouw, maar klauterde tegen de zuilen van ’t balkon op, sprong over het hek en viel, zooals Patroon Julius had voorgeschreven, op de knieën aan de voeten van de schoone Marianne.

Zij glimlachte vriendelijk en reikte hem de hand om die te kussen, en terwijl de twee jongelieden elkaar vol liefde aanzagen, viel het gordijn.

En vóór haar knielde Gösta Berling met een gezicht, zacht en zielvol als dat van een dichter, en kloek als dat van een veldheer, met diepe oogen, guitig en geestig, oogen, die smeekten en dreigden. Slank en krachtig was hij, bezielend en innemend.

En het gordijn ging op en neer, en de jongelieden bleven staan in dezelfde houding. Gösta’s oogen bleven de schoone Marianne aanzien; zij smeekten en dreigden.

Eindelijk hield het applaudisseeren op. ’t Gordijn bleef neer. Niemand kon hen zien. Toen boog de schoone Marianne zich neer en kuste Gösta Berling. Zij wist niet waarom; zij kon niet anders. Hij legde den arm om haar hals en hield haar vast. Zij kuste hem nog eens, en nog eens.

Maar ’t kwam door ’t balkon, door den maneschijn, door de kanten sluier, ’t ridderkostuum, het gezang, het applaus; de arme jonge menschen waren onschuldig. Zij hadden dit niet gewild. Zij had de gravenkronen niet van zich gestooten, die boven haar hoofd zweefden, zij was de millioenen, die aan haar voeten gelegd werden niet voorbij gegaan, uit verlangen naar Gösta Berling en hij had Anna Stjärnhök niet vergeten. Neen, zij waren onschuldig, geen van beiden had dit gewild.

’t Was de zachtmoedige Löwenborg, hij met de tranen in de oogen en den glimlach op de lippen,—die het gordijn ophaalde en liet vallen. Verdiept in vele treurige herinneringen, had hij maar weinig aandacht over voor de dingen dezer wereld en had nooit geleerd ze behoorlijk te behartigen. Toen hij nu zag, dat Gösta en Marianne eene andere houding hadden aangenomen, meende hij, dat dit bij het tableau hoorde en trok het gordijn weer op.

De jonge menschen op ’t balkon bemerkten er niets van, eer de storm van applaus weer losbarstte in de zaal.

Een schok voer Marianne door de leden, en zij wilde vluchten; maar Gösta hield haar vast en fluisterde: „sta stil, ze denken dat dit bij het tableau hoort.”

Hij voelde haar beven van angst en de gloed der kussen sterven op haar lippen. „Wees niet bang,” fluisterde hij, „schoone lippen hebben recht tot kussen.”

Zij moesten stil blijven staan, terwijl het gordijn op en neer ging, en ieder keer, dat die honderden oogen hen aanzagen, ging een storm van applaus door de zaal.

Want het is heerlijk twee schoone jonge menschen het geluk der liefde te zien voorstellen. Niemand dacht, dat deze kussen iets anders dan tooneelkussen waren, niemand vermoedde dat de Sennora beefde van schaamte en de ridder trilde van onrust. Iedereen dacht, dat alles bij het tableau hoorde.

Eindelijk stonden Marianne en Gösta achter de coulissen. Zij streek zich over het voorhoofd en over het haar: „Ik begrijp mij zelf niet,” zeide zij.

„Foei, juffrouw Marianne,” zei hij en trok een leelijk gezicht, terwijl hij een afwerende beweging met de hand maakte. „Gösta Berling kussen, wel foei!”

Marianne moest lachen.

„Iedereen weet, dat Gösta Berling onweerstaanbaar is,” antwoordde ze. „Mijn schuld is niet grooter dan die van ieder ander.”

En ze spraken af zich goed te houden, zoodat niemand de waarheid zou vermoeden.

„Kan ik er op vertrouwen, dat de waarheid nooit uitkomt, mijnheer Gösta?” vroeg zij toen zij in de zaal zouden gaan.

„Daar kunt u zeker van zijn, juffrouw Marianne. De kavaliers zwijgen; ik sta voor hen in.”

Zij sloeg de oogen neer en een eigenaardige glimlach krulde haar lippen.

„Als nu de waarheid toch uitkomt, wat zullen de menschen dan wel van me denken, mijnheer Gösta?”

„Ze zullen niets denken; zij weten, dat dit niets beduidt. Ze zullen denken, dat we in onze rollen waren en doorspeelden.”

Nog een vraag sloop te voorschijn van onder de neergeslagen oogen en den gedwongen glimlach.

„Maar wat denkt Mijnheer Gösta er zelf van?”

„Ik denk, dat Juffrouw Marianne verliefd op mij is,” zei hij lachende.

„Geloof dat niet,” antwoordde ze glimlachend, „want dan zou ik Mijnheer Gösta met mijn Spaansche dolk moeten doorboren om hem te bewijzen, dat hij ongelijk heeft.”

„Vrouwenkussen zijn duur, zei Gösta. „Kost het iemand het leven als Juffrouw Marianne hem kust?”

Toen zond Marianne hem een vlammenden blik, zóó scherp, dat hij dien voelde als een dolkstoot.

„Ik wou, dat je dood waart, Gösta Berling! dood! dood!”

Die woorden wakkerden ’t oude heimwee van den dichter weer aan.

„Ach,” zeide hij, „waren die woorden maar meer dan woorden, waren ze maar pijlen, die fluitend aankwamen uit ’t donkere kreupelhout, waren ze maar dolken of giftdroppels! Hadden ze maar macht dit ellendig lichaam weg te nemen en mijn ziel vrij te maken!”

Zij was weer rustig geworden en glimlachte: „Kinderpraat,” zei ze en nam zijn arm om naar binnen te gaan.

Zij hielden hun kostumes aan en werden in triomf ingehaald, toen zij zich in de zaal vertoonden. Allen prezen hen. Niemand vermoedde iets.

’t Bal begon, maar Gösta ging weg uit de balzaal. Zijn hart deed hem pijn, na dien blik van Marianne, als ware ’t door scherp staal gekwetst. Hij begreep wel, wat ze bedoelde. ’t Was schande hem lief te hebben, schande door hem bemind te worden—een schande, erger dan de dood. Hij wilde niet meer dansen; hij wilde ze niet meer zien, die schoone vrouwen. Hij wist het wel. Hun fluweelen oogen, hun roode wangen waren niet voor hem. Niet voor hem zweefden hun lichte voeten door de zaal, niet voor hem klonk hun frissche lach. Ja, met hem dansen, met hem dwepen—dat konden ze, maar geen van hen zou in allen ernst de zijne willen zijn.

Hij ging in de rookkamer naar de oude heeren en zette zich aan een der speeltafeltjes. Toevallig kwam hij aan ’t zelfde, waar de machtige Heer van Björne zat. Nu eens speelde hij, dan hield hij de bank en verzamelde een grooten stapel geld voor zich.

’t Spel ging al hoog. Nu voerde Gösta ’t nog hooger op. De groene bankpapieren kwamen voor den dag en steeds groeide de stapel geld voor den machtigen Melchior aan.

Maar ook voor Gösta lagen spoedig bankbiljetten en kopergeld in overvloed en spoedig was hij de eenige die ’t tegenover Melchior Sinclaire van Björne kon volhouden. Spoedig begonnen zelfs de geldstukken van hem naar Gösta Berling te verhuizen.

„Nu Göstalief!” riep hij uit, toen hij alles had verspeeld wat hij in zijn beurs en portefeuille had, „wat zullen we nu doen? Ik ben lens en speel nooit met geleend geld. Dat heb ik mijn moeder beloofd.”

Hij vond er toch iets op. Hij verspeelde zijn horloge en zijn pels van berenvel en was juist van plan zijn slee en paard op te zetten, toen Sintram hem tegenhield.

„Zet wat op, dat de moeite waard is,” raadde de booze Heer van Fors. „Zet wat op dat ’t geluk kan doen verkeeren.”

„De duivel hale als ik weet wat dat is.”

„Speel om je dierbare oogappel, Melchior, speel om je dochter!”

„Dat kunt u gerust wagen,” zei Gösta lachende, „dien prijs zal ik nooit winnen.”

De machtige landheer kon niet anders dan meelachen. Hij had niet graag, dat Mariannes naam aan de speeltafel genoemd werd; maar deze inval was zóó onzinnig, dat hij niet boos kon worden. Marianne aan Gösta Berling verspelen.... ja, dat kon hij wel wagen.

„Dat wil zeggen,” verklaarde hij, „dat als je haar jawoord kunt winnen, Gösta, zet ik mijn zegen op jelui huwelijk op deze kaart.”

Gösta zette alles op, wat hij gewonnen had en ’t spel begon. Hij won en Melchior Sinclaire hield met spelen op. ’t Geluk liep hem tegen. Hij zag wel dat ’t niet ging.

De nacht ging voorbij. ’t Was al over twaalven.

De wangen der schoonen begonnen te verbleeken, het haar ging uit de krul, de garneeringen der baljaponnen waren gekreukeld. De oude dames stonden op uit de sofa’s en zeiden, dat ’t feest nu twaalf uren geduurd had en dat het tijd werd om naar huis te gaan.

En ’t heerlijk feest was voorbij, maar Liljecrona nam zelf de viool en speelde nog een laatste polka. De sleden stonden voor de deur, de oude dames deden haar pelzen en kappen aan, de oude heeren bonden de cache-nez om den hals en knoopten hun bonten overschoenen dicht.

Maar de jongelieden konden nog niet uit de danszaal scheiden. Zij dansten met hoed en mantel om. Ze dansten de polka à quatre, de slingerpolka, de ringpolka, een onzinnige dans was het. Zoo vaak een cavalier zijn dame losliet, kwam een ander en danste met haar weg.

Zelfs de treurige Gösta werd meegesleept in den wervelwind. Hij wilde de smart en de vernedering wegdansen, hij wilde weer de levenslust door zijn aderen voelen bruisen; hij wilde blij zijn, blij zooals alle anderen. En hij danste dat de zaal met hem in ’t rond draaide en zijn gedachten verward werden.

Wat was dat nu voor een dame, waar hij nu meê danste? Ze was licht en slank en ’t was hem als gingen stroomen vuur van hem naar haar en van haar naar hem. Ach! Marianne!

Terwijl Gösta met Marianne danste, zat Sintram al in zijn slee beneden op de plaats en naast hem stond Melchior Sinclaire. De machtige landheer was ongeduldig geworden, omdat hij op Marianne moest wachten. Hij stampte op de sneeuw met zijn groote, met bont gevoerde laarzen en sloeg met de armen, want ’t was bitter koud.

„Je hadt misschien Marianne maar liever niet aan Gösta moeten verspelen, Sinclaire,” zei Sintram.

„Wat blief je??”—

Sintram maakte de teugels in orde en hief de zweep op, eer hij antwoordde:

„Dat gekus hoorde volstrekt niet bij het tableau.”

De machtige Melchior hief den arm op tot een verpletterenden slag; maar Sintram was al weg. Hij draafde weg en zweepte de paarden aan tot een woeste vaart zonder te durven omzien. Want Melchior Sinclaire had een sterken arm en weinig geduld.

De Heer van Björne ging nu in de danszaal om zijn dochter te halen en zag daar hoe Gösta en Marianne dansten. Woest en onstuimig werd die laatste polka gedanst. Enkele paren waren bleek; andere gloeiend rood. ’t Stof stond als een wolk door de zaal. De kaarsen gloeiden; ze waren in de kandelaars neergebrand, en midden in dien ongezelligen chaos vlogen Gösta en Marianne rond, vorstelijk in hun frissche onvermoeidheid in hun vlekkelooze schoonheid, blijde zich latende gaan in de heerlijke beweging van den dans.

Melchior Sinclaire zag een poos naar hen, toen ging hij heen en liet Marianne dansen. Hij sloeg de deur hard dicht, stampte woest op de trappen, zette zich zonder een woord te spreken in de slee, waar zijn vrouw hem al wachtte en reed naar huis.

Toen Marianne na den dans naar haar ouders vroeg, waren ze weggereden. Toen zij dat hoorde, hield zij zich goed en toonde geen verwondering. Zij kleedde zich stil aan en ging naar buiten. De dames in de kleedkamer meenden, dat zij haar eigen slee had. Maar ze spoedde zich in haar dunne zijden schoentjes voort langs den weg, zonder aan iemand haar nood te klagen. Niemand herkende haar in het donker. Niemand kon denken, dat de wandelaarster, die door de voorbijrijdende sleden in de hooge sneeuwhoopen langs den weg gedrongen werd, de mooie Marianne was. Zoodra de weg vrij was en zij midden op kon loopen, liep ze zoo hard als ze kon. Als ze moe werd, hield ze even op, dan draafde ze weer. Een akelige, pijnlijke angst dreef haar voort.

Van Ekeby naar Björne is niet verder dan een vierde mijl. Marianne was spoedig thuis, maar ze meende eerst dat ze verkeerd geloopen was. Toen zij het huis naderde, waren alle deuren dicht, alle lichten uit. Ze dacht eerst, dat haar ouders nog niet thuis gekomen waren.

Ze ging naar de hoofddeur en liet den klopper een paar malen zwaar neervallen. Zij greep den deurknop en rukte er aan, dat het door ’t geheele huis klonk. Niemand deed open; maar toen ze den ijzeren knop, dien ze met haar bloote handen had aangegrepen, wilde loslaten, werd de huid van haar hand door den ijskouden knop gescheurd.

De machtige eigenaar van Björne, Melchior Sinclaire, was naar huis gereden om de poort van zijn goed te sluiten voor zijn eenig kind: hij was bedwelmd door den drank, en woest van toorn. Hij haatte zijn dochter, omdat ze van Gösta Berling hield, hij sloot de dienstboden in de keuken op en zijn vrouw in de slaapkamer. Met geweldige vloeken dreigde hij ieder, die het waagde Marianne binnen te laten komen, armen en beenen stuk te slaan. Zij wisten dat hij woord zou houden.

Zóó boos had nog niemand hem ooit gezien. Grooter leed was hem nooit overkomen. Was zijn dochter hem onder de oogen gekomen, hij had haar misschien gedood.

Hij had haar gouden sieraden en zijden kleederen gegeven; hij had haar fijne beschaving en veel kennis gegeven. Zij was zijn eer, zijn glorie geweest. Hij was trotsch op haar geweest als droeg ze een kroon! Ach zijn vorstelijke, goddelijke, aangebedene, zijn schoone fiere Marianne! Had hij iets ontzien, waar ’t haar gold? Had hij zich niet te onbeschaafd gevoeld om haar vader te zijn? Ach Marianne, Marianne!

Zou hij haar niet haten, zij die verliefd is op Gösta Berling en hem kust! Zou hij haar niet verstooten en zijn deur voor haar sluiten, als ze zijn eer krenkt door zulk een man lief te hebben?—Laat ze op Ekeby blijven. Laat ze bij de buren een onderkomen zoeken, laat ze in de sneeuw slapen. Hem kan ’t niet schelen. Ze is toch al door den modder gehaald. Haar glans—de glans van zijn leven is weg!

Hij ligt daar binnen in bed en hoort haar kloppen op de deur. Wat gaat hem dat aan? Hij slaapt. Daar buiten staat iemand, die met een afgezetten dominé trouwen wil. Zulke menschen hooren niet in zijn huis. Had hij haar minder liefgehad, was hij minder trotsch op haar geweest, dan had hij haar misschien nog ingelaten.

Ja, zijn zegen kon hij hen niet onthouden. Dien had hij aan Gösta Berling verspeeld. Maar in zijn huis zou ze geen voet meer zetten, dàt verkoos hij niet.—Ach Marianne!

De schoone jonge vrouw stond nog altijd buiten de deur van haar ouderlijk huis. Nu eens rukte ze aan de deur in machtelooze woede, dan weer viel ze op haar knieën, vouwde haar gekwetste handen en smeekte om vergeving. Maar niemand deed open.

Ach, was dat niet verschrikkelijk?

Ontzetting grijpt me aan, terwijl ik het vertel. Zij kwam van een bal, waar ze koningin van ’t feest geweest was. Ze was fier, rijk en gelukkig en in één oogenblik werd ze in zulk een hopelooze ellende gestort. Uitgestooten uit haar huis, aan de felle winterkou prijs gegeven; niet gehoond, geslagen of vervloekt, maar enkel koud, onverbiddelijk, liefdeloos buitengesloten.

Ik denk aan den kouden, sterrenheldren nacht, die zich over haar welfde, de groote wijde nacht met de verlatene, eenzame sneeuwvelden, met de stille bosschen. Alles was stil, alles lag zonder smart in diepe rust, slechts één enkel levend punt in al dat slapende witte. Alle smart en angst en schrik, die anders over heel de wereld verdeeld is, kwam nu samen op dat ééne punt. O, God! alleen te lijden in die slapende, stijfbevroren wereld.

Voor ’t eerst in haar leven ontmoette ze onbarmhartigheid en hardheid. Haar moeder wilde niet eens uit haar bed opstaan, om haar te redden. Oude, trouwe dienaren, die haar eerste schreden geleid hadden, hoorden haar, maar verroerden geen vinger om harentwil. Voor welke misdaad werd ze toch gestraft! Waar kon ze barmhartigheid verwachten, als ze die hier niet vond! Als ze een mensch vermoord had, zou ze toch nog hier aangeklopt hebben, in de overtuiging, dat zij daarbinnen haar vergeven zouden. Al was ze de ellendigste onder de menschen geworden, al was ze diep gezonken en in lompen, dan nog zou ze met vertrouwen naar deze deur zijn gegaan en een liefdrijk welkom verwacht hebben. Deze deur was de ingang naar haar huis. Daarachter kon ze alleen liefde ontmoeten. Had haar vader haar nu nog niet genoeg beproefd? Zouden ze nu niet gauw opendoen?

„Vader, vader!” riep ze, „laat me toch binnen. Ik heb ’t zoo koud, ik ril ’t Is hier buiten zoo vreeselijk!”

„Moeder, moeder; u hebt zooveel voor me gedaan! u hebt zoo dikwijls bij me gewaakt! Waarom slaapt u nu? Moeder, moeder waak nog dezen éénen nacht, en ik zal u nooit meer verdriet doen!”

Zij roept, en luistert dan ademloos naar antwoord. Maar niemand hoort het, niemand helpt, niemand antwoordt. Dan wringt zij de handen van angst; maar ze heeft nog geen tranen.

Het lange donkre huis met zijn gesloten deuren en donkre vensters lag schrikwekkend, onbewegelijk, in den stillen nacht. Wat moest er van haar, arme daklooze worden. Gebrandmerkt en onteerd zou ze zijn, zoolang ze leefde. En ’t was haar vader zelf, die haar ’t gloeiend brandijzer in de schouders drukte.

„Vader,” riep ze nog eens, „wat moet er van me worden? De menschen zullen allerlei kwaad van me denken.” Zij schreide en jammerde; zij was geheel verstijfd van kou.

O! dat zulk een ellende kan komen over iemand, die pas zóó hoog stond. Dat men zóó licht onder ’t zwaarste leed gebogen kan worden! Moeten we niet bang worden voor ’t leven? Wie is er veilig? Om ons heen golft de smart als een woeste zee. Zie, de golven dringen op om ons scheepje, begeerig om er bruisend overheen te storten. O, geen zeker voetpad, geen vaste grond, geen veilig vaartuig, zoover het oog reikt! Slechts een onbekende hemel over zee van smart.

Stil! Eindelijk, eindelijk! Lichte schreden klinken in de vestibule.

„Is u ’t moeder?” vroeg Marianne.

„Ja, mijn kind.”

„Mag ik nu binnen komen?”

„Vader wil je niet binnen laten.”

„Ik ben van Ekeby hierheen geloopen met mijn dunne schoenen door de sneeuw. Ik heb hier een uur staan roepen en kloppen. Ik vries hier dood! Waarom is u weggereden?”

„Ach, kind, kind, waarom heb je Gösta Berling gekust!”

„Maar zeg toch aan vader, dat ik niet van hem houd! ’t Was immers maar spel! Gelooft hij dan dat ik Gösta hebben wil?”

„Ga naar de boerderij, Marianne en vraag of je daar van nacht moogt blijven. Vader is dronken. Met vader is niet te praten, hij heeft mij boven gevangen gehouden. Ik ben weggeslopen, toen ik dacht, dat hij sliep. Hij slaat je dood, als je binnenkomt.”

„Moeder, moeder, moet ik naar vreemden gaan als ik een huis heb? Is moeder even hard als vader. Hoe kunt gij er vrede meê hebben, dat ik buiten gesloten word. Ik ga hier in de sneeuw liggen, als u me niet binnen laat.”

Toen nam Mariannes moeder de deursleutel in de hand om open te doen; maar op ’t zelfde oogenblik hoorde ze zware schreden op de trap en een scherpe stem riep haar.

Marianne luisterde; haar moeder haastte zich weg; de scherpe stem schold haar uit en toen....

Marianne hoorde iets vreeselijks—in ’t doodstille huis kon ze ieder geluid hooren.

Ze hoorde ’t geluid van een slag, van een stokslag of een oorvijg, toen een zwak geritsel en toen weer een slag.

Hij sloeg haar moeder, de verschrikkelijke, reusachtige Melchior Sinclaire sloeg zijn vrouw!

Doodsbleek van schrik wierp Marianne zich neer op den drempel en wrong de handen van angst. Nu schreide zij en haar tranen bevroren op den drempel van haar ouderlijk huis.

Genade! Erbarming! Doe open, doe open, opdat zij haar rug kan krommen onder de slagen. O! dat hij moeder kan slaan, haar slaan, omdat ze haar dochter niet dood in de sneeuw wil zien liggen, omdat zij haar kind heeft willen troosten!

Hoe diep werd Marianne dien nacht vernederd! Ze had gedroomd, dat zij koningin was en daar lag ze nu, weinig beter dan een slavin, gekromd onder de zweep van haar meester.

Maar zij stond op in ijskoude verontwaardiging. Nog eens sloeg ze met haar bloedende hand op de deur en riep:

„Hoor wat ik je nu zeg, jij die mijn moeder slaat! Je zult schreien, Melchior Sinclaire, bloedige tranen schreien!” Daarop ging zij heen, de schoone Marianne en legde zich ter ruste in een sneeuwhoop. Ze gooide haar pels af en lag daar in haar zwart fluweelen feestkleed, scherp afstekend tegen de witte sneeuw en ze dacht er aan hoe haar vader den volgenden morgen vroeg zou uitgaan en haar vinden. Zij hoopte alleen dat hij haar zelf vinden zou.


Op Ekeby waren alle lichten uitgebluscht en alle gasten vertrokken. De kavaliers stonden alleen boven in de kavaliersvleugel, om den laatsten halfleegen bowl.

Toen tikte Gösta tegen den rand van den bowl, en sloeg een toast op u, gij vrouwen uit vroeger dagen.

Wie van u sprak, zei hij, hem was het als vertoefden zijn gedachten in ’t Paradijs. Louter heerlijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge en vriendelijk als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw en hard. Gij zachte heiligen, als versierde beelden stond ge in den tempel van het tehuis. De mannen lagen aan uw voeten en brachten u wierook en gebeden ten offer, door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie.

En de kavaliers sprongen op, bedwelmd door den wijn, bedwelmd ook door zijn woorden, de feestvreugde nog bruisend door hun bloed. De oude oom Eberhard en de luie neef Christoffel bleven niet achter. In vliegende vaart spanden zij allen te samen de paarden voor de sleden en ijlden voort door den kouden nacht om nog een hulde te brengen aan haar, die nooit genoeg gehuldigd werden, om een serenade te brengen aan ieder, die met haar roode wangen en heldere oogen schitterde in de groote zalen van Ekeby.

Maar de kavaliers brachten ’t niet ver op dien tocht. Want toen ze bij Björne kwamen, vonden zij de schoone Marianne in de sneeuw liggen voor de poort van haar ouderlijk huis.

Zij rilden! Zij werden bedroefd en vertoornd toen ze haar daar zoo zagen liggen. Het was hun als vonden ze een heiligenbeeld vernield en uitgeplunderd bij de kerkdeur liggen, alsof een baldadige hand de snaren van een stradivarius had doorgesneden.

Gösta balde de vuist tegen het donkere huis. „Gij kindren der duisternis!” riep hij. „Als hagel en storm hebt ge Gods paradijs verwoest!”

Beerencreutz stak zijn hoornen lantaren aan en lichtte er de bewustelooze meê in ’t blauwbleeke gezicht. Toen zagen de kavaliers haar gekwetste handen, en de tranen, die in haar wimpers bevroren waren en zij jammerden luid. Want zij was toch meer dan een heiligenbeeld of een kostbaar muziekinstrument;—ze was een schoone vrouw, die tot vreugd voor hun oude harten geweest was.

Gösta Berling wierp zich naast haar op de knieën.

„Hier ligt ze nu, mijn bruid, riep hij uit. „Zij gaf mij voor een paar uur de eerste kus en haar vader heeft mij zijn zegen beloofd. Zij ligt en wacht, tot ik haar sneeuwwit bed kom deelen.” En Gösta hief de levenlooze op in zijn sterke armen.

„Naar huis, naar Ekeby met haar! riep hij uit. „Nu is ze de mijne! In de sneeuw heb ik haar gevonden, nu zal niemand mij haar afnemen. Wij zullen hen daarbinnen niet wakker maken. Wat zou zij daar achter die poort doen, waartegen zij de handen aan bloed sloeg!”

Hij mocht doen wat hij wilde. Hij legde Marianne in de voorste slee en zette zich naast haar. Beerencreutz ging er achter op staan en greep de teugels.

„Wrijf haar met sneeuw, Gösta,” raadde hij.

De kou had haar verlamd, anders niet. Haar woest oproerig hart klopte nog. Zij was niet eens bewusteloos. Zij had alles gehoord en wist, dat de kavaliers haar gevonden hadden; maar zij kon zich niet bewegen. Ze lag stijf en onbewegelijk in de slee, terwijl Gösta Berling haar met sneeuw wreef en beurtelings schreide en haar kuste, en zij voelde een oneindig verlangen om slechts éen hand zóóveel te kunnen verroeren, dat ze zijn liefkoozingen beantwoorden kon.

Zij herinnerde zich alles; ze lag daar wel stijf en machteloos, maar haar gedachten waren helderder dan ooit. Had zij Gösta Berling lief? Ja, dat deed ze! Was het maar een inval van dien avond? Neen, zij had hem al lang, al vele jaren liefgehad.

Ze vergeleek zich zelf met hem en de andere menschen in Wermeland. Zij waren allen kinderen van het oogenblik. lederen opkomenden lust volgden ze. Zij leefden alleen het uiterlijke leven en hadden nooit de diepte hunner ziel gepeild. Maar zij was geworden zooals men wordt door veel onder menschen te verkeeren. Zij kon zich nooit geheel aan iets overgeven. Als zij liefhad—ja, wat ze ook deed—altijd stond de eene helft van haar Ik met een koelen spottenden glimlach toe te zien op wat de andre helft deed. Zij had verlangd naar een hartstocht, die over haar komen zou en haar meêslepen in woeste vaart. En nu was hij gekomen, de machtige. Toen zij Gösta Berling gekust had op het balkon, had zij voor het eerst zich zelf vergeten.

En nu kwam de hartstocht op nieuw over haar. Haar hart sloeg zóó heftig, dat zij ’t hooren kon. Zou zij niet eindelijk haar ledematen weer meester worden?—Zij voelde een woeste blijdschap, omdat ze uit haar huis verstooten was. Nu wilde ze Gösta toebehooren, zonder eenige bedenkingen. Wat was ze toch dom geweest, toen ze jaren lang haar liefde bedwong. O heerlijk, heerlijk is ’t zich over te geven aan de liefde, haar te voelen branden in ’t hart. Maar zou ze dan nooit, nooit uit de kluisters van ijs bevrijd worden? Tot nu toe was ze van binnen koud en van buiten vol gloed geweest. Nu was ’t haar als droeg ze een ziel van vuur in een lichaam van ijs.

Daar voelt Gösta twee armen zacht zich opheffen en om zijn hals leggen met een zwak, bijna onmerkbaar drukken.

Hij kon ’t maar juist even voelen.

En Marianne meende, dat zij haar gesmoorden hartstocht lucht gegeven had in een brandende omhelzing.

Toen Beerencreutz dat zag, liet hij ’t paard over aan zich zelf op den bekenden weg. Hij hief zijn oogen op en staarde hardnekkig en onafgebroken naar ’t zevengesternte.

VI.

De oude voertuigen.

Vrienden, menschenkinderen! Wanneer het mocht zijn, dat ge dit zit of ligt te lezen in den nacht, zooals ik dit schrijf in stilte en duisternis, slaak dan geen zucht van verlichting bij de gedachte, dat de goede heeren van Ekeby ongestoord konden slapen, toen ze thuis gekomen waren met Marianne en haar een goed bed gegeven hadden in de beste logeerkamer bij de groote zaal.

Ze gingen wel naar bed en sliepen in; maar het viel hen niet te beurt om rustig te slapen tot midden op den dag, zooals gij en ik zouden doen, als we tot vier uur opgebleven waren en de leden ons pijn deden van vermoeidheid.

Want ge moet niet vergeten, dat de oude Majoorske door ’t land ging met den bedelstaf en dat het niet in haar aard lag, bij ’t uitvoeren van gewichtige plannen, rekening te houden met het gemak van vermoeide zondaars. En nu deed ze dat nog veel minder, omdat ze voornemens was dezen nacht de kavaliers van Ekeby te verdrijven.

De tijd, toen zij in glans en heerlijkheid op Ekeby zat en vreugde om zich heen strooide over de wereld, zooals God sterren zaait over den ganschen hemel—die tijd was voorbij. En terwijl zij verlaten ronddwaalde, was de macht en eer van het groote goed aan de kavaliers overgelaten, die het verzorgden, zooals de wind de asch, zooals de lentezon de sneeuw.

Nu en dan gebeurde het, dat de kavaliers in een lange slede reden met klinkende bellen. Wanneer zij dan de Majoorske ontmoetten, die als bedelaarster langs den weg ging, sloegen zij de oogen niet neer. De luidruchtige troep balde de vuisten tegen haar. Met een zwaai van de slee drongen ze haar in de sneeuwhoopen op zij van den weg en Majoor Fuchs, de beerenjager, spuwde altijd drie keer op den grond om het booze voorteeken van zulk een ontmoeting de kracht te ontnemen.

Zij hadden geen medelijden met haar, ze beschouwden haar als een leelijke heks.

Als haar een ongeluk getroffen had, zouden ze het zich niet meer hebben aangetrokken, dan wanneer ze op een avond een geweer hadden afgeschoten met koperen knoopen en dan toevallig een voorbijvliegende tooverheks geraakt hadden.

De arme kavaliers meenden hun ziel te redden door de Majoorske te vervolgen.

De menschen hebben elkaar vaak ’t gruwelijkst gepijnigd, als zij in angst waren voor de zaligheid hunner ziel.

Als de kavaliers laat in den nacht van hun drinkgelag naar ’t venster gingen, om naar ’t weer te kijken, zagen ze vaak een donkere schaduw door den hof glijden en ze begrepen dan, dat de Majoorske naar haar geliefd tehuis kwam kijken. Maar dan daverde de kavaliersvleugel van het honend lachen der oude zondaars en spottende woorden klonken uit de open vensters in haar ooren.

Voorwaar! Harteloosheid en hoogmoed namen hun intrek bij de arme avonturiers. Sintram had haat in hun harten gezaaid. Als de Majoorske in vrede op Ekeby was gebleven, kon hun ziel niet in grooter gevaar geweest zijn. Er vallen meer krijgers op de vlucht dan in den slag.

De Majoorske was niet bijzonder boos op de kavaliers. Had zij er nog de macht voor gehad, dan had zij ze met een roede afgestraft als ondeugende jongens en hen dan weer in genade aangenomen. Maar ze was bekommerd voor haar geliefd tehuis, dat aan de kavaliers was overgelaten en door hen verzorgd werd zooals de wolf het schaap verzorgt.

Ach! hoevelen hebben dezelfde smart gedragen. Zij is niet de eenige, die haar dierbaar thuis heeft zien verwaarloozen, die gevoeld heeft wat het is als het ouderlijk huis ons aanziet als een gewond dier. Hoe menigeen voelt zich als ware hij een misdadiger, als hij de boomen met mos en de paden met gras ziet begroeien. Hij zou op de knieën kunnen vallen op die velden, vroeger golvend van graan en ze smeeken hem niet aan te klagen om de schande, die over hen kwam. Hij wendt zijn hoofd af voor den blik der arme oude paarden. Hij durft niet aan ’t hek blijven staan om ’t vee van de weiden te zien thuiskomen. Geen plek op aarde is zóó droevig om te zien als een vervallen thuis.

Ach, ik smeek u, gij allen, die velden en weiden en tuinen met bloemen, die vreugde brengen, bezit of te verzorgen hebt—verzorg ze goed. Geef ze uw liefde, uw arbeid. Het is niet goed, als de natuur moet treuren over de menschen! Als ik er aan denk wat het trotsche Ekeby heeft moeten lijden, onder het bestuur der kavaliers, dan betreur ik het, dat de Majoorske haar doel niet bereikte, dat Ekeby hun niet afgenomen werd.

Het was niet haar bedoeling zelf weer aan het bestuur te komen. Zij had maar één doel: haar huis te bevrijden van die dwazen, sprinkhanen, die roovers, die geen grassprietje overlieten.

Terwijl ze bedelend door ’t land trok en van aalmoezen leefde, moest zij steeds aan haar moeder denken, en de gedachte, dat er nooit betere tijden voor haar zouden komen, vóor haar moeder den vloek van haar weggenomen had, die haar zoo zwaar drukte, schoot wortel in haar ziel.

Niemand had haar nog den dood der oude vrouw gemeld. Zij leefde dus zeker nog in het Elvedal, daar boven op haar hoeve. Negentig jaar oud leefde ze daar nog en werkte onafgebroken, verzorgde haar melkschotels in den zomer en haar kolenbranderijen in den winter, werkte tot het laatste toe, verlangend naar den dag, dat zij haar arbeid volbracht had.

En de Majoorske dacht, dat als de oude vrouw zóólang bleef leven, ’t zeker zijn zou, omdat ze den vloek van haar leven wegnemen zou. De moeder, die zulk een ellende over ’t hoofd van haar kind had gebracht, kon niet sterven.

Daarom wilde de Majoorske naar haar toegaan, opdat ze beide rust zouden vinden. Zij wilde door de donkre bosschen heen opgaan langs de lange beek naar haar ouderlijk huis. Eer kon ze geen rust vinden. Er waren velen, die haar in die dagen een gezellig tehuis en trouwe vriendschap aanboden, maar zij had geen blijvende plaats. Barsch en toornig ging zij van de eene hoeve naar de andere, want de vloek drukte haar.

Zij wilde naar haar moeder gaan, maar eerst wilde zij haar geliefd Ekeby redden. Zij wilde het niet achterlaten in de handen van lichtzinnige pretmakers, van onbruikbare zwierbollen, van onverschillige verkwisters van Gods goede gaven. Zou zij heengaan om later haar bezittingen verwoest, haar smidse verlaten, haar paarden verwaarloosd, haar dienstboden vertrokken te vinden? Neen, nog eens wilde ze al haar kracht verzamelen en de kavaliers wegjagen.

Wel wist ze, dat haar man met vreugde zag hoe ’t toeging op Ekeby. Maar ze kende hem genoeg om te weten dat, als zij maar eens zijn sprinkhanen verdreven had, hij te lui zou zijn om anderen te zoeken. Waren de kavaliers maar eerst weg, dan zou haar oude rentmeester en de meesterknecht Ekeby wel op de oude manier besturen.

Daarom had men haar zwarte schaduw vele nachten lang zien rondsluipen op de zwarte wegen bij de ijzermijnen. Zij was de arbeidershuizen uit en ingegaan; ze had gefluisterd met den molenaar en zijn knechts in de benedenste kelders van den molen; zij had beraadslaagd met de smeden in ’t donkere kolenhok.

En allen hadden ze gezworen haar te helpen. De eer en ’t aanzien van ’t oude landgoed zou niet langer overgelaten worden aan slordige kavaliers, om door hen verzorgd te worden zooals de wind de asch, de wolf de kudden verzorgt.

En in dezen nacht, die de vroolijke heeren verdanst, en verdronken hebben, tot ze doodmoe op hun bedden in slaap gevallen zijn, in dezen nacht nog moeten zij weg. Zij heeft hen laten feestvieren. Met een barsch gezicht heeft zij in de smidse gezeten en gewacht tot het feest voorbij was. Zij heeft nog langer gewacht, totdat de kavaliers terugkwamen van hun nachtelijken rit; zij heeft zwijgend gewacht tot haar werd aangezegd, dat het laatste licht uit was op de kavaliersvleugel en dat alles op het groote landgoed sliep. Toen stond ze op en ging naar buiten. ’t Was al vijf uur in den morgen; maar nog welfde zich de donkere, van sterren vonkelende Februarinacht over de aarde.

De Majoorske gebood heel het dienstpersoneel van ’t landgoed zich bij den kavaliersvleugel te verzamelen. Zelf ging ze eerst naar het hoofdgebouw, klopte aan en werd binnen gelaten. De dochter van den predikant te Broby, die zij had opgeleid tot een bekwaam dienstmeisje, ontving haar.

„Mevrouw is zoo hartelijk welkom,” zei het meisje en kuste haar de hand.

„Doe het licht uit,” zei de Majoorske. „Meen je, dat ik hier den weg niet kan vinden zonder licht?”

En toen begon zij haar wandeling door het stille huis. Zij ging van den zolder tot den kelder om afscheid te nemen. Zacht slopen de beide vrouwen van ’t eene vertrek naar het andere. De Majoorske sprak met haar herinneringen. ’t Meisje zuchtte en jammerde niet, maar groote tranen rolden aanhoudend over haar wangen, terwijl ze haar meesteres volgde. De Majoorske liet de linnenkast en de zilverkast opendoen en streek met de hand over de fijne damasten tafellakens en over de prachtige zilveren kannen. Zij liet de hand over de groote stapels donzen dekens en kussens glijden op de beddenkamer. Al het huisraad: de weefstoelen, de spinnewielen, de garenwinders, moest zij aanraken. Zij stak onderzoekend haar hand in de kruiddoos en voelde aan de vetkaarsen, die aan den zolder hingen.

„De kaarsen zijn droog,” zeide ze. „Nu kunnen ze afgenomen en opgeborgen worden.” In den kelder ging ze, klopte op de vaten liet de hand glijden langs de rekken met wijnflesschen. Zij was in de provisiekamer en in de keuken en betastte alles, onderzocht alles. Zij strekte de handen uit en nam afscheid van alles in het huis.

Eindelijk ging zij in de kamers. In de eetzaal streek zij met de hand over de groote uittrektafel.

„Menigeen is verzadigd geworden aan deze tafel,” zeide zij.

Zij ging door alle kamers. Zij vond de lange breede sofa’s op hun plaatsen, zij streelde het koude marmer op de consoles die, door vergulde draken gedragen, de kostbare spiegels ondersteunden.

„Een rijk huis,” zei ze, „een heerlijk man was hij, die mij dat alles gaf om te besturen.”

In de groote zaal, waar zoo pas de dans nog weêrklonken had, stonden de leuningstoelen met hooge ruggen al weer op een stijve rij langs den muur. Zij ging naar de piano en sloeg zacht een paar tonen aan.

„Ook in mijn tijd ontbrak ’t hier niet aan vreugd en vroolijkheid,” zeide zij.

De Majoorske ging ook in de logeerkamer achter de groote zaal. ’t Was pikdonker.

De Majoorske voelde voor zich uit en raakte bij toeval ’t gezicht van ’t meisje aan.

„Schrei je?” vroeg zij, want haar hand was nat van tranen.

Toen barstte het meisje in luid weenen uit. „Ach mevrouw, lieve mevrouw,” snikte ze, „zij vernielen alles. Waarom gaat mevrouw van ons weg en laat de kavaliers het heele huis bederven!”

De Majoorske trok het gordijn ter zijde en wees naar beneden in den hof. „Heb ik je geleerd te schreien en te jammeren?” vroeg zij. „Zie, de plaats is vol menschen. Morgen is er geen enkele kavalier meer op Ekeby.

„En komt mevrouw dan terug?” vroeg het meisje.

„Mijn tijd is nog niet gekomen,” zeide de Majoorske. „De straatweg is mijn huis, een sloot mijn bed. Maar jij moet Ekeby voor mij bewaren, meisje, terwijl ik weg ben.”

En zij gingen verder. Geen van beiden wist of dacht er aan, dat Marianne juist in deze kamer sliep.

Zij sliep ook niet. Ze lag klaar wakker, zij hoorde en begreep alles. Zij had in haar bed een hymne aan de liefde liggen dichten. „Gij heerlijke, die me verhieft boven mij zelf,” zeide zij, „ik lag in grondelooze ellende verzonken en gij hebt die in een paradijs herschapen. Aan den ijzeren knop van den gesloten poort bleven mijn handen hangen en werden er gekwetst; op den drempel van mijn tehuis liggen mijn tranen tot ijspaarlen bevroren. IJzige woede deed mijn hart rillen toen ik slagen hoorde dalen op mijn moeders rug. In de koude sneeuw wilde ik mijn toorn vergeten. Maar toen kwaamt gij, o liefde! Kind van ’t vuur! Gij kwaamt! Tot de arme van koude bevangen zijt gij gekomen. Als ik mijn ellende vergelijk met de heerlijkheid, die ik daardoor won, is zij als niets. Van alle banden ben ik bevrijd. Geen vader of moeder of thuis heb ik meer. De menschen zullen alle mogelijke kwaad van mij gelooven en zich van mij afwenden. Welaan, uw wil geschiede, machtige Liefde. Waarom zou ik meer zijn dan de man, dien ik liefheb? Hand in hand zullen wij de wereld doorgaan. Arm is de Bruid van Gösta Berling. In de sneeuw heeft hij haar gevonden. Laat ons te zamen ons vestigen, niet in de hooge zalen; maar in een boerenhut aan den rand van het woud. Ik zal hem helpen in de kolenbranderij, en met het strikken zetten voor vogels en hazen. Ik zal zijn eten bereiden en zijn kleeren verzorgen. O mijn liefste, gelooft ge, dat ik ontbering of droefheid zal voelen, terwijl ik alleen in onze hut zit en u wacht? En toch zal ik dat, maar niet naar de dagen van mijn rijkdom, alleen naar u zal ik uitzien en verlangen, naar uw schreden op ’t pad, naar uw vroolijk gezang, als ge met de bijl op den schouder thuiskomt.”

Zoo had ze stil gelegen en hymnen gedicht aan den aller harten beheerschenden God der liefde en geen slaap had haar oogen geloken, toen de Majoorske binnenkwam. Toen ze weer was heengegaan, stond Marianne op en kleedde zich aan. Nog eens moest ze het zwart fluweelen kleed en de dunne balschoenen aantrekken. Zij sloeg de deken om zich heen als een shawl en spoedde zich op nieuw voort door den vreeselijken nacht.

Rustig, vol sterren en bijtend koud rustte de Februarinacht nog over de aarde, het was als zou ze nooit voorbijgaan. En de duisternis en de kou door de nacht gebracht, bleef op aarde hangen lang nadat de zon was opgegaan, lang nadat de sneeuw, waardoor de schoone Marianne gewaad had, tot water versmolten was.

Marianne haastte zich voort van Ekeby om hulp te zoeken. Zij kon niet toelaten, dat de mannen, die haar uit de sneeuw hadden opgenomen en hun huis en hart voor haar geopend, van hun haardsteden verjaagd zouden worden. Zij wilde naar Sjö gaan, naar Majoor Samzelius. Eerst over een uur kon ze terug zijn.

Toen de Majoorske afscheid van haar huis genomen had, ging ze naar buiten op de plaats, waar het volk haar wachtte en de strijd om den kavaliersvleugel begon.

De Majoorske stelt al het volk op rondom het hooge smalle gebouw, waaraan het bovenste gedeelte de beruchte woning der kavaliers is. In de groote kamer daarboven met de gewitte muren, de roodgeschilderde kisten en de groote tafel, waar de kaarten nog op de met brandewijn bemorste tafel liggen, waar de breede bedden door geel geruite gordijnen verborgen worden—daar slapen de kavaliers. Ach, die zorgeloozen?

En in den stal voor de gevulde ruif slapen de kavalierspaarden en droomen van de heldenfeiten hunner jeugd.

Liefelijk is het in de rustdagen te droomen van de avonturen der jeugd, van de marktreizen, toen ze dag en nacht onder den blooten hemel moesten staan, van hardrijderijen, van proefritten voor een verkoop, als hun door wijn verhitte meesters hun van uit de wagens allerlei vloeken toeriepen. Lieflijk zijn die droomen voor hen, nu ze weten dat ze nooit meer den warmen stal, de gevulde ruif van Ekeby zullen verlaten. Ach, die zorgeloozen!

In een oud vervallen wagenhuis, waar stukgereden karossen en afgedankte sleden bewaard worden, staat een wonderlijke verzameling voertuigen. Daar staan groen geschilderde mandenwagens en sjeezen en sleden en allerlei soorten van rijtuigen. Daar staat de eerste kariool, die in Wermeland gezien is, en die door Beerencreutz in den oorlog van 1814 is buit gemaakt. Daar staat de lange slee, waarin plaats is voor twaalf man en de kleine slee waarin neef Christoffel kwam aanrijden en Örneclous’ oude familieslee met berenvellen en ’t wapen op ’t zeil en verder een oneindig aantal kapsleden.

Vele kavaliers hebben al geleefd en zijn gestorven op Ekeby. Hun namen zijn vergeten en zij hebben geen plaats meer in de harten der menschen; maar de Majoorske heeft de voertuigen bewaard, waarin zij naar Ekeby kwamen. Ze heeft ze allen bijeen in het oude wagenhuis.

En daarbinnen staan zij stil en laten de stof dicht op zich neervallen.

Nagels en spijkers houden niet meer in ’t vermolmde hout, de verf valt er af in groote stukken, en door de motgaten komt het opvulsel van kussens en dekken naar buiten.

„Laat ons rusten, laat ons vervallen,” zeggen de oude voertuigen. „Wij hebben lang genoeg langs de wegen geschommeld, wij hebben vocht genoeg opgezogen in de regenbuien. Laat ons rusten! ’t Is lang geleden, dat wij de jonge heeren naar hun eerste bal reden, lang geleden, dat wij netjes gepoetst en glimmend uittrokken op sleepartijtjes, lang geleden, dat we op moerassige wegen in de lente de jonge heeren naar den slag van Trössnäs reden. De meesten van hen gingen ter ruste, de laatsten en de besten zullen Ekeby niet meer verlaten.”

En het leder der voetenzakken barst, de banden springen van de wielen, wielspaken en naaf vermolmen. De oude voertuigen geven niet meer om het leven. Zij willen sterven.

’t Stof ligt over hen als een lijkwade en zij laten onder die bedekking den ouderdom steeds meer macht over hen krijgen. In hardnekkige luiheid laten ze zich vervallen. Niemand raakt hen aan en toch vallen zij aan stukken. Eéns in het jaar wordt de schuur geopend, als een nieuwe kameraad is aangekomen, die zich op Ekeby wil vestigen en zoodra de deuren gesloten zijn valt de moeheid, de slaap, ’t verval, de zwakte van den ouderdom ook over de nieuw aangekomene. Ratten en houtwormen en motten en hoe al die roofdieren verder mogen heeten, werpen zich op hen en zij verroesten en vermolmen in droomlooze, liefelijke rust.

Maar nu in den kouden Februarinacht laat de Majoorske de deuren van de wagenschuur openen.

En met lantarens en fakkels laat zij de voertuigen uitzoeken, die aan de tegenwoordige kavaliers van Ekeby behooren: ’t oude kariool van Beerencreutz en de met wapens versierde slee van Örneclou en ’t smalle sleetje van Neef Christoffel.

Ze geeft er niet om of ’t zomer- of winterrijtuigen zijn, ze past alleen op, dat ieder ’t zijne krijgt.

En in den stal worden al de oude kavalierspaarden gewekt, die zoo pas nog voor de gevulde kribben droomden.

Uw droomen zullen werkelijkheid worden, gij zorgeloozen!

De steile heuvels zult ge weer afrennen en ’t muffe hooi weer proeven in den herbergstal, en de zweep van den paardenkooper voelen en deelnemen aan onzinnige wedrennen op zulk glad ijs, dat ge er voor beeft.

Nu is ’t zooals ’t behoort, nu de oude voertuigen bespannen zijn.

Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als ’t gebit in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten, spatten en gehoest komen nu aan het licht.

De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen.

„Span Don Juan voor onze beste kapslee,” antwoordt de Majoorske, „en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen.” En als de jongens aarzelen, gaat ze voort: „Er is geen paard op mijn stal, dat ik niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet.”

Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt,—maar de kavaliers slapen nog altijd.

Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar ’t is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. ’t Is zoo makkelijk hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen, die hen weg zullen voeren.

Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de kavaliers slapen.

„’t Is mijn hooiberg,” zegt ze, „heel Ekeby hoort mij toe.”

En als nu de hooiberg in lichtelaaie vlam staat roept ze: „Wek hen nu!”

Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord: „Brand! brand!”

Maar de kavaliers slapen.

De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers slapen.

Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen.

Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht.

Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om hen te wekken.

Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep als dooden.

Die gezegende slaap zal hen redden.

’t Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen; gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt, neer te vellen.

Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een beer in zijn hol? ’t Volk brult: „Brand! brand!” keer op keer; maar niets helpt.

Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de slaapkamer open en roept naar binnen:

„Brand! Brand!”

Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan ’t schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen onmiddellijk de twaalf mannen ’t bed uit, zien den vuurgloed, trekken haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op.

Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke molenaarsjongens,—en een groote schande komt over de kavaliers. Want wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of slee gelegd.

Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh, de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke, de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers.

’t Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde uitbarstingen van onmachtige woede.

De Majoorske gaat van den een naar den ander.

Je moet zweren,” zegt ze, „dat je nooit meer naar Ekeby terug zult komen.”

„Och loop, oude tooverheks!”

„Je moet zweren,” zegt zij, „anders gooi ik je in den kavaliersvleugel, gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand ik den kavaliersvleugel. Nu weet je ’t!”

„Dat durft de Majoorske toch niet.”

Durf ik ’t niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je, dat ik ’t niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? ’t Is je geraden te zweren!”

En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden, want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken te voorkomen.

Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö bereikt.

De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin, waar hij zijn beren voerde.

Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in ’t berenhok, bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten en haastte zich naar Ekeby.

Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen.

Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden?

Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in wilde vaart naar Ekeby.

Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan:

„De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren.”

Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan.

„Jij hebt hem gehaald,” zei ze tegen Marianne.

„Vlucht!” roept deze nog dringender. „Weg van hier, in Godsnaam! Ik weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich.”

Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan.

„Ik dank jelui voor je hulp, kinderen,” zei deze kalm tot het volk. „Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van jelui voor ’t gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga nu heen.

Maar zij bleven dralen.

Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne.

„Ik weet, dat je liefhebt,” zeide ze. „Je handelt in waanzin, door liefde gedreven. ’k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is!

Komt nu kinders, komt nu!” met deze woorden wendde ze zich weer tot het volk. „God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en ’t land in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme menschen.”

Toen ging ze heen, door ’t volk gevolgd.

Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden,—een lange treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was ’t al even droevig gesteld. ’t Leven had geen van allen gespaard.

Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog nooit gedragen.

„Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van Björne knielde,” zeide Marianne.

En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude voertuigen weer in ’t wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen, dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en de uilen krassen.

Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen.

„Leve de Majoorske!” riepen zij.

Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren.

Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg, dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden?